Skip to main content

Full text of "Krijgs- en geschiedkundige beschouwingen over Willem den derde, 1672-1697"

See other formats


This  is  a  digital  copy  of  a  book  that  was  preserved  for  generations  on  library  shelves  bef  ore  it  was  carefully  scanned  by  Google  as  part  of  a  project 
to  make  the  world's  books  discoverable  online. 

It  has  survived  long  enough  for  the  copyright  to  expire  and  the  book  to  enter  the  public  domain.  A  public  domain  book  is  one  that  was  never  subject 
to  copyright  or  whose  legal  copyright  term  has  expired.  Whether  a  book  is  in  the  public  domain  may  vary  country  to  country.  Public  domain  books 
are  our  gateways  to  the  past,  representing  a  wealth  of  history,  culture  and  knowledge  that 's  often  difficult  to  discover. 

Marks,  notations  and  other  marginalia  present  in  the  original  volume  will  appear  in  this  file  -  a  reminder  of  this  book's  long  journey  from  the 
publisher  to  a  library  and  finally  to  you. 

Usage  guidelines 

Google  is  proud  to  partner  with  libraries  to  digitize  public  domain  materials  and  make  them  widely  accessible.  Public  domain  books  belong  to  the 
public  and  we  are  merely  their  custodians.  Nevertheless,  this  work  is  expensive,  so  in  order  to  keep  providing  this  resource,  we  have  taken  steps  to 
prevent  abuse  by  commercial  parties,  including  placing  technical  restrictions  on  automated  querying. 

We  also  ask  that  you: 

+  Make  non- commercial  use  of  the  files  We  designed  Google  Book  Search  for  use  by  individuals,  and  we  request  that  you  use  these  files  for 
personal,  non-commercial  purposes. 

+  Refrainfrom  automated  querying  Do  not  send  automated  queries  of  any  sort  to  Google's  system:  If  you  are  conducting  research  on  machine 
translation,  optical  character  recognition  or  other  areas  where  access  to  a  large  amount  of  text  is  helpful,  please  contact  us.  We  encourage  the 
use  of  public  domain  materials  for  these  purposes  and  may  be  able  to  help. 

+  Maintain  attribution  The  Google  "watermark"  you  see  on  each  file  is  essential  for  informing  people  about  this  project  and  helping  them  find 
additional  materials  through  Google  Book  Search.  Please  do  not  remove  it. 

+  Keep  it  legal  Whatever  your  use,  remember  that  you  are  responsible  for  ensuring  that  what  you  are  doing  is  legal.  Do  not  assume  that  just 
because  we  believe  a  book  is  in  the  public  domain  for  users  in  the  United  States,  that  the  work  is  also  in  the  public  domain  for  users  in  other 
countries.  Whether  a  book  is  still  in  copyright  varies  from  country  to  country,  and  we  can't  offer  guidance  on  whether  any  specific  use  of 
any  specific  book  is  allowed.  Please  do  not  assume  that  a  book's  appearance  in  Google  Book  Search  means  it  can  be  used  in  any  manner 
any  where  in  the  world.  Copyright  infringement  liability  can  be  quite  severe. 

About  Google  Book  Search 

Google's  mission  is  to  organize  the  world's  Information  and  to  make  it  universally  accessible  and  useful.  Google  Book  Search  helps  readers 
discover  the  world's  books  while  helping  authors  and  publishers  reach  new  audiences.  You  can  search  through  the  full  text  of  this  book  on  the  web 

at  http  :  //books  .  google  .  com/| 


r- 


^itized  by  VjOOQIC 


DJ 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google 


'1 


Digitized  by 


Google 


I  / 


f^é 


KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN 
OVER  WILLEM  DEN  DERDE. 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google 


Krijgs-  en  Geschiedkundige 
Beschouwingen 


OVER 


WILLEM  DEN  DERDE. 


EERSTE  DEEL  (1Ó72--1673) 


DOOR 


W'^'^KNOOP, 

in  leven  Luitenant-Generaal  v.  h.  Nederl.  Leger. 


de  jonge  vorst,  uit  d'eelsten  stam  gesproten, 


zweert  d'eed  van  ITannibal  voor  't  oog  der  oppcrmagt: 

„help  God  dat  ik  's  volks  ketens  slake! 

'K  zweer  Frankrijk  oniiitroeibrc  wrake; 

breek  ik  mijn  eed,  dat  mij  dan  't  voorgeslacht  verzakc, 

mij  uit  haar  kreits  vcrstoote,  en  't  nakroost  mij  veracht, 

gelijk  een  vreemde  slaaf,  in  schande  voortgebragt." 

Gij  weet  het  Lodcwijk,  heeft  hij  zijn  eed  betracht? 

Helmers. 


SCHIEDAM, 
H.   A.   M.  ROELANTS, 

1895. 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google 


INHOUD  VAN  HET  EERSTE  DEEL. 


»i 


HOOFDSTUK  I. 


Willem  ni  als  legerhoofd;  wijze  van  oorlogvoeren  in   de  17e 
eeuw Bladz.  i 

Lof  van    Willem  III  als  staatsman  en  regent;  miskenning  als  leger- 

I  hoofd.  —  Oorzaak  van  die  miskenning.  —  Willem  III  behaalt  dikwijls 

▼oordeelen  in  zijne  oorlogen.  —  Oorzaak  van  zijoe  tegenspoeden.  —  Het 
Fransche  krijgswezen.  —  Samenstelling  der  legers  van  Willem  III :  Engel- 
sche  en  Hollandsche  troepen;  Spaanscbe  troepen;  Duitsche  troepen.  — 
Het  slepende  houden  van  den  oorlog  door  Willem  lil.  —  Bekwaamheid 
van  Willem  UI  in  het  kiezen  van  stellingen.  —  Over  de  veldslagen.  — 
Kenmerk  van  Napoleon^s  veldslagen.  —  Kenmerk  der  strategie  van  Wil- 
lem UI,  in  1672  en  1673.  —  Legervorming  door  Willem  UI.  —  Gestreng* 
heid  vao    Willem   IIL  —  Brief  van  Willem  lU  aan  De  Ruyter  (1673). 

I  —  De  Hollandsche  infanterie  tijdens  Willem  III.  —  Onderbevelhebbers, 

door  Willem   III   gevormd.  —  Dapperheid  van  den  Stadhouder.  —  In- 
druk door  Willem  III  op  zijne  tijdgenooten  gemaakt. 
De   oorlogen   van  de    17e    eeuw,   weinig  beslissend.  —  Vergelijking 

1  van  de  samenstelling  der  hedendaagsche  legers  met  die  der  17e  eeuw. 

I  De  soldaten  van  de  vroegere  legers;  de  officieren.  —  Mindere   talrijk- 

heid van  de  vroegere  legers.  —  Grootere  invloed  van  de  vestingen.  — 
Gewone  gang  van  de  vroegere  oorlogen.  —  Wijze  van  voeding  der 
legers   te   velde.   —  Invloed  van  het  magazijnstelsel  op  de  bewegingen 

i  van  de  legers.  —  Langzaamheid   van  de  marschen.  —  Korte  duur  van 

I  de  veldtochten.  —  Algemeene  schets  van  de  strategie  der  1 7e  eeuw :  de 

I  aanvaller;  de  verdediger.  —  De  veldslagen. 

I*  HOOFDSTUK  II. 

^    Lodewijk  XIV;  Colbert;  Louvois Bladz.  35 

Karakter  van  Lodewijk  XIV.  —  Voorbeelden  van  willekeur:  verove- 
ring van   lotharingen   in    1670;   aanslag  op  De  Tlsola  (1674);  aanslag 
op  het  leven   van    Willem   III   (1692);   poging  om  een  Franschman  te 
^         Amsterdam   op   te  lichten  (1681);  Maltioli  (1679);  Heinsius  (1680).  — 
J         Afhankelijkheid  van   de   Europeesche   regeeringen  van    Lodewijk  XIV. 
^         —  De  Hertog  van  Mecklenburg  (1684). 

Colbert 
^  Louvois.  —  Verhouding   van  Louvois  tot  de  Fransche  maarschalken. 

i         —  De   Bellefonds.  —  Condé.  —  Luxembourg.  —  Turenne.  —  Vauban. 


283447  ^      , 

/Google 


Digitized  by  ^ 


—  Neiging  van  Lodewijk  XIV  en  van  Louvois  voor  den  vestingoor- 
log. —  Gebeurtenis  bij  Bouchain  (1676).  —  Ondankbaaiheid  van  Lode- 
wijk XIV  ten  aanzien  van  Louvois. 

HOOFDSTUK  IIL 

1672.  Aanleiding  tot  den  oorlog  van  1672;  toebereidselen;  strijd- 
krachten; oorlogsplannen Bladz.  60 

Verklaring  van  Lodewijk  XIV  over  de  aanleiding  tot  den  oorlog  van 
1672.  —  Aanmerkingen  daarop.  — Ongunstig  oordeel  over  de  staatkunde 
van  De  Witt  door  Grovestins.  —  Verdediging  van  de  staatkunde  van 
De  Witt. 

Uitbreiding  der  strijdkrachten  van  Lodewijk  XIV.  —  Wervingen  in  Italië ; 
in  Zwitserland.  —  Opmerking.  —  Onderhandelingen  van  Frankrijk  met 
Keulen  en  Munster.  —  Aankoop  van  leeftocht  en  munitie  door  de  Fran- 
schen.  —  Samenkomst  van  Louvois  met  den  keurvorst  van  Keulen. 

Sterkte  van  het  Fransche  leger  in  1672.  —  Militaire  waarde  der  troe- 
pen —  De  bevelhebbers:  Turenne;  Condé;  Luxembourg.  —  Verstand- 
houdingen in  de  Republiek  met  Frankrijk. 

Sterkte  en  samenstelling  van  het  Hollandsche  leger.  —  Over  de  ver- 
houding tusschen  voetvolk  en  ruiterij.  —  Over  de  uitbreiding  van  het 
leger  van  1671  tot  1673.  —  Militaire  waarde  der  toenmalige  Holland- 
sche troepen.  —  Toestand  der  vestingen.  —  Natuurlijke  verdedigings- 
middelen. —   Volkswapeninp.  —  Opperbevelhebber.  —  Bondgenooten. 

Over  het  beste  operatieplan  van  den  aanvaller.  —  Operatielijn.  —  Over 
het  operatieplan  des  verdedigers.  —  Invloed  van  den  oorlog  ter  zee  op 
dien  te  land. 

HOOFDSTUK  IV. 

1672.  Eerste  krijgsverrichtingen ;  overtocht  van  den  Rijn;  staats- 
omwenteling; de  Hollandsche  waterlinie  ....     Bladz.  98 

Begin  van  de  vijandelijkheden  'April  1672).  —  Strategische  opmarsch 
van  de  Fransche  legers  (Mei  1672).  —  Belegeringen:  van  Wezel (i — 5 
Juni);  Burik  (1—4  Juni);  Orsoy  (2 -3  Juni);  Rijnberg  (2— 6  Juni);  Rees 
(8—9  Juni).  —  Inneming  van  Emmerik  {9  Juni);  Deutekom  (9  Juni); 
Grol  (9  Juni).  —  Opmerking.  —  Stelling  van  het  Hollandsche  leger 
achter  den  IJsel.  —  Opmarsch  van  het  Fransche  leger  naar  den  IJsel.  — 
Overtocht  van  den  Rijn  bij  het  tolhuis  (12  Juni).  —  Opmerkingen  — 
Verdere  bewegingen  van  het  Fransche  leger  —  Terugtocht  van  Wil- 
lem III  op  Utrecht  (14  —  15  Juni);  terugtocht  op  Holland  (18  Juni).  — 
Beschouwingen  over  dit  gedeelte  van  den  veldtocht;  over  de  handelin- 
gen van  den  aanvaller;  over  de  handelingen  van  den  verdediger. 

Staatsomwenteling  van  1672.  —  De  Hollandsche  waterlinie.  —  Verdee- 
ling van  de  Hollandsche  troepen.  —  Versterking  der  linie.  —  Verster- 
king van  het  leger. 

Verrichtingen  der  Franschen.  —  Oordeel  van  Lodewijk  XIV  over  het 
onderwaterzetten  van  Holland  in  1672.  —  Over  de  aanvankelijke  ge- 
zindheid van  Amsterdam  om  zich  te  onderwerpen.  —  Over  de  harde 
vredesvoorwaarden,  door  Lodewijk  XIV  gesteld  —  Traagheid  van  de 
krijgsverrichtingen  der  Franschen.  —  Oorzaken  van  de  weinige  werk- 
dadigheid  des  vijands.  —  Over  het  niet  bezetten  van  Muiden  door  de 
Franschen.  —  Over  het  loslaten  van  de  Hollandsche  krijgsgevangenen. 

—  Opmerking.  —  Verdere  verrichtingen  bij  de  Waterlinie. 


Digitized  by 


Google 


INHOUD.  VII 

HOOFDSTUK  V. 

Belegeringen;  Aardenburg;  krijgsverrichtingen  in  de  oostelijke 
Gewesten;  Groningen;  algemeene  opmerkingen  .     Bladz.  '137 

Arnhem.    —    Knodsenburg.   —  Schenkeoschans.  —  Tiel    —  Voorne. 

—  Si.  Andries.  —  Doesburg.  —  Zutfen.  —  Aardenburg.  —  Nijmegen.  — 
Grave.  —  Crèvecoeur.  —  Bommel.  —  Vertrek  van  Lodewijk  XIV  uit  Hol- 
land. 

Sterkte  van  het  Munstersche  en  Keulsche  leger.  —  Deventer.  —  Hattem. 

—  Zwolle.  —  Onderwerping  van  Overij^el  —  Tuesiand  van  Friesland 
en  Groningen.  —  Inval  des  vijands  in  *  -roningen.  —  Coevorden.  —  Gronin- 
gen. —  Verdere  krijgsveriichtiugen  in  Groningen  en  Overij.sel. 

Beschouwingen  over  de  krijgsverrichtingen  van  den  zomer  van  1672. 

HOOFDSTUK  VI. 

Overgang  van  Willem  IH  tot  den  aanval;  Woerden;  tocht  naar 
Maastricht  en  de  boven-Maas  (najaar  van  1672).     Bladz.  178 

Besluit  van  Willem  III  om  tot  den  aanval  over  te  gaan.  —  Aanslag 
op  Woerden  (10—12  Ociober).  —   Gevecht  bij  Woerden  (11  Ociober). 

—  Opmerking. 

Aanvalsplan  van  Willem  III  in  November  1672.  —  Handelingen  van 
de  Duitsche  legers.  —  Operatiëu  van  Willem  III.  —  Valkenburg  (6 — 7 
December).  —  Uiteengaan  van  de  Duiische  legers  (einde  December). — 
Charleroi  (15 — 22  December),  —  Rousset  over  de  onderneming  van 
Willem  m. 

HOOFDSTUK  VII. 

Wreedheden  door  Luxembour/  gepleegd;  Bodegraven  en  Zwam- 
merdam;  Coevorden;  strategische  opmerkingen  .     Bladz.  203 

Krijgsverrichtingen  na  het  gevecht  van  Woerden.  —  Over  de  wreedhe- 
den door  Luxembourg  gepleegd.  —  Verdedigingsmaatregelen  in  Holland. 

—  Onderneming  van  Luxembourg  (28-  30  December).  — Königsmarck 
aan  de  Goudsche  Sluis.  —  Opmerking.  —  Gevaarlijke  toestand  van  Luxem- 
bourg. —  Pain-et-Vin.  —  Königsmarck.  —  Aftocht  van  Luxembourg  (30 
December)    —  Rousset  over  de  onderneming  van  Luxembourg. 

Krijgsverrichtingen  in  Groningen^  in  hel  najaar  van  1672.  —  Coevor- 
den (30  December). 

Beschouwingen  over  de  krijgsverrichtingen  in  de  laatste  dagen  van  1672. 

—  Over  de  operatiën  van  Willem  III  in  de  Zuidelijke  Nederlanden.  — 
Over  Luxembourg*s  inval  in  Holland.  —  Over  de  krijgsverrichtingen  in 
de  oostelijke  provinciën. 

HOOFDSTUK  VUL 

Toestand  van  de  oorlogvoerende  partijen  bij  het  begin  van  1673; 
krijgstoerustingen ;  krijgsverrichtingen  in  de  noordoostelijke 
provinciën  en  in  Holland Bladz.  2 28 

Frankrijk,  Engeland,  Keulen  en  Munster.  —  De  Republiek,  Spanje, 
de  keurvorst  van  Brandenburg.  —  Krijgstoerustingen  van  Engeland  en 
Frankrijk.  —  Verlaten  van  HoUandsche  vestingen  door  de  Franschen. 
—  Afpersingen    door   de  Franschen  in  Holland  gepleegd.  —  Condé  in 


Digitized  by 


Google 


Holland  (zomer  van  1673).  —  KrijgstoerustiDgen  van  de  Republiek  en 
van  hare  bondgenooten.  —  Legermacht  van  de  Republiek  in  1673.  — 
Schutterijen;  volkswapeniog.  —  Friesland  en  Groningen.  —  Friesche 
linie.  —  Versterkingen  in  Holland.  —  HoUandsche  linie.  -  Zeeland.  — 
Noord.Braband.  —  Willem  III  bepaalt  zich  aanvankelijk  tot  de  verdediging. 

Krijgsverrichtingen  in  de  Noordoostelijke  gewesten.  —  Afdamming  van 
de  Vecht.  —  Gevecht  bij  Staphorst  {2  Juli).  —  Aanslag  op  Zwartsluis  (20 
Juli).  —  Inneming  van  de  Langakkerschans.  —  Ontzet  van  Coevorden 
(i  Oclober). 

Krijgsverrichtingen  in  Holland.  —  Brief  van  Willem  III  aan  De  Ruyter. 

—  Bezetting  van  Nieuwersluis  (14  Mei).  —  Condé's  pogingen  om  Mui- 
den aan  te  vallen  (Mei  en  Juni). 

HOOFDSTUK  IX. 

Beleg  van   Maastricht;  ontbinding  van  het  leger  van  Lodewijk 
XIV Bladz.  252 

Opcratiën  van  Turenne  in  de  eerste  helft  van  1673. 

Opmarsch  naar  de  Nederlanden  van  het  leger  van  Lodewijk  XIV 
(Mei  1673).  —  Insluiting  van  Maastricht  (6—14  Juni).  —  Toestand  van 
Maastricht  in  1673.  —  Beleg  van  Maastricht  (13  —  30  Juni);  opening 
der  loopgraven;  bestorming  van  den  bedekten  weg  (24—  25  Juni);  be- 
storming en  inneming  van  de  buitenwerken  (28—29  J"^*)?  slechte  ge- 
zindheid der  burgerij;  overgave  (1  Juli);  verliezen.  —  Rousset  over  het 
beleg  van  Maastricht. 

Ontbinding  van  het  leger  van  Lodewijk  XIV.  —  Vruchteloozc  vredes- 
onderhandelingen. —  Staatkundige  handelingen  van  Willem  III. 

HOOFDSTUK  X. 
Naarden;    winterveldtocht    van     1673;     ontruiming    van    Hol- 
land    Bladz.  278 

Toebcreidselen  van  Willem  III  tot  den  aanvallenden  oorlog.  —  Beleg 
van  Naarden  (6  —  12  September);  toestand  der  vesting;  voorbereidende 
maatregelen  tot  bet  beleg;  gang  van  het  beleg;  maatregelen  van  Luxem- 
bourg  tot  ontzet  van  Naarden;  bestorming  van  Naarden;  overgave.  — 
Beschouwingen  over  het  beleg  van  Naarden.  —  Rousset  over  Naarden. 

—  Ontruiming  van  eenige  HoUandsche  steden  door  de  Franschen. 
Aanvallende  beweging  van  Willem  III  naar  den  Rijn  (October— November 

1673).  —  Opmarsch  van  het  leger  des  Stadhouders.  —  Bestorming  en  inne- 
ming van  Rheinbach  (a  November)  —  Bewegingen  van  Condé  en  van 
Luxembourg.  —  Operatiën  van  Monte  Cuculi  en  Turenne  in  1673  in  Duitsch- 
land.  —  Vereeniging  van  het  Keizerlijke  leger  met  dat  van  Willem  III 
(3  November).  -  Beleg  van  Bonn  (5—13  November) ;  toestand  van  de  ves- 
ting; bezetting  en  bewapening;  sterkte  des  belegeraars;  belegerings-werk- 
zaamheden ;  bestorming  van  het  ravelijn  bij  de  Keulsche  poort  (11  Novem- 
ber); overgave  (13  November).  —  Opmerkingen.  —  Inneming  van  Brühl, 
Lechenich^  Kerpen  en  Duren  (15 — 23  November).  —  Einde  der  operatiën. 
Gevolgen  van  de  inneming  van  Bonn.  —  Begin  der  ontruiming  van  Hol- 
land (November  1673).  —  Poging  van  Willem  III  om  den  aftocht  van 
Luxembourg  te  verhinderen  (December  1673)  —  Kritische  beschouwingen 
over  den  veldtocht  van  1673.  —  Rousset  over  de  ontruiming  van  Holland. 

—  Rousset  over  het  einde  van  den  veldtocht.  —  Opmerking. 


Digitized  by 


Google 


HOOFDSTUK  I. 

WILLEM   III   ALS   LEGERHOOFD.   —  WIJZE   VAN   OORLOGVOEREN 
IN   DE    17e   EEUW. 

Indien  er  ééne  waarheid  onbetwistbaar  is,  dan  is  het  wel  deze, 
dat  onze  Stadhouder  Willem  de  Derde  eene  geschiedkundige  groot- 
heid heeft  verworven,  die  door  weinig  anderen  wordt  overtroffen 
of  geëvenaard;  in  het  aan  helden  en  groote  mannen  zoo  rijke 
Stamhuis  van  Oranje  overschaduwt  de  derde  Willem  schier  allen, 
en  moet  zijn  roem  alleen  onderdoen  voor  dien  van  den  onster- 
felijken  eersten  Willem.  Redder  van  het  veege  Nederland  in 
1672,  bevrijder  van  Engeland  van  het  juk  van  een  dweepziek 
koning,  onvermoeid  kampvechter  voor  de  vrijheid  van  Europa 
tegen  de  heerschzucht  van  Lodewijk  XIV,  is  Willem  de  Derde 
een  dier  groote,  buitengewone  mannen  geweest,  wier  machtige 
geest  aan  den  stroom  der  wereldgebeurtenissen  een  andere  rich- 
ting weet  te  geven;  een  dier  heröen,  aan  wie  de  volkeren  vol 
vertrouwen  zich  aansluiten,  als  aan  de  voorstanders  en  bescher- 
mers van  hunne  vrijheid  en  onafhankelijkheid. 

Overbodig  is  het  dus,  de  grootheid  van  Willem  III  als  staats- 
man, als  gebieder  tè  willen  betoogen:  die  wordt  nu  door  nie- 
mand meer  betwist.  Iets  anders  is  het  evenwel  met  zijn  roem 
als  legerhoofd:  die  wordt  minder  algemeen  erkend;  die  wordt 
meer  betwijfeld;  daaraan  wordt  geen  recht  genoeg  gedaan. 

De  miskenning,  die  den  Stadhouder  als  veldheer  ten  deel  valt, 
is  vooral  daardoor  verklaarbaar,  dat  het  algemeen  de  oorlogen 
uit  den  tijd  van  Lodewijk  XIV  voornamelijk  slechts  kent  uit 
de  verhalen  van  Fransche  schrijvers,  uit  de  verhalen  van  de 
vijanden  van  Willem  III.  Die  schrijvers  beoordeelen  hun  groo- 
tcn  tegenstander  dikwijls  met  lichtvaardigheid  en  tamelijk  uit 
de  hoogte.  » Grand  politique,  mais  général  médiocre,"  zoo  wordt 

WILLEM  m.  —  I.  I 


Digitized  by 


Google 


2  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

hij  door  Beaurain  afgeschilderd.  Voltaire,  iets  gunstiger,  geeft 
hem  toch  ook  maar  een  halven  lof,  door  van  hem  te  zeggen : 
»général  h,  craindre  quoiqu'il  eüt  perdu  beaucoup  de  batailles;" 
wat  er  in  de  eerste  helft  van  die  uitspraak  vleiends  is,  wordt 
weggenomen  door  het  ongunstige  van  de  tweede  helft.  Eindelijk 
Folard,  die  in  de  dagen  van  Lodewijk  XIV  als  krijgskundig 
schrijver  een  even  groote  en  even  welverdiende  vermaardheid 
genoot  als  in  onze  eeuw  Clausewitz  of  Rüstow,  doet  wel  is  waar 
iets  meer  recht  aan  het  veldheerstalent  van  Willem  III,  wanneer 
die  schrijver,  sprekende  over  den  oorlog  van  1672 — 1678,  zegt: 

>La  HoUande  ne  füt  gueres  moins  malheureuse  en  généraux 
dans  sa  guerre  contre  Louis  XIV,  qu'elle  fÜt  heureuse  en  grands 
capitaines  et  en  politiques  raünés,  dans  celle  contre  TEspagne, 
au  commencement  de  cette  République.  Celui  qui  prit  Ie  com- 
mandement  de  ses  forces  (Guillaume,  Prince  d'Orange),  après  les 
disgraces  des  généraux  qui  Ie  précédèrent,  qui  étaient  fort  mal- 
habiles  et  sans  expérience,  apprit,  tout  au  rebours,  k  se  faire 
respecter  et  h.  s'acquérir  de  Testime,  malgré  ses  continuelles 
défaites ;  ce  qui  décourage  et  abat  les  autres,  ne  Tébranla  pas.  Sa 
patience,  sa  constance  et  son  courage  Ie  mirent  au  dessus  des 
plus  grands  revers  de  fortune:  artisan  industrieux  et  profond  de 
brigues,  de  querelles  et  de  ligues  les  plus  fameuses,  qui  seules 
sauvèrent  sa  patrie  prête  k  tomber. 

Le  Prince  de  Condé,  qui  était  fin  connaisseur,  augura  de  lè, 
que  ce  Prince  serait  un  jour  un  grand  capitaine,  et  qu'il  appren- 
drait  peut  être  k  nous  battre,  k  force  d'être  battu.  Rendons  lui 
justice,  il  était  plus  malheureux  que  malhabile."  (Folard,  4e  deel, 

bl.  353). 

Folard,  hebben  wij  gezegd,  doet  iets  meer  recht  dan  anderen 
aan  het  veldheerstalent  van  Willem  III;  toch  wordt,  in  de  hier 
aangehaalde  plaats  uit  de  werken  van  den  Franschen  schrijver, 
geen  bepaalde  lof  gegeven  aan  deïi  stadhouder,  als  legerhoofd. 
Integendeel,  hoezeer  de  stadhouder  geroemd  wordt  wegens  zijn 
standvastigheid  in  tegenspoed,  wordt  hij  toch  hoofdzakelijk  als 
staatsman  geprezen:  »artisan  industrieux  et  profond  de  brigues, 
de  querelles  et  de  ligues  les  plus  fameuses" ;  de  voorspelling  van 
Condé  wordt  aangehaald,  dat  Willem  III  eens  een  groot  veldheer 
zou  worden;  maar  daar  wordt  niet  bijgevoegd,  dat  die  voor- 
spelling bewaarheid  is;  en,  wanneer  Folard  zegt,  dat  de  neder- 
lagen van  den  stadhouder  meer  moeten  worden  geweten  aan 
ongeluk  dan  aan  onbekwaamheid:  »il  était  plus  malheureux  que 
malhabile";  dan  zal  men  moeten  erkennen,  dat  dit  eene  dubbel- 
zinnige lofspraak  is;  ten  minste  een  zeer  beperkte. 

In  hel  buitenland  oordeelt  men  over  de  oorlogen  van  Lodewijk 
XrV  hoofdzakelijk  en  alleen  naar  datgene  wat  de  Fransche  schrijvers 


Digitized  by 


Google 


WILLEM   III  ALS   LEGKRHOOFD.  3 

daarover  hebben  geboekt;  en  dit  is  zeer  natuurlijk,  want  die 
schrijvers  zijn  wel  niet  de  meest  waarheidlievende,  verre  van 
daar;  maar  die  schrijvers  zijn  het  meest  duidelijk,  het  meest  be- 
grijpelijk; zij  munten  uit  in  kennis  en  oordeel;  zij  zijn  het  aan- 
genaamst om  te  lezen,  en  zij  schrijven  in  eene  taal  die  algemeen 
gelezen  wordt.  Vandaar  dan  ook,  dat  het  minder  gunstig  oordeel 
over  Willem  III  als  veldheer  bijna  algemeen  wordt  nageschreven, 
zonder  verder  onderzoek. 

Een  enkele  der  nieuwere  krijgskundige  schrijvers  maakt  hierop 
eene  uitzondering.  Clausewitz  heeft  de  krijgsdaden  van  Willem  III 
niet  afzonderlijk  behandeld;  slechts  een  enkelen  keer,  en  zeer  in 
het  voorbijgaan^  gewaagt  hij  van  dien  stadhouder;  toch  schijnt  hij 
diens  uitstekendheid,  ook  als  veldheer,  te  hebben  ingezien;  ten 
minste,  in  het  klassieke  werk  van  Clausewitz  >Over  den  oorlog" 
wordt  over  de  verdediging  van  inundatiën  gezegd,  dat  de  ver- 
dediging der  HoUandsche  inundatiën  in  1672  te  danken  was  >aan 
de  verstandige,  schrandere  en  krachtige  leiding  van  Willem  van 
Oranje."  (2e  deel,  bl.  94;  HoUandsche  vertaling). 

Willem  de  Derde,  hoe  groot  ook  in  andere  opzichten,  behoort 
niet  tot  de  groote  legerhoofden.  Ziedaar,  in  het  kort,  het  oor- 
deel dat  vrij  algemeen  over  dien  vorst  wordt  uitgesproken:  zie- 
daar echter  een  oordeel  dat  onjuist  en  onbillijk  is.  Wij  zullen 
trachten  dat  aan  te  toonen. 

Lees  welke  vreemde  schrijvers  gij  wilt  over  de  oorlogen  van 
Willem  III,  zij  zullen  u  allen  den  indruk  geven,  dat  hij  dapper- 
heid en  standvastigheid  bezat,  dat  hij  zich  door  geen  tegenspoeden 
liet  schokken  of  nederslaan,  dat  hij  nederlagen  goed  wist  te  her- 
stellen; maar  niet,  dat  hij  overwinningen  wist  te  behalen.  Het 
komt  bij  die  schrijvers  daarop  neer,  dat  Willem  ÜI,  bij  zijne 
oorlogen,  bekwaam  genoeg  was  om  de  nadeelen  zoo  gering 
mogelijk  te  maken ;  —  maar  niet  bekwaam  genoeg  om  voordeelen 
te  behalen.  Hoogstens  is  men  welwillend  genoeg  om  op  hem  de 
woorden  toe  te  passen,  waarmede  Voltaire  een  vroeger  Fransch 
legerhoofd,  Coligny,  heeft  geschilderd: 

»Malheureux  quelquefois,  mais  toujours  redoute; 
Sgavaot  daus  les  combats,  s^avant  dans  les  retraites, 
Plus  grand,  'plus  glorieux,  plus  craint  dans  les  défaites, 
Que  DuDois  ni  Gaston  ne  Tont  jamais  été 
Dans  Ie  cours  triomphant  de  leur  prospérité." 

Henriade.  Ch  II. 

Is  die  voorstelling  van  Willem  III,  als  een  altijd  ongelukkig, 
altijd  overwonnen  legerhoofd,  waar? 

Volstrekt  niet.  Ga  de  oorlogen  na,  door  den  stadhouder  ge- 
voerd, dien  eersten  oorlog  van  1672 — 1678  tegen  Lodewijk  XIV, 
dien  veldtocht  van  1690  in  Ierland,  en  dien  tweeden  Franschen 


Digitized  by 


Google 


4  KRÏJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

oorlog  van  1688 — 1697;  bestudeer  die  lange  reeks  van  krijgsver- 
richtingen,  dien  Ilias  van  veldslagen  en  belegeringen,  dan  zult  gij 
daarin  wapenfeiten  vinden,  die  voor  den  Oranjevorst  schitterende 
voordeden,  belangrijke  overwinningen  zijn  geweest.  Naarden,  dat 
in  1673  genomen  wordt,  bijna  in  het  gezicht  van  Luxembourg's 
leger;  Bonn,  dat  in  hetzelfde  jaar  bemachtigd  wordt,  en  waar- 
door de  ontruiming  van  Holland  door  den  vijand  noodzakelijk 
wordt  gemaakt;  Séneffe  (1674),  die  bloedige,  heldhaftige  worste- 
ling, met  tegenspoed  en  nederlaag  begonnen,  maar  als  glorie- 
volle overwinning  geëindigd;  de  slag  aan  de  Boyne  (1690),  waar 
Willem  III  in  het  gezicht  des  vijands  die  rivier  overtrok  en  het 
leger  van  koning  Jakobus  sloeg;  en  de  inneming  van  Namen 
in  1695,  ^oen  die  groote,  sterke  vesting  genomen  werd,  in 
weerwil  van  het  ten  ontzet  opgerukte  leger  van  Villeroy;  zie- 
daar bewijzen  genoeg  dat  Willem  III  wist  te  overwinnen,  dat 
zijne  veldtochten  niet  altijd  zijn  gekenmerkt  geworden  door  ne- 
derlagen. 

Toch  zeer  dikwijls,  —  zal  men  aanmerken.  Wij  ontkennen 
dit  niet;  maar  wij  voegen  er  bij,  dat  dit  zeer  natuurlijk  was, 
omdat,  bijna  altijd,  bij  zijne  oorlogen,  Willem  III  met  minder 
strijdkrachten  optrad  dan  zijne  tegenpartij. 

Minder  strijdkrachten:  men  moet  hier  toch  niet  enkel  op  de 
cijfers  letten,  maar  voornamelijk  op  het  gehalte  en  de  samen- 
stelling der  legers. 

Willem  III  had  Fransche  legers  te  bestrijden.  Nu  jnogen  de 
gebeurtenissen  van  1870  eenige  afbreuk  gedaan  hebben  aan  den 
Franschen  krijgsroem,  toch  blijft  het  eene  onbetwistbare  waarheid, 
dat,  in  den  regel,  Fransche  legers  goede  legers  zijn.  Vooral 
waren  dit  de  legers  van  Lodewijk  XIV,  en  vooral  in  de  eerste 
helft  van  de  regeering  van  dien  koning:  zijne  legers  waren  toen 
uitmuntend  samengesteld,  door  den  besten  geest  bezield,  en  voor- 
zien van  alles  wat  door  de  toenmalige  wijze  van  oorlogvoeren 
werd  gevorderd.  Zij  werden  aangevoerd  door  legerhoofden,  wier 
uitstekendheid  te  allen  tijde  gehuldigd  zal  worden:  Condé,  Turenne, 
Luxembourg ;  daarbij  bevond  zich  een  Vauban  om  de  belegeringen 
te  besturen,  wat  destijds  eene  hoofdzaak  was;  de  minister  van 
oorlog  was  Louvois,  een  gewetenlooze  wreedaard,  maar  een  man 
van  groote  bekwaamheden;  hij  had  wel  het  gebrek,  om  de 
legerhoofden  te  veel  aan  voorschriften  te  binden,  wat  dikwijls 
kwaad  heeft  gesticht;  maar,  uitstekend  als  Condé,  Turenne  en 
Luxembourg  waren,  konden  deze  zich  sterk  genoeg  rekenen  om 
zelfstandig  te  handelen  en  hunne  eigene  inzichten  te  volgen; 
Turenne  heeft  dit  meer  dan  eens  gedaan.  Voeg  daar  nog  bij, 
dat  de  legers  van  Lodewijk  XIV  legers  van  een  en  denzelfden 
Staat  waren,  een  en  denzelfden  vorst  gehoorzamende,  die  geheel 


Digitized  by 


Google 


WILLEM   III  ALS   LEGERHOOFD.  5 

vrij  over  die  legers  kon  beschikken  en  daardoor  aan  de  oorlogs- 
handelingen eene  eenheid  kon  geven,  die  eene  voorname  voor- 
waarde is  om  overwinningen  te  behalen. 

Daarentegen  voerde  Willem  III  altijd  verbondene  legers 
aan;  en,  al  het  andere  gelijkstaande,  zijn  zulke  legers  altijd  in 
de  minderheid,  omdat  er  nooit  die  eenheid  bij  kan  zijn,  dat  onder- 
ling vertrouwen,  dat  verband  en  die  vaste  samenhang,  die  men 
kan  vinden  bij  legers  van  een  en  denzelfden  Staat. 

In  den  regel  bestonden  de  legers,  door  den  Stadhouder  aan- 
gevoerd, uit  drie  verschillende  bestanddeelen. 

Men  had  daarbij,  allereerst,  de  legermacht  van  de  Republiek 
of  door  de  Republiek  betaald ;  later,  ook  de  Ëngelsche  troepen. 
Dit  gedeelte  van  het  leger  was  de  sterkste  steun  van  Willem  III; 
niet  alleen  omdat  het  uit  goede  troepen  bestond,  maar  ook 
omdat  het  bestond  uit  troepen  waarover  hij  vrij  kon  beschik- 
ken. Een  tweede  gedeelte  werd  uitgemaakt  door  de  Spaansche 
krijgsmacht.  Ook  over  dit  gedeelte  kon  de  Stadhouder  genoeg- 
zaam beschikken;  want  den  Spaanschen  bevelhebbers  ontbrak 
het  veel  minder  aan  den  wil  dan  aan  het  vermogen  om  goed  te 
handelen.  De  Spaansche  legers,  zoo  uitmuntend^  zoo  geducht  ten 
dage  van  Alva,  Parma  en  Spinola,  hadden  gedeeld  in  het  alge- 
meen verval  van  de  Spaansche  monarchie;  daar  waren  nog  wel 
sporen  overgebleven  van  den  ouden  heldengeest,  en  dapperheid 
viel  nog  op  te  merken  evenzeer  als  volkstrots  —  een  deugd, 
zelfs  daar  waar  zij  overdreven  wordt  — ;  maar  door  wanbestuur 
en  geldgebrek  waren  die  legers  in  den  ellendigsten  toestand. 
Wapening,  kleeding,  uitrusting,  onderhoud,  —  alles  liet  bij  de 
Spaansche  troepen  van  dien  tijd  zooveel  te  wenschen  over,  dat 
er  met  den  besten  wil  van  de  wereld  weinig  meê  viel  uit  te 
voeren.  Met  de  gewone  grootspraak  werd  toen  door  de  Spaan- 
sche bewindhebbers  gewaagd  van  hunne  Krijgsmacht;  maar  wel 
te  beklagen  was  hij,  die  onvoorwaardelijk  geloof  sloeg  aan  hunne 
woorden  en  daarop  zijne  ontwerpen  bouwde;  want,  behalve  dat 
de  wezenlijke  getalsterkte  meestal  maar  half  zoo  groot  was  als 
het  opgegeven  cijfer,  zoo  bestond  die  macht  ook  grootendeels 
uit  slecht  gewapende,  slecht  uitgeruste  soldaten,  als  bedelaars 
gekleed,  schier  honger  en  gebrek  lijdende,  en  alleen  door  her- 
innering aan  aiouden  roem  eenige  kracht  bezittende.  Armoede 
en  grootheid  zijn  toen  bij  de  Spaansche  troepen  nauw  verbonden; 
die  troepen  doen  denken  aan  den  armen  edelman  uit  Victor 
Hugo's  drama: 

»aussi  pauvre  que  Job,  aussi  üer  que  Bragance; 
drapant  sa  gueuderie  avec  son  iDsolence." 

Ruy  Bias. 


Digitized  by 


Google 


6  KRÏJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Eindelijk,  het  derde  bestanddeel  van  de  legers  van  den  Stad- 
houder werd  uitgemaakt  door  de  krijgsmacht  van  den  Keizer,  of 
van  andere  Duitsche  vorsten. 

Die  Duitsche  troepen  waren,  over  het  algemeen,  goed ;  zoowel 
wat  uitrusting,  als  wat  samenstelling  aangaat.  Voor  de  Duitschers 
van  dien  tijd  was  de  oorlog  een  uitverkoren  handwerk,  waarin 
zij  uitmuntten;  men  vindt  dan  ook  Duitsche  troepen  overal 
waar  gestreden  wordt,  overal  waar  roem  te  verwerven  is  en  — 
nog  meer  —  waar  buit  te  behalen  is.  Wanneer  Willem  III  over 
dat  gedeelte  van  zijn  leger  had  kunnen  beschikken,  dan  zou  hem 
dit  tot  een  grooten  steun  zijn  geweest;  —  maar  in  zulk  een  ge- 
lukkigen toestand  verkeerde  hij  niet. 

De  troepen  van  den  Keizer  handelden  gewoonlijk  geheel  op 
zichzelve  en  volgden  de  voorschriften  van  het  Weener  Kabinet, 
voorschriften,  die  vaak  in  lijnrechten  strijd  waren  met  de  krijgs- 
plannen  van  Willem  III,  en  dikwijls  werden  ingegeven  door  een 
staatkunde,  zóó  dubbelzinnig,  zóó  verkeerd,  dat  zij  op  verraad 
geleek,  wanneer  zij  geen  verraad  is  geweest.  Het  is  bekend  dat 
meer  dan  één  staatsdienaar  der  Duitsche  vorsten  toen  in  Fransche 
soldij  stond,  en  de  Fransche  belangen  behartigde. 

Een  paar  voorbeelden  mogen  volstaan  om  aan  te  toonen,  hoe 
weinig  Willem  III  op  die  Duitsche  troepen  kon  rekenen.  Op  het 
einde  van  1672  mislukte  de  onderneming  van  Willem  III  tegen 
de  gemeenschapslijnen  der  Franschen,  omdat  het  Keizerlijke  leger 
opzettelijk  wegbleef  van  den  Rijn.  In  1674  verscheen  het  Keizer- 
lijke leger  wel  in  de  Nederlanden,  maar  het  Keizerlijke  leger- 
hoofd, De  Souches,  toonde  al  dadelijk  dat  het  zijn  voornemen 
was  niets  te  doen ;  noode,  en  eerst  laat  in  den  zomer,  sloot  hij  zich 
bij  het  leger  van  den  Stadhouder  aan ;  de  slag  van  SénefFe  werd 
tegen  zijn  zin  geleverd;  en  toen,  na  dien  veldslag,  Willem  III 
Oudenaarden  belegerde  en  Condé  oprukte  tot  ontzet  van  die 
vesting,  weigerde  De  Souches  om  een  nieuwen  strijd  te  wagen; 
trok  weg  met  zijne  macht,  en  verliet  kort  daarop  de  Neder- 
landen, zonder  iets  uit  te  voeren.  Aan  zulk  een  steun  heeft  men 
niets. 

Let  men  op  dien  toestand  van  zaken,  dan  zal  men  tot  de  over- 
tuiging komen,  dat  Willem  III  bij  zijne  veldtochten  bijna  altijd 
de  minderheid  had  in  strijdkrachten.  Wie  de  minderheid  heeft 
in  sterkte  moet  geen  beslissenden  strijd  zoeken,  maar  integen- 
deel trachten  den  oorlog  te  rekken  en  tijd  te  winnen,  zij  het  ten 
koste  van  kleine  nadeelen.  Dit  deed  Willem  III  op  meesterlijke 
wijze;  geheele  veldtochten  verloopen,  waarin  soms  niets  anders 
gebeurt  dan  het  belegeren  en  innemen  van  een  paar  onbedui- 
dende vestingen. 

Dat  slepende  houden  van  den  oorlog,  dat  is  eene  gebrekkige 


Digitized  by 


Google 


WILLEM   III  ALS  LEGERHOOFD.  7 

wijze  van  oorlogvoeren ,  dat  is  af  Ie  keuren  5  —  dat  is  namelijk 
af  ie  keuren  bij  de  partij  die  de  sterkste  is,  en  die  dus  door  hare 
overmacht  er  naar  kan  streven  om  beslissende  voordeelen  te 
behalen ;  maar  bij  de  zwakste  partij  —  en  wij  hebben  reeds  ge- 
zegd dat  Willem  III  meestal  in  dien  toestand  verkeerde  —  is 
dat  slepende  houden  van  den  oorlog,  dat  uitstellen  van  de  beslis- 
sing een  zeer  goede,  een  zeer  verstandige  handeling.  Men  kan 
dan  ook  bij  vele  veldtochten  van  den  Stadhouder  duidelijk  op- 
merken, dat  hij  er  voornamelijk  naar  streeft,  om  een  beslissenden 
strijd  te  ontwijken  en  slechts  te  zorgen  dat  de  vijand  niet  meer  dan 
onbeteekenende  voordeelen  behaalt;  zooveel  mogelijk  worden  de 
vestingen  beschermd,  en  hare  belegering  verhinderd;  maar  kan 
het  niet  anders,  dan  wordt  er  eene  enkele  prijsgegeven  en  men 
laat  haar  door  den  vijand  belegeren  en  innemen,  liever  dan  een 
veldslag  te  wagen  en  zich  aan  eene  beslissende  nederlaag  bloot 
te  stellen,  die  de  geheele  ontbinding  van  het  bondgenootschap 
tegen  Frankrijk  ten  gevolge  kon  hebben.  Wordt  er  een  veldslag 
geleverd  —  en  dit  gebeurt  niet  bij  eiken  veldtocht  —  dan  weet 
Willem  III  hierbij  met  zoo  uitstekend  beleid  te  werk  te  gaan, 
dat  zelfs  wanneer  hij  de  nederlaag  lijdt,  die  nederlaag  altijd 
blijft  zonder  groote  gevolgen;  hij  wordt  meermalen  geslagen, 
maar  nooit  verslagen. 

Een  voorbeeld  hiervan  is,  onder  andere,  de  slag  van  Neer- 
winden op  den  29  Juli  1693.  De  Franschen  beweerden,  dat 
Luxembourg  hier  eene  volkomen  overwinning  had  behaald;  de 
Stadhouder  —  of  toen  Koning  Willem  —  had,  na  wonderen 
van  dapperheid  gedaan  te  hebben,  het  slagveld  verlaten,  slechts 
acht  der  zijnen  bij  zich  hebbende;  het  Hollandsche  leger  was 
geheel  uiteen,  en  op  de  vlucht  naar  Holland.  —  Van  al  die 
bluffende  grootspraak  was  niets  waar  dan  de  dapperheid  van 
Willem  III.  Den  31  Juli  1693,  dus  twee  dagen  na  de  behaalde 
overwinning,  was  Luxembourg  met  zijn  leger  nog  niet  verder 
voortgerukt  dan  tot  een  half  uur  afstands  van  het  slagveld,  en 
veertien  dagen  na  dien  strijd  was  Willem  III  weer  te  velde  met 
een  leger,  volkomen  in  staat  een  nieuwen  strijd  aan  te  gaan. 

Een  voornaam  middel  dat  de  Stadhouder  aanwendde,  hetzij 
om  een  veldslag  te  ontwijken,  hetzij  om  dien  met  voordeel  te 
leveren,  was  het  kiezen  van  goede  verdedigende  stellingen. 

Bij  Ncerwinden  trekt  hij  goed  partij  van  de  veldverschansing ; 
op  den  avond  van  den  28  Juli  komt  Luxembourg's  leger  voor  de 
stelling  der  bondgenooten ;  nog  gedurende  den  nacht  wordt  die  stel- 
ling verschanst,  wat  veel  bijdroeg  om  op  den  29en  dien  hardnek- 
kigen  tegenstand  te  kunnen  bieden,  die  het  zoo  lang  onzeker 
maakte  wie  overwinnaar  zou  blijven. 

Vooral  bij  den  veldslag  van  Séneffe  (11  Augustus  1674)  kwam 


Digitized  by 


Google 


8  KKJJOS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

de  groote  bekwaamheid  uit  van  Willem  III  in  het  kiezen  van 
sterke  verdedigende  stellingen;  en  hier  was  die  bekwaamheid  te 
opmerkelijker,  omdat  hij  geen  tijd  had  om  zich  te  bedenken^ 
maar  de  keus  van  zijne  stellingen  op  het  oogenblik  moest  doen^ 
te  midden  van  de  verwarring  door  Condé's  ontstuimigen  aanval 
teweeggebracht. 

Nog  moet  men  hierbij  in  betoog  houden,  dat  de  Stadhouder^wat  die 
keus  der  stellingen  aangaat,  zeer  in  het  nadeel  was  bij  een  legerhoofd 
van  onze  dagen :  nauwkeurige  en  uitvoerige  topografische  kaarten 
van  het  oorlogstooneel  —  zooals  men  ze  thans  heeft  —  beston- 
den er  destijds  niet ;  men  had  geen  generalen  staf,  die  thans  op  be- 
kwame wijze  de  inzichten  des  veldheers  verwezenlijkt  en  uitvoering 
geeft  aan  zijne  algemeene  bevelen ;  ook  waren  de  troepen  toen 
veel  minder  beweegbaar  dan  thans,  het  waren  werktuigen,  veel 
moeielijker  te  behandelen. 

Bij  de  hedendaagsche  oorlogen  is  het  leveren  van  een  veld- 
slag het  voorname  middel  om  tot  eene  beslissing  te  komen.  In 
de  dagen  van  Willem  III  diende  hiertoe,  behalve  de  veld- 
slagen, ook  het  nemen  van  vijandelijke  vestingen;  de  inneming 
van  eene  groote  vesting,  zooals  Namen,  Maastricht  of  Rijssel, 
stond  toen  gelijk  met  het  winnen  van  een  veldslag.  Het  kwam 
er  toen  evenals  nu  voornamelijk  op  aan,  om  's  vijands  strijd- 
krachten te  vernielen;  ddt,  veel  meer  dan  het  veroveren  van 
vijandelijk  grondgebied,  dwingt  de  tegenpartij  tot  den  vrede. 

Om  de  uitstekendheid  van  Willem  UI  als  veldheer  duidelijker 
te  maken,  herinneren  wij  hier  kortelijk  aan  enkele  krijgskundige 
waarheden. 

De  grootste  kunst  van  den  veldheer,  bij  het  leveren  van  een 
veldslag,  bestaat  in  twee  zaken:  vooreerst,  de  kans  op  het  win- 
nen van  dien  veldslag  zoo  groot  mogelijk  te  maken,  door  op 
het  slagveld  te  verschijnen  met  de  sterkst  mogelijke  macht  en 
onder  de  gunstigste  omstandigheden;  en  ten  tweede,  tijd  en  plaats 
van  dien  veldslag  zoodanig  uit  te  kiezen,  dat,  is  men  overwinnaar, 
de  meest  naogelijke  vruchten  uit  die  overwinning  worden  getrok- 
ken ;  en ,  wordt  men  geslagen,  de  nederlaag  de  minst  mogelijke 
nadeelen  oplevert.  Het  is  volstrekt  geen  onverschillige  zaak,  waar 
en  wanneer  de  veldslag  plaats  heeft ;  integendeel,  daarvan  kan 
de  beslissing  van  den  oorlog  afhangen;  dat  juist  in  te  zien  en 
goed  te  regelen,  is  het  kenmerk  van  een  groot  veldheer;  dit 
vooral,  maakt  het  uitstekende  uit  van  Napoleon  als  legerhoofd. 
Vóór  Napoleon's  tijd  werd  te  weinig  hierop  gelet;  vandaar  dat 
zoovele  veldslagen  geleverd  zijn  die  geen  beslissing  hebben  aan- 
gebracht. 

De  veldslagen  bij  de  ouden  —  of,  om  juister  te  spreken,  de 
veldslagen   vóórdat   nog    de   vuurwapenen    algemeen    in    zwang 


Digitized  by 


Google 


WILLEM   111  ALS   LEGERHOOFD.  9 

kwamen  —  waren  meestal  beslissende.  De  reden  daarvan  is  niet 
ver  te  zoeken:  bij  die  veldslagen  waren  de  strijdende  legers  in 
elkanders  onmiddellijke  nabijheid;  zij  werden,  in  letterlijken  zin, 
handgemeen;  en  het  leger,  dat  geslagen  werd,  had  dus  geen 
middel  meer  om  terug  te  trekken  en  het  slagveld  te  verlaten; 
het  werd  in  den  regel  door  den  overwinnaar  ingehaald  en  groo- 
tendeels vernield.  Neem  de  groote  veldslagen  uit  de  Grieksche  en 
Komeinsche  geschiedenis,  of  die  uit  de  middeleeuwen;  bijna 
altijd  is  het  einde  de  geheele  ondergang  van  het  geslagene  leger. 
Vandaar  het  beslissende  van  die  veldslagen. 

Maar  toen  de  vuurwapenen  algemeen  in  gebruik  kwamen,  bleven 
de  legers  bij  een  veldslag  op  een  afstand  van  elkander.  Bespeurde 
nu  een  van  de  beide  partijen,  dat  zij  bij  dien  veldslag  te  groote 
verliezen  leed,  of  dat  de  kansen  te  ongunstig  werden,  dan  had 
zij  het  in  hare  macht  het  gevecht  af  te  breken,  en,  met  meer  of 
minder  opofferingen,  het  slagveld  te  verlaten.  Dat  door  den  veld- 
slag het  geslagene  leger  zoo  goed  als  verloren  gaat,  behoort  —  tot 
aan  Napoleon's  tijd  —  tot  de  zeer  zeldzame  uitzonderingen; 
meestal  trekt  het  geslagene  leger  terug,  herstelt  de  geledene  ver- 
liezen, en  gaat  dan  na  eenigen  tijd  opnieuw  den  vijand  te  gemoet. 
De  veldslagen  uit  de  oorlogen  van  Lodewijk  XIV,  zelfs  de  veld- 
slagen van  Frederik  II,  hoe  grootsch,  hoe  roemrijk  soms,  beslis- 
sen den  oorlog  niet. 

Wil  men  door  den  veldslag  de  beslissing  van  den  oorlog  ver- 
krijgen, dan  moet  men  dien  veldslag  onder  zulke  omstandigheden 
leveren,  dat  daardoor  de  geslagen  vijand  buiten  de  mogelijkheid 
geraakt  om  zijne  verliezen  te  herstellen;  en  het  beste  middel 
hiertoe  is,  den  vijand  te  omtrekken  en  af  te  snijden  van  zijn 
land,  of  van  die  plaatsen  vanwaar  hij  toevoer  en  versterking  kan 
ontvangen  en  waar  hij  de  middelen  kan  vinden  om  den  oorlog 
voort  te  zetten:  mist  hij  die  middelen,  dan  kan  de  geleden 
nederlaag  den  geheelen  ondergang  van  zijn  leger  ten  gevolge  heb- 
ben, en  daardoor  de  beslissing  van  den  oorlog. 

Die  waarheid,  schijnbaar  zoo  eenvoudig,  is  toch,  vóór  Napo- 
leon's tijd,  bijna  altijd  over  het  hoofd  gezien  of  niet  in  toepas- 
sing gebracht;  eerst  hij  is  haar  altijd  indachtig  geweest  en  heeft 
voorsd  daardoor  zulke  groote  en  snelle  uitkomsten  bij  zijne  oor- 
logen verkregen. 

Bij  voorbeeld:  de  slag  van  Marengo  is  beslissend  voor  den 
veldtocht  van  het  jaar  1800;  het  Oostenrijksche  leger,  dat  daar 
geslagen  werd,  was  omtrokken,  afgesneden;  het  kon  niet  terug- 
gaan, het  kon  zijne  verliezen  niet  herstellen;  vandaar  dat  het 
daarna  gedwongen  was,  zijn  behoud  te  koopen  voor  het  zonder 
slag  of  stoot  afstaan  van  Italië.  Bij  de  veldslagen  van  Frederik  II 
zijn  er  een  aantal  die  het  van  Marengo  winnen^  in  grootte  en  omvang; 


Digit'Jzed  by 


Google 


lO  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

raaar  niet  één  van  de  overwinningen,  door  den  Pruisischen  Koning 
behaald,  heeft  de  gevolgen  gehad  die  Marengo  opleverde. 

Zoo  ook  is  Ulm  beslissend  voor  den  veldtocht  van  1805,  Jena 
voor  den  veldtocht  van  1806;  —  want  dat,  na  Ulm  en  na  Jena, 
de  oorlog  toch  nog  werd  voortgezet,  is  omdat  er  een  nieuwe  vijand 

—  Rusland  —  tegen  Napoleon  optrad;  zijne  aanvankelijke  be- 
strijders —  Oostenrijk  en  Pruisen  —  waren  door  de  nederlagen 
van  Ulm  en  van  Jena  zoo  goed  als  krachteloos  gemaakt,  en 
hadden  —  waren  zij  op  zichzelvc  blijven  staan  —  tot  het  neder- 
leggen  der  wapenen  moeten  besluiten. 

Welnu,  dat  kenschetsende  van  de  Napoleontische  veldheerskunst 
vindt  men  bij  Willem  III,  en  vindt  men  niet  bij  de  andere  leger- 
hoofden van  zijn  tijd,  en  ook  niet  bij  de  legerhoofden  van  de 
achttiende  eeuw.  Willem  III  zag  in,  dat  men  den  vijand  d^r 
moet  aanvallen,  waar  de  overwinning  door  beslissende  uitkomsten 
wordt  gevolgd,  en  dat  het  verkeerd  is,  zich  af  te  matten  in  ge- 
vechten op  plaatsen,  waar  zelfs  het  behalen  van  een  roemrijke 
zege  het  einde  van  den  oorlog  niet  kan  aanbrengen.  In  ddt  opzicht 
staat  Willem  III  als  legerhoofd  boven  zijne  tijdgenooten ;  in  zijn 
handelen  is  reeds  iets  Napoleontisch. 

Dat  Napoleontische  in  de  veldheerskunst  van  den  Oranjevorst 
blijkt  uit  de  veldtochten  van  1672  en  van  1673. 

In  het  najaar  van  1672  hebben  de  eerste  groote  rampspoeden 
van  den  oorlog  voor  ons  opgehouden;  de  verbijstering,  door 
's  vijands  rasse  veroveringen  teweeggebracht,  is  verdwenen;  en 
Holland,  beschermd  door  De  Ruyter's  vloot,  door  de  inundatién 
en  door  het  krachtig  geordende  leger  van  Willem  III,  is  tegen 
eiken  aanslag  verzekerd.  De  Stadhouder  acht  nu  terecht  het 
oogenblik  gekomen  om  de  verdediging  te  vervangen  door  den 
aanval,  en  de  Fransche  legers  van  het  grondgebied  der  Republiek 
te  verdrijven. 

Had  men,  bij  dien  overgang  tot  den  aanval,  de  gewone  wijze 
van  oorlog  voeren   van   dien   tijd  —    en  ook  nog  van  later  eeuw 

—  gevolgd,  dan  zou  Willem  III  met  zijn  leger  uit  Holland  tegen 
Utrecht  zijn  opgerukt ;  en,  na  Luxembourg  daaruit  te  hebben  ver- 
dreven, zou  de  Stadhouder  naar  den  IJsel  zijn  getrokken  en  ge- 
tracht hebben  evenzoo  Gelderland  en  Overijsel,  met  hun  menigte 
sterke   steden,  te  hernemen.    Maar,  door  zóó  te  handelen,  zou 

—  zelfs  bij  den  gunstigsten  uitslag  —  het  heroveren  van  de  drie 
verlorene  gewesten,  tal  van  gevechten  en  belegeringen  en  een 
jarenlangen  strijd  gekost  hebben;  —  ziet  maar,  hoe  het  den 
krachtvollen  en  bekwamen  Maurits,  in  het  begin  van  zijne  loop- 
baan als  veldheer,  vele  inspanningen  en  jaren  oorlogvoeren  kost, 
om  het  grondgebied  van  de  Republiek  van  de  Spaansche  heir- 
macht  te  bevrijden. 


Digitized  by 


Google 


WILLEM   III   ALS   LEGERHOOFD.  II 

Willem  UI  ziet  in,  dat  in  1672  hetzelfde  doel  op  veel  spoe- 
diger wijze  bereikt  kan  worden,  ten  koste  van  veel  minder  opof- 
feringen: door  den  oorlog  in  de  Zuidelijke  Nederlanden  over  te 
brengen,  en  daardoor  het  Fransche  leger  in  Holland  te  bedrei- 
gen met  het  verlies  van  zijne  gemeenschap  met  Frankrijk.  Wan- 
neer de  Stadhouder  toen  voordeelen  behaalde  aan  de  boven- 
Maas,  of  in  de  landstreek  tusschen  Maas,  Rijn  en  Moezel,  dan 
liep  het  Fransche  leger  in  Holland  groot  gevaar  te  worden 
afgesneden j  en  daardoor  misschien  geheel  verloren  te  gaan.  Om 
zulk  een  gevaar  te  ontwijken  zouden  dan  de  Fransche  leger- 
hoofden van  zelve  besluiten  tot  de  snelle  ontruiming  van  Hol- 
land; en  op  die  wijze  zou  de  herwinning  van  de  drie  verloren 
gewesten,  om  zoo  te  zeggen,  bijna  zonder  zwaardslag  plaats 
hebben. 

Die  inzichten  van  den  Stadhouder  waren  waar  en  juist;  hij 
begreep  het  oorlog  voeren,  zooals  Napoleon  het  begrepen  heeft, 
maar  zooals  het  in  de  17e  en  1 8e  eeuw  nog  niemand  begreep. 
Dit  maakt  de  uitstekendheid  van  Willem  III  als  legerhoofd  uit, 
dat  hij  bij  deze  strategische  handeling  geen  voorbeeld  vond  om 
na  te  volgen,  maar  zijn  toevlucht  moest  nemen  tot  de  ingevingen 
van  zijn  eigen  stout  en  scheppend  genie. 

Die  oorlogvoering  van  1672  en  1673  kan  niet  genoeg  ge- 
roemd worden;  zij  beantwoordde  dan  ook  volkomen  aan  het  be- 
oogde doel. 

't  Is  waar,  nog  niet  in  1672:  toen  werd  Willem  III  gedwongen 
om  de  onderneming  in  de  Zuidelijke  Nederlanden  op  te  geven 
en,  zonder  zijn  doel  bereikt  te  hebben,  naar  Holland  terug  te 
keeren.  Men  kent  de  oorzaken  van  dien  tegenspoed:  de  strenge 
winterkoude,  die  de  inneming  belette  van  Charleroi,  de  vesting 
waaruit  de  Fransche  troepen  in  Holland  hun  toevoer  trokken; 
en  —  meer  dan  dit  —  het  niet  verschijnen  van  het  Keizerlijke 
leger,  dat,  met  eene  trouweloosheid,  bij  verbondene  mogendheden 
geen  zeldzaamheid,  opzettelijk  van  het  oorlogstooneel  wegbleef. 

In  het  najaar  van  1673  evenwel  ging  het  beter:  het  Keizer- 
Igke  leger  daagde  toen  op,  en  sloot  zich  aan  bij  dat  der  Repu- 
bliek; de  vesting  Bonn  werd  belegerd  en  genomen;  en  de  Stad- 
houder versterkte  zich  zoozeer  in  de  landstreek  tusschen  Maas, 
Moezel  en  Rijn,  dat  de  Fransche  legerhoofden  in  Holland  met 
reden  bevreesd  begonnen  te  worden  voor  het  verliezen  van  hunne 
gemeenschap  met  Frankrijk,  waarom  tot  de  ontruiming  van  Hol- 
land werd  besloten.  In  het  voorjaar  van  1674  waren  Grave  en 
Maastricht  de  eenige  plaatsen  van  het  grondgebied  der  Republiek, 
alwaar  de  lelievaan  nog  wapperde;  al  het  andere  was  vrij  van 
het  vreemde  wapengeweld;  en  zoo  was  men  door  éénen  veld- 
tocht tot  een  doel  geraakt^  dat  bij  een  rechtstreekschen  aanval 
misschien  in  geen  tien  veldtochten  zou  bereikt  zijn. 


Digitized  by 


Google 


12  KRUGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGE  . 

Nog  op  andere  feiten  kan  men  wijzen,  die  de  uitstekendheid 
van  Willem  III  als  legerhoofd  aantoonen. 

Bij  den  tachtigjarigen  oorlog  kunnen  wij  vooral  op  twee 
groote  legerhoofden  roemen :  op  de  beide  zonen  van  den  Zwijger, 
Maurits  en  Frederik  Hendrik;  —  en  het  is  geen  eenzijdige  volks- 
trots  die  ons  hen  groot  doet  noemen:  de  geheele  krijgskundige 
wereld  deelt  dat  oordeel.  Bestudeert  de  veldtochten  van  die 
beide  Stadhouders,  dan  is  het  twijfelachtig  wie  hunner  den  voor- 
rang verdient  als  legerhoofd;  want  de  belegeringen  van  Den 
Bosch  en  van  Maastricht,  door  Frederik  Hendrik,  evenaren  de 
schitterendste  krijgsdaden  van  den  overwinnaar  van  Nieuwpoort. 
Maar,  daar  is  ééne  omstandigheid,  die  Maurits  boven  zijn  broe- 
der verheft:  Frederik  Hendrik,  toen  hij  als  veldheer  optrad, 
vond  reeds  een  goed  leger;  Maurits  heeft  zijn  leger  zelf  geschapen. 

Die  groote  verdienste  van  Maurits  is  ook  de  verdienste  geweest 
van  Willem  III,  die  de  legers,  waarmede  hij  oorloogde,  zelf  ge- 
vormd heeft. 

Toen  de  Stadhouder  in  1672  optrad,  was  het  leger  van  de 
Republiek  in  een  zeer  slechten  toestand :  het  was  zonder  oefening, 
zonder  orde  en  krijgsgeest,  zonder  zelfvertrouwen ;  het  verdiende 
den  naam  van  leger  niet.  Die  treurige  toestand,  waarin  onze 
landmacht  toen  verkeerde,  was  niet  te  wijten  aan  De  Witt,  die 
herhaaldelijk  naar  verbetering  hierin  had  gestreefd;  zij  was  het 
gevolg  van  de  gebreken  van  ons  volkskarakter,  die  te  allen 
tijde  er  toe  hebben  geleid,  dat  men  bij  ons  de  waarde  en  de 
noodzakelijkheid  van  een  goed  leger  heeft  miskend,  dat,  waar 
het  heette  dat  men  zich  met  het  krijgswezen  bezighield,  men 
dit  nooit  met  ernst  en  met  overtuiging  heeft  gedaan,  maar  meest- 
al door  de  veelheid  der  woorden  het  gemis  der  daden  heeft 
willen  verbergen.  Bij  ons  wordt  de  landsverdediging  eerst  ddn 
goed  geregeld,  wanneer  de  dringende  noodzakelijkheid  zich  doet 
gevoelen,  en  een  krachtig  en  bekwaam  bewindhebber  optreedt; 
tot  zoolang  gebeurt  er  niets  goeds;  tot  zoolang  óf  geheel  stil- 
zitten, óf  de  bedrijvigheid  der  onbekwaamheid;  voorstellen  in 
menigte,  ontwerpen  met  den  dag  afwisselende,  uitvoerige  becijfe- 
ringen, eindelooze  redeneeringen;  —  maar  geen  krachtig,  ver- 
standig bestuur,  dat  orde  en  krijgsgeest  ontwikkelt,  en  eenheid 
en  vastheid  aan  het  krijgswezen  geeft;  —  en  daarvan  toch  hangt 
de  sterkte  en  waarde  van  een  leger  hoofdzakelijk  af. 

Een  voornaam  middel  door  Willem  III  gebezigd  om  het  leger 
goed  te  maken,  was  de  onverbiddelijke  strengheid  waarmede  hij 
lafheid  en  plichtverzuim  wist  te  keer  te  gaan  en  te  straffen.  Er 
zijn  er  zelfs  die  beweren,  dat  hij  hierin  te  vér  ging;  en  dat  het 
moeielijk  is  overeen  te  brengen  met  de  beginselen  van  het  recht, 
dat  Pain-et-vin  werd  ter  dood  gebracht,  nadat  tweemaal  het  vonnis 


Digitized  by 


Google 


WILLEM   III   ALS   LEGERHOOFD.  I3 

van  een  krijgsraad  eene  mindere  straf  had  uitgesproken  over  de 
hffe  vlucht  van  dien  bevelhebber. 

Dit  was  niet  de  eenige  maal  dat  Willem  III  in  wederspraak 
handelde  met  die  voorstelling  als  een  man  van  een  zacht  en  ge- 
voelig karakter^  zooals  Macaulay  hem  soms  wil  doen  voorkomen. 
De  Britsche  geschiedschrijver  is  hierbij  een  te  blind  bewonderaar 
van  zijn  held;  hij  denkt  hierbij  niet  aan  den  dood  der  De  Witten; 
niet  aan  het  leveren  van  den  slag  van  Saint-Denis,  dat  wel  is 
waar  verontschuldigd  kan  worden,  maar  moeielijk  te  rechtvaar- 
digen is;  niet  aan  het  vermoorden  van  dien  Schotschen  berg- 
stam te  Glencoc,  waarvoor  zelfs  eene  verontschuldiging  moeielijk 
is  aan  te  voeren.  In  menschelijkheid  staat  Willem  III  achter  bij 
zijn  grooten  voorzaat*  den  eersten  Willem  —  toch  waren  die  hard- 
heid en  strengheid  van  Willem  III,  toen  misschien,  noodzakelijke 
hoedanigheden;  zeer  zeker  is  het  dat  hij  in  hooge  mate  den 
heldengeest  der  zijnen  wbt  op  te  wekken. 

Neem  onder  andere  maar  dien  brief,  in  1673  door  den  Stad- 
houder aan  De  Ruyter's  vloot  geschreven,  toen  die  den  strijd 
weer  zou  beginnen  tegen  de  vereenigde  Koningsvloten  van 
Engeland  en  Frankrijk;  dien  »onvergelijkelijken  brief",  zooals 
Bosscha  hem  terecht  noemt,  waarin  de  Hollandsche  vlotelingen 
daaraan  herinnerd  worden,  dat  >de  oogen  en  harten  van  alle 
ingezetenen  van  het  land,  ja  van  de  gansche  Christenwereld"  op 
de  vloot  zijn  gewend,  »en  ware  het  overzulks  van  de  uiterste 
infamie,  dat  iemand  aan  zijn  pligt  zou  ontbreken  op  zoo  door- 
lugtig  een  tooneel,"  —  en  waarin,  na  lof  en  eer  den  dapperen 
te  hebben  voorgespiegeld,  de  lafaard  met  schande  en  straf  wordt 
bedreigd:  t zoodat  aan  diegenen,  die  zich  lafhartig  en  anders 
dan  als  een  braaf  soldaat  en  zeeman  voor  den  vijand  zal  dragen, 
niets  zoo  gevaarlijk  is  als  de  havenen  van  den  Staat,  daar  hij 
niet  zal  kunnen  ontgaan,  noch  de  straffe  hand  van  de  justitie^ 
noch  de  vloek  en  haat  van  zijne  medeburgers,  die  op  hem  zal 
vallen  en  blijven" ...  —  Een  Romeinsch  veldheer  kon  niet  meer 
indrukwekkend  spreken  dan  hier  de  Stadhouder;  zulk  een  taal 
moet  heldengeest  kweeken. 

Die  krachtige  leiding,  die  onvermoeide  zorg,  door  Willem  III 
aan  het  Hollandsche  leger  besteed,  maakte  daarvan  een  uitmun- 
tend leger,  dat  zich  overal  door  buitengewone  dapperheid  onder- 
scheidde, en  dat  Marlborough  in  den  Spaanschen  successie- oorlog 
zijne  overwinningen  gemakkelijk  maakte.  De  Hollandsche  infanterie 
was  toen  de  beste  infanterie  van  Europa ;  zelfs  vreemde  krijgskun- 
digen, onder  anderen  Folard,  gewagen  van  haar  met  hoogen  lof; 
—  in  het  aanhangsel  op  den  Polybius  van  den  Franschen  schrijver 
(bl.  68),  wordt  gesproken:  van  het  geduchte  vuur  »de  Tinfanterie 
hollandaise,  qui  est  trèsbonne  et  mieux  disciplinée  qu'aucuneautre." 


Digitized  by 


Google 


14  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

In  de  school  van  Willetn  III  zijn  een  aantal  bekwame  bevel- 
hebbers gevormd,  volkomen  in  staat  om,  bij  het  bloedig  spel  des 
oorlogs,  de  hunnen  ter  zege  te  voeren:  Athlone,  of  Rheede- 
Ginkel,  vermaard  door  zijne  overwinningen  in  Ierland ;  Ouwerkerk, 
in  den  Spaanschen  successie-oorlog  de  waardige  ambtgenoot  van 
Eugenius  en  van  Marlborough ;  Slangenburg,  de  overwinnaar  van 
Eekeren;  Coehoorn,  bekwaam  bevelhebber  en  onsterfelijk  als 
vesting- bouwkundige ;  Fagel,  bekend  door  zijn  krijgsbedrijven  in 
het  Spaansche  Schiereiland;  Tilly,  Heuckelom,  Hompesch,  Van 
Goor,  en  zooveel  andere  aanvoerders,  wier  moed  en  bekwaamheid 
op  menig  slagveld  is  gebleken.  Willem  III,  als  veldheer,  heeft 
een  school  gesticht,  en  dit  is  iets  wat  men  niet  van  ieder  leger- 
hoofd  kan  zeggen. 

Wat  ook  vermelding  verdient,  dat  is  de  persoonlijke  dapper- 
heid van  Willem  III.  Die  hoedanigheid,  een  noodzakelijk  ver- 
eischte  in  een  legerhoofd  van  den  ouden  tijd,  heeft  ook  thans 
nog  hare  hooge  waarde.  De  dapperheid  van  den  veldheer  wekt 
de  dapperheid  van  het  leger  op,  en  verdubbelt  daardoor  de 
strijdkrachten.  Den  oorlog  te  vergelijken  met  het  schaakspel,  is 
een  zeer  oude  maar  een  zeer  verkeerde  vergelijking:  de  onbe- 
zielde stukken  van  het  schaakspel  behouden  altijd  dezelfde  waarde ; 
maar  bij  het  spel  des  oorlogs  kunnen  de  troepen  oneindig  winnen 
in  sterkte,  door  den  geest  waarmede  de  veldheer  ze  weet  te  be- 
zielen. Vandaar  dat  het  zoo  verkeerd  is,  om,  bij  de  beoor- 
deeling van  de  kracht  van  een  leger,  een  zoo  overwegend  belang 
te  hechten  aan  de  groote  getalsterkte:  de  overwinning  wordt 
veel  minder  daardoor  verkregen,  dan  door  de  goede  samen- 
stelling van  dat  leger,  door  den  geest  die  het  bezielt,  en  vooral 
door  de  bekwaamheid  der  aanvoering.  *Le  bon  Dieu  est  toujours 
du  coté  des  gros  bataillons^  heeft  een  Franschman  eens  gezegd ;  maar 
dit  is  een  valsche  spreuk,  eene  uiting  van  bekrompen  materialis- 
mus,  die  door  tal  van  geschiedkundige  feiten  wordt  weersproken. 
Oneindig  meer  waarheid  is  er  in  Napoleon's  bekende  woorden, 
dat  in  den  oorlog  de  zedelijke  kracht  driemaal  meer  waarde 
heeft  dan  de  stoffelijke.  Daarom  ook  moet  men  alles  vermijden 
wat  de  zedelijke  kracht  van  een  leger  kan  benadeelen,  alles  aan- 
wenden wat  dien  kan  verhoogen;  en  niets  verhoogt  dien  meer, 
dan  het  voorbeeld  van  heldenmoed  door  den  veldheer  gegeven. 

Dat  Willem  III  heldengeest  had,  een  buitengewone  dapperheid, 
dat  is  een  zoo  algemeen  erkende  waarheid,  dat  zij  geen  bewijs 
meer  vordert;  wie  die  bewijzen  nog  wil  zoeken  bij  de  geschied- 
schrijvers die  de  oorlogen  van  Lodewijk  XIV  hebben  behandelde 
zal  ze  in  zoo  kwistigen  overvloed  vinden,  dat  hij  met  de  keus 
verlegen  zal  zijn.  Zie  maar,  onder  andere,  hoe  te  Séneffe  de 
Stadhouder   van   te   groote  dapperheid  wordt  beschuldigd  door 


Digitized  by 


Google 


WILLEM   III  ALS   LEGERHOOFD.  15 

Condé,  die  zelf  zeer  dikwijls  de  dapperheid  overdreef  tot  roeke- 
loosheid; of  hoe  Racine,  in  weerwil  van  zijne  aanbidding  voor 
Lodewijk  XIV,  toch  niet  kan  nalaten  in  zijne  brieven  de  groot- 
heid te  huldigen  van  Willem  III  als  oorlogsman,  wanneer  die 
vorst  bij  den  slag  van  Neer  winden,  onvermoeid  en  onversaagd, 
telkens  zijne  ruiterij  tegen  den  vijand  aanvoert.  —  Wij  noemen 
een  paar  getuigenissen  van  Fransche  zijde,  van  de  zijde  der 
vijanden  van  Willem  III;  natuurlijk  dat  het  nog  veel  minder 
ontbreekt  aan  gunstige  getuigenissen,  wanneer  men  die  vraagt 
aan  Nederlanders,  aan  Britten,  en  aan  die  volkeren  die  in  hem 
hun  hoofd  en  kamp  vechter  vereerden. 

Die  schitterende  heldengeest  van  den  Stadhouder  verdient  te 
hooger  waardeering,  omdat  zij  gepaard  ging  met  een  zwak  en 
ziekelijk  lichaam,  zóó  zwak,  zóó  ziekelijk,  dat  iemand  die  in 
onze  dagen  met  zulk  een  lichaamsgestel  is  bedeeld,  geen  moeite 
heeft  om  geheel  vrijgesteld  te  worden  van  allen  krijgsdienst.  Een 
Eogelsch  schrijver  van  onzen  tijd  —  Kingsley  —  heeft  in  een 
zijner  werken  de  meening  voorgestaan,  dat  het  onmogelijk  is, 
groote,  heldhaftige  hoedanigheden  te  bezitten,  wanneer  men  niet 
een  krachtigen  lichaamsbouw  en  een  sterk  zenuwgestel  heeft;  om 
het  paradoxale  van  die  meening  aan  te  toonen,  is  het  voldoende 
op  Willem  III  te  wijzen ;  zijn  voorbeeld  is  genoegzaam  om  aan  te 
toonen,  hoe  de  kracht  van  den  geest  alle  zwakheid  des  lichaams 
kan  overwinnen,  en  hoe  groote  waarheid  er  is  in  de  woorden, 
waarmede  Thiers  zijn  verhaal  van  den  slag  van  Waterloo  besluit: 
^V esprit  gouverne^  et  la  mattere  est  gouvernéeJ* 

Een  groot  legerhoofd  moet  op  de  verbeelding  van  de  zijnen 
werken;  hij  moet  hun  een  hoogen  dunk  van  zijne  aanvoering 
geven ;  het  leger  moet  in  zijn  veldheer  een  man  zien  van  groote, 
van  buitengewone  vermogens,  die  hulpmiddelen  en  redding  aan 
brengt,  waar  anderen  tekortschieten;  er  moet  vertrouwen  zijn 
op  zijn  genie.  Het  nuchter,  gezond  verstand,  de  alledaagschheid 
zijn  niet  bij  machte  om  in  den  oorlog  groote,  buitengewone 
daden  te  doen  verrichten;  daartoe  wordt  de  opwinding  der 
geestdrift  gevorderd. 

Dat  opwekken  der  geestdrift  is  een  der  kenmerken  van  een 
groot  legerhoofd;  het  was  een  der  kenmerken  van  Willem  III; 
hij  maakte  een  diepen  indruk,  èn  op  vriend,  èn  op  vijand.  Voor 
de  zijnen  was  Willem  III  de  aanvoerder,  in  wien  men  het  volste 
vertrouwen  stelde,  in  wiens  aanvoering  men  een  waarborg  zag 
van  de  overwinning.  Voor  zijne  vijanden  was  hij  een  geducht 
bestrijder,  van  wien  men  alles  had  te  vreezen,  en  wiens  machtige 
geest  vermogend  was  om  den  loop  der  krijgsgebeurtenissen  een 
geheel  andere  wending  te  geven.  De  wijze  waarop  de  vijanden 
ran  Willem  III,  zijne  tijdgenooten,  van  hem  gewagen,  heeft  soms 


Digitized  by 


Google 


l6  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

iets  vreemds,  iets  phantastisch,  dat  duidelijk  aantoont,  welk  een 
diepen  indruk  hij  op  hen  maakt;  er  is  haat  in  dien  indruk,  — 
maar  geen  minachting,  eer  vrees  en  ontzag  aan  bewondering 
grenzende;  hij  is  voor  hen  een  somber,  raadselachtig  wezen, 
altijd  bezig  met  diepe  beramingen  en  wijdgaande  ontwerpen  om 
staats-  en  krijgszaken  te  leiden  en  te  besturen. 

Laat  ons  een  enkel  voorbeeld  aanhalen,  om  dien  indruk,  door 
Willem  III  op  zijne  vijanden  gemaakt,  eenigszins  te  kenschetsen. 

In  1692  wordt  Namen  door  de  Franschen  genomen,  in  weer- 
wil van  de  pogingen  van  Willem  III  om  die  vesting  te  hulp  te 
komen.  Geeft  die  belangrijke  zege  nu  stof  aan  de  Fransche 
schrijvers,  om  op  lichtvaardigen,  minachtenden  toon  van  hun 
vijand  te  gewagen  ?  —  verre  van  daar ;  ten  minste  niet  aan 
allen.  Men  zie,  onder  andere,  wat  Racine,  in  eene  soort  van 
geschiedenis  van  dat  wapenfeit,  over  Frankrijk's  vijand  zegt: 

»La  principale  espérance  de  leur  ligue"  (het  verbond  der  vijan- 
den van  Lodewijk  XIV)  »était  fondée  sur  la  haute  opinion  que 
tous  ceux  qui  la  composaient  avaient  du  grand  génie  du  prince 
d'Orange,  qui  en  est  comme  Ie  chef  et  Ie  premier  mobile." 

Racine  stelt  dien  vorst  voor,  hoe  hij,  na  in  het  begin  van  1692 
met  zijne  bondgenooten  in  Den  Haag  te  hebben  beraadslaagd, 
daarna  op  het  Loo  den  aanvang  der  krijgs verrichtingen  rustig 
afwacht: 

»Les  conférences  finies,  Ie  prince  d'Orange  s'était  retiré  k 
Loo,  maison  de  plaisance  qu'il  a  dans  Ie  pays  de  Gueldres,  lieu  soli- 
taire et  conforme  k  son  humeur  sombre  et  mélancolique,  oü 
d'ailleurs  il   trouvait  Ie  plus  de  facilités  pour  entretenir  ses  cor- 

respondances   secrètes Ainsi,  en  attendant  la  saison  propre 

pour  agir,  il  affectait  de  mener  k  Loo  une  vie  fort  tranquille, 
et  prenait  presque  tous  les  jours  Ie  divertissement  de  la  chasse, 
et  paraissant  aussi  peu  ému  de  tous  les  avis  qu'il  recevait  des 
grands  préparatifs  de  la  France  sur  mer  et  sur  terre,  que  si  elle 
eüt  été  hors  d*état  de  rien  entreprendre,  ou  qu'il  eüt  été  Ie 
raaitre  des  événements.  Celte  tranquillité  apparente,  k  la  veille 
d'une  campagne  si  importante  pour  les  deux  partis,  était  fort 
vantée  par  ses  admirateurs;  qui  Tattribuaient  k  une  grandeur 
d'dme  extraordinaire. . . ." 

Dat  Willem  III,  om  Namen  te  redden,  niet  is  overgegaan 
tot  het  leveren  van  een  veldslag,  wordt  door  Racine  niet  veroordeeld : 

»0n  a  parlé  fort  diverseraent  dans  l'Europe  sur  la  conduite 
du  prince  d'Orange  pendant  ce  siége,  et  bien  des  gens  ont  voulu 
pénétrer  les  raisons  qui  Tont  empêché  de  donner  bataille  dans 
une  occasion  oü  il  semblait  devoir  hasarder  lout  pour  prévenir 
la  prise  d'une  ville  si  importante  et  dont  la  perte  lui  seraitè. 
jamais  reprochée.  On  en  a  même  allégué  des  motifs  qui  ne  lui 
font   pas   d'honneur.   Mais   k  juger  sans   passion  d'un  Prince  en 


Digitized  by 


Google 


WIJZE  VAN  OORLOGVOEREN  IN  DE  lyC  EEUW,         17 

qui  Ton  reconnait  de  la  valeur,  on  peut  dire  qu'il  y  a  beaucoup 
de  sagesse  dans  Ie  parti  qu'il  a  pris,  Texpérience  du  passé  lui 
ayant  fait  connaitre  combien  il  était  inutile  de  s'opposer  k  un 
dessein  que  Ie  Roi  conduisait  lui-même;  et  il  a  jugé  Namur 
perdu,  dès  qu*il  a  su  qu'il  l'assiégeait  en  personne.  Et  d'ailleurs,  Ie 
voyant  aux  portes  de  Bruxelles  avec  deux  formidables  armées,  il 
a  cru  qu'  il  ne  devait  point  hasarder  un  combat  dont  la  perte 
aurait  entrainée  la  ruine  des  Pays-Bas,  et  peut  être  sa  propre 
ruine,  par  la  dissolution  d'une  ligue,  qui  lui  a  tant  coüté  de  peine  k 
former." 

Om  tot  de  juiste  beoordeeling  van  een  groot  man  te  komen, 
is  het  niet  voldoende  enkel  zijne  aanhangers,  zijne  bewonderaars 
te  raadplegen,  maar  men  moet  ook  hooren,  wat  zijne  vijanden 
van  hem  hebben  gezegd,  vooral  de  vijanden  die  zijne  tijdge- 
nooten  waren.  Daarom  is  het  niet  zonder  belang  te  weten,  wat  er 
door  Racine  van  Willem  III  gezegd  is.  De  groote  treurspeldichter 
was  een  tijdgenoot  van  den  Stadhouder ;  en,  als  Franschman,  als 
hoveling  van  Lodewijk  XIV,  voor  wien  hij  een  afgodischen  eer- 
bied koesterde,  was  hij  een  natuurlijke  vijand  van  Willem  III,  — 
de  vijand  van  den  man,  die  de  heiligschennende  stoutheid  had, 
op  te  treden  als  bestrijder  van  den  Grooten  Koning.  Wanneer 
dus  Racine  het  karakter  van  Willem  III  met  zwarte  kleuren 
had  gemaald,  of  van  dien  kampvechter  voor  Europa's  vrijheid 
een  verachtelijk  of  afzichtelijk  beeld  had  gegeven,  zou  dat  niets 
ie  verwonderen  zijn  geweest;  —  de  haat  der  tijdgenooten  belet 
vaak,  de  uitstekendheid  van  een  groot  man  te  erkennen.  Ziet 
maar  hoe  de  Romeinen  Hannibal  hebben  afgeschilderd.  —  Hier 
echter  is  dit  niet  het  geval.  Racine  moge  aan  den  grooten  Stad- 
houder niet  ten  volle  recht  laten  wedervaren ;  toch  is  er  eerbied, 
ontzag,  bijna  bewondering  in  de  wijze  waarop  hij  van  hem 
spreekt;  onmiskenbaar  spreekt  in  Racine 's  taal  de  diepe  indruk, 
dien  Willem  de  derde's  grootheid  als  staatsman  en  als  legerhoofd 
op  zijne  tijdgenooten  heeft  gemaakt. 

Eene  onbillijkheid  waarvoor  men  zich  in  de  geschiedenis  moet 
wachten,  en  waaraan  men  zich  toch  te  dikwijls  schuldig  maakt,  is 
het  beoordeelen  der  menschen  van  vroegere  eeuwen  volgens  de 
denkbeelden  en  beginselen,  die  in  onze  eeuw  de  heerschende  zijn. 
Wil  men  eene  ware  voorstelling  hebben  van  een  groot  man  uit 
het  voorgeslacht,  dan  moet  men  zich  geheel  en  al  verplaatsen 
in  den  tijd  waarin  hij  leefde;  men  moet  bekend  zijn  met  alles 
wat  hem  omgaf  en  op  hem  werkte;  alleen  daardoor  laten  zich 
zijne  handelingen  verklaren  en  met  juistheid  waardeeren. 

Wil  men  derhalve  Willem  III  als  veldheer  leeren  kennen,  dan 
dient  men  allereerst  te  weten,  op  welke  wijze  in  zijne  eeuw  ge- 
oorloogd werd. 

WILLEM    in.    —    T.  .  2 


Digitized  by 


Google 


l8  KRUGS-    EN   GESCHlEDKUNDICe   BESCHOUWINGEN. 

Zeker  is  het  gemakkelijk  om,  wanneer  men  ónze  denkbeelden 
der  19e  eeuw  over  het  oorlog  voeren  toepast  op  de  krijgsverrich- 
tingen  ten  tijde  van  Lodewijk  XIV,  met  minachting  en  bespot- 
ting op  die  krijgsverrichtingen  neer  te  zien.  Wij,  die  gewoon  zijn 
aan  de  krachtvolle  en  beslissende  oorlogen  van  Napoleon  en 
van  den  lateren  tijd,  wij  hebben  soms  moeite  om  die  onbedui- 
dende oorlogen  van  de  17e  eeuw  te  begrijpen;  oorlogen,  die 
jaren  duren  en  niets  beslissen ;  veldtochten,  die  soms  doorgebracht 
worden  met  de  belegering  van  een  of  twee  nietsbeduidende  vestin- 
gen ;  legers,  die  maanden  noodig  hebben  om  zich  bijeen  te  trek- 
ken, zich  met  slakkengang  bewegen,  en  altijd  een  goed  gedeelte 
des  jaars  werkeloos  doorbrengen.  Dit  alles  komt  ons  thans 
vreemd  voor  en  moeielijk  te  verklaren;  maar  wij  hebben  daarom 
nog  niet  het  recht,  om  die  gebrekkige  oorlogvoering  alleen  toe 
te  schrijven  aan  de  beperkte  inzichten  van  de  legerhoofden,  en 
uit  dien  hoofde  met  een  soort  van  meesterschap  op  hen  neer  te 
zien;  integendeel  de  studie  van  de  krijgsinstellingen  van  dien  tijd 
zal  doen  zien,  dat  deze  die  gebrekkige  wijze  van  oorlog  voeren 
noodwendig  maakten,  en  dat,  indien  er  legeraanvoerders  zijn 
geweest,  aan  wier  middelmatigheid  het  was  toe  te  schrijven  dat 
de  oorlogen  nog  onbeslissender  werden,  daarentegen  vele  anderen, 
die  ontegenzeggelijk  groote  bekwaamheden  bezaten,  evenzeer 
door  de  omstandigheden  gedwongen  werden  af  te  zien  van  die 
stoute,  beslissende  handelingen,  die  in  onze  eeuw  het  kenmerk 
der  oorlogen  moeten  zijn. 

De  omstandigheid,  die  vooral  in  aanmerking  komt  bij  het 
beoordeelen  van  de  oorlogen  der  17e  eeuw  en  die  de  hoofdoor- 
zaak is  van  het  onmetelijke  verschil  dat  er  bestaat  tusschen  die 
oorlogen  en  de  hedendaagsche,  is  de  wijze  van  samenstel- 
ling der  legers,  toen  geheel  anders  dan  in  onze  dagen. 

De  Fransche  omwenteling  van  1789  heeft  ons  in  dat  opzicht 
tot  de  ware  beginselen  teruggebracht,  die  bij  de  gemeenebesten 
der  oudheid  werden  gehuldigd.  De  Europeèsche  legers  bestaan 
nu  niet  meer  uit  huurlingen,  het  zijn  volkslegers  geworden;  men 
heeft  begrepen  dat  het  voeren  der  wapens  tot  verdediging  van 
den  vaderlandschen  grond,  een  plicht  is  die  op  alle  burgers 
rust  en  waarin  allen  gelijkelijk  moeten  deelen.  Bij  de  meeste 
Europeèsche  Staten  is  dan  ook  het  weerbare  gedeelte  van  de 
bevolking  wapenplichtig  gemaakt,  en  wordt  in  oorlogstijd,  onder 
verschillende  benamingen,  gebezigd  om  het  leger  voltallig  te 
maken  of  2ich  daarbij  aan  te  sluiten;  de  uitvoering  van  het 
beginsel  laat  hier  en  daar  nog  veel  te  wenschen  over,  maar  het 
beginsel  zelve  bestaat,  en  dit  is  reeds  een  reuzenstap  ten 
goede.  De  legers  zijn  nu  van  een  zedelijker,  van  een  oneindig 
beter  gehalte,   zij   bestaan   niet  meer   uit  vreemde  gelukzoekers, 


Digitized  by 


Google 


WIJZE   VAN  OORLOG  VOEREN    IN    DE    17e    EEUW.  19 

waarvan  de  edelsten  niets  hoogers  kenden  dan  roem,  en  de  groote 
meerderheid  slechts  gouddorst ;  maar  zij  zijn  samengesteld  uit  het 
volk  zelve^  dat  de  wapenen  voert  voor  de  heiligste  zaak  waarvoor 
men  ze  voeren  kan,  voor  de  verdediging  van  den  vaderlandschen 
grond,  voor  de  handhaving  der  volksvrijheid.  De  zedelijke  drijf- 
veeren  van  den  oorlog  hebben  oneindig  gewonnen  aan  sterkte 
en  aan  zuiverheid;  men  kan  bij  de  hedendaagsche  legers  zich 
doen  verstaan,  wanneer  men  er  spreekt  van  plicht  en  zelfopoffe- 
ring ;  men  kan  er  de  geestdrift  en  de  onsterfelijke  dapperheid  op- 
wekken, die  eenmaal  de  zonen  van  Sparta  en  van  Rome  bezielde. 
Daardoor,  omdat  het  volkslegers  zijn  geworden,  zijn  de  heden- 
daagsche legers  ook  veel  sterker  in  getal,  veel  gemakkelijker  aan 
te  vullen  dan  vroeger;  daardoor  is  eene  krachtsontwikkeling  moge- 
lijk, die  vroeger  niet  te  bereiken  was:  de  legers,  door  de  Fran- 
sche  conventie  in  1793  plotseling  saamgesteld,  de  krijgsmacht, 
door  Napoleon  dadelijk  na  den  Russischen  veldtocht  als  uit  het 
niet  geschapen,  Pruisen's  legers  van  1813 — 1815  zouden,  zonder 
de  volkswapening,  tot  de  onmogelijkheden  behoord  hebben. 

De  oorlogen  zijn  daardoor  ook  korter  en  beslissender  gewor- 
den. De  twee  oorlogvoerende  partijen  grijpen  elkander  aanstonds 
krachtvol  aan,  trachten  dadelijk  eene  beslissing  te  verkrijgen, 
en  zoeken  op  de  een  of  andere  wijze  een  strijd  te  eindigen  die, 
juist  door  de  samenstelling  der  tegenwoordige  legers,  niet  meer 
zoo  lang  kan  duren,  zoo  gerekt  worden  als  de  oorlogen  van 
vroegere  eeuwen.  Aan  den  tijdgenoot  behoeft  de  korte  duur  der 
oorlogen  van  1859,  van  1866,  van  1870 — 1871  niet  herinnerd  te 
worden;  ook  Napoleon's  oorlogen  hebben,  op  hetzelfde  krijgs- 
tooneel,  nooit  langer  geduurd  dan  één  of  twee  veldtochten;  — 
alleen  de  Spaansche  oorlog  van  1808 — 1814  maakt  hierop  eene 
uitzondering,  die  echter  hoofdzakelijk  toegeschreven  moet  worden 
aan  de  bijzondere  gesteldheid  van  het  oorlogstooneel  en  aan  de 
samenstelling  van  de  vijandelijke  macht  welke  de  Fransche  legers 
in  Spanje  te  bestrijden  hadden. 

Geheel  anders  was  de  samenstelling  van  de  Europeesche  legers 
in  de  eeuwen  die  aan  de  omwenteling  van  1789  voorafgaan; 
volkslegers  bestonden  er  toen  niet;  de  legers  werden  niet  vol- 
tallig gehouden  door  het  militiestelsel,  maar  uitsluitend  door 
vrijwillige  werving.  De  burger  zelf  voerde  de  wapens  niet  tot 
verdediging  van  het  vaderland,  maar  liet  die  taak  over  aan  de 
geregelde  legers,  meestal  samengesteld  óf  uit  vreemdelingen,  óf 
uit  het  slechtste  gedeelte  der  natie.  Alleen  daar,  waar  het  op 
de  verdediging  der  eigen  stad  aankwam,  nam  de  burgerij  een 
krachtdadig  deel  aan  den  strijd;  —  wij  behoeven  maar  te  wijzen 
op  onzen  oorlog  tegen  Spanje  en  op  1672  om  aan  te  toonen 
hoc  roemrijk  onze  schutterijen  zich  kweten  bij  vele  der  onver- 
getelijke steden* verdedigingen  welke  in  die  oorlogen  plaats  hadden. 


Digitized  by 


Google 


20  KRIJGS-   EN    GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Soms  ook,  in  tijden  van  buitengewonen  nood  en  van  buitenge- 
wone geestdrift,  ziet  men  de  gewapende  burgerij  hare  steden 
verlaten  om  de  grensplaalsen  te  bezetten  of  het  verzwakte  leger 
te  versterken;  —  in  de  reeds  aangehaalde  oorlogen  vindt  men 
daarvan  enkele  voorbeelden;  en  zoo  vindt  men,  onder  andere 
in  de  schrijvers  over  den  dertigjarigen  oorloge  dat  het  400  bur- 
gers van  Pforzheim  waren,  die,  in  den  slag  van  Wimpfen  (1632), 
zich  met  Spartaansche  dapperheid  voor  hun  vorst  opofferden. 
Maar  deze  en  soortgelijke  voorbeelden  zijn  uitzonderingen, 
teweeggebracht  —  zooals  reeds  gezegd  is  —  door  buitengewonen 
nood  en  buitengewone  geestdrift.  De  regel  is,  dat  de  oorlog 
alleen  gevoerd  wordt  door  middel  van  geregelde  legers,  die  voor 
een  groot  gedeelte  niet  uit  inboorlingen  bestonden,  maar  uit 
vreemdelingen  van  allerlei  natiën. 

Uit  den  aard  der  zaak  volgt,  dat  het  samenstellen  en  voltallig 
houden  van  de  vroegere  legers  eene  moeielijke  en  kostbare  zaak 
moest  zijn.  Men  kan  zich  het  best  daarvan  overtuigen,  wanneer 
men  let  op  de  bezwaren,  die  zelfs  het  rijke  Groot-Brittanje  nu 
nog  heeft  om  zijne  legers  aan  te  vullen.  De  bevelhebbers  der 
verschillende  regimenten  waren  vroeger,  ieder  voor  het  gedeelte 
dat  zij  aanvoerden,  met  die  taak  belast,  en  meesttijds  zeer  weinig 
nauwgezet  in  de  keus  hunner  soldaten.  In  oogenblikken  van  geest- 
drift, bij  nationale  oorlogen,  konden  soms  die  soldaten  getrokken 
worden  uit  het  goede  gedeelte  der  natie,  —  zooals  bij  voorbeeld 
gedurende  den  krijg  tegen  Spanje,  de  inlandsche  regimenten  bij 
de  legers  van  Maurits  en  Frederik  Hendrik  zich  meestal  in  dat 
opzicht  gunstig  onderscheidden ;  —  maar  gewoonlijk  bestond  het 
leger  uit  veel  minder  zuivere  bestanddeelen.  Op  enkele  uitzonde- 
ringen na  waren  de  soldaten  uit  den  minsten  stand  genomen; 
het  waren  menschen  die  door  losbandigheid  of  vergrijpen  van 
verschillenden  aard  zich  van  elk  vooruitzicht  in  andere  standen 
zagen  verstoken,  en,  door  nood  en  armoede  gedrongen,  den  krijgs- 
mansstand als  laatste  en  uiterste  hulpmiddel  hadden  omhelsd ;  het 
waren  vreemde  landloopers,  zwervende  gelukzoekers,  die,  door 
eenig  goud  gelokt,  de  wapenen  opvatten  voor  een  land  dat  hun 
geheel  vreemd  was,  dat  hen  betaalde  zoolang  de  oorlog  duurde, 
daarna  hen  weer  aan  hun  lot  overliet,  en  waarvoor  zij  dus  geen 
hart,  geen  gehechtheid  konden  hebben;  het  waren  overloopers 
uit  vreemde  legers,  die  door  het  verlaten  van  hunne  vaandels 
reeds  getoond  hadden  hoe  gering  de  waarde  was,  door  hun  aan  den 
militairen  eed  gehecht,  en  hoe  dwaas  het  dus  zou  zijn  op  hunne 
voortdurende  diensten  te  rekenen. 

Ziedaar  in  het  algemeen  de  bestanddeelen  der  toenmalige 
legers;  en  men  moet  niet  denken,  dat  dit  alleen  geldt  van  de 
legers  onzer  Republiek.  De  groote  uitbreiding  van  de  zeemacht 


Digitized  by 


Google 


WIJZE   VAN   OORLOGVOKREN  IN    DE    17e   EEUW.  21 

en  de  vijandschap  tegen  de  Stadhouders  hebben  bij  ons  soms  de 
landmacht  doen  verwaarloozen ;  maar  de  soldaten,  waaruit  die 
landmacht  bestond,  waren  van  geen  minder  gehalte  dan  die  der 
overige  Europeesche  legers;  zelfs  van  een  beter,  omdat^  door 
den  toenmaligen  rijkdom  van  onzen  Staat,  er  meer  geld  aan 
kon  worden  besteed;  bij  andere  legers  was  het  hiermede  soms 
zoo  ellendig  gesteld,  dat  men  onder  andere  in  1620  de  Staten 
van  het  keurvorstendom  Brandenburg  een  bevel  ziet  uitvaar- 
digen, >  waarbij  ieder  boer^  aan  wien  door  een  soldaat  eene  aal- 
moes wordt  gevraagd,  gelast  wordt  hem  een  heller  te  geven." 
De  Fransche  legers  waren  mogelijk  minder  slecht  samengesteld 
wat  aangaat  de  officieren,  omdat  zich  daarbij  een  goed  gedeelte 
van  den  krijgshaftigen  Franschen  adel  bevond;  met  de  soldaten 
was  het  niets  beter. 

Het  zedelijk  gehalte  van  een  leger,  uit  zulke  soldaten  bestaande, 
kon  niet  zeer  groot  zijn ;  alleen  door  strenge  krijgstucht  kon  men 
de  ergste  uitspattingen,  de  ergste  militaire  misdrijven  voorkomen; 
aanhoudende  vermoeienissen  en  inspanningen  kon  men  van  zulke 
soldaten  niet  veel  verwachten ;  en  om  hen  tot  buitengewone  daden 
aan  te  sporen,  om  hen  meer  dan  gewone  gevaren  te  doen  bra- 
veeren, moest  men  niet  hunne  roemzucht,  hunne  vaderlandsliefde 
aanspreken  —  dit  waren  onbekende  drijfveer  en  —  maar  hunne 
geldzucht  opwekken.  Wanneer  een  heden daagsch  bevelhebber 
een  stout  wapenfeit  wil  ondernemen,  spreekt  hij  tot  het  eergevoel 
der  soldaten,  en  onhandig  is  hij,  wordt  hij  niet  verstaan;  —  in 
dien  tijd,  moest  men  geld  bieden.  Zoo  vindt  men  opgeteekend, 
dat  de  verdediging  van  Maastricht  door  Fariaux,  in  1673,  minder 
krachtdadig  was  omdat  die  bevelhebber  uit  overdreven  zuinig- 
heid naliet  om  de  uitvallende  troepen  met  geld  te  beloonen; 
evenzoo  vindt  men  vermeld  dat  bij  het  beleg  van  dezelfde  ves- 
ting door  Willem  III,  in  1676,  de  Stadhouder  zoo  weinig  op 
zijne  soldaten  rekende,  dat  hij  eene  bestorming  van  een  der 
werken  uitsluitend  door  officieren  deed  verrichten.  Ook  een 
hedendaagsch  leger  zal  zich  schuldig  maken  aan  geweldenarijen 
jegens  den  weerloozen  burger,  wanneer  een  langdurige  en 
bloedige  strijd  de  driften  van  den  soldaat  heeft  opgewekt;  maar 
vreemd  aan  onze  hedendaagsche  oorlogen  zijn  de  afpersbgen, 
uitspattingen  en  wreedheden,  die  door  de  vroegere  legers,  zonder 
die  verschoonende  reden,  werden  gepleegd,  zoodra  zij  buiten 
opzicht  van  hunne  bevelhebbers  waren  of  dezen  die  gruwelen 
toelieten.  De  onmenschelijkheden  door  Luxembourg's  soldaten 
te  Bodegraven  en  Zwammerdam  gepleegd,  zijn  denkelijk  het 
werk  van  dien  wreeden  aanvoerder  zelven ;  maar  daarentegen 
wordt  door  sommige  schrijvers  verzekerd,  dat  de  eerste  verwoes- 
ting van  den  Pfalz  niet  het  opzettelijk  werk  van  Turenne  is 
geweest,  maar  alleen  het  gevolg  van  het  weinige  toezicht  dat 


Digitized  by 


Google 


22  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

hij  op  zijne  soldaten  hield.  —  Desertie  zal  men  bij  de  heden- 
daagsche  oorlogen  nóg  hebben;  maar  niet  in  die  mate  als  bij 
de  vroegere  toen  men  er  op  uit  was  om,  door  het  aanbieden 
van  geld,  de  soldaten  der  tegenpartij  tot  overloopen  aan  te  zetten. 
De  dood  zal  nog  de  straf  zijn  voor  dit  misdrijf;  maar  niet  de 
dood  met  die  wreedheid  welke  haar  toen  vergezelde.  >  Sedert  ik 
een  paar  van  die  overloopers  heb  laten  radbraken,  is  het 
overloopen  minder  geworden ;  dit  schijnt  indruk  te  hebben  ge- 
maakt"; —  zoo  schrijft,  in  1672,  de  Fransche  generaal  Chamilly 
aan  den  minister  Louvois,  even  alsof  het  eene  zeer  gewone  zaak 
betreft.  Wij  hebben  moeite  om  ons  in  dien  tijd  te  verplaatsen. 

De  ofhcieren  beantwoordden  aan  de  soldaten.  Zeker,  men  had 
er  ook  mannen  bij,  die  uit  roemzucht  of  vaderlandsliefde  de 
wapens  voerden ;  zonen  van  voorname  geslachten,  edelen,  die  als 
vrijwilligers  dikwijls  op  eigen  kosten  oorloogden  en  in  den  strijd 
een  moed  betoonden,  zoo  schitterend,  dat  men  dien  te  allen 
tijde  moet  eerbiedigen;  —  maar  deze  klasse  van  officieren  vond 
men  weinig  of  niet  in  de  mindere  rangen;  zij  werden  spoedig 
tot  hooge  betrekkingen,  ten  minste  tot  het  bevel  over  een  regi- 
ment bevorderd.  De  meerderheid  der  officieren  was  geheel  anders; 
en  bij  hen  werd,  weinig  of  niet,  gelet  op  kunde,  opvoeding,  be- 
kwaamheid en  zedelijkheid.  Ook  in  dit  opzicht  was  het,  bij  het 
leger  der  Republiek,  nog  niet  het  slechtst  gesteld :  het  stadhouder- 
looze  bestuur  moge  soms  bij  het  begeven  van  de  krijgsambten 
met  een  onverantwoordelijke  onkunde  te  werk  zijn  gegaan,  en 
daarbij  hoofdzakelijk,  niet  op  bekwaamheid,  maar  op  bijzondere 
voorspraak  hebben  gelet  ;  toch  hadden  de  officieren  van  de  legers 
der  Republiek  meer  zedelijke  waarde  dan  die  van  andere  Euro- 
peesche  legers;  de  betere  betaling,  de  meer  zedelijke  zin  der 
natie,  en  de  omstandigheid  dat  die  officieren  toch  voor  een  ge- 
deelte inboorlingen  waren  en  door  warme  liefde  aan  hun  land 
gehecht,  verklaren  dit.  Bij  de  Fransche  legers  had  men  officieren 
van  grootere  militaire  bekwaamheden,  doordien  het  bestuur  van 
Frankrijk  meer  militair  was,  de  natie  meer  krijgshaftig,  de  adel 
talrijker;  maar  over  het  geheel  was  de  zedelijke  waarde  dier 
officieren  zeer  gering,  hunne  denkbeelden  van  plicht  en  krijgseer 
zeer  gebrekkig.  Veel  lag  dit  ook  aan  de  onzekerheid  van  hunne 
betrekking :  het  einde  van  den  oorlog  deed  een  goed  gedeelte 
des  legers  afdanken  en  ontroofde  het  bestaan  aan  een  aantal 
officieren,  die  dan  hunne  diensten  aanboden  aan  een  anderen  vorst 
of  staat.  De  krijgsmansstand  is  de  edelste  stand  wanneer  men 
uit  overtuiging,  uit  plichtgevoel  het  wapen  voert  voor  eene  zaak 
die  men  met  hart  en  ziel  is  toegedaan,  voor  een  vaderland  dat 
men  boven  alles  lief  heeft;  het  is  een  verachtelijke,  een  onzede- 
lijke stand,  wanneer  men  zich  aan  den  meestbiedende  verhuurt, 


Digitized  by 


Google 


WUZE  VAN   OORLOGVOEREN   IN   DE    17e   EEUW.  23 

wanneer  men  voor  goud  zijn  bloed  veil  heeft,  onverschillig  voor 
welke  zaak  men  het  stort.  Voor  de  meeste  officieren  van  de 
legers  van  vroegere  eeuwen  was  de  krijgsmansstand  het  laatste; 
en  de  afkeer  die  men  in  Holland  in  de  vroegere  tijden  van  het 
leger  had,  was  inderdaad  zoo  geheel  ongegrond  niet. 

Niet  alleen  het  verminderen  van  het  leger,  het  afdanken  van 
regimenten  beroofde  den  officier  van  zijne  betrekking,  maar 
ook  de  luim  van  een  vorst,  van  een  staatsdienaar,  van  een  be- 
velhebber was  hiertoe  voldoende.  De  wet  beschermt  thans  de 
billijke  rechten  onzer  officieren;  maar  zelfs  toen  zij  dit  nog  niet 
deed,  was  reeds  de  krachtige  invloed  van  de  openbare  meening 
een  waarborg  tegen  willekeur.  In  vroeger  tijden  was  dit  geheel 
anders:  tik  heb  zooveel  officieren,  van  déit  regiment  ontslagen 
(cassé)  omdat  zij  ongenoegen  betoonden  over  hunne  overplaat- 
sing bij  andere  regimenten";  zoo  leest  men  in  de  reeds  vroeger 
aangehaalde  briefwisseling  tusschen  Chamilly  en  Louvois.  De 
Fransche  generaal  verraadt  ook  de  weinige  achting  die  men  toen- 
maals voor  den  officiersstand  had,  door  t  officieren  in  hinderlaag 
te  plaatsen,  om  de  soldaten  die  overloopen  wilden  te  vangen";  — 
een  dienst  die,  bij  de  hedendaagsche  legers,  door  de  marechaussee 
gedaan  wordt.  Indien  er  bij  de  hedendaagsche  legers  ook  voor 
beelden  voorkomen,  dat  een  officier  zijn  vaandel  verlaat  om 
tot  den  vijand  over  te  loopen,  dan  behoort  zulk  een  feit  toch 
tot  de  zeer  zeldzame  uitzonderingen,  en  de  rampzalige  die  het 
pleegt  wordt  met  schande  gebrandmerkt,  zijn  naam  is  voor  altijd 
onteerd.  Maar  uit  de  verschillende  schrijvers  over  de  oorlogen 
van  Lodewijk  XIV  kan  men  zien  dal  het  overloopen  van  offi- 
cieren toen  geen  zeldzaamheid,  toen  een  zeer  gewone  zaak  was; 
gedurig  vindt  men  daar  voorbeelden  van;  gedurig  voorbeelden 
van  verstandhouding  met  den  vijand,  van  verraad.  Bij  het  reeds 
vroeger  vermelde  beleg  van  Maastricht  door  Willem  III  wordt 
door  een  kapitein  der  Fransche  bezetting  een  magazijn  in  brand 
gestoken,  ten  einde  door  de  hieruit  ontstane  verwarring  eene  be- 
storming te  doen  gelukken ;  later  werd  dit  verraad  ontdekt  en  de 
verrader  met  het  rad  gestraft. 

Wij  vragen,  of  men  zich  bij  een  hedendaagsch  leger  de  mo- 
gelijkheid van  zulke  daden  kan  voorstellen  ?  —  Neen,  laat  ons 
het  goede  niet  miskennen  dat  wij  boven  onze  voorouders  vooruit 
hebben;  wat  of  ook  achteruit  is  gegaan,  het  krijgswezen  zeker 
niet:  het  leger  is  veredeld,  en  door  kunde  en  karakter  behooren 
de  officieren  nu  tot  het  beste  gedeelte  der  natie;  terwijl  vroeger 
aan  het  woord  officier  niet  altijd  het  denkbeeld  van  fatsoenlijk 
man,  van  man  van  eer  was  verbonden. 

Die  wijze  van  samenstelling  van  de  vroegere  legers  moest  nood- 
wendig een  geheel  andere  wijze  van  oorlogen  ten  gevolge  hebben. 


Digitized  by 


Google 


24  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Die  legers  konden  toen  op  lange  na  zoo  talrijk  niet  zijn  als 
in  onze  dagen,  dewijl  het  veel  meer  moeite,  tijd  en  vooral  geld 
kostte,  om  soldaten  te  verkrijgen.  De  legers,  door  onze  Stadhouders 
bij  den  oorlog  tegen  Spanje  aangevoerd,  zijn  gewoonlijk  van 
tien-  tot  twintigduizend  man;  dikwijls  beneden  het  kleinste  getal, 
zelden  boven  het  grootste;  had  dit  laatste  plaats,  dan  was  het 
eene  buitengewone  poging,  eene  krachtsinspanning  waartoe  men 
voor  het  oogenblik  overging,  maar  die  men  niet  lang  kon  vol- 
houden. £ven  zoo  sterk  waren  meesttijds  de  legers  aan  wier 
hoofd  Condé  en  Turenne  stonden ;  terwijl  de  veel  grootere  macht, 
waarmede  Lodewijk  XIV  in  1672  Holland  aanviel,  ook  de  ver- 
bazing van  de  tijdgenooten  opwekte  en  als  een  merkwaardige 
uitzondering  werd  aangemerkt.  De  legers  door  Willem  III  aan- 
gevoerd waren  talrijker,  omdat  zij  bestonden  uit  de  vereeni- 
ging  der  legermachten  van  verschillende  staten;  en  daardoor 
werd  ook  Lodewijk  XIV  gedwongen  om,  in  de  Zuidelijke  Neder- 
landen, aan  zijne  vijanden  sterker  macht  over  te  stellen.  Die 
legers,  die  over  het  lot  van  Europa  moesten  beslissen,  waren 
echter  weinig  talrijker  dan  het  leger  dat  alléén  het  kleine  Neder- 
land in  1S31  en  1832  aan  zijne  grenzen  onderhield;  bij  de  sterkte 
van  Napoleon's  legers  waren  zij  niet  te  vergelijken. 

Die  mindere  talrijkheid  van  de  legers  was,  voor  een  gedeelte, 
oorzaak  dat  de  vestingen  toen  van  grooter  invloed  waren  dan  thans. 

Men  kon  die  vestingen  niet  zoo  ongehinderd  voorbijtrekken, 
dewijl  men  niet  sterk  genoeg  was  om  eene  macht  achter  te 
laten,  genoegzaam  om  de  bezetting  in  bedwang  te  houden;  men 
was  dus  verplicht  ze  te  belegeren  en  in  te  nemen.  Er  zijn  uitzon- 
deringen hierop;  bijvoorbeeld  de  handeling  van  de  Fransche 
legers  ten  opzichte  van  Maastricht,  in  1672.  Maar  men  moet  wel 
in  het  oog  houden,  welk  een  groote  overmacht  die  legers  toen 
hadden  op  hunne  tegenpartij^  en  buitendien  dat  het  eene  han- 
deling was,  die  buiten  elke  gissing  viel,  die  ongehoord  voorkwam. 
Er  waren  evenwel  nog  vele  andere  redenen  waarom  de  vestingen 
toen  van  veel  meer  belang  geacht  werden:  de  meerdere  sterkte 
die  zij  hadden;  de  langere  wederstand  dien  zij  konden  bieden, 
daar  de  aanvalsmiddelen  toen  nog  niet  die  uitbreiding  hadden 
gekregen  welke  zij  nu  hebben;  de  noodzakelijkheid  van  maga- 
zijnen te  hebben,  en  de  gemeenschap  daarmede  steeds  open  te 
houden ;  de  aarzeling  waarmede  men  toen  tot  het  leveren  van  een 
veldslag  overging ;  —  deze  en  andere  redenen  waren  aanleiding  dat 
men  zich  veel  meer  met  belegeringen  ophield  dan  in  onze  dagen. 

In  onze  dagen  zal  de  aanvaller,  —  de  sterkste  partij  —  het 
vijandelijke  leger  opzoeken,  slag  leveren,  en  door  dien  éénen  veld- 
slag mogelijk  de  beslissing  van  den  oorlog  verkrijgen.  Die  veld- 


Digitized  by 


Google 


WIJZE   VAN   OORLOGVOEREN   IN   DE    17e   EEUW.  25 

slag  kan  nadeelig  afioopen,  kan  verliezen  veroorzaken;  maar, 
door  middel  van  de  volkswapeningen  is  men  in  staat  om  die 
nadeelen  spoedig  te  herstellen. 

Vroeger  was  dit  geheel  anders:  de  middelen  ontbraken  om 
de  verliezen  spoedig  aan  te  vullen ;  men  schroomde  daarom  een 
veldslag  te  leveren,  waarvan  het  gevolg  kon  zijn  een  nederlaag 
die  de  geslagene  partij  geheel  weerloos  maakte;  een  veldslag 
was  een  uiterste,  waartoe  men  ongaarne  overging.  Daarom  ver- 
genoegde men  zich  meesttijds  met  mindere  voordeelen,  met  het 
vermeesteren  van  vijandelijke  vestingen,  met  het  veroveren  van 
een  vijandelijk  gewest.  Dit  was  het  gewone  doel  van  een  veld- 
tocht; als  men  dat  doel  bereikt  had,  was  men  zeer  tevreden. 

Bij  een  volgenden  veldtocht  werden  dan,  bleef  men  de  sterkste, 
die  voordeelen  voortgezet;  en  zoo  duurde,  jaar  in  jaar  uit,  de 
oorlog  voort;  totdat  de  eene  partij  door  hare  verliezen  zoozeer 
verzwakt  was,  en  de  andere  partij  door  hare  inspanningen  om 
die  verliezen  toe  te  brengen  zoo  uitgeput,  dat  beide  naar  eenen 
vrede  haakten,  die  meestal  door  de  verliezende  gekocht  werd 
met  het  afstaan  van  eenig  grondgebied.  Ziedaar  het  beeld  van 
bijna  alle  oorlogen  der  zeventiende  eeuw. 

Men  had  duizend  middelen  om  een  veldslag  te  ontwij- 
ken; men  behoefde  de  andere  partij  slechts  ongehinderd  hare 
belegeringen  te  laten  verrichten ;  of  men  plaatste  zich  achter  een 
terreinafecheiding ;  of  men  verschanste  zijne  stelling,  —  eene 
handeling  die  toen  zeer  gewoon  was  en  ook  groote  voordeelen 
opleverde;  omdat,  door  de  mindere  volmaking  én  mindere  sterkte 
der  artillerie,  de  aanval  op  een  verschanste  stelling  een  veel 
moeielijker  zaak  was  dan  thans;  en  omdat  de  omtrekking  van 
een  dergelijke  stelling  ook  minder  doenlijk  was  wegens  de  min- 
dere beweegbaarheid  der  troepen.  Maar  zelfs  wanneer  het  tot 
een  veldslag  kwam,  dan  was  die  veldslag  meestal  nog  weinig 
beslissend.  tDe  voordeelen  van  eene  overwinning",  zegt  von 
Damitz,  t  ontstaan  voor  de  eene  helft  uit  den  slag  zelve,  voor  de 
andere  helft  uit  de  krachtige  vervolging  van  den  geslagen  vijand." 
Van  de  tweede  helft  nu,  die,  goed  gebruikt,  meestal  de  gewich- 
tigste voordeelen  verschaft,  moest  men  geheel  afzien  bij  de  veldslagen 
der  17e  eeuw.  De  ruiterij  had  toen  niet  de  snelheid,  om  den 
vluchtenden  vijand  met  onstuimigheid  te  vervolgen  en  zijn  neder- 
laag te  voltooien;  het  overwinnende  leger  was  niet  beweegbaar 
genoeg  om  door  onverpoosde  marschen,  door  rusteloos  voorwaarts 
gaan,  den  vijand  elke  herzameling  onmogelijk  te  maken.  Integen- 
deel: wanneer  de  geslagen  partij  nog  maar  bij  een  gedeelte  van 
hare  macht  de  orde  had  bewaard,  dan  was  dit  genoeg  om  de 
ruiterij  des  overwinnaars  in  bedwang  te  houden;  geregeld,  zon- 
der veel  verlies,  verliet  de  geslagene  dan  het  slagveld;  de  over- 
winnaar,  tevreden  met  zijn  zege,  dacht  aan  geen  vervolging,  en 


Digitized  by 


Google 


26  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

bleef  stand  houden  om  door  vreugdeschoten  zijne  overwinning 
te  vieren-,  de  geslagene  ging  één,  twee  dagmarschen  terug;  her- 
zamelde  daar  ongehinderd  zijn  verstrooide  macht;  en  daar  de 
verliezen  op  het  slagveld  meesttijds  slechts  een  onbelangrijk 
verschil  uitmaakten,  was  de  geslagene  partij  spoedig  weer  in 
staat  den  overwinnaar  het  hoofd  te  bieden.  Nooit  zijn  er  moge- 
lijk .  onbeslissender,  nutteloozer  veldslagen  geleverd  dan  in  de 
17e  eeuw;  te  vergeefs  zoekt  men  daar  naar  iets,  wat  eenigszins 
gelijkt  op  de  groote  uitkomsten  die  door  overwinningen  als  Jena, 
Leipzig,  Waterloo,  Sadowa  of  Sedan  zijn  teweeggebracht. 

Het  is  reeds  gezegd,  dat  dit  onbeslissende  van  de  toenmalige 
veldslagen  voornamelijk  werd  veroorzaakt  door  de  weinige  be- 
weegbaarheid der  legers;  op  dit  gebrek  aan  beweegbaarheid 
had  vooral  invloed  de  wijze  waarop  toen  in  oorlogstijd-  de 
legers  werden  gevoed  en  verpleegd;  en  deze  weer  werd  teweeg- 
gebracht door  de  samenstelling  dier  legers,  waarop  men  altijd 
terugkomt  als  de  hoofdoorzaak  van  al  wat  in  de  oorlogvoering 
dier  tijden  gebrekkig  is. 

Na  de  om  wen telings- oorlogen  is  men  weer  tot  het  oude  beginsel 
der  Romeinen  teruggekeerd  >  dat  de  oorlog  door  den  oorlog  onder- 
houden moet  worden."  Magazijnen  zijn  thans  voor  een  leger  geen 
noodzakelijkheid  meer.  Blijft  dat  leger  langen  tijd  op  dezelfde 
plaats  stand  houden,  dan  kan  men  het  voeden  door  gere- 
gelde uitdeelingen  uit  de  magazijnen;  maar  wanneer  het  snelle 
bewegingen  moet  doen,  groote  aanhoudende  marschen,  dan 
kan  het  gevoed  worden  door  de  levensmiddelen,  voorhanden 
in  de  landstreek  die  het  doortrekt.  Zeker  hebben  Massena's  veld- 
tocht van  1810--1811  in  Portugal,  en  de  Russische  veldtocht 
van  181 2  bewezen,  dat  deze  wijze  van  handelen  niet  goed  is^ 
als  het  land  waar  het  leger  komt  weinig  vruchtbaar  is,  of  door  den 
vijand  verwoest;  maar  een  groot  aantal  andere  veldtochten  van 
deze  eeuw  hebben  overtuigend  aangetoond,  dat  dddr,  waar  men 
oorlog  voert  in  eene  landstreek  van  gemiddelde  vruchtbaarheid 
en  die  nog  niet  door  den  vijand  is  verwoest  of  uitgeput,  men 
zeer  goed  op  deze  wijze  kan  voorzien  in  de  voeding  der  legers* 
De  kortstondige  druk  welke  daardoor  wordt  gelegd  op  de  be- 
volking van  die  landstreek,  wordt  meer  dan  opgewogen  door 
den  korteren  duur,  welken  daardoor  de  oorlogen  erlangen,  en 
door  het  meer  beslissend  karakter  dat  zij  aannemen. 

Bij  de  oorlogen  van  vroegere  eeuwen  voedde  men  de  legers 
zóó  niet,  en  kon  men  ze,  mogelijk,  zóó  niet  voeden.  Zoo  slecht 
samengesteld  als  de  legers  toen  waren,  was  het  denkelijk  niet 
raadzaam,  om  den  soldaat  zelf  zijne  voeding  bij  den  landzaat  te 
doen  zoeken,  daar  dit  aanleiding  kon  geven  tot  plundering,  ge- 
welddadigheden  en   tot  roekelooze  verspilling  van  de  aanwezige 


Digitized  by 


Google 


WIJZE  VAN  OORLOGVOEREN   IN   DE    17e   EEUW.  27 

levensmiddelen.,  die  juist  het  voortzetten  van  deze  wijze  van 
voeden  onmogelijk  zou  maken.  Als  bewijs  hiervoor  kan  men  aan- 
hzXen^  dat  de  Ëngelsche  legers,  nu  nog  samengesteld  zooals  de 
legers  van  vorige  eeuwen,  nooit  op  die  wijze  gevoed  worden. 

Voor  de  vroegere  legers  was  dus  het  bezit  van  magazijnen, 
en  het  behouden  van  de  gemeenschap  daarmede,  een  volstrekte 
noodzakelijkheid.  Met  de  grootste  gevaren  bedreigde  men 
die  legers,  wanneer  men  hunne  gemeenschap  met  de  operatie- 
bazis  bedreigde;  want  het  verlies  van  die  gemeenschap,  zelfs 
maar  het  kortstondig  verlies,  kon  de  ondergang  van  die  legers 
zijn.  Willem  III  zag  bij  zijne  veldtochten  die  zwakke  zijde  der 
toenmalige  legers  zeer  goed  in,  en  meer  dan  éénmaal  trachtte 
hij  daarvan  partij  te  trekken.  Bij  die  meesterlijke  beweging 
welke,  op  het  einde  van  1672,  de  vermeestering  van  Charleroi 
ten  doel  had,  was  de  bedoeling  van  den  Stadhouder  hoofd 
zakelijk  om,  door  het  nemen  van  die  vesting,  het  Fransche  leger 
in  Holland  af  te  snijden  van  zijn  operatiebazis,  het  te  berooven 
van  allen  aanvoer  van  levensmiddelen,  en  het  daardoor  te  dwin- 
gen om  Holland  ijlings  te  ontruimen;  —  bij  onze  hedendaagsche 
oorlogen  zou  die  operatie  van  den  Stadhouder  minder  beduiden 
dewijl  Holland  vruchtbaar  genoeg  is  om  een  leger  te  voeden; 
maar  in  1672,  toen  een  leger  niet  anders  gevoed  kon  worden 
dan  door  middel  van  magazijnen,  kon  die  operatie  beslissend  wor- 
den. —  Evenzoo  vindt  men  vermeld,  dat,  na  het  opbreken  van 
het  beleg  van  Maastricht  in  1676,  Willem  III  het  Fransche  leger 
van  Schomberg  in  de  grootste  verlegenheid  bracht,  door  zich 
te  stellen  tusschen  dat  leger  en  de  Fransche  magazijn  plaatsen ; 
door  een  geheimen  snellen  marsch  omging  Schomberg  het  leger  van 
den  Stadhouder  en  herstelde  zóó  de  gemeenschap  met  de  opera- 
tiebazis. Op  die  volstrekte  noodzakelijkheid  van  het  onafgebro- 
ken behouden  der  gemeenschap  met  de  operatiebazis  moet 
vooral  worden  gelet,  wil  men  de  strategische  handelingen  van 
dien  tijd  begrijpen. 

Die  noodzakelijkheid  veroorzaakte  ook  weder  het  grooter  be- 
lang van  de  vestingen,  bracht  ook  mede  dat  men  geen  vijande- 
lijke vesting  in  den  rug  van  het  leger  mocht  laten;  want  die 
vestingen  waren  noodig  om  daar  magazijnen  aan  te  leggen  en 
te  bewaren;  en  eene  vijandelijke  bezetting  in  den  rug  van  een 
leger  kon  de  aanvoeren  van  levensmiddelen  uit  de  magazijnen 
lichtelijk  aanvallen  en  oplichten,  en  daardoor  het  leger  in  de 
grootste  ongelegenheid  brengen. 

Het  magazijnstelsel  maakte,  zooals  lichtelijk  te  begrijpen  is, 
alle  snelle  en  stoute  bewegingen  moeielijk  of  ondoenlijk,  en  ddAr 
waar  die  plaats  hadden,  —  zooals  bij  voorbeeld  bij  de  reeds 
aangehaalde  onderneming  van  Willem  III  op  Charleroi  —  moet 


Digitized  by 


Google 


28  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

men  dit  beschouwen  als  een  uitzondering,  door  het  genie  van 
den  aanvoerder  teweeggebracht,  die  reeds  de  voorbode  was  van 
de  krachtiger  oorlogsvoering  der  19e  eeuw.  In  den  regel  moest 
een  leger  zich  altijd  zoodanig  bewegen,  dat  het  in  ongehinderde 
gemeenschap  bleef  met  zijne  magazijn  plaatsen,  en  daarvan  ge- 
regeld toevoer  kon  ontvangen;  het  bewoog  zich  dus  altijd  in 
een  zeer  beperkten  kring,  —  vooral  omdat  de  landwegen  toen 
zoo  schaarsch  en  gebrekkig  waren  —  (met  het  stelsel  van  spoor- 
wegen dat  thans  in  geheel  Europa  aanwezig  is,  verkeert  men  nu 
in  een  geheel  anderen  toestand).  Verloor  men  de  gemeenschap 
met  de  eene  magazijnplaats,  dan  was  men  genoodzaakt  de  land- 
streek te  verlaten  ten  einde  een  andere  magazijnplaats  nabij  te 
komen. 

Dit  is  zóó  waar,  dat  zelfs  in  de  tweede  helft  der  i8e  eeuw,  bij 
de  oorlogen  van  Frederik  II,  die  regel  nog  volle  kracht  had; 
zoo,  bij  voorbeeld,  in  1757,  na  den  slag  van  Kollin,  brengt  het 
Oostenrijksche  leger  eenige  maanden  door  met  niets  anders  dan 
met  pogingen  om,  door  schijnbewegingen,  door  marschen  en 
contra-marschen,  het  Pruisische  leger  af  te  snijden  van  zijne 
magazijn  plaatsen  en  het  daardoor,  zonder  slag,  te  dwingen  om 
het  oorlogstooneel  te  verlaten;  zoo  vindt  men  in  Archenholz, 
dat  in  een  later  gedeelte  van  den  zevenjarigen  oorlog,  Frederik  II 
in  Saksen  nog  maar  ééne  magazijnplaats  had  overgehouden,  en 
dus,  wanneer  hij  deze  verloor,  gedwongen  zou  zijn  om  Saksen 
te  ontruimen.  Archenholz,  als  krijgskundig  schrijver,  behoeft  men 
juist  geen  Hooge  waarde  toe  te  kennen ;  maar  hij  was  toch  officier 
en  dus  bewijst  wat  hij  zegt,  hoe  algemeen  nog  het  denkbeeld 
heerschte,  zelfs  op  het  einde  van  de  iSe  eeuw,  dat  een  leger 
volstrekt  niet  kon  blijven  bestaan  wanneer  het  geen  magazijnen  had. 

Waren,  door  de  hier  vermelde  oorzaken,  de  legers  in  de 
17e  eeuw  zeer  gebonden  en  beperkt  in  hunne  bewegingen,  er 
waren  ook  andere  omstandigheden  die  het  hun  onmogelijk  maakten 
om  groote  marschen  te  verrichten.  Die  legers  hadden  meesttijds 
een  aanzienlijken  nasleep  bij  zich;  en  het  niet  strijdbare  gedeelte 
overtrof  soms  het  strijdbare  in  getalsterkte.  Natuurlijk  hing  dit 
veel  af  van  het  bijzonder  karakter  van  den  aanvoerder;  het  leger 
van  een  Turenne  was,  ook  in  ddt  opzicht,  veel  beter  dan  het  ver- 
wijfde en  ellendige  leger  van  een  Soubise;  maar  zelfs  bij  de  beste 
aanvoerders  maakten  toch  de  bedienden  der  officieren,  het  gevolg 
der  jonge  edellieden,  die  als  vrijwilligers  den  veldtocht  mede- 
maakten,  soms  de  vrouwen,  die  het  leger  volgden,  de  legertros, 
de  tenten,  levensmiddelen  enz.  een  nasleep  uit,  die  noodwendig 
den  marsch  van  een  leger  aanmerkelijk  moest  vertragen,  en 
welke  men  bij  onze  hedendaagsche  legers  niet  kent.  Onder  de 
vele  omstandigheden  die  dit  bewijzen,  moge  enkel  daaraan  wor- 


Digitized  by 


Google 


WIJZE  VAN  OORLOGVOEREN   IN   DE    l^t   EEUW.  29 

den  herinnerd,  dat  het  Keizerlijke  leger,  dat  in  1674  onder  De 
Souches  naar  de  Nederlanden  trok  en  dat  27000  man  sterk  was, 
door  niet  minder  dan  6000  vrouwen  werd  gevolgd;  men  stelle 
zich  zulk  een  Nomaden-troep  voor!  —  Na  het  einde  van  een 
marsch  werd  toen  altijd  een  kamp  opgeslagen;  en  alleen  het 
medevoeren  van  tentgereedschap  vereischte  een  aantal  wagens, 
die,  dit  behoeft  niet  gezegd  te  worden,  de  marschen  vertraagden. 
Voegt  men  hierbij  den  tijd,  benoodigd  voor  het  uitkiezen  en 
afeteken  van  het  kamp;  den  tijd,  gevorderd  voor  het  afbreken  en 
opslaan  van  de  tenten;  de  weinige  beweegbaarheid  der  troepen; 
de  kleingeestigheid  waarmede  men  er  toen  op  lette,  dat  dezelfde 
troepen  altijd  dezelfde  plaats  in  de  slaglinie  hadden,  het- 
geen dus  dikwijls  het  omwisselen  van  de  vleugels  noodzakelijk 
maakte,  of  omslachtige  toebereidselen  ten  einde  ieder  gedeelte 
bij  het  nieuwe  kamp  juist  daar  te  doen  aankomen  waar  het  zijne 
plaats  in  de  slaglinie  moest  hebben ;  dan  zal  men,  alles  samen  ge- 
nomen, de  kleine,  onbeduidende  marschen  van  dien  tijd  kunnen 
verklaren.  Men  ga,  bij  voorbeeld  in  Beaurain's  geschiedenis  van 
den  veldtocht  van  1674  in  de  Nederlanden,  de  marschen  na  van 
Condé*s  leger,  en  men  zal  bevinden  dat  dit  hoogstens  marschen 
van  een  uur  of  vier  zijn ;  zelfs  vindt  men  daar,  dat  het  leger  der 
bondgenoot  en  gedurende  eenigen  tijd  geen  grooter  marschen 
verrichtte  dan  van  twee  uren  daags.  Met  zulke  ongeschikte  werk- 
tuigen als  de  legers  toen  waren,  kan  men  onmogelijk  van  de 
aanvoerders  de  snelle,  beslissende  bewegingen  van  Napoleon 
vorderen;  even  onredelijk  zou  dit  zijn,  alsof  men  van  de  groote, 
onhandige  Spaansche  galjoenen  van  Filips  II  de  snelle  zeetochten 
van  Nelson's  vloot  verwachtte. 

Het  belang  om  de  troepen  te  sparen,  bracht  niet  alleen  mede 
dat  de  legers  gedurende  de  krijgsverrichtingen  kampeerden,  maar 
ook  dat  die  krijgsverrichtingen  gedurende  het  ongunstige  jaar- 
getijde afgebroken  werden.  Nauwelijks  was  de  zomer  geëindigd  of 
van  weerszijden  werden  de  krijgsverrichtingen  gestaakt;  men  ver- 
deelde de  legers  over  eenigp  garnizoensplaatsen,  en  daar  rustten 
zij  gedurende  den  ganschen  winter  uit,  om  in  het  volgende 
voorjaar,  soms  zeer  laat,  weer  te  velde  te  trekken.  De  veldtochten 
van  die  tijden  strekken  zich  over  slechts  weinige  maanden  van 
het  jaar  uit.  Uit  afbreken  van  de  vijandelijkheden  was  als  het 
ware  een  overeengekomen  iets,  een  vaste  regel;  elke  partij  wist 
vooruit,  dat  de  tegenpartij  ook  zoo  zou  handelen;  en  daar,  waar 
hiervan  werd  afgeweken  —  zooals  onder  andere  bij  den  winter- 
veldtocht  van  Gustaaf  Adolf  van  1630— 163 1  in  het  noorden  van 
Duitschland  —  werd  dit  beschouwd  als  een  ongehoorde  handel- 
wijze, bijna  als  een  ongeoorloofd  middel  om  tot  de  zege  te 
komen.  Men  zie  onder  andere  nog  in  Archenholz,  hoe  deze  het 


Digitized  by 


Google 


30  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

vreemd  vindt,  dat  Frederik  II  in  een  der  laatste  veldtochten  van 
den  zevenjarigen  oorlog,  zijne  troepen  zelfs  's  winters  te  velde 
deed  verblijven. 

Terwijl  de  legers  dan  in  hunne  winterkwartieren  verdeeld 
waren,  trachtten  de  beide  partijen  elkander  kleine  nadeelen  toe  te 
brengen ;  dan  hadden  er  verontrustingen,  overvallingen,  aanvallen 
op  kleine  posten  of  op  de  voorpostenketen  plaats,  allerlei  ver- 
richtingen dus  van  den  zoogenaamden  kleinen  oorlog.  Even- 
wel hadden,  door  de  mindere  uitbreiding  van  de  lichte  troepen, 
de  handelingen  van  den  kleinen  oorlog  in  de  17e  eeuw  nog  niet 
dit  gewicht,  dat  zij  in  de  oorlogen  van  Frederik  II  hebben  ver- 
kregen, en  dat  door  de  wijze  van  oorlogen  van  ónzen  tijd  weer 
grootendeels  verdwenen  is. 

Öe  veldheerskunst  van  die  dagen  kan,  in  de  hoofdpunten,  tot 
het  volgende  worden  teruggebracht. 

De  eerste  en  groote  moeielijkheid  was,  de  legers  voltallig  te 
maken,  en  te  velde  te  brengen.  Vooral  was  die  moeielijkheid 
groot,  als  die  legers  bestonden  uit  troepen  van  verschillende  natiën, 
uit  bondgenooten  die  van  elkander  onafhankelijk  waren;  dan 
hadden  er  eindelooze  onderhandelingen  plaats,  alvorens  men  het 
eens  was  over  de  keus  van  den  opperbevelhebber,  over  het  doel 
dat  men  zich  met  den  veldtocht  voorstelde,  en  over  het  aantal 
troepen  dat  elk  der  bondgenooten  zou  aanbrengen  tot  bereiking 
van  dat  doel;  vooral  in  ddt  opzicht  had  Frankrijk,  waar  alles 
door  éénen  wil  bestuurd  werd,  een  groot  voordeel  op  de  bond- 
genooten, waar  de  strijdige  belangen  der  verschillende  staten  dik- 
wijls aanleiding  gaven  tot  de  ongerijmdste  handelingen,  tot  de 
onverantwoordelijkste  tijdverspilling;  en  waar  zelfs  het  genie  van 
een  Willem  III  dikwijls  niet  in  staat  was  om  de  bezwaren  te 
boven  te  komen,  die  hem  de  onkunde  of  de  kwade  trouw  van 
vreemde  onderbevelhebbers  in  den  weg  legden ;  —  onder  andere 
is  de  veldtocht  van  1674  in  de  Zuidelijke  Nederlanden  hiervan- 
een  treffend  bewijs. 

Waren  de  legers  bijeen,  de  magazijnen  in  gereedheid  (en  ge- 
woonlijk was  hiermede  het  voorjaar  reeds  verloopen),  dan  kwamen 
die  legers  te  velde,  zonder  evenwel  elkander  dadelijk  te  gemoet 
te  trekken,  en  eene  beslissing  te  zoeken  door  een  veldslag:  men 
beoogde  toen  zulke  groote  uitkomsten  niet;  men  vergenoegde 
zich  met  kleine  voordeelen,  met  het  vermeesteren  van  vestingen. 
De  sterkste  partij,  de  aanvaller,  poogde  door  schijnbewegingen, 
door  heen-  en  weermarschen  den  vijand  te  misleiden  en  diens 
leger  te  verwijderen  van  de  vesting  die  men  voornemens  was 
aan  te  vallen.  Die  vesting  werd  dan  onverwachts  berend,  voor- 
dat zij  voldoende  bezet  en  voorzien  was.  Soms  gelukte  het  den 
verdediger   vóór   dien  tijd  eene   aanzienlijke  versterking  binnen 


Digitized  by 


Google 


WIJZE   VAN  OORLOG  VOEREN   IN   DE   ZEVENTIENDE   EEUW.  3I 

de  vesting  te  werpen,  en  meestal  zag  de  aanvaller  dan  af  van 
het  beleg;  soms  ook  ontdekte^  of  raadde  de  verdediger  het 
voornemen  van  den  aanvaller^  plaatste  zich  bijtijds  tusschen 
dezen  en  de  bedreigde  vesting,  en  verijdelde  daardoor  de  voor- 
genomen belegering;  want,  tot  dat  einde  het  leger  van  den  ver- 
dediger aan  te  tasten  en  slag  te  leveren,  was  een  uiterst 
middel  waartoe  de  aanvaller,  zelfs  bij  groote  overmacht,  zelden 
overging.  Was  eenmaal  de  vesting  geheel  ingesloten,  dan  had 
het  beleg  gewoonlijk  de  eindelijke  overgave  van  de  vesting  ten 
gevolge,  tenzij  de  aanvaller  niet  de  noodige  middelen  had  om 
de  belegering  te  verrichten,  of  de  tegenpartij  met  een  sterk  leger 
tot  ontzet  oprukte.  Dat  oprukken  tot  ontzet  geschiedde  echter 
gewoonlijk  alleen  met  sterker  leger;  en  wanneer  de  belegeraar 
stand  bleef  houden^  dan  trok  het  hulpleger  meestal  weer  onver- 
richterzake  af;  beide  partijen  schroomden  evenzeer  het  leveren 
van  een  veldslag;  en  de  partij  die  maar  de  meeste  stoutheid 
betoonde  was  er  bijna  zeker  van,  de  bovenhand  te  behouden. 
Na  de  inneming  van  die  eerste  vesting,  ging  men  over  tot  een 
tweede,  een  derde  beleg;  en  dan  rekende  de  aanvaller  ook  reeds 
genoeg  gedaan  te  hebben;  er  kunnen  ten  minste  een  groot  aan- 
tal veldtochten  aangehaald  worden  waarin  veel  minder  ver- 
richt werd. 

De  handelingen  van  den  verdediger  waren,  dit  ligt  in  den  aard 
der  zaak,  omgekeerd.  De  verdediger  nam  eene  aanvankelijke  stel- 
ling, waardoor  zijne  verschillende  vestingen  werden  beschermd; 
en  hij  richtte  vervolgens  zijne  bewegingen  zoodanig  in  naar  die 
van  den  aanvaller,  dat  hij  altijd  in  staat  was  eene  bedreigde  ves- 
ting te  redden  door  het  bezetten  van  een  sterke  stelling  tusschen 
haar  en  den  vijand;  of  ten  minste  in  staat  om,  vóórdat  die 
vesting  nog  was  ingesloten,  troepen  en  krijgsbenoodigdheden 
daarbinnen  te  werpen.  Was  eenmaal  het  beleg  van  de  vesting 
begonnen,  dan  trachtte  de  verdediger  door  verschillende  mid- 
delen den  aanvaller  te  noodzaken  tot  het  opbreken  van  het 
beleg:  soms  door  het  bedreigen  van  een  vesting  des  aanvallers; 
soms  door  pogingen  aan  te  wenden  tot  oplichting  van  de  kon- 
vooien des  belegeraars  —  zooals  het  Fransche  leger  dit  in  1708 
beproefde,  gedurende  het  beleg  van  Rijssel  door  de  bondgenooten. 
Soms  ook  door  invallen  te  doen  in  het  land  des  aanvallers,  — 
zooals  in  1629,  gedurende  de  belegering  van  's-Hertogenbosch 
door  Frederik  Hendrik,  toen  de  Spaansche  en  Oostenrijksche  legers 
in  Gelderland  vielen  —  doch  alleen  ddn,  wanneer  hij  door  aan- 
zienlijke versterkingen  de  overmacht  aan  zijne  zijde  had  gekregen. 
Het  behoorde  tot  de  zeldzaamheden,  dat  de  verdediger,  om  de 
belegerde  vesting  te  redden,  oprukte  met  het  voornemen  om  slag 
te  leveren;  geschiedde  dit,  dan  was  meestal  de  overmacht  aan 
zijne  zijde,  zooals  het  geval  was  met  het  Fransche  leger  dat  in 


Digitized  by 


Google 


32  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

1676  het  belegerde  Maastricht  ontzette;  of  er  bestond  bij  den 
belegeraar  gebrek  aan  overeenstemming  tusschen  de  verschillende 
bevelhebbers,  bij  voorbeeld  in  1674,  toen  de  bondgenooten  Oude- 
naarden belegerden  en  Condé  die  plaats  te  hulp  kwam.  Bleef  de 
belegeraar,  in  weerwil  van  het  oprukken  des  verdedigers,  stand 
houden,  dan  zag  de  laatste  gewoonlijk  af  van  alle  poging  tot 
ontzet  en  trok  onverrichterzake  terug,  —  zooals  dit  plaats  had  bij 
het  beleg  van  Bouchain  door  Lodewijk  XIV  in  1676.  Soms  ook 
had  de  belegeraar  zich  zoodanig  verschanst  om  de  belegerde 
vesting,  dat  daardoor  elke  poging  tot  ontzet  verijdeld  werd;  in 
den  tachtigjarigen  oorlog  vindt  men  een  groot  aantal  voorbeelden 
hiervan. 

Dikwijls  ook,  dat  de  verdediger  weinig  of  niets  verrichtte  om 
de  belegerde  vesting  te  hulp  te  komen;  en  dat  hij  er  zich  toe 
bepaalde  met,  door  het  zenden  van  toevoer  aan  de  bezetting^ 
en  het  aantasten  van  de  vijandelijke  konvooien,  den  tijd  van  den 
wederstand  zooveel  mogelijk  te  rekken.  Zóó  werd  meesttijds  ge- 
handeld, wanneer  de  macht  des  verdedigers  buiten  verhouding 
zwak  was,  vergeleken  met  de  macht  van  den  aanvaller;  dan 
rekende  de  eerste  al  veel  te  hebben  gewonnen,  wanneer  door 
het  beleg  van  die  vesting  er  zooveel  tijd  was  verloopen,  dat  hij 
zijne  strijdkrachten  had  kunnen  organiseeren,  en  den  aanvaller 
intusschen  had  bezig  gehouden. 

Ziedaar  wat  grootendeels  de  veldheerskunst  van  de  17e  eeuw 
uitmaakte.  Het  moet  in  het  oog  vallen,  hoe  eene  dergelijke 
wijze  van  oorlogvoeren  in  het  voordeel  was  van  den  verdediger, 
dewijl  daardoor  de  beslissing  steeds  werd  uitgesteld,  en  de  oor- 
log gerekt;  maar  tevens  hoezeer  de  aanvaller  tegen  zijn  waar 
belang  handelde,  door  zich  bezig  te  houden  met  onbeduidende 
ondernemingen,  die  den  vijand  slechts  ongevoelige  verliezen  ver- 
oorzaakten. De  bekwame  veldheer  moest  dus,  —  daar  waar  hij 
door  zwakheid  tot  de  verdediging  was  gedwongen  —  zooveel 
mogelijk  zich  houden  aan  de  stelselmatige  oorlogvoering  van 
zijn  tijd;  terwijl  hij  daarentegen  als  aanvaller  zich  zooveel 
mogelijk  moest  vrijmaken  van  de  banden  waarmede  de  gebrek- 
kige samenstelling  van  de  toenmalige  legers  zijne  handelingen 
belemmerde.  Wanneer  men  nu  de  door  Willem  III  gevoerde 
oorlogen  zorgvuldig  nagaat,  bespeurt  men,  dat  hij  bijna  altijd 
—  zoo  niet  door  de  getalsterkte,  dan  toch  door  de  samenstelling 
van  de  door  hem  aangevoerde  legers  —  zwakker  was  dan  zijne 
tegenpartij,  zoodat  hij  eigenlijk  verdedigende  oorlogen  voerde; 
in  de  Fransche  veldheeren,  die  tegenover  Willem  lEI  stonden, 
kan  men  het  dus  niet  zoo  bijzonder  prijzen,  dat  zij  zich  trouw 
hielden  aan  de  wijze  van  oorlogvoeren  van  hun  tijd;  maar  wél 
in  den  Nassauër,  die  daarin  het  middel  vond  om  met  zijne 
zwakke  legers  den  oorlog  te  blijven  volhouden.  Bij  die  weinige 


Digitized  by 


Google 


WUZE  VAN  OORLOGVOERIN  IN  DE   ZEVENTIENDE  EEUW.  33 

gelegenheden  dat  de  Stadhouder  aanvallend  te  werk  gaat,  kan 
men  bij  hem  pogingen  opmerken  om  zich  vrij  te  maken  van  de 
angstvallige  strategie  dier  tijden,  en  gaat  hij  over  tot  onderne- 
mingen, die  groote,  beslissende  uitkomsten  konden  teweegbrengen, 

—  die  pogingen,  die  ondernemingen  zijn  niet  veelvuldig;  zij 
hebben  niet  altijd  aan  het  doel  beantwoord,  maar  nochtans  doen 
zij  dikwijls  eene  stoutheid  en  eene  juistheid  van  inzichten  kennen, 
welke  aan  die  eeuw  vreemd  waren,  en  waardoor  Willem  III  gun- 
stig afeteekt  bij  zijne  tijdgenooten. 

Sprekende  van  de  veldheerskunst  der  17e  eeuw,  zouden  wij  de 
veldslagen  bijna  vergeten;  —  en  niet  geheel  ten  onrechte,  daar 
veldslagen  in  die  eeuw  zelden  plaats  grijpen,  weinig  beslissende 
zijn,  en  meestal  geleverd  worden,  meer  om  aan  de  wapeneer  te 
voldoen,  dan  om  daardoor  groote,  belangrijke  uitkomsten  te  ver- 
krijgen. —  Een  enkel  woord  over  dit  onderwerp  zal  de  beschou- 
wing over  de  krijgsvoering  der  17e  eeuw  besluiten. 

Bij  een  veldslag  van  dien  tijd  ziet  men  de  wederzijdsche  legers 
zich  eerst  geregeld  tegenover  elkander  in  slagorde  scharen;  de 
infanterie  gewoonlijk  in  het  midden,  ruiterij  op  de  beide  vleugels, 
geschut  over  de  geheele  slaglinie  verdeeld.  Na  een  wederzijdsch 
geschutvuur  gaat  de  eene  partij  tot  den  aanval  over;  de  aan- 
valler heeft  hierbij  het  nadeel,  dat,  door  de  mindere  beweeg- 
baarheid van  de  toenmalige  artillerie,  hij  de  beide  andere  wapens, 
bij  het  vooruitgaan,  niet  door  zijne  batterijen  kan  doen  verge- 
zellen. Zoodra  echter  de  beide  legers  handgemeen  worden,  houdt 
ook  de  werking  op  van  de  artillerie  des  verdedigers;  daar  dit 
wapen  veel  moeite  heeft  om  van  plaats  te  veranderen,  is  het 
meesttijds  maar  in  het  begin  van  den  strijd  werkzaam ;  om  dezelfde 
reden  gaat  de  artillerie  van  de  geslagene  partij  dikwijls  geheel 
verloren,  zooals  dit  onder  andere  te  Neerwinden  (1693)  met  de 
artillerie  van  Willem  III  gebeurde.  De  aanval  heeft  gewoonlgk 
plaats  over  de  geheele  uitgestrektheid  van  de  slaglinie,  en  geeft 
aanleiding  tot  wat  men  een  evenwijdigen  veldslag  noemt: 
ieder  wapen,  ieder  regiment,  valt  aan  op  het  wapen,  op  het 
regiment,  waar  het  tegenover  staat;  het  strijdt  daartegen;  het 
slaat,  het  vervolgt  dit  gedeelte,  zonder  zich  als  het  ware  te  be- 
kommeren  om   de   andere   gedeelten  van  het  vijandelijke  leger; 

—  vandaar  dan  ook,  dat  dewijl  de  slagorde  van  de  legers  zoo 
dikwijls  dezelfde  is,  meesttijds  voetvolk  alleen  strijdt  tegen  voet- 
volk, ruiterij  alleen  tegen  ruiterij,  en  het  gevecht  van  het  eene 
wapen  tegen  het  andere  veel  minder  voorkomt  dan  in  den  nieu- 
weren tijd.  De  handelwijze  om  zich  alleen  te  bekommeren  om  den 
vijand  dien  men  recht  tegenover  zich  heeft,  is  zoozeer  de  regel 
bij  de  veldslagen  der  17e  eeuw,  dat  óéiéx  waar  hiervan  wordt 
afgeweken,  dür  waar  men,  na   het  verslaan  van   een  gedeelte 


WILLEM  in.  —  I. 


Digitized  by 


Google 


34  KRIJGS-    EN   GKSCHIEDiCUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

der  vijandelijke  macht  zich  niet  uitsluitend  bezighoudt  met  de 
vervolging  van  dit  geslagen  gedeelte,  maar  zich  wendt  tegen 
andere  gedeelten  die  nog  stand  houden,  —  zooals  Cromwell  deed, 
bij  een  van  de  veldslagen  uit  den  Engelschen  burgeroorlog  — 
men  die  handeling  vindt  vermeld  als  een  blijk  van  een  bui- 
tengewone veldheersbekwaamheid,  waaraan  het  behalen  van 
de  overwinning  was  toe  te  schrijven. 

Het  is  duidelijk  dat  bij  zulk  een  aanval  over  het  geheele 
front  der  slaglinie  de  kansen  op  de  overwinning  meestal  gelijk 
moesten  staan;  want,  had  de  aanvaller  de  getalmeerderheid  al 
aan  zijne  zijde,  de  verdediger  had  daarentegen  zijne  stelling  met 
zorg  uitgekozen,  versterkt,  en  de  verschillende  terreinvoorwerpen 
bezet,  die  zich  daar  bevonden.  In  ddt  opzicht  vooral  verdienen 
de  veldslagen  der  17e  eeuw  bestudeerd  te  worden;  men  ziet  hier 
den  verdediger  goed  gebruik  maken  van  de  veldverschansing,  die 
in  de  latere  oorlogen  ten  onrechte  is  verwaarloosd,  en  eerst  in 
ónze  dagen  weer  in  eere  is  gekomen;  en  verschillende  veldslagen 
van  de  17e  eeuw  bewezen  reeds  dat  Rogniat's  bekende  theorie 
over  de  verschanste  slagvelden  zeer  goed  uitvoerbaar  is.  Het 
gebruik  maken  van  terreinvoorwerpen  heeft  bijna  even  goed 
plaats  in  de  17e  eeuw  als  bij  de  veldslagen  van  onzen  tijd, 
en  veel  meer  dan  in  den  zevenjarigen  oorlog;  Willem  III  vooral 
muntte  uit  in  de  bekwaamheid  om  eene  verdedigende  stelling  in 
korten  tijd  te  versterken  —  zooals  bij  Neerwinden  —  en  in  het 
partij  trekken  van  terrein  voordeelen,  zelfs  bij  een  on  verwachten 
vijandelijken  aanval,  zooals  hij  dit  bij  Séneffe  (1674)  bewees. 

Dat  evenwicht  tusschen  aanvaller  en  verdediger;  het  verrichten 
van  den  aanval  met  gelijkelijk  verdeelde  krachten  over-  het  ge- 
geheele  front  der  stelling;  het  niet  afzonderen  van  een  sterke 
reserve,  om  daarmede,  op  één  punt  behaalde  voordeelen  door 
te  zetten,  en  de  overwinning  te  voltooien;  —  dit  alles  had  ten 
gevolge  dat  die  veldslagen  zoo  onbeslissend  bleven:  hier  had  de 
eene  partij  voordeelen  behaald;  daar  de  andere;  die  zich  het 
zwakst  rekende,  trok  af;  maar  de  sterkste  had  geen  zoo  over- 
wegend voordeel  behaald  om  dien  aftocht  ernstig  te  bemoeielijken, 
had  geen  genoegzame  versche  strijdkrachten  bijeen  om  dien  af- 
tocht, door  de  vervolging,  in  eene  vlucht  te  doen  ontaarden. 
Omtrekkende  bewegingen,  flankaanvallen  hebben  weinig  of  niet 
plaats;  hiertoe  is  de  beweegbaarheid  der  toenmalige  legers  te 
gering;  daar  waar  zij  voorkomen,  zooals  bij  Fleurus  (1690),  zijn 
zij  toe  te  schrijven  aan  de  groote  overmacht  van  de  eene  partij, 
en  aan  de  groote  misslagen  van  de  andere.  Dat  het  leger  gedu- 
rende een  marsch  wordt  aangevallen,  zooals  bij  Séneffe,  behoort 
tot  de  zeldzame  uitzonderingen. 

In  één  woord:  bij  de  veldslagen  der  17e  eeuw  verdienen  de 
handelingen  der  verdedigende  partij  somtijds  bewondering,  om  de 


Digitized  by 


Google 


LODEWITK   XIV.  35 

goede  wijze  waarop  zij  stellingen  weet  uit  te  kiezen  en  te  verster- 
ken; van  de  aanvallende  partij  valt  daarentegen  meestal  weinig 
bijzonders  te  zeggen;  tevergeefs  zoekt  men  bij  die  veldslagen 
dicstoate,  goedberekende  bewegingen,  die  bij  de  nieuwere  veldslagen 
voorkomen,  en  waardoor  de  massa  der  strijdkrachten  des  aan- 
vallers tegen  het  zwakke  gedeelte  der  vijandelijke  stelling  wordt 
gevoerd,  om  op  die  wijze  zulke  voordeelen  te  behalen,  die  het 
geheele  leger  des  vijands  verloren  doen  gaan  en  een  oorlog  ten 
einde  brengen.  De  meening  van  Clausewitz,  dat  de  verdediging 
voordeeliger  is  dan  de  aanval,  is  zeker  waar  voor  de  veldslagen 
van  de  17e  eeuw;  want  toen  was  de  aanvaller  veel  meer  in 
bet  nadeel  dan  in  onze  dagen,  omdat  hem  bij  een  veldslag  de 
twee  hulpmiddelen  ontbraken,  die  thans  dikwijls  de  overwinning 
bezorgen:  een  overmachtig  artillerievuur,  en  flankaanvallen  of 
omtrekkende  bewegingen. 


HOOFDSTUK  II. 

LODEWijK  XIV ;  colbert;  louvois. 

De  worsteling  tegen  de  Fransche  overheersching,  tegen  de 
dwingelandij  van  Lodewijk  XIV  is  de  hoofdzaak  in  den  levens- 
loop van  Willem  III;  die  worsteling  maakt  de  geschiedkundige 
grootheid  van  den  Stadhouder  uit.  Wil  men  dus  die  geschied- 
kundige grootheid  naar  eisch  waardeeren,  dan  dient  men  te 
weten  wat  het  Frankrijk  van  die  dagen,  wat  Lodewijk  XIV  is 
geweest.  £en  enkel  woord  daarover  is  hier  dus  noodig. 

Over  den  vermaarden  Franschen  Koning  is  genoeg  geschreven, 
ook  door  groote  schrijvers:  Madame  de  Sévigné,  Saint-Simon, 
Voltaire,  en  zooveel  anderen.  Er  zijn  bronnen  in  overvloed  om 
er  kennis  uit  te  putten  van  het  karakter  en  de  hoedanigheden 
van  Lodewijk  XIV;  —  wel  is  waar  loopen  de  opgaven  en  oor- 
deelvellingen over  dien  Koning  vaak  hemelsbreed  uiteen;  maar 
juist  dat  is  de  taak  van  den  geschiedenis  onderzoeker,  om  die 
onderling  strijdige  opgaven  met  elkander  te  vergelijken,  aan  elkan- 
der te  toetsen,  hare  waarde  of  hare  onwaarde  te  bepalen,  en 
zoodoende  tot  de  waarheid  te  komen,  —  of  tot  de  waarschijnlijk- 
heid. Het  onderling  strijdige  van  geschiedkundige  opgaven  is  een 
veel  geringer  bezwaar  dan  het  ontbreken  van  die  opgaven. 

Onder  de  nieuwere  schrijvers  over  de  regeering  van  Lode- 


Digitized  by 


Google 


36  KRTJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

wijk  XIV  en  vooral  over  de  krijgshandelingen  muQt  Catnille 
Rousset  uit:  zijn  werk  ^Histoire  de  Louvois^*  enz.  heeft  groote,  blij- 
vende waarde.  Die  arbeid  van  Rousset  zal  hier  gedurig  worden 
aangehaald,  soms  met  instemming,  soms  met  bestrijding;  de  ken- 
nis der  Staats-  en  oorlogshandelingen  van  Willem  III  wint,  wan- 
neer men  ook  het  oordeel  daarover  verneemt  van  een  kundig 
en  vrij  onpartijdig  Fransch  schrijver. 

Misschien  kunnen  sommige  onzer  lezers  zich  uit  de  Punch  van 
1871  een  fraaie  teekening  herinneren,  voorstellende  den  Duitschen 
Keizer  Wilhelm  die  op  den  troonzetel  van  Versailles  sluimert, 
terwijl  de  schimmen  van  twee  groote  Fransche  vorsten  met  ver- 
ontwaardiging op  die  ontheiliging  nederzien.  Die  twee  groote 
Fransche  vorsten  zijn  Napoleon  en  Lodewijk  XIV,  de  twee  ge- 
bieders die  den  grootsten  indruk  op  den  geest  huns  volks  heb- 
ben gemaakt ;  en  toch  twee  mannen,  zoo  ongelijksoortig,  dat  men 
haast  niet  begrijpt  hoe  zij  in  éénen  adem  genoemd  kunnen 
worden :  Napoleon,  de  man  uit  het  volk  voortgekomen,  de  held, 
de  veroveraar,  de  krachtvolle,  geniale  gebieder ;  en  Lodewijk  XIV, 
wiens  voornaamste  verdienste  daarin  heeft  bestaan  dat  hij  mees- 
terlijk de  rol  van  Koning  heeft  weten  te  spelen. 

Maar  neen,  — die  uitdrukking  is  toch  niet  juist :» meesterlijk  de 
rol  van  Koning  spelen",  dat  onderstelt  iets  gekunstelds,  iets  onwaars, 
iets  waaraan  men  zelf  niet  gelooft;  en  dat  was  met  Lodewijk  het 
geval  niet;  hij  geloofde  wel  degelijk  aan  zijne  hooge  koninklijke 
waardigheid;  hij  was  diep  doordrongen  van  zijne  onmetelijke 
meerderheid,  boven  de  andere  menschen  niet  alleen,  maar  zelfs 
boven  de  andere  Koningen.  »De  Fransche  Sultan",  zoo 
heeft  Helmers  hem  genoemd,  en  in  die  uitdrukking  ligt  veel 
waarheid.  Lodewijk  beschouwde  zich  als  een  hooger  wezen;  alles 
moest  hem  huldigen  en  voor  hem  buigen ;  zijn  gunst  te  erlangen, 
dat  moest  het  doel  zijn  van  aller  streven;  hem  te  weerstaan, 
hem  ongehoorzaam  te  zijn,  dat  was  iets  ongehoords,  iets  ge- 
drochtelijks,  dat  evenzeer  zijne  verbazing  als  zijn  toorn  opwekte. 
Zijn  groote  tegenstander  Willem  III  heeft  hij  langen  tijd  beschouwd 
als  niets  meer  dan  een  soort  van  rebel,  die  misschien  alleen  uit 
vrees  voor-  gerechte  straf  in  zijn  opstand  bleef  volharden ,  maar 
die  altijd  weer  te  winnen  zou  zijn  zoodra  Lodewijk  hem  in  ge- 
nade wilde  opnemen. 

Dat  diep  gevoel  van  alles  beheerschende  grootheid  werd  in 
den  Franschen  Koning  gevoed  door  de  slaafsche  afhankelijkheid 
van  het  Fransche  volk.  Wanneer  van  het  Fransche  volk  uit  de 
dagen  van  Lodewijk  XIV  gesproken  wordt,  dan  moeten  daar- 
onder alleen  verstaan  worden  de  hoogere  standen,  de  adel,  de 
hooge  krijgsbevelhebbers  en  staatsbeambten,  de  parlementen,  de 
hovelingen  die  zich  in  den  zonneglans  van  het  Koninklijk  gezag 


Digitized  by 


Google 


LODBWUK    XIV.  37 

koesterden;  dat  alleen  maakte  toen  het  Franschevolk  uit;  al  het 
andere  telde  niet  mede;  al  het  andere  bestond  uit  manants  en 
roturiers^  wier  roeening  of  gevoelen  men  nooit  raadpleegde.  Niet 
zeldzaam  was  het  tijdens  Lodewijk's  regeering,  dat  die  burgerstand, 
het  eigenlijke  volk,  gekrenkt  door  onverdiende  minachting  en  zwoe- 
gende onder  onduldbare  lasten,  begon  te  morren,  in  verzet  kwam 
en  tot  openlijken  opstand  oversloeg;  —  maar  dan  werd  die  op- 
stand met  de  meeste  onverbiddelijkheid  te  keer  gegaan,  en  op 
zoo  wreede  wijze  gestraft  als  men  nog  in  onze  eeuw  in  Rusland 
een  opstand  der  lijfeigenen  heeft  onderdrukt,  of  op  Jamaica  een 
opstand  der  negers;  men  leze  in  de  brieven  van  Madame  De 
Sévigné  en  bij  anderen,  hoe  in  die  dagen  in  Bretagne  of  in 
Auvergne  recht  werd  geoefend,  en  hoe  die  geestige  vrouw  met 
de  meeste  onverschilligheid  dé  gruwelijke  wreedheden  vermeldt 
waaraan  zich  toen  landvoogden  en  gerechtshoven  schuldig  maak- 
ten. Galeien,  galg  en  rad  hielden  toen  het  Fransche  volk  nog  in 
toom;  —  een  eeuw  later  zou  de  wraak  van  dat  volk  het  hoofd 
doen  vallen  van  Lodewijk's  onschuldigen  nazaat. 

De  grooten,  de  edelen,  de  aanzienlijken,  zij  die  Lodewijk  om- 
gaven, bogen  zich  voor  hem  als  voor  een  soort  van  Olympischen 
Jupiter,  als  voor  een  hooger  wezen,  in  welks  minste  handelingen 
iets  groots  en  goddelijks  was  gelegen;  de  muitzieke  helden  van 
de  Fronde  waren  de  meest  gedweëe  hovelingen  geworden.  De 
hooge  geestelijkheid  moge  misschien  tegen  den  Koning  een  on- 
afhankelijken  toon  hebben  gebezigd;  toch,  wanneer  Bossuet  in 
zijne  welsprekende  taal  de  waarheid  verkondigde  dat  de  vorsten 
aan  het  Opperwezen  ond'erdanig  zijn,  was  hij  nochtans  vleier  ge- 
noeg om  er  dadelijk  bij  te  voegen,  dat  die  vorsten  ook  alleen 
God  boven  zich  hadden: 

«Celui  qui  règne  dans  les  cieux,  et  de  qui  relèvent  tous 
les  empires,  k  qui  seul  appartient  la  gloire,  la  majesté  et 
rindépendance,  est  aussi  Ie  seul  qui  se  glorifie  de  faire  la 
loi  aux  rois,  et  de  leur  donner,  quand  il  lui  plait,  de 
grandes  et  de  terribles  legons." 

Bossuet.  Oraison  funèbre  de  la  reine  d'  Angleterre. 
De  vleierij  van  Bossuet  en  zijns  gelijken  moge  een  kleed  van 
waardigheid  hebben  aangenomen,  het  was  en  bleef  toch  vleierij ; 
maar  zij  had  niet  dat  kruipende,  dat  zelfverlagende,  dat  de  vleierij 
van  Lodewijk*s  hovelingen  kenmerkte.  Het  is  bij  onze  heden- 
daagsche  begrippen  moeielijk  te  gelooven  of  te  begrijpen,  hoe 
destijds  een  Lodewijk  XIV  als  een  afgodsbeeld  werd  vereerd,  en 
de  minste  zijner  handelingen,  en  het  voldoen  aan  alledaagsche 
'lichamelijke  behoeften,  in  de  oogen  van  zijne  hovelingen  met 
majesteit  was  omgeven.  Men  kan  zich  Napoleon  of  Frederik  II 
desnoods  nog  voorstellen,  op  gemeenzame  wijze  sprekende  of 
schertsende;  bij  Lodewijk  XIV  is  dit  iets  onmogelijks:  men  kan 


Digitized  by 


Google 


38  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

hem  zich  niet  anders  verbeelden  dan  omgeven  met  statigheid, 
met  vorstelijke  waardigheid,  als  een  halfgod,  die  altijd  aangebeden 
wil  zijn,  niet  als  een  Koning,  maar  als  de  Koning,  den  man 
voor  wien  de  wereld  zich  moet  buigen. 

Welk  oordeel  moet  men  vellen  over  Lodewijk  XIV?  —  Lees  zoo 
veel  geschiedschrijvers  als  gij  wilt,  ieder  die  van  hem  gewaagt 
spreekt  verschillend  over  hem.  Voltaire,  in  zijn  » Siècle  de  Louis 
XIV",  geeft  een  zeer  gunstig  beeld ;  —  te  gunstig,  te  gevleid,  te 
eenzijdig.  In  SaintSimon's  gedenkschriften  is  het  beeld  reeds 
somberder  getint,  en  komt  de  onbegrensde  zelfzucht  van  den 
Koning  uit.  Michelet  en  andere  demokratische  schrijvers  van  den 
nieuweren  tijd  schilderen  hem  veel  slechter  af;  bij  sommige 
dier  schrijvers  is  hij  niets  anders  dan  een  gewetenlooze  dwinge- 
land, wiens  naam  aan  verachting  en  verfoeiing  moet  worden 
overgeleverd. 

Wat  is  hiervan  waar?  Misschien  zal  men,  om  Lodewijk  XIV 
te  rechtvaardigen,  aankomen  met  die  bekende  woorden  van 
Madame  De  Staël:  >tout  comprendre,  c'est  tout  pardon- 
ner."  Maar  die  woorden  zijn  eene  machtspreuk,  eene  valsche 
stelling,  meer  niet.  » Alles  begrijpen",  —  o  ja  dat  is  zeer  goed; 
daarnaar  moet  men  streven;  als  men  alles  begrijpt,  dan  kan 
men  alles  verklaren;  maar  daaruit  volgt  geenszins  het  »alles 
vergeven."  Kent  men  de  aanleiding  en  de  oorzaken  van  de 
eene  of  andere  handeling,  dan  kan  men  daardoor  vaak  verzach- 
tende omstandigheden  vinden  voor  die  handeling;  maar  daarom 
nog  geen  rechtvaardiging.  Elke  overtreding  van  de  eeuwige  wetten 
van  recht  en  menschelijkheid  moet  veroordeeld  worden;  men 
mag  nooit  onverschillig  zijn  voor  goed  en  kwaad. 

Lodewijk  was  oprecht  in  het  geloof  aan  zijne  eigene  grootheid; 
dit  verklaart  zeer  veel  bij  hem;  het  kwam  niet  in  hem  op,  er 
aan  te  twijfelen  of  hij  wel  het  recht  had  om  met  de  meeste 
willekeur  over  zijne  onderdanen  te  beschikken,  en  geweld  en 
onderdrukking  ten  aanzien  van  vreemde  vorsten  en  volkeren 
te  baat  te  nemen;  dat  recht  stond  bij  hem  vast.  Wanneer  hij  Genua 
in  brand  liet  schieten,  of  de  Paltz  verwoesten,  of  de  meest  onge- 
rechte oorlogen  aanving,  dan  had  geen  mensch  daarover  iets 
te  zeggen:  hij  wilde  het,  dus  moest  de  wereld  daarmede  genoe- 
gen nemen.  Het  intrekken  van  het  Edikt  van  Nantes,  de  dra- 
gonnades,  de  vervolgingen  tegen  de  Protestanten  —  dat  zijn 
gruwelen  geweest,  die  niemand  mag  verdedigen  of  verontschul- 
digen; bij  een  Filips  II  zouden  die  gruwelen  het  gevolg  zijn  ge- 
weest van  onbegrensden  ijver  voor  een  kerkleer,  van  blinde 
dweepzucht;  die  drijfveeren  mogen  gewerkt  hebben  op  sommige 
raadgevers  van  Lodewijk,  op  hem  zelf  niet:  Lodewijk*  herriep 
het  Edikt  van  Nantes,  eenvoudig  omdat  hij,  in  de  volheid  zijner 
Koninklijke  macht,  geheel  en  al  het  recht  daartoe  meende  te 


Digitized  by 


Google 


LODEWIJK   XIV.  39 

hebben;  en  indien  hij,  ter  wille  van  de  eenheid  van  zijn  rijk, 
bepaalde  dat  al  zijn  onderdanen  een  en  denzelfden  godsdienst 
beleden,  dan  was  dit  bij  hem  een  even  gewone  handeling  als 
de  handeling  van  den  bevelhebber  van  een  regiment  die  wil  dat 
al  zijn  soldaten  op  dezelfde  wijze  gekleed  zullen  zijn. 

Op  die  wijze  kan  men  de  slechte  handelingen  van  Lodewijk  XIV 
begrijpelijk  maken,  door  de  denkwijze  aan  te  geven  die  bij  hem 
heerschende  was;  maar  die  denkwijze  was  te  veroordeelen,  en 
die  handelingen  blijven  misdaden.  Toch  vordert  de  billijkheid,  te 
erkennen,  dat  er  bij  dit  alles  in  Lodewijk  een  gevoel  voor  groot- 
heid was,  dat  een  betere  natuur  kenmerkt.  In  1672,  toen  ons 
land  Onder  water  werd  gezet  om  de  Fransche  tirannie  te  kunnen 
weerstaan,  ontlokt  die  handeling  aan  den  Koning  een  betuiging 
van  bewondering  over  zooveel  heldengeest;  en  toen,  in  de 
laatste  jaren  van  den  Spaanschen  successie-oorlog,  de  hand  van 
het  ongeluk  zwaar  op  hem  drukte  en  de  wapenmacht  zijner 
vijanden  het  uitgeputte  Frankrijk  teisterde,  weigerde  hij  stand- 
vastig en  op  echt-Koninklijke  wijze  om  den  vernederenden  vrede 
aan  te  nemen  dien  men  hem  aanbood.  Hij  was  toen  grooter 
dan  in  de  dagen  van  zijn  roemrijksten  voorspoed. 

Uit  Rousset's  geschiedenis  van  Louvois  kan  men  menig  voor- 
beeld aanhalen  van  de  willekeur  en  het  geweld  waarmede  Lode- 
wijk XIV  ten  aanzien  van  vreemde  volken  en  vorsten  te  werk  ging. 

In  1670  vermeestert  Lodewijk  XIV  Lotharingen,  tegen  alle 
recht  en  billijkheid  in.  Nu  zou  men  zeggen:  dan  heeft  toch  wel 
Lotharingen  het  recht  om  zich  te  verdedigen  tegen  die  gewel- 
denarij, zelfs  zich  te  verdedigen  op  onregelmatige  wijze,  door 
volkswapening  of  andere  middelen  die  tot  de  ongeregelde  wijze 
van  oorlogen  behooren.  Volstrekt  niet;  zelfs  aan  de  geregelde, 
wettig  bestaande  krijgsmacht  van  den  Hertog  van  Lotharingen 
wordt  het  verboden  om  haar  land  te  verdedigen;  en  met  eene 
ongeloofelijke  onbeschaamdheid  wordt  er  gedreigd,  dat  men  die 
verdediging  als  een  zware  misdaad  zal  straffen.  Zie  hier  wat 
Louvois  den  21  September  1670  aan  den  Maarschalk  De  Créqui 
schrijft : 

>  Zijne  Majesteit  heeft  in  overweging  genomen,  dat  de  versterkte 
steden  van  den  Hertog  van  Lotharingen  (de  M.  de  Lorraine) 
slecht  voorzien  zijn,  dat  zij  volstrekt  niet  op  hulp  kunnen  reke- 
nen, en  dat  dus  die  steden  te  verdedigen  eene  vermetelheid  is  die 
een  voorbeeldige  straf  verdient.  Zijne  Majesteit  heeft  daarom  be- 
sloten, dat  al  wat  men  daarin  vindt  aan  ruiters,  soldaten,  militie 
(élus),  en  ingezetenen  van  Lotharingen,  die  aan  de  verdediging 
hebben  deelgenomen,  naar.de  galeien  moet  worden  gezonden, 
wanneer  zij,  veertien  dagen  na  de  overgave,  niet  een  losgeld  heb- 
ben betaald  van  honderd  kronen  per  hoofd.  Wat  den  Franschen 


Digitized  by 


Google 


40  KRIJGS-   EN   GESCHIED ICUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

aangaat,  die  zich  daaronder  bevinden,  die  moeten  worden  opge- 
hangen, alle,  als  er  niet  veel  zijn,  en  anders  van  de  tien  man 
één,  en  de  overigen  naar  de  galeien  worden  gezonden.  En  wat 
den  Lotharingschen  officieren  aangaat  en  den  edellieden,  die  moeten 
in  de  gevangenis  worden  gezet,  en  de  edellieden  op  losgeld 
worden  gesteld,  naarmate  dat  zij  vermogen  hebben  om  te  beta- 
len; doen  zij  dit  niet,  dan  moeten  hunne  huizen  onder  den  voet 
worden  gehaald.  Zijne  Majesteit  wil  dat  van  de  Lotharingsche 
militie  de  huizen  worden  verbrand,  ten  minste  één  in  ieder  dorp, 
en,  opdat  dit  voorbeeld  te  meer  indruk  make,  moet  men 
het  huis  van  den  rijksten  inwoner  van  het  dorp  uitkiezen.  Wat 
den  Franschen  officieren  aangaat  die  men  bij  de  Lotharing- 
sche troepen  vindt,  de  Koning  wil  dat  de  korpskommandant 
worde  opgehangen,  met  al  zijne  officieren,  als  er  niet  meer  dan 
vijf  of  zes  zijn;  zijn  er  meer,  dan  moet  er  van  de  twee  een 
worden  gehangen,  en  de  anderen  naar  de  galeien  gezonden.  Al 
het  voorgaande  moet  met  groote  stiptheid  worden  uitgevoerd." 
(Rousset,  ie  deel  bl.  300 — 301). 

De  schrijver  laat  er  echter  op  volgen: 

«Gelukkig  voor  de  eer  van  Lodewijk  XIV  en  van  Louvois, 
maar  dank  zij  het  krachtige  verzet  van  De  Lionne"  (een  van 
Lodewijk's  bekwaamste  en  beste  staatsdienaars,  kort  daarop  ge- 
storven) » werden  die  verfoeielijke  bevelen,  der  zeventiende  eeuw 
onwaardig,  niet  ten  uitvoer  gebracht;  naar  Louvois'  zeggen  had 
men  ook  geen  voornemen  om  ze  uit  te  voeren;  het  was  eene 
bedreiging,   meer  niet . . . ." 

Aan  dat  laatste  valt  te  twijfelen  wanneer  men  opmerkt  wat 
er  in  1672  gebeurd  is.  —  Voor  het  overige  moet  men  hierbij 
niet  uit  het  oog  verliezen,  dat  Lotharingen  toen  geen  Fransch 
gewest  was,  maar  geheel  op  zichzelf  stond;  de  hertog  van  Lo- 
tharingen was  toen  een  onafhankelijk  vorst.  Toen  Napoleon  in 
1809  dreigde  den  generaal  de  Chasteler,  het  hoofd  van  den  opstand 
in  Tyrol,  te  zullen  laten  fusilleeren,  onder  de  valsche  bewering 
dat  hij  een  Fransch  onderdaan  was,  was  dat  al  erg  genoeg; 
maar  de  handeling  van  Lodewijk  XIV  ten  aanzien  van  de 
Lotharingers  laat  die  gewelddaad  van  Napoleon  verre  achter  zich. 

Denkt  men  soms  dat  de  regeering  van  Lodewijk  XIV  zeer  kiesch 
was  in  de  middelen,  die  zij  ten  nadeele  van  hare  vijanden  aanwendde? 
—  Voor  moord,  zelfs  voor  sluipmoord,  deinsde  zij  niet  terug. 

In  het  begin  van  1674  vergadert  er  een  soort  van  vredes- 
congres te  Keulen.  Een  van  de  handelende  personen  daar  — 
al  was  het  zonder  officieel  karakter  —  was  een  Baron  De  L'Isola, 
een  Edelman  'uit  Franche-Comté,  die  dat  gewest  had  verlaten 
toen  het  door  de  Franschen  werd  veroverd,  en  die  een  hevige 
vijand  was  gebleven   van  Frankrijk  en   van   Lodewijk  XIV.  In 


Digitized  by 


Google 


LODEWIJK   XIV.  41 

het  tweede  deel  van  Rousset's  werk,  bladzijde  3,  komt  het  vol- 
gende voor  over  een  bevel,  door  Louvois  gezonden  aan  D'Estrades, 
toen  gouverneur  van  Maastricht,  dat  het  jaar  te  voren  door  de 
Franschen  genomen  was. 

>Het  is  zeer  waarschijnlijk  —  schreef  hij  hem  den  i6en  Januari 
1674  —  dat  de  Baron  De  L'Isola  spoedig  Luik  zal  verlaten  om 
naar  Keulen  terug  te  keeren.  Het  is  van  veel  belang  om  zich 
meester  te  maken  van  zijn  persoon,  en  zelfs  is  er  niet  veel  aan 
verbeurd  om  hem  te  dooden,  als  hij  of  de  zijnen  weerstand 
bieden;  want  het  is  in  zijn  spreken  een  onbeschaamd  wezen, 
dat  al  zijne  bekwaamheid,  waarvan  hij  niet  misdeeld  is,  aanwendt 
met  een  rustelooze  woede  ten  nadeele  van  Frankrijk 's  belangen. 
Gij  kunt  u  niet  voorstellen  hoeveel  gij  zijn  Majesteit  welgevallig 
.  zoudt  zijn  {combien  vous  feriez  votre  cour  ^  Sa  Majesté)  als  gij 
dien  aanslag  kondt  uitvoeren  bij  Llsola's  terugreis."  —  Rousset 
voegt  er  bij:  » gelukkig  bespaarde  Llsola's  voorzichtigheid  die 
misdaad   aan   Louvois,  aan  Lodewijk  XIV  en  aan  Frankrijk...," 

Maar,  zal  men  zeggen,  dit  is  bij  een  voornemen  gebleven,  het 
is  tot  geen  begin  van  uitvoering  gekomen;  en  bovendien  was 
het  vermoorden  van  L'  Isola  maar  iets  voorwaardelijks,  het  werd 
niet  gebiedend  voorgeschreven;  alleen  werd  D' Estrades  tot  dien 
moord  aangezocht:  hij  zou  daardoor  «Zijne  Majesteit  welge- 
vallig" zijn.  Gewelddadige  handelingen  lagen  ook  in  den  geest 
van  dien  tijd.  Zoo  wordt  op  datzelfde  Congres  van  Keulen  een 
der  onderhandelaars,  vorst  Wilhelm  von  Fiirstenberg,  een  aan 
Frankrijk  verkochte  Duitscher,  door  keizerlijke  officieren  opge- 
licht en  naar  Weenen  vervoerd.  Het  Congres  gaat  daarop  uiteen. 

Ziedaar  wat  men  misschien  kan  aanvoeren  ter  verontschuldi- 
ging van  dien  aanslag  tegen  L' Isola;  maar  ziehier  erger. 

In  1692,  tijdens  den  veldtocht  in  de  Zuidelijke  Nederlanden, 
was  het  niet  alleen  op  het  slagveld  van  Steenkerke  dat  het  leven 
van  Willem  III  gevaar  liep;  het  werd  ook  bedreigd  door  sluip- 
moordenaars. Een  Fransch  kolonel  van  de  dragonders,  nog  wel 
een  edelman  —  zijn  naam  was  Grandval  — ,  een  Antoine  Dumont, 
en  anderen^  hadden  reeds  geruimen  tijd  het  voornemen  gekoes- 
terd om  Willem  III  te  vermoorden,  hetzij  op  eene  der  jachtpar- 
tijen op  het  Loo,  hetzij  in  eene  der  legerplaatsen  in  Braband.  De 
moordenaars  stelden  zich  in  verstandhouding  met  Louvois,  en 
na  diens  dood  met  zijn  zoon  en  opvolger  Barbésieux;  zij  ont- 
vingen van  dezen  aanmoediging  en  ondersteuning,  ook  van  het  hof, 
van  Madame  De  Maintenon  en  van  den  verdreven  Engelschen 
Koning  Jakobus;  Luxembourg,  die  toen  het  Fransche  leger  aan- 
voerde in  de  Zuidelijke  Nederlanden,  ontving  bevel  om  de  schel- 
men bij  hun  aanslag  behulpzaam  te  zijn  door  eene  afdeeling 
ruiterij  uit  te  zenden  tot  bescherming  van  hunne  vlucht,  zoodra 


Digitized  by 


Google 


42  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

zij  Koning  Willem  in  zijn  legerkamp  vermoord  zouden  hebben; 
—  in  één  woord,  men  kan  gerust  zeggen  dat  de  Fransche  regeering 
medeplichtig  was  aan  het  feit.  De  aanslag  werd  verijdeld,  door- 
dien Dumont,  tot  inkeer  gekomen,  den  toeleg  openbaarde;  Grand- 
val,  gevat  en  door  een  krijgsraad  gevonnist,  werd  den  i3en  Augustus 
1692  gehangen  en  gevierendeeld;  en  het  vonnis,  door  dien  krijgs- 
raad uitgesproken,  werd  openbaar  gemaakt  en  heeft  van  Fran- 
sche zijde  nooit  tegenspraak  ondervonden.  Men  kan  dus  de 
medeplichtigheid  van  Lodewijk*s  regeering  aan  die  misdaad  als 
bewezen  aannemen.  —  De  bijzonderheden  omtrent  dien  aanslag 
van  Grandval  vindt  men  bij  verschillende  schrijvers  van  dien 
tijd;  ook  in  Wagenaar,  zestiende  deel. 

Lodewijk  XIV  rekende  zich  tot  alles  gerechtigd  ten  aanzien 
van  de  andere  mogendheden;  en  hij  handelde  alsof  die  mogend- 
heden geheel  en  al  van  hem  afhankelijk  waren,  en  hij  op  hun 
grondgebied  even  ongehinderd  justitie  en  politie  mocht  oefenen 
als  in  zijn  eigen  land.  Een  Franschman,  zich  noemende  graaf  van 
Serdan,  of  van  Saint  Paul,  was  in  1681  sedert  eenige  jaren  te 
Amsterdam  gevestigd  en  had  daar  zelfs  het  burgerrecht  verkre- 
gen ;  hij  werd  aan  het  Fransche  hof  —  terecht  of  ten  onrechte  — 
van  zware  misdaden  beschuldigd;  en  niets  was  dus  natuurlijker 
geweest  dan  dat  men  aan  de  Staten  zijn  uitlevering  had  gevraagd ; 
misschien  had  men  die  uitlevering  verkregen;  want  in  dat  op- 
zicht waren  de  regeerders  van  de  Republiek  veel  te  toegevend, 
toegevend  tot  zwakheid  en  oneer  toe:  getuige  zoo  menig  feit<, 
van  de  uitlevering  van  de  rechters  van  Karel  I  in  de  dagen  van 
De  Witt  tot  aan  de  uitlevering  van  Mirabeau  en  van  zijne  min- 
nares in  het  laatst  der  vorige  eeuw  door  de  stad  Amsterdam. 
Maar  Lodewijk  XIV  achtte  het  zelfs  beneden  zich  om  die  uit- 
levering te  vragen:  hij  zond,  doodeenvoudig,  een  officier  met 
negen  dragonders  uit  Iperen  —  toen  een  Fransche  vesting  — 
naar  Holland,  om  daar  dien  graaf  De  Serdan  op  te  lichten  en 
naar  Frankrijk  weg  te  voeren. 

Ditmaal  echter  ging  de  vlieger  niet  op.  De  Staten,  onderricht 
van  den  toeleg,  lieten  dien  officier  en  zijn  dragonders  vatten, 
toen  zij  in  het  begin  van  December  1681  te  Rotterdam  kwamen 
en  in  Den  Haag  voor  het  hof  van  Holland  terechtstellen. 
D'Avaux,  de  Fransche  gezant,  bewoog  hemel  en  aarde  om  de 
rechtspleging  te  doen  staken,  en  den  officier  en  zijne  dragonders  te 
doen  ontslaan ;  maar  ditmaal  bleven  de  Staten  standvastig  hun  recht 
handhaven.  Het  Hof  van  Holland  sprak  een  vonnis  uit,  waarbij 
de  officier  veroordeeld  werd  om  onthoofd  te  worden,  en  de  dra- 
gonders om  tien  jaar  in  een  » rasphuis"  door  te  brengen."  Men 
had  alles  gereed  gemaakt  om  dit  vonnis  uit  te  voeren.  Op  de 
strafplaats  stond  reeds  eene  kist,  met  zwart  laken  bekleed,  voor 
den  luitenant.  Doch  kort  nadat  de  veroordeelden  hunne  sententie 


Digitized  by 


Google 


LODEWUK   XIV.  43 

hadden  hooren  lezen,  werd  hun  allen  uit  naam  der  hooge  over- 
heid vergiffenis  aangekondigd"  (Wagenaar).  Billijk  ook;  want  de 
arme  drommels,  die  niets  deden  dan  gehoorzamen  aan  de  ont- 
vangen bevelen,  hadden  toch  eigenlijk  geen  schuld ;  de  schuldige 
was  Lodewijk  XIV;  en  hem  gold  de  oneer  van  dit  vonnis. 

Uit  de  briefwisseling,  toen  door  Willem  III  gevoerd  met  zijn 
schoonvader,  den  Hertog  van  York,  —  later  Koning  Jakobus  II  — 
blijkt,  dat  deze  van  meening  was,  dat  het  eigenlijke  doel  van  de 
afzending  dier  Fransche  dragonders  was  het  oplichten  van  den 
Stadhouder  zelven.  Voor  die  meening  schijnt  echter  geen  grond 
te  bestaan. 

Dit  is  niet  de  eenige  keer  geweest  dat  Lodewijk  XIV  zijne 
vijanden  of  de  menschen  die  zijn  misnoegen  hadden  opgewekt, 
op  vreemd  grondgebied  wilde  doen  oplichten;  dit  was  bij  hem 
geene  ongewone  handeling;  en  Napoleon,  toen  hij  door  zijne 
handlangers  den  ongelukkigen  Hertog  van  Enghien  op  Baden- 
schen  grond  deed  vatten,  kon  zichmethet  voorbeeld  van  t/^^r^i?^ 
RoP*  verontschuldigen;  —  indien  het  ooit  verontschuldiging  kan 
zijn  voor  eene  misdaad,  dat  zij  vroeger  reeds  is  gepleegd. 

Omstreeks  1679  is  Lodewijk  XIV  in  onderhandeling  met  den 
Hertog  van  Mantua  over  het  afstaan  van  de  vesting  CasaI  aan 
Frankrijk.  Die  onderhandeling  vlot  aanvankelijk  niet ;  en  weldra 
ontdekt  de  Fransche  regeering  dat  Mattioli,  de  eerste  Minister  van 
den  Hertog  van  Mantua,  hierbij  op  eene  slinksche,  oneerlijke 
wijze  te  werk  ging.  Lodewijk,  verbitterd  over  dat  bedrog,  wil 
dien  hoon  ten  strengste  straffen.  Maar  Mattioli  is  geen  Franschman ; 
Mattioli  is  zijn  onderdaan  niet,  maar  de  Staatsdienaar  van  een 
vreemd  en  onafhankelijk  vorst;  —  dat  doet  er  niets  toe:  Mattioli 
heeft  den  Koning  van  Frankrijk  beleedigd,  en  de  Koning  van 
Frankrijk  wreekt  zich  zonder  tusschenkomst  van  anderen.  De  Ita- 
liaansche  minister,  zich  te  Turijn  bevindende,  wordt  onder  een 
schooDschijnend  voorwendsel  buiten  die  stad  gelokt ;  en  —  toch 
altijd  op  Italiaansch  grondgebied  —  gevat  en  naar  Frankrijk  ge- 
bracht door  eenige  ruiters,  aangevoerd  door  Catmat,  die  hier  de 
weinig  vereerende  rol  van  gerechtsdienaar  op  zich  nam.  Die  aan- 
slag had  plaats  zonder  dat  iemand  er  zich  meê  moeide,  of  er  tegen 
opkwam;  het  gebeurde  bleef  in  duisternis  en  geheimzinnigheid 
gewikkeld;  en  de  ongelukkige  Mattioli,  naar  de  vesting  Pignerol 
vervoerd,  bracht  zijne  overige  levensjaren  in  een  Fransche  Staats- 
gevangenis door.  —  Naar  Rousset's  meening  zou  ide  man  met 
het  ijzeren  masker"  niemand  anders  zijn  geweest  dan  Mattioli ;  die 
meening  komt  echter  weinig  overeen  met  wat  in  Voltaire  over 
dat  raadselachtig  wezen  voorkomt,  waar  men  vermeld  vindt  dat 
zelfe  Louvois,  de  alvermogende  Minister,  altijd  diepen  eerbied 
voor  den  gevangene  betoonde,  en  hem  altijd  aansprak  in  staande 


Digitized  by 


Google 


44  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

houding.  Het  is  weinig  waarschijnlijk  dat  Louvois  zooveel  vor- 
men zou  in  acht  genomen  hebben  ten  aanzien  van  den  gevallen 
minister  van  een  klein,  onbeteekenend  Italiaansch  vorst. 

Nog  een  ander  voorbeeld  van  het  weinige  ontzag  dat  Lodewijk  XIV 
had  voor  het  volkenrecht  en  voor  de  gezanten  van  vreemde 
mogendheden,  blijkt  uit  het  gebeurde  met  Heinsius,  die  later 
als  Raadpensionaris  een  zoo  groote  rol  heeft  vervuld  en  tijdens 
den  Spaanschen  Successie-oorlog  met  Marlborough  en  Prins 
Eugenius  het  lot  van  Europa  in  handen  hield.  In  het  derde  deel 
van  Rousset*s  werk,  bladzijde  211,  zegt  die  schrijver,  na  vermeld 
te  hebben  dat  in  1680  het  Prinsdom  Oranje  tegen  alle  recht  in 
bezit  was  genomen  door  Lodewijk  XIV: 

>Toen  de  verontwaardigde  Willem  III  zijn  vriend  Heinsius 
naar  Parijs  zond,  niet  om  een  gunst  te  vragen  maar  recht,  werd 
dat  recht  hem  geweigerd;  zelfs  vindt  men  in  de  gedenkschriften 
van  Torcy,  dat,  na  een  levendigen  woordentwist,  Louvois  den 
gezant  van  den  Prins  van  Oranje  dreigde,  hem  in  de  Bastille 
te  laten  zetten.  Toen  Heinsius,  twintig  jaar  later,  de  erfgenaam 
was  geworden  van  de  macht  en  de  vijandige  gezindheid  van 
Willem  den  Derde:  toen  hij  HoUand's  hoogste  Staatsdienaar  was 
en  het  hoofd  van  »de  groote  alliantie",  wreekte  hij  dien  hoon 
op  geduchte  wijze,  niet  op  Louvois,  die  reeds  gestorven  was, 
maar  op  Lodewijk  XIV  en  op  Frankrijk." 

Als  het  waar  is  wat  De  Torcy  hier  vermeldt,  dan  wordt  hierdoor 
verklaard  de  onverbiddelijke  trotschheid  waarmede  Heinsius,  tijdens 
den  Spaanschen  Successie-oorlog,  weigerde  met  Frankrijk  vrede 
te  sluiten,  anders  dan  op  voorwaarden  zóó  vernederend  dat  zij 
daardoor  onaannemelijk  waren.  Te  verontschuldigen  is  daarmede 
die  handeling  van  Heinsius  evenwel  niet,  die  onze  Republiek 
toen  groot  nadeel  heeft  berokkend. 

Onwaarschijnlijk  is  het  niet,  dat  de  Fransche  regeering  toen 
op  zoo  beleedigende  wijze  is  te  werk  gegaan  ten  aanzien  van  den 
gezant  eener  vreemde  mogendheid;  de  vreemde  vorsten  zelven 
werden  door  Lodewijk  even  weinig  ontzien;  hij  ging  openlijk 
te  werk,  alsof  zij  zijne  minderen,  zijne  ondergeschikten  waren; 
hij  sprak  tot  hen  als  gebieder,  evenals  Napoleon  na  Jena  tegen 
de  Duitsche  vorsten  sprak.  Overal  was,  in  den  bloeitijd  van 
Lodewijk's  regeering,  zijne  macht  overwegend.  In  Duitschland  had 
de  Fransche  Koning  overal  vorsten  bezoldigd  en  hooge  staats- 
beambten  omgekocht;  de  keurvorst  van  Brandenburg  —  hij,  die 
in  de  geschiedenis  onder  den  naam  van  »de  groote  Keurvorst" 
voorkomt  —  trok  herhaaldelijk  Fransch  geld  en  schreef  dan 
ook  soms  op  den  onderdan igsten  toon  aan  Lodewijk ;  en  Leopold^ 
de    Duitsche   Keizer,    had    nu    eens   de    Fransche    wapenmacht 


Digitized  by 


Google 


LODEWUK   XIV.  45 

noodig  om  de  Turken  te  wederstaan,  en  dan  weer  vreesde  hij 
dat  Frankrijk's  ongenoegen  hem  de  Turken  en  de  opstandelingen 
van  Hongarije  op  den  hals  zoude  halen.  Ook  in  Zwitserland  deed 
zich  de  Fransche  invloed  gelden-,  met  de  Noordsche  mogend- 
heden, Denemarken,  Zweden  en  Polen,  was  het  niet  beter  gesteld. 
Rusland  telde  toen  nog  niet  mee.  De  twee  laatste  vorsten  uit 
het  geslacht  der  Stuarts,  Karel  II  en  Jacobus  II,  de  ellendigste 
Koningen  die  Engeland  ooit  heeft  gehad,  stonden  in  Fransche 
soldij;  en  de  schaamteloosheid  van  die  Koningen  werd  alleen 
geëvenaard  door  de  schaamteloosheid  van  de  hoofden  der  oppo- 
sitie in  het  Engelsche  Parlement,  die  ook  door  Lodewijk  werden 
betaald,  ten  einde  hen,  zoo  noodig,  tegen  hun  Koning  te  doen 
handelen.  De  Spaansche  monarchie  behoefde -evenmin  te  worden 
ontzien;  het  was  een  geheel  uitgeput  lichaam:  trots  en  onmacht. 
In  Italië  werd  zelfs  de  Paus  niet  ontzien,  en  moest  deze  de  ergernis 
dulden  dat  de  Fransche  gezant  met  eenige  honderden  gewa- 
penden  in  Rome  optrad,  om  in  het  stadsgedeelte  dat  hij  be- 
woonde als  meester  te  gebieden;  en  de  jonge  Hertog  van 
Savoye  werd  als  een  kind  geringeloord,  wanneer  hij  het  maar 
waagde  om  zonder  Lodewijk's  toestemming  een  kort  uitstapje 
naar  Venetië  te  maken  en  daar  de  genoegens  van  het  karnaval 
bij  te  wonen. 

Is  het  wonder  dat,  bij  zulk  eene  gesteldheid  van  de  toenma- 
lige hoven  van  Europa,  bij  zoo  onbeduidende  vorsten  en  hooge 
staatsbeambten  Lodewijk  XIV  zich  gerechtigd  achtte  om  overal 
als  meester  te  spreken ;  en  is  het  wonder  dat  hij  zich  verbaasde, 
dat  Willem  de  Derde  niet  naar  zijn  gunst  dong,  en  het  niet  als 
een  groote  eer  beschouwde,  toen  Lodewijk  hem  een  zijner  onechte 
dochters  tot  vrouw  aanbood! 

Een  enkel  staaltje,  een  onbeduidend  iets  als  men  wil,  zal  het 
duidelijk  maken,  op  welk  een  minachtende  en  despotische  wijze 
Lodewijk  XIV  toen,  ook  ten  aanzien  der  vorsten,  te  werk  ging. 

In  1684  reist  een  hertog  van  Mecklenburg  naar  Frankrijk, 
zonder  eenig  staatkundig  doel,  enkel  voor  zijn  genoegen,  enkel 
om  zich  te  vermaken.  Ongelukkig  voor  dien  Duitschen  vorst  was 
hij  toen  in  geldelijke  moeilijkheden  gewikkeld  met  Denemarken, 
dat  zich  over  hem  bij  Lodewijk  beklaagde.  Lodewijk  trekt  partij 
voor  Denemarken,  en  matigt  zich  het  recht  aan  om  den  slech- 
ten betaler  te  straffen.  Zoodra  de  Hertog  in  Frankrijk  komt, 
wordt  hij  zonder  de  minste  plichtplegingen  opgepakt,  naar  het 
kasteel  van  Vincennes  gebracht,  en  daar  drie  maanden  lang  ach- 
ter slot  en  grendel  gehouden.  De  zaak  had  verder  geen  ge- 
volgen: niemand  verhief  zich  tegen  die  handeling,  die  men  als 
zeer  gewoon  en  zeer  geoorloofd  scheen  te  beschouwen. 


Digitized  by 


Google 


46  KRIJGS-   £N  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Groote  veldheeren  heeft  Lodewijk  XIV  om  zich  heen  gehad; 
ook  bekwame,  uitstekende  staatsmannen.  De  twee  grootste  van  die 
staatsmannen  waren  Colbert  en  Louvois;  zij  zijn  eigenlijk  de  twee 
grootviziers  geweest  van  den  Franschen  Sultan. 

Van  die  twee  is  Colbert  de  beste  geweest;  —  misschien  was 
het  juister  om  te  zeggen:  de  minst  slechte.  Colbert  heeft,  onte- 
genzeggelijk, veel  goeds  gesticht;  voor  landbouw,  handel,  nijver- 
heid, zeevaart,  het  scheppen  van  eene  oorlogsvloot  heeft  Colbert 
zeer  veel  gedaan,  't  Is  waar,  niet  alles  wat  hij  deed  was  ver- 
standig en  goed;  hij  deelde  in  de  dwalingen  en  vooroordeelen 
van  zijn  tijd;  een  genie  als  Jan  de  Witt  kon  de  beginselen  van 
vrijen  handel  in  zich  opnemen;  voor  Colbert  gingen  die  te  ver; 
hij  bleef  hechten  aan  het  stelsel  van  beschermende  rechten,  van 
afsluiting,  van  kunstmatige  nijverheid,  hij  was  te  veel  voorstander 
van  dwang  en  gezag;  hij  was  te  veel  van  zijne  eeuw.  Maar  men 
moet  iemand  beoordeelen,  ook  naar  de  meeningen  die  in  zijn 
tijd  de  heerschende  zijn ;  en  doet  men  dat,  dan  zal  men  Colbert's 
uitstekendheid  als  landsbestuurder  huldigen;  in  vele  opzichten 
moet  Frankrijk  hem  erkentelijk  zijn. 

Colbert,  hoe  uitstekend  ook  als  staatsman,  was  toch  geen  onaf- 
hankelijk karakter  en  moest  altijd  een  onderdanig  hoveling  van 
den  Koning  blijven ;  er  zijn  toestanden  die  iemand  noodwendig  in 
waarde  doen  verminderen;  men  kon  geen  minister  van  Lodewijk 
XIV  blijven,  zonder  tevens  zijn  vleier  te  zijn.  Men  moet  zich 
dus  niet  verwonderen,  dat  de  taal  van  den  minister  tegen  den 
Koning  soms  zoo  kruipend  is,  dat  zij  weerzin  inboezemt.  Zelfs  be- 
wees Colbert  zijn  meester  soms  diensten,  die  geen  man  van  eer  moet 
bewijzen.  Eene  van  de  bijzitten  des  Konings,  de  markiezin  De 
Montespan,  had  een  man  die  niet  al  te  geduldig  was  uitgevallen; 
zich  met  een  zweep  wapenende,  kwam  hij  eens  bij  zijne  vrouw, 
en  kastijdde  haar  op  ongemanierde  wijze.  Natuurlijk  dat  dit  de 
trotsche  markiezin  niet  beviel;  evenmin  beviel  dit  haren  konink- 
lijken minnaar;  die  lastige  echtgenoot  moest  dus  verwijderd 
worden.  Colbert  werd  daartoe  aangezocht,  en  Colbert  voldeed 
hieraan  zonder  eenige  zwarigheid  te  maken.  Dat  deed  de  hoogst 
geplaatste  staatsdienaar  in  Frankrijk,  de  man  van  rusteloozen 
ijver,  van  groote  bekwaamheid,  van  genie;  —  zou  men,  in  onze 
dagen,  zoo  iets  voor  mogelijk  achten? 

Colbert  had  de  hooge  betrekking,  die  hij  vervulde,  ook  juist 
niet  op  zeer  lofwaardige  wijze  verkregen:  zijne  verhef&ng  was 
de  vrucht  geweest  van  kuiperijen,  van  handelingen  die  het  dag- 
licht niet  mogen  zien.  In  de  eerste  jaren  van  Lodewijk's  regeering 
was  Fouquet  de  alvermogende  minister;  het  zou  geheel  in  strijd 
zijn  met  de  waarheid,  het  bestuur  van  dien  man  goed  te  noemen ; 
integendeel,  het  is  zoo  goed  als  bewezen,  dat  hij  zich  met  mil- 
lioenen  verrijkt  had  ten  koste  van  het  land ;  maar,  had  Frankrijk 


Digitized  by 


Google 


COLBERT.  47 

toen  veel  eerlijke  landbestuurders  ?  Het  is  ook  niet  door  zijn 
oneerlijkheid  dat  Fouquet  is  gevallen;  hij  is  gevallen  omdat  hij 
te  groote  macht  had,  omdat  dit  den  Koning  wantrouwen  inboe- 
zemde, omdat  die  Koning  zich  gekrenkt  achtte  door  de  grootsche 
weelde  die  een  onderdaan  ten  toon  spreidde,  en  eindelijk,  omdat 
die  onderdaan  wel  eens  de  stoutheid  had  om  als  medeminnaar 
van  zijn  Koning  op  te  treden;  —  want  vooral  in  dit  tijdvak 
van  de  Fransche  geschiedenis  valt  overal  de  invloed  der  vrouwen 
op  te  merken. 

Twee  mannen,  door  haat  en  eerzucht  geprikkeld,  waren  de 
voornaamste  oorzaken  van  Fouquet's  ondergang ;  het  waren  Colbert 
en  Letellier,  de  vader  van  Louvois.  Het  kostte  hun  weinig  moeite 
om  Lodewijk  XIV  voor  zich  te  winnen;  en  er  had  als  het 
ware  eene  langzame  en  zeer  geheime  samenzwering  plaats  tegen 
den  machtigen  Minister;  het  schijnt  dat  Lodewijk  toen  nog 
te  weinig  verzekerd  was  van  zijne  onbeperkte  macht  om  open- 
lijk en  rechtstreeks  zijn  hoogen  staatsdienaar  te  doen  terecht- 
stellen.  Zóó  ver  zelfs  dreef  de  Koning  de  veinzerij  dat,  toen  het 
reeds  bij  hem  vaststond  dat  Fouquet  moest  vallen,  hij  nog  deel 
nam  aan  de  luisterrijke  feesten,  door  dien  Minister  op  zijn  kas- 
teel van  Vaux  gegeven ;  een  tooneelstuk  van  Molière,  Les  fdcheux^ 
werd  hier  voor  de  eerste  maal  gespeeld.  Kort  daarop  werd 
Fouquet  in  hechtenis  genomen,  en,  na  een  rechtsgeding  dat  jaren 
duurde  en  waarbij  hij  ternauwernood  een  doodvonnis  ontkwam, 
lot  levenslange  gevangenisstraf  veroordeeld.  Of  de  ongelukkige 
in  den  kerker  is  gestorven,  of  in  het  allerlaatste  van  zijn  leven 
nog  in  vrijheid  is  gesteld,  —  daarover  loopen  de  berichten  uiteen ; 
men  weet  niet  eens  hoe  de  man  is  gestorven,  die  lange  jaren 
een  geheel  rijk  zijn  gezag  deed  ontzien. 

Dat  Fouquet  bij  al  zijn  gebreken  ook  goede  en  schitterende 
hoedanigheden  had,  blijkt  uit  het  groot  aantal  vrienden  die  hij 
zich  had  weten  te  verwerven,  en  waarvan  de  edelsten  hem  trouw 
bleven,  ook  na  zijn  val  —  Madame  De  Sévigné  behoort  daar- 
onder. Colbert,  die,  uit  zucht  om  zich  te  verheffen  en  uit  haat, 
op  de  meest  arglistige  wijze  gewerkt  had  aan  den  val  van  den 
minister  die  hem  in  den  weg  stond,  werd  daardoor  het  voorwerp 
van  de  rechtmatige  vijandschap  van  Fouquet's  vrienden ;  een  hun- 
ner, Hénault,  maakte  toen  het  navolgende  klinkdicht  tegen  Colbert : 

,.Ministre  avare  et  Ifiche^  esclave  malheureux, 
Qui  gemis  sous  Ie  poids  des  affaires  publiques; 
Victiine  dévouée  aux  chagrios  politiques, 
Fantómc  révéré  sous  un  tilre  ooéreux; 

Vois  combien  des  grandeurs  Ie  comble  est  dangereux ; 
Contcmple  de  Fouquet  les  funestes  reliques; 
Et,  taodis  qu*  \  sa  pene  en  secret  tu  t*appliques, 
Crains  qu*oD  ne  te  préparé  un  destin  plus  affreux. 


Digitized  by 


Google 


48  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESC  HOU  V/ING  EN. 

Sa  chüte  quclque  jour  te  peut  être  commune. 
Crains  ton  poste,  tou  rang,  la  cour  et  la  fortune; 
Nul  ne  tombe  innocent  d'oü  l'on    te  voit  monté. 

Cesse  donc  d'aoimer  ton  prince  a  soa  supplice; 
Et,  prés  d'avoir  besoin  de  toute  sa  bonté, 
Ne  Ie  fais  pas  user  de  toute  sa  juslice.'* 

Dat  is  krachtige  poëzie ;  —  bij  al  de  slaafschheid  van  het  Frank- 
rijk van  die  dagen  waren  er  toch  enkelen  die  een  stoute  taal 
durfden  voeren. 


Na  die  schets  die  wij  hier  van  Colbert  geven,  en  na  ge- 
zegd te  hebben  dat  hij  >de  minst  slechte"  was  van  de  twee 
groote  ministers  van  Lodewijk  XIV,  is  het  zeer  duidelijk  dat  wij 
Louvois  niet  zullen  afschilderen  als  een  heilige :  hij  is,  in  ons  oog, 
een  man  zonder  menschelijk  gevoel,  een  gewetenlooze  wreedaard, 
die  zich  om  goddelijke  noch  menschelijke  wetten  bekreunde.  Wij 
haten  hem ;  —  en  juist  daarom  zullen  wij  trachten  al  het  goede 
op  te  sommen,  dat  met  mogelijkheid  van  hem  kan  gezegd  worden. 

Oneerlijk  was  hij  niet;  —  hij  verwaarloosde  wel  zijne  eigene 
belangen  niet,  hij  verarmde  niet  in  zijn  hooge  staatsbetrekking; 
maar,  in  vergelijking  met  zijne  tijdgcnooten,  moet  men  hem  eer- 
lijk noemen,  en  niet  bezeten  door  den  geldduivel. 

Zijne  zedelijkheid  gaf  ook  weinig  stof  lot  aanmerkingen.  Hoe- 
wel getrouwd  en  vader  van  een  vrij  talrijk  gezin,  had  hij  wel 
eens  maitressen;  een  enkele  keer  was  hij  de  minnaar  van  een 
getrouwde  vrouw,  wier  man,  een  geheel  onbeduidend  wezen,  dan 
ook  zijn  vriend  werd  en  door  hem  met  ambten  werd  bevoor- 
recht; —  de  gewone  laagheden  waartoe  men  veelal  gedwongen 
wordt  bij  de  overtreding  van  het  gebod:  >gij  zult  niet  begeeren 
uws  naasten  huisvrouw".  Maar,  neemt  men  in  aanmerking  de 
zeden  van  dien  tijd,  en  de  omstandigheid  dat  mevrouw  Louvois 
ons  wordt  afgeschilderd  als  een  dom  en  onbehagelijk  schepsel, 
dan  zou  het  onbillijk  zijn  of  puriteinsche  overdrijving  verraden, 
wanneer  men  Louvois  wilde  hard  vallen  en  veroordeelen  om  zijne 
minnarijen,  —  trouwens  weinig  in  getal. 

Een  zwak  of  toegevend  vader  was  hij  ook  niet.  Integendeel, 
hij  betoonde  harde,  onverbiddelijke  strengheid  ten  aanzien  van 
zijne  zonen,  als  zij  van  hun  plicht  afweken.  Dezelfde  ijzeren  hand 
waarmede  hij  het  roer  van  den  Staat  vasthield,  deed  zich  ook 
gelden  bij  de  regeling  van  zijne  huiselijke  zaken. 

Als  minister  waakte  hij  ijverig,  krachtig  en  onvermoeid  voor 
de  belangen  van  zijn  Koning;  hij  kende  rust  noch  duur  waar 
het  die  belangen  gold;  hij  offerde  alles  daarvoor  op,  zijn  tijd, 
zijne  krachten  van  geest  en  lichaam,  —  maar  men  moet  er  bij 
voegen :  ook  zijn  eer  en  geweten. 


Digitized  by 


Google 


LOUVOIS.  49 

De  werking  van  Louvois  heeft  zich  voornamelijk  doen  gevoelen 
in  krijgszaken ;  daarin  schitterde  hij ;  in  andere  zaken  niet.  Onder 
andere  van  staathuishoudkunde  had  hij  even  weinig  begrip  als 
een  Torksche  Pacha  dit  kan  hebben.  In  ik  weet  niet  meer  welke 
gamizoensplaats  was  de  huishuur  te  hoog  geworden.  Om  dit  te 
keer  te  gaan,  gelastte  Louvois  eenvoudig,  dat,  als  dit  niet  ophield, 
de  verhuurders  met  inkwartiering  gestraft  en  in  de  gevangenis 
moesten  worden  gezet.  —  Ook  met  de  schoone  kunsten  moest 
men  bij  hem  niet  aankomen:  als  hij  een  enkele  keer  daarmee  te 
doen  had,  bleek  het  spoedig,  hoe  weinig  hij  daarin  te  huis  was. 
Voor  het  een  of  ander  museum  of  tot  versiering  van  het  een  of 
ander  landsgebouw  moesten  er  eens  marmeren  beelden  in  Italië 
worden  gekocht.  Louvois  gelastte,  dat  die  beelden  niet  naakt 
mochten  zijn,  maar  gedrapeerd.  Deed  hij  dit  uit  gevoel  van 
betamelijkheid  of  op  esthetische  gronden  ?  —  Och  neen,  volstrekt 
niet:  hij  deed  dit,  omdat  de  gedrapeerde  beelden  voor  minder 
geld  waren  te  verkrijgen  dan  de  naakte.  Zuinigheid  in  het  be- 
heer van  's  lands  gelden,  is  altijd  een  karaktertrek  van  Louvois 
geweest,  een  zeer  loffelijke  karaktertrek. 

Als  oorlogsminister  is  Louvois  groot  geweest;  aan  hem  is  het 
uitmuntende  te  danken  van  de  Fransche  legers  van  dien  tijd; 
die  legers  zijn  zijne  schepping;  en  vele  van  de  krijgsinstellingen, 
door  hem  in  het  leven  geroepen,  verdienen  hoogen  lof.  Hij  had 
het  genie  om  te  organiseeren  zeker  in  even  hooge  mate  als 
later  Carnot  of  Scharnhorst.  Hij  bracht  orde  en  regelmaat  bij 
de  Fransche  legers,  de  soldaat  werd  behoorlijk  gekleed  en  ge- 
voed en  betaald ;  de  schandelijke  bedriegerijen  van  vroeger  hielden 
grootendeels  op;  en  zij  die  zich  daaraan  schuldig  maakten, 
hadden  geldboeten,  gevangenis,  cassatie  te  wachten;  de  onver- 
biddelijkheid waarmede  Louvois  hierin  te  werk  ging,  had  tenge- 
volge dat  de  ^ passevolanten*^  en  -htnortepaaierC^  in  het  Fransche 
leger  bijna  geheel  verdwenen.  De  wapening  der  soldaten  werd 
verbeterd,  de  magazijnen  en  tuighuizen  van  alles  rijkelijk  voor- 
zien, het  leger  aanmerkelijk  uitgebreid,  en  tal  van  steden  opnieuw 
of  beter  versterkt.  Oefening  en  krijgstucht,  —  die  twee  hoofd- 
zaken bij  elk  leger  —  werden  door  Louvois  onverpoosd  behar- 
tigd; en,  zonder  op  vroegere  gebruiken  te  letten  die  bijna  rech- 
ten waren  geworden,  regelde  Louvois  de  dienstverrichtingen  en 
de  bevorderingen  volgens  andere  regelen,  die  den  Koning  en  zijn 
minister  veel  meer  vrijheid  van  handelen  gaven,  en  juist  daardoor 
de  afkeuring  verwekten  van  Saint-Simon,  naijverig  op  de  oude 
voorrechten  van  den  adel. 

Wij  zouden  te  uitvoerig  worden,  wilden  wij  lang  en  breed  al 
het  goede  opnoemen  dat  Louvois  voor  het  Fransche  krijgswezen 
heeft  gedaan;  trouwens,  dit  is  ook  genoeg  bekend  en  erkend. 

WILLEM  in.  —  I.  4 


Digitized  by 


Google 


50  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Wij  willen  hier  echter  nog  een  woord  zeggen  over  de  verhou- 
ding van  Louvois  tot  de  hooge  bevelhebbers  van  het  Fransche 
leger.  Die  verhouding  had  wel  hare  moeielijke  zijde  door  het  ver- 
schil in  afkomst  van  Louvois  en  van  die  van  de  meeste  hooge 
bevelhebbers.  Onder  de  bevelhebbers  kon  men  er  opnoemen^  die 
van  vorstelijk  geslacht  waren:  Condé,  Turenne,  Luxembourg; 
de  meeste  anderen  waren  van  ouden  adel,  van  zeer  aanzienlijke 
afkomst ;  de  burgerlijken  —  om  ons  zoo  eens  uit  te  drukken  — 
zooals  Vauban  en  Catinat,  waren  zeldzaam.  Louvois  was,  in  tegen- 
stelling met  de  laatstgenoemden,  wèl  door  den  Koning  verheven 
tot  Markies  De  Louvois;  maar  hij  was  toch  maar  de  zoon  van 
Letellier,  een  man  die  uit  den  burgerstand  afkomstig  was  en  zich 
alleen  door  langdurige  en  goede  diensten  tot  een  hoog  staatsambt 
had  verheven. 

In  onze  dagen  zou  zulk  eene  omstandigheid  Louvois  geene  hin- 
derpalen in  den  weg  hebben  gelegd;  in  dien  tijd  wèl:  het  ver- 
schil der  standen  was  toen  oneindig  grooter.  Louvois  had  echter 
de  gunst  des  Konings  voor  zich;  hij  was  een  paar  jaar  jonger 
dan  Lodewijk,  en  deze  had  zich  reeds  vroeg  aan  hem  gehecht 
en  den  jongen  Letellier  reeds  op  twintigjarigen  leeftijd  in  die 
hooge  betrekking  geplaatst,  die  hij  onafgebroken  een  dertig  jaren 
lang  heeft  bekleed,  —  terloops  zij  gezegd,  dat  die  lange  duur 
van  Louvois'  ministerie  ook  eene  der  hoofdoorzaken  is  waardoor 
hij  zooveel  heeft  tot  stand  gebracht.  Om  wat  belangrijks  te  doen, 
moet  men  tijd  hebben;  en  ziedaar  een  der  redenen  waarom  er 
thans  zoo  weinig  belangrijks  gebeurt  in  ons  krijgswezen.  Wat 
wilt  gij  in  's  hemels  naam  van  een  Minister  van  oorlog  verwach- 
ten, die  maar  een  jaar  aanblijft,  en  dit  vooruit  weet!  — Lodewijk 
had  den  jongen  Letellier  als  het  ware  ingewijd  in  de  regeefings- 
kunst ;  hij  verbeeldde  zich  te  goeder  trouw  dat  zijn  minister  van 
oorlog  eigenlijk  zijn  leerling  was;  en  Louvois  was  sluw  genoeg 
om  den  Koning  in  dien  waan  te  laten,  en  daardoor  langen  tijd 
diens  volle  vertrouwen  te  genieten  en  een  grooten  invloed  op 
hem  te  oefenen. 

De  bevelen  en  voorschriften,  die  Louvois  bij  oorlogshandelingen 
gaf,  waren  vaak  onverbiddelijk  wreed;  maar  d^rin  lag  de 
moeielijkheid  niet  om  ze  uitgevoerd  te  krijgen ;  want  de  leger- 
hoofden van  dien  tijd  waren  ook  zoo  bijzonder  zachtaardig  niet. 
Onder  anderen  Catinat  heeft,  de  hemel  weet  waardoor,  een  on- 
verdienden naam  van  menschelijkheid  verworven:  in  den  oorlog 
tegen  de  Waldenzen,  of  tegen  de  \Barbeti\  heeft  hij  zich  aan 
gruwelijke  wreedheden  schuldig  gemaakt.  Een  van  de  menschelijkste 
der  toenmalige  Fransche  legerhoofden  is  Condé  geweest;  deze 
heeft  zich  een  kwaden  naam  gemaakt  door  zijn  onbedacht  ge- 
zegde: ^une  nuit  de  Paris  réparera  celd\  toen  men  hem  berichtte 
welk  een  groot  getal  zijner  soldaten  te  Séneffe  waren  gesneuveld; 


Digitized  by  VjOOQIC 


LOUVOIS.  51 

ook  was  hij  op  het  slagveld  niet  spaarzaam  met  het  bloed  der 
zijnen;  maar  buiten  het  slagveld  was  hij  niet  wreed.  Van  de 
menschelijkheid  van  Luxembourg  behoeft  niet  gesproken  te 
worden:  daarvan  kan  Bodegrave  en  Zwammerdam  getuigen;  — 
ten  aanzien  van  zijn  eigen  leger  liet  die  aanvoerder  uit  gemak- 
zucht soms  de  krijgstucht  verslappen;  ging  dit  wat  ver,  dan  liet 
hij  weer  eens  eenige  soldaten  ophangen ;  de  strop  was  toen  het 
afdoend  middel,  t argument  sans  réplique. 

Tegen  de  menschelijkheid  van  Turenne  pleit  de  eerste  verwoes- 
ting van  de  Paltz;  hij  was  zeer  bemind  bij  zijn  leger,  waarvoor 
hij  uitnemend  zorgde;  hij  werd  door  de  soldaten  als  een  vader 
beschouwd;  —  maar  dat  hij  toch  geen  al  te  weekhartig  vader  was, 
blijkt  uit  wat  men  bij  Rousset  vindt  op  bladzijde  426  van  het 
eerste  deel: 

Turenne  had  in  den  winter  van  1672  in  Duitschland  een  roem- 
rijken maar  zeer  moeielijken  veldtocht  gevoerd.  »Ik  verzeker  u", 
schreef  hij  aan  Louvois,  tdat  's  Konings  leger  vergelijkender- 
wijze" (met  de  Duitsche  troepen)  >er  uitziet  alsof  het  een  langen 
tijd  van  rust  had  genoten." 

In  eene  noot  zegt  Rousset  hierop: 

>Na  een  moeielijken  winterveldtocht  te  spreken  van  een  leger, 
dat  er  uitziet  alsof  het  een  langen  tijd  van  rust  had  genoten,  is 
dat  niet  der  spotternij  te  veel  stof  geven?  Ëvenzoo  als  toen 
Turenne  er  die  bijzonderheid  bijvoegde,  die  hij  alleen  uit  over- 
maat van  oprechtheid  of  van  opiiraismus  waagde  te  uiten :  »  de  chi- 
rurgijn in  het  hospitaal  zeide  mij  dezer  dagen,  dat  hij  in  den  loop 
van  den  winter  een  paar  duizend  teenen  van  de  soldaten  heeft 
afgezet,  en  dat  hen  dit  weinig  bemoeilijkt  in  het  marcheeren.'* 

Indien  Turenne  in  de  negentiende  eeuw  had  geleefd,  wat  zou 
hij  gehavend  zijn  geworden  om  die  woorden! 

Louvois  wist  tegenover  de  Fransche  legerhoofden  uitermate 
goed  zijn  gezag  te  doen  gelden.  Als  een  voornaam  middel  be- 
zigde hij  daartoe  de  intendanten  die  hij  bij  de  legers  plaatste; 
die  heeren  waren  geheel  en  al  van  hem  afhankelijk;  het  waren 
zijne  dwarskijkers,  die  den  stelligen  last  hadden  hem  dadelijk 
alles  te  berichten  wat  er  in  het  leger  bijzonders  voorviel;  de 
Intendanten  mengden  zich  soms  in  de  taak  van  het  leger- 
hoofd^  niet  meer  of  niet  minder  dan  of  zij  gedeputeerden  te 
velde  waren.  Tegen  sommige  legerhoofden  sloeg  Louvois  wel 
eens  een  zeer  hoogen  toon  aan :  hij  vorderde  onbepaalde  gehoor- 
zaamheid aan  's  Konings  bevelen,  —  dat  wil  zeggen,  aan  de 
zijne.  Onwil,  tegenstand,  zelfs  van  de  hoogste  krijgsbevelhebbers, 
ging  hij  met  de  meeste  strengheid  te  keer :  meer  dan  eens  dreigde 
hij  zulk  een  bevelhebber  met  de  ongenade  des  Konings,  met 
afzetting,  met  verbanning,  met  gevangenzetting  in  de  Bastille. 
De  eenheid  van  handelen  in  het  Fransche  krijgswezen  liet  niets 


Digitized  by 


Google 


52  RRIJGS-  EN  GBSCHIEDKUxVDIGE  BESCHOUWINGEN. 

te  wenschen  over  onder  Louvois*  bestuur;  alles  ging  van  hem 
uit;  —  misschien  wel  te  veel,  soms  meer  dan  goed  en  ver- 
standig was. 

Wij  willen,  ter  opheldering  van  wat  hier  gezegd  is  over  het 
krijgsbestuur  van  Louvois,  een  woord  zeggen  over  zijne  verhou- 
ding tot  sommige  der  toenmalige  Fransche  legerhoofden. 

Met  den  maarschalk  De  Bellefonds  was  die  verhouding  nog 
al  zonderling:  dat  legerhoofd  veroorloofde  zich  in  zijn  schrijven, 
niet  alleen  aan  Louvois  maar  zelfs  aan  den  Koning,  eene  vrij- 
heid  van  taal  die  buitengewoon  moet  genoemd  worden;  dit 
werd  echter  toegelaten,  men  ergerde  zich  daaraan  niet,  omdat 
men  De  Bellefonds  beschouwde  als  een  zonderling,  bij  wien  men 
wat  door  de  vingers  moet  zien  en  wien  men  maar  moet  laten 
praten.  De  Bellefonds  was  een  rechtschapen  man,  maar  zijn  verstand 
liet  wel  wat  te  wenschen  over;  zijne  oppositie  tegen  de  bevelen 
van  den  Minister  van  oorlog  raakte  soms  kant  noch  wal ;  en  eens 
zelfs,  in  1674,  bij  de  ontruiming  van  Holland  door  de  Fransche 
legers,  moest  de  Bellefonds  zeer  nadrukkelijk  tot  zijn  plicht 
worden  gebracht,  waarvan  hij  op  dwaze  wijze  was  afgeweken. 
Er  zijn  gevallen  waarin  een  legerhoofd  geheel  en  al  naar  eigene 
inzichten  moet  handelen,  zonder  op  de  ontvangene  bevelen  te 
letten;  er  zijn  gevallen  waarin  hij  zich  slipt  aan  die  bevelen 
moet  houden;  onmogelijk  is  het,  vaste  gedragsregelen  daarom- 
trent te  geven,  het  oordeel  van  den  veldheer  moet  hem  daarom- 
trent inlichten.  Dat  oordeel  nu  miste  De  Bellefonds. 

Met  Condé  was  het  weer  anders.  De  groote  naam  van  dat 
beroemde  legerhoofd  en  zijn  verwantschap  met  het  vorstelijk 
huis  hadden  tengevolge  dat  Louvois,  in  zijne  briefwisseling  met 
hem,  altijd  de  vormen  goed  in  acht  nam;  het  was  iemand  die 
ontzien  moest  worden;  en  zeker,  Condé  had  lastig  kunnen  wor- 
den wanneer  er  in  hem  oppositiegeest  had  gezeten.  Maar  Condé 
was,  toen  ter  tijd,  volstrekt  geen  opposant  meer ;  integendeel,  hij 
had  een  onbepaalden  eerbied  en  toewijding  ten  aanzien  van 
Lodewijk  XIV;  het  is  alsof  hij  toen  weer  goed  wilde  maken  wat  hij 
misdreven  had  tijdens  de  Fronde^  toen  hij  de  wapenen  had  gevoerd 
tegen  zijn  Koning  en  tegen  zijn  vaderland.  Kwamen  er  bevelen 
of  voorschriften,  die  hard  of  onmenschelijk  waren,  dan  waagde 
Condé  wel  eene  tegenwerping,  hoewel  altijd  in  zeer  beleefde 
woorden;  maar  hield  Louvois  vol,  dan  onderwierp  zich  het 
legerhoofd  dadelijk.  Condé,  dit  moet  men  ook  in  het  oog  houden, 
was,  vooral  toen,  als  legerhoofd  zeer  ongelijk :  dan  eens  vol  zelfver- 
trouwen, vol  vuur,  rusteloos,  stoutmoedig,  een  oorlogsgenie  in  den 
volsten  zin  van  het  woord,  dan  weer  traag,  lusteloos,  ontmoedigd. 


Digitized  by 


Google 


Louvois.  53 

Met  Luxembourg  stond  Louvois  dikwijls  op  een  voet  van 
groote  gemeenzaamheid,  die  in  hunne  briefwisseling  doorstraalt. 
Zoo  —  om  maar  eens  iets  te  noemen  meldt  de  minister  dat  aan 
Luxembourg  een  som  gelds  zal  uitbetaald  worden  voor  zijne 
eigene  belangen.  Ik  hoop  —  schrijft  Louvois  —  dat  dit  geld 
niet  zal  gebruikt  worden  om  schulden  af  te  doen,  maar  wel, 
als  gij  weer  te  Parijs  zijt,  om  mij  eens  op  een  lekkeren  schotel  te 
onthalen.  £r  komen  in  die  brieven  spotternijen  en  kwinkslagen 
voor,  niet  altijd  van  het  fijnste  allooi,  maar  zooals  men  zich  die 
veroorlooft  onder  menschen  die  niet  noodig  hebben  op  deftigen 
toon  met  elkander  te  spreken.  Louvois  en  Luxembourg  hadden 
karakters,  die  in  vele  opzichten  overeenstemden;  beide  waren 
eigenlijk  gewetenlooze  schelmen.  Maar  met  dat  al,  met  al  die 
gemeenzaamheid  neemt  Luxembourg  ten  aanzien  van  Louvois 
toch  altijd  een  toon  van  onderwerping  en  vleierij  aan,  die 
soms  tot  aan  het  kruipende  gaat;  en  Louvois,  hoe  vertrouwelijk 
ook  met  het  legerhoofd,  weet  zich  echter  altijd  te  doen  gehoor- 
zamen en  het  hem  ernstig  onder  het  oog  te  brengen,  wanneer 
Luxembourg  de  krijgstucht  laat  verslappen  —  wat  wel  eens  zijn 
zwak  was. 

Om  die  verhouding  tusschen  Louvois  en  Luxembourg  eenigs- 
zins  toe  te  lichten,  zullen  wij  hier  overnemen  wat  men  daarover 
bij  Rousset  vindt,  in  het  tweede  deel  bladzijde  190— 191. 

Den  15  Augustus  1675  schrijft  Luxembourg  aan  Louvois  —  hij 
is  opperbevelhebber  geworden  van  het  leger  in  De  Nederlanden. 
Op  zijn  gemeenzamen  toon  en  met  gemaakte  nederigheid  zegt 
hij,  dat  het  leger  goed  is  {*elle  ne  laisse  pas  que  cPêtre  belle  et 
banné"\  maar  dat  de  opperbevelhebber  te  wenschen  overlaat: 

>Dat  uitgezonderd,  heb  ik  zeer  goede  verwachting  van  het 
overige.  Maar  ^s  vijands  leger  is  sterk ;  daar  is  nog  wat  Hollandsch 
canaille  bijgekomen,  en  men  zegt  dat  er  nog  meer  wordt  ver- 
wacht. Maar  met  dat  alles  breek  ik  mijn  goede  hoofd  niet" 

Hoe  hij,  na  Séneffe,  nog  Hollandsch  canaille  {canaille  de  Hollandé) 
durft  zeggen!  —  Hij  vraagt  Louvois  voorschriften: 

^A1  wat  Louvois  hem  voorschreef,  vooral  na  het  gebeurde 
met  den  maarschalk  De  Créqui,"  (deze  had  pas  geleden  nabij 
Trier  eene  geheele  nederlaag  ondervonden)  >  was,  niets  te  wagen, 
maar  zich  te  bepalen  tot  het  in  het  oog  houden  van  den  prins 
van  Oranje.  Het  leger  dat,  na  de  verschillende  detachementen 
die  men  achtereenvolgens  had  gezonden  naar  Bretagne,  naar  den 
MoezeU  den  Elzas  en  Lotharingen,  nog  een  40.000  man  sterk 
was,  bracht  de  geheele  maand  Augustus  door  in  het  kamp  van 
Bnigelette^  tusschen  Mons  en  Ath.  Van  zijne  zijde  waagde  de 
Prins  van  Oranje  het  niet,  ons  aan  te  vallen ;  maar  maakte  groote 
vertooningen  en  groote  toebereidselen,  alsof  het  zijn  voornemen 
was  de  eene  of  andere  belangrijke  stad  te  belegeren.  Alles  be- 


Digitized  by 


Google 


54  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

paalde  zich  tot  de  verrassing  van  de  kleine  stad  Binche,  die  maar 
2  of  300  man  bezetting  had.  Na  de  inneming  van  Trier  scheen  het 
alsof  de  Luxemburgsche  troepen  van  de  eene  zijde,  de  Prins  van 
Oranje  van  de  andere,  gezamenlijk  de  Maas  wilden  naderen; 
Luxembourg  trok  ook  derwaarts  en  sloeg  zijn  legerplaats  op  bij 
de  Méhaigne,  in  de  nabijheid  van  den  Maarschalk  D'Estrades, 
die  nog  altijd  het  bevel  voerde  over  Maastricht,  Limburg  en 
andere  vaste  punten  die  de  Franschen  in  Luikerland  bezet  hiel- 
den. Die  enkele  beweging  was  voldoende  om  voor  het  overige 
van  den  veldtocht  'svijands  ontwerpen  te  verijdelen." 

Intusschen  hebben  er,  door  de  achteloosheid  van  Luxembourg, 
wanorden  en  ongeregeldheden  in  het  Fransche  leger  plaats; 
oude  misbruiken  heffen  het  hoofd  weer  op: 

tZoo  waren  er  weer  misbruiken  opgerezen,  die  men  uitgeroeid 
waande:  de  passevolanten  bij  voorbeeld,  de  bedriegerijen  bij  het 
uitbetalen  der  soldij,  de  verspilling  van  den  leeftocht,  en,  als 
gevolg  van  dat  alles,  de  desertiën." 

Louvois  betuigt  zijn  ongenoegen  hierover:  Luxembourg  ant- 
woordt daarop,  door  nóg  meer  kwaad  te  zeggen  van  het  leger: 

»De  troepen  zijn  losbandiger  dan  mij  lief  is;  in  strijd  met 
mijn  aard  heb  ik  sinds  het  vertrek  van  den  Prins  van  Condé" 
(van  wien  Luxembourg  het  opperbevel  had  overgenomen)"  reeds 
een  dozijn  soldaten  of  ruiters  laten  ophangen;  maar  dit  heeft 
niets  gebaat;  en  ik  merk  dat  de  minst  goede  officieren  zeer  in 
hun  schik  waren  van  te  kunnen  zeggen,  dat  men  de  schuldigen 
maar  moest  ophangen." 

Louvois  liet  zich  niet  paaien  door  die  behendigheid,  die  alle 
straf  onmogelijk  wilde  maken  door  allen  schuldig  te  noemen; 
hij  eischte,  dat  er  eenigen  gestraft  zouden  worden;  dit  gebeurde; 
de  ongeregeldheden  hielden  op  en  Luxembourg  nam  dadelijk 
een  geheel  anderen  toon  aan:  tik  ben  zelf  verwonderd,"  — 
schreef  hij  acht  dagen  later  —  tals  ik  het  leger  nu  zie;  men 
kan  zich  niets  schoeners  voorstellen ;  het  ziet  er  veel  beter  uit  dan 
bij  het  begin  van  den  veldtocht,  want  de  malengers  zijn  nu  weg; 
alle  ruiters,  alle  soldaten  hebben  een  gezicht  dat  eene  volmaakte 
gezondheid  aanduidt.  De  paarden  zijn  in  den  best  mogelijken  toe- 
stand; zóó  in  het  vleesch,  alsof  zij  nog  in  de  winterkwartieren 
waren.  Waarlijk,  het  leger  is  zeer  sterk.  Ik  kan  niet  nalaten  u  te 
verzekeren,  dat  ik  op  den  T4en  October  een  leger  heb  gezien, 
zoo  goed  als  ik  het  ooit  gezien  heb;  men  kan  zich  niets  schoo- 
ners  ter  wereld  voorstellen..." 

Natuurlijk,  dat  dit  verslag  van  Luxembourg  wel  niet  het  meest 
waarheidlievende  verslag  is  dat  men  kan  bedenken:  het  heeft 
soms  al  den  schijn,  alsof  hij  op  onbeschaamde  wijze  den  draak 
steekt  met  zijne  regeering! 


Digitized  by 


Google 


Louvois.  55 

Waar  Louvois  het  minst  goed  meê  overweg  kon,  dat  was  met 
Turenne:  die  liet  zich  zeer  weinig  gezeggen,  was  zeer  naijverig 
op  zijn  gezag,  en  wist  den  alvermogenden  Minister  soms  nadruk- 
kelijk op  zijn  plaats  te  zetten,  wanneer  deze  zich  te  veel  macht 
aanmatigde  bij  het  regelen  van  de  krijgsverrichtingen.  Onder 
andere,  den  gen  September  1673  schrijft  Louvois  aan  Turenne  en 
gelast  hem  —  namens  den  Koning  —  hoe  hij  moet  handelen 
om  de  vereeniging  te  beletten  van  de  legers  van  Willem  III  en 
van  Montecuculi.  Die  voorschriften  van  Louvois  waren  toen 
goed  en  verstandig;  en  desniettegenstaande  komen  de  volgende 
scherpe  woorden  voor  in  het  antwoord,  dat  Turenne  den  isen 
September  den  Minister  gaf: 

...»Ik  begrijp  die  voorschriften  van  den  Koning  wel,  en  zal 
alles  doen  wat  mogelijk  is  om  die  na  te  komen;  maar  gij  moet 
mij  vergunnen  u  te  zeggen,  dat  ik  niet  geloof  dat  *s  Konings 
dienst  er  door  behartigd  wordt,  als  men  —  zelfs  aan  den  minst  be- 
kwamen bevelhebber  in  Frankrijk  —  van  een  zoo  ver  verwijderde 
plaats  zulke  bepaalde  bevelen  zendt,*'  (Rousset,  i*  Deel,  blz.  496). 

Maar  om  zóó  te  spreken  moest  men  ook  zoo  hoog  staan  als 
Turenne,  zulk  een  veldheer  zijn  van  den  eersten  rang. 

Wat  schijnbaar  in  het  voordeel  pleit  van  Louvois,  dat  is  de 
goede  verstandhouding  waarin  hij  voortdurend  is  gebleven  met 
Vauban  —  den  grooten  vestingbouwkundige,  en  iemand  die  in  al 
zijne  handelingen  zich  doet  kennen  als  een  rechtschapen  man, 
als  een  goed  patriot,  —  zoo  goed  als  men  dit  kdn  zijn,  onder 
eene  despotische  regeering.  Maar  daar  is  ééne  omstandigheid 
die  men  niet  uit  het  oog  mag  verliezen,  en  die  wel  eenige  ver- 
klaring geeft  van  de  hooge  gunst  waarin  Vauban  bleef  bij  Lou- 
vois en  bij  Lodewijk  XIV:  zij  hadden  hem  noodig;  hij  was 
voor  hen  bijna  onmisbaar;  Vauban  was  de  groote  meester  in 
het  bouwen  van  vestingen;  vooral  was  hij  de  groote  meester  in 
het  belegeren  van  vestingen ;  en  vestingen  bouwen  was  toen  eene 
hoofdzaak  bij  het  Fransche  krijgswezen;  vestingen  belegeren 
was  eene  hoofdzaak  bij  de  oorlogen  van  Lodewijk  XIV.  Geen 
wonder  dus^  dat  de  Fransche  Koning  op  zeer  hooge  waarde 
bleef  houden  een  man  die  in  den  vestingoorlog  een  ster  was 
van  de  eerste  grootte. 

De  volgende  aanhaling  uit  Rousset  (i*  Deel,  blz.  453 — 455), 
waar  hij  begint  aan  het  beleg  van  Maastricht  van  1673,  zal  doen 
zien,  waarom  Lodewijk  XIV  en  Louvois  zoo  ingenomen  waren 
met  den  vestingoorlog: 

»Het  beleg  van  Maastricht  is  de  eerste  van  die  groote  belege- 
ringen^ die  in  de  krijgsgeschiedenis  van  deze  regeering  zulk  een 
groote   en    terecht   roemrijke    plaats   innemen.   De  belegeringen 


Digitized  by 


Google 


56  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

tijdens  den  devolutie-oorhg**  (de  korte  oorlog,  die  door  de  tripie 
Alliantie  werd  gestuit)  >en  die  tijdens  den  veldtocht  van  1672, 
hadden  weinig  indruk  gemaakt,  omdat  zij  te  weinig  inspanning 
hadden  gekost;  maar  Lodewijk  XIV  en  Louvois  hadden  zich 
daar  geoefend  in  eene  wijze  van  oorlogen,  die  in  hun  smaak 
viel  en  voor  hen  geëigend  was.  Lodewijk  XIV  hield  niet  van 
de  krijgsverrichtingen  in  het  open  veld  (Ja  guerre  de  campagne) ; 
hoe<¥el  hij  het  niet  wilde  erkennen,  was  hij  toch  niet  geschikt 
daarvoor  en  blonk  weinig  daarin  uit;  de  bekwaamheid  van  een 
veldheer  had  hij  niet;  te  veel  —  voor  hem  —  speelden  geluk 
en  ingeving  van  het  genie  daarbij  hunne  rol.  De  belegerings- 
oorlog was  iets  geheel  anders;  dat  was  een  wetenschap  gewor- 
den, meer  dan  een  kunst,  sedert  Vauban's  genie  handelingen  had 
bedacht  en  regels  vastgesteld,  die,  in  bepaaldheid  en  zekerheid, 
voor  wiskunst  konden  doorgaan.  Lodewijk  XIV  had  iets  wis- 
kundigs  in  het  verstand,  en  maakte  zich  daardoor  spoedig  ver- 
trouwd met  die  handelingen  en  regels;  bovendien,  als  hij  het 
beleg  sloeg  voor  een  stad,  dan  had  hij  altijd  Vauban  bij  zich; 
en  wie  Vauban  bij  zich  had  kon  met  zekerheid  zeggen:  bele- 
gerde stad,  genomen  stad. 

Louvois  had  dezelfde  geestesrichting;  reeds  vroeg  had  hij  de 
versterkingskunst  grondig  bestudeerd,  en  Vauban  had  hierin  zijn 
onderricht  voltooid.  Het  verstand  en  de  ijver  van  den  leerling 
waren  de  inspanning  waard  die  de  meester  hem  wijdde.  Was 
Louvois  geen  Minister  geweest,  hij  zou  een  goed  ingenieur  zijn 
geworden.  De  vestingoorlog  had,  behalve  omdat  hij  ze  goed 
kende,  nog  een  andere  aantrekkelijkheid  voor  hem.  Voor  de 
toebereidselen  tot  een  veldtocht,  de  verdeeling  der  legers,  de 
uitrusting  der  konvooien,  voor  de  magazijnen,  de  munitiën , 
de  levensmiddelen,  was  hij  de  man  die  alles  regelde,  met  onbe- 
perkt gezag ;  maar  dan  ook  hield  zijne  taak  op ;  wilde  hij  verder 
gaan  en  de  operatiën  besturen,  dan  stuitte  hij  —  zooals  wij 
gezien  hebben  en  nog  zullen  zien  —  op  den  rechtmatigen  tegen- 
stand van  de  legerhoofden.  Bij  een  beleg  daarentegen  bleef  hij 
in  volle  werking,  zonder  dat  iemand  daarover  iets  kon  zeggen; 
de  man  van  het  legerbeheer  werd  dan  ook  oorlogsman.  Niet 
alleen  dat  hij  lang  te  voren  de  bewegingen  der  troepen  voor- 
bereidde, de  misleidingen,  de  schijnbewegingen  die  den  vijand 
onrust  moesten  inboezemen  voor  al  zijne  vestingen,  geen  be- 
paalde onrust  voor  ééne;  de  berekeningen,  soms  maanden  te 
voren  gemaakt,  waardoor  van  de  meest  verwijderde  plaatsen  de 
troepen  die  aan  het  beleg  moesten  deelnemen,  op  een  bepaalden 
dag  en  uur,  om  niet  te  zeggen  op  de  bepaalde  minuut,  moesten 
samenkomen  op  het  uitgekozen  punt;  niet  alleen  dat  hij  het 
geheele  plan  ontwierp,  in  al  zijn  bijzonderheden,  met  eene  stipte 
nauwkeurigheid,  eene  volkomene  helderheid  en  vooral  met  eene 


Digitized  by 


Google 


Louvois.  57 

ondoordringbare  geheimhouding,  maar  ook  hij  bestuurde  dan  de 
uitvoering,  vaardigde  de  bevelen  uit,  ontving  de  rapporten,  voor- 
zag in  alle  tegenheden,  verhaastte  of  vertraagde  den  marsch  der 
kolonnes;  in  één  woord,  dan  was  hij  niet  slechts  Minister  van 
Oorlog,  maar  dan  was  hij  ook  de  Chef  van  den  Staf  van  een 
leger.  Beide  was  hij  bij  het  beleg  van  Maastricht;  allereerst  was 
hij  diplomaat." 

(Dat  laatste  bestond  daarin,  dat  de  Bisschop  van  Keulen  — 
tevens  Bisschop  van  Luik,  en  als  zoodanig  aanspraak  hebbende 
op  Maastricht  —  die  vesting,  nadat  ze  genomen  zou  zijn,  afstond 
aan  Lodewijk  XIV,  op  de  voorwaarden  waarop  de  Republiek 
haar  bezat). 

Dat  Lodewijk  XIV  geen  veldheer  was,  bleek  onder  andere 
overtuigend  uit  eene  gebeurtenis  tijdens  den  veldtocht  van  1676 
in  de  Spaansche  Nederlanden. 

Den  2en  Mei  1676  wordt  Bouchain  belegerd  door  den  Hertog 
van  Orléans  met  een  gedeelte  van  het  Fransche  leger,  terwijl 
Lodewijk  XIV  met  de  hoofdmacht  stelling  neemt  tusschen  Sébourg 
en  Quiévrain,  om  dal  beleg  te  dekken.  Willem  III  trekt  door 
een  snellen  en  verrassenden  marsch  eensklaps  op  Valenciennes, 
tusschen  Bouchain  en  het  kamp  van  Lodewijk  XIV-,  » had  Lode- 
wijk XIV"  —  zegt  RoussET,  2'  Deel,  blz.  220  —  tgeene  goede 
berichtgevers  gehad,  dan  was  Monsieur"  (de  Hertog  van  Orléans, 
*s  konings  broeder),  t  verloren".  Maar  Lodewijk  is  in  tijds  terug- 
gegaan, de  Schelde  overgetrokken  tusschen  Bouchain  en  Valen- 
ciennes, en  neemt  stelling  bij  Denain. 

Den  loen  Mei  gaat  het  leger  van  Lodewijk  XIV  vooruit,  naar 
de  zijde  van  Valenciennes,  en  vindt  bij  Heurtebise,  voorwaarts 
van  die  vesting,  het  leger  van  Willem  III.  Zal  men  aanvallen  en 
slag  leveren  ?  —  De  kansen  van  een  veldslag  zijn  in  het  voordeel 
van  het  sterkere  en  betere  Fransche  leger,  en  Lodewijk  brandt 
van  verlangen  om  de  vermetelheid  te  straffen  van  dien  jongeling, 
die  zoo  de  wapenmacht  van  Frankrijk's  koning  durft  trotseeren. 
Maar  die  jongeling  is  de  held  van  Séneffe,  het  legerhoofd  dat 
daar  den  kamp  tegen  Condé  voerde  en  roemrijk  ten  einde  bracht. 
Hetzelfde  mocht  ook  hier  eens  gebeuren;  ook  hier  mocht  de 
lelievaan  eens  onderdoen  voor  het  Oranje-vaandel;  Lodewijk 
mocht  eens  geslagen  worden;  —  de  Koning  deinst  terug  voor 
het  denkbeeld  van  zoo  duldeloos  een  hoon;  de  mogelijkheid 
van  eene  nederlaag  te  ondergaan  maakt  hem  afkeerig  van  een 
veldslag ;  maar  hij  wil  den  schijn  niet  hebben  van  zelf  af  te  zien 
van  den  strijd;  hij  wil  op  anderen  de  verantwoording  van  die 
zwakke  handeling  doen  nederkomen.  De  koning  roept  een  krijgs- 
raad bijeen,  en  onderwerpt  daaraan  de  vraag:  of  men  slag  zal 
leveren,  ja  dan  neen? 


Digitized  by 


Google 


5 'S  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Louvois  vat  het  eerst  het  woord  op;  hij  toont  aan,  in  welken 
toestand  men  zich  bevindt,  en,  's  konings  ware  gezindheid  door- 
grondende, raadt  hij  den  veldslag  af.  Drie  maarschalken  —  Créqui, 
Schomberg,  en  La  Feuillade  — ,  ook  ziende  van  waar  de  wind 
komt,  stemmen  met  Louvois;  alleen  de  maarschalk  De  Lorge, 
minder  goed  hoveling  dan  de  anderen,  stemt  voor  den  veldslag. 
De  koning  volgt  het  gevoelen  van  de  meerderheid:  »daar  gij 
allen  meer  ondervinding  hebt  dan  ik,  geef  ik  toe,  hoewel  met 
weerzin"  (blz.  222).  De  stelling  van  het  Fransche  leger  werd 
versterkt,  en  er  had  geen  veldslag  plaats,  daar  ook  Willem  III 
het  ongeraden  achtte  om  aan  te  vallen. 

»0p  die  wijze"  —  zegt  Rousset,  blz.  223 — 224  —  twas  het, 
dat  Lodewijk  XIV  de  schoonste  gelegenheid  liet  voorbijgaan,  die 
hij  ooit  heeft  gehad  om  een  veldslag  te  winnen;  voor  zich  had 
hij  alles  wat  ter  overwinning  leidt;  voor  zich  had  hij  alle 
kansen,  —  behalve  natuurlijk  die  ééne  noodlottige  kans,  die 
de  fortuin  zich  altijd  voorbehoudt  om  de  grootste  veldheeren 
er  aan  te  herinneren,  dat  indien  de  krijgskunst  al  een  edele  en 
verhevene  wetenschap  is,  zij  evenwel,  spijt  alle  berekeningen 
van  hun  genie,  toch  geen  wiskunst  is,  maar  altijd  op  de  eene  of 
andere  wijze  afhangt  van  het  spel  van  het  toeval.  Het  is  die 
ééne  kans  die  Lodewijk  XIV  heeft  doen  aarzelen;  hij  is  bang 
geweest,  niet  om  slag  te  leveren,  maar  om  geslagen  te  worden; 
bij  hem  was  het  niet  het  hart,  dat  vreesachtig  of  wantrouwend 
was;  maar  de  trots  maakte  hem  ^00.  Louvois  was  bekend  met 
die  zwakheid  in  zijn  karakter ;  ook  de  maarschalken  waren  daar- 
mede bekend;  waarom  vroeg  de  koning  hun  raad,  was  het  niet 
om,  als  de  zaken^  slecht  gingen,  de  schuld  op  hen  te  verhalen  ? 
Voor  die  verantwoordelijkheid  deinsden  zij  terug;  hadden  zij 
ongelijk?  Saint-Simon,  die  met  een  wel  te  rechtvaardigen  ijver 
de  meening  verdedigt  van  den  maarschalk  De  Lorge,  zijn  schoon- 
vader, laat  zich  eene  uitdrukking  ontvallen  die  den  tegenstanders 
van  den  maarschalk  gelijk  geeft :  >  zij  waren  verlegen  met  's  Konings 
persoon."  En  inderdaad,  daar  Lodewijk  XIV  van  een  opperbe- 
velhebber niets  anders  had  dan  den  naam,  was  zijne  aanwezig- 
heid bij  het  leger  hinderlijk.  Louvois  had  dus  gelijk,  van  het 
slag  leveren  af  te  raden;  Créqui,  La  Feuillade  en  Schomberg 
hadden  dus  gegronde  redenen  om  zich  aan  te  sluiten  bij  het 
gevoelen  van  Louvois.  Waarom  hen  dan  beschuldigd  van  oogen- 
dienaars  te  zijn?..." 

Waarom?  —  Omdat  zij  het  algemeen  belang  hooger  hadden 
moeten  stellen  dan  het  bijzonder  belang  des  Konings. 

Hoezeer  dus  Louvois  hier,  bij  dat  beleg  van  Bouchain,  geheel 
in  den  geest  had  gehandeld  van  den  Franschen  Koning,  bleef 
deze  echter,  door  een  wonderlijke  en  onbillijke  tegenstrijdigheid, 


Digitized  by 


Google 


LOüvois.  59 

wrokken  tegen  zijn  Minister,  die  door  zijn  raad  den  Koning 
verhinderd  had  zich  te  kunnen  verhoovaardigen  op  den  roem 
van  een  gewonnen  veldslag.  Men  vindt  dit  duidelijk  vermeld  in 
het  dagboek  van  Dangeau;  —  Dangeau,  de  hoveling  die  al  het 
doen  en  laten  van  zijn  vereerden  vorst,  dag  voor  dag,  heeft  op- 
geteekend  met  eene  nauwkeurigheid  die  tot  in  kleinigheden  ver- 
valt, en  met  eene  vreesachtige  voorzichtigheid  die  terugdeinst 
voor  de  uiting  van  het  minste  vrije  oordeel.  Dangeau  was  een 
van  die  Don  Abboudi^s^  die  men  aan  alle  hoven  ontmoet  —  ook 
wel  elders  — ,  maar  die  vooral  talrijk  waren  aan  het  hof  van 
den  vergoden  Lodewijk  XIV. 

...>Hij"  (Lodewijk  XIV)  thad  op  zijns  harten  bodem  een 
niet  te  verwinnen  spijt,  van  die  gunst  der  fortuin  ongebruikt  te 
hebben  laten  voorbijgaan,  en  tegen  Louvois  een  wrok,  die,  aan- 
vankelijk bedekt  en  bedwongen,  zelfs  schijnbaar  uitgewischt, 
toch  na  verloop  van  tijd  steeds  toenam,  naarmate  de  heersch- 
zuchtige  aard  van  zijn  Minister  hem  duidelijker  werd  en  onver- 
dragelijker. 

Drie  en  twintig  jaar  na  dien  dag  van  Heurtebise,  acht  jaar  na 
den  dood  van  Louvois,  gaf  Lodewijk  XIV,  ten  aanhoore  van 
zijne  hovelingen,  nog  lucht  aan  zijn  misnoegen.  Op  Donderdag 
den  i6en  April  1699  —  zegt  Dangeau  —  wandelde  de  koning 
's  namiddags  in  zijne  tuinen  te  Marly  *  onder  die  wandeling  viel 
het  gesprek  op  den  dag  toen  hij  zijne  legerplaats  opsloeg  bij 
Valenciennes ;  op  zachten  toon  zeide  hij  ons,  »dat  er  in  geheel 
zijn  leven  geen  dag  was  geweest  waarop  hij  meer  misslagen  had 
begaan  dan  toen;  dat  hij  daar  nooit  aan  dacht  dan  met  groot 
leedwezen,  dat  hij  er  soms  's  nachts  van  droomde,  en  dan  altijd 
toornig  wakker  werd,  omdat  hij  die  wisse  kans  had  verwaarloosd 
van  zijne  vijanden  te  verslaan ;  de  grootste  schuld  van  dien  mis- 
slag weet  hij  aan  een  man  dien  hij  ons  noemde,  er  zelfs  bijvoe- 
gende dat  die  man,  bij  zulke  gelegenheden  evenals  overal  elders, 
een  ondragelijk  mensch  was."  Die  man,  wien  Dangeau  niet 
durft  noemen  uit  overmaat  van  voorzichtigheid,  zelfs  ten  aanzien 
van  de  dooden,  is  Louvois."  (Rousset,  2*  Deel,  blz.  226 — 227). 

Er  is  beweerd  —  men  vindt  het  onder  andere  bij  Saint- 
Simon  —  dat  Louvois  in  zijne  laatste  levensdagen  zoozeer  in 
ongenade  was  gevallen,  dat  er  reeds  bevel  was  gegeven  om  hem 
in  de  Bastille  op  te  sluiten;  en  dat  toen  de  Minister,  om  die 
vernedering  te  ontgaan,  door  vergift  een  einde  aan  zijn  leven 
heeft  gemaakt.  Louvois  is  plotseling  en  onverwachts  gestorven 
en  het  vermoeden  heeft  bestaan,  dat  die  dood  niet  natuurlijk  is 
geweest;  zoo  vindt  men,  onder  andere  in  Wagenaar,  dat  zij  die 
het  in  1692  op  het  leven  van  Willem  III  toelegden,  den  Minister 
Barbésieux  voor  zich  poogden  te  winnen  door  hem  diets  te 
maken  dat  zijn  vader  Louvois  door  toedoen  van  den  Stadhouder 


Digitized  by 


Google 


6o  KRIJGS-   KN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

vergiftigd  was  geworden.  Al  die  beweringen  zijn  echter  op  goede 
gronden  tegengesproken ;  en  de  waarschijnlijkheid  is  er  voor,  dat 
Louvois  aan  niets  anders  gestorven  is  dan  aan  een  beroerte.  Wat 
echter  bewezen  schijnt,  dat  is,  dat  Louvois  op  het  einde  van  zijn 
leven  wel  degelijk  de  gunst  van  Lodewijk  XIV  had  verloren,  en 
dat  die  koninklijke  egoïst  niet  meer  de  minste  gedachtenis  had 
behouden  van  dertig  jaren  trouwen  dienst  en  toewijding;  een 
dienst  die  van  rusten  wist  noch  verpoozen;  eene  toewijding  die 
voor  niets  terugdeinsde,  zelfs  niet  voor  de  misdaad! 

Ondank  der  grooten,  wat  komt  gij  vaak  voor  in  de  geschie- 
denis! hoe  waar  is  het,  als  reeds  de  Psalmist  zegt:  »Stel  niet 
in  Prinsen  uw  vertrouwen;'*  of  wanneer  een  onzer  treurspel- 
dichters  van  den  ouden  stempel  —  De  Marre,  in  de  Jakoba  van 
Beieren  —  zijn  Frank  van  Borselen  doet  zeggen: 

»hoe!  is  U  u  onbewust 
dat  onderdanen  van  een  uitgestrekt  vermogen 
het  naast  zijn  aan  hun  val?  dat  ze  in  der  vorsten  oogen 
misdadig  worden  als  't  geluk  hen  zóó  verheft, 
dat  hun  verdienste  *t  loon  dier  Prinsen  overtreft?" 

of  wanneer  Shakespeare,  in  zijne  onsterfelijke  poëzie,  den  ge- 
vallen staatsman  Wolsey  dus  in  klachten  doet  uitbarsten  tegen 
Cromwell,  zijn  vertrouweling: 

t  IJdele  praal  en  glorie  van  deze  wereld,  ik  haat  u!  Ik  voel 
mijn  hart  vernieuwd:  o  hoe  ellendig  is  die  rampzalige  die  op 
vorstengunst  bouwt!  Tusschen  dien  glimlach  waarnaar  hij  streeft, 
dat  vriendelijk  gelaat  der  vorsten,  en  hun  ongenade,  ontmoet 
hij  meer  angsten  en  vreezen,  dan  krijg  of  liefde  opleveren;  en 
valt  hij,  dan  valt  hij  als  Lucifer,  zonder  hoop  van  ooit  weer  op 

te  staan O  Cromwell,  Cromwell, 

had  ik  maar  mijn  God  gediend  met  de  helft  van  den  ijver  waar- 
mede ik  mijn  koning  diende,  hij  zou  mij,  op  mijn  ouden  dag, 
niet  naakt  en  weerloos  aan  mijne  vijanden  hebben  prijsgegeven." 


HOOFDSTUK  III. 

1672.  aanleiding  tot  den  oorlog  van  1672 ;  toebereidselbn ; 
strijdkrachten;  oorlogsplannen. 

De  veldheersloopbaan  van  Willem  III  vangt  aan  met  het  jaar 
1672,  met  wat  door  de  Fransche  schrijvers  wordt  genoemd  yjla 
guerre  de  Hollande^'' 


Digitized  by  VjOOQIC 


AANLEIDING  TOT   DEN  OORLOG  VAN    1672.  61 

De  oorlog,  in  1672  begonnen  tegen  de  Republiek,  door  Frankrijk, 
Engeland,  Keulen  en  Munster,  is  eene  van  de  ergste  en  schan- 
delijkste aanrandingen  geweest  van  het  onafhankelijk  volksbestaan 
van  eene  vrije  natie,  die  in  de  geschiedenis  voorkomen.  Alge- 
meen wordt  die  oorlog  dan  ook  veroordeeld  als  een  misdaad; 
een  van  Frankrijk's  edelste  en  verlichtste  mannen,  Michel  Che- 
valier,  heeft  daarvan  gezegd:  »quene  donnerions-nous  pas  aujourd' 
hui  pour  déchirer  de  nos  annales  la  conduite  superbe  de  Louis  XIV 
cnvers  la  Hollande,  ou  les  scènes  de  Bayonne  entre  Napoléon 
et  les  princes  Espagnols  ?"  (Journal  des  débats,  van  7  October  1851). 

De  aanleiding  tot  dien  oorlog  is  bekend:  de  gekrenkte  trots 
van  Lodewijk  XIV.  Alle  twijfel  aan  die  aanleiding  vervalt,  als 
men  leest  wat  de  Fransche  koning  zelf  daarover  zegt  in  eene 
door  hem  opgestelde  >  memorie  over  den  veldtocht  van  1672", 
die  niet  uitgegeven  is,  maar  te  vinden  in  deel  1112  van  het 
Dépót  de  la  guerre  te  Parijs.  Rousset  deelt  die  memorie  in  haar 
geheel  mede ;  waarin  de  koning  onder  andere  het  volgende  zegt : 

>  Hoewel  het  niet  betamelijk  is,  evenmin  voor  vorsten  als  voor 
bijzondere  personen,  om  aan  vrienden  of  naburen  de  weldaden 
voor  de  voeten  te  werpen  waarmede  zij  ze  overladen  hebben,  zoo 
is  het  toch  geoorloofd,  zonder  daarom  in  dien  misslag  te  ver- 
vallen^ de  bron  en  oorsprong  van  den  tegenwoordigen  oorlog  die 
tusschen  Frankrijk  en  de  Vereenigde  Provinciën  is  ontbrand,  te 
wijten  aan  den  ondank,  de  miskenning,  en  de  ondragelijke  ijdel- 
heid der  Hollanders.  Iedereen  weet  dat  dit  volk  zijne  vestiging  als 
vrij  gemeenebest  te  danken  heeft  aan  de  machtige  bescherming, 
die  de  koningen,  mijne  voorgangers,  het  bijna  sedert  eene  eeuw 
hebben  verleend,  zoo  tegen  het  huis  van  Oostenrijk,  waaronder 
het  vroeger  stond,  als  tegen  den  keizer  en  tegen  Engeland ;  iedereen 
weet,  dat,  zonder  die  bescherming,  die  mogendheden,  hetzij 
saamverbonden,  hetzij  afzonderlijk  handelende,  bij  meer  dan  ééne 
gelegenheid  dien  Staat  zouden  verzwolgen  hebben.  Die  gebeurte- 
nissen zijn  nog  kort  geleden;  en  om  dit  aan  te  toonen  is  het 
voldoende,  den  laatsten  oorlog  aan  te  halen  dien  de  bisschop 
van  Munster,  een  van  de  kleinste  Rijksvorsten,  nog  onlangs  de 
Republiek  heeft  aangedaan,  en  die,  zonder  de  hulptroepen  die 
ik  haar  toezond,  haar  op  den  rand  van  het  verderf  zou  hebben 
gebracht.  De  nakomelingschap,  die  al  die  gebeurtenissen  niet 
heeft,  boleefd,  zal  de  vraag  doen:  wat  het  loon  en  de  dank  is 
geweest  voor  al  die  weldaden?  Tot  haar  onderricht  zal  ik  haar 
zeggen,  dat  bij  alle  oorlogen,  door  de  koningen,  mijne  voorgan- 
gers, en  door  mij  zei  ven  ondernomen  sedert  meer  dan  eene  eeuw 
legen  de  naburige  mogendheden,  die  Republiek  ons  niet  alleen 
niet  ondersteund  heeft  met  troepen  of  geld,  en  nooit  verder  is 
gegaan  dan  tot  de  perken  van  eene  eenvoudige,  niets  afdoende 


Digitized  by 


Google 


02  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

onzijdigheid^  maar  zelfs  altijd  getracht  heeft,  óf  openlijk  óf  be- 
dekt, ons  te  dwarsboomen  bij  onze  pogingen  tot  uitbreiding  van 
macht.  Wat  nu  gebeurd  is,  bewijst  dit  genoegzaam.  Na  den  dood 
van  Zijne  Katholieke  Majesteit  had  ik  Spanje  te  vergeefs  aan- 
gezocht om  aan  de  Koningin  recht  te  doen  ten  aanzien  van  hare 
wettige  aanspraken-  op  de  Nederlanden.  Vermoeid  door  onop- 
houdelijke weigeringen  had  ik  de  wapens  opgevat  en  den  oorlog 
gevoerd  in  die  gewesten,  om  de  rechten  dier  vorstin  te  doen 
gelden  en  haar  de  Staten  te  doen  teruggeven  die  haar  toekwamen. 
God,  die  de  beschermer  is  van  het  recht,  had  mijne  wapens 
■gezegend  en  ondersteund;  alles  zwichtte  voor  mij,  en  nauw  was 
ik  verschenen,  of  het  meerendeel  van  de  beste  steden  der  Neder- 
landen had  zich  aan  mijn  gezag  onderworpen.  Te  midden  van 
al  dien  voorspoed  ondervond  ik  geen  tegenstand  van  Engeland 
en  van  het  Keizerrijk,  die,  welk  belang  zij  ook  hadden  om  mijne 
snelle  veroveringen  te  stuiten,  evenwel  overtuigd  waren  van  de 
rechtvaardigheid  van  mijne  zaak.  Niets  vond  ik  tegen  mij  dan 
mijn  goede,  trouwe  en  oude  vrienden,  de  Hollanders,  die,  in 
stede  van  te  ijveren  voor  mijne  macht,  als  den  grondslag  van 
hun  Staat,  mij  de  wet  wilden  voorschrijven,  mij  dwingen  om 
vrede  te  sluiten,  en  mij  zelfs  durfden  bedreigen  voor  het  geval 
dat  ik  hunne  bemiddeling  zou  afwijzen.  Ik  beken  dat  hunne 
onbeschaamdheid  mij  erg  krenkte,  en  dat  ik  op  het  punt  was 
om,  op  de  kans  af  van  mijne  veroveringen  in  de  Spaansche 
Nederlanden  in  gevaar  te  brengen,  al  mijne  macht  te  wenden 
tegen  de  trotsche  en  ondankbare  natie ;  maar,  de  voorzichtigheid 
raadplegende  en  in  aanmerking  nemende  dat  ik,  voor  zulk  eene 
onderneming,  geen  troepen  genoeg  had  en  geen  voldoende  bond- 
genooten,  zoo  ontveinsde  ik  mijn  ongenoegen;  ik  sloot  vrede  op 
eervolle  voorwaarden,  met  het  voornemen  om  later  die  snoode 
handeling  te  straffen."  (Rousset,  i*  Deel,  blz.  321 — 323). 

Ziedaar  de  zeer  oprechte  bekentenis  die  Lodewijk  XIV  doet 
van  de  redenen  die  hem  bewogen  hebben  tot  den  oorlog  van 
1672.  Het  is  niet  moeielijk,  in  die  bekentenis  hier  en  daar  be- 
weringen aan  te  wijzen,  die  weinig  overeenkomen  met  de  waar- 
heid van  de  geschiedenis.  Hoe  kan  men  zeggen  dat  in  1672 
de  Fransche  koningen  >  sedert  meer  dan  eene  eeuw"  bij  hunne 
oorlogen,  tegenwerking  hebben  ondervonden  van  de  Republiek? 
Dit  is  eene  ongerijmdheid;  de  Republiek  bestond  op  lange  na 
nog  geen  eeuw  in  1672.  Hoe  kan  men  het  voorstellen,  dat  alleen 
de  machtige  bescherming  van  de  Fransche  koningen  de  vestiging 
van  de  Republiek  mogelijk  heeft  gemaakt ;  of  dat  Frankrijk  ons, 
tijdens  den  tweeden  Engelschen  oorlog,  krachtdadig  heeft  onder- 
steund? —  Hendrik  IV  heeft  de  Republiek  ondersteund,  ja, 
maar  de  Republiek  ook  Hendrik  IV    en  wanneer  men  de  reke- 


Digitized  by 


Google 


AANLEIDING  TOT  DEN  OORLOG  VAN  1672.  63 

ning  eeos  ging  opmaken,  dan  zoii  het  zeer  te  bezien  staan,  of 
dit  bondgenootschap  meer  voordeelig  is  geweest  voor  den  Fran- 
schen  koning^  of  voor  ons.  En  wat  dat  latere  bondgenootschap 
betrof,  de  krijgsmacht  die  Lodewijk  XIV  ons  toezond  tegen  de 
Munsterschen  heeft  niet  veel  bijzonders  uitgericht;  en  de  Fransche 
vloot  nam  toen  bijna  geen  deel  aan  den  oorlog,  maar  had  den 
bepaalden  last  om  het  maar  lijdelijk  aan  te  zien  dat  de  Engelsche 
en  de  HoUandsche  vloot  elkander  onderling  vernielden.  De 
Fransche  Koning  heeft  toen  op  eene  dubbelhartige  en  trouwe- 
looze  wijze  gehandeld;  en  hadden  wij  op  zijne  hulp  moeten 
wachten  om  naar  Chattam  te  gaan,  nooit  hadden  wij  de  oor- 
logsschepen van  Karel  II  op  den  Theems  verbrand. 

Maar  dat  daargelaten;  op  die  onnauwkeurigheden  en  afwij- 
kingen van  de  geschiedkundige  waarheid  in  deze  koninklijke 
verklaring  willen  wij  niet  te  veel  drukken:  een  koning  maakt 
zich  vaak  eene  andere  voorstelling  van  de  geschiedenis  dan  een 
gewoon  mensch.  Zooveel  is  zeker,  dat  Lodewijk  XIV  den  oorlog 
van  1672  gerechtvaardigd  waant  door  de  »triple  Alliantie";  dat 
verbond,  voornamelijk  door  De  Witt  tot  stand  gebracht,  en 
dat  de  verovering  van  de  Spaansche  Nederlanden  door  Frankrijk 
heeft  verhinderd.  Vandaar  dat  die  staatkunde  van  De  Wilt  bij 
velen  afkeuring  en  veroordeeling  ondervindt,  en  wordt  voorge- 
steld als  de  oorzaak  van  de  rampen  die  ons  in  1672  getroffen 
hebben.  Die  eenzijdige  voorstelling  vindt  men  bij  meer  dan  één 
schrijver;  onder  andere  bij  Sirtema^van  Grovestins  in  zijne 
yjtiitoire  des  httes  et  rivalités  politsques  entre  les  puissances  maritimes 
et  la  France  durant  la  seconde  moitié  du  XFII  siècle;''  een  werk  in 
acht  deelen^  dat  in  1853  en  1854  te  Parijs  is  uitgekomen. 

Het  komt  ons  voor,  dat  dit  werk  van  onzen  landgenoot  bij 
ons  te  weinig  bekend  is;  en  wij  gelooven  dat  dit  voor  een  ge- 
deelte is  toe  te  schrijven  aan  den  persoon  van  den  schrijver, 
wien  velen  in  Holland  minder  goed  gezind  waren.  Grovestins 
is  kamerheer  geweest  bij  koning  Willem  I;  indien  wij  ons  niet 
vergissen,  tot  1828,  toen  hij  het  hofleven  vaarwel  zeide  en  zich 
later  te  Parijs  vestigde.  Grovestins  behoorde  tot  de  bestrijders 
van  het  regeeringsstelsel  van  Willem  I,  en  die  waren  toen  bij 
ons  niet  in  aanzien:  dat  regeeringsstelsel  vond  men  toen  zoo 
uitmuntend,  en  dien  koning  vergoodde  men  toen  zoo,  —  om 
later,  misschien  met  niet  minder  overdrijving,  in  een  tegenover- 
gesteld uiterste  te  vervallen.  In  verschillende  geschriften  van  Gro- 
vestins, ook  in  brieven  van  anderen,  door  hem  uitgegeven,  kwamen 
soms  zeer  scherpe,  en  niet  altijd  rechtvaardige  oorteelvellingen 
voor  over  koning  Willem  I  en  de  zijnen;  dat  maakte  den 
schrijver  niet  bemind.  Die  schrijver  schreef  ook  in  het  Fransch, 
en  nam   zoowat   de  houding  aan  alsof  zijn  eigen  land  hem  wat 


Digitized  by 


Google 


04  KRUGS-   £N  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

te  gering  was;  dat  is  ook  niet  het  middel  om  populair  te  wor- 
den. En  eindelijk  —  ook  een  erge  grief  —  Grovestins  toonde 
zich  vaak  vijandig  gezind  tegen  de  Hervorming,  en  gunstig  ge- 
zind voor  het  Katholicisme.  Neemt  men  dat  alles  te  zamen^ 
dan  zal  men  het  zeer  verklaarbaar  vinden,  waarom  men,  bij  ons 
te  lande,  niet  hoog  wegliep  met  Grovestins;  —  was  dit  evenwel 
eene  reden  om  zijne  werken  onvermeld  en  onopgemerkt  te  laten, 
om  hem  —  om  het  zoo  eens  uit  te  drukken  —  dood  te 
zwijgen?  Volstrekt  niet,  zoo  iets  is  geheel  af  te  keuren;  maar 
zoo  iets  is  bij  ons  geen  ongewone  handeling:  wanneer  er  bij 
ons  lastige,  onaangename  waarheden  worden  gezegd,  dan  gaat 
men  ze  dikwijls  maar  onopgemerkt  voorbij  en  doet  alsof  er  niets 
was  gezegd.  Zeker,  men  is  niet  verplicht  ieder  onbeduidend  war- 
hoofd te  beantwoorden  en  te  wederleggen;  maar  het  is  geen 
ronde,  mannelijke  handeling,  de  polemiek  te  ontwijken,  over  ge- 
wichtige onderwerpen,  met  eerlijke,  degelijke  menschen. 

Dat  werk  nu,  van  Grovestins,  dat  wij  hier  noemden,  behan- 
delt een  onderwerp  van  hoog  belang  en  bevat  zeer  veel  be- 
langrijks; de  schrijver  heeft  gebruik  gemaakt  van  een  groot  aan- 
tal zeer  goede  bronnen;  onder  andere  van  de  briefwisseling 
van  Willem  III  met  den  Raadpensionaris  Heinsius:  die  brieven 
waren  in  het  bezit  van  de  familie  Van  der  Heim,  waaraan  de 
schrijver  verwant  was.  Er  kunnen  zeer  gegronde  aanmerkingen 
worden  gemaakt  op  dezen  arbeid  van  Grovestins;  onder  andere 
heeft  hij  de  manie  van  uit  de  hoogte  neer  te  zien  op  alles 
wat  krijgsverrichtingen  b^etreft,  en  het  verhaal  daarvan  te  be- 
schouwen als  der  geschiedenis  onwaardig;  —  misschien  een 
zijdelingsche  aanval  op  Thiers ;  —  Grovestins  drijft  dit  zwak  zóó 
ver,  dat  hij,  bij  de  vermelding  van  de  ontruiming  van  Holland 
door  de  Fransche  troepen  in  het  begin  van  1674,  gewag  maakt 
van  een  veldslag,-  die  nooit  heeft  plaats  gehad,  en  waarvan  schijn 
noch  schaduw  is  geweest.  Zoo  zijn  er  nog  meer  aanmerkingen 
te  maken;  —  maar  dit  belet  niet,  dat  dit  werk  van  Grovestins 
ten  volle  verdient  gelezen  en  overwogen  te  worden. 

En  wanneer  wij  hier  dit  oordeel  uitspreken,  dan  is  dit  in  zoo 
ver  onpartijdig,  omdat  wij  juist  niet  bijzonder  ingenomen  zijn 
met  den  geest  die  in  dit  werk  van  Grovestins  heerscht.  De 
schrijver  loopt  hoog  weg  met  Willem  III;  —  daar  hebben  wij 
niets  op  tegen;  ook  wij  deelen  in  die  ingenomenheid,  al  is  het 
dat  wij  Macaulay's  schets  van  dien  held  veel  te  geïdealiseerd 
vinden.  Grovestins  staat  verder  de  meening  voor,  dat  de  oor- 
logen van  Willem  III  tegen  Lodewijk  XIV  volstrekt  geen  gods- 
dienstoorlo^n  zijn  geweest,  geen  kamp  van  het  protestantisme 
tegen  het  katholicisme;  —  ook  die  meening  is  goed  vol  te 
houden  en  bevat  veel  waarheid,  al  valt  het  niet  te  ontkennen 
dat  toch  ook  godsdienstige   drijfveeren  bij  die  oorlogen  in  het 


Digitized  by 


Google 


AANLEIDING  TOT  DEN  OORLOG  VAN  1672.  65 

spel  zijn  geweest,  vooral  na  de  herroeping  van  het  Edikt  van 
Nantes.  Wat  wij  echter  geheel  en  al  afkeuren,  dat  is  het  oor- 
deel van  Grovestins  over  Jan  de  Wilt:  niet  alleen  dat  hij  de 
staatkunde  van  den  grooten  Raadpensionaris  veroordeelt,  maar 
ook  spreekt  hij  over  hem  op  een  toon  van  minachting,  die 
onrechtvaardig  en  onbetamelijk  is.  —  Een  enkel  woord  over  die 
staatkunde. 

Wie  geen  volslagen  vreemdeling  is  in  onze  geschiedenis,  weet 
dat  er  in  onze  Republiek  twee  groote  staatspartijen  zijn  geweest : 
de  Stadhouderlijken,  de  Prinsgezinden  of  Oranjemannen ;  en  de 
Siaatsgeztnden,  de  Patriotten  of  de  Loevesteinsche  factie,  —  wel- 
ken naam  men  ze  geven  wil.  De  eene  parlij,  de  Oranjepartij, 
steunde  op  eenige  adellijke  geslachten,  voornamelijk  in  de  land- 
provinciën,  op  het  leger,  op  de  protestantsche  geestelijkheid,  en 
op  de  groote  massa  van  het  volk,  op  wat  men  nu  soms  noemt 
>het  volk  achter  de  kiezers".  De  andere  partij  had  voor  zich  de 
Regenten  der  steden  en  die  daartoe  behoorden ;  de  oude  Patrici- 
sche  geslachten,  die  een  zoo  hoog  gevoel  van  eigenwaarde  had- 
den, dat  zij  zich  ver  boven  den  adel  stelden;  en  het  verlichtste 
gedeelte  van  de  burgerij ;  —  die  partij  bestond  uit  het  kundigste, 
beste,  edelste  deel  des  volks;  hare  hoofden  kenmerkten  zich 
meestal  door  verstand,  ruime  inzichten,  een  verlichten  en  ver- 
draagzamen  godsdienstzin;  zij  waren  zeer  vrijheidsgezind,  —  in 
dien  zin,  dat  zij  noode  een  meester  over  zich  duldden,  maar 
gaarne  den  roeester  speelden  over  anderen;  wat  hun  het  meeste 
tegenstond,  dat  was  de  heerschappij  van  de  groote  massa,  van 
het  gemeen:  > liever  vtrheerd^  dan  \txknechf\  waren  Oldenbarne- 
veld's  woorden.  In  den  regel  waren  de  Prinsgezinden  meer  op 
de  hand  van  Engeland;  de  Staatsgezinden  op  die  van  Frankrijk. 

Die  twee  groote  staatspartijen  droegen  elkander  een  feilen 
haat  toe,  die  zich  dikwijls  op  de  ruwste  en  heftigste  wijze  open- 
baarde ,  en  in  de  tegenstanders  alles  kwaads  zag.  De  eene  partij 
had  in  dat  opzicht  de  andere  niet  veel  te  verwijten;  beide 
ontzagen  zich  niet  om  de  haar  vijandige  hoofden  en  leiders  op 
de  hevigste  wijze  aan  te  randen  en  van  de  ergste  misdrijven  te 
beschuldigen.  De  haat  der  vijanden  van  Oldenbarneveld  ging 
zóó  ver,  dat  zij  hem  voorstelden  als  een  man  die  om  God  noch 
zijn  gebod  gaf  en  een  zeer  duister  verleden  had;  den  dag  dat 
de  De  Witten  vermoord  zouden  worden,  gingen  er  in  Den  Haag 
liedjes  rond  van  dit  allooi: 

♦  Lucifer  roept  uit  de  hel: 
Waaneer  De  Witt  doar  komen  zei  ? 
De  Burgers  roepen  uit  Den  Haag: 
Wacht  hem  t'  avond  in  uw  maag." 


WILLEM   ni.   —  I. 


Digitized  by 


Google 


66  KRIJGS-   EN   GESCHIKDKUNDIGB   BESCHOUWINGEN. 

En  men  moet  wel  in  het  oog  houden,  dat  men  toen  geloofde 
aan  >Lucifer"  en  aan  >de  hel";  in  onze  dagen  zou  zulk  een 
rijmpje  minder  beduiden;  in  1672  was  het  een  krachtige  ver- 
wensching,  door  den  volkshaat  uitgesproken.  De  Patriotten  gaven 
in  hevigheid  aan  de  Prinsgezinden  niets  toe;  om  maar  eens  iets 
te  noemen,  de  arme  Willem  V,  een  goedaardige  sukkel,  werd 
soms  als  iets  heel  gewoons  bij  Nero  en  Caligula  vergeleken.  De 
beschuldiging  van  heulen  met  den  vijand,  van  landverraad,  was 
een  zeer  gewone  beschuldiging  die  men  elkander  naar  het  hoofd 
wierp:  de  Stadhouders  stonden  naar  het  hoog  gezag,  en  daarom 
zochten  zij  hulp  bij  het  buitenland  en  bij  onze  vijanden;  het  was 
hiin  schuld  dat  de  Duinkerkers  zeeroof  pleegden,  of  dat  bij  den 
Amerikaanschen  oorlog  onze  zeehandel  niet  beschermd  werd 
tegen  de  Engelschen;  Oldenbarneveld  was  door  de  Spanjaarden 
omgekocht,  Jan  de  Witt  door  Frankrijk;  —  deze  en  soortgelijke 
ongerijmde  beschuldigingen  waren  toen  gewone  zaken.  Geen 
heviger  partijschriften  dan  die,  welke  tijdens  de  Republiek  bij 
ons  uitkwamen;  geen  losbandiger  drukpers  dan  toen;  en  toch, 
vrijheid  van  drukpers  bestond  er  eigenlijk  niet;  de  schrijvers 
van  blauwboekjes  en  pamfletten  stonden  bloot  aan  zware  straffen, 
wanneer  zij  ontdekt  en  gegrepen  werden,  maar  het  was  toen  zoo 
moeielijk  om  een  schotschrijver  te  ontdekken,  en  zoo  gemakkelijk 
kon  hij  zich  onttrekken  aah  het  gerecht,  welks  macht  dikwijls 
niet  verder  reikte  dan  tot  de  muren  der  stad  waar  het  zetelde. 

Aan  den  verbitterden  en  blinden  partij  haat  moet  men  veel 
vergeven;  maar  onvergeeflijk  is  het,  nu  nog  aan  te  komen  met 
die  aantijgingen  van  omkooping  en  landverraad;  en  ddt  is  eene 
grief  die  wij  tegen  het  werk  van  Grovestins  hebben.  Die  schrijver, 
zich  grondende  op  een  losse  en  door  niets  gestaafde  bewering, 
in  een  der  brieven  van  Luxembourg  voorkomende,  beschuldigt 
er  Jan  de  Witt  van,  in  1672  met  Frankrijk  in  verstandhouding 
te  hebben  gestaan.  Het  is  niet  noodig  om  in  ernst  te  antwoorden 
op  zulk  een  beschuldiging:  zij  schaadt  alleen  hem  die  haar  doet. 

Wie  had  nu  eigenlijk  gelijk,  de  Stadhouderlijke  partij  of  de 
Staatsgezinde?  aan  welke  zijde  was  het  recht?  —  Het  is  zeer 
moeielijk  op  die  vragen  een  bepaald  antwoord  te  geven:  elke 
der  beide  partijen  had  hare  goede,  hare  groote  zijde ;  de  waarde 
van  eene  partij  hangt  veel  af  van  de  waarde  van  hare  hoofden, 
en  in  dat  opzicht  zijn  beide  evenzeer  gelukkig  geweest:  Willem 
de  Eerste,  Maurits,  Frederik  Hendrik,  Willem  de  Derde  zijn 
heröen  geweest,  sterren  van  de  eerste  grootte;  maar  de  Staats- 
gezinde partij  kon  ook  bogen  op  tal  van  uitstekende  mannen, 
volkomen  geschikt  om  als  hoofden  van  den  Staat  op  te  treden: 
Oldenbarneveld.  de  Witt,  Van  Beverningh,  Van  Beuningen,  Hop, 
Heinsius  zijn  ontzagwekkende  gestalten  in  onze  geschiedenis. 

Het  streven  van  de  Oranjepartij  was  gericht  op  een  nauw  ver- 


Digitized  by 


Google 


AANLEIDING  TOT  DEN  OORLOG  VAN  1672.         '  6^ 

band  tusschen  de  Vereenigde  Gewesten,  op  meer  eenheid  van 
macht,  berustende  in  de  handen  van  een  enkelen  Stadhouder,  op 
eene  meer  Europeesche  staatkunde.  De  Staatsgezinde  partij  daaren- 
tegen streefde  naar  eene  meer  HoUandsche  staatkunde,  naar  eene 
staatktmde  die  zich  alleen  ddn  naar  buiten  deed  gelden,  als  dit 
hoog  noodig  was;  die  partij  streefde  naar  beperking  van  het 
gezag  des  Stadhouders,  en  naar  de  zelfstandigheid  van  elke  der 
zeven  Vereenigde  Provinciën;  die  partij  beschouwde  de  Repu- 
bliek als  een  bondgenootschap  tusschen  zeven  van  elkander  onaf- 
hankelijke Staten;  de  Prinsgezinden  neigden  er  toe,  om  van  de 
zeven  gewesten  één  Staat  te  maken.  Holland  was  meest  de 
Staatsgezinde  partij  toegedaan,  omdat  het,  op  zich  zelve  blijvende, 
door  zijn  grootere  macht  en  rijkdom,  de  andere  gewesten  dan 
gemakkelijk  naar  zijne  inzichten  kon  doen  handelen;  Holland 
was  toen,  om  zoo  te  zeggen,  de  Republiek;  en  in  Holland  had 
de  enkele  stad  Amsterdam  zooveel  gewicht  in  de  schaal  te  leg- 
gen, alsof  zij  alleen  eene  mogendheid  was.  Willem  de  Derde 
—  in  zijne  brieven  —  komt  er  gedurig  op  terug,  dat  men  ide 
Heeren  van  Amsterdam"  moet  ontzien,  >de  Heeren  van  Amster- 
dam" voor  zich  moet  winnen.  De  onderneming  van  1688,  die 
Willem  den  Derde  op  den  Engelschen  troon  bracht,  was  alleen 
mogelijk  nadat  Witsen  en  andere  burgemeesters  van  Amsterdam 
daarvoor  gewonnen  waren. 

De  staatsregeling  van  de  Republiek  was  uitermate  gebrekkig, 
en  te  vergeefs  zou  men  daarin  eene  juiste  afbakening  willen 
zoeken  van  de  grenzen  der  verschillende  staatsmachten;  nu  eens 
was  de  eene  partij  aan  het  hoofd,  dan  weder  de  andere,  al  naar 
gelang  de  omstandigheden  dit  medebrachten  en  vooral  naar  ge- 
lang er  een  man  van  groote  en  uitstekende  bekwaamheden  optrad ; 
zulk  een  man  had  dan  metterdaad  het  hoog  gezag  in  handen; 
hij  regeerde,  hij  oefende  het  dictatorschap  van  het  Genie  uit.  Zoo 
kan  men  zeggen  dat  De  Witt  een  twintig  jaar  ger^eerd  heeft, 
Willem  de  Derde  een  kleine  dertig;  De  Witt  van  zijn  eerste 
optreden  als  Raadpensionaris,  kort  na  den  dood  van  Willem  den 
Tweede,  tot  in  1672;  Willem  III,  van  1672  tot  zijn  dood.  — 
Wat  hebben  beiden  van  de  Republiek  gemaakt? 

De  Witt  heeft  vooral  den  bloei  en  de  welvaart  van  Holland 
beoogd  en  die  in  hooge  mate  behartigd;  de  geldmiddelen  lieten 
onder  zijn  beheer  niets  te  wenschen  over;  de  oorlogsvloot  ont- 
ving eene  uitbreiding,  die  ongekend  was ;  het  krijgswezen  te  lande 
werd  verwaarloosd,  —  echter  niet  alleen  door  de  schuld  van 
De  Witt.  De  Raadpensionaris  had  eene  HoUandsche  staatkunde, 
en  was  weinig  geneigd  om  zich  bezig  te  houden  met  de  groote, 
algemeene  belangen  van  Europa;  toch  werd  hij  door  den  drang 
der  omstandigheden  gedwongen  om  herhaaldelijk  oorlog  te  voe- 
ren,  meestal   zee-oorlogen,  die  bijna  alle  roemrijk   werden   ten 


Digitized  by 


Google 


68  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

einde  gebracht:  de  eerste  en  de  tweede  Engelsche  oorlog  —  de 
eerste  gaat  eigenlijk  De  Witt  minder  aan  — ,  en  de  oorlog  in 
het  Noorden,  toen  de  Republiek  Denemarken  beschermde  tegen 
Zweden's  wapenmacht.  Eindelijk  achtte  De  Witt  het  noodig,  tus- 
schenbeide  te  treden  om  de  heerschzucht  van  Lodewijk  XIV  te 
beteugelen,  toen  deze  de  Spaansche  Nederlanden  wilde  veroveren. 

Die  laatste  handeling  van  De  Witt  vindt  bij  velen  hooge 
afkeuring;  zij  hebben  die  handeling  voorgesteld  als  een  roeke- 
looze  uittarting  van  het  machtige  Fransche  rijk,  als  de  oorzaak 
van  de  rampen  die  ons  in  1672  hebben  getroffen.  Wij  vereenigen 
ons  volstrekt  niet  roet  zulk  eene  voorstelling;  wij  gelooven  inte- 
gendeel dat  die  handeling  van  De  Witt  hoogen  lof  verdient. 

Stel  u  de  zaken  voor  zooals  zij  waren  in  1667  en  1668,  toen 
Lodewijk  XIV  zich  meester  wilde  maken  van  de  Spaansche 
Nederlanden.  De  Witt  regeert  toen  in  de  Republiek;  —  regeert, 
wij  weten  zeer  goed  dat  dit  woord,  in  den  stipten  zin,  niet  juist 
is;  dat  De  Witt  rechtens  niet  het  hoofd  was  van  den  Staat^ 
maar  hij  was  dit  metterdaad;  —  De  Witt  regeert  in  de 
Republiek ;  De  Witt,  het  uitstekende  hoofd  van  de  Staatsgezinde 
partij,  de  vijand  van  het  Huis  van  Oranje,  de  zoon  van  Jakob 
de  Witt,  een  der  slachtoffers  van  de  heerschzucht  en  willekeur 
van  den  Stadhouder  Willem  den  Tweede,  de  zoon  van  dien  som- 
beren en  haatdragenden  grijsaard,  die  hem  gedurig  toeriep  >denk 
aan  Loevestein".  De  Witt  komt  in  zijn  buiten landsche  staatkunde 
telkens  in  aanraking  met  Engeland  en  Frankrijk;  Engeland,  dat 
de  Stadhouderlijke  partij  op  alle  mogelijke  wijzen  ondersteunde; 
Frankrijk,  dat  die  partij  tamelijk  ongenegen  was,  zoo  niet  vijan- 
dig. Wat  is  dus  natuurlijker  dan  dat  De  Witt,  in  het  belang 
van  zijn  eigen  gezag  en  van  de.  grootheid  van  zijne  partij,  het 
bondgenootschap  van  Frankrijk  aanneemt. 

Maar  nu  komt  het  oogenblik  waarop  Lodewijk  XIV  de  Spaansche 
Nederlanden^  wil  veroveren  en  daardoor  de  onmiddellijke  nabuur 
van  de  Republiek  zal  worden.  Had  De  Witt  toen  enkel  gelet 
op  zijn  eigen  belang,  of  op  het  belang  van  zijne  partij,  dan  had 
hij  Lodewijk  XIV  toen  ongehinderd  laten  begaan;  maar  De 
Witt  lette  op  het  belang  van  het  vaderland;  hij  zag  het  dreigende 
gevaar  in,  van  de  Fransche  legers  zoo  onmiddellijk  aan  onze 
grenzen  te  hebben;  en  om  dat  gevaar  af  te  wenden  sloot  hij 
met  Engeland  en  Zweden  dat  drievoudig  verbond,  dat  Lodewijk 
dwong  den  oorlog  te  staken  en  af  te  zien  van  de  voorgenomen 
verovering  van  de  Zuidelijke  Nederlanden.  —  Indien  die  hande- 
ling van  De  Witt  geen  edele,  lofwaardige  handeling  is  geweest, 
dan  begrijpen  wij  er  niets  van. 

Maar  het  was  eene  onvoorzichtige  handeling,  —  wordt  dan 
gezegd;  —  men  stelde  zich  daardoor  bloot  aan  den  toorn  van 
den  machtigen  Franschen  koning. 


Digitized  by 


Google 


AANLEIDING  TOT  DEN  OORLOG  VAN  1672.  69 

Eene  onvoorzichtige  handeling  ?  —  Dat  de  triple  Alliantie  het 
ongenoegen  van  Lodewijk  XIV  zou  opwekken,  dat  was  vrij  dui- 
delijk; maar  dat  ongenoegen  kon  minder  kwaad,  zoolang  men 
Engeland  en  Zweden  als  bondgenooten  had.  Kon  men  verwachten 
dat  die  bondgenooten  ons  zoo  spoedig  zouden  verlaten,  dat  zij 
zoo  spoedig  door  het  Fransche  goud  zouden  gewonnen  worden, 
en  dat  een  zeer  klein  aantal  jaren  voldoende  zou  zijn,  om 
Engeland  van  onzen  bondgenoot  in  onzen  bittersten  vijand  te 
verkeeren  ?  Is  het  De  Witt  als  schuld  toe  te  rekenen,  dat  hij  niet 
gedacht  heeft  aan  zoo  schaamtelooze  kwade  trouw,  aan  zoo  erge 
eerloosheid  f 

Ziedaar  wat  men  kan  zeggen  van  de  regeering  van  De  Witt. 
Wat  nu  heeft  de  regeering  van  Willem  den  Derde  gedaan? 

Groote,  roemrijke  zaken,  dat  lijdt  niet  den  minsten  twijfel. 
De  verdediging  van  ons  vaderland  in  1672  en  1673;  de  aan- 
houdende en  heldhaftige  worsteling  tegen  de  heerschzucht  van 
Lodewijk  XIV;  de  onvermoeide  kamp  voor  Europa's  vrijheid; 
het  bevrijden  van  Engeland  van  het  juk  van  dweepzucht  en 
dwingelandij ;  het  scheppen  van  een  uitmuntend  Hollandsch  leger, 
dat  zich  met  roem  overlaadde,  zoowel  op  de  slagvelden  van 
Séneffe  en  van  Fleurus  als  later  bij  de  veldslagen  van  den 
Spaanschen  Successie- oorlog ;  —  dat  alles  en  meer  heeft  men 
aan  Willem  den  Derde  te  danken ;  en  dat  alles  omgeeft  zijn  naam 
met  een  onsterfelijk  en  roem. 

Maar  nu  de  schaduwzijde.  Een  uitmuntend  leger  is  geschapen ;  — 
is  de  HoUandsche  oorlogsvloot  onverminderd  gebleven?  —  De 
Republiek  heeft  toen  eene  schitterende  rol  gespeeld ;  —  heeft  zij 
zich  daarbij  niet  overspannen,  hare  krachten  niet  uitgeput,  hare 
latere  verzwakking  niet  voorbereid?  —  Wij  hebben  toen  Enge- 
land bevrijd;  —  hebben  wij  ons  toen  weten  te  vrijwaren  tegen 
de  aanmatigingen  van  Engeland's  heerschzucht;  hebben  wij  toen 
ónze  belangen,  ónze  staatkunde  niet  ondergeschikt  gemaakt  aan 
de  belangen  en  de  staatkunde  van  Engeland;  zijn  wij  toen  niet 
de  sloep  geworden,  lijdelijk  in  het  zog  blijvende  van  het  groote 
Engelsche  schip?  —  Willem  III  is  de  kampvechter  geweest  voor 
Earopa's  vrijheid;  —  maar  hij  heeft  daarbij  de  hulpmiddelen 
van  ons  land  op  de  meest  kwistige  wijze  gebruikt;  hij  heeft  de 
belangen  van  Europa  meer  behartigd  dan  de  onze.  Grovestins 
is  oprecht  genoeg  om  dit  laatste  te  erkennen,  maar  tracht  dit 
goed  te  maken  door  de  aanmerking:  dat  iedere  Staat  er  naar 
moet  streven  om,  zelfs  ten  koste  van  eigen  welzijn,  de  taak  te 
vervullen,  die  het  meest  met  de  wereldorde  overeenkomt;  — 
een  zeer  wijsgeerige  troost,  die  echter  niet  algemeen  ingang  zal 
vinden. 

Wij  hebben  door  deze  beschouwingen  over  de  staatkunde  van 
De  Witt  en   die  van  Willem  III  volstrekt  niet  de  eerste  willen 


Digitized  by 


Google 


7 o  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

verheffen  ten  koste  van  de  tweede;  wij  hebben  alleen  willen 
doen  uitkomen,  dat,  zoo  de  regeeringsdaden  van  Willem  III 
grootscher  zijn  geweest  en  heilrijker  voor  geheel  Europa,  de 
regeeringsdaden  van  De  Witt  daarentegen  meer  geëigend  waren 
voor  Holland,  meer  dienstig  zijn  geweest  voor  de  Hollandsche 
belangen.  Vooral  hebben  wij  onze  stem  willen  verheffen  tegen 
de  verwatenheid,  die  uit  de  hoogte  durft  nederzien  op  De  Witt's 
bestuur.  Dat  bestuur  verdient  hoogen  lof;  De  Witt  is  een  der 
krachtigste  en  grootste  karakters  geweest,  die  in  de  geschiedenis 
voorkomen;  hij  heeft  zijn  vaderland  met  roem  omgeven,  en 
onvermoeid  en  met  zelfopoffering  gewaakt  voor  het  welzijn  van 
dat  vaderland.  De  zwaan  —  het  zinnebeeld  waaronder  De  Witt 
soms  wordt  voorgesteld  —  heeft  de  haren  trouw  verdedigd  tegen 
de  aanranding  van  wreede  vijanden. 


Lodewijk  had,  volgens  zijne  eigene  verklaring,  >geen  troepen 
genoeg  en  geen  voldoende  bondgenooten"  om,  dadelijk  na  het 
sluiten  van  de  triple  Alliantie,  de  Republiek  den  oorlog  aan  te 
doen;  maar  de  drie  of  vier  jaar  tusschen  die  Alliantie  en  1672 
werden  door  den  Franschen  koning  gebruikt  om  daarin  verbete- 
ring te  brengen.  De  bondgenooten  van  de  Republiek  werden 
haar  ontrouw  gemaakt  en  grootendeels  aan  Frankrijk's  zijde  ge- 
bracht; en  de  Fransche  legers  werden  voortdurend  versterkt. 
Omtrent  dit  laatste  vindt  men  bij  Rousset  belangrijke  bijzonder- 
heden, die  duidelijk  aantoonen  hoe  de  legers  van  Lodewijk, 
evenals  alle  legers  van  dien  tijd,  voor  een  goed  gedeelte  uit 
vreemdelingen  bestonden. 

>Heel  het  Westen  van  Europa"  —  zegt  Rousset,  eerste  deel, 
bladzijde  328  — >werd  op  schatting  gesteld  om  hem"  (Louvois) 
> soldaten  te  verschaffen.  Wij  spreken  hier  niet  van  de  bondge- 
nooten die  rechtstreeks  belang  hadden  bij  den  oorlog,  en  wier 
legerafdeelingen  een  sterkte  hadden,  door  de  verdragen  bepaald, 
en  streden  naast  de  Fransche  legers,  maar  met  hunne  eigene 
aanvoerders  en  onder  hun  eigen  vaandel ;  dit  waren  de  Keulsche 
en  de  Munstersche  troepen,  en  de  Britsche  regimenten  van  Karel  II. 
Er  is  hier  zelfs  geen  sprake  van  die  vreemdelmgen-korpsen,  altijd 
voor  iedereen  openstaande,  en  die  aangevuld  werden  met  over- 
loopers  en  fortuin  zoekers,  sommigen  gelokt  door  Frankrijk's 
militairen  naam,  maar  het  meerendeel  door  het  lokaas  van  een 
hooge  soldij.  De  toevloed  van  zulke  avonturiers  was  in  1672 
aanmerkelijk;  Louvois  was  daardoor  in  staat  gesteld  om  twee 
regimenten  lersche  infanterie  op  te  richten,  een  Engelsch,  een 
Duitsch,  een  Spaansch,  —  zonder  nog  acht  regimenten  'ruiteri) 
meê  te  rekenen.  Wij  spreken  van  de  onzijdige  mogendheden, 
vooral  van  de  kleine  Staten  van  Italië,  Frankrijk  meer  of  minder 


Digitized  by 


Google 


TOEBEREIDSELEN.  ^  I 

genegen,  en  die  het  moesten  toelaten,  soms  aanmoedigen,  dat  er 
op  hun  eigen  grondgebied  openlijk  voor  Frankrijk  werd  gewor- 
ven. Gaarne  zagen  zij  dit  echter  niet." 

Te  Venetië  gelukten  die  wervingen  niet;  wél  te  Parma,  Modena, 
Lucca,  en  Florence :  >een  nieuwe  zendeling,  Camus  Duclos,  slaagde 
er  in,  in  korten  tijd  een  prachtig  regiment  voetvolk  aan  te  wer- 
ven, dat  Royal-ltalien  genoemd  werd,  en  ongeveer  3000  man  sterk 
was."  (bl/.  329). 

Van  Genua  wordt  gezegd  (blz.  329 — 330) : 

iDe  Genueezen  betoonden  zich  aanvankelijk  niet  rekkelijker 
dan  de  Venetianen;  toen  Louvois  hen  rechtstreeks  vroeg  om 
gemachtigd  te  worden  een  regiment  voetvolk  in  Corsica  aan  te 
werven,  gaven  zij  lang  een  weigerend  of  ontwijkend  antwoord. 
Het  was  niet  vóór  Mei  1673  ^^^  ^^^  »Hollanders  van  Italië", 
tot  het  uiterste  gebracht  door  het  in  beslag  nemen  van  hunne 
galeien,  er  in  toestemden  om  1200  man  te  leveren..." 

Wat  Piémont  belreft,  de  Hertog  van  Savoye,  Karel  Emmanuel, 
wordt  gewonnen,  doordien  zijn  zoon  van  Lodewijk  XIV  ten  ge- 
schenke ontvangt  een  regiment  voetvolk  en  een  regiment  ruiterij, 
maar  —  van  de  Piémonteesche  troepen.  Een  vreemde  manier,  om 
iemand  een  geschenk  te  doen  van  zijn  eigen  goed!  Karel  Emma- 
nuel is  zeer  weinig  ingenomen  met  die  eer;  maar  half  door 
bedreiging  wordt  hij  gedwongen  dit  aan  te  nemen: 

> Karel  Emmanuel,  hoezeer  gekrenkt  en  misnoegd,  aanvaardde 
of,  om  juister  te  spreken,  gaf,  hoewel  met  tegenzin,  eerst  het 
regiment  ruiterij,  en  eenige  maanden  later  het  regiment  voetvolk. 
Eindelijk,  na  een  rampspoedigen  aanval  op  de  Genueezen,  waar- 
door hij  zijne  wapeningen  zoozeer  had  uitgebreid  dat  het  hem 
onmogelijk  was  langer  gebrek  aan  macht  voor  te  wenden,  werd 
hij  gedrongen,  op  het  laatst  van  het  jaar  1672,  aan  Lodewijk  XIV 
nog  drie  andere  regimenten  voetvolk  te  geven,  te  zamen  omstreeks 
4  a  5000  man  sterk.  Tot  den  Nijmeegschen  vrede"  (1678) 
>werden  al  die  korpsen  voltallig  gehouden  door  wervingen  in 
Piémont;  maar  zij  werden  betaald  als  de  Fransche  regimenten, 
en  in  alles  op  dezelfde  wijze  behandeld;  zoodat  Lodewijk  XIV 
zich  de  bevoegdheid  deed  geven  door  de  Piémonteesche  regee- 
ring —  of  liever,  de  regeering  dat  afdwong  —  om  de  openval- 
lende plaatsen  aan  te  vullen,  evenals  bij  zijne  eigene  troepen..." 
(!•  deel,  blz.  332). 

Bij  de  Zwitsers  wordt  door  Louvois  gezonden  een  bekwaam 
en  eerlijk  officier,  Stoppa,  uit  Grauwbunderland  afkomstig;  — 
bij  onze  schrijvers  wordt  hij  Stouppa  genoemd ;  zijn  naam  komt 
veel  voor  bij  de  k rijgsverrichtingen  van  1672  en  1673.  Bij  zijne 
pogingen  om  in  Zwitserland  troepen  aan  te  werven  stuitte  hij 
aanvankelijk  op  bezwaren;  de  godsdienst  kwam   hierbij  in  het 


Digitized  by 


Google 


72  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

spel;   lang   duurde  dit  echter  niet^  en  spoedig  slaagde  Stoppa 
volkomen  in  het  doel  zijner  zending: 

>Ternauwernood  was  Stoppa  begonnen  met  eenige  van  zijne 
voorstellen  te  uiten  —  want  hij  wachtte  zich  wel  om  met  alle 
te  gelijk  voor  den  dag  te  komen  —  of  hij  had  te  antwoorden 
op  een  menigte  aanmerkingen  van  staatkundigen  of  godsdien- 
stigen  aard.  Sommigen  trokken  partij  voor  den  Keizer,  en  be- 
weerden dat  de  Koning  van  Frankrijk  met  een  leger  van  hon- 
derdduizend man  Duitschland  wilde  binnentrekken,  om  Monseig- 
neur den  Dauphijn  met  geweld  tot  Roomsch  koning  te  verheffen." 
Anderen,  die  beter  onderricht  waren,  spraken  van  den  oorlog 
tegen  de  Hollanders,  maar  als  van  een  godsdienstoorlog.  De 
predikanten  in  de  Hervormde  kantons  t  preekten  een  menigte 
dwaasheden  tegen  die  werving;  de  voornaamste  in  deze  stad."  — 
Stoppa  schrijft  uit  Bern  —  >is  als  door  den  duivel  bezeten  over 
deze  zaak.  Sedert  eenigen  tijd  wordt  op  den  preekstoel  gebeden 
voor  de  arme  vervolgde  Hervormde  Kerk  in  Frankrijk."  Maar 
die  groote  beweging  in  de  gemoederen  komt  hem  verdacht 
voor,  en  met  een  jammerlijk  scepticisme  voegt  hij  er  bij: 
>eenig  geld,  dat  de  Hollanders  hieraan  besteden,  brengt  dit 
alles  te  weeg."  Ongetwijfeld  dwaalde  Stoppa  hierin ;  de  gemoeds- 
beweging bij  de  Hervormden  was  oprecht,  maar  zij  belette  niets; 
zij  bracht  op  zijn  hoogst  te  weeg,  dat  de  zendeling  van  Louvois, 
om  haar  te  bestrijden,  een  ruimer  gebruik  moest  maken  van  de 
geldelijke  argumenten.  Zooveel  is  zeker,  dat  hij,  na  van 
Bern  gereisd  te  zijn  naar  Bazel,  en  van  Bazel  naar  Fribourg,  in 
twee  maanden  tijds  zijn  zending  had  volbracht,  en  toen  aan  den 
Minister  kon  schrijven  —  in  dien  stijl  waar  Louvois  zooveel  van 
hield,  een  stijl  van  feiten  en  cijfers:  —  > vergis  ik  mij  niet,  dan 
zult  gij  het  getal  van  99  compagnieën  hebben,  daaronder  be- 
grepen 1200  man  voor  de  aanvulling;  dit  zal  dus  niet  ver  zijn 
van    19000  man,   de  garde  niet  medegerekend."  (i*  deel,   blz. 

333—334). 

Van  Lennep  is  een  uitmuntend  prozaschrijver;  —  als  dichter 
staat  hij  minder  hoog.  Zijn  proza  is  zoo  natuurlijk  en  eenvoudig, 
zoo  door  en  door  Hollandsch,  zoo  helder  en  duidelijk,  zoo  vol 
geest  en  goeden  smaak,  dat  het,  in  weerwil  van  alle  betweters, 
altijd  bij  ons  in  hooge  waarde  zal  blijven.  Van  Lennep  was  niet 
erg  Duitschgezind,  en  had  vooral  een  afkeer  van  de  overdreven 
grondigheid  van  vele  Duitsche  schrijvers,  die  gepaard  gaat  met 
zooveel  omslachtigs  en  zooveel  duisters;  hierin  had  de  schrijver 
van  „Ferdinand  Huyck^^  nu  juist  geen  ongelijk;  —  maar  wel  had 
hij  ongelijk,  wanneer  die  afkeer  hem  in  een  tegenovergesteld 
uiterste  deed  vervallen,  zooals  wel  eens  gebeurde.  Van  Lennep 
bleef  wel  eens  te  veel  aan  de  oppervlakte  der  zaken ;  en  ver- 
kondigde  dan  soms  als  eene  waarheid  wat  bij  nader  onderzoek 


Digitized  by 


Google 


TOEBEREIDSKLBN.  73 

niets  anders  bleek  te  zijn  dan  een  paradox,  onbedacht  geuit  en 
geestig  volgehouden. 

Z0OO  heeft  Van  Lennep  in  een  zijner  romans  —  vergissen  wij 
ons  niet,  dan  is  het  in  ide  Pleegzoon"  —  de  stelling  geuit, 
dat  wij  ongelijk  hebben  van  ons  te  verhoovaardigen  op  den 
roem  van  den  tachtigjarigen  oorlog;  dat  bij  dien  oorlog  vreem- 
delingen van  verschillende  landen  voor  ons  hebben  gestreden; 
want  dat  er  bij  de  legers  van  Maurits  en  van  Frederik  Hendrik 
een  groot  aantal  vreemdelingen  waren.  Had  Van  Lennep  dit 
punt  wat  nader  onderzocht  of  overwogen,  dan  zou  hij  tot  de 
bevinding  zijn  gekomen,  dat  in  dien  tijd  alle  legers  waren 
samengesteld  zooals  de  legers  van  onze  Stadhouders;  dat  men 
toen  bij  alle  legers  een  menigte  vreemdelingen  had ;  dat  nationale 
legers  toen  niet  bestonden.  Wij  zien  dit  weer  bevestigd  door  wat 
Rousset  mededeelt  over  die  wervingen  tijdens  Lodewijk  XIV; 
het  blijkt  daaruit  dat,  zelfs  bij  het  meest  militaire  volk  van 
Europa  en  waar  het  krijgs wezen  het  meest  was  ontwikkeld,  een 
goed  gedeelte  van  het  leger  uit  vreemde  troepen  bestond;  en 
dit  is  eene  zoo  algemeen  erkende  waarheid,  dat  in  dien  tijd 
bijna  altijd  gesproken  wordt  van  „rarmée  de  France\  en  niet 
van  yparmée  franfaise\  En  toch  zal  niemand  de  dwaasheid  heb- 
ben om  te  beweren,  dat  de  overwinningen,  door  Lodewijk  be 
haald,  niet  ten  bate  mogen  gebracht  worden  van  Frankrijk's  krijgs- 
roem.  Daarom,  laat  ons  het  dan  er  ook  maar  voor  houden,  dat  de 
slag  van  Nieuwpoort  een  HoUandsche  overwinning  is  geweest. 

Om  ons  land  te  beoorlogen  had  Lodewijk  XIV  zich  verbonden 
met  Engeland^  en  met  den  keurvorst  van  Keulen  en  den  bis- 
schop van  Munster.  Het  voornemen  der  Franschen  was,  niet  om 
door  de  Spaansche  Nederlanden  te  trekken,  maar  om  meer 
oostelijk  door  het  Keulensche,  den  Neder-Rijn  en  Gelderland  te 
bereiken  en  ons  daar  aan  te  vallen.  Dit  vorderde  toebereidselen 
in  het  Keulensche,  want  bij  de  voeding  en  het  onderhoud  ging 
men  toen  omslachtiger  te  werk  dan  in  onze  dagen;  magazijnen 
wareii  toen  haast  onvermijdelijk;  vandaar  dat  Louvois  tot  dat 
einde  in  onderhandelingen  moest  treden  met  den  keurvorst  van 
Keulen;  of,  om  juister  te  spreken,  met  de  twee  vorsten  van 
Fürstenberg,  twee  broeders  die  geheel  en  al  de  belangen  van 
Frankrijk  waren  toegedaan,  en  geheel  en  al  den  zwakken  keur- 
vorst beheerschten.  Die  keurvorst  'behoorde  tot  de  talrijke  klasse 
der  Rois  fainéants;  hij  bemoeide  zich  met  niets  en  had  ook  niets 
te  zeggen. 

In  Rousset  vindt  men  bijzonderheden  omtrent  die  onderhan- 
delingen tusschen  Louvois  en  den  keurvorst  van  Keulen;  wij 
nemen  er  hier  eenige  van  over,  die  het  meest  den  eigenaardigen 
toestand  van  zaken  van  dien  tijd  doen  kennen. 


Digitized  by 


Google 


74  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE    BESCHOUWINGEN. 

Louvois  laat  magazijnen  aanleggen  in  het  keurvorstendom 
Keulen.  Een  twist  tusschen  den  keurvorst  en  de  stad  Keulen 
geeft  gelegenheid  om  den  bisschop,  die  Frankrijk's  bijstand 
inroept,  te  ondersteunen  met  munitie  en  krijgs  voor  raad,  die 
bijeengebracht  worden  in  de  steden  Neuss,  Keizersweert,  Bonn 
en  Dorsten.  De  keurvorst-bisschop  handelt  hierin  geheel  volgens 
de  aanwijzingen  van  vorst  Wilhelm  von  Fürstenberg,  en  diens 
broeder,  den  bisschop  van  Straatsburg;  ttwee  Duitschers,  geheel 
en  al  gevormd  en  gedrild  naar  den  wil  van  Lodewijk  XIV"  (blz. 
366).  —  Jolly,  een  agent  van  Louvois,  schrijft  hem  over  de 
Fürstenbergen : 

»Ik  begin  te  begrijpen,  dat  men  er  niet  blindelings  op  moet 
vertrouwen,  vooral  niet  op  den  vorst  van  Fürstenberg.  Hij 
beoogt  alleen  zijn  eigen  belang,  en  aarzelt  als  hij  de  beslissende 
verbintenis  moet  sluiten ;  ik  geloof  dat  hij  tot  die  menschen  be- 
hoort, die  gaarne  nog  een  achterdeur  behouden  waardoor  zij 
kunnen  wegkomen.  De  bisschop  van  Straatsburg  heeft  meer  een 
bepaalde  meening;  ik  geloof  dat  hij  meer  oprecht  en  vastberaden 
is..."  (blz.  377).  Van  den  keurvorst  zelf  zegt  JoUy:  >'t  is  een 
goedaardig  vorst,  die,  naar  ik  zie,  zich  met  niets  hoegenaamd 
bemoeit,  en  geheel  geregeerd  wordt  door  die  menschen"  (de 
Fürstenbergen). 

Louvois  zendt  zwaar  belegeringsgeschut  naar  Keulen,  —  in 
schijn  als  geschenk  voor  den  keurvorst.  De  vaartuigen,  die  dat 
geschut  hebben  overgebracht,  worden  daarna  tot  pontons  inge- 
richt; ook  wordt  daarvan  een  gierbrug  gemaakt,  »een  gierbrug 
uit  één  stuk  bestaande,  die,  tweemaal  in  het  uur,  telkens  een 
500  man  en  een  100  paarden  van  den  eenen  oever  van  den 
Rijn  naar  den  anderen  kan  overbrengen."  (blz.  338). 

Er  wordt  niet  gezegd  op  welk  punt,  en  hoe  breed  de  Rijn 
daar  was. 

Aan  boord  van  die  vaartuigen  waren  een  aantal  zakken  met 
geld,  bestemd  om  daarmee  koren  op  te  koopen  in  Duitschland, 
in  Holland,  tot  in  Polen  toe. 

Om  de  Hollanders  te  beoorlogen  werd  in  Holland  zelf 
munitie  opgekocht: 

(RoussET,  i**  deel,  blz.  338 — 339).  >Wat  nog  ongeloofelijker 
is,  de  Hollanders  boden  vaardig  daartoe  de  hand  en  ontwapen- 
den zich  goedwillig  ten  bate  van  hunne  vijanden;  zoozeer  werd 
bij  dit  volk  van  kooplieden  de  vaderlandsliefde  verdoofd  of 
verblind  door  handelsgeest  en  winzucht.  Het  is  waar,  de  zaak 
werd  ook  aangelegd  op  voorbeeldig  slimme  wijze.  E^n  Joodseh 
bankier  uit  Amsterdam,  Sadoc  genaamd,  was  de  bekwame  en 
gelukkige  handlanger  bij  deze  vreemdsoortige  speculatie.  Onder 
voorwendsel   van   munitiën   bijeen  te  brengen,  óf  ten    behoeve 


Digitized  by 


Google 


TOKBEREIOSELEN.  ^  $ 

van  de  Spaansche  Nederlanden,  óf  voor  rekening  van  sommige 
Duitsche  steden,  zooals  Mainz  en  Frankfort,  kocht  hij  groote 
hoeveelheden  kruit  op,  salpeter,  lont,  lood  en  kogels,  en  deed 
dit  snel  vervoeren  naar  Keulen.  Toen  de  Staten- Generaal  lucht 
kregen  van  dien  handel,  was  hij  schier  geëindigd.  Sadoc  had 
hen  reeds  beroofd  van  ten  minste  400000  pond  buskruit,  160000 
pond  salpeter,  120000  pond  zwavel,  200  000  pond  lood,  200000 
pond  lont." 

In  enkele  opgaven  vindt  men  zelfs  het  fabeltje,  dat  Louvois 
in  persoon  over  kwam  om  die  munitie  te  koopen,  en  toen  groot 
gevaar  liep  van  aangehouden  te  worden. 

Dat  koopen  van  munitie  in  Holland  om  Holland  daarmee 
te  beoorlogen,  is  een  prachtige  tekst  voor  een  e  declamatie,  maar 
het  was  eene  handeling  geheel  in  den  geest  van  dien  tijd.  Bij 
het  krijgswezen  van  de  meeste  staten  had  men  toen  geen  vaste 
oorlogsmagazijnen,  of  waren  zij  ten  minste  van  weinig  beduidenis; 
hoogstens  had  men  in  eene  vesting  een  arsenaal  om  daar  het 
geschut  te  bergen.  Was  een  oorlog  aanstaande,  dan  schafte  men 
zich  munitie  aan ;  men  kocht  die  op,  overal  waar  zij  maar  voor- 
handen was;  het  was  een  koopwaar  waarin  men  handel  dreef, 
onverschillig  door  wie  of  aan  wie;  en  het  is  een  feit,  dat  ge- 
durende den  tachtigjarigen  oorlog  onze  Hollanders  krijgsvoor- 
raad  aan  Spanje  verkochten:  hadden  zij  dit  niet  gedaan,  dan 
had  Spanje  dien  krijgsvoorraad  elders  gekocht,  en  een  ander  was 
dan  met  de  winst  gaan  strijken.  Dus,  dat  de  Franschen  vóór  1672 
munitie  kochten  in  Holland,  was  zulk  een  vreemde  zaak  niet. 

In  1674  had  het  tegenovergestelde  plaats.  Bij  de  ontruiming 
van  Holland  voerden  de  Franschen  al  hunne  munitiën  naar 
Grave.  Chamilly,  de  bevelhebber  van  Grave,  klaagde  er  loen 
over,  dat  hij  daar  te  veel  kruit  had  en  de  veiligheid  van  zijne 
vesting  daardoor  gevaar  liep;  hij  ontving  toen  machtiging  van 
Louvois  om  een  goed  deel  van  dat  kruit  te  verkoopen  aan  de 
Hollanders;  ondershands,  in  schijn  tot  zijn  eigen  (Chamilly' 
voordeel. 

Voordat   de  oorlog  met   de    Republiek    begon,    werden 
Fransche   vestingen   aan   de  grenzen   van   de  Spaansche  Nede 
landen  ook  voorzien  van  een  aanmerkclijken  krijgsvoorraad. 

In  October  1671  komt  Chamilly  —  een  broeder  van  den 
lateren  verdediger  van  Grave  —  als  zaakgelastigde  van  Frankrijk 
bij  den  keurvorst  van  Keulen.  Chamilly  richt  toen  ten  behoeve 
van  den  keurvorst  uit  deserteurs  van  het  Fransche  leger  een 
regiment  op:  >een  goed  regiment  waarover  hij  het  bevel  gaf 
aan  zijn  eigen  broeder."  (blz.  342). 

Eindelijk,  nadat  zijne  zendelingen  alles  genoegzaam  hebben 
voorbereid,  komt  Louvois  in  persoon,  om  de  laatste  hand  te 
leggen  aan   de  overeenkomst  met  zijne  Duitsche  bondgenooten. 


Digitized  by 


Google 


76  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGB   BESCHOUWINGEN. 

Wat  er  bij  Rousset  voorkomt  omtrent  die  reis  van  Louvois  naar 
het  Keulensche,  bevestigt  alweer  het  bekende  feit,  dat  aan  de 
Duitsche  hoven  van  die  dagen  de  matigheid  niet  de  hoofddeugd 
was.  Geheel  in  het  begin  van  1672  komt  de  Fransche  minister 
te  Brühl  om  daar  den  keurvorst  en  den  bisschop  van  Munster 
te  spreken.  Den  len  Januari  1672  schrijft  hij  van  daar  aan 
Lodewijk  XIV: 

>  Dezen  ochtend  ben  ik  drie  uren  in  gesprek  geweest  met  den 
bisschop  van  Sraatsburg"  (een  der  Fürstenbergen) ;  >  en  welk  een 
denkbeeld  ik  mij  ook  reeds  gevormd  had  van  zijne  weifelingen 
en  van  zijne  onbeslistheid,  door  wat  de  heer  De  Chamilly  mij 
daarvan  had  bericht,  moet  ik  Uwe  Majesteit  toch  bekennen  dat 
het  mij  nog  heeft  verbaasd,  en  dat  het  mij  tevens  heeft  verwon- 
derd dat  de  heer  De  Chamilly  de  belangen  van  Uwe  Majes- 
teit zoo  goed  heeft  weten  te  behartigen  en  ze  in  zoo  goeden 
toestand  heeft  weten  te  brengen  als  zij  het  thans  zijn,  terwijl 
hij  te  doen  had  met  iemand  zóó  zwak  en  zóó  onkundig  als 
deze  is.  Tegen  twaalf  uur  is  de  bisschop  van  Munster  hier  aan- 
gekomen . . ." 

Louvois  sluit  nu  een  verdrag  met  de  beide  bisschoppen;  en 
den  4en  Januari  1672  schrijft  hij  aan  zijn  vader  Letellier: 

lik  had  gemeend  dezen  ochtend  te  vertrekken,  en  de  onder- 
teekende  traktaten  te  kunnen  medenemen;  maar  de  slemppartij 
{Ja  débauchè)  die  de  bisschop  van  Munster  en  de  bisschop  van 
Straatsburg  eergisteren  hielden  tot  viering  van  het  teekenen  van 
het  verdrag  van  Keulen,  belette  mij  om  den  ganschen  volgenden 
dag  iets  met  hen  te  kunnen  uitrichten...  Gij  kunt  u  zoo  iets 
onkundigs  niet  verbeelden,  of  de  bisschop  van  Straatsburg  over- 
treft dat  nog;  voeg  daarbij  een  eindelooze  besluiteloosheid  en 
een  gemeene  gierigheid,  en  dan  ben  ik  verzekerd  dat  gij  hen 
beklaagt  die  met  zoo  iemand  moeten  onderhandelen.  En  toch  is 
het  van  dezen  man  dat,  in  dit  land,  alles  afhangt;  zonder  hem 
wordt  tot  niets  besloten..."  (blz.  342 — 345). 

Die  verdragen  houden  in,  dat,  tegen  uitbreiding  van  grondge- 
bied ten  koste  der  Republiek,  de  keurvorst  van  Keulen  eene 
macht  van  17  ^  18000  man  zal  voegen  bij  het  leger  van  Lode- 
wijk XIV,  en  voor  drie  jaar  de  stad  Neuss  aan  Frankrijk  afstaat 
met  het  recht  om  haar  te  versterken  en  te  bezetten;  en  dat  de 
bisschop  van  Munster  zijne  legermacht  bij  de  Keulensche  zal 
voegen.  Van  het  Fransche  leger  gaan  daarop  4000  man  — 
keurtroepen  —  in  dienst  over  van  den  keurvorst  van  Keulen; 
die  Fransche  troepen  betoonen  daarbij  aanvankelijk  veel  onwil, 
die  echter  ophoudt,  zoodra  zij  hooren  dat  die  overgang  in  vreemden 
krijgsdienst  geschiedt  op  bevel  van  Lodewijk  XIV. 


Digitized  by 


Google 


STRUDKRACHTEN.  77 

Alvorens  aan  te  vangen  met  het  verhaal  der  krijgsverrichtingen 
van  1672,  is  het  noodig  een  enkel  woord  te  zeggen  over  de 
strijdkrachten  der  oorlogvoerende  partijen,  hunne  legers^  de 
militaire  waarde  der  troepen,  de  bekwaamheid  der  aanvoerders, 
den  toestand  der  vestingen  en  der  verdedigingslijnen.  Frankrijk 
en  de  Republiek  maken  hoofdzakelijk  die  oorlogvoerende  par- 
tijen uit. 

Over  de  sterkte  van  het  Fransche  leger  in  1672,  en  in  het 
bijzonder  van  het  leger  waarmede  Lodewijk  XIV  Holland  aan- 
viel, vindt  men  een  aantal  opgaven;  maar  het  zijn  opgaven,  die 
niet  met  elkander  overeenstemmen,  die  integendeel  elkander 
tegenspreken.  Wij  zullen  enkele  daarvan  hier  mededeelen,  'en 
tevens  zeggen  wat  naar  onze  meening  het  meest  overeenkomt 
met  de  waarschijnlijkheid;  voor  de  waarheid  staan  wij 
niet  in:  ook  bij  geschiedkundige  onderzoekingen  is  die  zelden 
te  bereiken. 

Rousset  (!•  deel,  blz.  346 — 347)  zegt  dat  Louvois  den  4en 
Februari  1672  aan  Lodewijk  XIV  den  sterktestaat  aanbood  van 
het  Fransche  leger ;  in  dien  sterktestaat  kwam  het  volgende  voor : 

1  Eerst  de  keurtroepen,  het  regiment  Gardes  Frangaises  en  het 
regiment  Gardes  Suisses^  te  zamen  onder  de  wapenen  een  5000 
man  voetvolk  uitmakende;  de  gardes-du-corps^  de  mousquetairesy 
de  verschillende  compagnieën  gendarmes  en  chevaux-lêgers  van  de 
Maison  du  Roi^  een  korps  uitmakende  van  2950  ruiters,  de  beste 
ruiterij  van  de  wereld.  Voor  het  eigenlijk  gezegde  leger:  46  regi- 
menten Fransche  infanterie,  iets  meer  dan  56000  man  uitmakende ; 
12  regimenten  vreemde  infanterie,  Zwitsers  en  anderen;  die  regi- 
menten waren  sterker  dan  de  Fransche,"  (in  eene  noot  komt 
voor:  ibij  de  Fransche  infanterie  waren  de  compagnieën  maar 
van  50  man,  zonder  de  officieren;  de  Zwitsersche  compagnieën 
telden  200  man,  en  de  andere  vreemde  compagnieën  100"),  >en 
gaven  een  totaal  van  bijna  30  000  man;  78  regimenten  Fransche, 
en  9  regimenten  vreemde  ruiterij,  te  zamen  in  rij  en  gelid  .meer 
dan  25  000  paarden  uitmakende.  In  het  geheel,  een  leger  van 
omstreeks  120000  man,  goed  gewapend,  uitgerust,  geoefend,  van 
een  krijgshaftig  voorkomen,  en  onderworpen  —  bevelhebbers 
zoowel  als  soldaten  —  aan  alle  eischen  van  de  krijgstucht.  Bij 
dit  leger  waren  de  noodige  voertuigen  en  bespanningen  voor  den 
leeftocht,  de  munitiën,  het  veldgeschut  en  het  belegerings- mate- 
rieel; 97  vuurmonden,  mortieren  en  kanonnen  van  verschillende 
kalibers;  72000  kanonkogels,  600  bommen,  150000  granaten, 
drie  pontontreinen,  de  eene  van  100  koperen  pontons,  de  twee 
andere  ieder  van  100  vaartuigen." 

Lodewijk  XIV  had  in  1672  geen  anderen  vijand  te  bestrijden 
dan  de  Republiek;  hij  had  dus  niet  noodig,  legers  achter  te 
laten  om   de  Fransche  grenzen  te  beschermen;  toch  is  het  zeer 


Digitized  by 


Google 


78  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

duidelijk,  dat  er  eenige  troepen  in  Frankrijk  moesten  achter- 
blijven, en  dat  de  120000  man  die  het  Fransche  leger  uitmaak- 
ten, niet  alle  aangewend  konden  worden  voor  de  verovering 
van  Holland.  Hoe  sterk  is  het  leger  geweest,  waarmede  de 
Fransche  koning  in  1672  naar  Holland  is  getrokken?  —  Bij 
Rousset  vindt  men  daaromtrent  geen  bepaalde  opgave. 

Een  ander  Fransch  schrijver.  De  Quincy,  een  tijdgenoot  van 
Lodewijk  XIV,  maar  wiens  nauwkeurigheid  wel  eens  te  wenschen 
overlaat,  stelt  de  geheele  sterkte  van  de  Fransche  krijgsmacht 
bij  het  begin  van  1672  op  ruim  176000  man,  dus  veel  hooger 
dan  Rousset;  beide  schrijvers  begrijpen  onder  die  sterkte  alleen 
voetvolk  en  ruiterij;  zij  gewagen  daarbij  niet  van  de  artillerie- 
en  genie-troepen,  die  toen  trouwens  slechts  eene  onbeduidende 
sterkte  hadden. 

De  samenstelling  der  regimenten  van  Frankrijk's  leger  was 
toen  zeer  uiteenloopend.  Eenige  oude  regimenten  voetvolk  had- . 
den  tot  70  compagnieën;  de  andere  waren  veel  zwakker, 
soms  uit  slechts  één  bataljon  bestaande.  Het  bataljon  telde  ge- 
woonlijk 17  compagnieën,  waarvan  eene  grenadier-compagnie, 
met  geweren  gewapend.  De  compagnie  bestond  uit  een  kapitein, 
een  luitenant,  een  vaandrig,  benevens  50  soldaten;  hiervan  waren 
er  12  gewapend  met  pieken,  4  voorzien  van  geweren  met  bajo- 
netten met  een  houten  steel,  en  de  overigen  met  musketten  met 
lonten;  —  De  Quincy  zegt  echter,  dat  in  1672,  door  nieuwe 
wervingen,  de  compagnie  gebracht  moest  worden  tot  eene  sterkte 
van  80  soldaten;  is  dit  geschied?  —  Een  bataljon  werd  in  zes 
gelederen  opgesteld  en  in  drie  afdeelingen  verdeeld,  waarvan  de 
piekeniers  de  middelste  uitmaakten. 

De  compagnie  ruiterij  bestond  uit:  i  kapitein,  i  luitenant  en 
I  kornet  met  50  ruiters;  3  compagnieën  maakten  een  eskadron 
uit;  2  of  3  eskadrons  een  regiment.  De  dragonder-regimenten 
maakten  hierop  eene  uitzondering :  zij  bestonden  uit  4  eskadrons, 
ieder  van   dezelfde  sterkte  als  de  eskadrons  der  overige  ruiterij. 

Grondt  men  zich  op  die  samenstelling  van  het  toenmalige 
Fransche  leger,  dan  kan  men  als  waarschijnlijk  aannemen  de 
opgave,  bij  Beaurain  voorkomende,  dat  Lodewijk  XIV  voor 
zijne'  onderneming  tegen  Holland  eene  groote  honderd  duizend 
man  bijeenbracht;  hiervan  kwamen  aanvankelijk  een  60000 
man  in  kantonnementen  tusschen  de  Sambre  en  de  Maas,  een 
30000  man  tusschen  de  Maas  en  den  Moezel,  en  een  12000  in 
het  keurvorstendom  Keulen.  Later  werd  die  macht  bijeengetrokken 
tot  twee  legers :  het  eene,  60  000  man,  waarbij  zich  Lodewijk  XIV 
bevond  met  zijn  broeder,  den  hertog  van  Orléans,  zou  onder  het 
bevel  van  Turenne  komen :  het  andere,  25  000  man,  onder  dat 
van  Condé.  Het  overige  zou,  onder  Chamilly,  dienen  om  de 
bezetting  van  Maastricht  gade  te  slaan,  of,  onder  de  Nancré,  de 


Digitized  by  VjOQQIC 


STRIJDKRACHTEN.  79 

Spaansche  Nederlanden  in  bedwang  te  houden;  die  laatste  afdee- 
ling  zou  door  nieuwe  wervingen  worden  versterkt. 

Sijpesteyn  en  De  Bordes  —  in  hun  grondigen  en  uitmuntenden 
arbeid  over  de  verdediging  van  Nederland  in  1672  en  1673  — 
deelen  eene  opgave  roede,  die  de  sterkte  van  het  leger  van 
LodewijkXIV  op  83000  stelt;  die  schrijvers  achten  die  opgave 
te  laag.  In  het  tweede  deel  van  hun  werk  komen  Sijpesteyn  en 
De  Bordes  echter  op  die  sterkte  van  het  Fransche  leger  terug 
om  haar  minder  hoog  te  schatten;  uit  de  cijfers,  door  die  schrij- 
vers aangenomen,  valt  het  echter  niet  moeielijk  te  bewijzen,  dat 
Lodewijk  XIV  bij  het  begin  van  den  veldtocht  aan  het  hoofd 
heeft  gestaan  van  bij  de  honderd  duizend  man. 

Zeer  uiteenloopend  blijken  die  opgaven  te  zijn,  wanneer  men 
verschillende  schrijvers  vergelijkt  met  betrekking  tot  de  in  1672 
tegen  Holland  genchte  Fransche  legermacht.  Voltaire  spreekt 
van  112  000  man;  eene  andere  opgave  van  Beaurain  dan  de 
reeds  aangehaalde  noemt  1 20  000  man ;  De  Quincy  en  Valckenier 
zeggen  omstreeks  146500  man;  Sylvius,  150000.  De  schrijver 
van  id'ontroerde  leeuw"  —  een  werk,  reeds  in  1674  uitgekomen  — 
zegt  van  het  Fransche  leger  dat  ihet  geschat  wierd  op  meer  dan 
300000  koppen,  en  in  der  daat  niet  minder  was,  gerekent  alle 
de  pagies,  lacqueyen,  koetsiers,  voerluy,  jongens,  krauwels,  pioniers, 
wijven,  trossen,  hoeren  etc,  waarvan  de  monsterrollen  uitleverden 
146  270  eifective  soldaten,  met  mortepayen  en  al,  en  daarbij  een 
geweldige  artillery  enz." 

Als  waarschijnlijk  nemen  wij  aan  dat  het  leger,  waarmede 
Lodewijk  XIV  in  1672  Holland  aanviel,  eene  sterkte  heeft  gehad 
van   ïoo  000  man. 

De  Munstersche  en  Keulensche  krijgsmacht,  vereenigd,  schat- 
ten wij  op  een  30000  man.  Sijpeste)ai  en  De  Bordes  spreken 
van  ruim  20  000  man ;  wij  gelooven  dat  dit  cijfer  te  laag  is ; 
want  alleen  de  keurvorst  van  Keulen  had  aangenomen  om  17  a 
18000  man  te  velde  te  brengen;  en  de  bisschop  van  Munster 
kon  over  eene  sterke  legermacht  beschikken.  Bij  het  begin  van 
de  belegering  van  Groningen  moet  het  vereenigde  Munstersche 
en  Keulensche  leger  meer  dan  20  000  man  sterk  zijn  geweest ; 
en  bovendien  waren  er  zeer  zeker  bezettingen  achtergebleven 
in  de  vele  reeds  genomen  steden. 

Wij  gelooven  dus  niet  ver  van  de  waarheid  te  zijn,  wanneer 
wij  bet  cijfer  van  130  000  man  aannemen  als  het  geheele  bedrag 
van  de  legermacht,  die  in  het  voorjaar  van  1672  de  Republiek 
aanviel. 

Een  leger  van  130000  man  zou  zelfs  in  onze  dagen  eene 
geduchte  macht  uitmaken;  in  de  zeventiende  eeuw  was  zij  zon- 
der voorbeeld.  En  het  waren  geen  slechte,  opgeraapte,  verwijfde 


Digitized  by 


Google 


8o  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

troepen;  het  waren  geen  soldaten  van  Xerxes,  welke  dat 
leger  uitmaakten;  integendeel,  vergeleken  met  de  andere 
legers  van  het  toenmalige  Europa  bezaten  de  legers  van  Lode- 
wijk  XIV  een  hooge  militaire  waarde.  Vroeger  hebben  wij  de 
gebreken  reeds  vermeld,  welke  toenmaals  den  krijgsstand  in  het 
algemeen  aankleefden;  ook  de  Fransche  legers  deelden  in 
die  gebreken;  ook  die  legers  bestonden  uit  even  onzuivere  be- 
standdeelen  als  de  overige  Europeesche  legers;  en  d^dr,  waar 
zij  niet  meer  werden  in  bedwang  gehouden  door  een  ijzeren 
krijgstucht,  ddAr,  waar  zij  teugelloos  aan  zich  zelve  werden  over- 
gelaten, kon  men  zeker  zijn  dat  zij  tot  de  ergste  uitspattingen 
en  wreedheden  zouden  overslaan,  en  een  vreeselijke  geesel  wor- 
den voor  het  land  waar  zij  oorloogden.  Maar  voor  het  oorlog- 
voeren zelf  hadden  die  legers  veel  voor  boven  die  van  andere 
Staten :  daarbij  bevond  zich  het  grootste  gedeelte  van  den  krijgs- 
haftigen  Franschen  adel;  er  waren  een  menigte  officieren  bij, 
die,  niet  door  zedelijke  beginselen  belemmerd,  weinig  kiesch  in 
de  middelen  die  zij  bezigden,  al  die  voortvarendheid,  dapperheid 
en  beleid  bezaten,  die  meestal  kenmerken  zijn  van  den  Fransch- 
man ;  stoute  gelukzoekers,  die,  door  gouddorst  en  roemzucht  ge- 
prikkeld, daardoor  aangespoord  werden  tot  buitengewone  daden ; 
zeker,  dat  die  beloond  zouden  worden  met  vorstelijke  mildheid. 
Want  eene  eigenschap  die  men  met  recht  in  Lodewijk  XIV 
moet  roemen,  is,  dat  hij  koninklijk  wist  te  geven.  Het  leger  was^ 
toen  ten  minste,  het  voorwerp  zijner  zorgen;  hij  was  nog  in 
den  tijd  waarin  de  krijgsroem  hem  toelachte;  en  aan  de  oor- 
logsmacht,  welke  hem  dien  roem  moest  verwerven,  wijdde  hij  al 
zijne  zorgen  en  de  rijke  hulpmiddelen  van  Frankrijk.  Vandaar 
dan  ook  dat  ■  de  Fransche  legers  volledig  voorzien  waren  van 
alles  wat  noodig  is  tot  het  voeren  van  den  oorlog.  Niet  alle 
gedeelten  waren  even  rijk  uitgerust;  maar  de  Maiion  du  Rot' moet 
in  dat  opzicht  evenzeer  hebben  uitgemunt  als  door  schitterende 
dapperheid ;  men  leze  wat  Voltaire  zegt  van  het  leger  waarmede 
de  verovering  van  Holland  werd  ondernomen : 

•Jamais  on  n*a  vu  une  armee  si  magnifique,  en  même  temi>s 
mieux  disciplinée.  C'était  surtout  un  spectacle  imposant,  que  la 
Maison  du  Roi  uouvellement  réformée;  on  y  voyait  quatre  com- 
pagnies des  gardes-du-corps,  chacune  composée  de  trois  cents 
gentilhommes,  entre  lesquels  il  y  avait  beaucoup  de  jeunes  cadets 
sans  paie,  assujettis  comme  les  autres  a  la  régularité  du  service ; 
deux  cents  gendarmes  de  la  garde,  deux  cents  chevaux-légers, 
cinq  cents  mousquetaires,  tous  gentilhommes  choisis,  parés  de 
leur  jeunesse  et  de  leur  bonne  mine;  douze  compagnies  de  la 
gendarmerie,  depuis  augmentées  jusqu'au  nombre  de  seize;  les 
Cent-Suisses  même  accompagnaient  Ie  roi;  et  ses  régiments  des 
gardes  frangaises  et  suisses  montaient  la  garde  devant  sa  maison. 


Digitized  by 


Google 


STRVDKRACHTEN.  8l 

ott  devant  sa  tente.  Ces  troupes,  pour  la  plupart  couvertes  d'or 
et  d'argent,  étaient  en  mème  temps  un  objet  de  terreur  et  d'ad- 
miration . . ."  (Siècle  de  Louis  XIV). 

De  MuQStersche  en  Keulsche  troepen  zullen  denkelijk  in 
vergelijking  roet  dit  leger  van  een  veel  minder  gehalte  zijn  ge- 
weest; ten  minste  vindt  men  in  de  briefwisseling  der  Fransche 
bevelhebbers  met  Louvois  zeer  dikwijls  uitdrukkingen  van 
minachting  ten  opzichte  dier  troepen,  die  door  hen  worden 
voorgesteld  als  ordeloos  en  slecht.  Maar,  behalve  dat  vreemde 
bevelhebbers  dikwijls  geneigd  zijn  tot  onbillijkheid  jegens  de 
bondgenootschappelijke  troepen  die  zij  aanvoeren,  zoo  moet  men 
ook  in  het  oog  houden,  dat  de  Fransche  bevelhebbers,  bij  de 
beoordeeling  van  de  waarde  der  Munstersche  en  Keulsche 
troepen,  die  denkelijk  hebben  vergeleken  met  het  leger  van  Lode- 
wijk  XIV,  dat  alle  andere  Europeesche  legers  zoo  ver  overtrof; 
minder  in  waarde  dan  dit  leger,  kunnen  daarom  de  Munstersche 
en  Keulsche  troepen  toch  nog  goed  zijn  geweest  in  verge- 
lijking van  die  onzer  Republiek;  zelfs  is  dit  waarschijnlijk,  als 
men  acht  geeft  op  de  krijgszuchtige  gezindheid  des  bisschops 
van  Munster,  die  hem  in  onophoudelijke  oorlogen  wikkelde  en 
die  hem  dus  wel  zorg  zal  hebben  doen  dragen  voor  de  goede 
uitrusting  en  oefening  zijner  krijgsmacht. 

De  Fransche  legers  werden  ook  aangevoerd  door  uitmuntende 
bevelhebbers.  Wij  spreken  hier  niet  van  Lodewijk  XIV  zelf,  die 
in  persoon  den  veldtocht  medemaakte,  —  evenmin  als  van  zijn 
broeder, den  ellendigenOrleans;  —  de  tegenwoordigheid  des  Konings 
mocht  dienen  om  de  geestdrift  zijner  troepen  meer  op  te  wek- 
ken en  om  meer  eenheid  te  brengen  in  het  opperbevel;  die 
voordeelen  werden  ook  weer  opgewogen  door  nadeelen  dewijl 
de  zorg  voor  's  Konings  veiligheid  en  welzijn,  en  de  noodzake- 
lijkheid om  hem  in  alles  te  raadplegen,  de  handelingen  des  legers 
dikwijls  moesten  belemmeren.  Eens  Konings  tegenwoordigheid 
bij  het  leger  is  ddn  alleen  gunstig,  wanneer  hij  wezenlijk  veld- 
heer is;  en  Lodewijk  XIV  was  dit  niet.  De  eigenlijke  aanvoer- 
ders waren  Condé  en  Turenne,  twee  namen  die  omgeven  zijn 
roet  een  welverdienden  veldheersroem. 

Turenne*s  groote  bekwaamheden  zullen  zeker  door  niemand 
roeer  worden  betwijfeld,  sedert  Napoleon  zelf  die  erkend,  en  de 
veldtochten  des  Franschen  Maarschalks  tot  een  onderwerp  zijner 
stttdién  gemaakt  heeft.  De  tijdgenooten  van  Turenne  kenden  hem 
—  ten  onrechte  —  als  veldheer  meer  voorzichtigheid  toe  dan 
stoutheid;  ten  onrechte,  zeggen  wij:  want,  wat  het  ontwerpen 
aangaat,  overtreft  Turenne  in  stoutheid  de  meeste  veldheeren. 
Het  is  alleen  bij  de  uitvoering,  dat  hij  eene  hooge  mate  van 
voorzichtigheid  betoont.  Zelden  gaat  hij  over  tot  het  leveren  van 


WILLEM   III. 


Digitized  by 


Google 


82  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

een  veldslag;  hij  is  een  van  die  aanvoerders,  die  zoo  weinig 
mogelijk  aan  het  geluk  overlaten,  en  die  een  vijandelijk  leger 
niet  aanvallen,  dan  wanneer  de  meeste  kansen  op  de  overwin- 
ning aan  hunne  zijde  zijn  of  dat  zij  door  de  noodzakelijkheid 
gedwongen  worden  tot  dien  aanval.  Het  uitkiezen  van  goede 
stellingen,  het  verrichten  van  snelle  marschen,  het  misleiden  en 
overvallen  van  den  vijand,  ziedaar  wat  men  vooral  bij  Turenne 
vindt;  en  weinig  aanvoerders  hebben  de  stoutheid  geëvenaard 
van  zijne  strategische  handelingen,  wanneer  hij  met  eene  kleine 
macht  toch  aanvallend  te  werk  ging,  zonder  evenwel  zich  in 
gevaar  te  brengen  door  het  leveren  van  een  veldslag. 

Condé,  wiens  bekwaamheden  als  veldheer  nu  lager  gesteld 
worden  dan  die  van  Turenne,  werd  door  zijne  tijdgenooten 
meesttijds  boven  dezen  geplaatst.  De  zege  bij  Rocroy,  op  twintig - 
jarigen  leeftijd  behaald,  had  Condé*s  hoofd  met  een  stralenkrans 
omgeven,  die  de  minder  schitterende  daden  van  Turenne  ver- 
duisterde; en  echter  had  deze  veel  meer  bekwaamheden  voor 
het  beramen  en  uitvoeren  der  bewegingen  van  een  leger.  Condé 
schitterde  voornamelijk  bij  een  veldslag :  daar  wist  hij  met  arends- 
blik  de  zwakke  zijde  des  vijands,  het  geschikte  oogenblik  tot  den 
beslissenden  aanval  op  te  merken;  daar  wist  hij  door  zijn  per- 
soonlijke dapperheid,  door  zijne  rustelooze  voortvarendheid,  door 
zijn  vroeger  verworven  roem  allen  met  geestdrift  te  bezielen  en 
de  krachten  van  zijn  leger  te  verdubbelen;  —  maar  ook  daar 
werd  hij  dikwijls  door  zijne  onstuimigheid  tot  onberadene  han- 
delingen vervoerd  en  offerde  hij  soms  nutteloos  een  aantal  dap 
peren  op  aan  het  hardnekkig  doorzetten  van  een  eenmaal  ge 
nomen  besluit. 

Later  trad  aan  de  Fransche  zijde  ook  Luxembourg  als  veld- 
heer op.  Hij  was  een  leerling  van  Condé  en  bezat  vele  hoe- 
danigheden van  een  goed  legeraanvoerder,  die  na  verloop  van 
tijd  al  meer  en  meer  bleken.  Bij  een  veldslag  verstond  hij  even- 
als Condé  meesterlijk  de  kunst  om  zijne  troepen  in  werking  te 
brengen;  maar  minder  verstond  hij  de  kunst,  om  van  de  veld- 
slagen partij  te  trekken  tot  bereiking  van  het  doel  des  oorlogs ; 
de  overwinningen  die  hij  behaald  heeft,  zijn  zonder  gevolgen 
gebleven.  Voor  het  overige  was  hij  stout,  eerzuchtige  listig  hove- 
ling, sluw  onderhandelaar,  had  vertrouwen  in  zichzelf  en  wist 
dit  aan  anderen  mede  te  deelen;  hofgunst  was,  zooals  voor  de 
meeste  zijner  tijdgenooten,  voor  hem  alles;  en  hoe  weinig  men- 
schelijkheid  hij  bezat  kunnen  onze  jaarboeken  leeren,  waar  zijn 
naam  als  die  van  een  Franschen  Al  va  vermeld  staat. 

Behalve  die  hoofden  des  legers  waren  er  aan  de  Fransche 
zijde  nog  een  menigte  onderbevelhebbers  van  groote  bekwaam- 
heid. Chamilly,  Montal  en  vele  anderen  waren  mannen  waarvan 
men  buitengewone  daden  mocht  verwachten. 


Digitized  by 


Google 


STRIJDKRACHTEN.  83 

Niet  alleen  de  wapenkracht,  maar  ook  het  goud  dat  hij  met 
volle  handen  uitstrooide,  maakte  Lodewijk  XIV  tot  een  geduch- 
ten  vijand  voor  onze  Republiek.  De  Fransche  onderhandelaars, 
die  overal  de  omkooping  te  baat  namen,  waren  misschien  even- 
zeer te  vreezen  als  de  Fransche  legers  en  vloten.  Z  ij  waren  het, 
die  den  Nederlandschen  Staat  zonder  hulp  lieten  van  bondge- 
nooten;  die  in  Duitschland  verschillende  gebieders  tot  de  belan- 
gen van  Lodewijk  wisten  over  te  halen;  en  die  zelfs  in  de 
Republiek  de  Fransche  belangen  bevorderden,  de  verdedigings- 
middelen verminderden.  Bekend  is  het,  dat  reeds  vroeger  een 
Franschman  met  dien  lichtzinnigen,  aanmatigenden  toon,  zijner  natie 
eigen,  durfde  verzekeren:  >dat  er  in  Holland  maar  vier  men- 
schen  onomkoopbaar  waren,  te  weten  de  beide  De  Witten, 
Bevemingh  en  Van  Beuningen."  Het  lijdt  geen  twijfel,  dat  de 
geringe  wederstand  die  Lodewijk  XIV  aanvankelijk  ondervond, 
niet  enkel  toe  te  schrijven  is  aan  zwakheid  en  moedeloosheid, 
maar  wel  degelijk  ook  aan  verraad,  aan  omkooping,  aan  de 
kennis  die  de  vijand  vroeger  had  ingewonnen  aangaande  de  ver- 
dedigingsmiddelen van  het  land,  en  aan  den  bijstand  welke  een 
deel  der  bevolking  hem  bood. 


Ziedaar  de  strijdkrachten  der  eene  partij;  beschouwen  wij 
thans  de  andere. 

Na  den  Munsterschen  vrede  was  de  landmacht  der  Republiek 
verminderd  en  in  verval  geraakt;  terwijl  daarentegen  alle  zorgen 
werden  besteed  aan  de  uitbreiding  der  zeemacht.  Deze  laatste 
was  dan  ook  op  een  zoo  geduchten  voet,  dat  zij  bij  het  uit- 
breken des  oorlogs  van  1672  aan  de  vereenigde  vloten  van 
Frankrijk  en  Groot-Brittanje  met  vrucht  het  hoofd  kon  bieden. 
Met  de  landmacht  was  het  geheel  anders :  deze  was  zwak,  slecht 
samengesteld^  slecht  geoefend,  zonder  zedelijke  kracht. 

Omtrent  de  wezenlijke  getalsterkte  ontbreekt  het  weer  aan 
bepaalde  o|>gaven;  wel  geven  Sijpesteyn  en  De  Bordes  uitvoerig 
op,  hoedanig  in  Juni  1672  de  samenstelling  en  plaatsing  van  het 
leger  der  Republiek  waren,  en  schatten  zij  dat  leger  toen  op 
ruim  50  000  man,  daaronder  begrepen  een  2800  man  Spaansche 
hulptroepen;  maar  dit  is  niets  anders  dan  eene  min  of  meer 
waarschijnlijke  schatting.  £r  bestaan  9  Staten  van  oorlog"  van 
1671  en  van  1673.  In  167 1,  toen  de  krijgstoerustingen  van  Frankrijk 
reeds  geen  geheim  meer  waren,  was  de  geheele  sterkte  van  het 
leger  der  Republiek  toch  slechts  37  155  man,  waaronder  2600 
man  ruiterij.  In  den  loop  van  het  jaar  1672  kreeg  die  krijgs- 
macht echter  een  aanzienlijke  uitbreiding,  zoodat  zij  bij  het 
begin  van  1673  sterk  was:  866  compagnieën  infanterie,  te  zamen 
sterk  76  994  man;  147  compagnieën  ruiterij,  te  zamen  11  920  rui- 


Digitized  by 


Google 


84  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

ters;  en  20  compagnieën  dragonders,  uitmakende  2000  man.  Alles 
te  zamen:  90914  man. 

Dit  is  de  sterkte^  die  op  de  Staten  van  oorlog  voorkomt;  de 
werkelijke  sterkte  zal  echter  minder  zijn  geweest,  omdat^ 
door  allerlei  misbruiken,  de  compagnieën  en  regimenten  nooit 
die  sterkte  hadden,  waarvoor  zij  op  de  betalingslijsten  voorkomen. 

In  het  voorbijgaan  eene  enkele  opmerking  over  de  verhou- 
ding tusschen  voetvolk  en  ruiterij,  bij  het  leger  der  Repu- 
bliek in  1673;  die  verhouding  is  nagenoeg  als  van  11  tot  2,  dus 
sterkere  ruiterij  dan  bij  de  samenstelling  der  hedendaagsche 
legers. 

Die  meerdere  sterkte  van  de  ruiterij  in  die  dagen^  kan  niet 
verklaard  worden  door  hare  mindere  kostbaarheid.  Want  op  de 
reeds  aangehaalde  Staten  van  oorlog  vindt  men,  dat  het  onder- 
houd van  een  dragonder  bijna  tweemaal  zooveel,  en  dat  van 
een  ruiter  bijna  twee  en  een  half  maal  zooveel  kostte  als  dat  van 
een  infanterist,  wat  geen  zeer  groot  verschil  maakt  met  het 
onderhoud  van  beide  in  onzen  tijd. 

Er  zijn  redenen  van  krijgskundigen  aard  om  die  meerdere 
sterkte  der  ruiterij  bij  het  leger  van  Willem  III  te  verklaren. 
Men  moet  in  de  ruiterij  van  dien  tijd  eigenlijk  niet  veel  meer 
zien  dan  infanterie  te  paard;  zich  haar  voor  te  stellen  — 
zooals  ih  den  tijd  van  Seydlitz  —  als  »een  koperen  muur  die 
zich  met  de  snelheid  van  den  stormwind  beweegt  en  alles  in 
zijn  vaart  verbrijzelt,"  is  een  geheel  valsche  voorstelling;  de  rui- 
terij van  de  17e  eeuw  streed  dikwijls  te  voet;  en  als  zij  te 
paard  streed,  dan  begon  zij  toch  altijd  met  het  vuurgevecht; 
eerst  daarna  bezigde  zij  de  blanke  wapens;  en  om  door  de 
hevigheid  van  den  schok  de  overwinning  te  behalen,  was  eerk 
beginsel,  haar  toen  geheel  vreemd.  De  ruiterij  was  dus  in  de 
17e  eeuw  een  geheel  ander  wapen  dan  in  de  19e;  het  voorname 
voordeel  dat  zij  in  de  17e  eeuw  opleverde  was  hare  meerdere 
marschsnelheid  in  vergelijking  van  die  van  het  toenmalige  voet- 
volk. Om  vestingen  onverwachts  te  berennen,  om  bedreigde 
vestingen  spoedig  van  meer  bezetting  te  voorzien,  om  in  den 
rug  des  vijands  strooptochten  te  verrichten,  konvooien  aan  te 
vallen,  brandschattingen  t^  heffen,  daarvoor  was  de  infanterie 
te  langzaam  van  beweging,  daarvoor  bezigde  men  ruiterij,  en 
daar  die  handelingen  een  voornaam  gedeelte  van  de  toenmalige 
oorlogvoering  uitmaakten,  is  het  zeer  natuurlijk  dat  de  ruiterij 
toen  zoo  sterk  was. 

Vooral  moest  dit  wapen  bij  de  Hollandsche  legers  nog  al 
sterk  zijn.  Bij  onze  Republiek  was  er  om  oorlog  te  voeren 
minder  gebrek  aan  geld  dan  aan  soldaten;  een  ruiter  kostte 
meer  dan  een  infanterist,  maar  leverde  meer  voordeel  op  door 
zijn  meerdere   beweegbaarheid;  en  daar  men  in  het  getal  der 


Digitized  by 


Google 


STRUDKRACHTEN.  85 

soldaten  soms  beperkt  was^  nam  men  dus  —  om  maar  een  cijfer 
te  noemen  —  liever  looo  ruiters  in  dienst,  dan  looo  infante- 
risten  ;  te  meer  handelde  men  zóó,  omdat  onze  meeste  wervingen 
gedaan  werden  in  Duitschland,  waar  de  ruiterij  nog  al  gemakkelijk 
was  te  verkrijgen. 

Op  welke  wijze  nu  het  leger  der  Republiek  van  de  sterkte 
die  het  in  1671  had,  opklom  tot  de  sterkte  die  het  in  1673 
verkreeg  —  dit  valt  moeielijk  te  zeggen.  Wij  lezen  wèl,  dat  er 
op  het  einde  van  167 1  en  in  het  begin  van  1672  gedurig  be- 
sluiten zijn  genomen  tot  aanwerving  van  zooveel  nieuwe  regi- 
menten, van  zooveel  duizenden  soldaten ;  maar  wij  lezen  tevens, 
dat  die  besluiten  óf  niet,  óf  slechts  gedeeltelijk  en  langzaam 
zijn  ten  uitvoer  gebracht.  Zoo  werden  de  Zwitsersche  regimenten, 
die  men  wilde  aanwerven,  door  den  spoedigen  inval  der  Fran- 
schen  belet  in  Holland  te  komen;  een  regiment  van  den  graaf 
van  Königsmarck  kwam  eerst  in  het  najaar  van  1672  aan;  een 
regiment  ruiters  en  een  regiment  dragonders,  door  den  Prins 
van  Courland  op  de  been  gebracht,  eerst  in  December  van  dat 
jaar.  Over  het  geheel  waren  de  besluiten  tot  de  werving  zoo 
laat  genomen,  of  werden  zij  zoo  traag  uitgevoerd,  dat  de  verschil- 
lende bevelhebbers  hunne  regimenten  niet  voltallig  kregen;  nog 
bestonden  zij  meest  uit  jonge,  ongeoefende  manschappen,  waarop 
weinig  te  vertrouwen  viel,  en  die  zelfe  voor  een  deel  ongewapend 
waren;  en  wat  de  oude  militie  van  den  Staat  betreft,  deze  was 
—  volgens  de  verzekering  van  een  onzer  schrijvers,  Valckenier  — 
zoo  gebrekkig  samengesteld,  dat  zij  inderdaad  niet  de  helft  der 
soldaten  had,  die  men,  als  in  dienst  zijnde,  betaalde. 

Ziehier  ten  slotte  nog  ééne  opgave  die  inlichting  kan  geven 
aangaande  de  sterkte  van  het  leger  der  Republiek  in  de  eerste 
helft  van  1672.  De  sterkte  van  het  leger  waarmede  Willem  UI 
van  den  IJsel  terugtrok  op  Utrecht,  wordt  op  13000  man  be- 
groot; het  geheele  bedrag  der  krijgsgevangenen,  die  in  de  ver- 
schillende vestingen  den  vijand  in  handen  vielen,  wordt  geschat 
op  25  000  man ;  8  a  9000  man  waren  er  in  Maastricht,  en  laat 
er  een  10  è  12  000  man  zijn  geweest,  hetzij  in  de  noordoostelijke 
provinciën,  hetzij  in  Noord-Braband;  dan  zou  het  leger  van  de 
Republiek  een  55  a  60000  man  sterk  zijn  geweest.  Dit  cijfer, 
enkele  duizend  man  hooger  dan  het  bij  Sijpesteyn  en  De  Bordes 
voorkomende,  maakt  evenmin  als  het  hunne  aanspraak  op  wis- 
kundige juistheid. 

Over  de  militaire  waarde  van  de  Hollandsche  troepen  bij 
den  aanvang  van  den  oorlog  is  maar  ééne  stem.  Er  was  geen 
eenheid  in  het  krijgswezen,  geen  eenheid  in  het  opperbevel,  en 
het  gebrek  daaraan  is  altijd  het  verderfelijkste  dat  men  beden- 


Digitized  by  VjOOQIC 


86  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

ken  kan.  De  verschillende  gedeelten  van  het  leger  werden  be- 
taald door  de  verschillende  gewesten;  zij  stonden  dus,  behalve 
onder  het  gezag  der  Generaliteit,  ook  onder  de  gewestelijke 
regeeringen  welke  hen  betaalden;  zij  stonden  ook  onder  de 
regeering  der  gewesten  waar  zij  zich  bevonden,  of  waar  zij  door- 
trokken, onder  de  regeering  der  steden  waar  zij  in  bezetting 
lagen.  Vandaar  eene  verwarde  vermenging  van  gezag,  eene  op- 
eenhooping  van  uiteenloopende,  dikwijls  strijdige  bevelen  en 
voorschriften,  waardoor  noodwendig  de  gang  der  zaken  ver- 
traagd en  belemmerd  moest  worden,  en  waarin  meer  dan  één- 
maal de  plichtvergetene  een  deksel  vond  om  zijne  ontrouw  of 
lafheid  te  verbergen.  Zeker,  de  man  van  eer,  de  wezenlijk  goede 
officier  zou  in  weerwil  van  die  moeielijkheden  zijn  pHcht  ver- 
vullen; en  al  moest  hij  soms  vier  verschillende  eeden  afleggen, 
toch  zou  geene  daarvan  in  zijn  oog  een  daad  van  lafheid 
rechtvaardigen  of  verschoonen;  —  maar  hoe  weinig  officieren 
van  dien  stempel  waren  er  toen  bij  het  Hollandsche  leger!  Men 
had  bij  het  begeven  van  de  officiersplaatsen  meestal  niet  in  het 
minst  acht  geslagen  op  karakter,  verdienste  of  kunde,  maar  alleen 
met  voorspraak^  gunst,  kuiperijen  daarbij  te  rade  gegaan.  Een  groot 
gedeelte  der  officieren  bestond  dus  uit  menschen  zonder  krijgsken- 
nis,  zonder  ondervinding,  geheel  ongeschikt  voor  hunne  betrekking, 
niet  het  minste  denkbeeld  hebbende  van  eer  en  krijgsplicht, 
Wanneer  men  maar  de  helft  gelooft  van  de  menigvuldige  voor- 
beelden die  hiervan  bij  onze  schrijvers  voorkomen,  dan  krijgt 
men  de  overtuiging,  dat  in  het  begin  van  1672  het  Hollandsche 
leger  in  alle  opzichten  slecht  was,  zoo  slecht  als  een  leger  maar 
zijn  kan.  —  Natuurlijk  is  dit  alleen  in  het  algemeen  ge- 
sproken; want  dat  er  schitterende  uitzonderingen  waren,  dat  er 
mannen  waren  die  zelfs  bij  dat  slechte  leger  door  uitstekende 
krijgsdeugden  den  aiouden  volksroem  waardiglijk  wisten  te  hand- 
haven, dit  is  iets  dat  geen  twijfel  lijdt. 

Met  een  leger,  zoo  zwak  in  getal  en  nog  zwakker  door  samen- 
stelling, zullen  de  sterkste  vestingen  en  verdedigingslijnen  weinig 
waarde  hebben;  maar  ook  met  die  doode  strijdkrachten  der 
Republiek  was  het  ellendig  gesteld.  Men  had,  zeker,  vestingen 
in  overvloed,  nog  veel  meer  dan  in  onze  dagen,  en  de  ver- 
sterkingskoorts werd  toen  ook  veel  meer  gerechtvaardigd 
door  de  toenmalige  wijze  van  oorlogen.  Maar  die  vestingen 
waren,  op  weinige  uitzonderingen  na,  in  den  jammerlijksten  toe- 
stand: borstweringen  die  men  liet  instorten,  muren  die  men 
zelden  of  nooit  herstelde,  grachten  die  men  niet  uitdiepte,  op 
het  glacis  en  in  de  binnenruimte  der  bastions  tuinen,  huizen  en 
andere  gebouwen;  vuurmonden  bijna  onbruikbaar  en  op  half 
vergane  affuiten  en  slechte   beddingen;    magazijnen,  van   alles 


Digitized  by 


Google 


STRIJDKRACHTEN.  87 

onvoorzien;  —  ziedaar  over  het  algemeen  het  beeld  van  een 
groot  aantal  der  toenmalige  Hollandsche  vestingen.  Met  zulke 
vestingen,  door  zulke  troepen  bezet^  een  werkzamen  vijand  tegen 
te  willen  houden,  dit  is  dwaasheid;  men  zou  dit  even  goed 
van  de  geschilderde  kanonnen  der  Chineezen  kunnen  ver- 
wachten. 

De  natuurlijke  verdedigingsmidd^en  van  Holland,  de  rivieren 
en  onderwaterzettingen,  waren  zeker  van  veel  grooter  waarde 
dao  die  onbeteekenende  vestingen;  maar  ook  die  rivieren  en 
onderwaterzettingen  vorderen  toch  altijd  een  goed  leger  tot  hare 
bezetting  en  verdediging,  en  hieraan  ontbrak  het.  Bovendien  zijn 
die  natuurlijke  hindernissen  juist  het  geringst  aan  de  oostelijke 
en  zuidoostelijke  grenzen  van  onzen  Staat,  waar  denkelijk  de 
vijandelijke  legers  zich  zouden  vertoonen.  De  IJsel  is  gedurende 
den  zomer  een  rivier  van  gering  belang;  ook  de  Rijn  heeft 
bij  lagen  waterstand  doorwaadbare  gedeelten;  de  Grebbe-linie 
bestond  toen  niet,  evenmin  als  de  linie  die  thans  Holland  en 
een  deel  van  de  provincie  Utrecht  afsluit.  Men  kon  echter  door 
het  openzetten  van  eenige  sluizen  de  grenzen  van  het  eigenlijke 
Holland  afsluiten,  of  tot  eenige  weinige  toegangen  bepalen  die 
door  schansen  waren  verdedigd;  maar  die  schansen  waren,  vol- 
gens sommige  opgaven,  gebrekkig  aangelegd;  en  de  inundatiën 
lieten  aanvankelijk  ook  veel  te  wenschen  over;  zoodat  de  dus 
genoemde  oude  Hollandsche  waterlinie,  toenmaals  de 
laatste  verschansing  van  de  Republiek,  in  geenen  deele  als  van 
onneembare  sterkte  kon  worden  beschouwd.  —  Wat  de  waarde 
dier  verschillende  verdedigingslijnen  ook  moest  verminderen,  was 
de  omstandigheid  dat  de  aanvaller,  door  omkoopingen  en  ver- 
standhoudingen  in  ons  land,  bekend  kon  zijn  met  de  zwakke 
gedeelten,  met  de  gunstigste  aanvalspunten ;  als  bewijs  hiervan 
behoeven  wij  alleen  daaraan  te  herinneren,  dat  het  een  inboor- 
ling was  die  aan  het  Fransche  leger  de  waadbare  plaats  in  den 
Rijn  aanwees,  waardoor  dit  leger  trok. 

Op  eene  algemeene  volkswapening  viel  ook  niet  met  zekerheid 
te  rekenen.  Wel  is  waar  hadden  de  schutterijen,  eene  eeuw  vroe- 
ger, in  den  krijg  tegen  Spanje  zich  door  meer  dan  gewone  dap- 
perheid onderscheiden,  en  een  gewichtig  aandeel  genomen  aan 
die  stedenverdedigingen,  die  nog  terecht  de  bewondering  van 
den  nakomeling  opwekken.  Ook  nu,  in  dezen  oorlog  tegen 
Frankrijk,  geven  zij  schitterende  bewijzen  van  vaderlandsliefde 
in  het  verdedigen  van  Groningen  en  van  Aardenburg;  en  reeds 
bij  het  begin  van  den  veldtocht  van  1672  dient  een  gedeelte  der 
Hollandsche  schutterijen  tot  bezetting  van  verschillende  vestingen 
in  Noord-Braband.  Maar  de  geest  die  onze  landgenooten  bezielde 


Digitized  by 


Google 


SS  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

gedurende  den  kamp  tegen  Filips  II,  had  in  1672  veel  van  zijne 
kracht  verloren ;  en  lange  jaren  van  vrede  hadden  hun  den  oor- 
log te  lande  vreemd  gemaakt,  en  den  krijgsroanszin,  die  nooit 
zeer  levendig  bij  hen  was,  grootendeels  uitgedoofd.  Alleen  bui- 
tengewoon gevaar  kon  dien  zin  weer  opwekken  en  hen  tot  bui- 
tengewone inspanningen  aansporen ;  —  maar  hiertoe  wordt  altijd 
de  leiding  vereischt  van  een  bekwaam  hoofd,  van  een  groot  man, 
zooals  de  eerste  Willem  dit  was  in  de  worsteling  tegen  Spanje. 

Kon  men  nu  in  1672  voorzien  dat  Willem  UI  dat  bekwame 
opperhoofd  zou  zijn?  —  volstrekt  niet:  zijne  groote  hoedanig- 
heden waren  toen  voor  iedereen  nog  verborgen.  Hij  was  een 
twintigjarig  jongeling^  in  wien  men  nog  geen  vertrouwen  kon 
stellen;  van  wien  men  niets  wist,  dan  dat  hij  een  uitstekende 
opleiding  had  ontvangen.  Want  terecht  wordt  door  den  schrijver 
van  »Holland's  roem  in  kunsten  en  wetenschappen" 
(Collot  d'Escury)  aangemerkt,  dat  het  een  eeretitel  voor  De  Witt 
is,  dat  hij,  belast  met  de  zorg  voor  de  opvoeding  van  Willem  IQ, 
zich  zoo  uitmuntend  heeft  gekweten  van  die  belangrijke  taak. 
De  Witt  —  dit  valt  niet  te  ontkennen  —  heeft  al  zijne  krach- 
ten ingespannen  om  het  huis  van  Oranje  uit  te  sluiten  van  alle 
gezag  in  de  Republiek.  In  hoever  dit  nu  voortsproot  uit  de  her- 
innering aan  de  gewelddadige  willekeur  van  Willem  n,  of  uit 
de  overtuiging  dat  werkelijk  het  stadhouderschap  verderfelijk  was 
voor  de  Republiek,  of  uit  eerzucht,  uit  het  bewustzijn  dat  zijne 
eigen  groote  bekwaamheden  hem  tot  het  geschiktste  hoofd  van 
den  Staat  maakten,  laten  wij  daar;  genoeg.  De  Witt  was  een 
vijand  van  het  huis  van  Oranje;  —  maar  een  eerlijk,  verstandig 
vijand,  een  van  die  vijanden  die  soms  minder  kwaad  doen  dan 
onhandige  vrienden.  Aan  den  scherpen  blik  van  een  De  Witt 
kon  het  niet  ontgaan,  dat  de  loop  der  gebeurtenissen  eenmaal 
den  jeugdigen  Willem  III  het  gezag  zijner  voorvaderen  kon  her- 
geven-, en  de  Raadpensionaris  wilde  dat  ddn  ten  minste  een 
bekwaam  man  aan  het  hoofd  van  den  Staat  zou  komen.  Van- 
daar zijn  zorg  om  den  aanstaanden  Stadhouder  te  doen  toerusten 
met  al  die  kundigheden  welke  hem  in  staat  hebben  gesteld,  eene 
zoo  grootsche  rol  te  spelen  op  het  wereldtooneel. 

Maar  het  beste  zaad  kan  op  een  onvruchtbaren  grond  vallen; 
en  in  1672  wist  men  nog  niet,  wat  Willem  III  door  die  opvoe- 
ding was  geworden.  Zijn  karakter  was  nog  een  raadsel,  zijne 
bekwaamheden  nog  verborgen.  Men  wist  dat  hij  stilzwijgend 
was ;  maar  niet  of  dit  stilzwijgen  diepe  overpeinzingen  en  grootsche 
gedachten  bedekte,  dan  wel  het  gevolg  was  van  schroomvalligheid 
van  karakter,  van  bekrompenheid  van  geest.  Zijn  uiterlijk  had 
niets  indrukwekkendst  klein,  bleek,  zwakkelijk,  niets  duidde  de 
heldenziel  aan,  die  later  Europa's   bewondering  opwekte.  —  Bij 


Digitized  by 


Google 


STRIJDKRACHTEN.  89 

het  beoordeelen  van  de  kansen  des  oorlogs  was  er  dus  volstrekt 
geen  reden  om  de  bekwaamheid  des  veldheers  van  het  Hol- 
landsche  leger  in  rekening  te  brengen  als  iets  dat,  ten  voordeele 
der  Republiek,  een  zwaar  gewicht  legde  in  de  schaal  der  over- 
winning. 

Wat  de  bondgenooten  betreft,  men  kan  zeggen  dat  Holland 
bij  het  begin  van  den  oorlog  er  bijna  geene  had.  De  kuipe- 
rijen, de  omkoopingen,  door  het  Fransche  hof  op  eene  zoo 
groote  schaal  aangewend  in  Duitschland,  hadden  vruchten  ge- 
dragen: sommige  Duitsche  vorsten  verbonden  zich  met  Lode- 
wijk  XIV  tegen  ons  land,  andere  poogden  elke  wapening  tegen 
Frankrijk  te  beletten.  De  keizer  bracht  wel  is  waar  een  leger 
op  de  been,  maar  laat,  en  zonder  dat  het  iets  uitrichtte.  De 
krachtigste^  om  niet  te  zeggen  de  eenige  hulp  welke  onze  Staat 
van  Duitschland  kreeg,  was  die  van  den  keurvorst  van  Branden- 
burg. Maar,  hoezeer  reeds  den  6en  Mei  een  verdrag  was  gesloten 
met  dien  vorst,  waarbij  deze  beloofde  een  leger  van  20  000  man 
op  de  been  te  brengen,  —  voor  de  helft  ten  koste  der  Republiek  — 
was  het  echter  eerst  in  September  en  October  dat  dit  leger  den 
Rijn  naderde.  Het  trok  door  dien  opmarsch  een  gedeelte  der 
Fransche  legermacht  tot  zich  en  maakte  op  die  wijze  eene  goede 
afleiding  ten  voordeele  van  de  Nederlanden;  doch  ongerijmd  is 
het  te  beweren,  dat  dit  de  redding  van  onzen  Staat  was;  die 
redding  moet  alleen  worden  toegeschreven  aan  eigen  krachtige 
verdediging,  zonder  welke  de  Republiek  geheel  ten  onder  ge- 
bracht had  kunnen  zijn,  lang  vóór  den  opmarsch  van  het  Bran- 
denburgsche  leger.  Het  jaar  1672  is  alweer  een  bewijs,  hoe  dwaas 
het  is  op  de  hulp  van  bondgenooten  te  vertrouwen  en  het 
y/tide  toi,  Ie  del  faidera"  uit  het  oog  te  verliezen. 

Evenwel  zou  het  onbillijk  zijn,  niet  den  bijstand  te  erkennen 
dien  onze  Staat  toen  ontving  van  een  vroegeren  vijand.  Spanje 
was  een  zwak,  maar  een  ijverig  bondgenoot;  en  de  toenmalige 
landvoogd  der  Spaansche  Nederlanden,  Monterey,  verdient  roet 
dankbaarheid  te  worden  herdacht  in  onze  geschiedenis.  Hoezeer 
er  nog  geen  oorlog  bestond  tusschen  Frankrijk  en  Spanje,  haastte 
zich  Monterey  om  van  de  geringe  krijgsmacht,  die  hij  in  de 
Spaansche  Nederlanden  had,  een  gedeelte  af  te  zenden  om  de 
bezettingen  van  Maastricht  en  van  de  Noord-Brabandsche  ves- 
tingen te  versterken;  en  de  zuidelijke  gewesten  der  Republiek 
werden  eenigszins  beveiligd  door  de  Spaansche  Nederlanden. 
Eenigszins,  zeggen  wij ;  want  de  Franschen,  meester  van  Doornik, 
Ath^  Oudenaarde,  Binche  en  Charleroi,  trokken  meermalen  de 
Zuidelijke  Nederlanden  in  verschillende  richtingen  door,  zonder 
dat  het  krachtelooze  Spanje  hieraan  veel  kon  verhinderen. 


Digitized  by 


Google 


90  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Uit  die  opgave  van  de  strijdkrachten  der  twee  partijen  is  ten 
duidelijkste  op  te  maken,  dat  verdediging  bet  deel  moest 
zijn  van  de  Nederlandsche  Republiek,  aanval  dat  harer  vijan- 
den. Maar  de  ongelijkheid  in  strijdkrachten  was  zóó  groot,  dat 
de  aanvaller  de  geheele  verovering  of  onderwerping  van  den 
vijandelijken  Staat  als  doel  van  den  oorlog  kon  aannemen. 
Clausewitz  heeft  de  oorlogen  onderscheiden  in  beslissende  en 
onbeslissende,  en  de  theorie  daarvan  gegeven ;  —  geheel  ten 
onrechte,  gelooven  wij;  want  in  onze  dagen  handelt  de  sterkste 
partij  altijd  slecht,  wanneer  zij  den  oorlog  onbeslissend 
voert;  en  men  moet  geen  theorie  geven  voor  eene  handeling 
die  slecht  is;  —  in  de  17e  eeuw  waren,  door  de  vroeger  ver- 
melde oorzaken,  de  oorlogen  meestal  onbeslissend;  maar  de 
oorlog,  die  in  1672  aanving,  maakte  hierop,  ten  minste  aanvan- 
kelijk, eene  uitzondering. 

De  gunstigste  operatielijn,  door  het  Fransche  leger  te  volgen, 
was  als  van  zelve  aangewezen;  het  was  gemakkelijk  op  te  mer- 
ken waar  de  zwakste  zijde  van  de  Republiek  was. 

De  aanval  aan  de  zuidzijde  was  onraadzaam.  Want  om  in 
Noord-Braband  door  te  dringen,  moesten  de  Fransche  legers 
eerst  de  Spaansche  Nederlanden  doortrekken  en  denkelijk  de 
belegering  verrichten  van  Mons,  Brussel,  Antwerpen,  mogelijk 
ook  die  van  Gent ;  dan  zou  men  op  de  Noord-Brabandsche  ves- 
tingen stuiten  en  op  de  groote  rivieren  daarachter,  welke  aan 
de  verdediging  zoo  gewichtige  voordeelen  geven.  Die  operatielijn 
volgende, zou  men  dus  Holland  aantasten  aan  de  sterkste  zijde; 
men  zou  slechts  langzaam  voortgaan,  en  dus  den  verdediger  den 
tijd  geven  om  zijne  strijdkrachten  te  vermeerderen  en  den  bijstand 
van  bondgenooten  te  ontvangen ;  terwijl  men  juist  met  spoed  den 
aanval  moest  doorzetten  om  den  vijand  te  beletten,  iets  te  ver- 
anderen in  zijn  weinig  weerbaren  toestand.  Die  operatielijn  was 
dus  niet  goed. 

Meer  oostelijk  daarentegen  waren  voor  den  aanvaller  de  kan- 
sen veel  gunstiger,  zooals  vroeger  de  veldtochten  van  Spinola 
dit  reeds  hadden  aangetoond.  De  aanvaller  kon  Charleroi  als 
depotplaats  bezigen ;  en  van  daar,  door  het  onzijdige  Luikerland, 
in  Limburg  vallen.  Hier  ontmoette  men  Maastricht;  maar,  door 
het  achterlaten  van  een  observatie-korps  en  het  tijdelijk  ver- 
sterken van  sommige  plaatsen,  zooals  Tongeren,  Maeseyck  enz., 
kon  men  die  vesting  in  bedwang  houden.  Het  Fransche  leger 
kon  dan  voortgaan  tusschen  Maas  en  Rijn;  bij  laatstgenoemde 
rivier  was  een  groot  aantal  vestingen;  maar  men  wist  dat  deze, 
èn  in  zoo  slechten  toestand  èn  zoo  slecht  bezet  waren,  dat  men 
in  weinig  tijds  meester  daarvan  kon  zijn.  Was  dit  gebeurd,  dan 
moest  het  Fransche  leger  zich  uitbreiden  op  den  rechteroever 
van  den  Rijn  en  zich  in  verbinding   stellen   met  de  krijgsmacht 


Digitized  by 


Google 


OORLOGSPLANNEN.  91 

van  den  bisschop  van  Munster.  De  aanvaller  had  dan  Munster- 
land en  het  Keulensche  tot  operatie-basis,  terwijl  hij  desnoods 
ook  uit  Charleroi,  door  Luikerland  heen,  rechtstreeks  toevoer 
uit  Frankrijk  kon  ontvangen.  De  gemeenschap  met  de  operatie- 
basis was  dus  voldoende  verzekerd;  ten  minste  zoolang  de 
Duitsche  vorsten  niet  optraden  als  bondgenooten  van  de  Repu- 
bliek en  hunne  legers  aan  den  Rijn  verschenen ;  want  in  dat  ge- 
val zou  die  gemeenschap  geheel  alleen  afhangen  van  het  bezit 
van  Charleroi  en  dus  zeer  onzeker  worden. 

In  het  oostelijk  gedeelte  van  Gelderland  doorgedrongen,  zou 
het  Fransche  leger  nu  alleen  door  den  IJsel  worden  geschei- 
den van  het  eigenlijke  Holland.  De  overtocht  van  die  ondiepe, 
twintig  uren  lange  rivier  moest  men  op  het  een  of  ander  punt 
met  geweld  verrichten ;  of  wel,  de  stelling  des  verdedigers  achter 
die  terreinafscheiding  omtrekken,  door  den  Rijn  over  te  gaan 
tusschen  Arnhem  en  Nijmegen.  Daarna  moest  men  met  den 
meesten  spoed  op  Amsterdam  en  Den  Haag  marcheeren,  en  door 
het  onderwerpen  van  Holland  den  oorlog  ten  einde  brengen. 
Dewijl  men  toch  zulk  een  overmacht  had,  kon  de  Munstersche 
krijgsmacht  gebezigd  worden  om  gelijktijdig  Overijsel^  Groningen 
en  Friesland  te  veroveren.  —  Eene  hoofdzaak  bij  dit  alles  was 
om  met  de  grootste  voortvarendheid  te  werk  te  gaan,  ten 
einde  de  tegenpartij  geen  tijd  te  geven  tot  het  organiseeren  van 
eene  krachtige  verdediging  of  tot  het  ontvangen  der  hulp  van 
bondgenooten. 

Ziedaar  het  operatieplan  dat  onder  de  bestaande  omstandig- 
heden voor  den  aanvaller  het  voordeeligst  was;  en  dat  werkelijk 
door  hem  is  opgevolgd.  —  Het  spreekt  vanzelf  dat  wij  hiermede 
niet  bedoelen,  dat  de  aanvaller  reeds  vóór  het  begin  van  den 
veldtocht  zich  al  wat  wij  hier  opgenoemd  hebben  bepaaldelijk 
als  doel  heeft  voorgesteld;  integendeel,  tot  die  verschillende 
handelingen  heeft  hij  waarschijnlijk  eerst  in  den  loop  van  den 
veldtocht  besloten;  zoo  lezen  wij  onder  andere,  dat  het,  toen 
in  half  Mei  de  legers  van  Lodewijk  XIV  reeds  in  Limburg 
waren,  nog  een  punt  van  overweging  uitmaakte,  of  men  Maas- 
tricht al  dan  niet  zou  belegeren,  dat  Condé  die  belegering  aan- 
raadde, maar  het  tegenovergestelde  gevoelen  van  Turenne  de 
bovenhand  behield.  —  In  het  algemeen  is  het  eene  ongerijmdheid 
om,  met  sommige  schrijvers  over  de  strategie,  te  spreken  van 
een  operatieplan  voor  een  geheelen  veldtocht;  zulk  een  operatie- 
plan  kan  niets  meer  inhouden  dan  eenige  zeer  algemeene,  zeer 
onbepaalde  aanduidingen;  want  de  handelingen  van  een  leger 
gedurende  eenen  veldtocht  hangen  grootendeels  af  van  de  han- 
delingen der  tegenpartij,  die  men  niet  vooruit  kan  weten.  £en 
schaakspeler  kan  bij  het  begin  der  partij  niet  vooruit  zeg- 
gen, op  welke  wijze  hij  zijn  tegenstander  mat  wil  zetten,  dewijl 


Digitized  by 


Google 


92  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

hij  Zijne  zetten  moet  regelen  naar  die  van  zijne  tegenpartij; 
evenmin  kan  een  legerhoofd  alle  bewegingen  eens  legers  gedu- 
rende een  veldtocht  vooruit  vaststellen;  want  die  bewegingen 
zullen  bepaald  worden  door  de.  bewegingen  des  vijands  en  door 
de  niet  te  voorziene  gebeurtenissen  van  den  oorlog. 

De  keus  van  de  operatielijn,  door  het  Fransche  leger  gevolgd, 
was  zeer  goed,  omdat  het  leger,  die  lijn  volgende,  den  minsten 
wederstand  zou  ontmoeten  en  de  beslissendste  uitkomsten 
kon  verkrijgen.  Hierbij  dient  echter  aangemerkt  te  worden,  dat 
wanneer  de  oorlog  niet  spoedig  tot  eene  beslissing  kwam,  en 
wanneer  ter  hulp  van  de  Republiek  een  Duitsch  leger  aan  den 
Rijn  verscheen,  de  operatielijn  van  het  Fransche  leger  gevaar 
zou  loopen,  van  afgesneden  te  worden  door  den  vijand;  —  de 
latere  gebeurtenissen  hebben  dit  dan  ook  aangetoond;  en  dat 
na  1673  het  grondgebied  der  Republiek  door  de  Fransche  leger- 
macht geheel  werd  ontruimd,  was  minder  omdat  Lodewijk  XIV 
die  legermacht  elders  noodig  had,  zooals  sommige  schrijvers  dit 
opgeven  — ,  dan  wel  omdat  men,  na  de  inneming  van  Bonn 
door  Willem  III,  met  reden  bevreesd  was,  dat  die  legermacht 
afgesneden  zou  worden  van  Frankrijk,  en  dus  geheel  verloren 
gaan.  Indien  men  daarentegen  van  de  Fransche  zijde  den  oor- 
log meer  stelselmatig  had  gevoerd,  eerst  de  Spaansche  Neder- 
landen had  vermeesterd,  en  eerst  na  die  vermeestering  de  Noor- 
delijke Nederlanden  had  aangevallen,  dan  zou  het  verschijnen 
der  Keizerlijke  en  Brandenburgsche  legers  aan  den  Beneden-Rijn 
voor  de  Franschen  volstrekt  geen  reden  zijn  geweest  om  hunne 
veroveringen  op  het  grondgebied  der  Republiek  weer  te  ont- 
ruimen: de  gemeenschap  van  de  Fransche  legermacht  in  de 
Noordelijke  Nederlanden  met  hare  operatiebasis  zou  dan  te  goed 
verzekerd  zijn  geweest.  —  Minder  veilig  dan  de  operatielijn  door 
de  Spaansche  Nederlanden  en  door  Noord-Braband,  was  echter 
de  operatielijn,  die,  van  Charleroi  uitgaande,  langs  Maastricht, 
tusschen  Maas  en  Rijn  en  verder  op  den  rechteroever  van 
den  Rijn  naar  den  ÏJsel  liep,  voor  het  Fransche  leger  de  beste, 
omdat  zij  de  beslissendste  uitkomsten  kon  doen  verkrijgen. 

De  handelingen  van  den  verdediger  zijn  niet  zoo  in  overeen- 
stemming geweest  met  de  goede  regelen  als  de  handelingen  van 
den  aanvaller. 

De  verdediger,  als  de  zwakste  partij,  moet  —  in  het  algemeen  — 
de  beslissing  niet  zoeken,  maar  den  strijd  ontwijken,  den  oorlog 
rekken.  Tijd  winnen  is  voor  hem  zeer  veel,  zoo  niet  alles;  want 
daardoor  kan  hij  de  hulp  van  bondgenooten  ontvangen,  die  bij 
den  aanvang  des  oorlogs  nog  niet  gereed  was;  daardoor  zijn 
leger  vergrooten,  de  volkswapeningen  in  het  leven  roepen,  de 
verdedigingslijnen  sterker  maken;  daardoor  verdwijnt  de  eerste 


Digitized  by 


Google 


OORLOGSPLANNEN.  93 

vrees  die  de  overmacht  des  aanvallers  heeft  doen  ontstaan,  en 
wint  de  verdediger  in  zelfvertrouwen :  daardoor  eindelijk  rekt  men 
den  oorlog  tot  het  invallen  van  het  slechte  jaargetijde,  dat  natuur- 
lijk de  marschen  en  bewegingen  van  den  aanvaller  belemmert 
en  de  voeding  en  verpleging  van  zijn  leger  moeielijk  maakt. 

Om  tijd  te  winnen  kan  de  verdediger  zelfs,  als  de  ongelijkheid 
in  strijdkrachten  niet  te  groot  is,  door  aanvallende  bewegingen 
's  vijands  gemeenschaps-lijnen  bedreigen,  en  daardoor  zijn  voort- 
gang verhinderen.  Is  die  ongelijkheid  te  groot,  dan  moet  de 
verdediger  voorzichtiger  te  werk  gaan,  en  slechts  zijdelings 
's  vijands  marsch  vertragen,  door  kleine  diversiën  of  door  met 
lichte  troepen,  met  vrijkorpsen  de  flanken  en  den  rug  des 
vijands  te  verontrusten.  Om  den  aanvaller  rechtstreeks  tegen  te 
houden,  plaatst  de  verdediger  zich  achter  groote  terrein- afschei- 
dingen, in  sterke  stellingen;  hij  verdedigt  elke  dezer  natuurlijke 
hindernissen  zoo  lang  het  kan,  zelfs  dan  als  het  te  voorzien  is, 
dat  die  verdediging  op  den  duur  onhoudbaar  is  en  slechts  eenige 
dagen  tijds  doet  winnen ;  —  evenwel  moet  de  verdediger  hierbij 
in  acht  nemen,  van  niet  zóó  lang  stand  te  houden  dat  hij  een 
geheele  nederlaag  kan  ondergaan.  Flankstellingen  zijn  goed,  mits 
zij  werkelijk  den  vijand,  wanneer  hij  voortrukt,  in  gevaar  kun- 
nen brengen,  en  mits  de  verdediger  van  daar  altijd  terug  kan 
trekken  op  die  gewesten,  die  als  het  gewichtigste  gedeelte  van 
den  Staat  kunnen  worden  beschouwd,  het  gedeelte  van  welks 
bezit  alles  afhangt.  De  verdediging  van  dit  gedeelte  des  lands 
moet  altijd  in  het  oog  worden  gehouden ;  zij  moet  reeds  vroeger 
met  zorg  zijn  voorbereid;  en  de  aanvankelijke  stelling  die  de 
verdediger  vóór  het  begin  van  den  veldtocht  bezet,  moet  zoodanig 
wezen  dat  hij  van  daar  den  aanvaller,  waar  deze  ook  oprukt, 
kan  te  gemoet  gaan,  en  tevens  altijd  den  ongehinderden  terugtocht 
naar  dat  gewichtigste  gedeelte  des  lands  behoudt.  Vestingen 
kunnen  dienstig  zijn  om  den  aanvaller  tegen  te  houden,  wanneer 
het  te  voorzien  is  dat  deze  ze  zal  moeten  belegeren;  zoo  niet, 
dan  verzwakken  zij  maar  en  zijn  dus  slecht,  —  tenzij  men  altijd 
in  staat  blijft  de  bezetting  daar  weer  uit  te  nemen.  —  Alleen 
dan  wanneer  de  aanvaller  het  hart  des  lands  bedreigt,  moet  de 
verdediger,  zelfe  met  mindere  macht,  overgaan  tot  het  leveren 
van  een  beslissenden  veldslag;  is  dat  niet  het  geval,  dan  blijft 
hij  maar  terugtrekken,  totdat  de  versterking  van  het  eigen  leger 
of  de  verzwakking  of  verdeeling  van  het  leger  des  vijands  den 
verdediger  in  staat  stelt  zelf  tot  den  aanval  over  te  gaan. 

Past  men  die  algemeene  beginselen  toe  op  den  toestand  des 
verdedigers  in  1672,  dan  ziet  men,  dat  door  de  groote  ongelijk- 
heid tusschen  de  sterkte  der  wederzijdsche  legers,  er  bij  den 
verdediger  niet  aan  kon  gedacht  worden  om  door  aanvallende 
bewegingen  den  voortgang  des  vijands  te  beletten;  aanvankelijk 


Digitized  by 


Google 


94  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

moest  het  HoUandsche  leger  zich  bepalen  tot  een  lijdelijke 
verdediging.  Het  bezetten  van  eene  flankstelling  zou  weinig 
gebaat  hebben:  onderstel  het  leger  van  Willem  III  vereenigd  in 
een  verschanst  kamp  onder  de  muren  van  Maastricht;  dan  was 
de  Fransche  krijgsmacht  sterk  genoeg  om  met  een  gedeelte  het 
leger  des  Stadhouders  in  bedwang  te  houden,  zelfs  geheel  in  te 
sluiten,  terwijl  het  ander  gedeelte  intusschen  zonder  moeite  de 
verovering  van  het  onverdedigde  Holland  zou  verrichten.  Eene 
dergelijke  handelwijze  zou  dus  geheel  verkeerd  zijn  geweest. 

Over  het  geheel  moest  men  hier,  aan  de  HoUandsche  zijde, 
zich  de  mogelijkheid  voorstellen,  zelfs  de  waarschijnlijkheid  van 
het  doordringen  der  vijandelijke  wapenmacht  tot  het  eigenlijke 
Holland.  Men  moest  dus,  zelfs  vóór  het  begin  van  den  veldtocht, 
alle  maatregelen  nemen  om  spoedig  de  inundatiën  te  kunnen 
stellen  welke  Holland  afsluiten,  de  toegangen  door  die  inun- 
datiën voorzien  van  sterke  veldwerken,  en  de  gewapende  bevol- 
king gereed  hebben  tot  bezetting  van  de  linie.  Voor  het  overige 
moest  men  het  doordringen  van  den  vijand  tot  zoover  zooveel 
doenlijk  vertragen,  en  hiertoe  gebruik  maken  van  alle  mogelijke 
verdedigingslijnen. 

Viel  het  Fransche  leger  het  zuidelijk  gedeelte  der  Republiek 
aan,  dan  had  men  in  de  Noord-Brabandsche  vestingen  en  in  het 
betwisten  van  den  overtocht  van  Maas,  Waal  en  Rijn  het  mid- 
del om  dat  leger  geruimen  tijd  tegen  te  houden;  —  de  aanval 
aan  die  zijde  was  echter  niet  waarschijnlijk;  die  vestingen  moes- 
ten dus  slechts  zwak  worden  bezet,  ie  meer  daar  zij  door  hare 
ligging  gemakkelijk  versterking  konden  krijgen. 

De  inval  des  vijands  aan  de  oosteijde  en  zuidoostzijde  was 
het  waarschijnlijkst.  De  Grebbe-linie  bestond  toen  niet,  en  de 
tijd  ontbrak  om  haar  tot  stand  te  brengen;  men  moest  zich 
dus  bepalen  tot  de  verdediging  van  den  IJsel,  Die  rivier  was 
te  gemakkelijk  over  te  trekken,  dan  dat  men  rekenen  kon  op 
hare  voortdurende  verdediging;  men  moest  die  evenwel  onder- 
nemen om  tijd  te  winnen;  en,  ten  einde  in  die  stelling  niet 
omtrokken  te  worden  aan  de  rechterzijde,  ook  den  Rijn  tusschen 
Arnhem  en  Schenkenschans,  en  de  Waal  tot  aan  de  Bommeler- 
waard sterk  bezetten.  Op  den  rechteroever  van  den  IJsel,  aan 
Maas  en  Rijn,  bevonden  zich  een  groot  aantal  vestingen;  maar 
die  vestingen  waren  onbelangrijk  op  zich  zelve,  meest  in  een 
slechten  toestand,  en  de  aanvaller  was  sterk  genoeg  om  niet  ge- 
dwongen te  zijn  ze  te  belegeren;  men  had  dus  beter  gedaan 
die  vestingen  te  ontruimen.  Had  men  dit  gedaan,  en  ook  te 
Maastricht  slechts  een  zwakke  bezetting  achtergelaten,  dan  zou 
men  de  sterkte  van  het  leger  te  velde  tot  een  30  a  40  000  man 
hebben  kunnen  brengen,  en  dus  de  rivierverdediging  met  hoop 
op  goed  gevolg  hebben  kunnen  verrichten. 


Digitized  by 


Google 


OORLOGSPLANNEN.  95 

Om  de  Munsterschen  tegen  te  houden  moest  men  eene  kleine 
macht)  een  5  a  6000  man,  afzonderen  voor  de  verdediging  van 
Overijsel,  Friesland  en  Groningen.  De  schutterijen  uit  die  ge- 
westen konden  zich  daarbij  aansluiten^  en  al  was  het  hierdoor 
ontstaande  leger  aanvankelijk  niet  sterk  genoeg  om  den  vijand 
het  doordringen  in  Overijsel  te  beletten,  zoo  kon  het  echter 
Groningen  en  Friesland  beschermen,  waar  het  meer  begunstigd 
werd  door  het  terrein.  Merkt  men  hiertegen  aan,  dat  dit  afzon- 
deren van  een  gedeelte  des  legers  tot  bescherming  van  de  noord- 
oostelijke gewesten  in  strijd  is  met  het  groote  beginsel,  van  de 
strijdkrachten  zooveel  mogelijk  vereenigd  te  houden,  —  dan 
antwoorden  wij:  dat  de  beginselen  der  krijgskunst  nooit  zoo 
absoluut  moeten  worden  toegepast,  en  dat  hier  de  verzwakking 
welke  het  hoofdleger  zou  ondergaan  door  het  afzonderen  van 
een  gedeelte  ter  bescherming  van  Overijsel  en  Groningen,  rijke- 
lijk zou  opgewogen  worden  door  het  daardoor  bezig  houden 
van  een  deel  der  vijandelijke  macht,  en  door  het  voordeel  dat 
men  daardoor  meester  bleef  van  de  hulpmiddelen  van  provin- 
ciën, die  anders  den  vijand  zouden  zijn  toegevallen. 

Overbodig  is  het  hier  bij  te  voegen,  dat  de  vestingen  die  men 
wilde  verdedigen,  goed  bezet  en  goed  voorzien  moesten  zijn,  en 
dat  men,  om  de  bewegingen  van  het  leger  gemakkelijk  te 
maken,  voor  bruggen  op  verschillende  punten  van  de  rivieren 
gezorgd  moest  hebben. 

In  gewichtige  punten  weken  de  maatregelen  van  den  verdedi- 
ger af  van  die,  welke  wij  hier  als  de  doeltreffendste  hebben 
vermeld. 

Wèl  oordeelde  men,  dat,  tegen  de  groote  overmacht  des 
vijands,  men  zich  in  den  beginne  alleen  lijdelijk  zou  kunnen 
verdedigen:  maar  men  zag  de  waarschijnlijkheid  niet  in  dat  de 
aanvaller  spoedig  zou  kunnen  doordringen  tot  Holland;  —  ten 
minste,  wij  vinden  nergens  dat  men  ernstige  toebereidselen 
maakte  tot  het  stellen,  versterken  en  bezetten  van  de  Hollandsche 
waterlinie,  wel  onderzoekingen  en  besprekingen.  Men  vereenigde 
het  Hollandsche  leger  grootendeels  aan  den  IJsel,  en  wierp  eene 
verschanste  linie  op,  achter  die  rivier;  de  sterkte  van  die  in  de 
nabijheid  van  Arnhem  vereenigde  krijgsmacht  bedroeg  volgens 
sommige  opgaven  17  000  man,  volgens  andere  22  000.  Die  macht 
had  veel  grooter  kunnen  zijn,  wanneer  men  niet  zulk  een  groot 
aantal  vestingen  had  blijven  bezetten  ten  zuiden  van  Gelder- 
land. Frederik  Hendrik  —  beweert  men  —  had  reeds  aange- 
drongen op  eene  aanzienlijke  vermindering  van  het  aantal  sterke 
steden;  maar  zijn  raad  was  geheel  in  den  wind  geslagen.  De 
regeering  der  Republiek  wilde  het  oorlogstooneel  zoo  ver  mogelijk 
verwijderd  houden  van  Holland;  daarom  bleef  zij  het  groot 
aantal  vestingen  aan  Maas  en  Rijn  bezet  houden;  daarom  werd 


Digitized  by 


Google 


g6  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

in  de  enkele  stad  Maastricht  eene  macht  vereenigd,  door  bijna 
alle  schrijvers  op  een  1 1  ooo  man  begroot,  maar  door  Sijpesteyn 
en  De  Bordes  teruggebracht  op  8  a  9000;   daarom  was  er  zelfs 

sprake  —  in  het  begin  van  1672 om,  door  verstandhouding 

met  de  burgerij^  Hollandsche  troepen  binnen  de  stad  Keulen 
te  werpen,  ten  einde  den  vijand  daar  bezig  te  houden ;  —  evenals 
of  hem  dit  zou  doen  afzien  van  den  inval  in  Holland ;  en  even 
alsof  het  bij  's  vijands  groote  overmacht  geen  dwaasheid  was 
zich  zóó  uit  te  breiden,  en  naar  Keulen  troepen  te  zenden,  die 
men  weldra  zou  noodig  hebben  voor  de  verdediging  van 
Amsterdam ! 

Voor  het  overige  waren,  Maastricht  uitgenomen,  de  vestingen 
veel  te  zwak  bezet.  Dit  was  nog  minder  kwaad  in  de  eigenlijke 
Hollandsche  steden^  waar  de  schutterijen  roet  de  bezetting  kon- 
den medewerken  tot  de  verdediging,  maar  in  de  vestingen  van 
de  zoogenaamde  generaliteits-landen  bestond  die  medewerking 
niet.  De  ellendige  toestand  van  die  vestingen,  de  gebrekkige  en 
onvolledige  uitrusting  en  wapening  hebben  wij  reeds  vroeger 
vermeld;  dit  verschoont  wel  is  waar  de  lafhartigheid  niet 
waarmede  zij,  in  het  begin  van  den  veldtocht,  werden  overge- 
geven; maar  zeker  is  het,  dat  zelfs  bij  nauwgezette  plichtsbe- 
trachting der  bevelhebbers,  de  wederstand  toch  niet  lang  zou 
hebben  kunnen  duren,  en  de  bezettingen  binnen  weinig  tijds  in 
handen  des  vijands  moesten  vallen.  Het  ongelukkige  stelsel  van 
alles  te  willen  verdedigen,  was  hier  weer  oorzaak  dat  niets 
goed  werd  verdedigd. 

In  Noord-Braband  had  men  slechts  weinig  macht;  eenige  Hol- 
landsche schutterijen  waren  ter  bezetting  van  de  verschillende 
vestingen  naar  dat  gewest  opgerukt;  later  kwamen  daar  ook 
eenige  Spaansche  troepen.  —  Aan  de  oostelijke  grenzen  wordt 
behalve  van  de  bezettingen  der  steden,  van  geene  krijgsmacht 
gesproken.  —  In  de  staten  van  oorlog  van  167 1  merken  wij 
op,  dat  er  drie  gierbruggen  werden  aangelegd:  te  Wezel,  te 
Grave  en  te  Nijmegen.  Ook  vinden  wij  daar  gewag  gemaakt 
van  een  voorstel  om  alle  ingezetenen  (zeker  alleen  in  de  ves- 
tingen) zich  voor  zes  maanden  van  levensmiddelen  te  doen 
voorzien  5  of  dit  voorstel  is  aangenomen  en  uitgevoerd,  blijkt 
echter  niet;  trouwens  geen  der  belegeringen  in  dezen  oorlog 
heeft  zóó  lang  geduurd  dat  zij  zes  maanden  levensmiddelen 
noodzakelijk  maakte. 

De  slotsom  van  ons  oordeel  is:  deze  verdedigingsmaatregelen 
waren  slecht,  omdat  zij  er  toe  leidden,  om  eene  macht,  die 
reeds  zoo  zwak  was  in  vergelijking  met  die  des  vijands,  nog 
zwakker  te  maken  door  haar  overal  te  verspreiden;  zij  waren 
slecht,  omdat  men  een  goed  gedeelte  des  legers  nutteloos  opof- 
ferde, door  het  te  plaatsen  in  zwakke,  onhoudbare  vestingen. 


Digitized  by 


Google 


OORLOGSPLANNEN.  97 

Bij  de  bespreking  van  het  operatieplan  van  aanvaller  en  ver- 
dediger is  alleen  gewaagd  van  den  oorlog  te  land.  Van  den 
oorlog  ter  zee  slechts  een  enkel  woord,  voor  zoover  die  van 
rechtstreekschen  invloed  was  op  de  gebeurtenissen  te  land. 

Frankrijk  en  Engeland  wilden  hunne  vloten  vereenigen,  daar- 
mede de  zeemacht  van  de  Republiek  aantasten  en  slaan,  en 
daarna  eene  legerafdeeling  doen  landen  op  het  een  of  ander 
punt  van  Holland. 

Op  zichzelf  staande  is  eene  landing  volstrekt  niet  te  duchten 
voor  onzen  Staat,  en  de  verdedigings- maatregelen  moeten  al 
zeer  slecht  genomen  worden,  wanneer  zij  ernstig  gevaar  zal  aan- 
brengen. Het  bezwaar  om  eene  genoegzaam  sterke  legermacht 
in  te  schepen,  de  tijd  en  de  kosten  die  hiertoe  gevorderd  wor- 
den, de  omstandigheid,  dat  bij  een  ingescheept  leger  meestal 
slechts  weinig  ruiterij  en  geschut  is,  de  nadeelige  invloed  welke 
een  zeetocht  heeft  op  de  strijdvaardigheid  van  landtroepen,  de 
moeielijkheid  en  het  gevaar  eener  landing  en  de  onzekerheid 
van  in  gemeenschap  te  blijven  met  het  eigen  land,  en  het  onwisse 
van  toevoer,  versterking  en  een  vrijen  terugtocht;  —  dit  alles 
maakt  de  uitwerking  van  een  landingsleger  in  het  algemeen 
zeer  gering,  —  en  wanneer  hier  nog  bijkomt  een  land  als  Hol- 
land, dat,  met  rivieren  en  kanalen  doorsneden,  den  aanvaller 
buitengemeen  bemoeielijkt,  den  verdediger  begunstigt  en  de 
volkswapening  toelaat  om  werkdadig  op  te  treden,  —  dan  zal 
eene  landing,  bij  eenig  beleid  aan  de  zijde  des  verdedigers, 
weinig  of  niet  te  duchten  zijn.  1799  en  1809  zijn  daar,  als  be 
wijzen  voor  die  waarheid. 

De  vijandelijke  zeemacht  kan  wel  is  waar  de  rivieren  opzei- 
len  en  koopsteden  en  maritieme  inrichtingen  aan  de  vernieling 
prijs  geven,  zooals  de  Engelschen  dit  in  1809  met  Vlissingen 
deden  en  in  181 2  met  New- York;  maar,  —  behalve  dat  dit 
daden  zijn  die  niet  meer  in  eene  beschaafde  eeuw  maar  in  de 
tijden  der  Noormannen  te  huis  behooren,  en  daarom  de  vlek 
van  barbaarschheid  werpen  op  de  natie  die  zich  daaraan  schuldig 
maakt  — ,  zoo  brengen  ook  die  ondernemingen  wel  verliezen 
toe,  maar  niet  van  zulk  een  belangrijken  aard,  dat  daardoor  een 
oorlog  beslist  wordt.  Voor  eene  landing  alléén  behoeft  een  Staat 
als  de  onze  niet  ernstig  beducht  te  zijn. 

Maar  in  1672  zon  die  landing  niet  op  zich  zelve  hebben  ge- 
staan. Integendeel,  zij  zou  in  verband  hebben  gestaan  met  den 
aanval  van  geduchte  legers  aan  de  landzijde;  en  dit  verandert 
de  zaak  geheel  en  al.  Wanneer,  toen  Lodewijk  XIV  den  Rijn 
overtrok  en  Amsterdam  naderde,  eene  Engelsche  legermacht  — 
al  was  het  maar  een  tienduizend  man  —  op  het  een  of  ander 
punt  van  de  Hollandsche  kust  was  geland,  dan  zou  dit  een  ge- 
deelte van  het  zwakke  leger  van  Willem  III  tot  zich  hebben  ge- 


WILLEM  m. 


Digitized  by 


Google 


98  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

trokken,  en  het  overblijvende  deel  zou  dan  niet  bij  machte  zijn 
geweest  om  de  Hollandsche  waterlinie  tegen  Frankrijk  te  ver- 
dedigen ;  die  landing  zou  aan  de  Republiek  den  doodsteek  hebben 
gegeven. 

In  zóóver  zijn  dus  de  handelingen  ter  zee  van  den  gewich- 
tigsten  invloed  geweest  op  de  handelingen  te  land;  de  glorie- 
volle zeeslagen,  toen  aan  de  vloten  van  de  vijandelijke  vorsten 
geleverd,  dienden  niet  alleen  om  op  de  Noordzee  de  vlag  van 
de  Republiek  te  doen  ontzien,  maar  ook  om  Holland's  kusten 
tegen  vijandelijke  aanranding  te  beschermen ;  en  De  Ruyter  moet 
evenzeer  als  Willem  III  de  redder  van  het  vaderland  worden 
genoemd. 

De  zeemacht  der  Republiek  had  bij  het  begin  des  oorlogs 
een  zoodanige  uitbreiding,  dat  de  vereenigde  Fransche  en  En- 
gelsche  vloten  nauwelijks  sterker  waren;  en  toen  later  de  nood- 
zakelijkheid om  de  landmacht  te  versterken,  de  zeemacht  aan- 
merkelijk deed  verminderen,  werd  die  vermindering  onschadelijk 
gemaakt  door  de  dapperheid  der  vlotelingen  en  het  beleid  van 
Neerland's  grootsten  zeeheld. 


HOOFDSTUK  IV. 

1672.     EERSTE    KRIJGSVERRICHTINGEN ;     OVERTOCHT   VAN    DEN    RIJN; 
STAATSOMWENTELING;    DE   HOLLANDSCHE   WATERLINIE. 

r 

De  eerste  vijandelijkheden  tusschen  de  Fransche  en  Neder- 
landsche  legers  hadden  plaats  naar  de  zijde  van  Kleefsland.  Den 
27611  April  trok  graaf  Maurits  van  Nassau  met  een  2  a  3000  man, 
grootendeels  ruiterij,  van  de  zijde  van  Wezel  en  Rijnberg  op, 
ten  einde  de  kwartieren  te  verontrusten  van  de  Fransche  troepen, 
die,  onder  Chamilly,  zich  in  het  Keulensche  vereenigden.  De 
voordeelen,  door  de  Hollanders  behaald,  waren  geheel  onbedui- 
dend ;  maar  door  die  aanvallende  beweging  waren  de  Franschen 
genoodzaakt  zich  in  enge  kantonnementen  te  verzamelen,  het- 
geen, zooals  uit  de  briefwisseling  van  Chamilly  blijkt,  veel  be- 
zwaren veroorzaakte  voor  de  voeding  van  de  troepen.  —  De 
bezetting  van  Maastricht  deed  ook  kleine  strooptrochten. 

Het  Fransche  hof  had  den  25611  April  St.  Germain  verlaten  en 
de  koning  was  den  5  en  Mei  te  Charleroi  aangekomen.  Hier  hield 
hij  zich  tot  den  11  en  bezig  met  het  in  oogenschouw  nemen  van 
het   om   die   stad  vereenigde  leger,  en  trok  toen  in  de  richting 


Digitized  by 


Google 


EERSTE  KRIJGSVERRICHTINGEN.  99 

van  Maastricht,  na  eerst  Monterey  te  hebben  laten  weten,  dat 
de  Fransche  krijgsmacht  genoodzaakt  zou  zijn  om  over  Spaansch 
grondgebied  te  trekken.  Turenne  was  met  een  gedeelte  des 
legers  —  20000  man  voetvolk,  3000  ruiters  en  30  stukken  ge- 
schut —  reeds  twee  dagen  vroeger  op  marsch  gegaan,  en  had 
zich  vereenigd  met  de  door  Chamilly  aangevoerde  troepen,  van 
de  zijde  van  Hoey  komende;  beiden  maakten  zich  meester  van 
Tongeren,  Maeseyck,  St.  Truijen  en  Bilsen,  en  breidden  zich  uit 
naar  de  zijde  van  Maastricht.  Den  l^en  Mei  kwam  Lodewijk  XTV 
tegenover  Visé,  aan  de  Maas,  waar  Turenne  zich  weer  bij  hem 
voegde. 

Het  leger  van  Condé  was  uit  de  omstreken  van  Sedan  opge- 
broken, door  de  Ardennen  getrokken  over  Bouillon  en  St.  Hubert, 
beneden  het  dorp  Chenai  de  Ourthe  overgegaan;  het  kwam  den 
i9cn  Mei  in  de  nabijheid  van  Luik,  op  den  rechteroever  van  de 
Maas.  Men  ziet  dus  dat  die  strategische  opmarsch  van  de  Fransche 
legers  met  geen  groote  snelheid  werd  verricht;  wij  hebben 
trouwens  reeds  gezegd,  dat  men  die  snelheid  niet  moet  verwachten 
bij  de  oorlogen  dier  eeuw. 

Toen  werd  er  eenige  tijd  doorgebracht  met  de  beraadslaging 
over  de  vraag,  of  men  Maastricht  al  dan  niet  zou  aanvallen. 
Men  kwam  eindelijk  tot  het  besluit  om  den  marsch  voort  te 
zetten.  Het  leger  van  Condé  zou  bij  Keizersweert  den  Rijn 
overgaan,  en  op  den  rechteroever  van  dien  stroom  Wezel  be- 
legeren; gelijktijdig  zouden  de  Koning  en  Turenne  op  den  lin- 
oever  Orsoy,  Rijnberg  en  Burik  aantasten.  Chamilly  zou  op  den 
Imkeroever  van  de  Maas  blijven  om  de  bezetting  van  Maastricht 
in  het  oog  te  houden;  met  5000  man  voetvolk  bleef  hij  te 
Maeseyck,  terwijl  4000  ruiters  en  eenig  voetvolk  verdeeld  wer- 
den over  Tongeren,  Bilsen,  Stokhem  en  Rekhem.  Later  wer- 
den ook  Sittard  en  het  kasteel  van  Valkenburg  door  die 
troepen  bezet,  zoodat  Maastricht  met  een  kring  van  posten  was 
omgeven. 

Eenige  vooruitgezonden  troepen,  onder  Montal,  sloegen  be- 
neden Keizersweert,  bij  het  dorp  Neerst,  een  schipbrug  over  den 
Rijn,  en  dekten  haar  door  het  opwerpen  van  een  bruggenhoofd. 
Condé,  naar  den  Rijn  trekkende,  kwam  den  28en  Mei  tegenover 
Keizersweert,  ging  den  volgenden  dag  den  Rijn  over  en.,  den 
marsch  in  noordelijke  richting  voortzettende,  kwam  hij  den 
31  en  Mei  te  Dorsten  aan  deLippe.  Den  volgenden  dag  verscheen 
hij  voor  Wezel,  waar  zich  Luxembourg  met  een  gedeelte  van 
het  Munstersche  en  Keulensche  leger  bij  hem  voegde.  Het  hoofd- 
leger  had  den  21  en  Mei,  bij  Visé,  een  schipbrug  over  de  Maas 
laten  slaan;  de  overtocht  der  rivier  geschiedde  echter  niet  voor 
den  24en.  In  de  richting  van  den  Rijn  voortrukkende,  kwam  Tu- 
renne met  een  gedeelte  des  legers  den  icn  Juni  voor  Burik,  en 


Digitized  by 


Google 


lOO  KRIJGS-   EV  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

het  overige,  door  Lodewijk  zelf  aangevoerd,  den  2cii  voor  Rijnberg 
en  Orsoy. 

Het  verhaal  der  belegeringen  van  Wezel,  Burik,  Rijnberg  en 
Orsoy  zal  ons  niet  lang  ophouden;  die  hechte  bolwerken 
van  den  Staat  —  zooals  men  de  vestingen  wel  eens  noemt  — 
vielen  hier  als  kaartenhuizen  ineen. 

Wezel,  een  vesting  van  grooten  omvang,  had  eene  bezetting 
van  slechts  1500  il  2000  man;  te  weinig,  voor  eene  goede  ver- 
dediging. Bovendien  waren  de  vestingwerken  slecht  onderhouden 
en  de  bewapening  zoo  ellendig,  dat  men  niet  meer  dan  een  tiental 
schoten  uit  ieder  stuk  kon  doen,  omdat  de  affuiten  geheel  ver- 
molmd of  verrot  waren.  De  bezetting  was  even  ellendig  als  de 
versterkingsmiddelen ;  zij  betoonde  niet  de  minste  geestkracht  en 
moed ;  of,  beter  gezegd,  zij  maakte  zich  schuldig  aan  lafheid  en 
verraad. 

In  den  nacht  van  den  aen  op  den  3en  Juni  maakte  Condé  zich 
stormenderhand  meester  van  de  Lippe- schans,  aan  de  samen- 
vloeiing van  Lippe  en  Rijn  gelegen,  en  door  een  groote  honderd 
man  bezet.  Het  verlies  van  die  schans  bracht  dadelijk  de 
grootste  ontmoediging  te  weeg  in  Wezel.  Van  Santen,  de  jam- 
merlijke bevelhebber  dier  vesting,  liet  zich  door  een  oproer  der 
burgerij  dwingen  om  in  onderhandelingen  te  treden,  die  door  de 
stedelijke  regeering  reeds  eigenmachtig  werden  aangevangen; 
zelfs  officieren,  hun'  eed  en  plicht  vergetende,  zetten  hunne  sol- 
daten tot  wederspannigheid  aan  om  daardoor  de  overgave  te 
bespoedigen.  —  Den  500  Juni  legt  de  bezetting  de  wapenen  neer, 
en  is  Wezel  in  's  vijands  handen. 

Burik,  tegenover  Wezel,  op  den  linkeroever  van  den  Rijn, 
was  een  kleine  vesting:  een  gebastionneerde  zeshoek,  met 
eenige  ravelijnen,  en  aan  de  oostzijde  een  hoornwerk.  De  bezet- 
ting bedroeg  volgens  de  Hollandsche  schrijvers  slechts  300  man, 
volgens  de  Fransche  4  a  500;  zij  stond  onder  het  bevel  van 
Otto  van  Heeckeren,  heer  van  Pekkendam.  De  bewapening  bestond 
uit  slechts  10  vuurmonden,  waarvan  de  twaalfponders  het  zwaarste 
kaliber  waren;  de  affuiten  (dit  schijnt  bijna  een  vaste  regel  te 
zijn  geweest)  waren  genoegzaam  onbruikbaar,  de  kogels,  óf  te 
groot,  óf  te  klein;  en  in  de  geheele  vesting  —  zeggen  onze  op- 
gaven —  «was  slechts  één  ervaren  konstapel",  zoodat  de  stuk- 
ken moesten  worden  bediend  door  ongeoefende  manschappen. 

Niettegenstaande  die  ongenoegzame  verdedigingsmiddelen,  be- 
toonde de  bezetting  aanvankelijk  nog  al  geestkracht,  zij  besloot 
de  stad  zoo  lang  mogelijk  te  betwisten  aan  den  vijand,  en  om 
dezen  te  misleiden  aangaande  het  gering  aantal  der  verdedigers, 
deed  men  op  den  wal  een  aantal  brandende  lonten,  aan  stokken 
vastgemaakt,  plaatsen,  die  dus  soldaten  moesten  voorstellen. 


Digitized  by 


Google 


EERSTE  KRIJGS VERRICHTINGEN.  lOI 

Om  de  gemeenschap  van  Burik  met  Wezel  af  te  snijden,  deed 
Turenne,  in  den  nacht  van  den  2eD  op  den  360  Juni,  tusschen  Burik 
en  den  Rijn,  eene  redoute  opwerpen  en  in  de  nabijheid  daarvan 
een  batterij  van  9  stukken;  te  gelijk  deed  Condé  een  eiland  in 
den  Rijn  beneden  Wezel  bezetten,  en  met  geschut  voorzien;  op 
den  Rijn  zelf  werden  twee  vaartuigen  met  troepen  geplaatst. 
Daardoor  was  de  bezetting  van  Burik  verstoken  van  allen  toe- 
voer en  terugtocht;  en  toen  nu,  in  den  nacht  van  3 — 4  Juni, 
Turenne  aanstalten  maakte  tot  eene  bestorming^  vergat  de  be- 
zetting haar  eerste  voornemen  om  zich  te  verdedigen,  trad  in 
onderhandeling,  en  legde  de  wapenen  neder. 

Het  kleine  Orsoy,  met  eene  bezetting  van  7  of  800  man, 
onder  Moulet,  werd  den  2en  Juni  door  den  Franschen  koning 
aangetast.  Volgens  sommigen  vermeesterden  de  Franschen  toen 
den  bedekten  weg;  volgens  anderen  bepaalde  het  zich  tot  kanon- 
vuur. Den  3eD  had  de  overgave  plaats,  waarbij  men  de  wapenen 
nederlegde. 

Rijnberg  gaf  zich  zonder  zwaardslag  over  door  het  verraad 
van  den  bevelhebber,  den  Ier  d'Ossery,  die  zich  door  den  vijand 
liet  omkoopen,  en  later  voor  dit  misdrijf  met  den  dood  werd  ge- 
straft. De  bezetting  verkreeg  vrijen  aftocht  naar  Maastricht,  hare 
juiste  sterkte  wordt  niet  vermeld;  in  den  krijgsraad  die  over  de 
overgave  handelde,  zeide  een  der  leden,  dat  er  geen  duizend 
man  waren,  goed  voor  de  verdediging;  volgens  andere  opgaven 
daarentegen  ware  Rijnberg  zeer  goed  te  verdedigen  geweest.  — 
De  overgave  had  den  6en  Juni  plaats. 

Na  de  inneming  van  die  vestingen  vervolgden  Condé  en  Tu- 
renne hun  marsch  langs  de  beide  oevers  van  den  Rijn,  en  kwamen 
den  8cn  voor  Rees  en  het  daartegenover  liggend  fort.  De  stad 
zelve  ligt  op  den  rechteroever,  was  regelmatig  versterkt,  maar 
had  eene  bezetting  van  slechts  500  man,  onder  het  bevel  van 
Wijnbergen.  De  tegenoverliggende  schans  bestond  uit  een  kleinen 
gebastionneerden  vijfhoek,  omgeven  door  drie  hoornwerken,  en 
van  binnen  voorzien  van  een  klein  reduit;  zij  had  eene  bezetting 
van  200  man,  onder  den  kapitein  Van  der  Hoeven. 

De  verdediging  van  de  schans  was  slecht;  op  de  eerste 
kanonschoten  des  vijands  gaf  de  bezetting  zich,  den  8en,  aan  Tu- 
renne over.  De  stad  Rees  scheen  zich  met  meer  geestkracht  te 
zullen  verdedigen;  zij  beantwoordde  het  geschutvuur  des  vijands 
krachtdadig,  hoewel  er  slechts  16  vuurmonden  aanwezig  waren; 
maar  —  zoo  sommigen  willen  —  een  opstand  der  burgerij. 
noodzaakte  de  bezetting,  den  9eii  Juni,  de  wapenen  neer  te  leggen. 

De  bezetting  van  Emmerik  verliet,  bij  de  nadering  van  Condé, 
die  plaats,  en  trok  teriig  op  Schenkenschans.  Deutekom,  waar 
een  paar  honderd  man  HoUandsche  troepen  waren,  werd  den 
pen  Juni  door  eene  kleine  Fransche  afdeeling  genomen.  Luxem- 


Digitized  by 


Google 


102  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

bourg  trok  dadelijk  na  de  overgave  van  Wezel  roet  6000  man 
op  Breêvoort,  om  zich  weder  bij  den  bisschop  van  Munster  te 
voegen.  Die  kerkvoogd  was  in  Overijsel  gevallen^  had  daar 
eenige  onbeduidende  plaatsen  vermeesterd,  en  was  den  len  Juni 
voor  Grol  verschenen.  De  verdediging  van  de  vesting  was,  ver- 
geleken met  de  andere,  vrij  goed,  daar  de  overgave  eerst  den 
9en  Juni  plaats  had.  Hoe  sterk  de  bezetting  was,  wordt  niet  ge- 
meld; —  zij  moet  echter  niet  sterk  zijn  geweest,  want  een  onzer 
geschiedschrijvers  (Sylvius)  laat,  na  in  het  breede  de  sterkte  van 
de  vesting  te  hebben  uitgemeten,  er  zeer  naief  op  volgen: 
>  alleen  ontbrak  daar  behoorlijk  garnizoen  en  voorraad." 

Zoo  waren  dan  in  weinige  dagen  de  vestingen  aan  den  Rijn 
en  oostelijk  van  den  IJsel  in  handen  van  den  vijand  gevallen. 
Zeker  was  die  spoedige  overgave  grootendeels  te  wijten  aan  het 
plichtverzuim  van  de  verdedigers;  bij  vele  gelegenheden  is  het 
onmogelijk,  hen  vrij  te  pleiten  van  den  blaam  van  lafheid 
en  verraad ;  en  slechts  zelden  kan  men  de  verdediging  eenigszins 
voldoende  noemen.  Maar  wanneer  men  den  ellendigen  toestand 
der  vestingwerken,  de  zwakheid  der  bezettingen,  de  jammerlijke 
uitrusting  en  wapening  in  aanmerking  neemt,  dan  ziet  men  dat 
die  vestingen  niet  in  staat  waren  om  zich  langdurig  te  verdedi- 
gen, en  dat  de  Fransche  schrijvers  in  hare  spoedige  verovering 
ten  onrechte  een  buitengewoon  wapenfeit  zien.  Aan  de  zijde 
van  het  Hollandsche  krijgsbestuur  was  het  een  grove  misslag, 
zich  in  te  laten  met  het  bezetten  en  verdedigen  van  zulke  ves- 
tingen en  daaraan  zonder  nut  een  4  a  5000  man  op  te  offeren. 
Wien  die  misslag  moet  geweten  worden  is  onzeker,  omdat 
men  niet  weet  wie  toen  eigenlijk  de  oorlogshandelingen  regelde; 
zeker  niet  Willem  III,  wiens  gezag  toen  nog  zeer  beperkt  was. 

De  vijand  moest,  om  in  het  hart  der  Republiek  door  te 
dringen,  den  overtocht  van  den  IJsel  of  van  den  Rijn  verrichten, 
en  om  die  rivieren  te  verdedigen  was  het  leger  van  Willem  III 
grootendeels  vereenigd  in  de  nabijheid  van  Arnhem.  De  sterkte 
van  dat  leger  wordt,  zooals  wij  reeds  gezien  hebben,  verschillend 
begroot:  van  17000  tot  22000  man.  Valckenier  zegt:  dat  de 
geregelde  troepen  17  k  18000  man  uitmaakten,  verdeeld  in  19 
regimenten  voetvolk  en  evenveel  regimenten  ruiterij;  hierbij 
waren  nu  nog  —  volgens  dien  schrijver  —  eenige  nieuw  ge- 
worven waardgelders  en  gewapende  boeren,  die  men  bijna  allen 
weer  naar  huis  zond,  wegens  het  volslagen  gebrek  aan  orde  dat 
bij  hen  heerschte;  —  het  al  of  niet  mederekenen  hiervan  zal 
denkelijk  het  verschil  in  de  opgaven  der  sterkte  van  het  leger 
veroorzaken. 

Met  een  zoodanig  leger  viel  weinig  goeds  te  verwachten  van 


Digitized  by 


Google 


£ERSTE  KRIJGSVERRICHTINGEN.  I03 

de  verdediging  eener  ondiepe  rivier,  zooals  de  IJsel  gedurende 
den  zomer;  toch  wilde  men  die  verdediging  ondernemen,  en  tot 
dat  einde  was  op  den  linkeroever  eene  verschanste  linie  opge- 
worpen, die,  zich  van  IJseloort  tot  tegenover  Deventer  uitstrek- 
kende en  de  krommingen  der  rivier  volgende,  eene  lengte  had 
van  omstreeks  i6  uren  gaans.  Dit  werk,  meest  verricht  onder 
het  bestuur  van  den  veldmaarschalk  graaf  Maurits  van  Nassau, 
was  den  ^cn  Maart  begonnen  en  den  3oeii  April  voleindigd ;  eenige 
duizenden  boeren,  die  men  van  tijd  tot  tijd  opontbood  en  die 
elk  6  stuiver  daags  ontvingen,  hadden  hieraan  gearbeid,  en  de 
geheele  linie  kostte  slechts  ƒ  35  000.  Het  was  een  aaneengescha- 
kelde linie,  samengesteld  —  voor  zoover  men  uit  de  beschrijving 
en  uit  een  soort  van  schets  in  >het  ontroerde  Nederland" 
kan  opmaken  —  uit  borstwering,  gracht,  bedekte  weg,  glacis  en 
voorgracht;  en  voorzien  van  een  zoo  groot  aantal  hindernissen, 
dat  die  linie  —  volgens  het  oordeel  van  een  onzer  schrijvers  — 
eene  buitengewone  sterkte  had,  >  zoodat  er  geen  hond  door  kon, 
veel  min  een  mensch  of  een  paard/* 

Zonder  nu  een  onbepaald  geloof  te  slaan  aan  die  buitenge- 
wone sterkte,  en  zonder  in  het  algemeen,  veel  op  te  hebben 
met  die  uitgestrekte  verschanste  liniën,  meenen  wij  echter  dat 
bier  in  dit  geval,  wilde  men  den  IJsel  verdedigen,  niet  veel 
beters  kon  gedaan  worden,  en  dat  het  oordeel  der  Fransche 
schrijvers,  welke  die  linie  kostbaar,  zwak  en  onnut  hebben  ge- 
noemd, ais  ongegrond  moet  worden  beschouwd.  Het  weinig  kost- 
bare blijkt  uit  den  prijs  welke  het  opwerpen  daarvan  vorderde; 
het  zwakke  is  niet  gebleken,  daar  de  linie  niet  is  aangevallen; 
en  onnut  was  zij  alleen  omdat  men  verzuimde  haar  te  beveiligen 
tegen  omtrekkingen:  aan  de  eene  zijde,  beneden  Deventer  tot 
aan  de  Zuiderzee,  bleef  de  IJsel  geheel  onbezet,  en  aan  de 
andere  zijde  was  de  Rijn,  van  IJseloort  tot  Schenkenschans, 
slechts  zwak  bezet.  Indien  men  maatregelen  had  genomen  tegen 
die  orotrekkingen,  dan  was  de  verschanste  linie  langs  den  IJsel 
voordeelig  geweest;  het  was  de  beste,  zoo  niet  de  eenige  wijze, 
waarop,  in  de  toenmalige  omstandigheden,  die  rivier  verdedigd 
kon  worden;  —  want,  die  verdediging  te  ondernemen  op  de 
wijze  zooals  Clausewitz  die  voor  de  kleine  rivieren  voorschrijft, 
was   bij    de  groote  overmacht  des  vijands  een  ondoenlijke  zaak. 

Wanneer  wij  bij  het  bovenstaande  voegen,  dat  Nijmegen, 
Amheai,  Doesburg,  Zutfen  en  Deventer  voorzien  waren  van  be- 
zettingen (welke  begrepen  zijn  onder  de  opgegeven  sterkte  van 
het  HoUandsche  leger),  dan  moeten  wij  bekennen,  dat  dit  ook 
alles  is  wat  wij  weten  van  de  maatregelen  des  verdedigers.  De 
wijze  waarop  hij  zijne  macht  langs  de  rivier  had  geplaatst,  de 
juiste  sterkte  van  de  afdeeling  die  den  Rijn  bezette,  en  de  bijzon- 
dere voorschriften  welke  de  bevelhebber  dier  afdeeling  had  ont- 


Digitized  by 


Google 


I04  KRUGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

vangen,  dit  alles  is  ons  duister  of  onzeker  gebleven,  ook  na 
het  lezen  van  Sijpesteyn  en  De  Bordes.  Wij  kunnen  dus  moeie- 
lijk  oordeelen  over  het  meer  of  min  goede  van  die  verdediging. 

Het  hoofdleger  der  Franschen  was  den  9C11  Juni  te  Wezel  op 
den  rechteroever  van  den  Rijn  overgegaan,  en  breidde  zich  uit 
naar  de  zijde  van  den  IJsel.  Condé  stelde  aan  den*koning  voor, 
om  die  laatste  rivier  in  het  gezicht  van  den  vijand  over  te  trek- 
ken, en  zijne  verschansingen  te  bestormen;  Lodewijk  gaf  echter 
gehoor  aan  den  meer  voorzichtigen  raad  van  Turenne,  van  die 
verschansingen  te  omtrekken,  door  tusschen  IJseloort  en  Schen- 
kenschans den  overtocht  te  verrichten  van  den  Rijn,  die  daar 
zwak  bezet  en  op  sommige  punten  doorwaadbaar  was;  terwijl 
het  hoofdleger  dien  rivierovertocht  verrichtte,  zou  Luxerabourg  aan 
den  IJsel  het  leger  van  Willem  III  bezig  houden.  Een  Fransch 
schrijver  —  Beaurain  —  is  van  gevoelen,  dat  het  beter  zou  ge- 
weest zijn  indien  Turenne,  die  te  Rees  stond,  naar  den  IJsel 
was  getrokken  om  Willem  III  in  het  front  bezig  te  houden,  Condé 
den  overtocht  van  den  Rijn  had  verricht  en  Luxembourg  bene- 
den Deventer  den  IJsel  was  overgegaan;  —  ddn,  zegt  hij,  zou 
er  kans  geweest  zijn  om  het  leger  van  Willem  III  af  te  snijden 
van  Holland.  Hier  valt  tegen  in  te  brengen,  dat  die  omtrekkende 
beweging,  tot  noordwaarts  van  Deventer,  tijd  zou  hebben  gekost, 
en  denkelijk  tot  geen  ander  gevolg  zou  hebben  geleid  dan  tot 
den  terugtocht  van  het  Hollandsche  leger,  dat,  onderricht  van 
*s  vijands  bewegingen,  geen  stand  zou  hebben  gehouden  aan 
den  IJsel. 

Condé,  den  loen  Juni  te  Elten  komende,  oordeelde  dat  er  een 
geschikt  overgangspunt  was  aan  den  Rijn  op  ongeveer  een  uur 
afetands  van  Schenkenschans,  tegenover  het  zoogenaamde  tol- 
huis. Den  II en  hield  men  zich  bezig  met  het  verkennen  van  de 
rivier  en  met  de  toebereidselen  tot  het  slaan  eener  brug;  Lode- 
wijk zelf  kwam  des  avonds  te  Elten,  vergezeld  van  6000  ruiters. 
Gedurende  den  nacht  werden  twee  batterijen,  met  12  vuur- 
monden  gewapend,  aan  den  oever  opgeworpen.  Het  slaan  van 
de  brug  ging  slechts  langzaam;  men  had  toen  nog  niet  de  vaar- 
digheid van  onze  hedendaagsche  pontonniers;  in  den  och- 
tend van  den  laen  waren  er  nog  maar  6  pontons  in  de  rivier, 
en  —  zegt  Beaurain  —  het  was  waarschijnlijk  dat  de  brug  dien 
dag  nog  niet  voltooid  zou  zijn.  Men  vreesde  aan  de  Fransche 
zijde  dat  bij  langer  verwijl  Willem  III  van  Arnhem  zou  op- 
rukken om  den  overtocht  te  betwisten;  en  daarom  besloot  men 
om  het  voltooien  van  de  brug  niet  af  te  wachten,  maar  gebruik 
te  maken  van  een  nabijzijnde  waadbare  plaats,  die  door  een 
boer   uit   den    omtrek   was   aangewezen,   en  verkend   door    De 


Digitized  by 


Google 


EERSTE  KRIJGSVERRICHTINGEN.  I05 

Gniche^  een  der  Fransche  bevelhebbers.  Dit  wed  had  slechts 
een  klein  gedeelte  waar  de  paarden  moesten  zwemmen,  —  de 
opgaven  verschillen  van  20  tot  100  pas;  al  het  overige  had  zoo 
weinig  water,  dat  het  niet  tot  aan  de  borst  der  paarden  kwam. 
Aan  de  overzijde  had  men,  op  eenigen  afstand  van  den  oever, 
hoatgewas,  waarachter  men  eenige  Hollandsche  ruiterij  ontwaarde ; 
op  grooter  afstand  bevond  zich  het  tolhuis,  een  hecht  gebouw, 
door  een  soort  van  palissadeering  omgeven,  en  waar  men  vijan- 
delijk voetvolk  werkzaam  zag  aan  het  opwerpen  van  eene  borst- 
wering. 

Wij  hebben  reeds  gezegd  dat  wij  omtrent  de  sterkte  en  den 
toestand  des  verdedigers  geheel  in  het  onzekere  zijn  gebleven. 
Volgens  sommigen  zou  de  generaal  De  Montbas  den  yea  Juni 
belast  zijn  met  de  verdediging  van  de  Betuwe,  en  hiertoe  twee 
regimenten  infanterie  —  Aylva  en  Van  Gent  —  en  twee  regi- 
menten kavalerie  —  Souielande  en  Kingma  —  tot  zijne  beschik- 
king hebben  gekregen;  volgens  de  toenmalige  samenstelling  van 
het  Hollandsche  leger  kan  dit  niet  meer  dan  een  paar  duizend 
man  hebben  uitgemaakt;  artillerie  moet  hier  ook  bij  geweest 
zijn,  maar  er  wordt  nergens  gezegd  hoeveel.  Montbas  plaatste 
zijne  troepen  op  twee  punten:  bij  het  tolhuis  en  bij  Huissen, 
ongeveer  drie  uren  gaans  van  elkander  verwijderd;  bij  het  tol- 
huis kwam  het  voetvolk  van  Aylva  en  de  ruiterij  van  Soutelande, 
te  Huissen  de  twee  andere  regimenten;  van  de  infanterie  van 
Van  Gent  waren  3  compagnieën  in  Schenkenschans  geplaatst. 
Montbas  was  aanvankelijk  ook  belast  met  de  verdediging  van 
Nijmegen;  den  8en  moet  hij  echter  aanschrijving  hebben  gekregen, 
dat  het  bevel  over  die  vesting  aan  den  generaal  Van  Weideren 
was  opgedragen,  en  hij  zich  uitsluitend  had  bezig  te  houden  met 
de  verdediging  van  de  Betuwe. 

Montbas  oordeelde  met  reden  dat  zijne  macht  te  gering  was 
om  eene  rivier-uitgestrektheid  van  3^4  uren  gaans  te  verdedi- 
gen; hij  vroeg  dus  om  versterking.  Werkelijk  schijnt  Willem  III 
voornemens  geweest  te  zijn  hem  die  te  zenden,  en  er  worden 
vijf  regimenten  genoemd,  zoo  voetvolk  als  ruiterij,  die  last 
kregen  om  van  Arnhem  op  te  rukken  tot  versterking  van  Mont- 
bas ;  zoodat,  indien  men  die  regimenten  mederekent,  de  Fransche 
schrijvers  denkelijk  niet  ver  van  de  waarheid  zullen  zijn,  wan- 
neer zij  de  geheele  macht  op  een  5000  man  begrooten.  Maar 
waarin  zij  zich  geheel  vergissen,  is  in  de  opgave  dat  die  regi- 
menten^ door  den  veldmaarschalk  Wirtz  aangevoerd,  werkelijk 
naar  de  Betuwe  zijn  getrokken:  dit  is  niet  zoo;  het  be- 
richt van  de  nadering  eener  Fransche  legermacht  naar  de  zijde 
van  Doesburg  bewoog  Willem  III  den  afmarsch  dier  troepen 
naar  de  Betuwe  op  te  schorten;  en  alleen  het  regiment  van 
Schot    en    een   klein  gedeelte  van   dat  van  Pain  et  Vin,  beide 


Digitized  by 


Google 


Io6  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

infanterie,  schijnen  op  den  linker  Rijnoever  te  zijn  overgegaan. 
Montbas,  intusschen  geen  versterking  krijgende,  oordeelde,  den 
ingang  van  de  Betuwe  niet  te  kunnen  verdedigen;  en  op  den 
iien  verliet  hij  zijne  stellingen  aan  den  Rijn  en  kwam  nog  dien 
dag  te  Dieren  aan,  in  het  hoofdkwartier  van  den  Stadhouder. 

Dit  verlaten  van  den  hem  toevertrouwden  post  wordt  aan 
Montbas  met  reden  als  een  slechte  en  misdadige  handeling 
verweten;  en  zijn  naam  staat  daarom  in  onze  geschiedboeken 
als  die  eens  verraders  aangeteekend.  Hierin  echter  gelooven  wij 
dat  men  te  vér  gaat,  en,  toestemmende  dat  die  bevelhebber 
hier  zwakheid,  onkunde  of  lafheid  heeft  betoond,  vinden  wij 
echter  geen  grond  om  hem  verraad  ten  laste  te  leggen.  Men 
moet  weten,  wie  en  wat  Montbas  was,  om  zich  zijne  handelin- 
gen en  het  oordeel  dat  zij  hebben  uitgelokt  te  verklaren.  Het 
was  natuurlijk  dat  hij  als  Franschman  in  dien  tijd  wantrouwen 
moest  inboezemen;  de  minste  dubbelzinnige  handeling  (en  wi) 
erkennen  dat  het  verlaten  van  zijn  post  hier  niet  eens  dubbel- 
zinnig, maar  bepaald  slecht  was)  moest  hem  als  verraad  worden 
toegerekend.  Aan  den  anderen  kant  koesterde  Montbas  evenzeer 
wantrouwen  tegen  den  veldheer  van  het  Hollandsche  leger,  en 
nog  meer  tegen  diens  aanhang:  Montbas,  vermaagschapt  met 
Pieter  de  Groot,  nauw  verbonden  aan  de  partij  der  De  Witten, 
wist  dat  hij  den  haat  der  Oranjepartij  op  zich  had  geladen,  en 
hij  schijnt  zelfs  een  persoonlijke  vijand  geweest  te  zijn  van  den 
heer  van  Zuilestein,  een  basterd  van  Willem  de  Derde's  groot- 
vader, Frederik  Hendrik.  Montbas  meende  daarom,  dat  de  Stad- 
houder, door  hem  met  zoo  kleine  macht  de  verdediging  van  de 
Betuwe  op  te  dragen,  niets  anders  beoogde  dan  hem  in  het  ver- 
derf te  storten;  in  zijn  onrust  en  vrees  hierover,  mogelijk  ook 
wel  de  bekwaamheid  van  den  jongen  Stadhouder  mistrouwende, 
schrijft  hij  aan  de  Gedeputeerden  te  velde,  en  schijnt  van  dezen 
bevel  te  hebben  ontvangen  om  zijn  post  aan  den  Rijn  te  ver- 
laten en  op  Nijmegen  terug  te  trekken.  Hij  had  dit  bevel  niet 
moeten  gehoorzamen,  maar  dat  hij  het  gehoorzaamde^  bewijst 
alleen  dat  hij  ongeschikt  was  voor  bevelhebber,  dat  hij  zwakheid 
of  lafheid  betoonde;  het  bewijst  nog  niet,  dat  hij  een  verrader 
was.  In  het  algemeen  gelooven  wij,  dat  in  de  krijgsgeschiedenis 
domheid  en  zwakheid  een  veel  grootere  rol  spelen  dan  verraad. 
Dat  Montbas  later  door  de  vlucht  ontkwam  aan  de  tegen  hem 
gerichte  vervolging,  en  zich  uit  wraakzucht  voegde  bij  de  legers 
van  Lodewijk  XIV,  dit  is  een  zoo  natuurlijke  handeling,  dat 
men  ze  niet  kan  aanhalen  om  daarmee  het  verraderlijke  van 
zijn  vroeger  gedrag  aan  te  toonen. 

Toen  Montbas  te  Dieren  aankwam,  gelastte  Willem  III  aan 
Wirtz,  om  onverwijld  met  twee  regimenten  ruiterij  —  Haersohe 
en  Van  der  Lek  —  naar  het  tolhuis  te  trekken  en  daar  stelling 


Digitized  by 


Google 


EERSTE  KRIJGSVERRICHTINGEN.  I07 

te  nemen;  *s avonds  van  den  iien  moeten  die  troepen  daar  zijn 
gekomen.  Denkelijk  zijn  daar  ook  geweest  het  reeds  vroeger 
afgezonden  voetvolk  van  Schot  en  van  Pain  et  Vin;  zeker  is 
dit  echter  niet,  daar  wij  volgens  een  andere  opgave  het  regi- 
ment van  Schot  later  bij  de  bezetting  van  Nijmegen  vinden; 
wat  de  troepen  van  Montbas  aangaat,  hiervan  was  het  voetvolk 
—  de  regimenten  Aylva  en  Van  Gent  —  op  Nijmegen  terug- 
getrokken; van  de  ruiterij  is  dit  minder  zeker.  Van  Weideren, 
het  belang  inziende  der  verdediging  van  den  Rijn,  zond  op  den 
i2cn  Juni  het  regiment  van  Aylva  weer  naar  het  tolhuis;  voordat 
het  echter  dit  punt  bereikte,  was  de  rivierovertocht  door  den 
vijand  reeds  verricht.  Sijpesteyn  en  De  Bordes  beweren  echter, 
dat  het  regiment  van  Aylva,  toen  de  rivierovertocht  plaats  had^ 
reeds  bij  het  tolhuis  stond,  en  daar  heeft  gestreden,  en  ook  de 
eenige  infanterie  is  geweest  die  daar  gestreden  heeft;  zij  erken- 
nen echter,  dat  eerst  den  i2en  Juni  het  regiment  van  Aylva  van 
Nijmegen  naar  het  tolhuis  werd  afgezonden. 

Als  het  waarschijnlijkste  nemen  wij  aan,  dat,  toen  het  Fransche 
leger  bij  het  tolhuis  den  Rijn  overging,  daar  geen  andere  troepen 
waren  dan  de  ruiterij  van  Haersolte  en  van  Van  der  I^k,  en 
het  voetvolk  van  Schot  en  Pain  et  Vin ;  alles  te  zamen  geen  2000 
man.  Het  geschut  was  door  Montbas  teruggezonden,  op  drie  kleine 
veldstukken  na,  die  bij  het  tolhuis  bleven ;  verschansingen  waren 
er,  's  avonds  van  den  iien,  niet;  en  indien  Wirtz  er,  na  zijn  komst, 
heeft  laten  opwerpen,  kunnen  zij  niet  veel  te  beduiden  hebben 
gehad. 

In  den  vroegen  ochtend  van  den  1 2cn  Juni  openen  de  Fransche 
batterijen  haar  vuur  op  de  vijandelijke  troepen  op  den  anderen 
oever;  en  daar  de  Rijn  hier  slechts  een  geweerschots  breedte 
heeft,  is  de  uitwerking  van  dat  vuur  niet  gering.  Onder  bescher- 
ming daarvan  zal  de  ruiterij  de  waadbare  plaats  doortrekken,  en 
Gaiche  den  tocht  beginnen  aan  het  hoofd  van  2000  ruiters ; 
eenige  schuiten  zijn  gereed  om  Condé  en  andere  bevelhebbers 
over  te  brengen,  en  de  koning  zelf  verschijnt  op  den  oevft-,  om 
door  zijn  tegenwoordigheid  de  zijnen  aan  te  moedigen.  Guiche, 
zich  door  eenige  ruiters  doende  voorafgaan,  gaat  met  een  regi- 
ment kurassiers  de  rivier  in;  aanvankelijk  geschiedt  dit  met 
kleine  gedeelten,  die,  niet  gesloten  blijvende,  door  de  kracht 
van  den  stroom  worden  weggedreven,  zoodat  verscheidene  ruiters 
daardoor  verdrinken.  Slechts  gedeeltelijk  bereiken  de  kurassiers 
den  anderen  oever;  en  Wirtz,  die  in  den  beginne  met  zijne  rui- 
terij achter  het  geboomte  was  gebleven,  komt  nu  te  voorschijn 
en  drijft  den  vijand  eenigszins  terug.  Een  Fransch  officier,  Lan- 
gallerie,  herzamelt  echter  de  kurassiers  in  de  rivier,  op  een  loa 
pas  van  den  oever,  en  weldra  heeft  hij  een  eskadron  bijeen. 
Wirtz,  van  zijne  zijde,  plaatst  zich  met  zijn  ruiters  op  den  oever, 


Digitized  by 


Google 


Io8  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

en  begint  een  onbeduidend  vuurgevecht.  Al  meer  en  meer 
Fransche  ruiterij  komt  zich  bij  Langallerie  aansluiten,  en  deze 
rukt  eindelijk  ten  aanval  vooruit.  Wirtz  had  aan  zijne  overige 
eskadrons  gelast  om  zich  aan  te  sluiten  bij  het  voorste^  waarmede 
hij  den  Franschen  het  hoofd  bood ;  dit  bevel  werd  echter  niet  nage- 
komen, denkelijk  omdat  het  geschutvuur  van  den  vijand  de  Hol- 
landsche  ruiterij  terughield ;  het  gevolg  hiervan  is,  dat  de  zwakke 
ruiterafdeeling  van  Wirtz,  door  den  vijand  overvleugeld,  overhoop 
wordt  geworpen,  en  met  de  overij^e  ruiterij  op  de  vlucht  gaat. 
De  overtocht  wordt  nu  door  de  Franschen  ongehinderd  voort- 
gezet, de  eskadrons  gaan  nu  meer  gesloten  de  rivier  door  en 
vermijden  daardoor  de  vroegere  verliezen,  de  Maison  du  Roi 
volgt  de  kurassiers,  en  het  moet  een  treffend  gezicht  zijn  ge- 
weest, toen  men  die  uitgelezen  ruiterbende,  met  hare  wapenrus- 
tingen schitterende  van  goud  en  zilver,  den  breeden  stroom  zag 
doorklieven.  Guiche  schaart  de  eskadrons  in  slagorde,  naar  ge- 
lang zij  op  den  anderen  oever  komen.  Weldra  zijn  6000  ruiters 
daar  vereenigd;  en  Condé,  die  met  een  schuit  is  overgezet, 
neemt  nu  het  bevel  op  zich. 

De  HoUandsche  infanterie,  bij  het  tolhuis  op  een  afstand  van 
het  overgangspunt  staande  en  door  de  vlucht  der  ruiterij  zonder 
ondersteuning  gebleven,  was  nu  in  den  gevaarlijksten  toestand; 
het  tolhuis  was  niet  van  dien  aard  om  dddr  een  verdediging  te 
voeren,  waartoe  niets  was  voorbereid;  en,  om  in  geslotene  massa 
terug  te  trekken  en  zóó  de  aanvallen  af  te  slaan  van  de  vijan- 
delijke ruiterij  —  zooals  twintig  jaar  later  de  infanterie  van  Wil- 
lem III  dit  bij  Fieurus  deed  — ,  hiertoe  was  die  infanterie  in 
1672  te  slecht  samengesteld.  Toen  dan  ook  Condé  in  persoon 
de  Hollanders  naderde  en  hen  met  gebiedende  stem  toeriep  de 
wapens  neer  te  leggen,  schijnt  de  onverschrokkenheid  van  den 
Franschen  aanvoerder  zooveel  indruk  te  hebben  gemaakt,  dat 
men  op  het  punt  was  om  aan  zijn  bevel  te  voldoen;  maar  een 
toeval  verhinderde  dit.  Verhit  door  den  wijn,  rende  de  jonge 
hertof  De  Longueville,  een  neef  van  Condé,  de  HoUandsche 
infanterie  te  gemoet,  pistoolschoten  op  haar  lossende;  deze  be- 
sloot toen  het  leven  duur  te  verkoopen;  en,  haar  vuur  op  den 
vijand  openende,  deed  zij  Longueville  en  een  aantal  Franschen 
dood  ter  aarde  storten.  Condé  zelf  werd  door  een  Hollandsch 
officier  —  de  Fransche  schrijvers  noemen  hem  Ossembroek  of 
Hassenbroek  —  aangevallen  en  door  een  pistoolschot  gewond. 
Lang  duurt  echter  de  wederstand  van  de  HoUandsche  infanterie 
niet;  de  overmachtige  vijandelijke  ruiterij  omringt  en  doorbreekt 
haar  aan  alle  zijden,  en  wat  niet  gedood  wordt  valt  in  handen 
des  vijands.  De  toren  bij  het  tolhuis  wordt  verlaten  door  de 
kleine  bezetting,  die  de  wijk  neemt  naar  Schenkenschans.  De 
Fransche   ruiterij,    hare  voordeelen    voortzettende,   ontmoet    op 


Digitized  by 


Google 


EERSTE  KRIJGSVERRICHTINGEN.  IO9 

den  weg  naar  Nijmegen  het  regiment  van  Aylva;  die  infanterie, 
afgemat  door  nutteloos  heen  en  weer  inarcheeren,  is  buiten 
staat  den  vijand  het  hoofd  te  bieden ;  zij  wil  terugtrekken,  maar, 
tot  tegenover  Nijmegen  door  de  Fransche  ruiterij  vervolgd,  wordt 
Aylva's  regiment  geheel  uiteengeslagen^  en  het  grootste  gedeelte 
daarvan  gedood  of  gevangen  genomen. 

Ziedaar  den  vermaarden  overtocht  van  den  Rijn,  zooals  wij  dien 
hebben  trachten  op  te  maken  uit  de  verwarde  en  tegenstrijdige 
verhalen  van  de  verschillende  schrijvers;  wij  zeggen  niet^  dat 
onze  voorstelling  van  die  gebeurtenis  waarheid  is,  maar  zij 
komt  ons  de  geloofwaardigste  voor.  Omtrent  de  verliezen 
zijn  de  opgaven  zeer  uiteenloopend,  zooals  dit  trouwens  bij 
de  meeste  gevechten  en  veldslagen  het  geval  is.  De  Franschen 
begrooten  hunne  verliezen  op  een  300  man;  omtrent  die  van 
Wirtz  ziJQ  onze  schrijvers  niet  duidelijk;  een  hunner  zegt,  dat 
er  ruim  300  man  zijn  gesneuveld  en  een  groot  aantal  gevangen 
genomen;  daar  de  HoUandsche  infanterie  grootendeels  verloren 
is  gegaan,  de  verliezen  van  de  ruiterij  daarentegen  niet  groot  kunnen 
geweest  zijn,  zoo  zal  men  niet  ver  van  de  waarheid  zijn,  als  men 
de  verliezen  van  de  Hollanders  op  1500  man  stelt  of  daaromtrent. 
Overdreven  is  de  opgave  van  Beaurain,  die  deze  verliezen  op  bi} 
de  3000  man  begroot;  nog  meer  overdreven  de  opgave  van 
De  Quincy,  die  alleen  de  gevangenen  op  4000  man  schat. 

Sedert  lang  heeft  men  recht  gedaan  aan  de  snorkerijen  der 
vleiers  van  Lodewijk  XIV,  welke  dien  overtocht  van  den  Rijn 
geroemd  hebben  als  een  buitengewoon  oorlogsfeit,  zooals  de  ge- 
schiedenis er  mogelijk  geen  tweede  oplevert ;  zelfs  Voltaire  heeft 
reeds  het  ongegronde  dier  bewering  doen  zien,  en  het  valsche 
van  de  voorstelling  die  de  Fransche  schrijvers  van  deze  gebeur- 
tenis hebben  gegeven.  Men  is  het  thans  daarover  eens,  dat  de 
overtocht  van  den  Rijn  een  schitterende  krijgsverrichting  zou 
geweest  zijn,  ware  die  overtocht  betwist  door  een  ge- 
noegzaam sterken  vijand,  maar  dat,  zooals  de  zaken  zich 
hebben  toegedragen,  het  ontwerp  tot  den  overtocht  stout  kon 
genoemd  worden,  maar  de  overtocht  zelve  niets  bijzonders 
gehad  heeft,  niet  in  het  minste  te  vergelijken  is  met  den  be- 
roemden overtocht  van  de  Lech,  door  Gustaaf  Adolf.  Want, 
nemen  wij  de  zaken  zooals  zij  geweest  zijn:  een  sterk  leger, 
bestaande  uit  uitmuntende  troepen,  komt  aan  een  rivier  die  wel 
is  waar  breed  doch  ook  zeer  ondiep  is,  en  slechts  een  smal 
gedeelte  heeft  waar  ruiterij  zwemmende  door  moet;  de  waad- 
bare plaatsen  zijn  dat  leger  bekend;  er  is  reeds  een  begin  van 
een  schipbrug;  batterijen  zijn  opgeworpen,  die  den  tegenover- 
liggenden  oever  bestrijken;  op  dien  oever  bevindt  zich  een 
zwakke    vijandelijke    afdeeling,    hoogstens    2000    man,   onver- 


Digitized  by 


Google 


IIO  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

schanst,  zonder  geschut,  —  want  de  drie  veldstukken  bij  het 
tolhuis  konden  niet  medewerken  tot  bestrijking  van  de  waadbare 
plaats  waardoor  de  Fransche  ruiterij  ging;  ook  de  Hollandsche 
infanterie  kan  men  niet  medetellen,  daar  deze  zonder  nut  bij 
het  tolhuis  blijft;  het  wed  wordt  alleen  verdedigd  door  de  rui- 
terij, en  die  verdediging  is  flauw;  Wirtz  moge  persoonlijk  veel 
dapperheid  hebben  betoond,  zijne  ruiters  hebben  zich  zwak  ge- 
dragen; die  ruiters  worden  teruggedreven,  de  Franschen  trekken 
ongehinderd  den  stroom  over,  en  de  alleenstaande  Hollandsche 
infanterie  gaat  geheel  verloren.  Welk  onpartijdige  zal  beweren, 
dat  er  in  dit  alles  iets  is,  dat  onze  bewondering  verdient?  Het 
gelukken  van  den  overtocht  des  Rijn 's  wordt  soms  aangehaald 
•om  daarmede  de  onwaarde  van  een  rivier  als  verdedigingslijn 
te  bewijzen;  het  bewijst  alleen  de  onwaarde  van  een  rivier  die 
niet  of  slecht  verdedigd  wordt. 

De  aanmerking  van  een  der  Fransche  schrijvers^  dat  het 
vreemd  is  dat  Willem  III  niet  oprukte  van  Arnhem  om  de  over- 
getrokken  Fransche  macht  aan  te  vallen  voordat  de  schipbrug 
voltooid  was,  is  geheel  ongegrond:  de  krijgsmacht  van  den 
Stadhouder  was  slecht  samengesteld  en  niet  talrijk;  6000  man 
Fransche  ruiterij  waren  reeds  op  den  linkeroever  van  den  Rijn, 
en  eer  het  Hollandsche  leger,  van  Arnhem  komende,  het 
overgangspunt  bereikte,  kon  de  brug  over  die  rivier  reeds  vol- 
tooid zijn,  en  dit  leger  dus  zijn  wissen  ondergang  te  gemoet 
gaan. 

Volgens  de  opgaven  van  de  Hollandsche  schrijvers  moet  nog 
-den  1 2en  de  schipbrug  over  den  Rijn  voltooid  zijn  geworden ; 
zooveel  is  zeker  dat  reeds  den  i3cn  het  geheele  leger  van  Condé 
op  den  linkeroever  stond.  Die  bevelhebber,  gewond  zijnde,  werd 
door  Turenne  vervangen;  en,  naar  de  meening  van  sommige 
-schrijvers,  is  die  verwisseling  niet  zonder  invloed  geweest  op  de 
krijgsverrichtingen.  Men  wil  tenminste  dat  Condé  voornemens 
was  met  een  sterk  ruiterkorps  ijlings  in  Holland  door  te  dringen, 
om  zich  meester  te  maken  van  Amsterdam,  maar  dat  de  meer 
bedachtzame  Turenne  die  onderneming  te  gevaarlijk  oordeelde- 
Wanneer  wij  echter  lezen  dat  Condé  voor  dien  tocht  20000 
ruiters  wilde  nemen,  ieder  met  een  infanterist  achter  zich  op  het 
paard,  dan  moeten  wij  erkennen  dat  wij  zeer  weinig  geloof 
hieraan  hechten :  dergelijke  buitengewone  handelingen,  dergelijke 
geforceerde  marschen  waren  niet  in  den  geest  van  dien  tijd. 
Dat  geheele  voornemen  van  Condé  heeft  dan  ook,  onzes  inziens, 
het  kenmerk  van  de  gewone  voorstellingswijze  der  Fransche 
«chrijvers,  die,  als  eene  onderneming  van  hunne  landgenooten 
mislukt,  er  altijd  op  uit  zijn  om  dit  toe  te  schrijven  aan  een 
toevallige  omstandigheid.  Wij   gelooven   zelfs,   dat  Condé's  ver- 


Digitized  by 


Google 


EERSTE   KRIJGSVERRICHTINGEN.  III 

vanging  door  Turenne  in  zoover  voor  den  vijand  voordeelig  is 
geweest,  dat  laatstgenoemde  bevelhebber  door  zijne  vroegere 
veldtochten  onder  Frederik  Hendrik  meer  bekend  was  met  de 
gesteldheid  van  ons  land. 

Turenne  wilde  zich  uitbreiden  naar  de  zijde  van  Arnhem  en 
beneden  die  stad  den  Rijn  overgaan,  om  het  leger  van  Willem  III, 
wanneer  dit  bleef  stand  houden  aan  den  IJsel,  af  te  snijden  van 
Holland ;  gelijktijdig  trok  het  hoofdleger,  waarbij  de  Koning  zich 
weer  had  gevoegd,  naar  de  zijde  van  Doesburg.  Den  i3cnkwam 
Guiche  met  1500  ruiters  te  Huissen,  en,  den  marsch  voortzettende, 
bereikte  hij  nog  's  nachts  den  weg  van  Nijmegen  op  Arnhem.  De 
tijding  hiervan  bewoog  Willem  III  om  zijne  stelling  bij  Arnhem 
te  verlaten,  en  op  den  i4cn  den  marsch  te  aanvaarden  op  Utrecht, 
waar  het  HoUandsche  leger  in  den  avond  van  den  isen  aankwam, 
cene  marschsnelheid,  voor  de  legers  van  dien  tijd  vrij  groot.  Bij 
dien  terugtocht  werd  de  achterhoede  van  het  HoUandsche  leger 
nog  eenigszins  verontrust  door  eene  kleine  afdeeling  Fransche  rui- 
terij, die,  beneden  Arnhem,  den  ondiepen  Rijn  was  doorgezwommen. 

Het  HoUandsche  leger  was  aanmerkelijk  verzwakt  door  het 
achterlaten  van  bezettingen  in  verschillende  vestingen:  twee 
regimenten  voetvolk  werden  gezonden  naar  Zwolle,  twee  naar 
Deventer,  een  naar  Zutfen,  een  naar  Doesburg,  twee  werden  in 
Arnhem  gelaten,  twee  andere  waren  reeds  vroeger  naar  Nijmegen 
gezonden.  Er  wordt  gezegd,  dat  de  overblijvende  macht  van 
Willem  III  nu  nog  7  regimenten  voetvolk  en  14  regimenten  rui- 
terij uitmaakte,  eene  opgave  die,  wat  het  voetvolk  aangaat,  over- 
eenkomt met  de  vroegere,  maar  ten  aanzien  der  ruiterij  een 
verschil  geeft  van  5  regimenten.  De  sterkte  van  dit  leger  wordt 
door  de  Fransche  schrijvers  op  13000  man  begroot;  een  onzer 
schrijvers  vermindert  die  tot  8000.  Wij  gelooven  dat  het  laatste 
getal  het  dichtst  bij  de  waarheid  zal  komen,  want  de  sterkte 
van  elk  regiment  voetvolk  zal  niet  meer  dan  een  7  a  800  man 
lijn  geweest;  —  wij  lezen  immers,  dat  de  regimenten  die  in 
Arnhem  als  bezetting  bleven,  ieder  slechts  8  compagnieën  telden ; 
daar  nu  de  gewone  sterkte  van  de  compagnie  70  man  was,  tel- 
den die  regimenten  nog  slechts  bij  de  600  man;  —  en  de 
sterkte  van  elk  regiment  ruiterij  kon  zeker  op  niet  hooger  ge- 
steld worden  dan  op  2  a  300  paarden,  daar  die  regimenten  zóó 
zwak  waren  dat  zij,  bij  de  Fransche  schrijvers,  eskadrons  worden 
genoemd.  —  Het  zware  geschut,  15  vuurmonden  volgens  Beaurain, 
werd  door  den  Stadhouder  achtergelaten  in  de  vestingen  aan 
den  IJsel. 

Te  Utrecht  gekomen,  vond  het  HoUandsche  leger  de  poorten  dier 
stad  voor  zich  gesloten.  Er  hadden  onderhandelingen  plaats  tusschen 


Digitized  by 


Google 


TI2  ICRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

den  Stadhouder  en  de  regeering  van  Utrecht,  waarbij  de  laatste 
eindelijk  aanbood,  de  stad  te  verdedigen  tegen  de  Fransche 
legers,  wanneer  de  troepen  van  Willem  III  wilden  deelnemen 
aan  die  verdediging,  en  waarbij  de  Stadhouder  den  bijstand  van 
die  troepen  toezegde,  mits  men  vier  voorsteden  afbrandde  die 
de  verdediging  belemmerden ;  —  die  voorwaarde  vond  de  Utrecht- 
sche  regeering  echter  niet  aannemelijk,  en,  ten  gevolge  van  hare 
weigering  om  daarin  te  treden,  werd  de  verdediging  van  de 
stad  Utrecht  opgegeven. 

Het  heeft  al  den  schijn,  alsof  men  aan  weerszijden  bij  deze 
onderhandeling  niet  te  goeder  trouw  is  geweest;  en  alsof  noch 
de  gewestelijke  regeering,  noch  de  Stadhouder  ernstig  de  ver- 
dediging der  stad  hebben  gewild:  die  regeering  was,  door  den 
spoedigen  voortgang  der  Fransche  wapenen,  door  de  verwarring 
en  vrees  hierdoor  ontstaan,  en  door  de  oproerige  gezindheid 
van  een  deel  der  bevolking,  geheel  verbijsterd  en  verschrikt,  en 
verwachtte  dus  niets  goeds  van  eene  verdediging;  en  de  Stadhouder, 
wiens  leger  reeds  zoozeer  verkleind  was  door  het  bezetten  der 
steden  aan  den  IJsel,  wilde  het  ongaarne  verder  smaldeelen,  door 
het  weder  achterlaten  van  een  gedeelte  zijner  macht  binnen 
Utrecht.  Er  kwam  dan  ook  een  bevel  in  van  de  Staten- Generaal, 
om  het  leger  uit  Utrecht  te  doen  terugtrekken,  en  het  uitsluitend 
aan  te  wenden  voor  de  verdediging  van  Holland.  Ingevolge 
hiervan  brak  het  leger  den  iScq  uit  den  omtrek  van  Utrecht  op 
en  verdeelde  zich  over  de  voornaamste  toegangen  tot  de  pro- 
vincie Holland. 

Ziedaar  wat  men  het  eerste  tijdvak  van  dezen  veldtocht  kan 
noemen.  Wij  zullen,  alvorens  verder  te  gaan,  enkele  aanmerkin- 
gen maken  op  de  handelingen  der  beide  partijen. 

De  veldtocht,  de  opmarsch  der  Fransche  legers  begint  in  de 
eerste  helft  der  maand  Mei.  Een  maand  later  heeft  het  Fransche 
leger  reeds  verscheiden  vestingen  bemachtigd,  is  de  groote 
rivieren  overgetrokken,  en  doorgedrongen  tot  in  het  hart  van 
de  Republiek  der  Vereenigde  Nederlanden;  op  het  einde  van 
Juni  moet  Willem  III  zich  bepalen  tot  het  verdedigen  van  de 
toegangen  naar  Holland,  en  staat  de  vijand,  om  zoo  te  zeggen, 
voor  de  poorten  van  Amsterdam.  Zulk  een  uitkomst  is,  opper- 
vlakkig beschouwd,  buitengewoon;  —  dit  buitengewone  houdt 
echter  op,  wanneer  men  de  zaak  van  meer  nabij  gadeslaat. 

Een  leger  van  over  de  honderdduizend  man,  uitgelezen  troe- 
pen, volledig  uitgerust  en  voorzien  van  alles  wat  noodig  is  tot 
het  oorlog  voeren,  aangevoerd  door  de  eerste  veldheeren  van 
hun  tijd,  valt  een  kleinen  staat  aan,  die  nog  geen  twintig  duizend 
man  heeft  te  velde  gebracht,  ellendige  troepen,  zonder  oefening, 
zonder  krijgsgeest,  zonder  goede  aanvoerders,  en  aan  hun  hoofd 


Digitized  by 


Google 


EERSTE  KRIJGS VERRICHTINGEN.  1 13 

een  jongeliog  hebbende,  in  wien  men  nog  geen  vertrouwen  stelt, 
wien  men  nog  geen  gezag  verleent;  die  aanval  heeft  plaats  in 
het  midden  van  den  zomer  —  het  gunstigste  jaargetijde  — ;  de 
aanvaller  is  bekend  met  het  oorlogstooneel  waar  zijn  macht  ver- 
schijnt; hij  heeft  tallooze  verstandhoudingen  met  de  bevolking 
van  den  aangevallen  Staat,  door  menigvuldige  omkoopingen 
ondersteunt  hij  het  geweld  zijner  wapenen;  de  bevolking  van 
het  land  dat  hij  doortrekt,  legt  hem  niet  de  minste  hinderpalen 
in  den  weg ;  de  landstreek  levert  hem  geen  andere  bezwaren  op, 
dan  het  overtrekken  van  rivieren  die  door  langdurige  droogte 
overal  doorwaadbaar  zijn,  en  het  vermeesteren  van  vestingen, 
wier  toestand  —  ellendig  wat  versterking,  uitrusting,  wapening 
en  bezetting  aangaat  —  bijna  de  lafhartigheid  verontschuldigt 
waarmede  zij  werden  overgegeven;  —  wanneer  men  al  die 
omstandigheden  in  aanmerking  neemt,  dan  komt  men  tot  het 
besluit:  dat  de  handeling  des  aanvallers  in  niet  veel  meer  dan 
in  een  militairen  marsch  moest  bestaan,  en  dat  er  niets  verwon- 
derlijks  is  in  den  spoed  waarmede  het  Fransche  leger  een  aan- 
merkelijk gedeelte  van  de  Republiek  aan  zich  onderwierp. 

Er  is  in  dit  alles  maar  ééne  handeling,  die  afsteekt  bij  den 
gewonen  methodieken  gang  van  de  oorlogen  dier  eeuw;  dit  is  het 
voorbijtrekken  van  Maastricht  zonder  die  vesting  te  belegeren. 
Naar  de  sterkte  van  de  wederzijdsche  partijen,  was  er  in  die 
handeling  niets  gevaarlijks;  bij  een  oorlog  in  onze  eeuw  zou 
men  altijd  zóó  te  werk  gaan;  maar  in  de  zeventiende  eeuw  was 
het  iets  buitengewoons  en  verdient  dus  geprezen  te  worden. 

Maar,  op  die  ééne  uitzondering  na,  blijft  men  getrouw  aan  de 
gewone  wijze  van  oorlogvoeren  van  dien  tijd;  men  laat  zich 
ophouden  door  de  ellendige  vestingen  aan  den  Rijn,  en  sommige 
Fransche  schrijvers  vinden  het  reeds  een  groote  stoutheid,  dat 
Lodewijk  vier  van  die  vestingen  gelijktijdig  durfde  bele- 
geren!... Een  derde,  een  vierde  gedeelte  van  zijne  macht  ware 
hiertoe  ruim  voldoende  geweest»  en  het  overige  had  onverwijld 
verder  moeten  doordringen  in  Holland.  Het  is  waar,  de  belege- 
ring van  die  vestingen  heeft  nu  aan  de  Franschen  geen  nadeel 
veroorzaakt,  omdat  de  wederstand  zoo  kort  was;  maar  onder- 
stel —  wat  toch  niet  onmogelijk  was  —  dat  die  wederstand 
eenige  weken  had  geduurd,  dan  zoude  het  Fransche  leger  gedu- 
rende al  dien  tijd  opgehouden  zijn,  de  Republiek  had  eenige 
weken  meer  tijd  gehad  om  zich  in  staat  van  verdediging  te 
stellen,  en  de  inval  in  Holland  was  mogelijk  daardoor  verijdeld 
geworden.  —  Wat  den  overtocht  van  den  Rijn  aangaat,  wij 
hebben  reeds  gezien,  dat  ook  deze  niets  verwonderlijks  heeft; 
en  wij  zullen  later  aantoonen,  dat  na  dien  overtocht  aan  de 
Fransche  zijde  verzuimd  werd  om  partij  te  trekken  van  de  toen 
bij  den  vijand  bestaande  wanorde  en  weerloosheid. 


WILLEM  III. 


Digitized  by 


Google 


114  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Besluiten  wij  uit  dit  alles,  dat  dit  gedeelte  van  den  veldtocht 
geen  j?elegenheid  geeft  om  buitengewone  strategische  handelingen 
van  Fransche  zijde  te  bewonderen.  Hij,  die  in  de  spoedige 
onderwerping  van  een  groot  gedeelte  der  Republiek  door  de 
Fransche  wapenen  iets  verbazends  ziet,  laat  zich  door  den  schijn 
bedriegen  en  heeft  niet  nagedacht  over  de  oorzaken  dier  ge- 
beurtenis; want,  had  hij  dit  gedaan,  dan  zou  hij  de  overtuiging 
hebben  verkregen,  dat  die  spoedige  onderwerping  het  noodwen- 
dige gevolg  was  van  den  bestaanden  stand  van  zaken,  en  dat 
men  zich  alleen  zou  moeten  verwonderen,  indien  het  anders  ware 
toegegaan. 

De  verdediging  was  ellendig  slecht.  Dit  sproot  voort  uit  den 
gebrekkigen  toestand  der  krijgsmacht  en  der  vestingen,  uit  de 
onkunde  in  oorlogszaken  bij  de  regeering  der  Republiek  en  uit 
het  gemis  aan  eenheid  in  het  opperbevel ;  —  want  het  gezag  van 
Willem  III  was  toen  nog  te  beperkt,  de  zedelijke  invloed  dien  hij 
oefende  te  onbeduidend,  om  in  hem  een  opperbevelhebber  te 
doen  zien,  —  De  hoofdmisslag  bij  de  verdediging  was,  het  nut- 
teloos verdeelen  van  de  krijgsmacht  der  Republiek  over  een  groot 
aantal  vestingen,  waarmede  men  zich  ten  onrechte  verbeeldde,  de 
vijandelijke  legers  te  kunnen  tegenhouden. 

In  1672  was  die  misslag  echter  veel  minder  groot  dan  zij  het 
in  onze  dagen  zou  zijn :  Men  moet  de  krijgsbeginselen  van  ónzen 
tijd  niet  toepassen  op  de  oorlogen  van  de  17'  eeuw. 

In  1672,  toen  de  wijze  van  oorlogen  nog  zoo  geheel  anders 
was,  had  men  veel  meer  redenen  om  er  op  te  vertrouwen, 
dat  men  door  tal  van  vestingen  een  vijandelijk  leger  zou  tegen- 
houden dan  in  onze  dagen;  en  indien  dat  vertrouwen  geheel 
ijdel  is  gebleken,  dan  is  dit  gedeeltelijk  toe  te  schrijven  aan  de 
lafheid  der  verdedigers  van  die  vestingen.  Hoe  groote  voorstan- 
ders wij  ook  zijn  van  alles  wat  onzen  volksroem  betreft,  zoo 
moeten  wij  echter  de  waarheid  hulde  doen,  en  erkennen,  dat 
het  begin  van  den  veldtocht  van  1672  in  geenen  deele  eervol 
is  geweest  voor  de  HoUandsche  wapenen.  De  belegeringen  van 
dat  tijdvak  zijn  een  oneer  geweest  voor  ons  leger;  men  merkt 
daarbij  niets  anders  op  dan  zwakheid,  lafheid  en  verraad.  Wij 
lezen  wel  bij  sommige  schrijvers,  dat  enkele  bevelhebbers  van 
vestingen  aanvankelijk  geestkracht  betoonden,  en  hiervan  blijken 
gaven  door  persoonlijke  dapperheid ;  —  maar  hoe  spoedig  houdt 
dit  op!  en  wat  beduidt  een  geestkracht,  die  niet  voortdurend 
door  daden  wordt  gestaafd,  en  dra  geheel  weersproken  door  de 
schandelijke  overgave  van  de  toevertrouwde  vesting !  Want  erken- 
nende dat  de  vestingen,  toenmaals  gevallen,  niet  geschikt  waren 
voor  een  langdurige  verdediging,  dan  neemt  dit  nog  het 
schandelijke  niet  weg  van   een  zoo  spoedige  overgave.  Vergeefs 


Digitized  by 


Google 


STAATSOMWENTELING.  1 1 5 

tracht  men  de  bevelhebbers  te  verschoonen  met  den  onwil  en  de 
moedeloosheid  der  bezettingen;  juist  ddt  is  hun  plicht  om  dien 
onwil  en  die  moedeloosheid  te  keer  te  gaan,  en  moed  en  geest- 
drift bij  de  hunnen  op  te  wekken ;  daarvoor  zijn  zij  bevelhebbers. 
Mogelijk  kunnen  zij  niet  slagen  in  die  taak;  maar  niets  dwingt 
hen  dan  nog,  om  hunne  toestemming  te  geven  tot  een  schande 
lijke  overgave;  zij  kunnen,  door  een  eervollen  dood  te  gemoet 
te  gaan,  het  bewijs  geven,  dat  zij  vreemd  zijn  aan  de  lafheid 
der  hunnen.  Toen  Beaurepaire  in  1792,  als  bevelhebber  van 
Verdun,  zag,  dat  hij,  overstemd  door  de  andere  leden  van  den 
raad  van  verdediging,  de  overgave  der  stad  niet  langer  kon 
verhinderen,  greep  hij,  geen  deel  willende  nemen  aan  wat  hij 
een  lafheid  noemde,  een  pistool  en  doorschoot  zich;  —  die 
roem  volle  zelfmoord  van  den  Franschman  steekt  zeer  af  bij  het 
zwak  gedrag  der  HoUandsche  bevelhebbers  in  1672. 


De  groote  voorspoed  der  Fransche  wapenen  bij  den  aanvang 
van  den  veldtocht  van  1672,  kon  niet  opgewogen  worden  door 
de  overwinning  bij  Solebay,  gelijktijdig  (7  Juni)  behaald.  Al  deed 
De  Ruyter  de  vlag  der  Republiek  op  de  Noordzee  eerbiedigen, 
en  de  vloten  van  Engeland  en  Frankrijk  afdeinzen,  toch  schenen 
de  Vereenigde  Nederlanden  een  wissen  ondergang  nabij.  Die 
meening  was  algemeen  in  Holland;  vrees  en  wanhoop  waren  in 
aller  gemoederen;  niemand  zag  mogelijkheid  om  dat  geduchte 
leger  tegen  te  houden,  dat  de  grensvestingen  had  doen  vallen, 
de  rivieren  was  overgegaan,  doordrong  tot  in  het  hart  des  lands, 
en  waarvan  de  voorste  ruiters  zich  nu  reeds  te  Muiden  hadden 
vertoond;  zelfs  de  man  die  tot  nu  toe  de  steun  en  vraagbaak 
voor  allen  was  geweest,  De  Witt,  ontzet  door  den  gcduchten  en 
plotselingen  tegenspoed  die  den  Staat  had  getroffen,  zag  geen 
middel  ter  verdediging  meer,  en  wist  geen  anderen  raad  te  geven, 
dan  om  zich  zoo  spoedig  mogelijk  met  den  vijand  te  verdragen. 
Vrede!  was  dan  ook  de  algemeene  kreet  der  Regenten;  al  was 
het,  dat  zij  zich  niet  konden  ontveinzen,  dat  die  vrede  weinig 
anders  kon  zijn  dan  de  onderwerping  van  onzen  Staat  aan  zijne 
vijanden,  dan  de  geheele  ondergang  der  Republiek. 

Maar,  indien  de  Regenten  vrede  wilden  omdat  zij  geen  mid- 
del zagen  tot  voortzetting  des  oorlogs,  het  volk,  waarbij  de  her- 
innering aan  de  worsteling  tegen  Spanje*s  reuzenmacht  nog  niet 
was  uitgedoofd,  wilde  niet,  zoo  zonder  zwaardslag,  zijne  onaf- 
hankelijkheid prijsgeven;  en  Oranje,  in  wiens  heldenziel  de  over- 
tuiging bestond  dat  er  nog  mogelijkheid  was  om  Frankrijk  te 
weerstaan,  wilde  van  geen  vrede  weten.  De  scherpziende  en  be 
kwame  jonge  vorst  ontdekte  spoedig  welk  een  partij  hij  kon  trek- 
ken uit  de  nadeelen  die  den  Staat  hadden  getroffen,  en  uit  den 


Digitized  by 


Google 


Il6  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

misslag  zijner  tegenstanders  om  onderhandelingen  te  beginnen 
met  Frankrijk  en  Engeland.  De  Oranjepartij  schreef  die  nadeelen 
toe  aan  verraad;  met  denzelfden  naam  bestempelde  zij  de 
onderhandelingen,  enkel  gevolgen  van  vrees;  de  aanhangers  van 
Willem  III  wisten  overal  het  volk  in  beweging  te  brengen,  en 
eené  geheele  omkeering  van  raken  te  bewerken;  de  hoofden 
der  Statenpartij  vielen  door  de  woede  van  het  opgeruide  volk, 
vluchtten  in  ballingschap,  of  verdwenen  in  de  vergetelheid  van 
het  ambtelooze  leven;  en  weldra  was  aan  den  Stadhouder  eene 
macht  opgedragen,  grooter  dan  zijn  voorgangers  die  immer  had- 
den bezeten. 

Wij  schrijven  hier  geen  geschiedenis,  —  enkel  beschouwingen 
daarover;  —  wij  behoeven  dus  de  staatsomwenteling  van  1672 
niet  te  schetsen,  wij  behoeven,  Goddank!  den  moord  der  De 
Witten  niet  te  verhalen,  een  feit,  nog  minder  schandelijk  op 
zich  zelf,  dan  schandelijk  door  de  straffeloosheid  en  de  beloo- 
ningen, die  het  deel  waren  van  de  moordenaars!  Willem  III  is 
zedelijk  medeplichtig  geweest  aan  die  misdaad;  maar,  kan  hem 
dit  met  recht  worden  ten  laste  gelegd,  ontwijfelbaar  daarentegen 
is  het,  dat  alleen  zijne  geestkracht  den  veegen  Staat  behield, 
toen  iedereen  diens  ondergang  nabij  waande;  aan  hem  komt 
zonder  wederspraak  de  roem  toe,  de  Republiek  te  hebben 
gered  van  het  Fransche  juk;  en  al  had  de  Oranjevorst  in  zijn 
levensloop  geen  andere  uitstekende  daad  aan  te  wijzen  dan  deze, 
zoo  zou  deze  alleen  genoegzaam  zijn  om  hem  rechtmatige  aan- 
spraak te   geven   op  de  dankbare  vereering  van  het  nageslacht. 

Na  de  ontruiming  van  Utrecht  moest  er  allereerst  gezorgd 
worden  om  het  zegevierende  vijandelijke  leger  tegen  te  houden, 
en  de  toegangen  tot  Holland  daarvoor  af  te  sluiten.  Klein  en 
slecht  samengesteld  als  het  leger  des  Stadhouders  was,  zou  dit 
volstrekt  niet  berekend  zijn  geweest  voor  die  taak,  ware  het  niet 
begunstigd  geworden  door  het  groot  verdedigingsvermogen  van 
den  grond  dien  het  bezette. 


In  het  werk  van  Sijpesteyn  en  De  Bordes  vindt  men  eene  uit- 
voerige en  grondige  beschrijving  van  de  verdedigingslijn  die  in 
1672  Willem  III  diende  om  Holland  te  vrijwaren  voor  den 
vijand;  wij  verwijzen  naar  dien  meesterlijken  arbeid:  wij  zullen 
dien  hier  niet  afschrijven;  wij  willen  noodelooze  uitvoerigheid 
vermijden,  en  daarom  ons  bepalen  tot  zeer  algemeene  aandui- 
dingen aangaande  die  Hollandsche  waterlinie  van  1672. 

Het  oostelijk  gedeelte  van  de  provincie  Holland,  tusschen  de 
Zuiderzee  en  de  Lek,  van  Naarden  en  Muiden  tot  aan  Schoon- 
hoven, een  afstand  van  ongeveer  10  a  12  uren  gaans,  bestaat 
uit  laag  gelegen  weiland,  afdalend  van  de  Lek  naar  de  Zuider- 


Digitized  by 


Google 


DE  HOLLANDSCHE   WATERLINIE.  II7 

zee,  en  vormt  verschillende  polders,  die  door  kleine  ringdijken 
omgeven,  en  door  rivieren,  kanalen  en  een  overgroot  aantal 
soms  zeer  diepe  slooten  doorsneden  zijn.  Door  het  afdam- 
men  van  rivieren,  het  dichthouden  van  sommige  sluizen,  het 
openen  van  andere,  doet  men  het  water  oploopen,  dat  zich 
weldra  over  het  laag  gelegen  land  verspreidt,  door  duikers  en 
kleine  sluizen  geleid,  den  eenen  polder  na  den  anderen  bedekt, 
en  in  weinige  dagen  de  geheele  landstreek  in  een  onoverzien- 
bare waterplas  verandert,  slechts  hier  en  daar  doorsneden  met 
dijken  waarover  de  wegen  loopen.  Eenmaal  in  dien  toestand, 
kan  de  geheele  oostelijke  grens  van  Holland  als  onaanvalbaar 
worden  beschouwd.  Het  is  waar,  bij  sommige  polders  bereikt 
het  water  slechts  een  geringe  hoogte;  maar  die  geringe  water- 
hoogte, die  over  een  vasten  gelijken  grond  uitgespreid  geen  vijand 
het  doorwaden  zou  verhinderen,  is  een  onoverkomelijk  beletsel, 
wanneer  zij,  zooals  op  Holland's  oostelijke  grens,  een  grond  be- 
dekt die  spoedig  drassig  wordt,  en  overal  doorsneden  is  door 
diepe  slooten,  die  niet  te  doorwaden  zijn ;  zelfs  is  die  mindere 
waterhoogte  een  voordeel,  omdat  zij  het  den  aanvaller  onmogelijk 
maakt  om  door  middel  van  schuiten  of  vlotten  den  overtocht 
te  beproeven.  De  wegen  en  dijken,  welke  door  de  onderwater- 
zetting loopen,  verheffen  zich  slechts  zeer  weinig  daarboven, 
sluiten  onmiddellijk  daaraan,  en  hebben  zulk  een  geringe  breedte, 
dat  zij  met  het  meeste  gemak  te  verdedigen  zijn:  een  aarden 
veldwerk,  met  eenige  stukken  geschut  die  den  dijk  in  de  lengte 
bestrijken,  dit  was  in  dien  tijd  voldoende  om  den  stoutsten  aan- 
valler tegen  te  houden. 

De  landstreek  tusschen  de  Lek  en  de  Merwede  kon  evenzoo 
afgesloten  worden  door  eene  onderwaterzetting,  die  bij  Gorkum 
aan  Noord-Braband  sloot;  —  voor  die  laatste  inundatie  dient 
voornamelijk  het  opstoppen  van  de  Linge,  terwijl  voor  het  vor- 
men der  inundatiën  ten  noorden  van  de  Lek,  de  rivieren  de 
IJsel,  de  Rijn  en  de  Vecht  kunnen  gebezigd  worden. 

De  lijn  van  onderwaterzettingen  van  1672,  die  bijna  altijd  de 
grensscheiding  van  Holland  bleef  volgen  en  die  gewoonlijk  be- 
kend is  onder  den  naam  van  oude  HoUandsche  water- 
linie, was  minder  uitgebreid  dan  de  tegenwoordige  HoUandsche 
waterlinie,  die  ook  de  stad  Utrecht  omvat;  de  toen  bestaande 
afzondering  van  de  verschillende  provinciën  verklaart  het  aan- 
nemen van  die  oude  verdedigingslijn,  al  is  het  dat  zij  minder  voor- 
deelen  in  zich  vereenigt  dan  de  thans  aangenomene.  —  Die  water- 
linie van  1672  kon  men  splitsen  in  een  vijftal  deelen  of  kommen. 

Zuidelijk,  tusschen  de  Merwede  en  de  Lek,  werd  eene  eerste 
kom  gevormd  door  de  onderwaterzetting,  die  aan  de  eene  zijde 
aan  de  vesting  Gorkum  sloot,  en  aan  de  andere  zijde  zich  uit- 
breidde  langs   den  Diefdijk  tot  aan  de  Lek.  Het  ophouden  van 


Digitized  by 


Google 


Il8  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

de  Linge  bracht  hier  de  onderwaterzetting  te  weeg;  en  de  zuide- 
lijke Lekdijk,  de  beide  dijken  langs  de  Linge  en  de  noordelijke 
Waaldijk,  waren  de  toegangen  die  bezet  moesten  worden.  Het 
doordringen  van  den  vijand  door  de  onderwaterzettingen  van 
deze  kom  —  een  breedte  van  ongeveer  4  uren  gaans  hebbende  — 
zou  echter  geen  beslissend  nadeel  wezen,  dewijl  de  Fransche 
legers  dan  nog  altijd  zouden  stuiten  op  de  Lek  en  de  Merwede, 
die,  ten  noorden  en  ten  zuiden,  de  Alblasserwaard  omgeven. 

Eene  volgende  kom,  tusschen  de  Lek  en  den  IJsel,  werd  uit- 
gemaakt door  de  inundatiën  die  zich  van  Schoonhoven  tot  tegen- 
over Oudewater  en  Gouda  —  een  afstand  van  een  paar  uur 
gaans  —  konden  uitbreiden,  en  die  ontstonden  door  bij  Schoon- 
hoven het  water  van  de  Lek  in  te  laten.  De  voornaamste  toe- 
gangen bij  deze  kom  waren:  de  noordelijke  Lekdijk,  de  Ben- 
schopper dijk,  van  IJselstein  naar  Polsbroek  voerende,  en  de 
zuidelijke  IJseldijk.  Het  doordringen  van  den  vijand  zou  hier 
gevaarlijker  zijn  dan  bij  de  eerste  kom,  omdat  hij  dan  alleen 
door  de  smalle  IJselrivier  gescheiden  zou  zijn  van  de  belang- 
rijkste steden  van  zuidelijk  Holland. 

Een  derde  kom,  van  bijna  gelijke  uitgestrektheid  als  de  tweede^ 
werd  uitgemaakt  door  de  onderwaterzetting  tusschen  den  IJsel 
en  den  Ouden  Rijn,  van  Gouda  —  of  beter  gezegd,  van  de 
Goejanverwellesluis  —  tot  aan  de  Nieuwerbrug,  westelijk  van 
.Woerden;  het  openen  der  IJselsluizen,  in  en  bij  Gouda,  veroor- 
zaakte hier  de  onderwaterzetting.  De  noorder  IJseldijk  en  de 
zuider  Rijndijk  waren  de  eenige  toegangen  bij  dit  gedeelte,  dat 
dus  minder  aanvalbaar  was,  maar  waar  de  vijand,  doordringende, 
ook  dadelijk  in  Den  Haag  zou  zijn. 

Als  een  vierde  kom  kan  men  beschouwen  de  onderwaterzet- 
tingen in  de  landstreek  tusschen  den  Ouden  Rijn  en  de  Vecht, 
van  de  Nieuwerbrug  tot  bij  de  Hinderdam,  een  afstand  van  bij 
de  6  uren  gaans.  Hier  week  de  onderwaterzetting  van  1672  het 
meest  af,  niet  alleen  van  de  tegenwoordige  waterlinie,  maar  ook 
van  wat,  in  een  memorie  van  8  September  1802,  van  den  Direk- 
teur- Generaal  der  fortificatiën  van  de  Bataafsche  Republiek  (Van 
Hooff),  genoemd  wordt  de  Capitale  Waterlinie.  De  linie 
van  1672  was  veel  meer  achteruit:  Woerden  was  daar  niet  in 
begrepen;  in  het  midden  schijnt  zij  bijna  de  grensscheiding  tus- 
schen Holland  en  Utrecht  te  zijn  gevolgd,  wat  daaruit  is  op  te 
maken,  dat  in  November  1672  de  dorpen  Waverenveen  en 
Botshol  door  de  Fransche  troepen  werden  aangevallen,  en 
dat  aan  den  Uithoorn  en  te  Abcoude  versterkte  posten  van  de 
Hollanders  waren ;  en  aan  de  Vecht  schijnt  die  linie  niet  gesloten 
te  hebben  bij  Nieuwersluis,  maar  eerst  veel  lager  bij  Nichtevecht, 
wat  ook  daaruit  is  op  te  maken,  dat  het  slot  Kroonenburg,  op 
den   linkeroever  van    de  Vecht   beneden  Nieuwersluis   gelegen, 


Digitized  by 


Google 


DE   HOLLANDSCHE   WATERLINIE.  II9 

door  den  vijand  is  vermeesterd  en  vernield.  Het  schijnt  dat  het 
opgehoudene  water  van  de  Vecht,  Amstel  en  Ouden  Rijn  de 
inundatie  over  dit  laag  en  zeer  doorsneden  terrein  heeft  ver- 
oorzaakt, en  dat  de  voornaamste  toegangen  waren  de  linker 
Vechtdijk  en  de  noordelijke  Rijndijk,  terwijl  de  verdere,  tusschen- 
liggende  wegen  van  weinig  of  geen  belang  waren  en  uitkwamen 
op  de  moerassige  streek  zuidoostelijk  van  de  Haarlemmermeer, 
of  op  de  inundatiën  nabij  Amsterdam. 

Als  een  vijfde  en  laatste  gedeelte  der  inundatie-lijn  kan  men 
beschouwen  de  landstreek  van  omstreeks  een  uur  lengte,  die 
zich  van  Hinderdam  tot  aan  de  Zuiderzee  bij  Muiden  uitstrekt. 
Dit  gedeelte  werd  beschermd  door  de  Vecht  en  de  door  die 
rivier  veroorzaakte  onderwaterzetting.  De  voornaamste  toegangen 
—  die  alle  evenwel  nog  uitkwamen  op  de  Vecht  —  waren: 
de  zeedijk  van  Naarden  naar  Muiden,  de  Keversdijk,  van  Naarden 
naar  Uitermeer  geleidende,  en  de  Kees-Jan-Tonis-kade,  die  van 
de  zijde  van  's  Graveland  bij  den  Hinderdam  uitkomt.  —  Tot 
beveiliging  van  Amsterdam  schijnt  de  landstreek  om  die  stad 
gedeeltelijk  te  zijn  geïnundeerd;  ten  minste,  in  de  Tegen- 
woordige staat  van  Holland  vindt  men  bepaaldelijk  aan- 
geteekend,  dat  in  1672  de  Diemermeer  en  de  Bijlmermeer  weer 
onder  water  zijn  gesteld. 

Van  de  landstreek  ten  oosten  van  deze  waterlinie  wordt,  in 
eene  memorie  van  1 73 1  gezegd :  dat  men  tusschen  de  Vecht  en 
de  Merwede  over  het  algemeen  laag  en  gebroken  weiland 
vindt:  en  dat  men  langs  de  Vecht  op  den  rechteroever  zeer 
laag,  moerassig  veenland  heeft  en  enkele  kleine  meren.  In  di& 
memorie  wordt  gewag  gemaakt  van  eenige  hooge  gronden:  te 
Ter  Aa,  bij  de  Vecht,  tusschen  Linschoten  en  Montfoort,  en  in 
de  nabijheid  van  Oudewater;  —  op  de  waterlinie  van  1672  waren 
die  hooge  gronden  echter  zonder  invloed,  omdat  zij  geheel  bui- 
ten die  linie  lagen. 

Wat  de  versterkingsmiddelen  betreft,  waardoor  de  toegangen 
van  deze  onderwaterzettingen  werden  afgesloten,  de  steden  Gor- 
kum.  Nieuwpoort,  Schoonhoven,  Gouda,  Weesp  en  Muiden 
schijnen  bevestigd  te  zijn  geweest.  Ten  minste,  genoegzaam  om 
onaanvalbaar  te  heeten  ten  opzichte  van  een  vijand  die  ze,  óf 
in  het  geheel  niet,  óf  slechts  over  smalle  dijken  kon  naderen . 
In  eene  van  de  reeds  aangehaalde  memoriën  wordt  gezegd,  dat 
in  1673  Muiden  en  Weesp  versterkt  zijn  geworden;  men  zal 
hier  denkelijk  mede  meenen  dat  de  reeds  bestaande  vesting- 
werken  dier  steden  vermeerderd  zijn  geworden;  zoo  moeten 
er  te  Muiden  steenen  poorten,  bruggen  en  sluizen  zijn  ge- 
bouwd, en  te  Weesp  het  front  aan  de  zuidzijde  zijn  versterkt. 
Te  Hinderdam  —  wordt  in  die  memorie  gezegd  —  waren  twee 
aarden  ravelijnen  op  een  eiland  in  de  Vecht  gelegen ;  die  sterkte, 


Digitized  by 


Google 


I20  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

de  zoogenaamde  Overmeersche  Schans,  beschermde  een  daar 
aanwezigen  dam  met  sluizen.  Bijna  alle  Fransche  schrijvers  spre- 
ken van  zeesluizen  bij  Muiden;  dit  schijnt  echtereene  vergissing, 
daar  bij  onze  schrijvers  gezegd  wordt,  dat  de  sluis  te  Muiden 
eerst  in  1673  werd  gemaakt,  in  plaats  van  den  Hinderdam,  die 
toen  werd  opgeruimd.  Op  een  kaart  van  16 19  vindt  men  ook 
geen  sluizen  te  Muiden.  Bij  de  Schans  te  Uitermeer  was  daaren- 
tegen in  1637  een  sluis  in  de  Vecht  gebouwd.  Tusschen 
Woerden  en  Bodegraven  was  in  1672,  bij  Wiericken,  een  oude 
schans;  in  1673  werd  zij  nieuw  opgebouwd;  in  dat  laatste  jaar 
werd  bij  Nieuwerbrug  een  tweede  sterreschans  aangelegd. 

Het  Hollandsche  leger  was,  dadelijk  na  het  verlaten  van 
Utrecht,  door  den  Stadhouder  verdeeld  over  de  voornaamste 
toegangen  tot  Holland.  Hij  zelf  nam,  met  2  regimenten  voet- 
volk en  3  regimenten  ruiterij,  stelling  bij  Bodegraven,  het  meest 
waarschijnlijke  aanvalspunt;  Maurits  van  Nassau,  met  i  regiment 
voetvolk  en  3  te  paard,  kwam  te  Muiden,  waar  zich  reeds  eenige 
vijandelijke  ruiters  hadden  vertoond;  Gouda  en  de  Goejanver- 
wellesluis  werden  bezet  door  Hoome,  met  i  regiment  te  voet 
en  4  te  paard;  Schoonhoven  door  Louvignies,  met  i  regiment 
te  voet  en  2  te  paard;  eindelijk  Gorkum  door  Wirtz,  met 
2  regimenten  voetvolk  en  2  regimenten  ruiterij.  Dat  die  regi- 
menten zwak  waren,  dat  onder  andere  de  regimenten  ruiterij 
daarom  eskadrons  worden  genoemd  bij  de  Fransche  schrijvers, 
hebben  wij  reeds  vroeger  gezegd;  als  nader  bewijs  hiervan  kan 
men  aanhalen,  dat  de  krijgsmacht,  die  onder  den  graaf  van 
Hoorne  bij  Gouda  stond,  volgens  Sylvius  in  den  beginne  nog 
geen    1000  man  uitmaakte.  —  Naarden,  Woerden  en  Oudewater 

bleven  onbezet. 

0 

Oogenblikkelijk  deed  Willem  III  beginnen  aan  het  stellen  der 
onderwaterzettingen  en  aan  het  versterken  der  posten.  Zooals  in 
den  aard  der  zaak  ligt,  ontmoette  dit  weinig  medewerking  en 
zelfs  tegenstand  van  de  zijde  der  landbewoners,  die  noode  hun 
grond  door  de  golven  zagen  overdekt  Op  verschillende  punten 
werden  de  maatregelen  tot  het  onderwater  zetten  van  de  polders 
slecht  uitgevoerd  en  tegengewerkt;  hier  en  daar  gaf  het  zelfs 
aanleiding  tot  gewapende  wederstreving  en  tot  openlijken  op- 
stand; zoo  vindt  men  aangeteekend,  dat  in  Juni  1672,  toen  het 
Fransche  leger  reeds  te  Utrecht  was,  de  boeren  uit  de  omstreken 
van  Gouda  op  die  stad  aanvielen,  om  het  openhouden  der  sluizen 
te  beletten.  Oranje  wist  echter  door  krachtige  maatregelen  dien 
tegenstand  te  overwinnen  en  de  onderwaterzetting  tot  stand  te 
brengen.  Gelijktijdig  werden,  op  alle  wegen  en  toegangen  naar 
Holland  afsnijdingen  gemaakt,  batterijen  en  schansen  opgeworpen ; 


Digitized  by 


Google 


DE   HOLLANDSCHE  WATERLINIE.  121 

het  eene  veldwerk  verhief  zich  na  het  andere;  de  vestingwerken  der 
steden  werden  weder  in  goeden  staat  gebracht;  en  op  de  rivieren 
en  vaarten  werden  oorlogsvaartuigen  geplaatst,  uitleggers  van 
geschut  voorzien,  om  mede  te  werken  tot  de  verdediging  van 
de  linie.  Zóó  werd  in  weinig  tijds  aan  een  geheel  opene  en 
genaakbare  grens  eene  sterkte  gegeven,  die  den  aanval  van  den 
geduchtsten  vijand  tartte. 

Terwijl  op  die  wijze  aan  het  talrijke  leger  van  Lodewijk  XIV 
een  bijna  onoverkomelijke  slagboom  werd  gesteld,  was  Oranje  ge- 
lijktijdig bedacht  om  het  leger  te  versterken,  en  het  te  verheffen 
uit  den  ellendigen  toestand  waarin  het  was  verzonken.  In  de 
eerste  oogenblikken  vulde  men  het  aan  met  alles  wat  voor- 
handen was:  66  compagnieën  landlieden  en  vele  vrijwillige  bur- 
gers werden  daar  bijgevoegd,  en  verdeeld  op  de  verschillende 
punten  der  Hollandsche  linie;  zekerlijk  waren  dit  manschappen 
zonder  oefening,  maar  zij  behoefden  ook  niet  te  strijden  in  het 
open  veld,  en,  zooals  Napoleon  heeft  gezegd,  «achter  een  borst- 
wering is  een  soldaat  goed,  zoodra  hij  maar  zijn  geweer  weet 
af  te  schieten."  Meer  kracht  ontleende  het  leger  aan  de  toevoe- 
ging van  een  aantal  matrozen  en  zeesoldaten,  dappere  lands- 
kinderen, die,  nog  warm  van  den  kruitdamp  van  Solebay,  ook 
te  land  zich  zouden  onderscheiden  door  stoute  wapenfeiten. 
Later  kwamen  de  regimenten  aan,  in  Duitschland  aangeworven; 
ook  een  groot  aantal,  door  den  vijand  tegen  losgeld  ontslagen 
krijgsgevangenen;  —  maar  reeds  in  een  of  twee  maanden  tijds 
had  de  Stadhouder  zijn  leger  zoozeer  versterkt,  de  verschillende 
deelen  zoozeer  tot  een  geheel  doen  samensmelten,  oefening,  krijgs- 
tucht, zelfvertrouwen  en  dapperheid  zoozeer  tot  allen  doen  door- 
dringen, dat  men  daarin  niets  meer  herkende  van  die  ordelooze 
krijgsmacht,  die,  bij  den  aanvang  van  den  veldtocht,  door  hare 
zwakheid  den  vijand  de  overwinning  zoo  gemakkelijk  maakte. 

Vooral  droeg  hiertoe  bij  de  onverbiddelijke  gestrengheid  waar- 
mede Willem  III  de  bevelhebbers  deed  straffen,  die  zich  aan 
plichtverzuim,  lafheid  en  verraad  hadden  schuldig  gemaakt.  De 
geschiedenis  heeft  de  namen  dier  rampzaligen  opgeteekend,  en 
vermeld  wie  hunner  tot  onteerende  kerkerstraffen  zijn  veroor- 
deeld, wie  hunner  door  de  gerichtsbijl  het  leven  verloren.  Het 
is  zeker  hard,  op  die  wijze  recht  te  moeten  doen;  maar  het  is 
plicht,  het  is  zelfs  de  noodzakelijkste  plicht  in  gevaar- 
volle tijden,  zooals  in  1672,  en  wij  roemen  daarom  vooral  Wil- 
lem III,  dat  hij  dien  plicht  zoo  goed  vervulde  en  dat  hij  onver- 
biddelijk was  ten  aanzien  van  la&ards  en  verraders.  Alleen  door 
streng  maar  rechtvaardig  te  straffen  kan  men  een  heilzamen  schrik 
inboezemen,  die  elk  plichtverzuim  verhindert;  wil  men  hebben 
dat  een  leger  de  krijgsdeugden  der  Romeinen  bezit,  dan  moet 


Digitized  by 


Google 


122  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

men  ook  straffen  als  de  Romeinen,  beloonen  als  de  Romeinen ;  — 
maar  wanneer  men,  zooals  in  de  laatste  jaren  onzer  Republiek, 
een  officier  die  bij  de  verdediging  eener  vesting  zich  door 
plichtverzuira  heeft  gekenmerkt,  ongestraft  laat  en  zelfs  weder 
een  andere  vesting  aan  zijn  beleid  toevertrouwt,  dan  moet  men 
ook  niets  verwonderd  zijn,  wanneer  die  daad  van  lafheid  zich 
herhaalt,  en  de  tweede  vesting  verloren  gaat  evenals  de  eerste. 
Zeker,  daar  waar  het  krijgsbestuur  lang  slecht  is  geweest,  is  de 
zwakheid  van  een  bevelhebber  niet  te  verwonderen,  en  de  be- 
straffing dier  zwakheid  hard;  maar,  hoe  hard  ook,  die  straf  is 
billijk,  noodzakelijk  en  heilzaam  voor  het  algemeen;  het  dood- 
vonnis van  een  Pain  et  Vin  is  van  niet  geringen  invloed  geweest 
op  de  schitterende  dapperheid  die  de  legers  van  Willem  III  op 
zoo  menig  slagveld  en  bij  zoo  menige  belegering  hebben  be- 
toond. 

Wij  schilderen  den  Stadhouder  hier  enkel  als  legerhoofd;  — 
en  zeker,  men  bladere  vrij  de  geschiedenis  door,  men  zal  weinig 
legerhoofden  vinden  die  zooveel  geestkracht,  zooveel  beleid  be- 
toonden als  de  jonge  Oranjevorst  in  den  zomer  van  1672.  Maar 
onze  bewondering  voor  hem  zou  nog  oneindig  toenemen,  wan- 
neer wij  hem  schetsten  als  hoofd  van  den  Staat,  wanneer  wi) 
hem  vertoonden,  te  midden  van  de  krijgszorgen  nog  bezwaard 
met  de  veel  grootere  zorg  voor  een  Staat,  waarvan  hij  het  hoofd, 
de  eenige  steun  was  geworden;  wanneer  wij  zeiden,  hoe  hij 
onophoudelijk  van  stad  tot  stad  reizende,  overal  wanorde  en 
regeeringloosheid  wist  te  doen  ophouden  en  een  nieuw  bestuur 
in  geregelde  werking  te  brengen ;  wanneer  wij  hem  in  's  lands 
raad  zagen,  nu  het  stilzwijgen  stakende  dat  hij  gewoonlijk  be- 
waarde, en  uren  lang  met  mannelijke  welsprekendheid  aandrin- 
gende op  het  afbreken  van  de  vredes-onderhandelingen ;  wanneer 
wij  zeiden,  hoe  dddr  zijn  taal  de  zwakken  en  vreesachtigen 
nieuwen  moed  gaf,  als  hij  wees  op  de  hulpmiddelen  die  het 
vaderland  nog  overbleven,  op  de  bondgenooten  die  door  zijne 
staatkunde  werden  aangespoord  om  in  het  harnas  te  komen 
tegen  Frankrijk;  wanneer  wij  vermeldden  hoe  hij,  als  een  echte 
zoon  van  dat  stamhuis  waarvan  de  roem  zoo  nauw  is  verbonden 
met  den  roem  van  Nederland,  de  persoonlijke  voordeelen  die 
de  listige  vijand  hem  bij  de  vredes-onderhandelingen  aanbood, 
met  verontwaardiging  van  de  hand  wees,  en  zwoer  » liever  in  de 
laatste  verschansing  vechtende  den  dood  te  willen  vinden,  dan 
een  onteerend  verdrag  te  onderschrijven,  dat  de  ondergang  van 
Nederland  zou  zijn!*'  Gewis,  hij  die  de  geschiedenis  van  dien  tijd 
raadpleegt,  kan  niet  anders  dan  hooge  bewondering  gevoelen 
voor  den  man  aan  wien  toenmaals  de  redding  van  het  vader- 
land was  te  danken,  en  niet  te  verwonderen  is  het,  wanneer 
Willem  III  door  de  oude  schrijvers,  in  de  vrome  taal  van  dien 


Digitized  by 


Google 


DE  HOLLANDSCHE  WATERLINIE.  I  23 

tijd,  1  de  Josua",  » de  Gideon"  genoemd  wordt,  >  die  het  verdrukte 
Nederland  van  de  Fransche  overheersching  moest  bevrijden,"  en 
welke  staatkundige  gevoelens  men  ook  aankleve,  hoe  weinig 
medegevoel  men  ook  hebbe  voor  enkele  handelingen  van  Wil- 
lem III,  onmogelijk  is  het,  niet  getroffen  te  worden  door  de 
grootheid,  door  hem  in  1672  ontwikkeld;  onmogelijk,  niet  de 
zielskracht,  de  bekwaamheid  te  bewonderen,  die  hem  —  den 
jongeling  —  het  zwaard  en  de  beukelaar  deden  worden  van 
onzen  veegen  Staat. 


Een  in  het  oog  loopende  tegenstelling  met  de  verrichtingen 
van  den  Oranjevorst  maken  de  verrichtingen  van  Frankrijks 
Koning  en  van  zijne  legerhoofden;  en  indien  in  1672  Nederland 
niet  uit  de  rij  der  volkeren  is  gewischt,  dan  moet  dit  voor  een 
gedeelte  ook  toegeschreven  worden  aan  de  misslagen  zijner 
vijanden.  Onder  die  misslagen  zijn  er  twee  overgroote :  het  voor- 
schrijven van  onaannemelijke  vredesvoorwaarden  aan  de  Repu- 
bliek, en  de  traagheid  die  voor  de  Fransche  wapenen  het  gun- 
stige oogenblik  deed  verzuimen  om  de  verovering  van  de  Republiek 
te  voltooien. 

Over  dien  eersten  misslag  vindt  men  inlichtingen  in  de  vroeger 
aangehaalde  memorie  van  Lodewijk  XIV  over  den  veldtocht 
van  1672.  Belangwekkend  is  het  te  lezen,  wat  daarover  voorkomt 
in  het  werk  van  Rousset  (i*  deel,  blz.  374 — 376): 

»  ...Die  zaak  van  Muiden"  (het  niet  in  bezit  nemen  van  die 
stad  door  de  Franschen)  » was  de  eindpaal  van  HoUand's  groote 
krijgsrampen,  en  van  de  voordeelen  door  Lodewijk  XIV  in  dezen 
veldtocht  behaald. 

Toen  hij  hoorde  dat  de  Hollanders  den  22eii  Juni  de  sluizen 
hadden  geopend  die  hij  bijna  had  bemachtigd,  en  dat,  door 
een  krachtvolle  handeling,  Amsterdam  zich  omgeven  had  met 
eene  onderwaterzetting,  die,  ten  minste  tot  den  winter,  eiken 
nieuwen  aanval  onmogelijk  maakte,  —  wat  moet  toen  wel  zijn 
allereerste  zielsaandoening  zijn  geweest?  —  Hij  heeft  ons  dit 
niet  gezegd;  maar  wij  hebben  iets,  dat  misschien  nog  meer 
waarde  heeft;  het  is  het  kalme,  onpartijdige,  beredeneerde  oor- 
deel, dat  door  iemand,  die  lief  had  al  wat  groot  was,  na  eenig 
tijdsverloop  wordt  uitgesproken  over  eene  daad  die  behoort  tot 
de  grootste  daden  die  in  de  geschiedenis  voorkomen ;  het  is  het 
oordeel  van  Lodewijk  XIV  zelf: 

iDe  stad  Amsterdam  was  zoo  verschrikt  en  terneergeslagen 
over  die  nadering  van  den  Markies  de  Rochefort,  dat  de  raads- 
leden, de  magistraat  en  de  voornaamste  burgers  die  op  het 
stadhuis  vergaderden  om  te  beraadslagen  over  wat  er  te  doen 
stond  in  de  omstandigheden  waarin  men  verkeerde,  besloten  zich 


Digitized  by 


Google 


124  KRIJGS-    EM   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

tot  mij  te  wenden  om  mijne  bescherming  te  vragen;  zelfs  was 
de  brief,  waarin  de  magistraat  mij  zijne  onderwerping  berichtte, 
reeds  geschreven,  en  de  stadstrompetter  gereed  om  mij  dien  te 
brengen  en  mij  vrijgeleide  te  vragen  voor  de  onderhandelaars 
uit  de  stad.  Toen  gebeurde  er  iets  dat  eenigszins  den  moed  deed 
herleven  van  de  burgemeesters  en  van  de  voornaamste  raads- 
leden, en  dat  de  uitvoering  van  wat  men  beraamd  had  deed 
uitstellen.  Eenige  burgers,  die  meer  geestkracht,  verstand  en  oor- 
deel hadden  dan  de  anderen,  stonden  op  en  verweten  aan  den 
Magistraat  zijne  zwakheid  en  panischen  schrik;  zij  deden  uit- 
komen, dat  een  stad  als  Amsterdam  belangrijk  en  aanzienlijk 
genoeg  was  om  de  eer  te  genieten  van  opgeëischt  te  worden  tot  de 
overgave.  Die  verstandige  vertoogen,  te  juister  tijd  te  pas  gebracht, 
wekten  weer  eenigszins  de  geestkracht  op  bij  den  Magistraat  en 
bij  het  volk.  De  afzending  van  den  brief  en  van  de  onderhande- 
laars werd  uitgesteld  en  dit  was  het  behoud  van  de  stad;  door 
gebrek  aan  levensmiddelen  en  door  gemis  van  toebereidselen 
kon  ik  er  toen  niet  heen  trekken;  nog  minder  kon  ik  dit  later 
doen,  toen  de  Staten,  een  weinig  bekomen  van  hun  eersten 
schrik,  en  overtuigd  dat  het  behoud  van  het  overige  des  lands 
afhing  van  het  behoud  dier  hoofdstad,  die  als  het  ware  de  ziel 
is  van  dat  land,  —  de  sluizen  lieten  openen,  hun  geheele  land 
onder  water  lieten  zetten,  en  mij  dwongen  mijne  veroveringen 
naar  de  zijde  van  Holland  te  beperken  tot  Naarden,  Utrecht  en 
Woerden.  Dat  besluit  om  het  geheele  land  onder  water  te  zet- 
ten, was  wel  wat  geweldig;  maar  wat  doet  men  niet  om  vreemde 
heerschappij  te  ontgaan?  En  ik  kan  niet  nalaten,  lof  en  eer 
te  geven  aan  de  geestdrift  en  de  vastberadenheid  van  hen  die 
Amsterdam  weerhielden  van  te  onderhandelen  {et  je  ne  saurais 
ni'empécher  d''estimer  et  de  louer  Ie  zéle  et  la  fermeté  de  ceux  qut 
rompirent  la  nègociation  d'' Amsterdam)^  al  is  het  dat  hun  raad,  zoo 
heilrijk  voor  hun  vaderland,  zeer  nadeelig  is  geweest  voor  mijn 
eigene  belangen." 
Terecht  laat  Rousset,  op  die  woorden  des  konings,  dit  volgen : 
•  Bewonderenswaardig  en  uiterst  zeldzaam  blijk  van  onpar- 
tijdigheid! Al  de  grootheid  van  Lodewijk's  regeering  haalt  in 
luister  niet  bij  deze  openhartige  en  grootsche  verklaring." 

Wat  is  er  eigenlijk  van  aan,  van  die  aanvankelijke  gezindheid 
van  Amsterdam,  in  1672,  om  zich  te  onderwerpen  aan  den  Fran- 
schen  Koning?  —  Onder  andere  in  Folard  (4''  deel,  blz.  354) 
vindt  men  daarover  het  volgende: 

> . . .  Lodewijk  XIV  bemachtigt  Naarden,  Woerden  en  Oude- 
water;  hij  heeft  nog  maar  één  stap  te  doen  om  Amsterdam  te 
bemachtigen,  en  de  vermeestering  van  die  stad  zou  onfeilbaar 
gevolgd  zijn  door  de  vermeestering  van  Holland. 


Digitized  by 


Google 


DE  HOLLANDSCHE   WATERLINIE.  I25 

Die  machtige  stad,  die  alleen  zooveel  gold  als  een  groote 
mogendheid,  was  op  het  punt  van  zich  te  onderwerpen  aan  den 
overwinnaar.  In  eene  algemeene  vergadering  beraadslaagde  men 
daarover.  >De  meesten  waren  van  gevoelen"  —  zegt  de  onge- 
noemde schrijver  van  de  yjthtoire  de  la  guerre  de  Hollande''  — 
>  dat  het  raadzaam  was  om  zich  aan  den  Koning  te  onderwerpen, 
en  poogden  de  anderen  over  Ie  halen  tot  hun  gevoelen.  Maar 
Hasselaer  en  Hop,  de  een  Stadspensionaris,  de  ander  Hoofd- 
schout {grand  Baillif)^  die  beiden  trouw  wilden  blijven  aan  de 
Unie,  begonnen  dit  gevoelen  te  bestrijden  op  krachtige  wijze. 
Ziende  dat  zij  zulk  een  sterke  partij  tegen  zich  hadden,  en  dat 
deze  ternauwernood  naar  hen  wilde  luisteren,  openden  zij  plot- 
seling een  venster  dat  op  het  plein  uitkwam,  en  dreigden  het 
volk  te  zullen  oproepen,  als  men  niet  van  gevoelen  veranderde. 

8 ie  bedreiging  verschrikte  de  stoutsten  en  daar  de  Prins  van 
ranje  al  zijn  best  deed  om  te  doen  gelooven  dat  er  in  alle 
steden  verraders  waren,  besloten  zij  niet  vol  te  houden  om  zich 
niet  bloot  te  stellen  aan  de  woede  des  volks,  dat  den  eersten 
indruk  zou  opnemen  zooals  men  het  dien  wilde  geven.  Zoo  waren 
alleen  die  twee  mannen  oorzaak,  dat  de  Koning  Holland 
niet  veroverde;  want  had  Amsterdam  zich  overgegeven,  dan  had 
al  het  andere  het  voorbeeld  gevolgd  van  die  stad,  die,  alleen, 
machtiger  is  dan  tien  andere  steden  te  zamen."  » Door  die  daad," 
zoo  besluit  Folard,  ireddeden  twee  mannen  Holland." 

Bij  andere  Fransche  schrijvers  vin  de  men  een  soortgelijke 
voorstelling  van  wat  er  toen  te  Amsterdam  gebeurd  is.  Dat  die 
voorstelling  geheel  juist  is,  —  neen,  dat  nemen  wij  niet  aan, 
maar  evenpin  nemen  wij  aan,  dat  zij  geheel  onjuist  is;  er 
zal  toen  wel  iets  van  dien  aard  gebeurd  zijn.  Bij  onze  schrijvers 
vindt  men  geen  bepaalde  opgaven  hieromtrent;  maar  dit  zegt 
nog  volstrekt  niet,  dat  die  opgave,  die  men  bij  Folard  vindt  en 
bij  andere  Fransche  schrijvers,  geheel  en  al  een  sprookje  is:  wij 
hadden  vroeger  dikwijls  een  merkwaardig  talent  om  de  waar- 
heid te  verzwijgen  als  ze  ons  wat  te  ongunstig  was. 

1  Jammer,"  zegt  Rousset  waar  hij  die  hulde  vermeldt,  later 
door  Lodewijk  XIV  toegezwaaid  aan  de  geestkracht  van  onze 
voorvaderen,  jjamrcer  dat  zijn  geest  zich  nog  niet  verheven  had 
tot  zoo  hooge  en  eerbiedwekkende  gemoedskalmte,  toen  hij  zich 
vermat  om  de  Hollanders  te  behandelen  met  een  i  ondragelijke 
hardheid"  (zooals  de  Staten-Generaal  zeiden)  die  door  de  grootste 
overwinningen  niet  kon  worden  gerechtvaardigd..." 

Ook  Rousset  is  van  oordeel,  dat  de  vredesvoorwaarden  die 
Lodewijk  XIV  toen  aan  de  Republiek  voorschreef,  onaannemelijk 
waren;  —  dit  is,  gelooven  wij,  de  heerschende  meening.  Maar, 
terwijl    het  veelal  wordt  voorgesteld   alsof  het   harde    van   die 


Digitized  by 


Google 


126  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

vredesvoorwaarden  voornamelijk  moet  worden  geweten  aan  Lou- 
vois,  wil  de  Fransche  schrijver  dien  minister  daaromtrent  van 
schuld  vrijspreken,  en  die  schuld  geheel  en  al  doen  nederkomen 
op  den  Koning. 

Ziehier  wat  Rousset  daarover  zegt  (i*  deel,  blz.  378 — 379): 
>Hier  zouden,  naar  het  schijnt,  de  vijanden  van  Louvois  eene 
goede  gelegenheid  hebben  om  nogmaals  te  beweren,  dat  het  zijn 
eenig  streven  was  den  vrede  onmogelijk  te  maken.  Zij  zouden 
zich  echter  hierin  vergissen,  want,  in  zijne  ongelukkige  verblin- 
ding en  in  zijn  ruwe  miskenning  van  de  waardigheid  van  een 
volk,  geloofde  Louvois  te  goeder  trouw  dat  de  Hollanders  ge- 
zind waren  om  zich  geheel  te  onderwerpen.  »Ik  hoop"  —  schreef 
hij  den  2en  Juli  aan  Letellier  —  »dat  wij  Maandagavond  zullen 
weten  waaraan  wij  ons  te  houden  hebben  met  onze  naburen,  en 
het  zal  mij  zeer  verwonderen  als  zij  niet  alles  onderteekeney 
wat  wij  hebben  gevraagd."  Lodewijk  XIV  deelde  in  dat  zelf 
vertrouwen ;  veertig  jaar  had  hij  noodig  om  Holland's  tegenstand 
te  begrijpen,  en  om  door  een  harde  rampspoed  te  leeren,  dat  er 
v  redes  voorstellen  kunnen  zijn  waarop  koningen  en  volkeren  niet 
anders  kunnen  antwoorden  dan  met  de  opoffering  van  hun  laat- 
sten  man  en  van  hun  laatsten  penning. 

Toen  hij  de  ^^Mémoire  sur  la  campagne  de  1672"  dicteerde,  had 
hij  die  smartelijke  ondervinding  nog  niet  opgedaan.  Toch  ge- 
voelde hij  reeds  toen,  dat  hij  een  misslag  had  begaan  door  de 
vredes voorstellen  van  de  Staten- Generaal  af  te  wijzen.  Maar  het 
stuitte  hem  tegen  de  borst  om  dit  ronduit  te  erkennen.  »De 
vredesvoorstellen  die  men  mij  deed"  —  zeide  hij  —  » waren  zeer 
voordeelig;  toch  heb  ik  nooit  kunnen  besluiten  om  ze  aan  te 
nemen."  Hier  begint  dan  —  hoezeer  hij  zich  niet  verplicht  acht 
om  daarvan  rekenschap  te  geven  —  eene  verwarde,  verlegene 
uiteenzetting  van  de  redenen  die  hem  belet  hebben  om  ze  aan 
te  nemen;  het  is  de  geheime  verwachting  van  een  oorlog  met 
Spanje,  dat  dan  de  losprijs  zal  moeten  betalen  voor  Holland ;  — 
even  alsof  de  Spaansche  Nederlanden  nog  niet  veel  wisser  zijn 
buit  werden  door  den  afstand  van  grondgebied  waarin  de  Staten- 
Generaal  bewilligden.  Maar  plotseling,  alsof  hem  die  onhandige 
verdediging  vermoeit  en  vernedert,  breekt  hij  die  in  eens  af  met 
een  uitbarsting  van  trots;  hooghartig,  welsprekend  en  jammerlijk 
tevens:  »de  nakomelingschap  mag,  als  zij  wil,  geloof  slaan  aan  die 
redenen;  of,  lust  het  haar,  mijne  weigering  wijten  aan  eerzucht, 
en  aan  mijn  verlangen  om  wraak  te  nemen  over  de  beleedi- 
gingen  mij  door  de  Hollanders  aangedaan.  Ik  zal  mij  bij  haar  niet 
verantwoorden.  Zucht  naar  eer  en  roem  zijn  altijd  te  vergeven  in 
een  koning,  en  vooral  in  een  koning  zooals  ik,  jong  en  zoo  be- 
gunstigd door  het  geluk."  —  Maar  die  eerzucht  werd  teleurgesteld, 
de  roem  verduisterde,  en  het  geluk  werd  minder  volgzaam. 


Digitized  by 


Google 


DE  HOLLANDSCHE  WATERLINIE.  I27 

Het  schijnt  dus  dat  Lodewijk  XIV  zijn  eigen  inzichten  volgde, 
toen  hij  in  1672  met  de  Republiek  alleen  vrede  wilde  sluiten  op 
voorwaarden  die  geheel  onaannemelijk  waren,  die  zoo  goed  waren 
als  de  ondergang  van  den  Staat,  en  nog  wel  een  schandelijke 
ondergang.  Op  den  Koning  komt  dus  de  schuld  neer  van  die 
overmoedige  handeling,  die  hem  zelf  en  Frankrijk  later  zoo  veel 
kwaad  heeft  berokkend.  De  vraag  is  echter,  of  Lodewijk  XIV 
niet  naar  rede  zou  hebben  geluisterd,  had  een  minister  hem  toen 
verstandigen  en  gematigden  raad  gegeven.  —  Zulk  een  minis- 
ter was  Louvois  echter  niet;  integendeel,  bij  de  onbegrensde 
minachting  die  deze  toen  koesterde  ten  aanzien  van  de  Hollan- 
ders, meende  hij  dat  men  met  hen  alles  kon  doen  wat  men 
maar  wilde,  en  dat  er  geen  v  redes  voor  waarden  waren  zóó  hard, 
of  men  kon  ze  hen  doen  aannemen.  Zulk  een  minachting  ten 
aanzien  van  een  vijand,  is  een  misslag  die  vaak  wrange  vruchten 
draagt:  Lodewijk  XIV  ondervond  dit  in  1672  ten  aanzien  der 
Hollanders,  Napoleon  in  1808  ten  aanzien  der  Spanjaarden. 

Zeer  terecht  ziet  Rousset  in  de  woorden,  door  den  Franschen 
Koning  hier  gebezigd,  de  uitdrukking  van  dien  grenzenloozen 
hoogmoed  die  hem  kenschetste;  hij  veracht  het  oordeel  der 
nakomelingschap:  »ik  zal  mij  bij  haar  niet  verantwoorden,^' zegt 
hij;  —  trotscher  taal  is  moeielijk  te  bedenken. 

Het  niet  sluiten  van  den  vrede,  toen  die  vrede  zoo  besliste 
voordeelen  zou  hebben  opgeleverd,  is  in  1672  aan  de  Fransche 
zijde,  een  eerste  groote  misslag  geweest;  een  tweede  groote 
misslag  was  het  te  traa^  voortzetten  van  de  krijgsverrichtingen, 
waardoor  men  het  gunstige  oogenblik  om  Holland  te  veroveren, 
ongebruikt  voorbij  liet  gaan. 

Turenne's  leger,  dat  reeds  den  1 3en  Juni  op  den  weg  van  Nij- 
megen naar  Arnhem  stond,  had  het  naar  Holland  terugtrekkende 
leger  van  Willem  III  op  den  voet  kunnen  volgen,  en  aanvallen 
voordat  het  zich  ter  verdediging  kon  inrichten  en  de  onder- 
waterzettingen stellen.  Geen  twijfel,  of  Holland  zou  dan  veroverd 
zijn.  In  stede  daarvan  wendt  de  Fransche  veldheer  zich  naar 
Arnhem,  en  slaat  het  beleg  voor  die  stad;  gelijktijdig  worden 
de  vestingen  aan  den  IJsel:  Doesburg,  Zuifen  en  Deventer  aan- 
gevallen door  verschillende  gedeelten  van  de  Fransche  en  Mun- 
stersche  krijgsmacht.  Hiermede  houden  zich  de  Fransche  aan- 
voerders bezig,  en  om  Holland  te  veroveren  bepalen  zij  er 
zich  toe,  derwaarts  eene  afdeeling  te  zenden  van  een  4000 
ruiters,  onder  Rochefort,  volgens  sommige  Fransche  schrijvers 
een  bevelhebber  van  geringe  bekwaamheid. 

Den  i8ea  Juni  trok  dit  ruiterkorps  zwemmende  den  IJsel  door, 
maakte  zich  den  i9en  meester  van  Wijk-bij-Duurstede,  Amers- 
foort en  het  Huis  ter  Eem  en  den  volgenden  dag  van  de  ves- 


Digitized  by 


Google 


128  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

ting  Naarden,  die  verlaten  werd  door  de  zwakke  Hollandsche 
bezetting.  Vier  Fransche  ruiters  kwamen  toen  voor  Muiden,  dat, 
bij  hunne  opeisching,  de  poorten  opende,  maar  door  hen  weer 
werd  verlaten. 

Den  21  en  trok  Rochefort  de  stad  Utrecht  binnen  en  bracht 
eenige  dagen  door  met  verschillende  kleine  steden  te  onder- 
werpen aan  het  Fransche  gezag:  Buren,  Kuilenburg,  Leerdam, 
Asperen  en  Heukelora.  Hij  poogde  daarna  ook  Muiden  te  ver- 
meesteren,  maar  die  stad  was  reeds  bezet  door  graaf  Maurits 
van  Nassau.  Het  was  te  laat!  en  hoezeer  Lodewijk  op  den 
5en  Juli  als  overwinnaar  zijn  intocht  deed  binnen  de  stad  Utrecht, 
zoo  was  dit  reeds  niet  meer  dan  een  ijdele  vertooning;  zijn  prooi 
was  hem  ontsnapt,  en  terwijl  hij  zijn  tijd  verloor  met  belege- 
ringen, —  wier  vermelding  ons  later  zal  bezighouden  —  was 
intusschen  Holland  omgeven  door  een  ringmuur,  die  het  onaan- 
valbaar  maakte. 

De  oorzaak  van  die  weinige  werkdadigheid  der  Fransche  aan- 
voerders, van  dit  verzuim  om  de  vruchten  te  plukken,  die  hunne 
aanvankelijke  voordeelen  en  hun  groote  overmacht  hun  ver- 
schaften, wordt  door  sommige  schrijvers  gezocht  in  den  naijver 
van  Engeland,  dat  Lodewijk  XIV  geen  meester  wilde  zien  van 
de  geheele  Republiek,  en  daarom  niet  wilde  toelaten  dat  hij 
doordrong  tot  in  het  eigenlijke  Holland.  —  Wij  gelooven  dat 
die  meening  geheel  verkeerd  is.  Immers,  wanneer  men  let  op  de 
verhouding  die  er  bestond  tusschen  den  Franschen  vorst  en  den 
gebieder  van  Groot-Brittanje  —  de  laatste  door  den  eersten 
betaald,  bezoldigd  en  geheel  daarvan  afhankelijk  — ,  dan  kan 
het  wel  geen  twijfel  lijden,  dat  geen  vertoogen  van  de  zijde  van 
Engeland,  Lodewijk  zouden  verhinderd  hebben  om  eene  ver- 
overing te  voltooien,  die  bijna  zeker  was.  Bovendien,  de  Engelsche 
gezanten  kwamen  eerst  den  4en  Juli  in  Den  Haag  en  gingen  eerst 
Lodewijk  XIV  opzoeken  in  zijn  legerkamp  bij  Zeist.  Vóór  dien 
tijd  had  Holland  veroverd  kunnen  zijn;  twijfelt  iemand  hieraan, 
hij  leze  onder  andere  wat  in  Wagenaar,  bij  de  onderhandelingen 
over  den  vrede,  gezegd  wordt  van  de  verdedigingsmiddelen: 
1  polders  die  niet  onder  water  stonden,  posten  die  niet  te  houden 
waren,  steden  niet  in  staat  zich  te  verdedigen,  krijgsvolk  waaruit 
de  moed  was  verdwenen";  ziedaar  het  beeld,  dat,  bij  de  beraad- 
slagingen op  den  25steii  Juni,  geschetst  wordt  van  Hollands  ver- 
dedigingsmiddelen. 

Zelfs  al  had  de  Engelsche  regeering  den  wil  en  de  macht 
gehad  om  den  Franschen  Koning  te  bewegen,  zijne  veroveringen 
in  Holland  te  staken,  dan  zou  hare  tusschenkomst  toch  nog  te 
laat  zijn  gekomen  om  dit  land  te  redden. 

Waaraan  is  dan  die  redding  toe  te^ schrijven?  —  Wij  hebben 


Digitized  by 


Google 


DE  HOLLANDSCHE  WATERLINIE.  I29 

reeds  vermeld  welk  een  gewichtig  deel  Willem  III  hieraan  heeft 
gehad;  maar  voor  een  deel  is  zij  ook  te  wijten  aan  de  gebrek- 
kige en  beperkte  strategische  inzichten  der  Fransche  aanvoerders. 
Die  aanvoerders,  geheel  doordrongen  van  den  geest  der  toen- 
malige oorlogvoering,  oordeelden  het  ongeraden  om  Holland 
binnen  te  trekken,  terwijl  zij  de  vestingen  aan  IJsel  en  Waal  nog 
in  hun  rug  hadden;  die  vestingen  moesten  eerst  worden  ge- 
nomen; en  aan  het  onzekere  voordeel  van  de  vermeestering 
van  die  sterkten  en  van  hare  bezettingen,  offerde  men  het 
zekere  voordeel  op  van  de  vermeestering  van  Holland. 

Maar  zelfs  later,  toen  men  die  vestingen  had  genomen,  was 
het  nog  tijd  om  de  Hollandsche  waterlinie  aan  te  vallen.  Zeker, 
toen  er  eenige  weken  verloopen  waren,  toen  de  inundatiën 
overal  waren  gesteld,  de  dijkposten  overal  verschanst,  het  Hol- 
landsche leger  weer  geordend  en  versterkt  was,  —  toen  kon  die 
linie  als  onaanvalbaar  worden  gerekend;  —  maar  in  den  eerjten 
tijd  was  zij  dit  niet  en  uit  alles  moet  men  opmaken,  dat  als  de 
Fransche  krijgsmacht  in  de  eerste  dagen  den  aanval  had  onder- 
nomen, zij  in  Holland  zou  zijn  doorgedrongen. 

Zij  deed  dien  aanval  niet,  denkelijk  omdat  de  bevelhebbers 
onkundig  waren  aangaande  de  verdedigingsmiddelen  der  Repu- 
bliek en  zich  die  geduchter  voorstelden  dan  zij  inderdaad  waren. 
Bij  de  Fransche  schrijvers  kan  men  opmerken,  welk  een  vreemd 
en  zonderling  denkbeeld  zij  zich  maken  van  den  toenmaligen 
toestand  van  Holland:  het  heet  bij  hen  altijd  dat  de  zeedijken 
waren  doorgestoken;  zij  geven  van  Holland  eene  voorstelling, 
als  ware  het  geheel  en  al  door  de  zee  overdekt,  terwijl  alleen 
de  hooger  liggende  steden  droog  waren  gebleven,  evenals  in  den 
tijd  der  Batavieren  de  terpen  bij  een  watervloed.  Zelfs  bij  Vol- 
taire,  die  nog  geen  eeuw  na  1672  schreef,  die  zelf  in  Holland 
was  geweest,  en  wien  men  dan  toch  eenig  oordeel  moet  toe- 
kennen, vindt  men  zulk  een  voorstelling.  Wij  gelooven  dat  die 
valsche  voorstelling,  meer  dan  iets  anders,  den  vijand  elke  poging 
om  aan  te  vallen  heeft  doen  opgeven ;  want  bij  een  geheel  door 
de  zee  overdekt  land,  waar  men  alleen  over  smalle  dijken  tot 
de  steden  kon  komen,  viel  zeker  weinig  te  veroveren! 

Over  het  niet  bezetten  van  Muiden  door  de  Fransche  troepen 
van  Rochefort  bevat  Rousset  (i*  deel,  blz.  366 — 371),  uitvoerige 
toelichtingen,  die  wij  hier  laten  volgen,  al  dadelijk  aanmerkende, 
dat  de  juistheid  en  nauwkeurigheid  van  die  toelichtingen  niet 
boven  bedenking  verheven  zijn: 

>Op  korten  afstand  van  Amsterdam  had  men  de  kleine  stad 
Muiden  aan  de  Zuiderzee;  daar  waren  de  sluizen  die  het  water 
tegenhielden,  dat  altijd  de  lage  gronden  om  Hollands  hoofdstad 
met  overstrooming  bedreigde.  Den   2osten  Juni  drongen  eenige 

WILLEM  III.  —  I.  9 

Digitized  by  VjOOQIC 


130  KRIfGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

ruiters,  van  eene  afdeeling  door  den  Markies  de  Rochefort  ter 
verkenning  uitgezonden,  tot  in  Muiden  door  en  waren  een  oogen- 
blik  meester  van  de  stad ;  maar  wat  hen  aanvankelijk  begunstigde, 
was  later  in  hun  nadeel;  hun  gering  getal  liet  hun  niet  toe, 
zich  daar  te  handhaven,  en  toen  zij  versterking  kregen  had  Prins 
(Graaf)  Maurits  van  Nassau  in  allerijl  troepen  afgezonden,  die 
Muiden  weer  in  bezit  namen  en  het  van  dat  oogenblik  ver- 
zekerden tegen  een  coup-de-main.  Deze  kleine  gebeurtenis,  nietig 
op  zich  zelve  en  geheel  en  al  toevallig,  werd  spoedig  tot  een 
groote  zaak  verheven.  Wat  een  gevolgen  had  dat  niet  kunnen 
hebben!  Wat  een  zegepraal  voor  den  Koning!  Wat  een  krijgs- 
geluk  voor  Frankrijk!  Als  de  Markies  de  Rochefort  meer  be- 
kwaamheid had  bezeten,  voortvarender  was  geweest,  zich  meer 
had  gehaast,  zijne  voorschriften  beter  had  begrepen!  Want  men 
twijfelde  er  niet  aan  of  hij  had  bepaalde  voorschriften;  en  wat 
ongeloofelijk  is,  Lodewijk  XIV,  verbijsterd  door  al  dat  afkeurend 
geschreeuw,  begon  na  verloop  van  tijd  zelf  te  gelooven  aan  be- 
velen, die  hij  niet  had  gegeven."  (Méfnoire  inédit  %ur  la  campagne 
de  1672). 

Misleid  door  het  algemeen  gevoelen  hebben  veel  geschied- 
schrijvers dit  oordeel  overgenomen,  en  Rochefort,  door  zijn  tijd- 
genooten  gegispt,  is  ook  den  blaam  der  geschiedenis  niet  ontkomen. 
Het  is  eerst  in  onze  dagen  dat  Louvois  in  die  ernstige  aange- 
legenheid is  betrokken  geworden  en  dat  hij  zelfs,  terwijl  Roche 
fort  verontschuldigd  werd,  de  ware  schuldige  is  genoemd,  de 
man  van  verraad  verdacht,  zoo  niet  volkomen  overtuigd  (Henri 
Martin,  13"  deel,  blz.  388 — 389).  En  toch  zijn  noch  Rochefort, 
noch  Louvois  schuldig.  Niemand  van  hen  die  Lodewijk  omgaven, 
niemand  in  het  geheele  leger  had  toen  eenig  denkbeeld  van  het 
belang  van  Muiden.  Maar  één  persoon,  de  graaf  d'Estrades,  die 
gezant  was  geweest  in  Holland,  wist  van  het  bestaan  van  sluizen 
aldaar.  Maar  hij  was  toen  Gouverneur  van  Wezel,  en  twaalf  of 
vijfden  mijlen  verwijderd  van  den  Koning,  die  toen  Doesburg 
belegerde.  Den  i8en  Juni  schrijft  hij  een  langen  brief  aan  Lode- 
wijk XIV,  om  hem  geluk  te  wenschen  met  zijn  snelle  verove- 
ringen en  om  hem  inlichtingen  te  geven  omtrent  de  provincie 
Holland ;  hij  spoort  hem  aan  om  zich  dadelijk  meester  te  maken 
van  Utrecht:  »door  het  vermeesteren  van  die  stad,"  voegt  hij  er 
bij,  »zal  Uwe  Majesteit  Holland  geheel  tot  onderwerping  dwin- 
gen, wanneer  er  geen  tijd  verzuimd  wordt  en  er  dadelijk  een 
troepenkorps  wordt  gezonden  naar  Muiden  waar  de  sluizen  zijn, 
en  van  waar  dat  korps  gerust  kan  trekken  tot  voor  de  poorten 
van  Amsterdam  en  het  zelfs  nopen  tot  onderhandelen." 

Toen  Lodewijk  XIV  dien  brief  kreeg  was  het  te  laat.  Den 
ï8en  Juni,  denzelfden  dag  waarop  de  brief  werd  geschreven,  had 
de   Markies   de   Rochefort,   luitenant-generaal  en  kapitein  bij  de 


Digitized  by 


Google 


DE  HOLLANDSCHE   WATERLINIE.  I3I 

GardeS'dU'Corps^  de  legerplaats  voor  Doesburg  verlaten,  om  op 
den  anderen  oever  van  den  IJsel  eene  verkenning  te  doen,  tien 
of  twaalf  uur  ver  naar  de  zijde  van  Utrecht,  waar  men  wist  dat 
de  Prins  van  Oranje  was.  Den  aosten  Juni  schreef  Louvois  aan 
Letellier,  zijn  vader:  >Rochefort  is  eergisterenavond  vertrokken 
aan  het  hoofd  van  3000  ruiters  en  600  dragonders,  om  naar 
Amersfoort  te  gaan  dat  naar  men  zegt  onbezet  is;  dddr  is  hij 
maar  twee  uur  verwijderd  van  Utrecht  en  zal  het  vijandelijke 
leger  zeer  bemoeilijken,  dat  met  den  dag  vermindert,  zoo  door 
den  schrik  die  onder  de  troepen  heerscht,  als  omdat  iedere  pro- 
vincie de  door  haar  betaalde  korpsen  terugroept  om  ze  voor 
eigen  verdediging  te  gebruiken,"  —  De  taak  van  Rochefort  wordt 
hier  duidelijk  aangegeven:  Utrecht  observeeren,  den  Prins  van 
Oranje  in  het  oog  houden  en  verontrusten,  meer  niet;  geen 
enkel  woord  over  d'Estrades,  geen  woord  over  Muiden. 

Daar  is  meer.  Ziehier  het  rapport  zelf,  door  Rochefort  inge- 
zonden, maar  aan  Lodewijk  XIV  in  persoon ;  het  is  gedagteekend : 
Amersfoort,  den  2osten  Juni,  7  uur  's  avonds:  > Zaterdag  en  Zon- 
dagochtend, den  dag  toen  ik  hier  kwam,  zijn  alle  troepen  die  om 
Utrecht  waren  gelegerd,  naar  het  binnenste  van  Holland  getrok- 
ken; de  Prins  van  Oranje  met  het  grootste  deel  des  legers  naar 
Trego"  (denkelijk  Ter  Gouw,  Gouda)  »dat  op  zes  uur  afstands  is 
van  Utrecht,  als  men  van  daar  naar  Rotterdam  gaat,  en  Prins 
Maurits  naar  Wesert  (denkelijk  Weesp),  dat  naar  den  kant  van 
Amsterdam  ligt.  De  bevolking  van  Utrecht  wacht  Uwe  Majesteit 
met  ongeduld.  Ik  geloof  dat  wij  dezen  tijd  niet  moeten  laten  voor- 
bijgaan. Indien  Uwe  Majesteit  een  voorraad  had  van  brood  en 
vooruit  wilde  rukken  met  4000  ruiters  en  4000  Mousquetaires  en 
mij  gelasten  om  mij  bij  Uwe  Majesteit  te  voegen,  dan  was  de 
zaak  zeker.  Als  Uwe  Majesteit  echter  niet  in  staat  is  daartoe, 
maar  mij  het  regiment  dragonders  wil  zenden  dat  tot  het  leger 
van  den  Maarschalk  De  Turenne  behoort,  dan  zal  ik  vooruitgaan 
met  wat  ik  hier  aan  ruiters  heb,  en  dan  sta  ik  in  voor  hunne 
onderwerping.  Mijne  ruiters  en  ik  zijn  hier  thans  geheel  over- 
tollig, daar  wij  uitgevoerd  hebben  wat  Uwe  Majesteit 
mij  had  bevolen,  en  zelfs  iets  meer  dan  dat."  —  Duidelijker 
kan  men  niet  zijn.  Rochefort  was  afgezonden,  alleen  om  den 
Prins  van  Oranje  gade  te  slaan  en  te  verontrusten ;  de  Prins  van 
Oranje  trekt  terug;  de  taak  van  Rochefort  is  toen  geheel  afge- 
loopen;  hij  wacht  nieuwe  bevelen  en  hij  dringt  daarop  aan,  met 
het  ongeduld  van  iemand  die  ziet  dat  er  zich  een  gunstige  ge- 
legenheid voordoet.  Hij  houdt  aan:  > nogmaals  smeek  ik  Uwe 
Majesteit  om  mij  eenigszins  spoedig  een  regiment  dragonders  toe 
te  zenden  en  ik  beloof  Uwe  Majesteit  Utrecht  en  nog  twee  of 
drie  steden  bovendien.  Wat  ik  hier  aan  Uwe  Majesteit  meld,  is 
niets  hersenschimmigs ;   in  dit  land  gaat  alles  thans  zoo  gemak- 


Digitized  by 


Google 


132  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

keiijk,  dat  men  om  te  slagen  niets  anders  noodig  heeft  dan 
stoutheid."  —  Het  ontbreekt  hem  dus  noch  aan  doorzicht,  noch 
aan  voortvarendheid. 

Intusschen  heeft  hij  het  op  zich  genomen,  om  een  kleine  af- 
deeling  te  zenden  naar  de  zijde  van  Amsterdam;  naar  dat  Mui- 
den, dat  hij  evenals  iedereen  —  graaf  d 'Estrades  uitgezonderd  — 
beschouwde  als  een  punt  zonder  eenig  belang.  »Ik  zend  DeRannes 
met  50  ruiters  en  100  dragonders  naar  Naarden  om  in  het  Mui- 
derslot  dragonders  als  bezetting  te  plaatsen;  want 'de  stad  is  niet 
te  verdedigen,  maar  het  slot  is  goed  en  slechts  twee  kleine  uren 
verwijderd  van  Amsterdam."  Het  is  niet  te  veronderstellen,  dat 
als  er  in  zijne  voorschriften  gewag  was  gemaakt  van  dat  be- 
roemde Muiden,  hij  op  zoo  lossen  toon  daarover  zou  hebben 
geschreven  en  zijn  rapport  zou  hebben  afgezonden  alvorens  be- 
kend te  zijn  met  den  uitslag  van  den  tocht  van  De  Rannes. 
Waarlijk,  het  is  voor  hem  haast  als  een  ongeluk  te  beschouwen, 
dat  hij  dit  detachement  heeft  uitgezonden ;  —  't  is  waar,  had  het 
geluk  hem  gediend,  dan  zou  hij  dadelijk  en  zonder  het  te  weten 
een  groot  man  zijn  geworden.  Zijn  rapport  eindigt  met  een  her- 
haald aandringen:  »ik  zal  hier  de  bevelen  van  Uwe  Majesteit 
blijven  afwachten;  ik  waag  het  er  bij  te  voegen,  eenigszins  met 
ongeduld  van  hier  zoo  vooraan  te  zijn  zonder  iets  te  doen,  ter- 
wijl er  wel  wat  te  doen  is." 

Nog  eens:»  Rochefort  had  zijne  voorschriften  volkomen  opge- 
volgd; maar  waarom  waren  die  voorschriften  zoo  beperkt  ge- 
bleven ?  Klaarblijkelijk  omdat  de  brief  van  Graaf  d'Estrades  te 
laat  was  gekomen ;  te  laat,  niet  slechts  om  hem  den  inhoud  mede 
te  deelen  vóór  zijn  afmarsch,  maar  ook  te  laat  om  hem  nieuwe  voor- 
schriften te  zenden  in  overeenstemming  met  de  raadgeving  des 
Graven;  die  nieuwe  voorschriften  kon  hij  nog  niet  hebben  den 
2osten  *s  avonds,  vóór  den  afmarsch  van  De  Rannes  met  zijn 
kleinen  troep.  Dus,  indien  in  deze  zaak  iemand  de  schuldige  moet 
wezen,  dan  zou  het  moeten  zijn  Graaf  d'Estrades,  die,  bekend 
met  zulk  een  belangrijk  geheim,  het  niet  vroeger  kenbaar  maakte 
aan  Lodewijk  XIV..." 

Ziedaar  op  welke  wijze  Rousset  het  beleid  verdedigt  van  Lou- 
vois  —  of  van  het  opperste  krijgsbestuur  bij  de  Franschen  in 
1672;  —  die  verdediging  beduidt  niet  veel. 

Het  is  zeker,  dat  wanneer  I^odewijk  XIV  dadelijk  na  den  over- 
tocht van  den  Rijn  naar  Holland  was  voortgerukt  —  in  plaats 
van  zich  bezig  te  houden  met  de  vestingen  aan  den  IJsel  —  er 
kans  was  om  Holland  te  veroveren ;  men  zou  daar  dan  wel  b  e- 
gonnen  zijn  met  het  stellen  der  inundatiën,  maar  die  inun- 
datièn  zouden  nog  zeer  onvolledig  zijn  geweest,  te  meer  daar 
zij  werden  tegengewerkt  door  de  plattelands- bevolking. 

d'Estrades  —  zegt   Rousset  —  heeft   te   laat    gewaarschuwd 


Digitized  by 


Google 


DE   HOLLANDSCHE   WATERLINIE.  I33 

omtrent  het  belang  van  Muiden  en  van  zijne  zeesluizen.  Wat  een 
redeneering!  Men  begint  den  oorlog  tegen  Holland,  den  inval 
in  Holland;  en  de  gezant  die  daar  jaren  was  geweest,  die  daar 
alles  had  kunnen  waarnemen  —  een  gezant  is  een  fatsoenlijke 
spion  — ;  de  gezant  die  militair  was  en  die  dus  kon  oordeelen 
over  alles  wat  militair  belang  had;  die  gezant  wordt  niet  vooraf 
geraadpleegd  omtrent  alle  mogelijke  bijzonderheden  die  het  van 
belang  was  te  weten,  en  men  wacht  af  totdat  hij  zelf  aankomt 
met  zijne  inlichtingen,  —  en  dan  te  laat !  Hoe !  rechts  en  links 
tracht  men  berichten  in  te  winnen  van  den  vijand,  zelfs  van  de 
meest  onbeduidende  personen ;  en  een  man  die  het  best  in  staat 
is  om  's  vijands  land  te  kennen,  een  man  die  men  bij  zich  heeft, 
dien  raadpleegt  men  niet ;  men  wacht  af  totdat  hij  zelf  met  een 
ongevraagden  raad  aankomt!  Is  dat  waarschijnlijk?  —  Immers 
neen ;  en  daarom  kan  men  gerust  besluiten,  dat  deze  verdediging 
van  Louvois  of  van  het  opperste  krijgsbestuur  bij  de  Franschen 
in   1672,  niet  veel  beduidt. 

Waren  de  sluizen  te  Muiden  door  de  Franschen  vermeesterd, 
Holland  ware  veroverd  geworden;  het  is  Rochefort's  schuld  dat 
die  sluizen  van  Muiden  niet  genomen  zijn;  het  is  de  schuld  van 
I.ouvois  dat  hij  geen  bepaalde  bevelen  gegeven  heeft  om  die 
sluizen  van  Muiden  te  bemachtigen;  het  is  de  schuld  van  d*Es- 
trades,  dat  hij  niet  gewaarschuwd  heeft  welk  een  groot  belang 
die  sluizen  te  Muiden  hadden.  Het  grappigste  bij  al  die  be- 
weringen is,  dat  er  in  1672  te  Muiden  geen  sluizen  waren. 

Wij  haasten  ons  er  bij  te  voegen,  dat  die  aanmerking  toch 
eigenlijk  weinig  beduidt:  er  waren  wel  geen  sluizen  te  Muiden, 
maar  die  sluizen  waren  op  een  uur  daar  van  daan,  te  Hinderdam. 
Ziehier  wat  daarover  wordt  gezegd  door  Sijpesteyn  en  De  Bordes 
(de  verdediging  van  Nederland  in  1672  en  1673,  2' deel, 
blz.  24  en  25): 

>  Langs  de  rivier  de  Vecht,  die  zich  bij  Muiden  in  de  Zuiderzee 
ontlast,  werd  toen,  evenals  nu,  het  overtollige  water  van  de  langs 
hare  beide  oevers  gelegene  landen  in  die  zee  afgevoerd. 

De  sluis  in  de  Vecht,  door  welke  dat  water  bij  lagen  water- 
stand in  zee  afliep,  en  welke,  bij  hoogen  waterstand  in  de  Zui- 
derzee gesloten  zijnde,  belette  dat  het  zeewater  het  land  binnen- 
stroomde^ was  in  1672  niet  te  Muiden  zooals  thans  het  geval  is, 
maar  te  Hinderdam. 

Het  zeewater  stroomde  alzoo  de  Vecht  in  tot  den  Hinderdam. 
Bij  laag  water  in  de  Zuiderzee  stroomde  dus  het  inundatie- water 
van  de  landen,  gelegen  langs  de  beide  oevers  van  de  Vecht, 
van  Muiden  tot  den  Hinderdam  (dat  op  die  landen  was  gesteld 
geworden  door  het  doorsteken  van  de  kaden  langs  dat  gedeelte 
van  de  rivier)  naar  zee;  een  nadeel  dat  thans  niet  meer  zou 
bestaan. 


Digitized  by 


Google 


134  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Om  het  afloopen  van  dat  inundatie-water  in  1672  te  beletten, 
werd  dan  ook  in  de  Vecht  bij  Muiden  een  dam  gelegd;  waar- 
door wel  is  waar  het  voorschreven  doel  bereikt  is  geworden, 
maar  ook  de  gelegenheid  werd  afgesneden  om,  wanneer  dit  noo- 
dig  mocht  zijn,  tot  verbetering  of  vergrooting  der  inundatiën 
langs  de  Vecht,  het  zeewater  in  het  land  te  brengen. 

Het  groot  ongerief,  dat  door  dien  dam  aan  de  ingezetenen 
werd  veroorzaakt,  schijnt  de  reden  te  zijn  geweest,  dat  er  toen 
bij  de  Staten  van  Holland  nogmaals  op  werd  aangedrongen  om 
eene  zeesluis  in  plaats  van  die  te  Hinderdam,  binnen  de  stad 
Muiden  te  bouwen." 

Den  9eQ  Februari  1673  wordt  door  de  Staten  van  Holland 
het  besluit  genomen  tot  het  bouwen  van  die  sluis  te  Muiden; 
het  schijnt  dat  weinige  maanden  later  die  sluis  voltooid  was. 
De  kundige  schrijvers  van  >de  verdediging  van  Neder- 
land in  1672  en  1673"  merken  hierbij  aan,  dat  reeds  in  1579 
zulk  een  sluis  te  Muiden  als  zeer  nuttig  werd  voorgesteld;  het 
duurde  echter  nog  bijna  honderd  jaar  eer  die  sluis  tot  stand 
kwam;  wel  een  bewijs  hoezeer  ook  toen  »de  Nederlanders  voor- 
ingenomen waren  tegen  elke  nieuwigheid,  en  met  welke  onge- 
loofelijke  vooroordeelen  en  tegenwerking  men  in  ons  vaderland 
ten  aanzien  van  zoo  vele  nuttige  ondernemingen  tot  verbetering 
van  de  materieele  welvaart  te  kampen  heeft  gehad."  (Sijpesteyn, 
en  De  Bordes,  2*  deel,  blz.  25). 

Nog  wordt  onder  de  misslagen,  toen  aan  de  Fransche  zijde 
begaan,  opgenoemd  het  loslaten  tegen  een  gering  losgeld  van 
het  groot  aantal  krijgsgevangenen,  in  het  begin  van  den  veld- 
tocht gemaakt.  Door  dat  loslaten  ontving,  zooals  van  zelf  spreekt, 
het  leger  van  Willem  in  eene  aanmerkelijke  versterking.  —  Uit 
Rousset  (i*  deel,  blz.  380—381)  blijkt,  dat  ook  Lodewijk  XIV 
later  dien  misslag  inzag: 

>  Lodewijk  XIV  had  niets  meer  te  verrichten  op  een  oorlogs- 
tooneel,  waar  men  nog  lang  zich  zou  moeten  bepalen  tot  het 
gadeslaan  van  den  vijand  en  tot  de  verdediging.  Hij  gaf  het 
opperbevel  over  het  leger  aan  Turenne,  en  het  bewind  over  de 
provincie  Utrecht  en  over  eene  sterke  krijgsafdeeling  aan  den 
hertog  de  Luxembourg.  Alle  vestingen  waren  bezet  en  van  leef- 
tocht voorzien.  Den  isten  Augustus  kwam  hij  te  Saint-Germain 
terug.  Maar  voordat  hij  Holland  verliet,  had  hij,  op  raad  van 
Louvois,  een  ongelukkig  besluit  genomen ;  20  000  krijgsgevangenen 
waren  in  zijne  macht;  met  een  hooghartige  en  krenkende  groot- 
moedigheid liet  hij  ze  vrij  voor  een  onbeduidend  losgeld,  de 
meeste  zelfs  zonder  losgeld.  Dit  was  schier  een  laatste  hoon 
jegens  eene  natie,  wier  militaire  hoedanigheden  hij  minachtte, 
terwijl   hij  —  door  een  vreemde  tegenstrijdigheid  —  hare  geest- 


Digitized  by 


Google 


DE   HOLLANDSCHE  WATERLINIE.  I35 

kracht  in  het  staalkundige  bewonderde.  Het  duurde  niet  lang  of 
hij  had  berouw  over  die  daad;  en  hij  had  ten  minste  de  open- 
hartigheid om  zijn  misslag  te  erkennen,  ilk  vertrok  om  naar 
Frankrijk  terug  te  keeren,"  —  zoo  zegt  hij  in  de  Mémoire  de  1672  — , 
«ruimschoots  voldaan  over  den  zegen  dien  God  over  mijne 
wapenen  had  uitgestort;  over  niets  anders  te  klagen  hebbende 
dan  over  de  te  groote  wijsheid  van  hen,  die  door  hunne  ver- 
standige aansporing  den  Magistraat  en  den  Raad  van  Amsterdam 
verhinderd  hadden  om  zich  aan  mij  te  onderwerpen;  en  mij 
niets  anders  te  verwijten  hebbende  dan  eene  overmaat  van  goed- 
heid die  ik  had  ten  aanzien  van  20000  krijgsgevangenen,  die 
ik  naar  Holland  terugzond,  en  die  de  voornaamste  strijdkracht 
hebben  uitgemaakt,  door  de  Republiek  later  tegen  mij  aange- 
wend." 

In  een  noot  voegt  Rousset  hier  nog  bij: 

»In  een  brief  van  25  Juni  aan  Graaf  d'Estrades,  bepaalde 
Louvois  het  losgeld  van  de  ruiters  op  10  kronen  per  hoofd  en 
dat  van  de  soldaten  op  5;  maar  hij  gelastte  dat  de  officieren 
krijgsgevangen  moesten  blijven. 

Den  i5en  Juli  schreef  hij  aan  de  Raynaud  (denkelijk  een 
intendant)  dat  het  bewakeii  van  een  zoo  groot  aantal  krijgsge- 
vangenen zeer  bezwarend  was  voor  de  garnizoenen  en  dat  men 
daarom  de  ruiters  en  soldaten  —  uitgezonderd  zij  die  uit  de 
Provincie  Holland  afkomstig  waren  —  naar  de  Duitschc  grenzen 
moest  brengen  en  ze  daar  loslaten;  onder  bedreiging  dat  zij, 
die  weer  in  Hollandschen  krijgsdienst  traden,  opgehangen  zouden 
worden  als  men  ze  machtig  werd." 

Die  beide  brieven  zijn  in  deel  276  van  het  Dépót  de  la  guerre. 

Aan  de  Fransche  zijde  zijn  toen  dus  groote  misslagen  begaan, 
ook  daaraan  moet  Hollands  behoud  in  1672  worden  toegeschre- 
ven, —  niet  uitsluitend  aan  de  natuurlijke  sterkte  des  lands  of 
aan  het  genie  en  de  geestkracht  van  Willem  III.  Maar  men  zal 
moeielijk  een  oorlog  aanwijzen,  waarin  geen  misslagen  voor- 
komen, en  de  bekwaamheid  van  een  legerhoofd  bestaat  voor 
een  deel  daarin  dat  hij  goed  partij  trekt  van  de  misslagen  van 
zijn  tegenstander.  Moet  men  dan  bij  een  oorlog  de  berekening 
der  kansen  bouwen  op  de  misslagen  van  den  vijand?  Dat  zou 
dwaasheid  zijn;  maar  geen  dwaasheid  is  het  om,  als  bij  een 
oorlog  de  toestand  schijnbaar  wanhopig  is,  toch  den  moed  niet 
op  te  geven,  maar  te  hopen  op  de  mogelijkheid  van  misslagen 
van  den  vijand;  het  >desespereer  niet"  van  Koen  moet  de  leus 
zijn,  ook  als  alles  donker  en  hopeloos  schijnt.  Willem  I  in 
1572 — 1576,  Willem  III  in  den  zomer  van  1672  schenen  een 
wissen  ondergang  nabij;  —  toch  hielden  die  groote  mannen 
den  kamp  vol:   zij  betrouwden  op  Gods  bescherming,  die  door 


Digitized  by 


Google 


136  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

niet  te  voorziene  oorzaken  redding  kan  aanbrengen,  ook  daar 
waar  het  menschelijk  verstand  geen  uitkomst  ziet. 

De  maanden  Juli,  Augustus  en  het  grootste  deel  van  September 
verloopen  bij  de  Hollandsche  waterlinie  voor  beide  partijen  in 
een  toestand  van  rust,  slechts  enkele  keeren  afgebroken  door 
schermutselingen  van  kleine,  stroopende  partijen.  Willem  III  is 
intusschen  onafgebroken  bezig  met  zijn  leger  te  versterken,  om 
eene  landing  te  keer  te  gaan,  waarmede  van  de  Engelsche  zijde 
wordt  gedreigd,  en  om  later,  wanneer  de  winter  invalt,  met  vrucht 
de  Fransche  legers  het  hoofd  te  kunnen  bieden.  Aan  de  Fransche 
zijde  wordt  de  tijd  doorgebracht  met  geheel  onbeduidende  han- 
delingen. Oudewater,  den  25sten  Juni  door  Fransche  troepen  be- 
zet, werd  den  11  en  Juli  weer  door  hen  ontruimd  en  dadelijk  in 
bezit  genomen  door  Hoorne,  die  het  stadje  deed  versterken  en 
er  een  detachement  zeesoldaten  in  legde.  Het  slot  Kroonenburg, 
door  een  honderd  man  Hollandsche  soldaten  bezet,  werd  den 
23sien  Juli  door  een  sterke  Fransche  afdeeling  bemachtigd  en 
daarop  vernield^  ook  het  Loenderslot  werd  door  hen  genomen. 
Woerden  was  door  Willem  III  verlaten  bij  zijn  terugtocht  naar 
Holland,  zoo  beweerd  wordt  omdat  men  geen  tijd  had  om  de 
stad  in  staat  van  verdediging  te  brengen;  —  zij  kreeg  daarop 
Fransche  bezetting  die  haar  echter  den  11  en  Juli  weer  verliet; 
er  verschenen  toen  Hollandsche  troepen  voor  Woerden,  die 
evenwel,  vreemd  genoeg,  er  niet  in  bezetting  kwamen,  zoodat 
den  i8en  September  de  stad  weer  in  bezit  werd  genomen  door 
de  Franschen  en  door  hen  aanmerkelijk  versterkt.  Als  reden 
voor  dit  niet  bezetten  van  Woerden  door  de  Hollanders  wordt 
opgegeven  de  onwil  van  de  stedelijke  regeering  om  de  pannen- 
bakkerijen  aan  de  westzijde,  die  de  verdediging  zouden  belem- 
meren, te  laten  vernielen.  Vreemd  is  het  echter  dat  de  Stad- 
houder zich  door  die  bedenking  heeft  laten  weerhouden  om 
eene  stad  te  bezetten,  aan  wier  inneming  hij  later  zooveel  ge- 
wicht hechtte. 

Het  ligt  in  den  aard  van  de  zaak,  dat  hier  niet  alle  kleine 
gevechten  kunnen  worden  vermeld.  In  het  algemeen  moet  hier 
echter  worden  gezegd,  dat  reeds  toen  door  de  Hollanders  op 
eene  krachtdadige  wijze  de  partijgangers-oorlog  werd  begonnen, 
zoo  door  de  bezetting  van  Maastricht,  als  door  de  troepen  in 
de  waterlinie.  De  opgaven  die  men  daarover  vindt  bij  onze 
schrijvers,  dragen  wel  is  waar  de  kenmerken  van  overdrijving, 
maar  ook  uit  de  briefwisseling  van  de  Fransche  bevelhebbers  met 
Louvois  kan  men  ontwaren  dat  hunne  troepen  gedurig  door 
kleine  aanvallen  werden  verontrust  en  daardoor  verliezen  leden. 

Behalve  met  de  hierboven  vermelde  ondernemingen  hielden 
de  Fransche   bevelhebbers   zich   ook   onledig  met  het  beramen 


Digitized  by 


Google 


BELEGERINGEN.  137 

van  plannen,  om  de  onderwaterzettingen  af  te  leiden  die  Hol- 
land dekten.  Dat  dit  zonder  gevolg  bleef,  behoeft  hier  niet 
bijgevoegd  te  worden.  Als  een  kenschetsend  blijk  van  de  won- 
derlijke begrippen  die  de  toenmalige  Fransche  bewindhebbers 
hadden  omtrent  den  toestand  van  ons  land  en  van  hunne  verre- 
gaande onkunde  in  zijne  geschiedenis^  halen  wij  aan:  dat  in 
eene  memorie  in  Augustus  1672  door  Louvois  aan  Luxembourg 
toegezonden,  de  Fransche  minister  den  raad  geeft  lom  de  Lek 
bij  Wijk-bij-Duurstede  met  aardzakken  af  te  dammen  en  daardoor 
al  het  water  naar  den  Ouden  Rijn,  naar  Utrecht,  Woerden  en 
Leiden  te  doen  stroomen;  dan" —  zegt  de  Fransche  minister  — 
izal  geheel  Holland  onderloopen,  zooals  dit  reeds  eenmaal  plaats 
had  in  het  jaar  810,  toen  door  een  hevigen  storm  de  monding 
van  den  Rijn  in  de  duinen  verzandde  en  het  land  gered  werd 
door  Civilis,  den  aanvoerder  van  het  ^iollandsche  leger,  die  in 
allerhaast  een  kanaal  deed  graven  van  Wijk-bijDuurstede  naar  de 
Maas,  in  de  richting  van  Rotterdam."  (Op  blz.  122  van  de  ver- 
zameling van  brieven  van  Fransche  bevelhebbers  over  den  veld- 
tocht van  1672,  komt  deze  memorie  voor;  —  wij  rekenen  ons 
verplicht  dit  hierbij  te  voegen  om  iedereen  in  de  gelegenheid 
te  stellen  tot  het  nalezen  van  dien  geschiedkundigen  onzin,  die 
bijna  ongeloofelijk  is). 


HOOFDSTUK  V. 

belegeringen;  aardenburg;  krijgs  verrichting  en  in  de  ooste 
LijKE  gewesten;  Groningen;  alüemeene  opmerkingen. 

Wij  gaan  thans  over  tot  de  korte  vermelding  der  belegeringen, 
die  gelijktijdig  met  het  hier  voorgaande  plaats  hadden,  en  van 
de  krijgsgebeurtenissen  in  de  oostelijke  gewesten  van  de  Repu- 
bliek. Indien  men  hierbij  veel  zwakheid,  veel  lafheid  vindt,  zoo 
ontmoet  men  er  echter  ook  heldendaden,  die  de  roemrijkste  tijd- 
perken onzer  geschiedenis  waardig  zijn. 

Dadelijk  na  den  overtocht  van  den  Rijn  was  Turenne  met  de 
hoofdmacht  van  zijn  leger  op  Arnhem  getrokken,  terwijl  hij  eene 
afdeeling  op  Knodsenburg  deed  rukken  en  eene  andere  op 
IJseloort.  Het  laatste  was  een  vervallen  fort,  dat  niet  bezet  was, 
maar  in  welks  nabijheid  zich  eenige  infanterie  bevond:  deze 
hield  gedurende  den  13011  juni  de  Fransche  macht  tegen,  maar 
trok  's  nachts  op  Arnhem  terug,  zoodat  den  1400  de  vijand 
bij    IJseloort    ongehinderd   de   rivier   overging.   Gelijktijdig   was, 


Digitized  by 


Google 


138  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

beneden  Arnhem,  eenige  Fransche  ruiterij  op  den  rechteroever 
van  den  Rijn  overgegaan;  's  nachts  werd  daar  een  schipbrug 
geslagen;  den  isen  trok  Turenne's  leger  de  rivier  over  en  sloot 
Arnhem  in. 

De  wederstand  van  die  stad  was  geheel  onbeduidend,  indien 
men  den  naam  van  wederstand  mag  geven  aan  eenige  weinige 
kanonschoten,  waardoor  een  klein  aantal  vijanden  vielen.  De  be- 
zetting, bestaande  uit  de  twee  regimenten  Amama  en  Vrijbergen, 
met  nog  eenige  andere  compagnieën  voetvolk  en  2  compagnieën 
ruiterij,  kan  een  paar  duizend  man  hebben  uitgemaakt;  —  ver- 
keerdelijk begroot  Beaurain  haar  op  meer  dan  3000  man,  — 
het  was  althans  een  genoegzame  macht  ter  verdediging,  doch 
de  toestand  van  de  vestingwerken  was  weer  ellendig;  alom 
waren  die  van  nabij  belemmerd  door  huizen  en  gebouwen,  die 
men  niet  wilde  verbranden;  van  levensmiddelen  en  k  rij  gs  voor  raad 
was  de  stad  schaarsch  voorzien,  de  burgerij  onwillig  om  zich  te 
verdedigen,  de  krijgsbevelhebbers  zonder  geestkracht,  in  één 
woord,  het  was  de  gewone  geschiedenis  van  de  toenmalige  be- 
legeringen, en  zij  had  ook  den  gewonen  afloop:  men  trad  in 
onderhandeling  met  Turenne;  reeds  den  i6en  gaf  de  stad  zich 
over  en  legde  de  bezetting  de  wapenen  neder. 

Nog  vóór  de  overgave  van  Arnhem,  den  isen  Juni,  was  Turenne 
met  5600  man  voetvolk  en  een  brigade  ruiterij  op  Knodsenburg 
getrokken,  dat  reeds  den  vorigen  dag  was  ingesloten  door  eene 
afdeeling  van  500  man.  Het  fort  Knodsenburg  tegenover  Nijme- 
gen, westelijk  van  het  dorp  Lent  liggende,  was  eene  bijna  vier- 
hoekige schans,  goed  gepalissadeerd  en  van  welke  geen  ander 
gebrek  wordt  vermeld,  dan  dat  hare  natte  grachten  maar  i  el 
waterdiepte  hadden;  zij  was  gewapend  met  8  stukken  en  had 
eene  bezetting  van  4  compagnieën  infanterie,  een  300  man  uit- 
makende, onder  het  bevel  van  den  kapitein  Verschoor.  De  on- 
middellijk bij  het  fort  gelegen  huizen  van  Lent  werden  verbrand, 
de  boomen  in  den  omtrek  gekapt,  en  de  bezetting  scheen  eene 
hardnekkige  verdediging  te  beoogen.  Door  eene  schipbrug  was 
zij  in  gemeenschap  met  Nijmegen,  en  met  geschut  gewapende 
vaartuigen  waren  op  de  Waal,  om  mede  te  werken  tot  de  ver- 
dediging van  Knodsenburg.  —  Laat  ons  terloops  opmerken,  dat 
van  dit  laatste  verdedigingsmiddel  in  1672  zeer  dikwijls  gewag 
wordt  gemaakt,  en  dat  het  met  goed  gevolg  schijnt  aangewend 
te  zijn;. men  vindt  voorbeelden  dat  die  gewapende  vaartuigen  op 
de  rivieren  tot  20  stukken  geschut  hadden. 

In  den  nacht  van  den  1560  op  den  i6en  Juni  werd  door 
Turenne  den  aanval  op  Knodsenburg  begonnen  op  twee  punten : 
oostelijk  tusschen  het  fort  en  Lent,  westelijk  tusschen  den  Waal- 
dijk en   de  rivier.  De  Fransche  opgaven  zeggen  dat  die  tweede 


Digitized  by 


Google 


BELEGERINGEN.  I39 

aanval  buitendijks  geschiedde,  om  daardoor  de  gemeenschap  van 
het  fort  met  Nijmegen  geheel  af  te  snijden;  die  reden  schijnt 
echter  niet  zeer  gegrond,  want  door  het  opwerpen  van  eene  bat- 
terij, die  haar  vuur  op  de  schipbrug  bracht,  had  men  toch  wel 
kunnen  beletten  dat  Knodsenburg  ondersteuning  kreeg  uit  de 
stad;  en  had  men  de  loopgraven  meer  aan  de  noordzijde  van 
het  fort  geopend,  dan  zou  men  de  verliezen  niet  geleden  heb- 
ben van  het  vuur  uit  Nijmegen  en  van  dat  van  drie  uitleggers, 
die  ieder  met  lo  è  12  stukken  bewapend,  tot  op  30  pas  van 
den  oever  naderden  en  in  het  voorbijzeilen  hun  vuur  richtten 
op  de  Fransche  loopgraven. 

Niettegenstaande  dit  hevige  vuur  uit  fort,  stad  en  schepen, 
zetten  de  Franschen  hunne  aanvalswerken  met  zooveel  gezwind- 
heid voort,  dat  zij  bij  het  aanbreken  van  den  dag  (16  Juni) 
reeds  genaderd  waren  tot  aan  den  buitengrachtsboord ;  hunne 
overmachtige  artillerie  bracht  die  des  verdedigers  tot  zwijgen  en 
vernielde  de  borstwering  van  een  der  oostelijke  bastions.  Ver- 
schoor^ hoezeer  gebrek  aan  munitie  hebbende,  wil  echter  de 
verdediging  volhouden ;  toen  tegen  den  middag  een  tamboer  uit 
eigen  beweging  appèl  slaat,  de  soldaten  dit  voor  een  teeken 
tot  overgave  houden,  hunne  wapens  wegwerpen  en  met  onstui- 
migheid aandringen  op  die  overgave.  Vergeefs  zijn  alle  pogingen 
van  Verschoor  en  van  zijne  officieren  om  de  soldaten  weer  tot 
hun  plicht  te  brengen;  zij  weigeren  de  verdediging  langer  voort 
te  zetten,  en  de  bevelhebber  is  daardoor  genoodzaakt  om  met 
den  belegeraar  in  onderhandeling  te  treden,  met  dat  gevolg, 
dat  de  schans  nog  dien  dag  aan  den  vijand  wordt  overgegeven, 
trekkende  de  bezetting  met  krijgseer  naar  Groningen. 

Volgens  onze  schrijvers  zou  dit  korte  beleg  aan  Turenne's 
leger  bij  de  2000  man  aan  dooden  en  gewonden  hebben  gekost; 
die  opgave  is  zeker  overdreven,  maar  wanneer  men  ziet  dat  de 
Fransche  schrijvers  toch  zelve  een  verlies  erkennen  van  500  man, 
dan  moet  men  er  uit  opmaken,  dat  hier  door  den  belegeraar  op 
eene  roekelooze  wijze  soldaten  zijn  opgeofferd,  alleen  om  spoediger 
zijn  doel  te  bereiken ;  de  bedachtzame,  stelselmatige  belegeringen, 
zooals  Maurits  en  Frederik  Hendrik  die  deden,  zooals  Vauban  die 
voorschrijft,  waren  toen  nog  niet  algemeen;  integendeel,  men 
dingt  meesttijds  naar  den  val  der  vijandelijke  vesting  door  on- 
stuimig geweld  en  niet  door  kunst;  hetzelfde  kan  men  nog  op- 
merken in  eene  latere  eeuw  bij  Wellington's  belegeringen  in  het 
Spaansche  Schiereiland.  Wat  de  verdediging  aangaat,  wanneer  men 
opmerkt  hoe  kort  die  heeft  geduurd  en  hoe  gering  de  verliezen 
der  bezetting  waren  (nog  geen  twintig  man),  dan  moet  men  die 
verdediging  slecht  noemen,  hoe  krachtig  zij  dan  ook  aanving;  de 
officieren  schijnen  goed  bezield  te  zijn  geweest,  maar  de  soldaten 
waren  ellendig.  —  De   Quincy  zegt  dat  de  bezetting  krijgsge- 


Digitized  by 


Google 


I40  KRIJGS-   EX   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

vangen  bleef;  ook  stelt  hij  de  wapening  van  Knodsenburg  op 
40  vuurmonden;  —  wij  halen  dit  maar  aan  om  het  doorgaande 
gemis  aan  waarheid  en  nauwkeurigheid  bij  dien  schrijver  te  doen 
uitkomen. 

Dadelijk  na  de  inneming  van  Knodsenburg  deed  Turenne  de 
batterijen  op  den  rechter  Waaloever  haar  vuur  op  Nijmegen 
openen,  zonder  dat  dit  echter  veel  uitwerkte;  de  Fransche  veld- 
heer, zijn  ruiterij  grootendeels  terugzendende  naar  Arnhem,  trok 
met  het  overige  van  zijne  macht  naar  de  Schenkenschans,  waar- 
voor hij  den  i8en  Juni  verscheen.  Die  sterkte,  gelegen  op  het 
punt  waar  Waal  en  Rijn  zich  scheiden,  was  aan  twee  zijden  door 
die  beide  stroomen  gedekt  en  kon  alleen  worden  aangevallen 
over  de  smalle,  daartusschen  liggende  landtong,  welke,  eene 
breedte  van  slechts  2  k  300  el  hebbende,  niet  toeliet,  aan  de 
loopgraven  eene  groote  uitbreiding  te  geven.  De  bezetting,  ver- 
sterkt door  de  vluchtelingen  uit  Emmerik,  bestond  uit  18  com- 
pagnieën infanterie,  een  1200  man  uitmakende;  de  vesting  was 
met  19  stukken  geschut  bewapend  en  van  de  noodige  levens- 
middelen en  krijgsvoorraad  voorzien;  twee  met  geschut  bewa- 
pende vaartuigen  konden  dienen  om  's  vijands  nadernissen  van 
ter  zijde  te  beschieten. 

In  één  woord  om  eene  verdediging  te  voeren,  zooals  die- 
welke  Frederik  Hendrik  in  1636  negen  maanden  had  opgehou- 
den, waren  hier  alle  bestanddeelen  vereenigd;  alle,  op  een  klei- 
nigheid na:  geestkracht  bij  den  bevelhebber,  dapperheid  bij  de 
bezetting.  Die  bevelhebber  was  een  twintig-jarig  jongeling,  een 
Ten  Have  of  Ten  Hove,  die  door  den  invloed  van  zijn  vader, 
toen  burgemeester  van  Nijmegen,  in  die  belangrijke  militaire 
betrekking  was  aangesteld,  zonder  de  minste  bekwaamheid  of 
geschiktheid  daarvoor  te  bezitten. 

Bij  's  vijands  nadering  begon  de  HoUandsche  bevelhebber  met 
de  gewapende  vaartuigen  weg  te  zenden  en  eene  voorliggende 
batterij  te  slechten,  die  den  Rijndijk  kon  bestrijken.  Bijna  zonder 
tegenstand  liet  men  toe  dat  Turenne  in  den  nacht  van  18 — 19 
Juni,  op  slechts  40  el  afstands  van  de  contrescarpe,  met  de 
vliegende  sappe  eene  loopgraaf  deed  maken,  en  men  bespaarde 
hem  de  moeite  om  die  ingraving  met  de  achterliggende  nader- 
nissen te  verbinden,  door  reeds  den  volgenden  dag  in  eene 
onderhandeling  te  treden,  die  daarop  uitliep,  dat  de  vesting  aan 
Turenne  werd  overgegeven  en  de  bezetting  een  vrijen  aftocht 
naar  Friesland  verkreeg.  Er  bestaat  verschil  omtrent  den  tijd 
der  overgave  tusschen  de  Fransche  schrijvers  en  de  onze;  de 
eerste  stellen  die  op  den  19611,  de  onze  op  den  21  sten  Juni;  — 
zooveel  schijnt  zeker,  dat  het  Fransche  goud  krachtiger  tot  de 
overgave   heeft   bijgedragen   dan   de   Fransche  wapenen.   Het   is 


Digitized  by 


Google 


BELEGERINGEN.  I4I 

niet  bewezen,  dat  de  bevelhebber  van  Schenkenschans  zich  door 
den   vijand   heeft   laten   omkoopen,   maar  indien   hij  omgekocht 
I  was,  had  hij  niet  anders  kunnen  handelen  dan  hij  nu  deed. 

i 

!  Bijna  gelijktijdig   had    eene    andere    afdeeling    van    Turenne's 

leger  zich  meester  gemaakt  van  het  onbezette  Tiel  (18  Juni),  en 
van  de  schansen  te  Voorne  en  St.  Andries  (22  Juni),  waarvan  de 
bezettingen  aftrokken  naar  Gorkum  en  Den  Bosch.  Overal  wordt 
ter  verschooning  van  dit  gedrag  der  Hollandsche  bevelhebbers 
aangevoerd  de  lafheid  hunner  soldaten,  die  onwillig  waren  om 
de  wapenen  te  gebruiken  tot  verdediging  der  hun  toevertrouwde 
sterkten. 

De  vestingen  aan  den  IJsel:  Doesburg,  Zutfen,  Deventer  en 
Zwolle,  werden  bijna  gelijktijdig  aangevallen  door  de  Fransche 
en  Munslersche  krijgsmacht.  Bijna  niet  verdedigd  vielen  zij  bin- 
nen weinige  dagen  in  's  vijands  handen,  en  de  sterke  bezettingen, 
daarin  geplaatst,  waren  verloren  zonder  dat  zij  van  eenig  nut 
waren  geweest. 

Lodewijk  XIV,  na  den  overtocht  van  den  Rijn  naar  het  hoofd- 
leger  ïe  Emmerik  teruggekeerd  zijnde,  was  daarmede  naar  den 
IJsel  getrokken,  en  omdat  de  kortste  weg  naar  Doesburg  door  het 
'water  onbruikbaar  was  geworden,  eerst  den  lyen  Juni  voor  die 
stad  verschenen.  Doesburg,  aan  den  samenloop  van  den  Ouden 
IJsel  met  den  IJsel  gelegen,  wordt  beschreven  als  eene  vesting 
van  aanzienlijke  sterkte.  Zij  werd  toen  omgeven  door  een  hoofd- 
wal  met  9  bastions,  had  4  ravelijnen  en  een  hoornwerk,  alles 
omringd  door  een  breede,  diepe  gracht,  waarvoor  zich  een  be- 
dekte weg  bevond,  die  behoorlijk  in  staat  van  verdediging  was 
gebracht.  Een  dam,  die  men  in  den  Ouden  IJsel  had  gemaakt 
om  eene  onderwaterzetting  te  verkrijgen,  had  echter,  door  den 
toenmaligen  lagen  stand  van  de  rivier,  weinig  beantwoord  aan 
het  doel.  Van  levensmiddelen  was  de  stad  goed  voorzien,  en  van 
oorlogsbehoeften  voldoende  voor  een  langdurig  beleg.  De  bezet- 
ting telde  volgens  sommige  opgaven  3500  man,  volgens  andere 
zelfs  over  de  4000 ;  hare  samenstelling  blijkt  niet  duidelijk ;  alleen 
vindt  men  vermeld  dat  Willem  III,  bij  het  verlaten  van  den  IJsel, 
in  Doesburg  het  regiment  van  den  kolonel  Nieuland  achterliet, 
alsook  dat  er  onder  andere  2  compagnieën  ruiterij  waren  en  com- 
pagnieën waardgelders,  door  de  Zuid-Hollandsche  steden  onder- 
houden. Nieuland,  de  bevelhebber  der  vesting,  drong  er  dadelijk 
op  aan  om,  tot  opwekking  van  den  moed  der  verdedigers,  eiken 
avond  eene  godsdienstoefening  te  houden;  tegelijk  deed  hij  met 
de  overige  hoofdofficieren  en  met  de  leden  van  den  stedelijken 
raad  den  eed,  de  stad  te  zullen  verdedigen  tot  den  laatsten  drup- 
pel  bloeds.   Eene  handeling,  die  de  hoogste  vereering  verdient. 


Digitized  by 


Google 


142  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

wordt  zij  gevolgd  door  eene  verdediging  als  die  van  Haarlem 
of  Alkmaar;  maar  eene  schandelijke,  godlasterende  handeling,  wan- 
neer zij,  zooals  hier,  enkel  in  woorden  en  klanken  bestaat,  en  de 
daden  den  uitgesproken  eed  geheel  logenstraffen! 

Eene  opeisching,  door  de  Franschen  gedaan,  werd  afgeslagen. 
Den  i8en  opende  de  belegeraar  de  loopgraven,  en  eene  batterij 
van  12  stukken  opwerpende,  teisterde  hij  de  stad  met  het  vuur 
dier  stukken.  De  aanvalswerken  der  Franschen  gingen  de  vol- 
gende dagen  voort,  zonder  veel  gehinderd  te  worden  door  het 
vuur  uit  Doesburg.  Er  werd  in  de  stad  voorgeslagen  om  een 
grooten  uitval  te  doen,  ten  einde  daardoor  's  vijands  voortgang 
te  stuiten;  dit  voorstel  werd  echter  verworpen,  op  grond  dat 
het  beter  was,  den  vijand  slechts  door  kleine  uitvallen  te  veront- 
rusten, ten  einde  de  bezetting  te  sparen  voor  de  verdediging 
van  den  hoofdwal.  Men  ziet  het,  de  bezetting  van  Doesburg  had 
toentertijd  het  verdedigingsstelsel  van  Carnot  reeds  tot  het  hare 
gemaakt;  —  maar,  in  plaats  van  met  den  stouten  Franschen 
ingenieur  van  meening  te  zijn  dat  eerst  bij  het  verdedigen  der 
bres  de  ware  verdediging  van  de  vesting  begint,  liet  zij  het  zelfs 
zoo  ver  niet  komen  en  gaf  zij  de  vesting  over,  lang  voordat  er 
zelfs  mogelijkheid  was  tot  bresschieten :  de  soldaten,  die  men 
niet  wilde  opofferen  door  het  doen  van  uitvallen,  waren  van  hunne 
zijde  ongezind  ook  om  den  hoofdwal  te  verdedigen ;  het  grootste 
gedeelte  verliet  zijne  posten,  de  officieren  deden  evenzoo  of  be- 
letten het  ten  minste  niet.  Reeds  den  21  sten  Juni  legde  de  be- 
zetting van  Doesburg  de  wapenen  neder  en  trok  Lodewijk  XIV 
de  stad  binnen.  De  Fransche  monarch  zond  toen  onverwijld 
4000  man  infanterie  en  1500  ruiters  naar  Zutfen  om  de  macht 
te  versterken  waarmede  Orleans,  zijn  broeder,  die  stad  had  inge- 
sloten. 

Het  verdriet  ons  die  belegeringen  te  vermelden,  waarbij  noch 
krijgskunst  noch  dapperheid  uitblinken  en  waaruit  men  niets 
leert,  dan  hoe  de  sterkste  bolwerken  en  de  talrijkste  bezettingen 
niets  waard  zijn,  wanneer  geen  krijgsdeugd  die  bezettingen  be- 
zielt. Daarom  zullen  wij  ons  niet  lang  ophouden  met  het  verhaal 
der  inneming  van  Zulfen;  —  inneming,  zeggen  wij:  den  naam 
belegering  verdient  het  niet.  Die  stad  werd  toentertijd  —  zeg- 
gen onze  schrijvers  —  voor  eene  van  de  sterkste  plaatsen  van 
de  Nederlanden  gehouden;  —  het  is  echter  te  denken  dat  hierop 
nog  wel  wat  af  te  dingen  zal  zijn,  vooral  wanneer  wij  daarbij 
lezen:  dat  tijdens  het  beleg  er  hoegenaamd  geen  palissadeering 
was,  noch  op  den  hoofdwal,  noch  in  de  buitenwerken,  noch  in 
den  bedekten  weg.  De  stad  had  10  bastions,  eenige  ravelijnen  en 
hoornwerken,  eene  fausse-braie  en  een  gracht  met  voorgracht, 
die   beide   ondoorwaadbaar  waren;   zij   was  goed   voorzien  van 


Digitized  by 


Google 


AARDENBURG.  I43 

levensmiddelen,  maar  met  slechts  7  stukken  geschut  gewapend. 
De  bezetting  was  door  den  Stadhouder  versterkt  met  het  regi- 
ment van  Schwartsenburg ;  zij  bestond  overigens  uit  nog  andere 
infanterie,  uit  HoHandsche  schutters  en  waardgelders  en  uit  de 
verloopen  bezettingen  van  Grol  en  Breêvoort.  (Bij  sommige 
Fransche  schrijvers  wordt  verkeerdelijk  vermeld,  dat  ook  de  be- 
zetting van  Deventer,  na  de  overgave  van  die  stad,  deelnam 
aan  de  verdediging  van  Zutfen).  —  De  geheele  sterkte  der  be- 
zetting kan  op  een  2  a  3000  man  worden  begroot. 

Eene  opeisching,  den  lyen  Juni  gedaan,  werd  nog  afgeslagen, 
maar  reeds  toen  kon  men  voorspellen,  dat  het  bezit  van  Zutfen 
aan  het  Fransche  leger  geen  stroomen  bloeds  zou  kosten.  Schwart- 
senburg  beweerde  vreemd  te  zijn  aan  alles  en  dus  het  opper- 
bevel niet  te  kunnen  aanvaarden ;  een  ander  bevelhebber,  Schim- 
melpenning, was  tegen  de  capitulatie,  omdat  men  nog  geen 
vijand  had  gezien;  logisch  moest  hieruit  volgen,  dat  hij 
voor  de  capitulatie  zou  zijn,  wanneer  men  den  vijand  zag;  in 
het  stedelijk  bestuur  ijverde  men  voor  de  overgave,  vooral  omdat 
twee  Geldersche  edelen,  de  belangen  van  Lodewijk  XIV  geheel 
toegedaan,  de  macht  van  den  Franschen  koning  ten  breedste 
uitmaten.  In  het  algemeen  moet  de  burgerij  zóó  slecht  gezind 
zijn  geweest,  dat  vrouwen  uit  den  voornamen  stand  zich  niet 
ontzagen,  haren  invloed  aan  te  wenden  op  verschillende  krijgs- 
bevelhebbers  om  deze  tot  de  overgave  aan  te  zetten;  de  zwak- 
hoofden hadden  hiertoe  niet  veel  aansporing  noodig.  Nadat 
den  21  sten  Juni  de  vijand  de  loopgraven  opende  en  het  geschut- 
vuur  op  de  stad  aanving,  dat  aanvankelijk  met  goed  gevolg 
werd  beantwoord,  en  nadat  op  den  2351011  en  24sten  Juni  kleine, 
onbeduidende  uitvallen  hadden  plaats  gehad,  trad  men  den  25sten 
in  onderhandeling,  opende  de  stad  hare  poorten  en  gaf  de  be- 
zetting zich  krijgsgevangen. 

Later  zullen  de  verrichtingen  der  Munstersche  en  Keulsche 
legers  in  Overijsel  en  Groningen  worden  vermeld;  allereerst 
worden  die  der  legers  van  Lodewijk  XIV  genoemd  De  tijdsorde 
noopt  ons,  hier  een  wapenfeit  te  vermelden,  dat,  roemrijk  als  de 
roemrijkste  feiten  van  den  tachtigjarigen  oorlog,  schitterend  af- 
steekt bij  zooveel  zwakheid  en  lafheid. 


Een  gedeelte  der  Fransche  legermacht  had  geen  deel  genomen 
aan  den  opmarsch  naar  Holland,  maar  was  in  de  Zuidelijke 
Nederlanden  achtergebleven  om  de  bewegingen  gade  te  slaan 
van  de  Spaansche  krijgsmacht.  Die  Fransche  troepenafdeeling, 
onder  het  bevel  van  den  Markies  de  Nancré,  was  grootendeels 
verzameld  in  de  omstreken  van  Ath,  en  toen  nu  de  berichten 
inkwamen    van    den    voorspoed   der   Fransche    wapenen    in    de 


Digitized  by 


Google 


144  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

zuid-oostelijke  gewesten  der  Republiek,  schijnt  De  Nancré  daar- 
door te  zijn  aangespoord  om,  zonder  last  hiertoe  te  hebben 
ontvangen,  van  zijn  zijde  een  inval  te  doen  in  Staats- Vlaanderen. 
Hoezeer,  door  de  natuurlijke  gesteldheid  van  Zeeland,  de  ver- 
overing van  dat  gewest  door  een  Fransch  leger  niet  zeer  waar- 
schijnlijk was,  zoo  kon  toch  de  bemachtiging  van  Staats- Vlaan- 
deren ook  op  de  Zeeuwsche  eilanden  onrust  en  verslagenheid 
teweegbrengen  en  op  die  wijze  zijdelings  medewerken  tot  de  ge- 
heele  onderwerping  van  de  Republiek. 

De  macht  waarmede  De  Nancré  zijne  onderneming  begon, 
wordt  door  de  Fransche  schrijvers  op  4000  man  begroot,  door 
de  onze  op  5  a  6000,  door  enkelen  zelfs  op  8000;  zij  bestond 
uit  voetvolk  en  ruiterij  en  had  4  veldstukken  bij  zich.  Den  24steD 
Juni  trok  de  Fransche  bevelhebber  op  Oudenaarden,  den  255160 
ging  de  marsch,  zonder  het  grondgebied  van  de  Spaansche 
Nederlanden  eenigszins  te  ontzien,  op  Deinze;  van  daar  werd  de 
tocht  voortgezet  over  Bellem  en  Maldeghem,  op  het  kleine  Aar- 
denburg, dat  naar  men  wist  slechts  zwak  was  bezet. 

Reeds  een  jaar  vóór  het  uitbreken  van  dezen  oorlog,  was  het 
sloopen  der  vestingwerken  van  Aardenburg  voorgesteld;  die 
slooping  was  echter  achterwege  gebleven,  maar  ook  het  onder- 
houden van  de  vestingwerken.  De  kleine  stad  was  vrij  regelmatig 
omgeven  door  een  gebastionneerden  hoofdwal,  met  eenige  kleine 
ravelijnen,  maar  palissadeering  had  men  er  hoegenaamd  niet,  en 
op  sommige  plaatsen  was  geen  twee  voet  water  in  de  gracht. 
Krijgsbehoeften  waren  er  zeer  weinig;  9  kleine  stukken  geschut 
stonden  er  op  de  wallen,  maar  er  was  niet  meer  dan  één  kanon- 
nier. Eene  compagnie  voetvolk  was  te  Aardenburg  in  bezetting 
geweest;  zij  was  er  echter  grootendeels  uitgenomen  en  in  de 
Elderschans  geplaatst,  een  half  uur  van  Aardenburg  naar  de  zijde 
van  Sluis.  Op  het  oogenblik  van  den  aanval  was  er  in  Aarden- 
burg geen  andere  bezetting  dan  36  of  38  soldaten,  onder  den 
vaandrig  Ëlias  Beekman. 

In  dezen  stand  van  zaken  krijgt  men  in  Aardenburg  op  den 
avond  van  den  25sten,  door  een  brief  uit  Gent  bericht  van  de 
nadering  van  het  vijandelijke  leger.  De  stedelijke  Raad  komt 
bijeen  en  raadpleegt  met  den  bevelhebber  der  zwakke  bezetting, 
wat  in  dezen  nood  te  doen  staat.  Eéne  stem  —  en  wanneer 
men  let  op  het  geringe  der  verdedigingsmiddelen,  behoeft  men 
dit  nog  niet  te  noemen  de  stem  eens  lafaards  —  ééne  stem  doet 
zich  voor  de  overgave  hooren,  Beekman  verzet  zich  hiertegen 
ten  sterkste  en  zegt  dat  hij,  aan  eer  en  eed  getrouw,  liever  tot 
den  laatsten  man  toe  wil  vechten ;  een  schepen  —  Pieter  Rooman 
van  Haarlem  —  valt  den  dapperen  krijgsman  dadelijk  bij;  en 
allen  zijn  nu  eensgezind  om  zich  te  verdedigen.  De  burgers 
wapenen    zich,    165   in   getal,   sluiten   zich   aan   bij   den   kleinen 


Digitized  by 


Google 


AARDENBURG.  I45 

hoop  soldaten  en  bezetten  met  dezen  den  hoofdwal,  terwijl  vrou- 
wen en  kinderen  zich  bezig  houden  met  het  gereed  maken  en 
aanbrengen  van  munitie. 

De  marsch  van  het  Fransche  leger  was  zoo  groot  geweest,  dat 
De  Nancré  alleen  met  de  voorste  troepen,  voornamelijk  ruiterij, 
nog  in  den  nacht  van  25 — 26  Juni  Aardenburg  bereikte.  De 
Fransche  bevelhebber  doet  dadelijk  een  storm  ondernemen, 
hopende  partij  te  trekken  van  de  eerste  verwarring  die  de  tijding 
van  zijne  komst  in  de  stad  zal  hebben  teweeggebracht.  Zijne 
ruiters  stijgen  af,  en  met  de  sabel  in  de  eene  hand,  met  takke- 
bossen  in  de  andere  om  de  grachten  te  dempen,  snellen  zij 
omstreeks  twee  uur  's  nachts  tegen  de  vesting  in.  Die  storm,  hoe 
ook  herhaald,  wordt  telkens  afgeslagen,  en  na  een  paar  uur 
strijdens  wordt  met  den  aanbrekenden  dag  het  gevecht  geëindigd, 
dat  den  bestormers  reeds  gevoelige  verliezen  heeft  gekost. 

De  Nancré  wacht  met  een  tweeden  aanval  op  den  26sten,  totdat 
al  zijne  nakomende  troepen  zich  bij  hem  hebben  gevoegd;  in 
den  loop  van  den  dag  komen  deze  aan.  Op  den  namiddag  van 
den  26sten  worden  de  verdedigers  van  Aardenburg  versterkt 
door  de  komst  van  40  soldaten  van  het  Cadsandsche  Retranche- 
ment  opgerukt.  De  geheele  macht,  burgers  en  soldaten,  bedraagt 
toen  240  man;  te  zwak  om  de  buitenwerken  te  verdedigen,  be- 
paalt zij  zich  tot  het  bezetten  van  den  hoofdwal;  boomen  zijn 
omgehouwen  en  op  de  borstwering  gelegd  om  naar  beneden  te 
laten  rollen,  vrouwen  en  kinderen  zijn  onledig  met  het  aan- 
dragen van  lonten,  kruit,  lood  en  van  gekapt  ijzer,  waarmede 
men,  bij  gebrek  aan  kogels,  de  kanonnen  laadt. 

De  avond  is  reeds  gevallen  toen  een  vuurpijl,  bij  de  tent  des 
Franschen  veldheers  opgelaten,  het  sein  geeft  tot  een  nieuwen 
aanval.  Onder  luid  krijgsgeschreeuw  en  met  die  onstuimige  dap- 
perheid, den  Franschen  eigen,  snellen  de  bestormers  nogmaals 
naar  de  wallen  van  Aardenburg ;  zij  dringen  door  in  het  onbezette 
ravelijn  tusschen  het  zuider-bastion  en  Êet  bastion  Oranje;  wer- 
pen fascinen  in  de  reeds  zoo  ondiepe  grachten  en  trachten  aan 
alle  zijden  den  hoofdwal  te  beklimmen.  Hier  echter  wacht  hun 
de  kleine  heldenschaar  der  verdedigers,  en  wie  der  vijanden 
ook  de  kruin  der  borstwering  bereiken,  geen  hunner  die  in  de 
stad  doordringt,  geen  hunner  die  terugkeert;  allen  sneuvelen  of 
worden  gevangen.  De  Nancré,  verwoed  over  den  tegenstand  dien 
hij  ondervindt,  doet  telkens  zijn  voetvolk  door  de  ruiters  op- 
drijven tot  een  nieuwen  storm;  zijn  voornemen  schijnt  geweest 
te  zijn  om  op  vier  verschillende  punten  dien  storm  te  verrichten, 
maar  in  de  duisternis  en  de  verwarring  van  den  nacht  vermengen 
zich  de  aanvalskolonnen  en  alles  snelt  daarheen,  waar  het  reeds 
bezette  ravelijn  een  gemakkelijk  doordringen  schijnt  te  beloven. 
De   verdediger  richt  met  kanon-  en  geweervuur  geduchte  ver- 

WILLEM   III.   —   I.  10 


Digitized  by 


Google 


146  KRIJGS-   £N  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

woestingen  aan  in  die  zoo  dicht  opeengehoopte  massa;  de 
kracht  der  aanvallen  wordt  gedurig  minder^  en  toen  te  midder- 
nacht een  versterking  van  1 10  man,  onder  den  kolonel  Spindler, 
uit  Sluis  te  Aardenburg  aankomt,  is  de  uitkomst  niet  lang  meer 
onzeker.  De  Nancré's  leger  staakt  den  storm  met  het  aanbreken 
van  den  dag  en  trekt  in  overhaasting  terug  naar  de  zijde  van 
Ath;  maar  eenige  honderden  Franschen  zijn  in  het  ravelijn  ge- 
bleven, worden  daar  door  het  geschutvuur  uit  de  stad  ingesloten 
en  leggen  den  volgenden  ochtend  de  wapenen  neer  voor  eene 
bezetting,  die  hun  op  lange  na  niet  nabij  komt  in  sterkte. 

Zóó  eindigde  de  onderneming  op  Aardenburg,  die  altijd  eene 
roemvoUe  bladzijde  in  onze  geschiedenis  zal  uitmaken.  Zij  wischt 
veel  zwakheid  uit,  zij  toont  wat  men  kan  verwachten  van  onze 
goedgezinde  burgerij,  zij  bewijst  hoe  bij  de  verdediging  van 
ons  land  zelfs  de  officier  van  minderen  rang  den  hoogsten  krijgs- 
roem  kan  verwerven.  De  naam  van  Beekman  staat  in  onze  ge- 
schiedrollen,  naast  die  der  Ripperda's  en  der  Kornput's  opge- 
schreven, en  nog  heden  ten  dage  bewaart  het  kleine  Aardenburg 
de  degen  van  den  held,  die  het  met  zooveel  dapperheid  tegen 
het  Fransche  geweld  verdedigde.  Door  dit  wapenfeit  was  Staats- 
Vlaanderen  behouden,  Zeeland  beveiligd,  de  moed  des  volks 
weer  opgewekt,  den  vijand  geduchte  verliezen  toegebracht.  De 
Fransche  schrijvers  verminderen  die  verliezen  tot  op  700  man; 
wanneer  men  echter  in  aanmerking  neemt,  dat  alleen  het  getal 
gevangenen  een  500  man  bedroeg,  en  dat  er  volgens  een  brief 
van  den  3en  Juli  van  een  der  Fransche  bevelhebbers  aan  Letellier 
—  Louvcis'  vader  —  alleen  te  Deinze  800  gewonden  waren  ach- 
tergebleven, dan  verkrijgen  de  opgaven  van  onze  schrijvers  meer 
waarschijnlijkheid,  die  's  vijands  verliezen  op  een  1500  man  be- 
grooten. 

De  Fransche  schrijvers  vermelden  dien  aanval  op  Aardenburg 
meestal  maar  terloops  en  vluchtig;  een  hunner.  De  Quincy  — 
een  schrijver  die  dikwijls  aangehaald  wordt  en  meer  geprezen 
dan  hij  verdient  —  zwijgt  zelfs  geheel  over  die  Aardenburgsche 
geschiedenis.  Bij  Rousset  daarentegen  vindt  men  over  dit  wapen- 
feit vrij  uitvoerige  opgaven,  die  wij  hier  laten  volgen. 

Nogmaals  terugkomende  op  het  niet  bezetten  van  Muiden, 
knoopt  Rousset  den  mislukten  aanval  op  Aardenburg  daaraan 
vast  (i«  deel,  blz.  371— 373)- 

iWas  die  Muidensche  aangelegenheid  een  louter  toeval,  anders 
was  het  met  den  ongelukkigen  aanval,  bijna  terzelfder  tijd  op 
Aardenburg  ondernomen,  op  het  ander  uiteinde  van  Hollands 
grondgebied.  Die  tegenspoed,  sedert  het  begin  van  den  veldtocht 
de  eerste  die  de  Fransche  wapenen  ondervonden,  is  bijna  onop- 
gemerkt gebleven;  zelfs  de  krijgskundige  schrijvers  hebben  er 
geen   acht  op   geslagen;  zij  is  verloren   gegaan  te  midden  van 


Digitized  by 


Google 


AARDENBURG.  I47 

het  gedruisch  van  alle  die  groote  gebeurtenissen  die  toen  om 
Lodewijk  XIV  voorvielen. 

In  de  laatste  dagen  van  Juni  had  De  Nancré,  de  Gouverneur 
van  Ath,  last  ontvangen  om  een  deel  der  troepen  uit  Vlaanderen 
samen  te  trekken  en  die  met  spoed  te  doen  oprukken  naar 
graaf  Chamilly^  die  op  de  vereeniging  met  die  afdeeling  wachtte 
om  in  Staats-Braband  te  opereeren.  Op  het  oogenblik  dat  hij  op 
marsch  wilde  gaan  kreeg  de  Nancré  bericht^  dat  de  stad  Aar- 
denburg, op  de  zuidelijke  grens  van  Staats- Vlaanderen  gelegen, 
zonder  bevelhebber  was  en  bijna  zonder  bezetting ;  er  waren,  zeide 
men,  daar  niets  anders  gebleven  dan  70  soldaten  en  eenige  ge- 
wapende burgers.  Oogenblikkelijk,  en  zonder  eenige  kennisgeving 
aan  zijn  meerderen,  trok  hij  op  Aardenburg,  in  een  overmaat 
van  zelfvertrouwen,  waarin  ongelukkiglijk  de  officieren  deelden, 
die  onder  zijne  bevelen  stonden.  Ëen  krachtige  en  snelle  aanval 
had  kunnen  gelukken ;  maar  men  meende  dat  er  niet  gevochten 
zou  worden  en  dat  de  stad  zich  zou  onderwerpen,  reeds  op  het 
verschijnen  van  de  Franschen  alleen.  Dat  gebeurde  niet.  De  kleine 
Hollandsche  bezetting,  ondersteund  door  de  burgerij  en  door  de 
boeren  uit  den  omtrek,  richtte  een  moorddadig  vuur  op  de  voorste 
compagnieën,  die  men  aanvallen  liet  doen  op  goed  geluk  en 
zonder  verband.  Het  overige  van  de  macht,  voor  en  na  in  ge- 
vecht komende,  hoopte  zich  op  in  de  modderige  stadsgrachten. 
Eindelijk  moest  men  aftrekken  met  een  overgroot  verlies:  50 
officieren  en  400  soldaten  waren  gesneuveld  of  gewond,  onge- 
rekend een  groot  aantal  gevangenen;  een  vierde  van  het  voet- 
volk had  zijne  wapens  verloren  of  weggeworpen. 

Zie  nu  op  welke  wijze  Louvois  het  beginsel  der  verantwoor- 
delijkheid begreep  en  toepaste,  ilk  heb  gezien,"  schreef  hij  aan 
De  Nancré,  »wat  er  gebeurd  is  bij  uwe  onderneming  op  Aar- 
denburg. Als  men  den  last  heeft  tot  zulk  eene  onderneming,  en 
die  mislukt,  dan  is  men  zeker  te  beklagen,  al  blijft  men  ook  vrij 
van  eiken  blaam.  Maar  als  men  gehandeld  heeft  zonder  bevel 
en  zelfe  in  strijd  met  de  ontvangene  bevelen,  en  dat  dan  de 
onderneming  mislukt,  dan  kan  dit  den  toom  van  onze  meer- 
deren opwekken,  en  dan  hebben  zij  reden  om  misnoegd  te  zijn 
op  hen  die  hunne  krijgsmacht  op  die  wijze  in  de  waagschaal 
stellen."  Aan  De  Nancré  werd  het  bevel  ontnomen  over  de  afdee- 
ling waarmede  hij  Chamilly  moest  versterken ;  het  losgeld  werd 
betaald  voor  de  krijgsgevangen  soldaten  alsook  voor  de  officieren, 
die  zich  goed  hadden  gedragen;  wat  de  anderen  betreft,  ziehier 
het  lakonieke  vonnis  —  beter  gezegd,  het  Romeinsche  vonnis  — 
dat  Louvois  over  hen  uitsprak:  >na  de  lafheid  die  zij  hebben 
betoond,  worden  zij  niet  meer  opgenomen  bij  het  leger." 

De  straf  van  de  Nancré  was  billijk;  Rochefort  werd  niet  ge- 
straft en  mocht  ook  niet  gestraft  worden.  Er  is  bovendien  geen 


Digitized  by 


Google 


148  KRIJGS-  EN  GKSCHIBDKÜNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

vergelijking  te  maken  tusschen  die  Aardenburgsche  gebeurtenis 
en  de  Muidensche.  Beide  mislukten,  maar  de  eerste  zonder  dat 
dit  opgemerkt  werd  en  alleen  ten  nadeele  van  hen  die  haar 
dwaaselijk  hadden  ondernomen,  terwijl  de  tweede  een  belangrijk 
geschiedkundig  feit  geworden  is..." 

Wat  hier  gezegd  wordt  door  Rousset,  komt  wel  niet  geheel 
overeen  met  wat  onze  schrijvers  zeggen  over  dien  aanval  op 
Aardenburg,  maar  de  Fransche  schrijver  erkent  toch,  dat  bij 
dien  aanval  de  Fransche  troepen  een  gevoelige  nederlaag  hebben 
geleden. 

Wat  later  had  eene  belegering  plaats,  waarbij  de  verdediger 
algemeen  is  geprezen,  naar  wij  gelooven  ten  onrechte. 

Na  de  inneming  van  Doesburg  en  Zutfen  was  de  Fransche 
Koning  met  de  hoofdmacht  zijns  legers  in  de  richting  van 
Utrecht  voortgerukt  •,  het  leger  van  Turenne  bleef  daarentegen 
in  het  Geldersche  en  ging  eerst  in  het  begin  der  maand  Juli 
tot  het  beleg  van  Nijmegen  over.  Als  men  opmerkt  dat  Schen- 
kenschans zich  reeds  den  iQcn  Juni  overgaf  of  op  het  laatst  den 
21  sten  Juni,  en  dat  de  Fransche  veldheer  eerst  den  2en  Juli  de 
Waal  overtrok  om  Nijmegen  in  te  sluiten,  dan  ziet  men  dat  er 
tien  b.  twaalf  dagen  door  hem  werkeloos  zijn  doorgebracht.  Als 
reden  van  die  vertraging  wordt  opgegeven,  dat  de  vaartuigen, 
die  van  Wezel  en  Emmerik  moesten  komen  om  boven  Nijmegen 
een  schipbrug  te  slaan,  eenige  dagen  werden  opgehouden  door 
tegenwind.  Wat  hiervan  zij,  zeker  is  het  dat  de  Fransche  leger - 
hoofden  in  dit  gedeelte  van  den  veldtocht  geen  groote  werkdadig - 
heid  hebben  betoond.  De  zorg  voor  de  genomen  vestingen  kan 
hen  misschien  hebben  bezig  gehouden.  Turenne  en  Condé  had- 
den aan  den  Koning  voorgesteld,  om  alleen  de  zeer  belangrijke 
plaatsen  te  bezetten  en  de  overige  te  slechten;  Lodewijk  had 
echter  gehoor  gegeven  aan  den  raad  van  Louvois  om  alle  ge- 
nomen steden  te  blijven  bezetten.  Natuurlijk  verminderde  hier- 
door de  sterkte  van  het  Fransche  leger  aanmerkelijk,  en  men 
kan  moeielijk  zeggen  voor  wien  in  dezen  veldtocht  de  vestingen 
nadeeliger  zijn  geweest,  voor  den  aanvaller  of  voor  den  verdediger. 

Om  aan  de  verzwakking  van  het  hoofdleger  tegemoet  te  komen^ 
ontving  Chamilly  bevel,  de  troepen  van  De  Nancré  tot  zich  te 
trekken,  een  5000  man,  onder  De  Vaubrun,  bij  Maastricht  te 
laten,  en  met  het  overige  zijner  macht,  langs  de  Maaskant,  Noord- 
Braband  binnen  te  rukken. 

Nijmegen,  dat  nu  het  geweld  der  Fransche  wapenmacht  moest 
verduren,  was  eene  vesting  die  door  de  sterkte  der  bezetting  en 
de  genoegzaamheid  van  de  bewapening,  in  staat  was  een  krachtigen 
wederstand  te  bieden,  en  wanneer  die  wederstand  slechts  weinige 
dagen  geduurd  heeft,  dan  moet  men  dit  toeschrijven,  eensdeels 


Digitized  by 


Google 


BELEGERINGEN.  I49 

aan  de  wijze  van  aanval,  waarbij  om  maar  tijd  Ie  winnen  geen 
roenschenlevens  werden  gespaard,  en  anderdeels  —  wij  moeten 
er  dit  bijvoegen  —  aan  het  minder  goede  der  verdediging.  Wij 
weten  wel  dat  die  laatste  bewering  in  strijd  is  met  het  gevoelen, 
200  van  onze  als  van  de  meeste  Fransche  schrijvers,  die  de  ver- 
dediging van  Nijmegen  zeer  prijzen;  zelfe  in  strijd  is  met  het 
oordeel  van  Turenne,  die  in  zijn  brieven  hoogen  lof  toezwaait 
aan  de  verdedigers;  wij  willen  ook  toestemmen  dat  de  verdedi- 
ging van  Nijmegen  zeer  gunstig  afsteekt  bij  die  der  andere  ves- 
tingen; —  maar  dit  laatste  zegt  nog  niet  veel.  Wanneer  wij  aan  den 
eenen  kant  erkennen  dat  bij  verschillende  gelegenheden  de  bezet- 
ting groote  geestkracht  heeft  betoond,  zoo  moeten  wij  aan  de 
andere  zijde  er  bijvoegen,  dat  de  verdediging  veel  te  spoedig 
heeft  opgehouden;  dat  zij  hoogstens  redelijk  mag  worden  ge- 
noemd, maar  volstrekt  niet  den  naam  van  goed  verdient. 

Nijmegen,  op  den  linkeroever  van  de  Waal  gelegen,  was  aan 
de  rivierzijde  alleen  beschermd  door  een  ouden  muur,  aan  de 
landzijde  door  een  gebastionneerden  hoofdwal,  (men  moet  hier 
geen  te  nauwe  beteekenis  hechten  aan  het  woord:  bastion; 
onder  de  werken  welke  wij  hier  zóó  noemen,  waren  sommige 
van  een  zeer  onregelmatige  gedaante,  vele  van  de  hoofdwal  af- 
gescheiden). De  stad  was  omgeven  met  eene  gedeeltelijk  natte, 
gedeeltelijk  droge  gracht;  de  laatste  was  voorzien  van  een  stevige 
palissadeering;  en  eene  verhakking  op  de  kruin  van  het  glacis 
was  bestemd  om  de  verdediging  van  den  bedekten  weg  te  begun- 
stigen. Vóór  het  bastion  Nassau,  bijna  in  de  onmiddellijke  nabij- 
heid van  de  gracht,  was  een  groot,  tenaille-vormig  buitenwerk, 
dat  men  onbezet  en  ongeslecht  had  gelaten;  dit  was  een  grove 
misslag,  dewijl  men  wel  kon  voorzien  dat  de  vijand  daarvan 
partij  zou  trekken  om  zijne  loopgraven  zeer  nabij  de  stad  te 
openen.  Op  de  geheele  landzijde  was  de  aanval  te  wachten,  omdat 
het  droge,  opene  terrein  geen  zwarigheden  daartegen  oplevert; 
aan  de  rivierzijde  niet.  hoezeer  de  Franschen  het  gerucht  uit- 
strooiden dat  zij  met  gewapende  vaartuigen  Nijmegen  wilden  be- 
stoken: eene  dergelijke  poging  was  weinig  te  duchten  en  de 
enkele  ringmuur  aan  de  rivierzijde  was  hiertegen  eene  voldoende 
verdediging. 

De  bezetting  bestond  uit  de  regimenten  infanterie  van  Cassiopijn, 
Van  Beveren,  Schot  en  Van  Gent;  mét  de  vier  compagnieën  die 
vroeger  in  bezetting  op  het  huis  te  Gennep  waren  geweest,  maar 
thans,  die  sterkte  onUuimende,  op  Nijmegen  teruggingen,  maakte 
dit  40  compagnieën  voetvolk.  Die  compagnieën  moeten  echter 
niet  voltallig  zijn  geweest,  want,  mét  9  compagnieën  ruiterij  en 
5  compagnieën  waardgelders,  wordt  de  geheele  sterkte  begroot  op 
2500  k  2600  man;  —  denkelijk  doordat  sommige  der  regimenten^ 
bij  het  gevecht  van  den   i2en  Juni  om  den  overgang  van  den 


Digitized  by  VjOOQIC 


150  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Rijn,  reeds  verliezen  hadden  geleden.  Bij  die  troepen  —  volgens 
Turenne's  verzekering  de  beste  van  het  Hollandsche  leger  — 
voegden  zich  nog  5  compagnieën  schutters  uit  Utrecht,  Rhenen 
en  Montfoort,  en  de  gewapende  Nijmeegsche  burgerij,  wier  sterkte 
door  een  onzer  schrijvers  —  denkelijk  wat  overdreven  —  op 
2500  man  wordt  begroot.  De  Fransche  opgaven  stellen  het  ge- 
heel der  bezetting  op  4000  man  voetvolk  en  400  ruiters;  — 
zooveel  is  zeker,  dat  die  bezetting  een  voldoende  sterkte  had» 
Van  levensmiddelen  en  krijgsbehoeften  was  een  genoegzame  voor- 
raad voorhanden ;  er  waren  in  het  geheel  60  stukken  geschut,  de 
meeste  24-pondersen  i8-ponders;  eene  bewapening  voor  dien  tijd 
zeer  aanzienlijk.  De  bevelhebber  was  de  ruiterij-generaal  Van 
Weideren,  een  man,  die  wel  is  waar  niet  geheel  ingewijd  schijnt 
geweest  te  zijn  in  de  geheimen  van  den  vestingoorlog,  maar  die 
mindere  kunde  vergoedde  door  dapperheid  en  stoutheid. 

Den  2 en  Juli  begon  de  berenning  van  Nijmegen  door  een 
ruiterkorps  waarbij  zich  Turenne  zelf  bevond,  die  dadelijk  de 
verkenning  van  de  vesting  verrichtte.  Den  3en  trok  het  Fransche 
leger,  18000  man  sterk  volgens  een  onzer  schrijvers,  over  een 
schipbrug  bij  Gent,  een  uur  boven  Nijmegen,  de  Waal  over  en 
legerde  zich  dadelijk  om  de  vesting;  de  ruiterij  had  fascinen 
gemaakt  voor  de  loopgraven,  die  nog  denzelfden  avond  om  ia 
uur  werden  geopend;  4000  man  trokken  naar  het  onbezette  bui- 
tenwerk vóór  het  bastion  Nassau,  benuttigden  de  borstwering 
om  zich  te  dekken,  en  deden  van  daar  de  loopgraven  uitgaan, 
aan  de  eene  zijde  tot  tegenover  de  Molenpoort,  aan  de  andere 
zijde  tot  aan  het  ravelijn  naar  den  kant  van  de  Hezelpoort.  Dit 
was  voor  den  belegeraar  een  beslist  voordeel:  hij  was  nu  dade- 
lijk bij  het  begin  van  het  beleg  zoover  als  men  anders  eerst 
na  een  paar  weken  is;  dadelijk  had  hij  eene  parallel,  die  zeker 
geen  100  el  verwijderd  was  van  de  saillant  van  het  bastion 
Nassau.  Aan  de  aanvalswerken  werd  met  zooveel  kracht  voort- 
gewerkt,  dat  de  belegeraars  zich  reeds  in  den  ochtend  van  den 
4en  hadden  ingegraven  op  de  kruin  van  het  glacis;  dit  ging 
echter  niet  dan  ten  koste  van  zware  verliezen,  veroorzaakt  door 
het  hevige  vuur  uit  de  vesting.  Bij  het  Fransche  leger  waren 
alle  ingenieurs,  op  één  na,  d'Aspremont,  buiten  gevecht  gesteld, 
en  dit  maakte  dat  de  aanvalswerken  niet  altijd  goed  werden 
uitgevoerd,  het  verlengde  van  enkele  deelen  der  loopgraven  uit- 
kwam op  de  werken  der  vesting  en  de  belegeraar  daardoor  meer 
verliezen  leed  dan  noodig  was  geweest.  Er  werden  drie  batte- 
rijen opgeworpen :  eene  van  8  stukken  in  den  inspringenden  hoek 
van  het  buitenwerk,  rechts  daarvan  eene  tweede  van  5  stukken 
en  geheel  op  den  rechtervleugel  eene  derde  batterij,  ook  van 
8  stukken,  tegen  het  ravelijn  der  Molenpoort  en  tegen  het  bas- 
tion Oranje.  Wat  eigenlijk  de  bestemming  was  van  die  batterijen^ 


Digitized  by 


Google 


BELEGERINGEN.  I5I 

valt  moeielijk  te  zeggen;  het  plan  der  belegering  maakt  ons 
daaromtrent  niet  veel  wijzer,  evenmin  als  Beaurain's  opgave,  dat 
het  was  y^pour  raser  ies  défenses  des  assiégés,  et  surtout  un  moulin 
jort  élevé^  (foü  ih  voyaient  dans  presque  tous  les  travaux,^'*  Volgens 
onze  schrijvers  was  het  geschutvuur  hoofdzakelijk  gericht  op 
kerken  en  hooge  gebouwen,  om  daardoor  de  stad  overlast  aan 
te  doen;  eene  handeling  die  in  een  tijd  toen  de  burgerij  een 
werkzaam  deel  nam  aan  de  verdediging,  niet  zoo  ongerijmd  was 
als  zij  het  in  onze  dagen  zou  zijn. 

De  belegerden  hadden  eene  opeisching,  den  4en  gedaan,  van 
de  hand  gewezen.  In  den  daarop  volgenden  nacht  daalden  de 
Franschen  in  de  droge  gracht  neder,  hieuwen  een  gedeelte  van 
de  palissadeering  omver  en  naderden  het  bastion  naar  de  zijde 
van  de  Uezelpoort;  het  vuur  uit  de  vesting  en  een  aanval  door 
den  kolonel  Van  Gent  gedaan,  dwongen  hen  evenwel  met  ver- 
lies af  te  trekken.  Van  Gent  vond  hier  een  roemvollen  dood, 
evenals  bij  Solebay  zijn  broeder,  de  dappere  vlootvoogd. 

De  bedekte  weg  was  intusschen  verlaten  door  de  belegerden; 
en  de  belegeraar  daalde  nu  in  de  droge  gracht  neer,  groef  zich 
in  op  de  punt  van  het  bastion  Nassau  en  maakte  een  begin  met 
mijngangen  onder  dat  werk  en  onder  het  Hezel-ra velijn.  De  bele- 
gerde poogde  dit  zooveel  mogelijk  te  verhinderen  door  het  doen 
van  uitvallen  en  het  werpen  van  handgranaten ;  tevens  maakte  hij 
binnen-verschansingen  in  de  twee  bedreigde  werken  en  bezette  met 
voetvolk  en  geschut  een  tusschen  beide  liggenden  toren,  die  uit 
drie  verdiepingen  bestond  en  waarvan  de  muren  bijna  4  el  dik 
waren.  Sommige  van  onze  schrijvers  spreken  van  stormen  in  den 
nacht  van  5 — 6  en  van  6—7  Juli,  door  de  Franschen  onder- 
nomen, en  door  de  onzen  afgeslagen;  hierover  zijn  zij  evenwel 
niet  eensluidend,  maar  wel  daarin,  dat  op  den  7 en  tegen  den 
avond,  toen  door  een  zwaren  regen  de  meeste  lonten  waren  uit- 
gedoofd, de  Franschen  een  storm  deden  op  het  bastion  Nassau 
en  dit  werk  bijna  veroverden:  de  belegerden  namen  reeds  de 
wijk,  maar  door  dappere  bevelhebbers  weer  tegen  den  vijand 
aangevoerd,  gelukte  het  hun  dezen  weder  uit  het  bastion  te  ver- 
drijven en  den  hoofd  wal  geheel  te  behouden.  De  Fransche  schrij- 
vers spreken  niet  van  die  stormen,  maar  zeggen  daarentegen  dat 
de  Nederlanders  gedurig  uitvallen  deden. 

Toen  men  echter  op  den  8sten  de  zekerheid  verkreeg  van  het 
bestaan  der  twee  door  den  vijand  aangelegde  mijngangen,  wer- 
den —  zooals  een  onzer  schrijvers  zegt  —  tvele  officieren  zeer 
zwaai  hoc  f' iig";  ontmoediging  begon  zich  te  verspreiden,  onder 
bezetting  en  burgerij,  en  in  een  dien  dag  gehouden  krijgsraad 
kwam  men  overeen  om  met  den  vijand  te  onderhandelen.  Dit 
had  ten  gevolge  dat  op  den  Qen  Juli  Nijmegen  aan  den  vijand 
werd  overgegeven.  De  bezetting  bleef  krijgsgevangen ;  de  hoofd- 


Digitized  by 


Google 


152  KRIJGS-  EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

officieren  verkregen  evenwel  vrijen  aftocht  naar  Gorkum  en 
onttrokken  zich  dus  aan  het  lot  hunner  troepen,  een  verkeerde 
handelwijze,  maar  die  toentertijd  algemeen  was  aangenomen. 
De  schutterijen  uit  Utrecht  konden  ook  ongehinderd  naar  huis 
trekken.  De  overige  officieren  en  soldaten  der  bezetting  konden 
zich  binnen  eene  maand  tijds  vrijkoopen;  ieder  ruiter  moest 
daarvoor  als  losgeld  betalen  6  rijksdaalders,  ieder  soldaat  3. 

Het  verlies  der  belegeraars  wordt  door  de  Fransche  schrijvers 
niet  vermeld,  maar  de  onze  begrooten  het,  sommigen  op  ruim 
2000,  anderen  op  4000  man;  wij  gelooven  dat  in  die  cijfers 
overdrijving  is,  maar  toch  moeten  de  verliezen  van  het  Fransche 
leger  niet  onaanzienlijk  zijn  geweest,  te  oordeelen  naar  de  wijze 
van  aanvallen,  waarop  toepasselijk  is  wat  van  den  aanval  op 
Knodsenburg  is  gezegd.  Het  verlies  der  belegerden  wordt  geschat 
op  slechts  50  man  aan  dooden  en  gewonden.  Wanneer  men  bij 
dit  geringe  verlies  den  korten  duur  van  het  beleg  in  aanmerking 
neemt  (van  3 — 9  Juli,  hoogstens  zes  dagen),  dan  geeft  dit  de 
maat  van  het  meer  of  min  krachtdadige  der  verdediging. 

Wij  kunnen  daarom  die  verdediging  niet  zoo  prijzen  als  Tu- 
renne  zelf  dit  heeft  gedaan.  De  lof  van  de  zijde  eens  vijands  is 
zeker  eervol,  maar  zij  moet  waar  en  gegrond  zijn,  en  hier  is  zij 
dit,  naar  ons  gevoelen,  niet.  Wij  erkennen  dat  de  bezetting,  in 
den  korten  tijd  van  het  beleg,  met  dapperheid  heeft  gestreden, 
dat  haar  gedrag  gunstig  afsteekt  bij  dat  van  andere  bezettingen, 
en  dat  Beaurain  niet  geheel  ten  onrechte  zegt,  idat  van  alle 
steden,  door  de  Franschen  belegerd,  Nijmegen  de  eenige  was 
die  zich  behoorlijk  verdedigde";  —  maar  wij  noemen  dit  een  vrij 
onbeduidenden  lof;  wij  zijn  van  gevoelen  dat  door  den  misslag 
om  het  buitenwerk  vóór  het  bastion  Nassau  onbezet  te  laten, 
de  duur  der  verdediging  aanmerkelijk  is  bekort  geworden; 
wij  zijn  ook  van  gevoelen,  dat  zelfs  nu  de  overgave  niet 
zoo  spoedig  had  behoeven  te  volgen,  dat  de  bovengenoemde 
Fransche  schrijver  ten  onrechte  zegt  idat  Van  Weideren  zich 
hoogstens  nog  éénen  dag  had  kunnen  verdedigen",  en  dat  men 
van  eene  bezetting,  zoo  sterk  als  die  van  Nijmegen,  krachtiger, 
langduriger  wederstand  had  mogen  verwachten.  —  Men  versta 
ons  wel :  wij  noemen  de  verdediging  van  Nijmegen  nog  niet  slecht, 
vooral  niet  wanneer  wij  ze  vergelijken  met  de  andere  krijgshan- 
delingen  van  dien  tijd;  —  maar  ze  goed  te  noemen,  ze  lof  toe 
te  zwaaien,  daarop  te  wijzen  als  op  een  roemrijk  voorbeeld,  — 
dit  is  verkeerd,  dit  strijdt  met  de  waarheid,  dit  toont  aan  dat 
men  zeer  weinig  streng  is  in  zijne  eischen  van  krijgsplicht,  dit 
bewijst  eene  onverstandige  bewondering  voor  het  voorgeslacht, 
die  zelfs  de  onbeduidendste  daden  tot  heldenfeiten  wil  verheffen. 

Nog   vroeger   dan    Nijmegen    was   ook  de  vesting   Grave   in 

Digitized  by  VjOOQIC 


BELEGERINGEI>^.  1 5  3 

's  vijands  handen  gevallen.  Het  oprukken  van  Chamilly,  die  met 
eene  macht,  door  onze  schrijvers  begroot  op  bij  de  loooo  man, 
Noord-Braband  naderde,  had  met  reden  ongerustheid  ingeboezemd 
voor  Den  Bosch  en  Breda,  in  welke  vestingen  slechts  zeer  zwakke 
bezettingen  lagen.  Men  besloot  daarom  het  minder  gewichtige 
op  te  offeren  aan  het  gewichtigste,  en  Grave  te  ontruimen,  om 
roet  de  bezetting  dier  plaats  de  bezettingen  te  versterken  der 
andere  Noord-Brabandsche  vestingen.  Een  last  hiertoe,  den  28sten 
Juni  door  twee  afgevaardigden  der  Staten-Generaal  aan  den  be- 
velhebber van  Grave,  Walenburg,  toegezonden,  werd  door  dezen, 
die  van  het  belang  dier  vesting  doordrongen  was,  niet  uitge- 
voerd; in  plaats  daarvan  vroeg  Walenburg  nadere  bevelen  van 
Willem  HL  Maar  het  bevel  tot  ontruiming  van  Grave  werd  tot 
tweemaal  toe  herhaald,  de  tweede  maal  zelfs  met  bedreiging  des 
doods  wanneer  de  bevelhebber  der  vesting  niet  gehoorzaamde, 
en  daar  er  geen  tijding  inkwam  van  den  Stadhouder,  achtte 
Walenburg  zich  verplicht  de  vesting  te  ontruimen.  —  Het  betrof 
hier  het  zoo  dikwijls  betwiste  punt:  of  een  krijgsbevelhebber 
altijd  verplicht  is  tot  uitvoering  der  ontvangene  bevelen?  Wij 
voor  ons  beantwoorden  in  het  algemeen  die  vraag  ontkennend, 
maar  wij  stemmen  toe  dat  door  niet  te  gehoorzamen  een  bevel- 
hebber zware  verantwoordelijkheid  op  zich  laadt,  en  dat  hier,  in 
dit  bijzonder  geval,  de  zaak  duister  en  twijfelachtig  was. 
.  Den  2cn  Juli  verliet  de  bezetting  Grave;  versterkt  door  de  be- 
zetting van  het  reeds  vroeger  ontruimde  Ravestein,  telde  zij  toen 
33  compagnieën,  eene  sterkte  van  2400  man  uitmakende. 

Intusschen  waren  eenige  Spaansche  troepen  uit  de  Zuidelijke 
Nederlanden  opgerukt  om  de  bezettingen  van  Breda  en  Den 
Bosch  te  versterken.  Willem  III  hiervan  onderricht,  gaf  bevel 
dat  Grave  niet  zou  worden  ontruimd,  of  wanneer  het  reeds  ont- 
ruimd was,  het  onverwijld  weer  moest  worden  bezet.  De  bezet- 
ting van  Grave,  den  2en  's  avonds  om  10  uur  in  Den  Bosch 
gekomen,  ontving  dus  spoedig  bevel  om  weer  op  Grave  te  trek- 
ken, en  den  volgenden  dag,  's  namiddags  tusschen  4  en  5  uur, 
werd  de  marsch  daarheen  aangenomen.  Walenburg  zelf,  met  een 
80  dragonders,  reed  vooruit  en  kwam  nog  dien  dag  te  Grave 
aan.  Te  laat!  De  regeering  van  Grave  is  reeds  aan  het  onder- 
handelen met  een  officier  van  Turenne ;  de  ruiterij  van  Chamilly, 
een  fooo  paarden,  staat  reeds  bij  die  vesting;  en  toen  den  vol- 
genden ochtend  de  voorste  afdeeling  der  bezetting,  een  1000 
man  voetvolk  met  200  ruiters,  zich  te  Reek  vertoont,  een  half 
uur  van  Grave,  wordt  die  afdeeling  plotseling  door  de  Fransche 
ruiterij  overvallen  en,  in  wanorde  zijnde,  geheel  verslagen,  gedood 
of  gevangen  genomen.  Grave,  met  eene  bewapening  van  40  ^  5  o 
stukken  en  een  aanzienlijken  krijgsvoorraad,  valt  daarop  in  han- 
den van  de  Franschen. 


Digitized  by 


Google 


154  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGK   BESCHOUWINGEN. 

Na  de  inneming  van  Nijmegen  ging  Tarenne's  leger  den  iien 
Juli  op  Grave,  trok  daar  de  Maas  over  en  kwam,  zijn  marsch 
over  Maren  en  Alem  nemende,  den  13CQ  te  Empel^  een  klein 
half  uur  van  het  fort  Crèvecoeur..  Chamilly  had  zich  geplaatst 
aan  de  westzijde  van  Den  Bosch,  te  Vlijmen  en  Bokhoven. 
Boven  en  beneden  Crèvecoeur  werden  toen  door  de  beide 
Fransche  veldheeren  schipbruggen  over  de  Maas  geslagen,  en 
een  gedeelte  van  de  Fransche  macht  ging  over  op  den  rechter- 
oever der  rivier,  ten  einde  de  insluiting  van  Crèvecoeur  te  vol- 
tooien. De  Fransche  Koning  zelf,  teruggehouden  door  de  water- 
linie die  Holland  dekte,  en  geen  kans  ziende  om  dien  hinderpaal 
te  overkomen,  had  Utrecht  weer  verlaten;  het  bevel  over  de 
daar  achtergebleven  legermacht  opdragende  aan  Luxembourg. 
Met  een  gedeelte  zijns  legers  trok  Lodewijk  XIV  over  Arnhem 
op  Noord-Braband  en  sloeg  zich  den  l^^^  Juli  bij  Boxtel  neder. 
£ien  groote  40000  man  Fransche  troepen  waren  toen  rondom 
Den  Bosch  vereenigd,  en  de  verovering  van  geheel  Noord- 
Braband  scheen  in  's  vijands  bedoeling  te  liggen. 

£en  weinig  vroeger  ondernomen,  zou  die  verovering  niet  veel 
zwarigheden  hebben  opgeleverd,  want  de  bezettingen  der  ves- 
tingen waren  zwak  en  onbeduidend,  en  de  werken  had  men 
zoodanig  laten  vervallen,  dat  onder  andere  van  Breda  en  Ber- 
gen op  Zoom  vermeld  wordt,  dat  men  daar  het  jaar  vóór  dezen 
oorlog  de  palissadeering  had  verkocht,  en  de  heggen  op  de« 
bermen  had  omgehouwen.  Maar  toen  men  bericht  kreeg  van 
Chamilly's  opmarsch,  had  men  in  alle  haast  de  vestingwerken 
doen  opmaken ;  schutterijen  uit  Zeeland  en  Holland  waren  in  de 
Noord-Brabandsche  steden  gekomen ;  en,  wat  meer  afdeed,  Mon- 
terey  zond  eenige  oude  Spaansche  troepen  tot  hare  bescher- 
ming:—  zoo  kwamen  in  Den  Bosch  1800  Spanjaarden,  in  Breda 
900,  in  Bergen  op  Zoom  800  en  ook  eenige  compagnieën  in  de 
vestingen  van  Staats- Vlaanderen.  Dit,  gevoegd  naar  men  wil  bi) 
het  regenachtige  weder,  waardoor  de  moerassen  om  Den  Bosch 
aanmerkelijk  vergroot  werden,  verijdelde  's  vijands  toeleg,  en 
eene  onderneming,  die  de  wisse  verovering  van  geheel  Noord- 
Braband  scheen  ten  gevolge  te  zullen  hebben,  bepaalde  zich  tot 
de  inneming  van  twee  onbeduidende  vestingen:  het  fort  Crève- 
coeur en  de  stad  Bommel. 

Het  fort  Crèvecoeur  had  in  1672  nagenoeg  dezelfde  gedaante 
als  die  het  ook  in  onzen  tijd  heeft  gehad.  Aan  den  samenloop 
van  Dieze  en  Maas  gelegen,  was  het  een  onregelmatig  gebastion- 
neerde  zevenhoek,  die,  ten  noorden  beschermd  wordende  door 
de  Maas,  aan  de  west-  en  zuidzijde  door  de  Dieze,  aan  die 
zijden  moeielijk  was  aan  te  vallen,  maar  die  het  aanvalbaarst 
was  aan   de  oostzijde,   aan   den  kant  van  Ëmpel,  waar  het  tus- 


Digitized  by  VjOOQIC 


BELEGERINGEN.  1 5  5 

schen  den  dijk  en  de  Maas  gelegen  terrein  doorsneden  was  met 
slooten^  die  natuurlijke  loopgraven  uitmaakten^  en  waar  eene 
kromming  van  den  dijk,  op  geen  300  el  van  het  fort,  den  be- 
legeraar eene  bedekte  nadering  toeliet. 

De  bezetting  van  het  fort  bestond  uit  4  onvoltallige  compag- 
nieën voetvolk,  benevens  3  compagnieën  waardgelders;  zij  wordt 
door  de  Fransche  schrijvers  geschat  op  800  man,  maar  is  waar- 
schijnlijk niet  zoo  sterk  geweest.  De  bewapening  bestond  uit  11 
ijzeren  stukken  van  8  en  van  10  pond,  op  affuiten,  izoo  oud  dat 
zij  het  geschut  naauwlijks  konden  dragen,  veel  min  geweld  van 
schieten  uitstaan."  Van  levensmiddelen  was  de  bezetting  slechts 
voor  weinige  dagen  voorzien,  en  toen  de  bevelhebber  zich  hier- 
over beklaagde  bij  de  Gedeputeerden  te  Gorkum,  ontving  hij 
van  deze  het  zeer  Christelijke,  maar  weinig  troostrijke  antwoord : 
iwij  hopen  dat  God  u  zal  helpen;  wij  kunnen  u  nu  niet  helpen." 

Het  niet  aankomen  van  het  belegeringsgeschut  was  oorzaak, 
dat  eerst  den  i6en  Juli  de  loopgraven  tegen  Crèvecoeur  wer- 
den geopend,  hoezeer  reeds  twee  dagen  vroeger  die  vesting  was 
ingesloten;  die  tijd  werd  door  Turenne's  troepen  doorgebracht 
met  het  maken  van  10  000  fascinen.  Terwijl  Chamilly  op  den 
linkeroever  der  Dieze  een  schijnaanval  deed,  werd  op  den  rech- 
teroever, bij  den  Empelschen  dijk,  de  aanval  begonnen;  een 
sloot  van  eene  groote  200  el  lengte,  tusschen  den  dijk  en  de  Maas 
gelegen,  werd  als  parallel  gebruikt;  door  middel  van  schans- 
korven werd  die  parallel  voortgezet  tot  aan  de  Maas,  en  in  de 
onmiddellijke  nabijheid  der  rivier  gingen  de  loopgraven  vooruit 
naar  den  uitspringenden  hoek  van  het  noord-oostelijke  bastion 
van  Crèvecoeur.  Drie  batterijen,  met  16  vuurmonden  bewapend, 
beschermden  dien  arbeid  door  hun  vuur.  De  belegerden  poogden 
alleen  met  geschutvuur  's  vijands  arbeid  te  vertragen,  maar  met 
weinig  goed  gevolg,  daar  reeds  op  den  iSen  eenige  stukken  bui* 
ten  werking  waren  gesteld,  de  vijand  tot  de  voorgracht  was  ge- 
naderd en  die  met  fascinen  trachtte  te  dempen.  Een  storm  was 
aanstaande  en  de  laffe  bezetting  wilde  dien  niet  afwachten,  wierp 
de  wapens  weg  en  dwong  daardoor  den  bevelhebber  om  in  onder- 
handeling te  treden.  Den  igen  Juli  had  de  overgave  plaats;  men 
ontwapende  de  bezetting  en  liet  haar  toe  om  zich  te  begeven 
waarheen  zij  wilde.  —  De  schans  te  Engelen  werd  toen  ook 
ontruimd,  de  bezetting  trok  terug  op  Den  Bosch. 

Bommel  werd  daarna  aangetast;  —  vreemd  is  het  dat  die 
onbeduidende  plaatsen  een  voor  een  en  niet  gelijktijdig  door 
den  vijand  werden  belegerd;  dit  bewijst  niet  ten  voordeele  van 
de  Fransche  legerhoofden,  wier  macht  hiertoe  meer  dan  vol- 
doende sterk  was.  Bommel,  vrij  regelmatig  versterkt,  met  zeven 
bastions  omgeven,  kon  evenwel  niet  lang  weerstand  bieden:   de 


Digitized  by 


Google 


156  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Stad  was  zonder  bedekten  weg,  zonder  palissadeering,  en  de  natte 
gracht  die  haar  omgaf  was  zóó  ondiep,  dat  —  volgens  de  uit- 
drukking van  Valckenier  —  »  de  ooijevaars  gemakkelijk  daar  door 
wandelden."  De  bewapening  bestond  uit  21  stukken  geschut,  twee 
daarvan  waren  echter  geheel  onbruikbaar,  en  hoe  de  andere 
waren  kan  men  opmaken  uit  de  omstandigheid,  dat  bij  het  eerste 
schot  dat  men  uit  een  dier  stukken  deed,  de  affuit  dadelijk 
brak.  De  bezetting  bestond  uit  6  zwakke  compagnieën,  een  250 
man  uitmakende ;  hierbij  voegden  zich  4  compagnieën  van  de  bur- 
gerij,  een  500  man  tellende.  Het  is  nauwelijks  te  gelooven  dat 
de  Fransche  aanvoerders,  die  door  verstandhoudingen  binnen  de 
stad  nauwkeurig  onderricht  waren  van  dien  staat  van  zaken, 
haar  echter  de  eer  aandeden  van  een  geregeld  beleg,  en  dat 
Turenne  zelf  met  een  leger  van  20  ^  30000  man  oprukte  tegen 
eene  vesting,  die  door  een  paar  bataljons  met  eenige  artillerie 
kon  genomen  worden. 

Het  verhaal  der  belegering  kan  in  weinig  woorden  geschieden. 
Den  2osten  Juli  komt  Turenne  voor  de  vesting,  slaat  zich  neder 
met  de  hoofdmacht  aan  de  zijde  van  het  dorp  Neder- Gameren, 
eischt  de  stad  vruchteloos  op,  opent  toen  eene  loopgraaf  en  werpt 
eene  batterij  op  naar  de  zijde  van  de  Gamerensche  poort,  wes- 
telijk van  Bommel.  Een  gewapende  uitlegger,  den  21  sten  de  Waal 
afzakkende,  brengt  door  geschut-  en  geweervuur  eenig  verlies 
en  verwarring  bij  den  vijand  teweeg,  die  bij  Gameren  zijne  tenten 
tot  in  de  uiterwaarden  had  opgeslagen.  Niettegenstaande  dit 
kleine  voordeel  ziet  men  echter  dra  in,  dat  eene  langdurige  ver- 
dediging van  Bommel  ondoenlijk  is;  men  treedt  in  onderhande- 
ling en  den  22sten  heeft  de  overgave  plaats.  De  bezetting  ver- 
kreeg vrijen  aftocht  naar  Gorkura. 

Maar  die  onbeduidende  voordeelen  konden  weinig  of  niets 
toebrengen  tot  de  verovering  van  Holland,  tot  het  einde  des 
oorlogsj  en  de  Fransche  Koning,  wanhopende  hierin  te  slagen, 
de  poging  als  het  ware  opgevende,  besloot  het  oorlogstooneel 
te  verlaten  en  naar  zijne  hoofdstad  terug  te  keeren.  Den  26sten 
Juli  vertrok  hij  met  zijn  broeder  Orleans,  onder  geleide  van 
een  sterk  ruiterkorps  uit  Boxtel,  en  zijn  weg  nemende  dwars 
door  de  Spaansche  Nederlanden,  kwam  hij  op  den  avond  van 
den  len  Augustus  te  Saint- Germain ;  hier  vierde  hij  een  zegepraal 
over  veroveringen,  zoo  onbeduidend  van  waarde,  zoo  gemakkelijk 
verkregen,  zoo  spoedig  weer  verloren! 

Turenne's  leger  bleef  na  de  inneming  van  Bommel  eenigen 
tijd  werkeloos,  in  kantonnementen  verdeeld;  het  voetvolk  in  de 
Bommelerwaard,  de  ruiterij  in  de  Meierij  van  's  Hertogenbosch. 
Chamilly  keerde  met  zijn  legerkorps  terug  naar  de  omstreken 
van  Maastricht,  en  werd  hier  versterkt  door  het  grootste  gedeelte 


Digitized  by 


Google 


KRUGSVERRICHTINGEN   IN   DE  OOSTELIJKE  GEWESTEN.  157 

van  de  Mahm  du  RoL  Luxembourg  was  toen  met  een  16000 
man  in  en  om  Utrecht,  het  overige  werd  verdeeld  over  de  ver- 
overde vestingen. 

Toen  in  het  begin  van  Augustus  de  krijgstoerustingen  van  den 
Keurvorst  van  Brandenburg  en  van  den  Keizer  eenige  onrust 
begonnen  te  verwekken  aan  de  Fransche  zijde,  trok  Turenne 
een  8000  man  bijeen  te  Berlicum  bij  Den  Bosch.  Versterkt  door 
nog  eenige  afdeelingen,  ging  de  Fransche  veldheer  den  isten  Sep- 
tember nabij  Grave  over  de  Maas,  den  8sten  bij  Wezel  over  den 
Rijn,  en  stond  op  het  einde  der  maand  in  Bergsland.  Zijn  leger 
was  echter  niet  veel  sterker  dan  een  12000  man;  —  men  ziet 
dus  hoe  gering  de  afleiding  was,  door  den  opmarsch  van  het 
Brandenburgsche  leger  ten  voordeele  van  de  Republiek  bewerkt. 
De  voorname  oorzaak  van  de  verzwakking  der  Fransche  legers 
in  Holland  moet  gezocht  worden  in  het  bezet  houden  van  alle 
veroverde  vestingen,  waardoor  een  goed  gedeelte  dier  legers 
geheel  onnut  werd  gemaakt. 


Om  een  volledig  beeld  te  geven  van  dit  tijdvak  van  den  veld- 
tocht, moeten  nog  vermeld  worden  de  krijgsverrichtingen  van  de 
Munsterschen  en  Keulschen,  in  de  oostelijke  provinciën  der 
Republiek. 

Het  vereenigde  Keulsche  en  Munstersche  leger,  na  in  het 
begin  der  maand  Juni  zich  zonder  veel  moeite  te  hebben  meester 
gemaakt  van  Grol,  Breêvoort  en  Lochem,  was  eenige  dagen 
werkeloos  gebleven  tusschen  Zutfen  en  Deventer.  De  sterkte  van 
dit  leger,  nergens  met  juistheid  vermeld,  moe't  evenwel  toen  aan- 
zienlijk zijn  geweest,  wanneer  men  in  aanmerking  neemt  dat  — 
volgens  Sylvius  —  alleen  het  Keulsche  leger  met  het  Fransche 
hulpkorps  uit  6  regimenten  ruiterij  en  evenveel  regimenten  voet- 
volk bestond,  en  een  dier  laatste  regimenten  over  de  3000  man 
telde;  en  het  Munstersche  leger  uit  15  regimenten  bestond,  zoo 
ruiterij  als  voetvolk.  Die  opgave  kan  zeker  weinig  dienen  om 
de  juiste  sterkte  dier  vijandelijke  legermacht  te  doen  kennen, 
maar  zij  doet  ten  minste  zien,  dat  onze  vroegere  schatting  van 
de  vereenigde  Munstersche  en  Keulsche  krijgsmacht  op  een 
20  b,  30000  man  zeker  niet  overdreven  is ;  onze  schrijvers  geven 
aan  die  krijgsmacht  nu  eens  een  sterkte  van  30000,  dan  weder 
van  40000  man.  De  eigenlijke  bevelhebber  van  dit  leger  was  de 
Munstersche  bisschop;  Luxembourg  was  hem  toegevoegd  om 
zijne  handelingen  eenigszins  te  besturen,  maar  tusschen  dit  leger- 
hoofd en  den  krijgshaftigen  kerkvorst  schijnt  spoedig  zulk  een 
gebrek  aan  overeenstemming  te  zijn  ontstaan,  dat  de  eerste  door 
Lodewijk  XIV  werd  teruggeroepen  en  vervangen  door  den 
markies  De  Renel. 


Digitized  by 


Google 


158  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

De  Bisschop  had  Zutfen  willen  belegeren,  maar  was  daarin 
verhinderd  door  Luxembourg,  die  wist  dat  Frankrijk  zelf  die 
plaats  in  bezit  wilde  nemen;  Deventer  deed  zich  toen  aan  de 
Munsterschen  voor.  Hoezeer  er  eenige  gebreken  geweest  kunnen 
zijn  in  de  versterking  van  die  stad,  zoo  moest  men  haar  toen 
evenwel,  voor  de  krijgsvoering  van  dien  tijd,  beschouwen  als  een 
sterke  en  belangrijke  vesting,  die  langen  tijd  's  vijands  macht 
had  kunnen  keeren.  Behalve  de  regimenten  voetvolk  van  Stekke 
en  Broersma  —  die  met  3  compagnieën  ruiterij  naar  Deventer 
waren  gezonden  door  Willem  III,  toen  deze  den  IJsel  verliet  — , 
had  men  er  nog  andere  infanterie  en  een  14  k  1500  waard- 
gelders, in  17  compagnieën  verdeeld.  Dit  alles  bedroeg  een  4500 
man.  Voegt  men  hierbij  een  2000  gewapende  burgers,  dan  maakt 
dit  een  aanzienlijke  macht  uit,  die  met  beter  gevolg  kon  werk- 
zaam zijn,  doordien  zij  naar  welgevallen  op  beide  oevers  van 
den  IJsel  uitvallen  kon  doen.  Een  50  stukken  geschut,  die  reeds 
op  de  wallen  stonden,  werden  bij  het  verlaten  van  den  IJsel 
door  het  Hollandsche  leger  nog  versterkt  door  16  of  18  stukken 
welke  naar  Deventer  waren  gezonden.  De  mond-  en  krijgsvoor- 
raad  was  voldoende. 

Al  die  verdedigingsmiddelen  werden  echter  nutteloos  gemaakt 
door  het  verraad  van  eene  partij,  die  er  toen  op  uit  was  om 
Overijsel  van  de  Republiek  af  te  scheuren  en  onder  het  Mun- 
stersche  gezag  te  brengen.  Die  partij,  die  hare  vertakkingen  door 
de  geheele  provincie  had,  was  het  machtigst  in  Deventer,  waar 
zij  door  een  der  aanzienlijkste  geslachten  —  de  Nilaut's  —  het 
voornaamste  gezag  in  handen  had  en  alles  doordreef  wat  zij 
wilde;  en  de  ongelukkige  verhouding,  die  toentertijd  de  bezet- 
ting eener  stad  geheel  ondergeschikt  maakte  aan  de  stedelijke 
regeering,  werd  door  de  zwakke  krijgsbevelhebbers  tot  dekmantel 
genomen,  om  daarmede  de  spoedige  en  schandelijke  overgave 
van  Deventer  te  verschoonen. 

Den  i6cn  Juni  vertoont  zich  de  vijandelijke  legermacht  op  den 
rechter  IJseloever  voor  Deventer;  den  volgenden  dag  gaat  eene 
afdeeling  van  9000  man,  die  6  mortieren  bij  zich  heeft,  een  uur 
beneden  de  stad  over  den  IJsel,  plaatst  zich  op  den  linkeroever 
en  voltooit  zoo  de  insluiting.  Er  moet  niet  veel  orde  hebben  ge- 
heerscht  onder  de  Duitsche  troepen,  zoodat  de  sterke  bezetting  met 
voordeel  had  kunnen  uitvallen,  voornamelijk  op  den  linkeroever ; 
tot  dat  laatste  werd  echter  de  mogelijkheid  benomen,  doordien 
men  zelf  den  i  yen  de  brug  over  den  IJsel  opbrak.  Van  uitvallen 
kwam  dan  ook  weinig  in,  en  reeds  bij  den  aanvang  was  de  ver- 
dediging zoo  flauw,  dat  men  niet  eens  den  bedekten  weg  en  de 
buitenwerken  bezette.  Op  de  beide  oevers  van  den  IJsel  begon 
de  belegeraar  zich  in  te  graven,  terwijl  hij  in  den  vroegen  ochtend 
van  den  2osten  een  bombardement  aanving,  dat  evenwel  niet  veel 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN   IN  DE   OOSTELIJKE  GEWESTEN.  159 

kwaad  schijnt  te  hebben  gedaan.  Een  uitval,  die  men  uit  de 
Norenberger  Poort  wilde  doen,  bleef  zonder  gevolgen  door  de 
kleinmoedigheid  der  troepen;  voor  dien  uitval  had  men  ook 
slechts  200  man  genomen,  bij  eene  bezetting  van  eenige  dui- 
zenden! De  loopgraven  van  den  vijand,  door  niets  verhinderd, 
gingen  al  vast  voort  en  waren  weldra  aan  de  gracht.  Men  trad 
toen  in  onderhandeling,  en  niettegenstaande  de  tegenstreving  van 
een  der  burgemeesters  —  Boekholt  — ,  die  op  de  groote  ver- 
dedigingsmiddelen van  Deventer  wees  om  het  plichtmatige  van 
den  wederstand  aan  te  toonen,  wist  de  roet  den  vijand  heulende 
factie  echter  haren  wil  door  te  drijven  en  tot  de  overgave  te  doen 
besluiten.  De  militaire  bevelhebbers  schijnen  niet  het  minste  te 
hebben  gedaan  om  die  daad  van  verraad  tegen  te  gaan ;  sommige 
hunner  waren  zelfs  medeplichtig  aan  dit  verraad,  zooals  onder 
anderen  de  kolonel  Broersma,  die  zich  later  voortdurend  bij  het 
Munstersche  leger  bleef  ophouden  en  den  bisschop  met  zijn  raad 
diende. 

Den  21  sten  Juni  jrerd  de  schandelijke  capitulatie  geteekend, 
waarbij  Deventer  den  vijand  in  handen  werd  gegeven  en  de  be- 
zetting krijgsgevangen  bleef,  op  eenige  hoofdofficieren  na,  die 
zich  niet  schaamden  om  hun  lot  af  te  scheiden  van  dat  hunner 
wapenbroeders,  en  van  den  overwinnaar  de  genade  aan  te 
nemen  om  vrij  naar  Groningen  of  Friesland  te  vertrekken. 

Gedurende  dit  korte  beleg  van  Deventer  zond  de  Munstersche 
bisschop  detachementen  uit  om  zich  meester  te  maken  van 
Elburg,  Harderwijk  en  Hattem.  Het  eene  dier  detachementen, 
bestaande  uit  600  ruiters  en  dragonders  en  aangevoerd  door  den 
overste  HouttU)m,  een  uitgeweken  Friesche  balling,  bemachtigde 
op  den  igen  Juni  Elburg  en  op  den  2  2  sten  Harderwijk,  hetgeen 
niet  de  minste  moeite  kostte,  daar  die  beide  plaatsen  geen  bezet- 
ting hadden  en  niet  werden  verdedigd  door  de  burgerij.  Het  andere 
detachement,  naar  de  opgave  van  onze  zijde  3000  man  sterk  en 
aangevoerd  door  den  overste  Nagel,  ontmoette  te  Hattem  meer 
*  wederstand.  Deze  kleine  stad,  hoezeer  geen  andere  bezetting 
hebbende  dan  76  soldaten,  waarbij  zich  180  gewapende  burgers 
aansloten,  bleef  zich  echter  vier  dagen  lang  (18—22  Juni)  met 
groote  dapperheid  verdedigen,  en  gaf  zich  eerst  over  toen 
zij  de  zekerheid  had  van  niet  te  zullen  worden  ontzet  en  het 
geheele  Munstersche  leger  hare  muren  naderde.  Onze  schrijvers 
beweren,  dat  het  verlies  van  den  vijand  voor  de  muren  van 
Hattem  meer  dan  700  man  heeft  bedragen ;  zonder  die  bewering 
als  geheel  juist  aan  te  nemen,  moet  men  echter  erkennen,  dat 
de  verdediging  van  die  kleine  stad  lof  verdient. 

Hattem,  Elburg  en  Harderwijk,  als  tot  Gelderland  behoorende, 
kregen  toen  Fransche  bezetting. 


Digitized  by 


Google 


l6o  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Het  veroveren  van  de  hoofdstad  van  Overijsel  kostte  den 
vijand  even  weinig  moeite.  Zwolle  had  toen  tot  bezetting  de 
regimenten  voetvolk  van  Bamphield  en  Ripperda;  het  eerste, 
door  Willem  III  daarheen  gezonden  bij  zijn  terugtocht  op  Utrecht, 
bestond  uit  8  compagnieën  die  te  zamen  slechts  een  400  man 
telden;  het  tweede,  nieuw  aangeworven,  had  9  compagnieën; 
in  de  stad  waren  nog  3  andere  compagnieën  voetvolk  en  6  com- 
pagnieën nieuw  aangeworven  ruiterij ;  —  in  het  geheel  wordt  die 
bezetting  begroot  op  een  1200  man,  waarbij  zich  evenveel  ge- 
wapende burgers  konden  voegen. 

Spoedig  echter  ontstond  er  een  volslagen  misverstand  tusschen 
de  bevelhebbers  der  bezetting  en  de  stedelijke  regeering;  de 
eersten  koesterden  wantrouwen  tegen  de  laatsten^  en  hebben  haar 
later  —  en  met  name  een  der  burgemeesters,  Royer  —  beschul- 
digd van  in  verstandhouding  te  hebben  gestaan  met  den  vijand, 
en  dezen  zoowel  de  bezetting  als  de  stad  in  handen  te  hebben 
willen  spelen.  Het  gedurig  onderhandelen  niet  Munstersche  zen- 
delingen en  met  een  der  Deventersche  burgemeesters  die  het 
meest  had  aangedrongen  op  Deventer's  overgave;  het  verwaar- 
loozen  van  alle  middelen  van  verdediging;  het  ongeredderd 
laten  van  de  vestingwerken ;  de  bijna  onbruikbare  toestand  waarin 
men  het  geschut  liet;  —  dit  alles  geeft  de  grootste  waarschijn- 
lijkheid aan  die  beschuldiging  tegen  de  Zwolsche  regeering. 
Ripperda  en  Bamphield,  wanhopende  aan  een  goede  verdediging 
en  hunne  troepen  niet  in  *s  vijands  handen  willende  laten  vallen, 
ontruimden  Zwolle  toen,  trokken  den  23steii  Juni  terug  op  Has- 
selt en  den  volgenden  dag  naar  de  Friesche  grenzen.  —  Het 
onbezette   Zwolle  gaf  zich  toen  den  aósten  aan  den  vijand  over. 

Het  zwak  bezette  Kampen  volgde  dit  voorbeeld  denzelfden 
dag,  evenzoo  Zwartsluis,  Steenwijk  en  de  overige  kleine  plaatsen 
van  Overijsel.  De  Ommerschans  werd  ten  gevolge  van  een  op- 
stand der  bezetting  den  24sten  Juni  aan  den  vijand  ingeruimd^ 
en  de  verovering  van  Overijsel  werd  als  het  ware  bekrachtigd 
en  bezegeld  door  eene  capitulatie,  welke  de  Ridderschap  van 
dat  gewest  den  5 en  Juli  met  den  bisschop  van  Munster  sloot. 
Zoo  weinig  volkszin  en  vaderlandsliefde  was  er  toen  bij  de 
hoofden  van  dat  gewest. 

Friesland  en  Groningen  werden  toen  bedreigd  met  een  inval 
van  den  vijand,  en  beide  gewesten  waren  in  weinig  weerbaren 
toestand,  bijna  zonder  troepen  en  alleen  hier  en  daar  eenige 
schier  vervallen  forten  bevattende.  De  regeeringen  dier  gewesten 
namen  intusschen  dadelijk  beleidvolle  maatregelen  voor  hunne 
verdediging.  In  Friesland  werden  —  zeggen  onze  schrijvers  — 
de  sluizen  opengezet  en  polders  en  bedijkte  landen  geïnun- 
deerd;  —  hoever   zich    die   inundatie   uitstrekte,   en   in   hoever 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN   IN   DE  OOSTELIJKE   GEWESTEN.  l6l 

Friesland  daardoor  werd  gedekt,  is  echter  moeielijk  op  te  maken. 
De  weerbare  bevolking  werd  te  wapen  geroepen  en  voegde  zich 
bij  den  generaal  Aylva,  die  te  Heerenveen  stelling  nam  met  de 
troepen  welke  Overijsel  hadden  verlaten;  de  macht  van  dien 
bevelhebber  bedroeg  aanvankelijk  slechts  13  ^  1400  man,  maar 
dag  aan  dag  werd  zij  door  schutterijen  versterkt  en  hield  zij  den 
vijand  in  ontzag. 

De  Groningsche  Staten  benoemden  tot  luitenant-generaal  van 
de  provincie  en  gouverneur  der  stad  Groningen,  Rabenhaupt, 
een  oud,  ervaren,  krachtvol  bevelhebber;  een  vreemdeling,  als 
men  wil  —  hij  was  Duitscher  van  geboorte  —  maar  die  zich 
ten  volle  het* burgerrecht  heeft  verworven  door  de  langdurige  en 
groote  diensten,  den  lande  bewezen.  De  geheele  krijgsmacht, 
waarover  Rabenhaupt  aanvankelijk  kon  beschikken,  was  slechts 
een  1200  man;  zij  werd  grootendeels  vereenigd  bij  de  stad 
Groningen. 

De  Munstersche  en  Keulsche  krijgsmacht,  de  strijdkrachten 
van  Aylva  en  de  verdedigingsmiddelen  van  Friesland  sterker 
schattende  dan  zij  waren,  zag  af  van  een  inval  in  dat  gewest  en 
wendde  zich  naar  de  zijde  van  Groningen.  De  Oude  of  Belling- 
wolderschans,  de  Nieuwe  of  Langakkerschans,  de  Beijlerschans 
en  het  huis  Ter  Wedde  werden  zonder  slag  of  stoot  door  den 
vijand  bemachtigd;  sommige  dier  sterkten  waren  mét,  andere 
zónder  last  der  Staten  ontruimd,  en  twee  bevelhebbers  werden 
om  dit  laatste,  of  om  het  achterlaten  van  geschut,  ter  dood  ver- 
oordeeld. De  bevelhebber  van  de  Bourtange,  de  kapitein  Prot, 
gaf  toen  aan  een  onderbevelhebber  des  Bisschops,  die  hem  door 
een  aanbod  van  tweemaal  honderd  duizend  gulden  wilde  over- 
halen om  zijn  vesting  aan  den  vijand  over  te  geven,  het  be- 
kende antwoord:  tdat  hij  voor  den  vijand  zooveel  kogels  had, 
als  deze  hem  guldens  aanbood."  —  Wij  hebben  de  hoogste  ach- 
ting voor  de  onbaatzuchtige  eerlijkheid  van  dien  trouwen  be- 
velhebber, die,  in  een  tijd  van  zooveel  zwakheid  en  verraad,  zich 
vrij  wist  te  houden  van  alle  omkooping,  maar  wij  begrijpen  niet 
hoe  twee  honderd  duizend  gulden  konden  geboden  worden  voor 
eene  vesting  als  de  Bourtange!  't  Is  waar,  die  som  werd  nog 
maar  beloofd. 

Den  aQsten  Juni  begon  de  vijandelijke  ruiterij  zich  te  vertoonen 
voor  Coevorden,  en  den  volgenden  dag  werd  de  vesting  inge- 
sloten door  de  hoofdmacht  der  Munsterschen.  Coevorden  had 
vroeger  eene  zeer  groote  sterkte  door  hare  natuurlijke  ligging, 
maar  door  verloop  van  tijd  waren  de  moerassen  die  haar  om- 
gaven, langzamerhand  verminderd;  er  waren  slooten,  afwate- 
ringen,  afdammingen   gemaakt,   zoodat   verschillende    gedeelten 

WILLEM  III.   —  I.  II 


Digitized  by 


Google 


102  KRIJGS-   EN  GESCHIBDKUMDIGE   BESCHOUWINGEN. 

droog  en  begaanbaar  waren,  die  men  vroeger  voor  ontoegan- 
kelijk hield.  Reeds  in  1672  werd  geklaagd  over  de  verminderde 
sterkte  van  Coevorden;  het  was  niet  meer  het  y^Klesn  Candia'\ 
zooals  de  Munstersche  bisschop  het  ten  onrechte  noemde. 

De  kunstmatige  sterkte  van  Coevorden  bestond  uit  een  regel- 
matigen  hoofdwal  met  7  bastions  en  evenveel  ravelijnen ;  een  van 
die  bastions  was  door  eene  verschansing  naar  de  stadszijde  ver- 
anderd in  een  soort  van  citadel;  het  geheel  was  omgeven  door 
een  gracht,  bedekten  weg  en  voorgracht.  Maar  de  werken  waren 
slecht  in  orde,  de  borstweringen  niet  van  genoegzame  dikte,  de 
grachten  op  sommige  plaatsen  geheel  ondiep  en  de  palissadeering 
zeer  gebrekkig.  Broersma,  die  vroeger  bevelhebber  ^an  Coevorden 
geweest  en  bekend  was  met  alles  wat  de  vesting  zwaks  en  ge* 
brekkigs  had,  bevond  zich  thans  bij  het  leger  van  den  Bisschop 
en  wees  dezen  de  gunstigste  aanvalspunten  aan. 

De  bezetting  bestond  aanvankelijk  uit  2  compagnieën  ruiters 
en  13  compagnieën  voetvolk,  te  zamen  een  1000  man;  weinige 
dagen  voor  het  beleg  kreeg  men  nog  als  versterking  het  vroe- 
gere garnizoen  van  Schenkenschans,  dat  door  desertie  tot  op 
een  2  k  300  man  was  versmolten,  zoodat  de  geheele  bezetting 
van  Coevorden  op  12  ^  1300  man  kon  worden  begroot.  De 
wapening  bestond  uit  29  stukken  geschut  op  oude  vermolmde 
affuiten;  er  was  slechts  een  geringe  voorraad  van  kogels,  en  toen 
men  meer  kogels  had  gevraagd,  had  men  tot  antwoord  ge- 
kregen: idat  dit  niet  noodig  was,  want  dat  de  belegeringen,  door 
de  Franschen  gevoerd,  zelden  lang  duurden."  Kon  men  scherper 
sadre  maken  op  den  ongelukkigen  toestand  waarin  zich  het  krijgs- 
wezen  in  Nederland  toen  bevond! 

Den  309tcn  Juni  werd  door  de  ruiterij  der  bezetting  van  Coe- 
vorden een  uitval  gedaan,  die  echter  met  verlies  werd  afgeslagen. 
Den  2en  Juli  werden  de  loopgraven  geopend  bij  het  huis  Ten 
Klooster  aan  de  westzijde  en  den  460  bij  de  Ësscherbrug  aan 
de  zuidoostzijde  der  vesting.  De  macht  der  belegeraars  wordt 
door  onze  schrijvers  begroot  op  20  k  30000  man,  en  uit  een 
brief  van  Chamilly  —  de  broeder  van  den  bevelhebber  van  het 
observatie-korps  bij  Maastricht  —  blijkt  dat  er  bij  de  Bourtange 
eene  afdeeling  van  1500  man  voetvolk  en  1000  ruiters  was 
achtergebleven  om  de  bezetting  dier  sterkte,  die  een  300  man 
telde,  in  bedwang  te  houden.  De  belegeraar  bracht  bij  beide 
nadernissen  een  groote  hoeveelheid  geschut  in  werking,  dat,  den 
6en  Juli  het  vuur  openende,  in  weinig  dagen  het  geschut  des 
verdedigers  zoodanig  tot  zwijgen  bracht,  dat  deze  alleen  geweer- 
vuur kon  aanwenden  tegen  de  aan  vals- werkzaamheden;  vooral 
het  worpgeschut  der  Munsterschen  richtte  aanmerkelijke  verwoes- 
tingen aan  in  de  binnenruimte  der  kleine  vesting. 

Terwijl  de  nademissen  van  den  vijand  steeds  voortgingen,  deed 


Digitized  by 


Google 


GRONINGEN.  163 

deze,  in  den  nacht  van  lo— ii  Juli,  den  bedekten  weg  bestormen. 
Zoo  groot  was  reeds  de  ontmoediging  bij  de  bezetting,  dat  de 
wederstand  gering  was,  en  de  aanvaller,  slechts  ten  koste  van 
een  klein  verlies,  meester  werd,  niet  alleen  van  den  bedekten 
weg,  maar  ook  van  een  der  ravelijnen.  Men  trad  toen  in  onder- 
handeling, en  niettegenstaande  de  bevelhebber  der  vesting,  de 
luitenant- kolonel  Van  Burum,  volstandig  weigerde  in  eene  over- 
gave toe  te  stemmen,  besloot  echter  de  meerderheid  van  den 
krijgsraad  daartoe,  en  zonder  toestemming  of  zelfs  voorkennis 
van  den  bevelhebber  werden  op  den  iien  Juli  de  poorten  der 
vesting  voor  den  vijand  geopend.  De  bezetting  verkreeg  vrijen 
aftocht  naar  Friesland,  maar  de  voorwaarden  der  capitulatie 
werden  door  den  Munsterschen  bisschop  zoo  slecht  gehouden, 
dat  de  bezetting  eerst  na  geruimen  tijd  en  na  vele  mishande- 
lingen te  Harlingen  aankwam.  Te  geringe  straf  voor  de  lafheid 
waarmede  zij,  alle  krijgstucht  met  voeten  tredende,  zonder  toe- 
stemming van  haren  aanvoerder  de  haar  toebetrouwde  vesting 
had  overgegeven. 

De  verliezen  der  beide  partijen  bij  dit  beleg  vinden  wij  niet 
opgeteekend.  Alleen  wordt  vermeld,  dat  de  voormalige  bevel- 
hebber der  Schenkenschans  hier  sneuvelde ;  —  een  eervolle  dood, 
die  zijne  vroegere  lafheid  eenigszins  doet  vergeten. 

Na  de  overgave  van  Coevorden  was  het  bij  de  hoofden  van 
het  vijandelijk  leger  een  ernstig  punt  van  overweging,  of  men 
al  dan  niet  zou  overgaan  tot  het  beleg  der  stad  Groningen. 
Tegen  dit  beleg  bracht  men  in:  de  sterke  ligging  der  stad,  welke 
geen  geheele  insluiting  toeliet;  de  bekwaamheid  van  haar  bevel- 
hebber; en  de  nadeelige  indruk  welke  deze  onderneming  zou 
maken  wanneer  zij  mislukte.  Ten  voordeele  van  dit  beleg  voerde 
men  aan:  dat  het  nóg  nadeeliger  indruk  zou  maken,  wanneer 
men  niets  uitvoerde;  dat,  daar  men  in  Groningen  alleen  nog 
maar  de  stad  Delfzijl  had  te  vermeesteren  en  een  inval  in  Fries- 
land ondoenlijk  was  door  de  inundatiën  en  het  doorsneden  ter- 
rein, er  niet  veel  anders  overbleef  dan  het  beleg  van  Groningen ; 
dat  dit  beleg  wel  onzeker  was,  maar  men  toch  ook  moest  reke- 
nen op  de  vrees  en  ontmoediging  aan  de  Hollandsche  zijde,  op 
den  aanzienlijken  voorraad  geschut,  die  men  had,  en  op  de 
sterkte  der  legermacht  waarover  men  kon  beschikken;  die  leger- 
macht bedroeg,  behalve  de  ruiterij  en  behalve  de  bezettingen,  in 
de  vermeesterde  vestingen  en  de  afdeeling  voor  de  Bourtange 
achtergelaten,  nog  een  13  k  14000  man  alleen  aan  voetvolk.  -— 
Al  deze  gronden,  in  het  breede  uiteengezet  in  eene  memorie 
van  vorst  Wilhelm  von  Fürstenberg  van  den  24stcn  Juli  1672, 
deden  eindelijk  tot  het  beleg  besluiten. 

Waarschijnlijk  is  de  Bisschop  ook  vooral  aangespoord  tot  de 


Digitized  by 


Google 


104  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

belegering  van  de  stad  Groningen,  door  Schuilenburg,  die  daar 
vroeger  de  hoogste  betrekkingen  had  bekleed,  deze  later  had  ver- 
loren, en  in  1663,  bij  een  dier  onlusten  die  in  de  geschiedenis 
onzer  Republiek  zoo  veelvuldig  voorkomen,  zijn  vaderland  had 
moeten  ontvluchten,  om  een  tegen  hem  uitgesproken  doodvonnis 
te  ontgaan.  De  balling  had  zich  na  dien  tijd  aan  het  Munstersche 
hof  opgehouden,  en  reeds  tijdens  den  tweeden  Engelschen  oor- 
log den  Bisschop  met  raad  bijgestaan-,  de  zucht  om  zich  op 
zijne  vijanden  te  wreken  over  de  ondergane  vervolgingen  en 
zegevierend  in  zijn  stad  terug  te  keeren,  zal  hem  bewogen  heb- 
ben, hare  belegering  den  Bisschop  aan  te  raden. 

De  stad  Groningen  had  hare  sterkte  toen  voornamelijk  te 
danken  aan  hare  ligging  in  eene  lage  landstreek,  bij  verschillende 
uit  het  Drenthensche  komende  kleine  rivieren,  die  zich  verder 
noord-  en  oostwaarts  in  zee  storten,  en  waardoor  men  onder- 
waterzettingen tot  stand  kan  brengen,  die  het  den  vijand  ondoen- 
lijk maken  de  stad  aan  verschillende  zijden  aan  te  vallen,  en  zeer 
moeielijk  haar  geheel  in  te  sluiten.  Nu  behoeft  het  geen  betoog, 
dat  vooral  die  laatste  omstandigheid  aan  Groningen  eene  zeer 
groote  sterkte  bijzette:  eene  vesting,  die  niet  kan  worden  inge- 
sloten, die  gedurig  toevoer  en  versterking  kan  ontvangen,  kan 
tot  in  het  oneindige  worden  verdedigd;  —  Oostende  heeft  dit 
bewezen  in  de  eerste  jaren  der  17e  eeuw. 

Alleen  de  zuidzijde  van  Groningen,  de  hooge  grond  tusschen 
het  Hoornsche  Diep  en  het  Schuitendiep,  levert  een  geschikt 
front  van  aanval  op.  Dit  terrein,  eene  breedte  van  een  klein  half 
uur  gaans  hebbend,  en  waar  later  de  linie  van  Helpen  is  aan- 
gelegd, wordt  oostelijk  begrensd  door  het  Schuitendiep  of  de 
Hunse,  westelijk  door  het  Hoornsche  Diep.  De  eerste  dier  rivie- 
ren ontspringt  uit  de  Wildervanksche  venen,  niet  ver  van  de 
vroegere  Valterschans,  stroomt  in  de  richting  van  het  zuiden  naar 
het  noorden  door  het  Zuidlaarder  meer  naar  Groningen,  buigt 
zich  bij  die  stad  in  eene  oostelijke  richting  om  en  loopt,  onder 
den  naam  van  Damsterdiep  of  Fivel,  over  Appingadam  naar 
Delfzijl,  waar  zij  zich  in  den  mond  van  de  £ems  werpt.  Het 
Hoornsche  Diep,  ook  in  Drenthe  ontspringende,  volgt  langen 
tijd  een  bijna  evenwijdigen  loop  met  het  Schuitendiep;  te  Gro- 
ningen verdeelt  het  zich  in  twee  takken,  de  eene  in  westelijke 
richting,  onder  den  naam  van  Hoendiep,  eene  trekvaart  naar 
Dokkum  vormende ;  de  andere,  zijn  loop  in  noordwestelijke  rich- 
ting vervolgende  onder  den  naam  van  Reitdiep,  en  in  de  Lauwerzee 
uitloopende.  Het  Hoendiep  en  het  Reitdiep  worden  weer  verbon- 
den door  een  dwarskanaal,  het  Aduarderdiep,  dat,  op  een  uur 
westelijk  van  Groningen,  zich  van  het  Hoendiep  afzondert  en, 
in  noordelijke  richting  gaande,  zich  te  Aduarderzijl  met  het  Reit- 
diep vereenigt.  Of  te  Aduarderzijl  zich  sluizen  hebben  bevonden, 


Digitized  by 


Google 


GRONINGEN.  165 

is  ons  niet  gebleken,  maar  wél  wordt  er  bepaaldelijk  gezegd,  dat 
het  vermeesteren  van  de  daar  aanwezige  schans,  den  vijand  in 
de  gelegenheid  zou  hebben  gesteld  om  de  onderwaterzettingen 
van  Groningen  af  te  tappen. 

De  stad  Groningen  zelve  was  regelmatig  versterkt,  omringd 
door  een  hoofdwal  met  17  bastions  (op  oude  plans  dwingers 
genoemd),  voorzien  van  een  fausse-braie^  van  eene  breede  en 
diepe  natte  gracht,  en  van  eene  gemetselde  escarpe.  Dadelijk,  bij 
de  nadering  des  vijands,  had  men,  door  het  doorsteken  van 
dijken  en  dammen,  het  openstellen  van  de  kleine  sluizen  in  den 
omtrek,  en  het  leggen  van  twee  dammen  in  de  riviertjes  die 
door  de  stad  stroomen,  eene  onderwaterzetting  verkregen,  die,  op 
de  Drentsche  zijde  na,  Groningen  geheel  omgaf.  Naar  de  zijde 
van  het  front  van  aanval  werden  de  voorsteden  en  alleenstaande 
gebouwen  afgebroken  of  verbrand,  heggen  en  boomen  omge- 
houwen.  Levensmiddelen  en  krijgsbehoeften  waren  er  in  Groningen 
genoegzaam  aanwezig,  en  daar  de  gemeenschap  met  Friesland  en 
Holland  openbleef,  werden  zij  steeds  aangevoerd  in  den  loop  van 
bet  beleg.  Van  geschut  moet  de  vesting  goed  voorzien  zijn  ge- 
weest; ten  minste,  in  de  reeds  aangehaalde  memorie  van  den 
vorst  van  Fürstenberg  wordt  bij  wijze  van  gerucht  gezegd,  dat 
er  wel  200  stukken  geschut  in  Groningen  waren,  en  Renel,  de 
Fransche  aanvoerder  die  Luxembourg  had  vervangen,  schrijft 
den  2isteQ  Augustus  uit  het  kamp  voor  Groningen,  dat  hij  aan 
den  goeden  uitslag  van  het  beleg  wanhoopt,  omdat  de  belegerden 
op  het  front  van  aanval  wel  een  60  stukken  hadden  en  de  be- 
legeraars nog  slechts  26. 

De  sterkte  der  bezetting  wordt  verschillend  opgegeven :  volgens 
sommigen  bedroeg  zij  aanvankelijk  slechts  1200  man,  volgens 
anderen  2000 ;  die  laatste  opgave  komt  vrij  wel  overeen  met  wat 
men  vindt  in  den  reeds  aangehaalden  brief  van  Renel,  namelijk 
dat,  »na  de  komst  van  19  nieuwe  compagnieën  uit  Holland,  er 
in  Groningen  een  3000  man  geregelde  troepen  waren" ;  —  over- 
dreven zijn  andere  Fransche  opgaven,  welke  die  geregelde  troe- 
pen op  5000  man  begrooten.  De  aanvankelijke  samenstelling  van 
de  bezetting  was:  23  of  24  compagnieën  voetvolk,  4  compag- 
nieën ruiters  en  3  compagnieën  dragonders.  Hieraan  sloot  zich 
de  schutterij,  18  compagnieën  uitmakende;  bovendien  hadden 
zich  4  nieuwe  compagnieën  gevormd,  samengesteld  uit  burgers 
die  anders  vrij  waren  van  schutterlijken  dienst,  maar  thans  uit 
vaderlandsliefde  de  wapenen  hadden  opgevat.  Een  150  studenten 
vormden  een  keurtroep,  die  zich  overal  vertoonde  waar  het  ge- 
vaar het  grootst  was,  en  zich  overal  onderscheidde  door  dap- 
perheid. —  Wij  gelooven  dat  men,  zonder  groote  onnauwkeurig- 
heid, het  geheele  getal  der  verdedigers  bij  het  begin  van  het 
beleg  op  een  4  è.  5000  man  kan  stellen. 


Digitized  by 


Google 


l66  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Genoegzaam  sterke  bezetting,  voldoende  uitrusting,  krachtige 
wapening,  vrije  gemeenschap  met  het  overige  des  lands,  onaan- 
valbaarheid  van  het  grootste  gedeelte  der  vesting,  ziedaar  om- 
standigheden welke  eene  krachtdadige  verdediging  konden  doen 
voorspellen,  vooral  daar  er  bijkwam  de  uitmuntende  geest 
welke  de  verdedigers  bezielde,  en  een  aanvoerder  die  partij  wist 
te  trekken  van  al  die  voordeden.  Rabenhaupt  doet  zich  hier 
bij  dit  beleg  kennen  als  een  bekwaam,  krachtvol  en  stout  bevel- 
hebber; met  beleid  beraamt  hij  alle  middelen  die  tot  de  ver- 
dediging moeten  dienen;  geen  oogenblik  luistert  hij  naar  de 
voorslagen  tot  overgave ;  en  hij  weet  dadelijk  den  moed  der  be- 
zetting zoodanig  op  te  wekken,  dadelijk  zulk  een  fieren  toon 
tegen  den  vijand  aan  te  nemen,  dat  deze,  reeds  van  den  eersten 
dag  der  belegering*  af,  aan  de  inneming  van  Groningen  twijfelt. 
De  opeischingen  des  Bisschops,  de  listige  brieven  van  den  ban- 
neling Schuilenburg,  die,  tegen  zijn  stad  strijdende,  zich  in  het 
leger  der  Munsterschen  bevond,  worden  met  verachting  afge- 
wezen; eenige  rampzaligen,  overtuigd  van  verstandhouding  met 
den  vijand,  worden  ter  dood  gebracht,  en  diezelfde  straf  uitge- 
sproken tegen  den  voortvluchligen  verrader  Broersma,  om  daar- 
door in  toom  te  houden  wie  zijn  voorbeeld  zou  willen  navolgen. 
De  burgerij  ondersteunt  den  wakkeren  bevelhebber  met  een 
geestdrift,  met  een  zelfopoffering,  die  herinnert  aan  de  vroegere 
worstelingen  tegen  Spanje. 

Nagel,  met  4000  ruiters  de  hoofdmacht  des  vijands  vooraf- 
gaande, vertoonde  zich  op  den  iqcq  Juli  voor  de  poorten  der 
vesting,  na  eerst,  bij  het  dorp  Helpen,  in  gevecht  te  zijn  geweest 
met  eene  kleine  ruiterafdeeling  der  bezetting  onder  den  ritmeester 
Sickinghe.  Den  aostcn  volgde  de  hoofdmacht,  die  den  21  sten  zich 
voor  Groningen  vertoonde  en  daar  eene  legerplaats  opsloeg  tus- 
schen  het  Schuitendiep  en  het  Hoornsche  Diep;  de  Keulsche 
troepen  rechts,  die  van  Munster  links.  Er  werden  dadelijk  veld- 
ovens  aangelegd,  om  voor  het  onderhoud  der  troepen  brood  te 
bakken  met  het  meel  dat  men  van  Zwolle  en  Deventer  deed 
komen. 

Het  was  des  Bisschops  voornemen,  om  de  stad  Groningen 
zoo  veel  mogelijk  geheel  in  te  sluiten ;  daartoe  zou  eene  afdeeling 
over  het  Schuitendiep  en  het  Damsterdiep  trekken,  om  Groningen 
aan  de  noordzijde  te  omgeven;  eene  andere  afdeeling  zou  het 
Hoendiep  overgaan,  zich  naar  de  zijde  van  Dokkum  uitbreiden 
om  alle  toevoer  over  land  van  de  Friesche  zijde  te  beletten,  en 
tevens  bij  het  Reitdiep  een  fort  opwerpen,  met  8  of  10  stukken 
geschut  bewapend,  om  daardoor  de  gemeenschap  met  Holland 
over  zee  af  te  sluiten. 

Die  pogingen  slaagden  echter  niet.  Den  22sten  was  door  den 
vijand  een  brug  geslagen  over  het  Schuitendiep  en  breidde  hij 


Digitized  by 


Google 


GRONINGEN.  167 

zich  uit  op  den  rechteroever  dier  rivier,  naar  de  zijde  van  het 
Damsterdiep.  Over  laatstgenoemde  rivier  waren  twee  bruggen: 
de  Hoogerbrug,  een  kwartieruurs  ten  oosten  van  Groningen,  en  de 
Ruisscherbrug,  bij  het  Siochterdiep ;  beide  bruggen  waren  in  den 
beginne  niet  bezet  geweest;  thans  echter  waren  zij  van  veld- 
werken voorzien  en  bezet  met  geschut,  met  eenige  troepen  en 
niet  een  aantal  gewapende  boeren,  die,  aangevoerd  door  de 
Groningsche  edelen,  het  geheele  Damsterdiep  van  Groningen 
tot  Delfzijl  bewaakten.  Vruchteloos  waren  dan  ook  alle  pogingen 
des  vijands  om  die  rivier  over  te  trekken. 

Aan  de  andere  zijde  was  eene  afdeeling  van  2000  vijandelijke 
ruiters,  gevolgd  door  8  compagnieën  voetvolk,  het  westerkwartier 
binnengedrongen,  den  23stcn  Juli,  bij  Emetil,  het  Hoendiep  over- 
gegaan, en  had  zich  toen  naar  de  Lauwerzee  uitgebreid,  de  dor- 
pen Zuidhom,  Noordhorn,  Grijpskerke  en  het  dorp  Visvliet 
aan  de  rivier  de  oude  I^uwers  bezettende,  en  daardoor  de  ge- 
meenschap der  stad  Groningen  met  Friesland  afbrekende.  De 
schans  te  Aduarderzijl  was  echter  nog  bij  tijds  bezet  door  eene 
uit  Groningen  afgezonden  afdeeling  dragonders  en  een  aantal 
gewapende  boeren;  en  de  aanvallen,  den  25sten  en  3ostcn  Juli 
door  de  Munsterschen  op  die  sterkte  gedaan,  werden  telkens 
manmoedig  afgeslagen,  zoodat  het  den  vijand  niet  gelukte,  de 
onderwaterzettingen  om  Groningen  af  te  tappen  en  de  gemeen- 
schap over  zee  te  verhinderen. 

Onder  voor  den  belegeraar  zoo  ongunstige  omstandigheden, 
werden  op  den  23stcn  Juli  de  aanvalswerkzaamheden  begonnen; 
door  de  Keulsche  troepen  rechts,  naar  de  zijde  van  het  Blaauwe 
huis;  links  door  de  Munsterschen,  naar  de  zijde  van  de  ge- 
rechtsplaats.  Op  welken  afstand  van  de  stad  de  loopgraven 
werden  geopend,  wordt  niet  met  juistheid  vermeld ;  alleen  wordt 
gezegd,  dat  den  23sten  de  loopgraven  van  de  Keulenaars  halfweg 
het  Blaauwe  huis  en  de  stad  waren;  die  der  Munsterschen 
waren  toen  rneer  achteruit,  en  volgens  sommigen  op  te  grooten 
afstand  van  de  stad  geopend;  anderen  zeggen,  dat  de  steen- 
achtige grond  oorzaak  was,  dat  de  aanvalswerken  van  de  Mun- 
sterschen veel  langzamer  vorderden  dan  die  der  Keulenaars. 
Het  front  van  aanvaK  tusschen  het  Schuitendiep  en  het  Hoorn- 
diep,  bestond  uit  vijf  bastions;  twee  poorten  waren  daar:  ooste- 
lijk de  Oosterpoort,  westelijk  de  Heerepoort;  bovendien 
had  men,  oostelijk  van  de  Oosterpoort,  nog  een  kleinere  poort, 
het  Steentilpoortje  genoemd,  waarvoor  de  belegerden  een 
klein  aardenwerk  opwierpen,  het  Retranchement  genaamd. 
De  Keulenaars  zouden  nu  hun  aanval  doen  op  de  twee  bastions 
aan  weerszijden  van  de  Oosterpoort,  de  Munsterschen  op  het 
bastion  tusschen  de  Ooster-  en  de  Heerepoort,  dat  ook  door  de 
Keulenaars  werd  aangevallen,  en  op   de  bastions  westelijk  van 


Digitized  by 


Google 


l68  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

de  Heerepoort.  Den  eersten  dag  werd  de  loopgraaf  der  Keule- 
naars  bezet  door  3  bataljons,  die  der  Munsterschen  door  2  regi- 
menten. 

De  belegering  van  Groningen  verdient  minder  nog  uit  een 
wetenschappelijk  oogpunt  onze  aandacht,  dan  wel  door  den  stand- 
vastigen  moed  die  de  verdedigers  aan  den  dag  leggen,  en  ook 
omdat  men  uit  die  belegering  weer  het  bewijs  kan  putten,  hoe 
moeielijk  het  is  zich  meester  te  maken  van  eene  vesting  die  men 
niet  kan  insluiten.  De  aanvallers  gaan  in  twee  verschillende  nader- 
nissen vooruit,  zonder  dat  die  nadernissen,  die  op  sommige 
plaatsen  niet  meer  dan  een  el  of  tien  van  elkander  waren  ver- 
wijderd, zich  vereenigen ;  van  het  aanwenden  der  parallellen  vindt 
men  hier  geen  spoor.  De  loopgraven  van  de  Munsterschen  blijven 
gescheiden  van  die  der  Keulenaars,  en  er  wordt  vermeld,  dat 
die  der  eersten  veel  beter  en  ruimer  waren  dan  die  der  laatsten. 
Geschutvuur  wordt  door  den  aanvaller  op  eene  krachtdadige 
wijze  aangewend  om  de  vesting  te  doen  vallen ;  maar  hij  begaat 
daarbij  twee  groote  misslagen:  vooreerst  door  zijne  batterijen 
niet  gelijktijdig,  maar  de  eene  voor,  de  andere  na  in  werking  te 
brengen  en  ze  daardoor,  ieder  afzonderlijk,  bloot  te  stellen  aan 
het  overmachtige  vuur  van  de  vesting;  en  ten  tweede  door 
vooral  werpgeschut  te  bezigen,  niet  tegen  de  vestingwerken,  maar 
tot  verwoesting  van  het  inwendige  der  stad.  In  een  tijd,  toen  de 
gewapende  burgerij,  bij  de  verdediging  van  hare  stad,  meesttijds 
even  sterk  was  als  de  geregelde  bezetting,  kon  het  bombar- 
deeren van  eene  stad  beschouwd  worden  als  een  barbaarsch, 
maar  afdoend  middel  om  de  overgave  te  bewerken,  door  ont- 
moediging te  brengen  onder  die  burgerij;  d^r  echter,  waar  de 
burgerij  waartegen  men  te  strijden  had,  dapper  en  goed  bezield 
was,  kon  dit  middel  weinig  baten;  en  verminderde  men,  door 
een  deel  van  het  belegeringsgeschut  tegen  het  binnenste  der  stad 
aan  te  wenden,  de  mogelijkheid  om  de  vestingwerken  te  ver- 
nielen en  het  geschut  des  belegerden  tot  zwijgen  te  brengen. 

Vandaar  dan  ook  dat,  gedurende  het  gansche  beleg,  de  artil- 
lerie der  Groningers  onbetwistbaar  de  overhand  heeft  op  die 
des  vijands;  dat  er  gedurig  batterijen  der  belegeraars  worden 
vernield,  terwijl  slechts  zelden  vuurmonden  der  belegerden  tot 
zwijgen  worden  gebracht,  en  dat,  terwijl  de  belegeraars  zeer 
groote  verliezen  lijden,  in  de  stad  wel  veel  huizen  vernield  wor- 
den, maar  slechts  een  klein  aantal  der  verdedigers  sneuvelt.  — 
Uit  de  batterijen  werd  ook  met  gloeiende  kogels  gevuurd,  en 
uit  de  mortieren  bommen  in  de  stad  geworpen,  die,  naar  de 
opgave  van  onze  schrijvers,  150  ^  200  Nederlandsche  ponden 
wogen!  Ook  wordt  gesproken  van  mijngangen,  die  een  honderd 
el  lengte  hadden,  en  waarmede  de  aanvaller,  bedekt,  de  gracht 
schijnt  genaderd   te  hebben.   Die   mijngangen   moeten  lager  ge- 


Digitized  by 


Google 


GRONINGEN.  169 

weest  zijn  dan  het  bo venvlak  van  het  water  in  de  grachten  der 
vesting^  dat  iets  minder  dan  eene  el  beneden  het  maaiveld  stond. 

De  handelingen  der  verdedigers  bestonden  voornamelijk  in  het 
belemmeren  van  's  vijands  werkzaamheden  door  middel  van  een 
hevig  geschutvuur,  en  door  het  gedurig  doen  van  kleine  uit- 
vallen. De  belegerden  hadden  meer  geschut  dan  de  belegeraars 
en  gebruikten  het  op  eene  betere  wijze.  Vandaar  dat  zij  altijd  in 
het  voordeel  waren,  's  vijands  arbeid  vertraagden,  zijne  batterijen 
gedurig  vernielden  en  hem  een  groot  verlies  aan  manschappen 
toebrachten.  De  uitvallen  hadden  meest  plaats  aan  de  oostelijke 
zijde,  denkelijk  onder  bescherming  van  het  aardenwerk  dat  men, 
nog  gedurende  het  beleg,  voor  het  Steentilpoortje  opwierp;  een 
honderd,  een  paar  honderd  man  was  de  gewone  sterkte  der 
uitvallers,  die  meesttijds  voordeden  behaalden.  Tegen  het  ont- 
staan van  brand  werden  in  de  stad  de  meest  gepaste  maatregelen 
genomen,  en  daar  de  zuidelijke  wijken  het  meest  te  lijden  had- 
den, trok  de  burgerij  zich  grootendeels  in  het  noordelijk  gedeelte 
der  stad  terug.  Tegelijkertijd  waakte  Rabenhaupt  er  voor,  'dat 
de  vijand  geen  meester  werd  van  die  posten,  zooals  Aduarderzijl, 
de  Hoogerbrug  en  de  Ruisscherbrug,  wier  bezit  hem  in  staat 
zou  hebben  gesteld,  om  Groningen  geheel  in  te  sluiten  en  de 
gemeenschap  met  Holland  af  te  snijden ;  gedurig  werden  er  af- 
deelingen  afgezonden  om  de  bezettingen  dier  punten  te  verster- 
ken of  af  te  lossen;  andere  afdeelingen  werden  gebruikt  tot 
kleine  aanvallende  ondernemingen,  die  echter  niet  altijd  slaagden. 

Ziedaar  in  algemeene  trekken  den  gang  van  het  beleg  van 
Groningen,  dat  den  21  sten  Juli  begint  en  den  aSsten  Augustus 
eindigt;  de  bijzonderheden  welke  in  die  vijf  of  zes  weken  voor- 
vallen, zullen,  als  minder  belangrijk,  slechts  kort  worden  vermeld. 

Reeds  op  den  23stcn  Juli  begint  het  geschutvuur  der  vesting 
op  's  vijands  loopgraven  te  spelen;  dien  dag  krijgt  men  te  Gro- 
ningen eene  versterking  van  200  man,  behoorende  tot  het  regi- 
ment, door  Königsmarck  aangeworven.  Eerst  den  sósten  hebben 
de  Munsterschen  eene  batterij  van  5  stukken  gereed ;  deze  opent 
den  volgenden  dag  haar  vuur,  maar  alleen  zijnde,  wordt  zij  dra 
tot  zwijgen  gebracht  door  het  geschut  der  stad.  Den  aSsten  be- 
gint het  worpgeschut  des  vijands  op  de  stad  te  werken,  en  die 
beschieting  wordt  gedurende  bijna  het  geheele  beleg  voortgezet ;  de 
goede  maatregelen  die  men  in  de  stad  tegen  het  ontstaan  van 
brand  heeft  genomen,  maken  echter  dat  de  schade,  door  dit  bom- 
bardement veroorzaakt,  veel  minder  groot  was  dan  men  van  den 
langen  duur  had  kunnen  verwachten ;  's  avonds  wordt  meestal 
het  werpen  gestaakt  Het  kanonvuur  des  aanvallers  heeft  slechts 
eene  ondergeschikte  werking,  terwijl  dat  der  belegerden  gedurig 
toeneemt;  de  belegerde  heeft  nu  ook  2  mortieren  op  het  front 
van   aanval  gebracht;   eerst  den  28sten  bezet  hij  de  fausse-braie. 


Digitized  by 


Google 


lyo  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWING tN. 

Het  vuur  uit  het  Retranchement  voor  het  Sieentilpoortje  be- 
lemmert den  voortgang  van  de  Keulsche  loopgraven ;  toch  zijn 
de  mijngangen  van  den  vijand  den  3osien  Juli  reeds  tot  nabij 
de  gracht  gekomen. 

De  aanvaller,  hopende  door  het  bombardement  ontmoediging 
in  de  stad  te  hebben  gebracht,  deed  haar  toen  opeischen,  maar 
ontving,  den  istcQ  Augustus,  een  krachtig,  weigerend  antwoord. 
Het  bombardement  eener  stad,  wanneer  het  den  moed  der  be- 
volking niet  nederslaat,  zal  haar  integendeel  aanzetten  tot  eene 
verbitterde  verdediging;  het  is  een  gevaarlijk  middel;  gebruik 
het  tegen  een  weinig  krijgshaftige  bevolking,  die  zich  dadelijk 
de  ergste  schrikbeelden  schept,  en  maar  op  een  voorwendsel 
wacht  om  zich  over  te  geven;  maar  gebruik  het  niet  legen  een 
stoute,  met  geestdrift  vervulde  burgerij,  die  door  het  verwoesten 
van  hare  woningen  alleen  met  meer  haat  bezield  zal  worden 
tegen  den  vreemden  aanvaller ;  —  die  laatste  uitwerking  had  het 
hier  te  Groningen.  De  moed  der  verdedigers  werd  toen  juist 
verRoogd  door  de  tijding  van  's  vijands  afgeslagen  aanval  op 
Aduarderzijl,  en  het  vonnis,  op  dat  oogenblik  onder  trommen  en 
trompetten  in  de  straten  van  Groningen  tegen  den  verrader 
Broersma  uitgesproken,  werd  begroet  door  het  gejuich  der  met 
geestdrift  bezielde  bevolking. 

In  den  nacht  van  den  2en  Augustus  werden  een  50  man  der 
bezetting  met  een  turfpont  de  gracht  overgezet;  zij  vielen  op  de 
loopgraven  der  Keulenaars  aan,  doodden  eenige  vijanden  en  keer- 
den toen  terug.  Den  3cn  werd  die  uitval  door  een  ijo  man  hervat, 
welke  den  vijand  grootere  verliezen  toebracht;  den  volgenden  dag 
kwam  weer  eene  versterking  van  250  man  uit  Friesland  in  de 
stad  Groningen.  De  vijand,  hoezeer  reeds  den  3osten  Juli  in  de 
nabijheid  der  gracht  gekomen,  deed  echter  geen  poging  om  die 
over  te  trekken,  dewijl  het  geschut-  en  geweervuur  uit  de  vesting 
hem  hierin  hinderlijk  was;  van  nu  af  aan  kan  men  in  zijne 
handelingen  eene  onzekerheid,  eene  weifeling  opmerken,  die  aan- 
duidt hoezeer  hij  twijfelt  aan  het  welslagen  der  belegering.  Den 
7cn  Augustus  ondernam  hij  een  aanval  op  het  Retranchement 
voor  het  Steentilpoortje  en  op  de  Hoogerbrug;  de  eerste  ge- 
lukte aanvankelijk;  de  bezetting,  door  eene  vijandelijke  storm- 
kolonne  van  3  k  400  man  nog  voor  het  aanbreken  van  den  dag 
overvallen,  wijkt  in  wanorde  binnen  de  stad;  maar  het  geschut- 
vuur,  dat  dadelijk  uit  de  stad  op  het  verloren  werk  wordt  ge- 
opend, is  zoo  hevig,  dat  de  vijand  het  werk  moet  ontruimen, 
zoodat  het  weer  bezet  wordt  door  de  Hollanders.  —  De  aanval 
op  de  Hoogerbrug  werd  afgeslagen  met  groot  verlies  aan  de 
zijde  der  aanvallers. 

Die  mislukte  aanvallen  en  het  gedurig  aankomen  van  verster- 
kingen in  de  stad,  deden  den  toestand  der  belegeraars  hoe  lan- 


Digitized  by 


Google 


GRONINGEN.  17I 

ger  hoe  moeielijker  worden,  en  hunne  pogingen  bepalen  zich  voor- 
taan bijna  alleen  tot  het  voortzetten  van  het  borobarderoent.  De 
belegerde  daarentegen  begint  meer  aanvallenderwijze  te  handelen. 
Gedurig  zijn  er  kleine  afdeelingen  van  Königsmarck's  regiment 
aangekomen;  den  loen  Augustus  komt  het  regiment  van  Jorman, 
14  compagnieën  sterk,  in  de  vesting;  ook  de  vroegere  bezetting 
van  Coevorden  en  herhaalde  aanvoeren  van  krijgsbehoeften  en 
van  geld  bereiken  de  stad.  —  Rabenhaupt  deed  den  2 2 sten  Augus- 
tus eene  afdeeling  van  400  man,  onder  den  overste  Huninga, 
uittrekken  om  de  Nieuwe  Schans  te  hernemen,  in  het  oostelijk 
gedeelte  van  de  provincie;  door  misleiding  van  de  zijde  der 
gidsen  kwam  die  afdeeling  echter  te  laat  bij  die  sterkte  die  zij 
wilde  overvallen,  vond  den  vijand  reeds  onder  de  wapenen,  en 
werd  afgeslagen. 

Een  batterij  van  6  stukken,  door  den  belegeraar  in  den  nacht 
van  7 — 8  Augustus  voltooid,  wordt  reeds  den  volgenden  dag  tot 
zwijgen  gebracht  door  het  vuur  uit  de  vesting;  dit  vuur  heeft 
echter  minder  uitwerking  op  de  ingezonken  mortierbatterijen,  die 
voortgaan  met  het  werpen  van  bommen.  Den  1360  Augustus 
houdt  het  vuur  van  den  belegeraar  grootendeels  op  en  blijft  ge- 
durende eenige  dagen  geheel  onbeduidend;  hij  herstelt  zijne 
verliezen  zooveel  mogelijk,  en  bereidt  zich  voor  tot  eene  nieuwe 
krachtsinspanning;  maar  talrijke  troepen  overloopers,  die  dag 
aan  dag  binnen  Groningen  komen,  verkondigen  de  moedeloos- 
heid die  reeds  algemeen  is  onder  de  Munstersche  en  Keulsche 
krijgsmacht.  Den  17 en  hervat  de  aanvaller  het  vuur  uit  5  batte- 
rijen; te  zamen  gewapend  met  30  vuurmonden,  zeggen  onze 
schrijvers;  met  26  volgens  de  opgave  van  Renel.  Het  vuur  is 
heviger  dan  ooit,  en  van  de  belegerden  wordt  eene  batterij  bij 
de  Oosterpoort  tot  zwijgen  gebracht;  maar  de  Hollandsche  artil- 
lerie, overmachtig  in  getal,  behoudt  toch  de  overhand;  reeds 
tegen  den  avond  verflauwt  's  vijands  vuur;  den  volgenden  dag 
zijn  reeds  zooveel  verliezen  toegebracht  aan  den  vijand,  dat 
tegen  één  schot  van  hem,  de  belegerden  er  vier  of  vijf  doen ; 
en  het  springen  van  een  kruitwagen  doet  een  aantal  belegeraars 
sneuvelen.  Het  vuur  wordt  voortgezet  tot  den  sósten  Augustus; 
het  geschutvuur  hield  echter  meestal  tegen  den  avond  op,  en 
werd  's  nachts  vervangen  door  geweervuur.  —  Eene  afdeeling 
van  400  Keulenaars,  die  in  den  nacht  van  19 — 20  Augustus  de 
Ruisscherbrug  poogde  te  vermeesteren,  werd  met  groot  verlies 
afgeslagen. 

De  vijandelijke  legerhoofden  begonnen  toen  in  te  zien,  dat 
het  tijd  was  om  een  beleg  op  te  breken,  welks  voortzetting 
nadeelig  en  gevaarlijk  was.  Immers,  van  een  bestorming  was 
weinig  goeds  te  verwachten:  twij  zijn,"  schrijft  Renel  den  21  sten 
Augustus,   >  reeds  aan  den  rand  der  gracht,  en  kunnen  aan  den 


Digitized  by 


Google 


172  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

overgang  daarvan  beginnen;"  maar  hij  voegt  er  bij,  dat  door 
de  groote  hoeveelheid  geschut,  die  de  verdediger  overal  nog  in 
batterij  heeft  en  die  de  aanvaller  niet  tot  zwijgen  heeft  kunnen 
brengen,  die  grachtsovergang  zeer  moeielijk  {tres  rudé)  zal  zijn; 
bovendien,  er  was  niets  dat  op  eene  bres  geleek.  Een  storm  zou 
dus,  bij  de  reeds  heerschende  ontmoediging  bij  het  leger,  eene 
dwaasheid  zijn  geweest.  Het  beleg  voortzetten  op  andere  wijze, 
kon  ook  niet  voeren  tot  een  goed  einde;  want  daar  men  Gro- 
ningen niet  kon  insluiten,  kon  de  macht  des  verdedigers  gedurig 
versterkt  en  vernieuwd  worden;  het  geschut  van  den  aanvaller 
was,  voor  een  goed  gedeelte,  buiten  werking  gesteld;  de  Mun- 
stersche  en  Keulsche  soldaten  liepen  in  menigte  over,  en  de 
Hollandsche  macht  die  zich  in  Friesland  samentrok,  —  door 
Renel,  mogelijk  overdreven,  begroot  op  6000  man  infanterie, 
2000  ruiters  en  5000  gewapende  boeren  —  zou  toch  dag  aan 
dag  sterker  worden  en  kon  dus  spoedig  gevaarlijk  zijn  voor  het 
verzwakte  leger  dat  Groningen  bleef  aanvallen. 

Dit  alles  bewoog  de  vijandelijke  legerhoofden,  met  reden,  om 
tot  den  aftocht  te  besluiten.  —  Den  26stcn  Augustus  heeft  nog 
een  uitval  plaats,  waarin  de  belegerden  voordeden  behalen;  nog 
den  systen  vertoont  de  aanvaller  zich  bij  Helpen,  maar  neemt 
den  volgenden  dag  den  terugtocht  aan,  die  gedekt  wordt  door 
eene  achterhoede  die  stelling  neemt  tusschen  Helpen  en  Haren, 
en  in  den  nacht  van  29 — 30  Augustus  den  marsch  volgt  van  het 
hoofdleger.  De  bezetting  van  Groningen  is,  dadelijk  daarop,  bezig 
met  het  vernielen  van  de  aanvalswerken,  ten  einde  eene  hervat- 
ting van  het  beleg  te  verhinderen. 

Indien  men  onze  schrijvers  gelooven  mag,  zouden  de  verdedigers 
van  Groningen,  alles  en  alles,  nog  geen  honderd  man  aan  dooden 
hebben  verloren,  en  zou  het  verlies  des  vijands  gedurende  dit 
beleg,  aan  dooden,  gewonden,  gevangenen  en  overloopers,  10  è. 
12000  man  hebben  bedragen.  Wij  waarborgen  de  juistheid  van 
dit  laatste  getal  niet,  en  wij  vinden  het  zelfs  vrij  onverschillig 
of  het  verlies  van  de  belegeraars  een  paar  duizend  man  meer  of 
minder  is  geweest;  maar  zooveel  is  ten  minste  zeker,  dat  door 
dit  beleg  de  macht  der  Munsterschen  en  Keulenaars  in  onze 
oostelijke  gewesten  geheel  werd  geknakt,  en  van  dien  tijd  af  van 
alle  aanvallende  handelingen  moest  afzien. 

Wij  hebben  reeds  vroeger  de  omstandigheden  opgesomd,  die 
de  verdediging  begunstigden  en  de  inneming  van  Groningen  tot 
eene  hoogst  moeielijke  taak  maakten ;  —  maar  dit  belet  niet,  dat 
die  verdediging  toch  hoogen  lof  verdient  en  een  roemrijk  wapen- 
feit uitmaakt,  dat  wel  in  gedachtenis  mag  blijven,  't  Is  waar,  men 
vindt  hier  niet,  zooals  bij  de  belegeringen  van  den  tachtigjarigen 
oorlog  —  Haarlem,  Alkmaar,  Maastricht  en  andere  —  die  telkens 
herhaalde  en  telkens  afgeslagene  stormen,  dien  hevigen  kamp- 


Digitized  by 


Google 


GRONINGEN.  175 

Strijd  op  een  reeds  in  puin  liggenden  hoofdwal;  —  bressen  in 
den  hoofdwal^  stormen  op  den  hoofdwal  zijn  hier  niet  geweest; 
evenals  bij  de  belegeringen  van  den  nieuweren  tijd  heeft  de 
artillerie  hier  de  voornaamste  rol  gespeeld,  en  men  ziet  dit  wapen 
hier  optreden  met  eene  sterkte  en  eene  krachtdadigheid,  welke 
in  die  dagen  een  buitengewoon  verschijnsel  waren.  Maar  juist  in 
de  aanwending  van  de  artillerie  betoonen  de  belegerden  de 
grootste  bekwaamheid  en  geestdrift;  de  uitvallen,  door  hen  ge- 
daan^ de  verdediging  der  buitenposten,  van  wier  behoud  de 
insluiting  van  Groningen  afhing,  zijn  goed  en  eervol  geweest,  en 
den  hoogsten  lof  verdient  de  standvastigheid  der  bevolking,  die 
zich  niet  laat  ontmoedigen  door  de  verwoesting  van  een  goed 
gedeelte  van  hare  stad,  maar  integendeel  daardoor  wordt  aan- 
gevuurd tot  grootere  dapperheid.  De  28ste  Augustus,  de  dag 
van  het  opbreken  van  het  beleg,  wordt  dan  ook  terecht  in  Gro- 
ningen nog  steeds  feestelijk  herdacht,  evenals  de  Fransche  stad 
Rijssel  nog  heden  ten  dage  den  wederstand  herdenkt  die  zij,  in 
1792,  den  Hertog  van  Saksen -Teschen  bood.  Wat  zegt  evenwel 
die  verdediging  van  Rijssel,  vergeleken  met  het  wapenfeit  van 
1672;  wat  zegt  die  kortstondige  wederstand,  dat  bombardement 
van  zes  dagen,  tegen  den  wederstand  dien  Groningen  bood  aan 
krachtiger  aanval,  aan  veel  langduriger  bombardement ! 

Dadelijk  na  het  opbreken  van  het  beleg  van  Groningen  was 
Rabenhaupt  er  op  bedacht,  om  op  zijn  beurt  aanvallend  te 
werk  te  gaan,  en  den  vijand  de  verschillende  kleine  vestingen 
weer  te  ontnemen^  die  hij  in  het  oostelijk  gedeelte  der  provincie 
had  bemachtigd.  Eene  afdeeling  van  2000  man  voetvolk  en  rui- 
terij, onder  den  overste  Jorman,  verscheen  den  8sten  September 
voor  Winschoten ;  de  Munstersche  macht  die  hier  was  en  die  op 
een  1400  man  wordt  begroot,  wilde  zich  niet  laten  opsluiten 
binnen  de  vesting,  maar  verliet  haar  en  trok,  na  een  klein  ge- 
vecht, in  oostelijke  richting  terug,  Jorman  nam  toen  Winschoten 
in  bezit,  evenals  eenige  kleine  sterkten :  de  Winschoterschans,  de 
Winschoterzijl,  het  huis  Ter  Wedde  en  de  Bruggeschans,  die 
alle  zonder  slag  of  stoot  door  den  vijand  werden  ontruimd. 
De  HoUandsche  bevelhebber  begon  toen  de  insluiting  van  de 
Oude  of  Bellingwolderschans ;  in  deze  en  in  de  Nieuwe  of 
Langakkerschans  was  de  vijandelijke  macht  blijven  standhouden. 

Van  de  zijde  van  Friesland  was  ook  Aylva  aanvallend  te  werk 
gegaan,  —  nadat  eerst  een  aanval  door  de  Munsterschen,  in  den 
nacht  van  18 — 19  Augustus  op  de  Friesche  Schans  te  Heerenveen 
gedaan,  tot  driemaal  toe  was  afgeslagen.  Eene  afdeeling  van 
4  k  500  man,  onder  den  kapitein  Hania,  v/erd  ingescheept  om 
zich  meester  te  maken  van  Blokzijl,  bezet  door  een  200  man 
voetvolk  en  150  ruiters,  Munsterschen.  De  Friezen  landen  in  den 


Digitized  by 


Google 


174  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

nacht  van  j  — 2  September  te  Blankenham,  een  uur  ten  noorden 
van  Blokzijl,  ook  aan  de  Zuiderzee  gelegen;  de  Munstersche 
bevelhebber,  hiervan  onderricht,  trekt  hun  den  2en  September 
te  gemoet  met  het  grootste  gedeelte  van  zijne  bezetting,  maar 
wordt  geslagen,  en  neemt,  door  den  vijand  vervolgd,  de  wijk 
binnen  Blokzijl;  de  burgerij  staat  toen  op,  opent  een  der  poorten 
voor  de  Friezen,  en  de  Munstersche  bezetting  neemt  de  wijk, 
eenige  gesneuvelden  achterlatende,  waaronder  haar  bevelhebber. 

Weinige  dagen  later  werd  ook  de  Kuinderschans  door  de 
Friezen  bemachtigd  en  VoUenhoven  door  den  vijand  ontruimd; 
maar  eene  poging,  bijna  gelijktijdig  ondernomen,  om  zich  mees- 
ter te  maken  van  Zwartsluis,  mislukte;  voornamelijk  door  de 
persoonlijke  dapperheid  van  Chamilly,  die  zelf  van  Zwolle  toe- 
snelde  ter  hulpe  van  dat  plaatsje.  Bij  die  onderneming  tegen 
Zwartsluis  werd  het  jacht,  waarop  zich  de  aanvoerder  der  troepen- 
macht bevond,  door  de  bemanning  in  brand  gestoken  en  ver- 
laten; en  Chamilly  schrijft  dan  ook,  met  echt  Fransche  groot- 
spraak, den  yen  September  aan  Louvois,  dat  het  HoUandsche 
tadmiraalschip"  verbrand  is  geworden. 

Niettegenstaande  dit  kleine  nadeel  was  evenwel  op  het  einde 
van  September  in  de  noordoostelijke  gewesten  der  Republiek 
de  kans  des  oorlogs  geheel  in  haar  voordeel  gekeerd:  van  aan- 
gevallene, was  zij  daar  aanvaller  geworden. 


Enkele  algemeene  opmerkingen  mogen  hier  nog  volgen  over 
de  krijgsverrichtingen  gedurende  die  zoo  gewichtige  zomermaanden 
van  1672. 

De  handelingen  van  Willem  III  verdienen  hier  de  hoogste  be- 
wondering. Zeker,  men  kan  ook  daarop  aanmerkingen  maken; 
men  kan  vragen,  waarom  Oudewater  niet  bezet  bleef;  waarom 
Woerden  en  Naarden  —  vestingen  wier  herneming  later  zooveel 
kostte  —  zonder  slag  of  stoot  aan  den  vijand  werden  afgestaan  i 
Maar  men  moet  ook  in  aanmerking  nemen  de  overgroote  ver- 
warring en  moedeloosheid^  die  er  tijdens  de  ontruiming  vau 
Utrecht  in  het  staatsbestuur  van  Holland  bestonden;  en  dan  is 
het  te  verwonderen,  dat  er  nog  niet  meer,  niet  grooter  mis- 
slagen zijn  begaan.  De  kritiek,  rustig  in  de  stilte  van  het  studeer- 
vertrek de  gebeurtenissen  overpeinzende,  mag  wel  zeggen  welke 
handelingen  beter  en  doeltreffender  konden  genomen  zijn;  maar 
zij  heeft  niet  het  recht,  daarom  den  veldheer  te  veroordeelen, 
die  deze  handelingen  verrichtte,  te  midden  van  den  drang  des 
oogenbliks,  van  de  woeling  der  gebeurtenissen,  die  geen  tijd 
lieten  tot  bezinning  en  tot  overweging;  zijn  die  handelingen 
over  het  geheel  goed  geweest,  prijs  ze,  al  is  het  dat  zij  in 
enkele  bijzonderheden  beter  hadden  kunnen  zijn ;  prijs  ze  te  meer, 


Digitized  by 


Google 


ALGEMEBNE  OPMERKINGEN.  175 

naarmate  de  omstandigheden  waaronder  zij  plaats  hadden,  moeie- 
lijker  zijn  geweest  £n  wie,  die  den  toestand  van  Holland  op  het 
einde  van  Juni  1672  overweegt,  den  staat  van  ontbinding  des 
legers,  de  moedeloosheid  der  bevolking,  den  weerloozen  toestand 
der  grenzen,  de  nabijheid  en  de  reuzenmacht  des  vijands,  — 
wie,  die  dit  alles  overweegt,  moet  niet  eerbied  en  bewondering 
gevoelen  voor  die  handelingen  van  Willem  III,  waardoor  Hol- 
land is  gered  geworden.  Doorblader  vrij  de  geschiedenis,  gij  zult 
geen  tweede  verdediging  vinden  als  die  van  onzen  Staat  in  1672. 
Ziet  Wellington's  verdediging  van  Portugal  in  1810 — 181 1;  zij 
is  geprezen,  en  met  reden;  zij  is  een  der  schoonste  lauwer- 
kransen die  het  hoofd  des  Britschen  veldheers  omgeven ;  —  maar, 
let  men  op  de  mindere  sterkte  van  den  vijand  waardoor  Wel- 
lington werd  aangevallen,  op  zijne  eigene  sterke  en  goed  ge- 
oefende krijgsbenden,  op  den  langen  tijd  waarin  deze  verdedi- 
ging reeds  was  voorbereid,  en  op  den  krachtigen  bijstand  dien  hij 
vond  in  de  rijke  hulpmiddelen  van  Groot-Brittanje,  —  dan  komt 
men  tot  de  overtuiging,  dat  Willem  III,  die  in  1672  onder  zoo 
veel  ongunstiger  omstandigheden  streed,  oneindig  boven  het 
Engelsche  legerhoofd  moet  worden  gesteld. 

Op  de  handelingen  van  de  Fransche  legerhoofden  zijn  zeer 
ernstige,  zeer  gewichtige  aanmerkingen  te  maken.  Die  leger- 
hoofden hebben  in  den  zomer  van  1672  eene  traagheid  betoond, 
een  gebrek  aan  goede  strategische  inzichten,  welke  hun  veld- 
heersroem  zouden  verduisteren,  —  wanneer  de  geschiedenis  ons 
niet  tevens  leerde,  dat  zij  niet  vrij  zijn  geweest  in  hunne  hande- 
lingen, maar  afhingen  van  de  bevelen  van  hun  Koning  en  van 
zijne  staatsdienaars.  Het  slechte  krijgsbeleid,  dat  in  dit  tijdvak 
van  den  veldtocht  aan  de  Fransche  zijde  valt  op  te  merken,  is 
minder  te  wijten  aan  Condé  en  Tui  enne,  dan  wel  aan  Lode- 
wijk  XIV  en  aan  Louvois. 

Reeds  is  aangemerkt  dat,  bij  meer  werkdadigheid  aan  de 
Fransche  zijde,  de  verovering  van  Holland  in  de  maand  Juni 
mogelijk  en  zelfs  waarschijnlijk  was  geweest;  dat,  dadelijk  aan- 
vallende, vóórdat  de  Hollandsche  waterlinie  behoorlijk  was  ge- 
steld, versterkt  en  bezet,  de  Fransche  bataljons  Den  Haag  en 
Amsterdam  zouden  zijn  binnengetrokken.  Toen  men  dit  gunstig 
oogenblik  ongebruikt  voorbij  had  laten  gaan,  toen  was  het  zeker 
niet  raadzaam,  eene  grens  aan  te  vallen  die  in  een  zoo  geduchten 
staat  van  verdediging  was  gebracht;  —  maar  men  had  toch  den 
tijd  niet  zoo  werkeloos  behoeven  te  laten  verstrijken. 

Men  wist  dat  de  mogelijkheid  bestond  dat  Duitsche  legers  tot 
hulp  der  Republiek  oprukten,  om  Frankrijk  zijne  daar  gemaakte 
veroveringen  weer  afhandig  te  maken,  maar  men  wist  ook,  dat 
de  bijeenbrenging  en  de  opmarsch  dier  legers  altijd  langzaam 
gingen,  en  dat  er  minstens  een  maand  of  twee,   drie  moesten 


Digitized  by 


Google 


176  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

verloopen,  eer  zij  zich  aan  den  Rijn  zouden  vertoonen.  Van 
dien  tijd  had  men  gebruik  moeten  maken  om,  door  het  bemach- 
tigen der  gewesten,  door  welke  het  verband  werd  onderhouden 
tusschen  Frankrijk  en  zijne  veroveringen  in  Holland,  in  staat 
te  zijn  om  die  veroveringen  te  kunnen  blijven  behouden,  in 
weerwil  van  de  nadering  der  vijandelijke  legers.  Men  had  slechts 
eene  kleine  macht  ten  noorden  van  de  Hollandsche  rivieren 
moeten  achterlaten,  om  daarmede  Willem  III  in  bedwang  te 
houden;  maar  met  de  hoofdmacht  zich  onverwijld  moeten  wer- 
pen op  de  bijna  geheel  onbezette  Noord-Brabandsche  vestingen, 
en  op  de  Spaansche  Nederlanden  waar  slechts  eene  geringe  krijgs- 
macht aanwezig  was.  In  een  paar  maanden  tijds  had  men  in 
Noord-Braband  en  in  de  gewesten  tusschen  Schelde  en  Maas 
zooveel  kunnen  veroveren  om  daardoor  eene  goede,  onafgebro- 
kene  gemeenschap  in  het  leven  te  kunnen  roepen  tusschen 
Frankrijk  en  de  Fransche  troepen,  die  voor  de  poorten  van 
Amsterdam  stonden.  Wanneer  dan  de  Brandenburgsche  en  Kei- 
zerlijke legers  aan  den  Rijn  kwamen,  beheofde  de  krijgsmacht 
in  Holland  niet  bevreesd  te  zijn  voor  het  verlies  van  de  gemeen- 
schap met  de  operatie- bazis;  zij  kon,  terwijl  andere  legers  de 
Duitsche  bestreden,  in  De  Nederlanden  blijven,  en  in  dezen  of  den 
volgenden  veldtocht  de  verovering  van  dat  land  voltooien. 

In  stede  daarvan  brengt  men  den  tijd  werkeloos  door;  men 
besteedt  weken,  maanden  aan  nietsbeduidende  verrichtingen.  Men 
neemt,  't  is  waar,  Nijmegen,  Grave,  het  fort  Crèvecoeur;  maar 
men  denkt  niet  aan  Breda  en  Den  Bosch;  men  denkt  niet  aan 
de  Spaansche  Nederlanden,  die  toch,  door  het  ondersteunen  van 
de  Republiek,  genoeg  aanleiding  hadden  gegeven  tot  vijandschap, 
en  die  men  toch,  zonder  eenig  ontzag,  in  alle  richtingen  door- 
trekt. Men  begaat  den  misslag,  van  alle  vestingen  der  Republiek 
die  men  vermeeslerd  heeft,  te  bezetten ;  en  men  versnippert  daar- 
door zijne  macht  zoodanig,  dat,  van  een  leger  van  een  groote 
honderd  duizend  man,  Luxembourg  met  slechts  16000  man  bij 
Utrecht,  Turenne  met  een  12000  man  bij  den  Rijn,  en  Chamilly 
met  eene  kleine  macht  bij  Maastricht,  alles  is  wat  te  velde  over- 
blijft; —  het  is,  zooals  wij  vroeger  reeds  opmerkten,  moeielijk 
om  te  zeggen,  welke  van  de  beide  partijen  in  dezen  veldtocht 
het  onverstandigst  te  werk  ging  met  de  vestingen,  en  voor  wie 
zij  het  nadeeligst  zijn  geweest. 

De  Fransche  schrijvers  wijten  dien  laatsten  misslag  aan  Louvois, 
evenzeer  als  den  misslag,  om  een  groot  aantal  Hollandsche  krijgs- 
gevangenen voor  een  gering  losgeld  vrij  te  laten,  en  den  Stad- 
houder dus  de  gelegenheid  te  geven  om  zijn  leger  opnieuw  aan 
te  vullen.  Louvois  of  Lodewijk  XIV  ?  maar  op  wien  de  verant- 
woordelijkheid ook  moge  neerkomen,  zeker  is  het,  dat  in  dit 
tijdvak  van  den  veldtocht  het  krijgsbeleid  aan  de  Fransche  zijde 


Digitized  by  VjOOQIC 


ALGEMBENC  OPMERKINGEN.  177 

slecht  b  geweest;  daaraan  is  het  toe  te  schrijven,  dat  Holland 
niet  werd  veroverd,  dat  Willem  UI  een  leger  kon  scheppen,  dat 
de  Fransche  strijdkrachten  dwaaselijk  werden  verdeeld  en  dat 
de  gemeenschap  van  het  Fransche  leger  met  zijne  operatie-bazis 
onverzekerd  bleef,  zoodat  de  minste  bedreiging  van  die  gemeen- 
schap dat  leger  in  gevaar  bracht;  de  veroveringen  in  Holland, 
die  van  blijvenden  aard  hadden  kunnen  zijn,  waren  nu  niets 
anders  dan  het  kortstondig  bezetten  van  eene  landstreek  bij  een 
oogenblikkelijken  strooptocht. 

Wat  de  krijgsverrichtingen  in  de  oostelijke  gewesten  der  Repu- 
bliek aangaat,  in  Overijsel  merkt  men  de  gewone  zwakheid  op, 
die  in  dezen  veldtocht  aanvankelijk  de  Hollandsche  wapenen 
kenmerkte;  weldra  afgewisseld  door  een  krachtigen  en  beleid- 
vollen  wederstand  in  Friesland  en  Groningen.  Op  de  handelingen 
van  de  Mnnstersche  en  Keulsche  aanvoerders  vallen  geene  bijzon- 
dere aanmerkingen  te  maken:  hun  besluit  om  de  verovering 
van  Friesland  en  Groningen  te  ondernemen,  was  zeer  goed; 
niet  alleen  om  het  dadelijk  belang  dat  zij  hadden  in  het  bezit 
van  die  gewesten,  maar  ook  omdat  zij  daar  het  bijeentrekken 
en  vergrooten  eener  vijandelijke  macht  moesten  verhmderen,  die 
de  rechterzijde  van  hunne  operatielijn  bedreigde.  Dat  zij  de  stad 
Groningen  belegerden  was  eene  gewaagde  onderneming,  evenals 
het  beleg  van  elke  vesting  die  men  niet  kan  insluiten;  maar  de 
ontmoediging  die  aan  de  Hollandsche  zijde  bestond,  en  de  vroe- 
gere voordeden,  zoo  gemakkelijk  door  de  vijandelijke  aanvoerders 
behaald,  gerechtigden  die  aanvoerders  om  iets  te  wagen.  Onnoodig 
is  het,  te  wijzen  op  het  hooge  belang  dat  Groningen  toen  had 
als  vesting;  een  belang  dat  het  nóg  zou  kunnen  hebben. 

Die  krijgsverrichtingen  van  1672  bewijzen  eindelijk  het  groote 
verdediging^vermogen  dat  ons  land  heeft,  en  waardoor  het  zijne 
onafhankelijkheid  kan  verdedigen  tegen  den  aanval  van  den 
sterksten  vijand.  Wij  zwijgen  hier  van  de  macht,  welke  in  dat 
jaar  ter  zee  de  Republiek  aanviel,  en  waartegenover  zij  eene 
bijna  even  sterke  macht  stelde;  alleen  van  den  oorlog  te  lande 
wordt  hier  gesproken.  De  krijgsmacht  die  te  lande  onze  Republiek 
aantastte,  was  in  getalsterkte  en  in  samenstelling  zóó  geducht,  dat 
zij  zonder  voorbeeld  was  in  het  verledene,  en  de  toekomst  er 
mogelijk  geen  tweede  voordbeeld  van  zal  opleveren;  het  leger 
der  Republiek  daarentegen  was  in  allen  deele  zwak  en  slecht, 
hare  vestingen  in  den  ellendigsten  toestand,  de  bevolking  zonder 
militairen  geest  en  bovendien  verdeeld  door  staatstwisten ;  —  en 
toch,  wat  is  de  uitkomst  ?  Het  behoud  van  Holland,  de  geheele 
mislukking  der  onderneming  van  Lodewijk  XIV.  Men  moge  die 
uitkomst  voor  een  deel  toeschrijven  aan  de  misslagen  van  de 
vijandelijke  aanvoerders,  voor  een  grooter  deel  aan  de  uitstekende 
bekwaamheden  van  een  Willem  III,  voor  het  grootste  deel  is  zij 

WILLEM  in.  —  I.  12 


Digitized  by 


Google 


178  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

te  danken  aan  de  natuurlijke  sterkte  van  ons  land,  aan  die  krach- 
tige verdedigingslijn  die  Holland  omgeeft,  en  die  den  vijand  zoo 
geducht  voorkwam,  dat  hij  het  zelfs  niet  waagde  om  haar  aan 
te  vallen. 


HOOFDSTUK  VI. 

OVERGANG  VAN  WILLEM  III  TOT  DEN  AANVAL;  WOERDEN ; 
TOCHT  NAAR  MAASTRICHT  EN  DE  BOVENMAAS  (NAJAAR  VAN  1672). 

Zoo  zwak,  ZOO  weerloos  als  Holland  was,  toen  de  heirscharen 
van  Lodewijk  XIV  den  breeden  Rijnstroom  doortrokken,  zoo 
sterk  en  krachtig  was  dat  gewest  drie  maanden  later;  het  was 
herschapen  in  eene  groote,  bijna  onaanvalbare  vesting;  een 
sterke  burcht  voor  de  belaagde  vrijheid.  Aan  de  zeezijde  strekte 
De  Ruyter's  vloot  den  Staat  tot  bescherming;  en  daar,  waar  de 
hulp  dier  vloot  ontbrak,  deed  eene  buitengewone  lange  ebbe  de 
voorgenomen  landing  van  den  vijand  mislukken,  hetgeen  bij  den 
vromen  zin  onzer  vaderen  voor  een  duidelijk  teeken  werd  aan- 
gezien, dat  het  Opperwezen  zijne  beschermende  hand  over  Neder- 
land hield  uitgebreid.  Te  land  werd  men  door  de  onderwater- 
zettingen beschut;  en  zelfs  wanneer  de  vijand  die  doortrok,  dan 
zou  hij  nog  op  alle  punten  een  geduchten  tegenstand  ontmoeten. 
De  eerste  jaren  van  de  worsteling  tegen  Spanje  schenen  terugge- 
komen te  zijn;  geestdrift  had  aller  gemoed  ontvlamd  en  den 
vreedzamen  burger  herschapen  in  een  kloeken  krijgsman.  Stad 
voor  stad  wilde  zich  tegen  Luxembourg  verdedigen,  zooals  zij 
dit,  eene  eeuw  vroeger,  tegen  Alva's  barbaarsche  horden  hadden 
gedaan. 

Het  machtige  Amsterdam  vooral  gaf  toen  een  uitstekend  voor- 
beeld van  geestkracht  en  vaderlandsliefde;  en  wat  het  genie  van 
KrayenhofF  in  1810  beraamde,  werd  reeds  in  1672,  op  eenigszins 
andere  wijze,  ten  uitvoer  gebracht.  De  Diemermeer-  en  Bijlmermeer- 
polders  waren  onder  water  gezet;  op  alle  toegangen  de  bruggen 
afgebroken ;  de  wegen  afgesloten  door  sterke  dwarswallen  en  batte- 
rijen; forten  aangelegd  op  verschillende  punten:  aan  den  hoek 
van  den  Diemermeer-polder,  op  een  kwartieruur  van  de  stad;  op 
den  weg  naar  Ouwerkerk;  aan  den  Overtoom,  een  halfuur  van  de 
stad;  op  halfweg  Haarlem  en  Amsterdam,  en  eindelijk  een  bij 
Jaap  Hannes.  De  bolwerken  van  de  stad  werden  tevens  opge- 
maakt, van  beddingen  voor  geschut  voorzien  en  met  een  twee- 
honderd vuurmonden  bewapend;  de  grachten  werden  uitgediept, 


Digitized  by 


Google 


OVERGANG   VAN  WILLEM   III  TOT   DEN  AANVAL.  179 

de  Stad  omgeven  door  oorlogsschepen  en  gewapende  uitleggers. 
De  schutterij  bestond  uit  5  regimenten,  60  vendelen  uitmakende, 
die  te  zamen  een  12000  goed  gewapende  mannen  telden.  Boven- 
dien had  men,  uit  de  aanzienlijkste  burgers,  3  compagnieën  vrij- 
willige ruiters  samengesteld,  en  eindelijk  1600  matrozen  en  zee- 
soldaten,  onder  den  vice-admiraal  Zweers  voor  de  verdediging  van 
de  stad  bestemd.  Amsterdam,  dat  door  zijne  afgevaardigden  zoo 
krachtig  had  medegewerkt  om  de  vredesvoorslagen  van  Frankrijk 
en  Engeland  te  doen  verwerpen,  ging  dus  ook  de  anderen  voor 
in  de  wapening  tegen  de  legers  dier  Staten ;  maar  ook  de  andere 
Hollandsche  steden  hadden  hetzelfde  gedaan;  alom  had  men, 
met  kracht  van  armen,  de  wallen  en  mureh  weer  in  orde  ge- 
bracht, en  alle  maatregelen  gehomen  om  de  nabijgelegen  gronden 
onder  water  te  zetten;  de  Zuiderzee  was  met  oorlogsschepen 
bezet  om  elke  landing  van  den  vijand  in  Holland  onmogelijk 
te  maken. 

Holland,  «omheind  door  kracht,  versterkt  door  orde,"  was 
toen  dus  het  sterke  bolwerk  dat  Helmers  zich  in  1795  dweepte, 
en  veilig  kon  men  daar  het  beuken  van  den  stormram  des  vijands 
trotseeren.  Maar  toch,  hoe  gunstig  de  kansen  ook  waren  voor 
de  verdediging,  oordeelde  Willem  III  met  reden,  dat  het  verkeerd 
zou  zijn  om  zich  tot  die  verdediging  te  bepalen.  De  Fransche 
macht,  te  Utrecht,  Naarden  en  Woerden  aanwezig,  bleef  altijd 
als  een  dreigend  onweer  boven  Holland  hangen;  eene  strenge, 
lang  aanhoudende  vorst,  die  de  onderwaterzettingen  doelloos 
maakte;  verslapping  en  verflauwing  bij  de  verdediging,  niet 
vreemd  als  die  verdediging  zeer  lang  moet  worden  voortgezet ; 
onwil  in  het  opbrengen  van  de  lasten;  binnenlandsche  onlusten 
door  verminderde  welvaart,  door  de  kuiperijen  des  vijands  teweeg- 
gebracht; een  niet  te  voorzien  toeval;  —  dit  alles  kon  mogelijk  de 
wapens  uit  de  handen  doen  vallen,  en  den  vijand  den  weg  banen 
tot  de  geheele  verovering  des  lands.  Want,  welk  eene  onneem- 
bare sterkte  de  grenzen  van  Holland  ook  hebben,  zoo  is  het 
toch  altijd  een  zeer  bedenkelijke  toestand  wanneer  de  vijand 
meester  is  van  de  overige  gewesten,  daar  dan  de  hulpmiddelen 
dier  gewesten  verloren  zijn  voor  onzen  Staat,  en  de  uitputting, 
door  buitengewone  omstandigheden  teweeggebracht,  lichtelijk 
onwil  kan  doen  ontstaan  en  daardoor  een  einde  maken  aan  de 
verdediging.  In  1672  was  dit  te  meer  waar,  omdat,  niettegen- 
staande de  overwinning  van  Soleba y,  en  niettegenstaande  de 
overgroote  voordeelen  door  de  Zeeuwsche  kapers  behaald,  het 
meesterschap  ter  zee  toch  in  geenen  deele  voor  ciis  was  ver- 
zekerd. Die  stand  van  zaken  mocht  dus  in  1672  niet  te  lang 
aanhouden;  de  vijand  moest  verder  worden  teruggedreven;  hij 
mocht  niet  blijven  voor  de  poorten  van  Amsterdam;  hij  moest 
worden  aangevallen. 


Digitized  by 


Google 


l8o  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

De  vijand  moest  worden  aangevallen.  —  Maar  alvorens  dien 
aanval  te  doen  met  dien  nadruk  die  kon  doen  hopen  daardoor 
groote  uitkomsten  te  verkrijgen,  wilde  de  Stadhouder  eerst  de 
kracht  van  zijn  leger  beproeven.  Dat  leger  was,  sedert  het  ver- 
laten van  den  Rijn,  aanmerkelijk  verbeterd  in  getalsterkte,  in 
oefening,  in  krijgsgeest ;  maar  de  indruk  van  de  droevige  gebeur* 
tenissen  waarmede  de  veldtocht  begon,  was  nog  niet  uitgewischt ; 
de  overtuiging  bestond  nog  niet,  dat  men  met  goed  gevolg  den 
kamp  kon  wagen  tegen  de  goede  en  krijgshaftige  legers  van 
Lodewijk  XIV.  Die  overtuiging  wilde  de  Stadhouder  aan  zijn 
leger  geven,  vóórdat  hij  met  dat  leger  een  veldslag  leverde  die 
de  beslissing  van  den  oorlog  kon  aanbrengen ;  kleine  aanvallende 
gevechten  moesten  eerst  de  Hollandsche  bataljons  doen  inzien, 
dat  zij  in  dapperheid  niet  onderdeden  voor  hun  vijand ;  en  vóór- 
dat die  bataljons  in  Duitschland  of  in  de  Spaansche  Nederlanden 
de  legers  van  Condé  en  Turenne  opzochten,  moest  eerst  den 
strijd  op  vaderlandschen  bodem  een  waarborg  geven  dat  er  in 
dat  vooruitrukken  op  vreemden  grond  geen  vermetelheid,  geen 
roekeloosheid  was  gelegen.  De  Stadhouder  besloot  dus  pogingen 
te  doen,  om  den  vijand  zijne  veroveringen  in  de  Republiek  weer 
gedeeltelijk  afhandig  te  maken;  de  vermeerdering  van  zijne 
eigene  strijdkrachten,  de  aanzienlijke  vermindering  van  de  Fransche 
macht  gaven  die  onderneming  veel  kans  tot  gelukken.  Allereerst 
wilde  men  op  den  vijand  die  versterkte  punten  hernemen,  die, 
als  uiterste  voorposten,  Holland  bedreigden;  vandaar  de  aan- 
slagen op  Naarden  en  Woerden;  in  die  aanslagen  moet  men 
echter  in  hoofdzaak  niets  anders  zien  dan  het  middel  om  moed 
en  zelfvertrouwen  bij  eigen  troepen  te  herstellen,  bij  den  vijand 
te  verzwakken.  Men  moet  er  niet  in  zien  eene  poging  van 
Willem  III  om  den  vijand  op  die  wijze  weer  uit  de  Republiek 
te  verdrijven:  daartoe  zou  de  Stadhouder  middelen  aanwenden, 
meer  krachtig,  meer  afdoende. 


Nadat  eene  poging,  op  den  28sten  September  ondernomen,  om 
Naarden  te  verrassen,  door  eene  toevallige  omstandigheid  mis- 
lukt was,  besloot  de  Sudhouder  —  in  het  begin  van  October  — 
een  aanslag  te  beproeven  op  Woerden.  Die  stad,  sedert  i8  Sep- 
tember weer  bezet  door  de  Franschen,  was  door  hen  versterkt 
en  voorzien  van  eene  goede  bezetting,  volgens  sommige  opgaven 
2000  man  bedragende ;  de  bevelhebber  was  de  graaf  De  la  Marck. 
Het  voorname  voordeel  dat  het  bezetten  van  dit  punt  aan 
Luxembourg  verschafte  was,  dat  het  eene  voorpost  uitmaakte 
voor  Utrecht,  men  van  daar  het  vooruitrukken  der  Hollanders 
van  de  zijde  van  Bodegraven  kon  verhinderen,  en  men  tevens 
kon  fourageeren  in  de  omliggende  landstreek. 


Digitized  by 


Google 


WOERDEN.  l8l 

De  aaavals-dispositiëD  van  Willem  III  bestonden  hoofdzakelijk 
hierin : 

Er  zou  eene  demonstratie  gedaan  worden  tegen  Naarden^  ten 
einde  Luxembourg,  met  'svijands  hoofdmacht,  daarheen  te  lok- 
ken; evenzoo,  om  den  vijand  bezig  te  houden,  zou  Louvignies 
van  Schoonhoven  een  detachement  afzenden  om  Vreeswijk  aan 
de  Vaart  te  vermeesteren,  waar  de  Franschen  zich  versterkt 
hadden;  die  aanval  zou  worden  ondersteund  door  gewapende 
vaartuigen  op  de  Lek;  en  terwijl  de  vijand  dus  op  twee  punten 
werd  verontrust,  zouden  Zuylestein  en  Hoorne,  van  Nieuwerbrug 
en  van  Oudewater  oprukken  om  Woerden  in  te  sluiten.  De  eerste 
zou  zich  plaatsen  oostelijk  van  Woerden  naar  de  zijde  van 
Utrecht^  aan  de  Grovenbrug,  zich  daar  verschansen  om  op  die 
wijze  den  vijand  den  weg  af  te  sluiten  als  deze  de  aangevallene 
vesting  te  hulp  wilde  komen;  het  regiment  van  Solms  met  nog 
eenige  andere  compagnieën  voetvolk  waren  onder  zijn  bevel; 
volgens  eene  der  opgaven  maakte  dit  een  1500  man  uit.  Hoome 
had  12  compagnieën  infanterie  en  zeesoldaten,  alles  te  zamen  een 
tooo  man  met  12  stukken  geschut  bij  zich;  hij  moest  aan  de 
zijde  van  Polanen  en  het  oostelijke  front  van  Woerden  aanvallen ; 
om  zijn  terugtocht  op  Oudewater  te  verzekeren,  werden  8  com- 
pagnieën infanterie  en  eenige  ruiterij,  onder  Liebergen,  te  Mont- 
foort  geplaatst.  Dadelijk  na  de  insluiting  zou  Willem  in  met 
4  regimenten  van  Bodegraven  oprukken,  om  Woerden  aan  de 
westzijde  aan  te  vallen.  Men  zal  niet  ver  van  de  waarheid  zijn, 
als  men  de  gehcele  macht  van  den  aanvaller  op  6  è.  8000  man 
stelt.  De  10e  October  werd  vastgesteld  voor  het  begin  der 
onderneming. 

Aanvankelijk  scheen  zij  met  geluk  bekroond  te  worden.  De 
tijding  van  het  bijeentrekken  van  troepen  te  Muiden  en  Weesp 
deed  Luxembourg  vreezen  voor  Naarden;  hij  verliet  daarop 
Utrecht  met  het  grootste  gedeelte  zijner  macht,  en  stond,  vol- 
gens ééne  opgave,  den  loen  October  met  een  4000  man  voet- 
volk en  eene  sterke  ruiterij  te  's  Graveland,  een  groot  uur  ten 
zuiden  van  Naarden  en  7  uren  van  Woerden  verwijderd.  Voor 
die  vesting  waren,  den  loen  October,  Zuylestein  en  Hoome 
verschenen;  Zuylestein  was  voorbijgetrokken  en  had  's  nachts 
stelling  genomen  aan  de  Grovenbrug;  hier  had  hij  inderhaast 
eene  verschansing  opgeworpen,  waarachter  teenig  geschut"  werd 
geplaatst,  —  zeggen  de  opgaven  van  onze  schrijvers;  de  Fran- 
^c)len  maken  daarvap  een  volledig  fort  met  7  stukken  bewapend. 
Hoorne  had  nabij  Polanen  eene  batterij  voor  12  stukken  opge- 
worpen, om  daarmede  het  vuur  op  de  stad  te  openen.  Oranje, 
aan  de  westzijde  van  Woerden  oprukkende,  had  een  uitval  afge- 
slagen van  400  man  der  Fransche  bezetting,  ondernomen  met 
het  doel  om  de  pannebakkerijen  in  brand  te  steken,  die  der  ver- 


Digitized  by 


Google 


l82  KRIJGS'    EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

dediging  hinderlijk  waren;  dat  in  brand  steken  was  slechts  ge- 
deeltelijk gelukt. 

Sein  vuren,  kanonschoten  hebben  intusschen  Luxembourg  be- 
kend gemaakt  met  het  gevaar  dat  Woerden  bedreigt,  en  in  den 
nacht  van  lo  op  ii  October  gaat  de  Fransche  bevelhebber  in 
persoon  naar  Utrecht,  aan  een  zijner  onderbevelhebbers,  De 
Genlis,  lastgevende  om  hem  onverwijld  met  de  troepen  derwaarts 
te  volgen.  Den  iien  is  het  Fransche  legerhoofd  te  Utrecht.  Hoe- 
wel zijne  troepen  nog  achter  zijn,  gaat  Luxembourg,  door  zijn 
ongeduld  aangespoord  en  met  reden  vreezende  dat  bij  langer 
verwijl  de  Hollanders  hunne  stelling  onaanvalbaar  zullen  maken, 
onverwijld  op  marsch  met  de  te  Utrecht  voorhandene  macht. 
Omtrent  de  sterkte  van  die  macht  zijn  de  opgaven  zeer  ver- 
schillend; onze  schrijvers  spreken  van  8  a  9000  man,  die  der 
Franschen  zeggen  2  k  3000;  —  wij  gelooven  dat,  indien  het 
eerste  getal  te  hoog  is,  het  laatste  te  laag  wordt  gesteld,  ten 
minste  te  oordeelen  naar  het  aantal  bataljons  dat,  volgens  het 
verhaal  van  De  Saveuse,  een  deelgenoot  aan  den  strijd,  Luxem- 
bourg vergezelde:  hij  noemt  zes  geheele  bataljons,  behalve  nog 
wat  er  te  Utrecht  aanwezig  was  van  eenige  andere  door  hera 
genoemde  regimenten.  Trouwens,  dit  verschil  in  de  opgave  der 
sterkte  is  van  zeer  weinig  belang:  wie  bekend  is  met  de  land- 
streek tusschen  Utrecht  en  Woerden,  weet  dat  zij  volstrekt  geen 
uitbreiding  van  groote  troepenmacht  toelaat;  het  slagveld  be- 
paalt zich,  om  zoo  te  zeggen,  tot  den  weg  tusschen  die  beide 
steden,  ten  zuiden  besloten  door  den  Rijn,  ten  noorden  door 
laag  weiland,  doorsneden,  gedeeltelijk  onder  water  staande.  Het 
is  een  slagveld  waar  duizend  man  het  hoofd  kunnen  bieden  aan 
honderd  duizend. 

Vooruitrukkende  komt  Luxembourg  te  Harmeien,  waar  hij  op 
den  toren  lichten  doet  plaatsen  om  De  La  Marck  kennis  te 
geven  van  zijne  nadering;  nog  op  den  avond  van  den  11  en 
stoot  hij  op  den  door  Zuylestein  bezetten  post,  valt  dien  aan, 
maar  wordt  afgeslagen.  De  Fransche  aanvoerder  ziet  dra  in,  welk 
een  geduchte  sterkte  de  door  de  Hollanders  bezette  stelling  heeft 
en  hoe  een  frontaanval  bijna  onuitvoerbaar  is ;  hij  verneemt  naar 
wegen  om  die  stelling  te  omtrekken  en  zóó  Woerden  te  bereiken. 
De  Montbas,  door  wraakzucht  aangespoord,  had  Luxembourg 
bij  zijn  tocht  vergezeld;  die  overlooper  —  of,  volgens  andere 
opgaven,  een  ritmeester  De  Mélac,  die,  lang  te  Woerden  geweest 
zijnde,  de  omliggende  landstreek  kende  —  wijst  een  weg  aan 
die,  rechts  over  Houtdijken  naar  het  dorp  Kamerijk  voerende, 
van  daar  verder,  over  half  verdronken  land,  over  de  Kruip  in, 
uitkwam  tusschen  den  post  van  Zuylestein  en  Woerden.  Zuylestein 
had  op  dien  weg  geen  acht  geslagen,  op  de  verzekering  van  de 
boeren,  dat  hij  onbegaanbaar  was.  Luxembourg  gaat  nog  's  nachts 


Digitized  by 


Google 


WOERDEN.  183 

op  marsch  naar  Kamerijk,  met  een  gedeelte  zijner  infanterie,  ter- 
wijl het  overige  in  front  blijft  van  Zuylestein's  stelling. 

De  marsch  op  Kamerijk  moet  gepaard  zijn  gegaan  met  de 
grootste  moeielijkheden.  Tot  aan  de  knieën  —  zeggen  de  Fransche 
opgaven  —  trok  men  door  het  water,  en  gedurig  ontmoette  men 
diepe  slooten,  waarover  men  horden  wierp  die  een  soort  van 
bruggen  vormden.  Zóó  bereikte  men  Kamerijk.  Om  van  daar  te 
komen  op  den  weg  van  Utrecht  naar  Woerden,  moest  men  de 
hulp  der  inwoners  inroepen ;  Luxembourg  verkreeg  die  door  een 
krijgslist:  hij  gaf  zich  uit  voor  den  graaf  van  Hoorne,  die,  met 
Spaansche  hulptroepen,  aan  het  beleg  van  Woerden  wilde  deel- 
nemen, en  verlangde  daartoe  den  weg  te  kennen  naar  het  kwar- 
tier van  Zuylestein.  De  landlieden,  daardoor  misleid,  boden  hem 
hun  bijstand  aan;  in  hun  valschen  waan  smeekten  zij  Luxem- 
bourg, geknield,  hen  toch  te  verlossen  van  het  vreemde  geweld, 
en  vooral  geen  Franschman  het  leven  te  sparen;  indien  dit 
feit,  door  den  Franschen  veldheer  zelf  vermeld,  waarheid  is,  — 
en  bij  de  toenmalige  gezindheid  van  het  Hollandsche  volk  is  het 
niet  onwaarschijnlijk  —  dan  verklaart  dit  de  wreedheid  door 
Luxembourg  later  betoond,  —  zij  rechtvaardigt  die  niet.  Er 
moet  echter  bijgevoegd  worden,  dat  Willem  III  in  die  hande- 
ling van  de  Kamerijksche  boeren  opzettelijk  verraad  heeft  gezien. 

Hoe  het  zij,  met  hulp  van  die  gidsen  trok  Luxembourg  met 
zijne  bataljons  over  half  verdronken  land,  en  kwam  in  den  vroegen 
ochtend  van  den  i2en  in  den  rug  van  Zuylestein's  stelling.  Hij 
stootte  hier  op  verschansingen;  —  zeker  kan  dit  echter  niet 
worden  gezegd ;  want  een  onzer  schrijvers,  Valckenier,  zegt  stellig, 
dat  de  post  van  Zuylestein  naar  de  zijde  van  Woerden  on  ver- 
schanst was;  —  de  P'ransche  opgaven  spreken  zeer  verward 
en  onduidelijk  van  twee  sterke  forten.  Dit,  ten  minste,  is  geheel 
onwaarschijnlijk;  dit  is  de  gewoi*  Fransche  overdrijving:  de 
kleine  macht  van  Zuylestein  was  nog  maar  vier  en  twintig  uur 
op  haren  post,  en  kon  dus  hoogstens  een  paar  in  haast  opge- 
worpen dwarswallen  op  den  weg  hebben  gemaakt;  achter  die 
wallen  stond  echter  geschut;  dit  erkennen  ook  ónze  schrijvers. 

Reeds  voor  het  aanbreken  van  den  dag,  om  twee  of  drie  uur 
's  ochtends  —  bij  maanlicht,  zegt  een  der  verhalers  —  begonnen 
de  aanvallen  op  Zuylestein's  post  van  de  zijde  van  Harmeien; 
wat  later  verscheen  ook  Luxembourg  van  de  andere  zijde;  en 
er  had  een  woedende  strijd  plaats,  die  vijf  uren  duurde,  en 
waarbij  aan  weerszijden  uitstekende  dapperheid  werd  betoond. 
Het  geschut-  en  geweervuur  der  Hollanders  richtte  groote  ver- 
woestingen aan  in  de  rijen  der  aanvallers,  die  van  hunne  vuur- 
wapens weinig  of  geen  gebruik  konden  maken,  en  langzaam 
vooruit   kwamen  over   het  moeielijke  terrein.  Alleen  de  buiten- 


Digitized  by 


Google 


184  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

gewone  dapperheid  van  de  Fransche  officieren,  het  voorbeeld 
van  den  koenen  Luxembourg  zelf,  die  met  den  blanken  degen 
in  de  vuist  aan  het  hoofd  der  aanvallers  was,  deed  de  soldaten 
vooruitgaan ;  —  dat  dit  niet  ging  dan  ten  koste  van  zeer  groote  ver* 
liezen,  kauF  men  opmaken  uit  de  enkele  omstandigheid,  dat  het 
regiment  Navarre,  waarvan  slechts  één  bataljon  deelnam  aan 
den  strijd,  21  officieren  verloor  aan  dooden  en  gewonden.  Maar 
die  dapperheid  doet  de  sterke  stelling  vallen,  vooral  daar  het 
verschijnen  van  den  vijand  in  den  rug  dier  stelling  noodwendig 
een  nadeeligen  indruk  maakte  op  Zuylestein's  soldaten.  De  gracht 
wordt  doortrokken,  de  borstwering  beklommen;  maar  zelfs  toen 
nog  blijven  de  Hollanders  zich  met  hardnekkigheid  verdedigen; 
eindelijk  bezwijken  zij  en,  alom  door  den  vijand  omringd,  gaat 
de  afdeeling  van  Zuylestein  grootendeels  verloren.  Die  aanvoerder 
zelf  sneuvelt,  met  de  sabel  in  de  vuist,  na  achttien  wonden  te 
hebben  ontvangen.  De  dood  van  dien  held  wordt  verschillend 
verhaald:  volgens  sommigen  viel  hij  door  de  hand  van  den 
wraakzuchtigen  Montbas;  volgens  Luxembourg's  verhaal  werd 
hij  gedood  door  een  Fransch  soldaat,  nadat  hij  zich  reeds  had 
overgegeven  aan  De  Saveuse.  Hoe  het  zij,  hij  sneuvelde  op  eene 
roem  vol  Ie  wijze,  het  bloed  der  Nassau 's  waardig,  waaruit  hij  ge- 
sproten was. 

Hoorne,  door  het  vuren  opmerkzaam  gemaakt  op  's  vijands 
aanval,  had  zijne  macht  in  slagorde  geschaard;  de  komst  van 
de  vluchtelingen  verkondigde  hem  Zuylestein's  nederlaag;  kort 
daarop  verscheen  eene  afdeeling  Fransche  troepen,  die  echter 
spoedig  werd  teruggedreven  door  het  musketvuur  der  soldaten 
van  Hoorne.  Een  uitval  der  bezetting  van  Woerden,  gelijktijdig 
gedaan,  werd  evenzoo  afgeslagen.  £en  tweede  aanval  door  de 
troepen  van  Luxembourg  verricht,  had  geen  gelukkiger  gevolg; 
en  Hoorne  doet,  na  dien  aanval  te  hebben  afgeslagen,  den  overste 
Palm,  aan  het  hoofd  der  zeésoldaten,  op  den  weg  naar  Utrecht 
vooruitrukken.  Met  de  blanke  sabel  storten  zich  die  dapperen 
op  den  vijand,  die,  verzwakt  door  de  geledene  verliezen,  ont- 
moedigd door  den  geduchten  wederstand  dien  hij  ontmoet,  in 
verwarring  de  wijk  neemt,  en  door  Palm  vervolgd  wordt  tot 
dicht  bij  de  plaats  waar  Zuylestein  had  gestreden;  een  groot 
aantal  der  dddr  door  de  Franschen  gemaakte  gevangenen  wer- 
den toen  —  zeggen  onze  schrijvers  —  daardoor  weer  bevrijd. 
Luxembourg  wil  zijne  troepen  tegen  de  Hollanders  aanvoeren, 
maar  tevergeefs;  het  is  onmogelijk  hen  weer  vooruit  te  doen 
gaan,  zoozeer  waren  zij  uitgeput  door  den  moeielijken  marsch 
over  het  verdronken  land;  zoozeer,  voegen  wij  er  bij,  waren  zij 
geschokt  door  de  geleden  verliezen.  Niet  meer  dan  vijf  of  zes 
officieren  kan  de  Fransche  aanvoerder  om  zich  heen  vereenigen ; 
stampvoetend  van  ongeduld  ziet  hij  uit  naar  de  troepen  die  De 


Digitized  by 


Google 


WOERDEN.  185 

Genlis  moet  aanbrengen;  maar  deze  zijn  nog  ver  weg;  en,  zon- 
der eenigszins  het  verder  doorzetten  van  den  aanval  te  beproeven, 
is  het  Fransche  legerhoofd  tevreden  dat  hij  in  de  reeds  ver- 
overde stelling  kan  blijven  en  daar  niet  wordt  aangevallen. 

Willem  III,  het  verslaan  van  Zuylestein  vernemende,  zag  in, 
dat,  al  mocht  Hoorne  aanvankelijk  den  vijand  hebben  verhin- 
derd om  tot  Woerden  door  te  dringen,  het  evenwel  te  moeielijk 
zou  vallen  om  dien  vijand  op  den  duur  tegen  te  houden  op  den 
rechter  Rijnoever;  en  zelfs,  dat  het  gedeelte  van  Hoorne's  macht 
dat  daar  stond,  gevaar  zou  loopen  door  de  vereenigde  aanvallen 
van  Luxembourg  en  van  de  bezetting  van  Woerden.  Hij  besloot 
dus,  de  onden^jeming  op  te  geven,  en  den  terugtocht  aan  te  van- 
gen ;  om  10  uur  's  ochtends  werd  het  bevel  daartoe  gegeven, 
en  die  terugtocht  uitgevoerd  in  de  grootste  orde  en  zonder  ver- 
lies. Willem  in  keerde  naar  Bodegraven  terug;  en  Hoorne,  de 
bezetting  van  Woerden  door  artillerie-vuur  bezighoudende,  haar 
zéifs  opeischende  tot  overgaaf^  deed  zijne  troepen  ongemerkt 
teruggaan  op  Linschoten,  waarheen,  op  zijn  bevel,  de  afdeeling 
van  Liebergen  van  Montfoort  was  opgerukt  om  de  terugtrek- 
kende troepen  op  te  nemen.  Vervolging  van  de  zijde  der  Fran- 
^chen  had  er  volstrekt  niet  plaats;  maar,  door  de  nalatigheid 
van  de  manschappen,  belast  met  het  vervoer  van  de  artillerie, 
liet  men,  van  de  twaalf  stukken  geschut  van  Hoorne,  er  twee 
achter. 

Gelijktijdig  met  dien  strijd  had  er  een  aanval  plaats  van  een 
gedeelte  van  Louvignies  troepen  op  Vreeswijk  aan  de  Vaart.  Die 
aanval  schijnt  niet  met  nadruk  te  zijn  doorgezet  en  bleef  zonder 
gevolgen.  Zestien  gewapende  uitleggers,  de  Lek  opzeilende,  ver- 
schenen voor  Vreeswijk,  openden  geschutvuur  op  die  plaats  en 
zetten  toen  troepen  aan  wal,  wier  getal  zeer  verschillend]  wordt 
opgegeven.  Volgens  de  Fransche  opgaven  werd  die  aanval,  tot 
tweemaal  toe  hervat,  afgeslagen  door  de  bezetting,  die  uit  een  ge- 
deelte van  het  regiment  van  Auvergne  bestond ;  enkele  van  onze 
schrijvers  zeggen,  dat  de  aanvallers  tot  binnen  Vreeswijk  drongen, 
maar,  na  wat  geplunderd  te  hebben,  onverrichterzake  weer  weg- 
gingen. Die  plaats  werd  bij  deze  gelegenheid  in  brand  geschoten, 
zonder  dat  het  duidelijk  is,  welke  der  beide  partijen  dit  deed. 

De  verliezen  in  het  gevecht  bij  Woerden  zijn,  zooals  meestal, 
op  eene  zeer  uiteenloopende  wijze  vermeld.  De  Fransche  opgaven 
stellen  ons  verlies  op  1500  man,  het  hunne  op  200;  wij  daaren- 
tegen begrooten  het  verlies  des  vijands  op  2000  man,  het  onze 
op  6  i  700  dooden  en  gewonden  en  3  ^  400  gevangenen;  — 
neemt  men  in  aanmerking  de  overdrijving  die  bij  dergelijke  op- 
gaven gewoonlijk  plaats  heeft^  dan  ziet  men  dat  de  verliezen  der 
beide  partijen  waarschijnlijk  even  groot  zijn  geweest;  indien  aan 
de  eene  zijde,  van  de  afgesneden  afdeeling  van  Zuylestein,  weinig 


Digitized  by 


Google 


l86  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

zich  kon  redden,  zoo  heeft  aan  de  andere  zijde  haar  langdurige 
tegenstand,  haar  geschut-  en  geweervuur  groote  verliezen  moeten 
veroorzaken  bij  den  vijand,  die  onbedekt,  en  met  moeite» 
langzaam  vooruit  moest  rukken.  Maar  aan  onze  zijde  is  geschut 
verloren  en  het  slagveld  is  in  het  bezit  gebleven  van  de  Fran- 
schen;  aan  hen  komt  dus  de  eer  der  overwinning  toe. 

De  aanslag  op  Woerden  kan  dus,  in  zoover  die  vesting  niet 
in  handen  der  aanvallers  kwam,  als  mislukt  worden  beschouwd; 
—  wil  dit  zeggen  dat  men  haar  moet  beschouwen  als  eene 
onderneming  die  slecht  beraamd  was,  en  die  zonder  gevolgen 
bleef?  Het  tegendeel  is  waar.  Die  onderneming^  was  zeer  goed 
beraamd;  er  waren  kansen  te  over,  om  zich  rondom  Woerden 
zoodanig  te  verschansen,  dat  het  aan  het  Fransche  leger  niet 
mogelijk  zou  zijn  geweest  om  die  stad  te  ontzetten ;  de  landstreek 
rondom  Woerden  begunstigt  den  verdediger  bijzonder;  er  was 
.dus  groote  waarschijnlijkheid  dat  men  Luxembourg  zou  verhin- 
deren om  die  stad  te  hulp  te  komen;  hare  inneming  was  dus 
te  verwachten;  en  behalve  het  materieele  voordeel  dat  de  be- 
raachtiging  van  die  stad  en  van  de  niet  onaanzienlijke  Fransche 
bezetting  aan  Holland  zou  geven,  zou  haar  val  ook  eene  groote 
zedelijke  uitwerking  hebben,  omdat  zij  het  bewijs  zou  geven,  dat 
de  meerderheid  in  strijdkrachten  aan  de  zijde  der  Hollanders 
was  gekomen,  en  dezen  verdediging  met  aanval  wisselden.  Er 
waren  dus  veel  redenen  voor  die  onderneming  tegen  Woerden. 

Dat  die  onderneming  den  val  der  stad  niet  ten  gevolge  had^ 
is  toe  te  schrijven  aan  Luxembourg's  voortvarendheid,  aan  de 
meer  dan  gewone  dapperheid  van  zijne  troepen,  en  aan  den 
misslag  van  Zuylestein,  die  den  weg,  van  Kamerijk  naar  Woerden 
loopende,  onbezet  liet. 

Luxembourg,  in  den  nacht  van  lo  op  ii  October  te  's  Grave- 
land  kennis  krijgende  van  's  vijands  verschijning  voor  Woerden^ 
is  reeds  op  den  avond  van  den  iien  voor  de  stelling  van  Zuy- 
lestein ;  terecht  oordeelt  de  Fransche  veldheer  dat  er  geen  oogen- 
blik  verloren  mag  gaan,  en  dat  het  er  weinig  toe  doet  met 
hoeveel  hij  aanvalt,  maar  wel  wanneer  hij  aanvalt.  Hij  zet 
dien  aanval  door  met  een  nadruk,  met  een  stoutheid,  met  een 
persoonlijke  dapperheid,  die  waarlijk  bewondering  verdienen,  en 
die  hier  ook  het  eenige  middel  zijn  om  de  overwinning  te  ver- 
krijgen. Zuylestein 's  misslag,  hier,  kan  eene  nuttige  waarschuwing 
zijn  voor  den  verdediger  van  dijkstellingen ;  die  stellingen  hebben 
meestal  in  front  eene  geduchte  sterkte;  maar  men  moet  tegen 
omtrekkingen  waken,  vooral  ook  omdat  bij  dergelijke  stellingei> 
eene  omtrekking  den  verdediger  dikwijls  den  terugtocht  onmo- 
gelijk maakt,  —  zooals  hier  bij  Woerden  dan  ook  het  geval 
was.    Het   bezetten   of  doorsteken  van  den  weg  van  Kamerijk 


Digitized  by 


Google 


WOERDEN.  187 

naar  Woerden  zou  Zuylestein's  stelling  onneembaar  hebben  ge- 
maakt. —  Feuquières  zegt,  dat  het  een  misslag  was  van  de  Hol- 
landers van  niet  te  zijn  vooruitgerukt  tot  Harmeien;  maar  dil 
gevoelen  komt  ons  ongegrond  voor;  want,  hoe  verder  men 
vooruit  rukte,  hoe  minder  tijd  men  had  om  zich  te  verschansen^ 
hoe  eer  men  den  vijand  zou  ontmoeten.  De  stelling  aan  de 
Grovenbrug  was  even  goed  als  die  te  Harmeien,  mits  men  maar 
den  weg  naar  Kamerijk  had  bezet. 

Maar,  hoezeer  Woerden  niet  in  zijne  handen  was  gevallen, 
had  Willem  III  door  zijne  onderneming  tegen  die  vesting  toch 
gedeeltelijk  het  doel  bereikt  dat  hij  daarmede  beoogde:  hij  had 
daardoor  moed  en  zelfvertrouwen  bij  zijne  troepen  opgewekt, 
indruk  op  den  vijand  gemaakt.  In  dien  strijd  bij  Woerden  had- 
den de  Hollanders  eene  dapperheid  betoond,  niet  onderdoende 
voor  die  des  vijands;  zij  hadden  zich  gemeten  met  die  geduchte 
legerscharen  van  Lodewijk  XIV,  die,  door  den  roem  van  zooveel 
overwinningen  omgeven,  tot  nu  toe  hunne  schrik  waren  geweest; 
zij  hadden  hunne  krachten  leeren  kennen,  en  zoo  den  grondslag 
gelegd  voor  latere  zegepralen. 

Ook  bij  den  vijand  had  die  strijd  van  Woerden  diepen  indruk 
gemaakt,  en  hem  de  overtuiging  gegeven,  dat  de  tijd  der  ge- 
makkelijke overwinningen  voorbij  was.  Men  behoeft,  om  dien 
indruk  op  te  merken,  nog  geen  geloof  te  slaan  aan  de  soms 
onwaarschijnlijke  opgaven  van  onze  schrijvers;  men  leze  de 
briefwisseling  der  Fransche  bevelhebbers,  en  men  zal  er  de  be- 
wijzen van  vinden.  Den  1300  October,  nog  onder  den  indruk 
van  den  pas  geëindigden  strijd,  schrijft  Luxembourg  aan  Louvois, 
dat  hij  eene  herhaling  wacht  van  den  aanval  des  Stadhouders 
en  hij  geeft  zijne  bekommering  daarover  te  kennen.  Later,  den 
iSen  October,  schrijft  hij  aan  dien  Minister:  »Ik  heb  mijnheer 
De  Saveuse"  (de  overbrenger  des  briefs)  >  verzocht,  u  te  zeggen,. 
dat  de  vijand  sterk  is.  Toen  mijnheer  De  Turenne  in  onze  nabij- 
heid was,  waar  ik  meende  dat  hij  zou  blijven,  bekreunde  ik  mij 
daar  niet  om;  maar  thans  is  het  iets  anders.''  In  een  brief  van 
den  intendant  Robert  aan  Louvois  (13  October),  wordt  het  ge- 
beurde te  Woerden  genoemd  »een  van  de  hevigste  en  tevens 
gelukkigste  gevechten  die  in  den  oorlog  kunnen  voorkomen... 
Ik  geloof  niet"  —  voegt  de  intendant  daarbij  —  »dat  mijnheer 
De  Luxembourg  in  zijn  leven  roemrijker  daad  heeft  verricht." 
Hij  laat  echter  daarop  deze  opmerkelijke  woorden  volgen,  die 
bewijzen  op  hoe  duren  prijs  de  zege  den  Franschen  was  te  staan 
gekomen.  >  Wij  verzoeken  u,  thans  op  de  gevolgen  te  willen  letten ;. 
er  is  eene  groote  kracht  bij  onze  troepen,  maar  gij  zoudt  die 
niet  meer  vinden  bij  de  regimenten  van  Picardië,  Norman- 
dië,  Navarre,  Piémont  en  van  de  Marine,  —  uithoofde  van  het 
groot  aantal  officieren  dat  daarbij  gedood  of  gewond  is;  zoodat^ 


Digitized  by 


Google 


•t88  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

als  wij  een  nieuw  gevecht  moesten  leveren^  ik  niet  weet  of  wij  er 
zoo  gelukkig  af  zouden  komen . . .  Wat  gebeuren  moge,  mijnheer 
•de  hertog  De  Luxembourg  zal  zeker  alles  doen  wat  in  zijn  ver- 
mogen is;  want  het  ontbreekt  hem  noch  aan  doorzicht,  noch  aan 
geestkracht,  en  dit  laatste  schitterende  gevecht  heeft  het  ver- 
trouwen grootelijks  vermeerderd,  dat  hij  den  troepen  reeds  had 
ingeboezemd;  maar  wat  zal  hij  kunnen  doen,  als  de  vijand  met 
.20000  man  komt...  Alle  officieren  hebben  wonderen  gedaan, 
«n  de  uitkomst  van  den  strijd  is  aan  hunne  dapperheid  te  dan- 
ken; het  is  dus  geen  wonder,  als  wij  er  zooveel  verloren  heb- 
ben..." 

Deze  en  soortgelijke  uitdrukkingen,  gebezigd  tegen  een  Minis- 
ter, wien  men  zoo  gaarne  de  zaken  ten  gunstigste  afschilderde^ 
bewijzen  overtuigend,  hoezeer  het  overmoedig  zelfvertrouwen  der 
Fransche  bevelhebbers  geschokt  was  door  den  aanval  des  Stad- 
houders. Het  bloed  dat  op  de  dijken  van  Woerden  stroomde, 
was  niet  nutteloos  vergoten;  want  daardoor  had  de  HoUandsche 
veldheer  zijn  leger  vertrouwen  gegeven  in  zich  zelf  en  in  zijne 
aanvoering;  daardoor  den  vijand  ontzag  ingeboezemd;  daardoor 
dus  latere  overwinningen  voorbereid.  Wat  Lodi  was  voor  Bona- 
parte bij  zijn  eersten  veldtocht  in  Italië,  was  Woerden  voor 
Willem  III. 

Wat  bij  Rousset  voorkomt  over  het  gevecht  van  Woerden  is 
minder  juist;  wij  deelen  het  hier  kortelijk  mede. 

Rousset,  na  eerst  een  brief  vermeld  te  hebbeu,  den  23sten 
Augustus  1672  door  Louvois  aan  Turenne  geschreven,  laat 
daarop  volgen  (i*  deel,  blz.  384 — 386): 

.  ...»Wat  later  gelastte  Louvois  aan  de  kolonels  van  de  regi- 
menten voetvolk  om  wervingen  te  doen,  tot  een  geheel  bedrag 
van  15000  man;  om  daarmee  nieuwe  compagnieën  te  vormen, 
•en  in  de  oude  aan  te  vullen  de  verliezen  daarbij  ontstaan  door 
's  vijands  vuur,  door  ziekten  en  door  desertiën  (15  September  1672). 
Die  krachtdadige  handeling  van  Lodewijk  XIV,  de  uitbreiding 
van  zijne  wapen  macht  en  Turenne's  groote  naam  deden  opnieuw 
de  Duitschers  aarzelen,  en  maakten  hen  overdreven  omzichtig. 
Hunne  legers  bewogen  zich  met  eene  traagheid,  die  bijna  be- 
spottelijk was;  het  was  half  October  voordat  zij  iets  ernstigs 
ondernamen. 

Willem  van  Oranje  verwenschte  hunne  aarzelingen,  niet  alleen 
in  het  belang  van  zijn  land,  dat  er  behoefte  aan  had  om  verlost 
'te  worden  van  de  Fransche  wapenmacht,  maar  ook  in  zijn  per- 
soonlijk belang.  De  democratische  factie  en  het  leger  hadden 
hem  tot  het  hoog  gezag  verheven,  en  om  zich  te  handhaven 
móést  hij  beiden  voldoen.  Aan  de  eerste  had  hij  pas,  ten  koste 
van  zijn  eer,  een  bloedig  onderpand  gegeven  van  zijn  bondge- 
nootschap of  liever  van  zijn  onderwerping.  De  moord  der  twee 


Digitized  by 


Google 


WOERDEN.  l89' 

De  Witten  (20  Augustus),  die  afschuwelijke  wraak^  volvoerd  door 
een  volkshoop  dien  Willem  niet  trachtte  te  beteugelen  of  te  straffen^ 
had  de  verontwaardiging  opgewekt  van  alle  weidenkenden.  Men 
vond  »die  allereerste  blijken  van  gezag^  die  de  Prins  van  Oranje  gaf, 
wel  wat  geweldig/'  —  zoo  schreef  Luxembourg  den  22steQ  Augustus- 
aan  den  Koning.  Maar  dezelfde  volkshoop  begon  te  gelooven 
aan  een  nieuw  verraad,  toen  hij  die  Franschen,  wier  verdelging^ 
naar  men  beloofd  had,  dadelijk  zou  volgen  op  den  dood  der  ver- 
raders, aldoor  op  dezelfde  posten  zag  blijven  staan,  en  altijd  even 
dreigend.  De  achterdocht  der  menigte  werd  versterkt  door  de 
zorg  waarmede  de  Engelsche  ministers  de  bijzondere  belangen, 
behartigden  van  den  Prins,  die  verwant  en  verbonden  was  aan 
htm  Koning.  2^1fs  aan  de  poorten  van  het  stadhuis  van  Den 
Haag  werden  geschriften  geplakt,  waarin  men  openlijk  zeide,  dat 
als  de  Prins  van  Oranje  de  Franschen  niet  aanviel,  men  met 
hem  zou  doen,  zooals  hij  had  laten  doen  met  De  Witt  (brief 
van  Luxembourg  aan  Louvois  van  i  November).  Wat  de  mili- 
taire partij  betrof,  die  was  minder  onstuimig,  maar  even  vurig 
en  met  meer  eerzucht;  zij  maande  den  Stadhouder  aan,  om  het 
leger  eindelijk  in  de  gelegenheid  te  stellen  van  door  een  schit- 
terend wapenfeit  zich  op  te  heffen  uit  die  onbeduidendheid,  waartoe 
De  Witt's  staatkunde  het  had  doen  dalen.  Dit  alles  maakte  het 
voor  den  Prins  van  Oranje  noodig  om  een  voordeelig  gevecht 
te  leveren." 

Dit  alles  was,  volgens  Rousset,  de  aanleiding  tot  de  onder- 
neming van  Willem  III  tegen  Woerden.  Geheel  juist  is  die  voor- 
stelling niet,  die  de  Fransche  schrijver  hier  geeft:  Willem  III  is 
bij  die  onderneming  veel  meer  te  werk  gegaan  volgens  eigene 
inzichten,  en  heeft  niet  zoo  den  drang  der  partijen  gevolgd;  de 
opgaven,  door  Luxembourg  dienaangaande  ingezonden,  moet 
men  niet  onbepaald  vertrouwen:  de  Fransche  bevelhebber  is 
denkelijk  niet  zoo  nauwkeurig  ingelicht  aangaande  den  waren 
staat  van  zaken  in  Holland  zelve.  De  voorname  reden  waarom 
Willem  in  tot  die  onderneming  tegen  Woerden  overging,  was 
de  wensch  om  den  moed  van  het  Hollandsche  leger  te  ver- 
hoogen,  alvorens  met  dat  leger  oorlog  te  voeren  in  meer  ver- 
wijderde gewesten.  Ddt  doel  is  door  den  Stadhouder  toen  vol 
komen  bereikt. 

Ook  het  gevecht  zelf  bij  Woerden  is  bij  Rousset  minder 
juist  beschreven;  en  evenzoo  is  het  minder  nauwkeurig,  wan- 
neer hij  het  een  9  hardt  coup  de  mairC^  noemt  (blz.  388),  dat 
Luxembourg  den  aosten  September  Woerden  had  bezet;  een  stad, 
die  toen  niet  verdedigd  werd,  die  niet  bezet  was  en  ternauwer- 
nood versterkt! 


Digitized  by 


Google 


IQO  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

De  Stadhouder,  partij  willende  trekken  van  den  indruk  dien 
iijne  stoute  aanvallende  beweging  op  Woerden  bij  vriend  en 
vijand  had  gemaakt,  besloot  tot  eene  onderneming  van  grooter 
belang  en  die,  gelukkende,  ten  gevolge  moest  hebben  de  oogen- 
blikkelijke  ontruiming  van  het  grondgebied  der  Republiek  door 
de  Fransche  legers;  hij  besloot  de  Hollandsche  waterlinie  bezet 
te  doen  houden  door  een  klein  gedeelte  zijner  legermacht,  en 
met  de  hoofdmacht  aanvallend  te  werk  te  gaan  in  de  Zuidelijke 
Nederlanden  en  naar  de  zijde  van  den  Rijn.  In  een  krijgsraad, 
•den  lyen  October  te  Alphen  gehouden,  werden  de  maatregelen 
vastgesteld  voor  die  aanvallende  beweging.  De  Ruyter  woonde 
'dien  krijgsraad  bij;  en  denkelijk  heeft  de  groote  vlootvoogd 
•de  verzekering  gegeven,  dat  er  geene  landing  van  eene  En- 
gelsche  krijgsmacht  te  duchten  was;  ten  minste  de  ruiterij  die, 
om  eene  landing  te  beletten,  gedurende  een  goed  gedeelte  van 
den  zomer  bij  Den  Helder  had  gestaan,  kreeg  bevel  op  te  bre- 
ken om  deel  te  nemen  aan  den  tocht  naar  Braband.  Een  aantal 
platboomde  vaartuigen,  volgens  sommige  opgaven  800  in  getal, 
werd  op  de  Maas  vereenigd,  om  de  troepen,  het  geschut,  de 
munitie  en  levensmiddelen  naar  Noord-Braband  over  te  brengen ; 
en  men  gaf  last  om  in  de  Baronie  van  Breda  een  aanzienlijke 
hoeveelheid  fourage  bijeen  te  brengen,  ten  behoeve  van  de  ruiterij, 
<iie  een  aanzienlijk  deel  uitmaakte  van  het  leger  des  Stadhouders. 

De  sterkte  en  samenstelling  van  dat  leger  worden  zeer  ver- 
schillend opgegeven.  Volgens  een  onzer  schrijvers  —  Valckenier  — 
bedroeg  het  aanvankelijk  ruim  23000  man,  en  later,  versterkt 
door  Spaansche  troepen,  30000;  hieronder  had  men  18000  rui- 
ters, 2000  dragonders  en  10  000  man  infanterie.  Eene  andere 
opgave,  —  Hollandsche  Mercurius  —  begroot  de  aanvankelijke 
«terkte,  zonder  de  Spaansche  troepen,  ook  op  23  k  24000  man, 
waaronder  de  ruiterij  54  eskadrons  uitmaakte,  ieder  eskadron 
verdeeld  in  3  compagnieën;  volgens  die  opgave  zouden  echter 
dadelijk  bij  den  opmarsch  naar  Braband,  5  regimenten  infanterie, 
al  de  artillerie  en  de  bagage,  naar  Bergen  op  Zoom  zijn  terug- 
gezonden, en  daarentegen  3  regimenten  van  de  bezetting  van 
Maastricht  bij  het  leger  zijn  aangetrokken. 

De  opgaven  der  Fransche  schrijvers  zijn  hiermede  in  strijd.  Zoo 
vermeldt  Beaurain,  dat  het  leger  des  Stadhouders  in  Noord-Braband 
1 2  000  man  infanterie  en  9000  man  kavalerie  telde,  en  Monterey 
eene  versterking  van  10 000  Spanjaarden  had  beloofd:  dat  echter 
bij  den  opmarsch  de  Stadhouder  zijne  infanterie  en  een  deel  zijner 
kavalerie  in  Noord-Braband  achterliet,  en  slechts  met  4000  rui- 
ters op  Maastricht  trok,  terwijl  de  versterking  die  de  Spanjaarden 
aanbrachten,  slechts  7  k  8000  man  bedroeg;  —  later,  bij  het 
beleg  van  Charleroi,  stelt  Beaurain  de  macht  der  bondgenooten 
evenwel  op  30  000  man,  —  In  de  briefwisseling  van  de  Fransche 


Digitized  by 


Google 


TOCHT  NAAR   MAASTRICHT   EN   DE   BOVENMAAS.  I9I 

bevelhebbers  vindt  men,  dat  Duras  den  gen  November  aan  Lou- 
vois  schrijft,  >dat  er  berichten  zijn  dat  Willem  III  eene  macht 
vereenigd  heeft  van  8000  man  ruiterij  en  8  è,  10  000  man  voet- 
volk, met  12  stukken  geschut."  In  een  lateren  brief  van  Duras, 
van  12  November,  wordt  echter  gezegd:  >dat  de  Stadhouder 
noch  infanterie,  noch  geschut  bij  zich  heeft ;  dat  de  Spanjaarden 
hem  4000  ruiters  gegeven  hebben,  behalve  de  dragonders;  en 
Willem  III  evenveel  ruiterij  heeft."  Luxembourg  schrijft,  geheel 
in  strijd  daarmede,  den  29sten  November  uit  Utrecht,  idat  de 
Prins  van  Oranje,  niet  alleen  zijne  ruiterij,  maar  ook  een  groot 
deel  zijner  infanterie  had  meegenomen,  en  er  te  Bodegraven 
maar  2000  man  zijn  overgebleven." 

Uit  die  opgaven  moet  men  als  het  waarschijnlijkste  opmaken : 
<iat  de  Stadhouder  werkelijk  —  om  welke  reden  is  onbekend  — 
bij  het  begin  van  den  opmarsch  een  gedeelte  van  zijne  infan- 
terie in  Noord-Braband  heeft  achtergelaten,  en  hij  zijn  tocht 
naar  Maastricht  bijna  uitsluitend  met  kavalerie  heeft  verricht, 
maar  dat  later  ook  die  infanterie  is  opgerukt,  en  toen  de  leger- 
macht van  Willem  III  een  30000  man  zal  hebben  bedragen,  de 
Spaansche  troepen  daaronder  gerekend. 

Die  legermacht,  zoo  voetvolk  als  ruiterij,  was  van  de  Hol- 
landsche  waterlinie  gemarcheerd  op  Gouda  en  Rotterdam,  daar 
ingescheept  en  zoo  naar  Noord-Braband  overgebracht;  hier  trok 
zij  te  zamen  bij  Wouw  en  Roozendaal.  Den  yen  November  was 
het  HoUandsche  leger  daar  vereenigd;  den  8sten  ving  de  tocht 
naar  Braband  aan.  £en  gedeelte  van  de  krijgsmacht,  voornamelijk 
voetvolk,  was  achtergelaten  tot  beveiliging  van  Holland  en  be- 
zette de  waterlinie;  bevelhebbers  van  de  verschillende  deelen 
dier  linie  waren:  te  Muiden  en  Weesp  graaf  Maurits  van  Nas- 
sau; te  Bodegraven  de  graaf  van  Königsmarck;  aan  de  Goejan- 
verwellesluis  de  graaf  van  Hoome;  te  Schoonhoven  de  markies 
van  Westerloo;  en  te  Gorkum  de  veldmaarschalk  Wirtz. 

Terwijl  nu  de  Stadhouder  de  HoUandsche  legermacht  in  de 
Zuidelijke  Nederlanden  geleidde  om  den  strijd  tegen  Frankrijk 
dür  over  te  brengen,  naderden  gelijktijdig  Duitsche  legers  den 
Rijn  en  bedreigden  dit  rijk  met  een  inval  in  de  oostelijke  ge- 
westen ;  en  de  samenwerking  van  die  verschillende  legermachten 
zou,  waren  zij  krachtdadig  aangewend,  zeker  groote  uitkomsten 
hebben  kunnen  teweegbrengen.  Die  krachtdadigheid  ontbrak 
hier  echter  bij  sommigen;  de  ontwerpen  van  de  bondgenooten 
werden  hier  weer  verijdeld  door  de  zoo  gewone  verdeeldheid  van 
inzichten,  waartegenover  Frankrijk,  evenals  bij  zooveel  latere  oor- 
logen, eene  eenheid  van  handeling  stelde,  die  alléén  reeds  vol- 
doende was  om  het  een  groot  overwicht  te  geven  op  zijne  vijanden. 

Twee  Duitsche  legers  naderden  den  Rijn  en  bedreigden  Frankrijk. 


Digitized  by 


Google 


192  KRIJOS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Het  eene^  onder  den  keurvorst  van  Brandenburg,  telde,  volgens 
de  waarschijnlijkste  opgaven,  een  24  k  25000  man,  en  werd  op 
het  einde  van  Augustus  bij  Halberstadt  vereenigd;  het  andere^ 
een  kleine  20000  man  Keizerlijke  troepen,  onder  Monte  Cuculi^ 
ging  den  29stea  Augustus  op  raarsch,  van  Egra  in  Bohemen. 
Half  September  was  het  Brandenburgsche  leger  nog  te  Hildes- 
heim,  dat  van  Monte  Cuculi  in  Thuringen,  en  eerst  in  het  begin 
van  October  trokken  die  beide  legers  naar  den  Rijn,  naar  de 
zijde  van  Keulen  en  Koblentz.  —  Wij  drukken  op  dien  laten 
opraarsch,  om  daarmede  onze  vroegere  bewering  te  staven:  dat 
het  ongerijmd  is,  om  aan  den  opmarsch  van  die  Duitsche  legers 
de  redding  van  Holland  in  1672  toe  te  schrijven. 

Eenheid  van  inzichten  ontbreekt  nogal  dikwijls  bij  verbondene 
legers,  maar  hier  schijnt  zelfs  de  goede  trouw  niet  bij  allen  te 
hebben  bestaan.  Wél  aan  de  zijde  van  den  Brandenburgschen 
keurvorst,  die  het  oprecht  meende  met  zijn  bondgenootschap, 
met  onzen  Staat  gesloten:  de  Keizer  daarentegen  schijnt  noode 
den  oorlog  tegen  Frankrijk  te  hebben  willen  voeren,  en  zich  ten 
minste  geen  opofiferingen  daarvoor  te  hebben  willen  getroosten. 
Hij  had  dan  ook  aan  zijn  veldheer  Monte  Cuculi  tot  bepaald 
voorschrift  gegeven:  »zoo  weinig  mogelijk  te  verrichten."  Deze, 
anders  een  aanvoerder  van  groote  bekwaamheid,  kwam  dien 
last  goed  na,  speelde  in  dezen  veldtocht  eene  onbeduidende  rol, 
verlamde  daardoor  ook  de  handelingen  van  het  bij  hem  ge- 
voegde Brandenburgsche  leger  en  maakte  op  die  wijze  aan  de 
uitstekende  Fransche  legerhoofden  hunne  taak  gemakkelijk. 

Turenne  en  Condé  waren  hier  belast  met  de  verdediging  van 
Frankrijk's  oostelijke  grenzen ;  de  eerste  stond  aan  den  beneden- 
Rijn,  de  tweede  bij  den  Elzas.  Condé  had  eene  legermacht  van 
18000  man,  die  van  Turenne  bedroeg  aanvankelijk  slechts  12  è. 
15000  man;  bij  verschillende  gelegenheden  werd  zij  echter  ver- 
sterkt; het  juiste  bedrag  van  die  versterkingen  wordt  niet  opge- 
geven, maar  Napoleon  —  in  zijne  kritiek  over  de  veldtochten 
van  Turenne  —  stelt  de  legermacht  van  dien  veldheer,  op  het 
einde  van  1672,  even  hoog  als  de  beide  Duitsche  legers  ver- 
eenigd. Behalve  die  legers  van  Condé  en  Turenne  en  het  leger 
van  Luxembourg  in  Holland,  was  er  eene  Fransche  krijgsmacht 
rondom  Maastricht  geplaatst,  op  de  beide  oevers  van  de  Maas; 
die  krijgsmacht,  vroeger  aangevoerd  door  een  der  beide  Cha- 
milly's,  was,  na  het  overlijden  van  dien  bevelhebber,  onder  den 
hertog  De  Duras  gekomen,  en  had  tot  taak  om  de  bezetting 
van  Maastricht  in  bedwang  te  houden  en  Luxembourg's  gemeen- 
schap met  Frankrijk  te  verzekeren.  Eene  andere  Fransche  leger- 
macht, onder  den  maarschalk  d'Humières,  was  verdeeld  in  de 
vestingen  die  Frankrijk  in  de  Spaansche  Nederlanden  bezette,  en 
in  de  sterke  steden  van  het  noorden  van  Frankrijk. 


Digitized  by  VjOOQIC 


TOCHT  NAAR   MAASTRICHT   EN   DE   BOVENMAAS.  193 

Terwijl  Condé  op  den  linker  Rijnoever  bleef,  en,  om  den 
vijand  den  overtocht  van  dien  stroom  te  verhinderen,  de  brug 
bij  Straatsburg  den  i4en  November  deed  verbranden,  was  Tu- 
renne  op  den  rechteroever  van  den  Rijn  overgegaan,  en  ver- 
richtte hij  wat  volgens  den  kunststijl  van  Clausewitz  eene  actieve 
rivier-verdediging  wordt  genoemd.  Dit  was  in  strijd  met 
de  voorschriften  die  hij  van  de  regeering  had  ontvangen,  die 
den  raad  inhielden  om  op  den  linkeroever  des  strooms  te  blij- 
ven en  dus  eene  lijdelijke  verdediging  te  voeren.  Turenne 
sloeg  die  voorschriften  in  den  wind  en  besloot  den  vijand  op  te 
zoeken  op  den  rechteroever. 

Stout  mag  die  handeling  worden  genoemd;  want  indien  het 
al  waar  is,  dat  later  door  de  aangekomen  versterkingen  de 
macht  van  Turenne  met  die  der  bondgenooten  gelijkstond,  zoo 
was  dit  toch  aanvankelijk  niet  het  geval,  de  Fransche  veldheer  was 
zeer  in  de  minderheid.  Maar  Turenne  rekende  op  de  langzaam 
heid  en  mindere  bekwaamheid  van  zijne  tegenstanders,  op  het 
uitmuntende  van  de  Fransche  troepen  en  op  de  hulpmiddelen 
die  hij  zou  weten  te  vinden  in  zijn  eigen  beleid.  Verschillende 
voordeden  waren  verbonden  aan  dien  overgang  op  den  anderen 
Rijnoever:  daardoor  kreeg  het  Fransche  leger  aan  zijne  zijde 
het  zedelijk  overwicht,  dat  de  aanvaller  altijd  op  den  verdediger 
heeft;  daardoor  werden  de  bondgenooten  zelve  bedreigd,  zelve 
verhinderd  den  Rijn  over  te  trekken,  en  dus  die  stroom  even 
goed  verdedigd  alsof  men  zich  daarachter  had  geplaatst;  daar- 
door eindelijk  deed  Turenne  zijn  leger  onderhouden  door  de 
Duitsche  Staten  op  den  rechter  Rijnoever,  en  beroofde  hij  de 
landstreek  op  dien  oever  van  levensmiddelen;  —  iets,  wat  bij  de 
wijze  van  oorlogvoren  van  dien  tijdeen  belangrijk  voordeel  was, 
dewijl  het  daardoor  aan  den  vijand  onmogelijk  werd  gemaakt 
om  later  zelf  lang  te  verblijven  in  die  landstreek. 

Dat  er  gevaar  was  gelegen  in  dien  overgang  op  den  rechter- 
oever des  Rijns,  —  dit  valt  niet  te  ontkennen.  Voor  een  veld- 
heer van  mindere  bekwaamheid  dan  Turenne  zou  die  handeling, 
als  zeer  gewaagd,  niet  aan  te  raden  zijn  geweest;  maar  bij  hem 
werd  dat  gewaagde  weggenomen  door  de  voorzichtige,  beleid- 
volle wijze,  waarop  hij  den  strijd  met  den  vijand  wist  te  ont- 
wijken. Stoutheid  bij  het  ontwerpen,  voorzichtigheid  bij  het  uit- 
voeren, —  ziedaar  het  kenschetsende  van  Turenne*s  strategie; 
en  onder  andere  bij  die  verdediging  van  den  Rijn  op  het  einde 
van  1672  vindt  men  die  beide  hoedanigheden  op  eene  mees- 
terlijke wijze  vereenigd:  met  een  klein  leger  gaat  hij  den  veel 
sterkeren  vijand  te  gemoet,  blijft  dezen  geruimen  tijd  nabij, 
houdt  hem  in  bedwang,  —  maar  zorgt  wél  van  niet  gedwongen 
te  worden  tot  een  ongelijken  strijd  tegen  de  overmacht. 

Op  drie  verschillende  wijzen  konden  de  Duitsche  legers  Hol- 

wiLLEM  ni,  —  I.  13 

Digitized  by  VjOOQIC 


194  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

land  te  hulp  komen;  zij  konden  op  Holland  trekken,  ona  zich 
óéiéLT  met  Willem  III  te  vereenigen ;  zij  konden  Keulen  bedreigen, 
en  daardoor  de  Keulsche  krijgsmacht  nopen  om  Holland  te  ont- 
ruimen; zij  konden,  eindelijk,  den  Rijn  overgaan  en  trachten  Frank- 
rijk binnen  te  dringen,  hetzij  door  den  Elzas,  hetzij  over  den  Moezel. 
In  de  onzekerheid  wat  's  vijands  voornemen  was,  plaatste 
Turenne  zich  den  loen  September  met  zijn  leger  bij  Wezel,  op 
den  rechter  Rijnoever.  Toen  in  het  begin  van  October  de  op- 
marsch  van  de  Duitschers  plaats  had  naar  het  gedeelte  van  den 
Rijn  tusschen  Keulen  en  Koblentz,  trok  Turenne  langs  den  stroom 
opwaarts  en  nam  den  7en  October  stelling  te  Mulheim.  Den 
i2en  October  gingen  het  Brandenburgsche  en  het  Keizerlijke  leger 
op  marsch  naar  de  zijde  van  Mainz  en  Frankfort.  De  bondgenooten 
werden  daar  versterkt  met  5  k  6000  man,  die  de  hertog  van  Lotha- 
ringen hun  aanbracht.  Voornemens  bij  Keulen  den  Rijn  over  te 
trekken,  deden  zij  schijnbewegingen  om  den  vijand  te  misleiden, 
en  namen  zij  den  25stea  October  stelling  te  Höchst,  tegenover 
Mainz,  een  uur  of  drie  daarvan  verwijderd.  Turenne  was  zijnen 
vijanden  gevolgd,  altijd  op  den  rechter  Rijnoever,  en  nam  den 
óen  November  stelling  te  Neuwied,  tegenover  Andernach.  Hier 
deed  hij,  onderricht  zijnde  van  den  opmarsch  van  Willem  III  in 
de  Zuidelijke  Nederlanden,  en  dien  vorst  het  naderen  van  den 
Rijn  en  eene  vereeniging  met  de  Duitsche  legers  willende  ver- 
hinderen, een  brug  slaan  over  den  Rijn ;  die  brug  te  Andernach 
werd  verzekerd  door  een  dubbel  bruggenhoofd.  Na  daar  eene 
genoegzame  bezetting  te  hebben  achtergelaten,  ging  het  Fransche 
legerhoofd  den  i9eii  November  op  den  linkeroever  van  den  Rijn 
over,  en  nam  stelling  te  Witlich,  ten  noorden  van  den  Moezel, 
op  den  weg  van  Aken  en  Maastricht  naar  Mainz.  Hier  was 
Turenne  den  23sten  November  in  gemeenschap  met  het  leger 
van  Condé,  dat  den  Moezel  was  genaderd;  en  de  Fransche  veld- 
heer, tusschen  de  Duitsche  legers  en  dat  van  Willem  III  in  staande, 
was  dus  in  de  gelegenheid  om  de  vereeniging  te  beletten  van 
die  beide  legers,  en  elk  afzonderlijk  met  overmacht  aan  te  vallen 
en  te  verslaan. 

Die  korte  opgave  van  de  operaliën  aan  den  Rijn  was  noodig 
om  de  handelingen  van  Willem  III  in  de  Spaansche  Nederlanden 
te  verklaren.  Den  8sten  November  had  die  vorst  den  opmarsch 
begonnen  van  Roozendaal  naar  Maastricht  over  Hoogstraten, 
Castelré,  Arendonk  en  Peer;  den  11  en  November  bereikte  men 
Maastricht.  Die  marsch  zou,  zelfs  in  onzen  tijd,  voor  een  snellen 
marsch  worden  gehouden;  zij  maakt  het  dan  ook  waarschijnlijk 
dat  de  macht  des  Stadhouders  aanvankelijk  alleen  uit  ruiterij 
bestond.  Er  hadden  onbeduidende  ruiterij-gevechten  plaats  bij 
dien   opmarsch;    maar   de   macht   van   Duras  was   te  gering  om 


Digitized  by 


Google 


TOCHT   NAAR   MAASTRICHT   EN  DE   BOVENMAAS.  I95 

het  doordringen  van  het  Hollandsche  leger  tot  Maastricht  te 
verhinderen.  Die  Fransche  bevelhebber  had  zijne  infanterie  groo- 
tendeels als  bezetting  geplaatst  te  Tongeren  en  te  Maaseyck; 
met  zijne  ruiterij,  volgens  Beaurain  3500  paarden  sterk,  had  hij 
ten  zuiden  van  Tongeren  aan  de  Jeker  gestaan,  maar  was,  bij 
de  nadering  van  Willem  III,  te  Maaseyck  op  den  rechteroever 
van  de  Maas  teruggegaan;  den  ijen  November  nam  hij  stelling 
te  Wassenberg,  achter  de  rivier  de  Roer.  Hier  wachtte  hij  ver- 
sterking van  ruiterij  die  Luxembourg  hem  uit  Holland  toezond. 
Uit  een  der  brieven  van  dien  Franschen  maarschalk  aan  Lou- 
vois  blijkt,  dat  die  ruiterij  uit  40  compagnieën  bestond,  en  den 
yen  November  te  Nijmegen  zou  aankomen.  Neemt  men  aan,  dat 
die  compagnieën  de  gewone  sterkte  hadden,  dan  maakt  die  ver- 
sterking een  paar  duizend  man  uit,  zoodat  de  opgaven  van  onze 
schrijvers,  volgens  welke  Duras  in  het  geheel  een  6000  man 
ruiterij  bij  zich  zou  gehad  hebben,  alleszins  met  de  waarschijn- 
lijkheid overeenkomen. 

Het  ontzetten  van  Maastricht,  van  een  vesting  die  reeds  bijna 
een  half  jaar  zoo  goed  als  ingesloten  was,  de  verschijning  van 
eene  Hollandsche  legermacht  in  de  Zuidelijke  Nederlanden  op 
een  oogenblik  dat  de  vijand  nog  voor  de  poorten  van  Amster- 
dam stond,  waren  zeker  gebeurtenissen,  die  een  diepen  indruk 
moesten  maken;  het  waren  belangrijke  zedelijke  voordeelen  voor 
Holland.  Maar,  om  die  voordeelen  door  te  zetten,  om  oorlog  te 
blijven  voeren  in  de  Spaansche  Nederlanden  en  daardoor 
I^uxembourg  te  dwingen  om  Holland  te  ontruimen,  daartoe  was 
de  macht  van  Willem  III  alleen  te  zwak,  daartoe  werd  de  mede- 
werking vereischt  van  de  Spaansche  en  vooral  van  de  Duitsche 
legermacht.  Het  hoofddoel  van  den  Stadhouder  schijnt  dan  ook 
te  zijn  geweest,  om  door  zijn  marsch  op  Maastricht  het  leger 
van  Turenne  naar  de  Maas  te  lokken,  en  het  daardoor  den 
Duitschen  legers  gemakkelijk  te  maken  om  den  Rijn  over  te 
trekken;  het  was  evenals  bij  een  schaakpartij  met  vieren:  de 
bondgenoot  van  Willem  III  was  mat,  en  het  kwam  er  vooral 
op  aan  dezen  te  ontmatten;  gelukte  dit,  dan  was  er  veel  kans 
om  de  partij  te  winnen.  Maar  dat  ontmatten  gelukte  niet:  Tu- 
renne liet  zich  door  de  bewegingen  van  den  Stadhouder  niet 
aftrekken  van  den  Rijn;  hij  bepaalde  er  zich  toe  —  zooals  men 
gezien  heeft  —  eene  brug  te  Andernach  te  slaan,  waardoor  hij 
steeds  in  de  gelegenheid  was,  met  zijn  leger  dat  des  Stad* 
houders  te  gemoet  te  gaan ;  maar  hij  bleef  vooreerst  te  Andernach; 
en  toen  hij  later  den  Rijn  verliet,  plaatste  hij  zich  zoodanig  te 
Witlich,  dat  hij  daardoor  de  vcreeniging  van  de  Duitsche  legers 
met  dat  van  Willem  III  nog  belette.  Verder  vooruitrukken  tus- 
schen  Maas  en  Rijn,  het  leger  van  Turenne  opzoeken  en  slag 
leveren,  daartoe  was  de   macht  van  Willem  III  veel  te  gering; 


Digitized  by 


Google 


196  KRUGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

en  hij  moest  zich  dus  bepalen  met  in  de  nabijheid  van  Maastricht 
te  blijven,  en  hier,  door  het  bedreigen  van  de  sterke  steden  die 
Frankrijk  in  de  Spaansche  Nederlanden  had,  of  door  het  behalen 
van  voordeelen  op  Duras,  eene  afleiding  te  bewerken  ten  voor- 
deele  van  de  Duitsche  legers  aan  den  Rijn. 

Zelfs  hiertoe  werd  de  komst  van  de  Spaansche  hulptroepen 
gevorderd;  en  daar  deze  eerst  den  24sten  November  aankwamen, 
bracht  men  een  dag  of  veertien  door  met  onbeduidende  verrich- 
tingen bij  Maastricht:  den  isen  November  trok  de  ruiterij  des 
Stadhouders  door  Maastricht,  en  breidde  zich  uit  op  den  rechter 
Maasoever  tot  Eysden;  bij  Navaigne  werd  een  brug  over  de 
Maas  geslagen;  en  met  Luik  werd  eene  overeenkomst  gesloten, 
die  den  toevoer  van  levensmiddelen  uit  dit  Bisdom  aan  het  Hol- 
landsche  leger  verzekerde.  Toen  nu  de  Spaansche  generaal  Marsin 
met  7  k  8000  man  op  den  linker  Maasoever  nabij  Maastricht 
was  verschenen,  ging  men  over  tot  de  insluiting  van  Tongeren; 
den  25sten  November  begonnen,  werd  zij  den  26steii  voltooid, 
toen  de  hoofdmacht  van  de  bondgenooten  voor  die  stad  ver- 
scheen. Vóórdat  die  insluiting  was  voltooid,  had  zich  Montal, 
de  Fransche  bevelhebber  van  Charleroi,  met  eenige  ruiterij  bin- 
nen Tongeren  geworpen;  het  bevel  tot  die  handeling  vooruit- 
loopende,  dat  hem  eerst  den  26sten  door  Louvois  werd  toege- 
zonden. De  komst  van  diei\  bekwamen  en  stouten  Franschen 
aanvoerder  binnen  de  muren  der  bedreigde  vesting,  verminderde 
voor  de  bondgenooten  de  kansen  op  hare  vermeestering ;  — 
kansen,  die  toch  niet  zeer  groot  waren,  daar  uit  verschillende 
opgaven  blijkt,  dat  Tongeren  reeds  maanden  te  voren  door  de 
Franschen  met  zorg  was  versterkt,  en  toen  eene  bezetting  had 
die  op  een  3000  man  wordt  begroot. 

Ernstig  schijnen  de  bondgenooten  die  onderneming  tegen  Ton- 
geren ook  niet  te  hebben  doorgezet;  want  reeds  den  29sten  No- 
vember werd  het  beleger ingsgeschut  teruggezonden  naar  Maas- 
tricht; en  den  volgenden  dag  trok  de  Stadhouder  met  het 
grootste  deel  zijns  legers  ook  derwaarts,  de  onderneming  tegen 
Tongeren  dus  geheel  opgevende.  Aanleiding  tot  dit  besluit  schijnt 
te  zijn  geweest  de  weinige  kans  die  men  had  om  Tongeren  te 
bemachtigen,  en  de  hoop  van  een  voordeel  te  behalen  op  Duras, 
die  men  meende  dat  met  zijne  6000  man  ruiterij  over  Maaseyck 
zoude  oprukken,  om  de  bedreigde  vesting  te  hulp  te  komen; 
denkelijk  heeft  de  geheele  onderneming  tegen  Tongeren  alleen 
gediend  om  Duras  uit  te  lokken  tot  het  leveren  van  een  gevecht. 

Dit  doel  was  echter  niet  bereikt;  de  Fransche  bevelhebber 
was  achter  de  Roer  gebleven.  Willem  III,  hem  daar  willende 
opzoeken,  trok  op  den  3osten  November  met  9000  man  ruiterij 
te  Maastricht  de  Maas  over  en  rukte  op  Linnick,  voornemens 
dd^r,  in   het  gezicht   van  Duras,  de  Roer  over  te  trekken.  Die 


Digitized  by 


Google 


TOCHT  NAAR   MAASTRICHT  KN  DE  BOVENMAAS.  I97 

rivier  was  toen  echter  door  aanhoudende  regens  zeer  sterk  ge- 
zwollen ;  en  daar  Duras  de  bruggen  vernield  had,  was  hare  over- 
tocht ondoenlijk.  De  Stadhouder  keerde,  na  een  paar  dagen  aan 
de  Roer  te  hebben  stand  gehouden,  naar  Maastricht  terug ;  maar 
toch  iets  willende  verrichten,  deed  hij,  op  den  6en  December, 
het  sterke  kasteel  van  Valkenburg  door  3  regimenten  der  bezet- 
ting van  Maastricht  —  Beaumont,  Mannemaker  en  Kilpatrick  — 
met  4  stukken  geschut  aanvallen ;  reeds  den  7en  was  de  Fransche 
bezetting,  een  paar  honderd  man  sterke  genoodzaakt  zich  over 
te  geven.  Duras,  zijne  stelling  aan  de  Roer  te  gevaarlijk  reke- 
nende, had  die  in  de  eerste  dagen  van  December  verlaten,  en 
was  den  5en  te  Oberwinter  gekomen,  tusschen  Bonn  en  Ander- 
nach,  daardoor  zijne  gemeenschap  met  Turenne  verzekerende. 
Die  terugtocht  van  den  Franschen  bevelhebber  was,  naar  ge- 
woonte, gedekt  door  eene  achterhoede;  —  wat  de  Hollandsche 
Mercurius,  in  zijne  diepe  kennis  van  de  krijgskunst,  als  iets  zeer 
opmerkelijks  vermeldt:  >dit  was  de  Fransche  gewoonte  als  zij 
het  hazenpad  kiezen,  dat  zij  gedurig  10  è,  11  escadrons  van  verre 
laten  navolgen,  altoos  omkijkende  of  haar  vijand  volgde."  (23* 
deel,  blz.  207). 

Die  operatiën  aan  de  Maas  bleven  intusschen  zonder  invloed 
op  den  gang  der  gebeurtenissen  aan  den  Rijn:  Turenne  hield 
nog  altijd  stand  te  Witlich,  tevens  het  bruggenhoofd  van  Ander- 
nach  sterk  bezet  houdende ;  en  zijne  vijanden  gingen  te  werk  op 
eene  wijze,  die  ten  duidelijkste  deed  blijken,  dat  zij  geen  ernstig 
voornemen  hadden  om  den  Rijn  over  te  ga^n  en  den  oorlog 
over  te  brengen  op  den  linkeroever  van  dien  stroom.  Den  7en 
December  deden  zij  eene  zwakke  poging  om  de  brug  te  Ander- 
nach  te  vernielen  en  een  aanval  op  het  bruggenhoofd  op  den 
rechteroever;  die  poging  mislukte,  die  aanval  werd  afgeslagen. 
Met  half  December  verlieten  zij  daarop  den  Main  en  trokken  zij 
naar  de  Lahn;  en  dit  bewoog  Turenne  om  den  i7en  December 
ook  zijne  stelling  te  Witlich  te  verlaten  en  de  brug  te  Ander- 
nach  meer  nabij  te  komen.  Op  het  bericht  dat  de  Duitsche  legers 
uiteengaan  en  een  gedeelte  van  de  Brandenburgsche  macht  naar 
het  lagere  gedeelte  van  den  Rijn  trekt,  doet  de  Fransche  veld- 
heer de  brug  bij  Andemach  afbreken  en  volgt  hij  de  bondge- 
nooten  naar  de  zijde  van  Wezel. 

Met  het  einde  van  December  is  de  Duitsche  legermacht  geheel 
ontbonden;  zij  keert  huiswaarts;  en  daar  men,  om  de  onzijdig- 
heid van  de  Duitsche  vorsten  te  ontzien,  gedurig  omwegen  moest 
maken,  werden  de  marschen  zoo  vermoeiend,  dat  daardoor  en 
door  de  invallende  koude  meer  dan  3000  paarden  bezweken. 
Het  Brandenburgsche  en  het  Keizerlijke  leger  hadden  dus,  in  den 
striktsten  zin  van  het  woord,  in  dezen  veldtocht  niets  gedaan; 


Digitized  by 


Google 


198  KR^GS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

en  dit  was  de  bijstand  die  ons  land  in  1672  van  Duitschland 
ondervond ;  hij  had  tot  niets  anders  gediend  dan  om  in  de  laatste 
maanden  van  dat  jaar  een  deel  der  Fransche  krijgsmacht  naar 
den  Rijn  te  doen  trekken. 

Oranje,  nu  aan  zijne  eigene  krachten  overgelaten,  besloot  nog 
voor  het  einde  van  den  veldtocht  tot  eene  onderneming  over  te 
gaan,  die,  gelukte  zij,  zijn  krijgsroem  zou  verhoogen  en  een 
zwaren  slag  zou  toebrengen  aan  de  Fransche  macht;  hij  besloot 
tot  het  beleg  van  Charleroi. 

Stout  mag  die  onderneming  worden  genoemd,  wanneer  men 
in  aanmerking  neemt  het  vergevorderde  jaargetijde,  en  de  zeker- 
heid dat  men  daarbij  zonder  ondersteuning  zou  blijven  van  de 
Duitsche  legers;  maar  er  waren  kansen  voor  het  gelukken:  men 
wist  dat  Charleroi  niet  sterk  bezet  was,  en  zich  daarin  niet  meer 
dan  800  soldaten  bevonden  en  300  boeren,  bestemd  voor  den 
arbeid  aan  de  vestingwerken;  wat  meer  was,  de  bevelhebber  der 
vesting,  Montal,  wiens  bekwaamheid  men  kende,  was  afwezig;  en 
de  verdediging  zou  dus,  —  dit  was  te  verwachten  —  met  niet 
veel  kracht  worden  gevoerd.  Ontzet  zou  de  vesting  niet  spoedig 
kunnen  krijgen,  daar  de  Fransche  macht  in  de  vestingen  der 
Zuidelijke  Nederlanden  op  zich  zelve  hiertoe  niet  sterk  genoeg 
was,  Turenne  zich  aan  den  Rijn  ophield  en  Duras  was  terug- 
gedrongen. De  inneming  van  Charleroi  was  dus  mogelijk  en  zelfs 
alles  behalve  onwaarschijnlijk. 

£n  die  inneming  zou  een  belangrijk  wapenfeit  zijn  geweest. 
Men  moet,  om  dit  te  erkennen,  zich  verplaatsen  in  de  wijze  van 
oorlogvoeren  van  de  17e  eeuw,  en  onze  hedendaagsche  denk- 
beelden daarover  ter  zijde  stellen.  Bij  een  veldtocht  van  de  19e 
eeuw  zou  de  inneming  van  eene  vesting  als  Charleroi  een  ge- 
heel onbeduidende  handeling  zijn;  in  de  17e  eeuw  niet;  toen- 
maals was  elke  vesting  van  gewicht,  en  van  zooveel  gewicht,  dat 
men  rekende  dat  een  sterk,  overwinnend  leger  een  roemrijken 
veldtocht  had  verricht,  wanneer  het,  in  den  loop  van  dien  veld- 
tocht, een  of  twee  vijandelijke  vestingen  had  belegerd  en  inge- 
nomen; —  zie,  ten  bewijze,  hoe  verscheidene  veldtochten  van 
Marlborough  niets  anders  dan  dit  opleveren,  en  dat  was  reeds 
18e  eeuw!  Wat  moest  het  dan  zijn,  wanneer  men  een  leger 
dat  bij  het  begin  van  den  veldtocht  zwak,  geslagen  en  vluch- 
tend was,  een  leger  dat  men  bijna  niet  meer  telde,  plotseling 
weer  aanvallender  wij  ze  zag  te  werk  gaan,  en  eene  vesting  bele- 
geren ên  innemen,  onmiddellijk  aan  de  grenzen  van  het  machtige 
en  overwinnende  Frankrijk!  Het  lijdt  geen  twijfel,  dat  zoo  iets 
een  verbazenden  indruk  moest  maken;  en  dat,  door  die  ver- 
meestering  van  Charleroi,  de  zedelijke  kracht  van  Lodewijk's 
heerschappij  een  geduchten  schok  moest  ondergaan. 


Digitized  by  VjOOQIC 


TOCHT   NAAR   MAASTRICHT   EN   DE   BOVENMAAS.  I99 

Maar  ook  de  materieele  nadeelen  zouden  groot  zijn  voor 
Frankrijk.  Charleroi  was  toentertijd  eene  groote  depotplaats  voor 
de  Fransche  krijgsmacht  in  Holland*,  het  onderhield,  in  verband 
met  de  door  Duras  bezette  sterke  steden,  de  gemeenschap  van 
die  krijgsmacht  met  Frankrijk ;  van  daar  kon  die  krijgsmacht  ge- 
durig toevoer  krijgen ;  —  maar  viel  Charleroi  in  handen  van  de 
bondgenooten,  dan  hield  dit  alles  op ;  dan  was  die  gemeenschap 
verbroken;  dan  kwam  geen  toevoer  meer  van  daar;  dan  was 
—  om  eene  nieuwere  uitdrukking  te  bezigen  —  Luxembourg's 
operatielijn  door  den  vijand  bemachtigd.  De  landstreek  tusschen 
Maas  en  Rijn  was  dén  de  eenige  weg,  waarlangs  die  Fransche 
veldheer  toevoer  kon  krijgen,  waarover  hij  een  terugtocht  kon 
verrichten;  en  daar  die  landstreek  ernstig  bedreigd  kon  worden, 
èn  door  het  leger  van  Willem  III,  èn  door  de  Duitsche  legers 
aan  den  Rijn,  zoo  was  het  voortdurend  behouden  van  toevoer 
en  van  ongehinderden  terugtocht  voor  Luxembourg  iets  zeer 
onzekers;  en  die  Fransche  veldheer,  wilde  hij  geen  gevaar  loe- 
pen van  door  de  bondgenooten  te  worden  ingesloten,  zou  ge- 
dwongen zijn  om  Holland  te  ontruimen. 

Zulke  groote  en  beslissende  uitkomsten  kon  de  vermeestering 
van  Charleroi  teweegbrengen.  Dat  die  vermeestering  niet  plaats 
had,  dat  de  onderneming  mislukte^  dit  bewijst  niets:  het  ontwerp 
tot  de  onderneming  blijft  daarom  toch  even  stout  en  groot. 

Oranje,  zijne  tegenpartij  door  schijnbewegingen  misleidende, 
deed  Montal  gelooven,  dat  bij  de  bondgenooten  het  voornemen 
bestond  om  nogmaals  Tongeren  aan  te  vallen ;  maar,  terwijl  een 
gedeelte  van  de  macht  des  Stadhouders  die  stad  naderde,  trok 
eene  afdeeling  ruiterij  den  i5eu  December  plotseling  naar  Char- 
leroi en  berende  die  vesting ;  den  i  yen  verscheen  de  hoofdmacht 
der  bondgenooten  aldaar  en  voltooide  de  insluiting.  Er  waren 
regimenten  infanterie  van  Bergen  op  Zoom  aangekomen,  tenge- 
volge waarvan  de  geheele  macht  des  Stadhouders  tot  30000  man 
klom.  Belegeringsgeschut  werd  te  Maastricht  ingescheept,  om 
over  de  Maas  en  Sambre  naar  Charleroi  vervoerd  te  worden. 
Men  viel  dus  met  sterke  middelen  eene  vesting  aan  met  geringe 
bezetting  en  zonder  bevelhebber;  een  beleg  van  eenige  dagen 
kon  haar  doen  vallen;  Frankrijk  lag  dan  open  voor  het  leger 
des  Stadhouders;  en  de  vrees  voor  een  vijandelijken  inval  was 
daar  zóó  groot,  dat  er  ernstig  sprake  van  was,  dat  Lodewijk  XIV 
zich  in  persoon  aan  het  hoofd  eens  legers  zou  stellen.  Verschil- 
lende omstandigheden  keerden  echter  dit  gevaar  van  Frankrijk 
af  en  deden  het  voorgenomen  beleg  mislukken. 

Montal,  wanhopig  van  zich  door  den  vijand  te  hebben  laten 
misleiden,  wil  eene  uiterste  poging  wagen  om  zich  ie  werpen 
binnen  de  vesting  aan  zijne  zorg  toevertrouwd.  Die  onversaagde 
bevelhebber  verlaat  met  een  honderdtal  ruiters  Tongeren,  komt 


Digitized  by 


Google 


200  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

in  den  vroegen  ochtend  van  den  i8en  nabij  Charleroi  en  neemt 
een  list  te  baat  om  zich  heen  te  slaan  door  de  insluitende  macht 
van  de  bondgenooten.  Hij  heeft  zijne  ruiters  van  oranjesjerpen 
voorzien,  is  —  door  den  een  of  anderen  overlooper  —  met  het 
wachtwoord  bekend  geworden,  en  nadert  nu  de  legerplaats  der 
Spanjaarden  van  Marsin,  waar  hij  zich  uitgeeft  als  behoorende 
tot  de  troepen  van  den  hertog  van  Holstein.  Twee  veldwachten 
laten  hem  ongehinderd  door,  maar  bij  de  derde  heeft  oponthoud 
plaats;  en  toen  de  Franschman  ziet  dat  hij  ontdekt  zal  worden, 
werpt  hij  het  masker  af;  op  het  door  hem  gegeven  sein,  —  de 
kreet  van  y^vive  Ie  Rot'  de  Francé*^  —  schieten  zijne  ruiters  hun 
pistolen  af,  storten  zich  met  de  sabel  in  de  vuist  op  de  Span- 
jaarden, slaan  zich  daar  doorheen  en  bereiken  Charleroi.  Hunne 
komst  binnen  die  vesting  wekt  den  neergeslagen  moed  der  be- 
zetting weer  op,  en  Montal,  van  de  eerste  geestdrift  gebruik 
makende,  doet  dadelijk  een  krachtig  geschutvuur  op  den  vijand 
openen  en  uitvallen  doen;  de  bondgenooten  lijden  daarbij  ver- 
liezen: Louvignies  wordt  gekwetst  en  onder  de  gesneuvelden 
wordt  een  van  de  Bijlandts  genoemd. 

De  verdediging  zou  nu  met  kracht  worden  gevoerd,  en  aan 
de  Fransche  zijde  maakte  men  zich  gereed  om  de  benarde  ves- 
ting zoo  goed  mogelijk  te  hulp  te  komen.  Duras  had  reeds 
vroeger  —  4  December  —  last  ontvangen  van  Louvois  om  zich 
te  versterken  met  een  3  k  4000  man  ruiterij  van  de  Keulsche 
en  Munstersche  krijgsmacht  die  te  Wezel  te  zijner  beschikking 
zouden  worden  gesteld;  alsook  met  een  1200  ruiters,  onder 
Calvo,  door  Luxembourg  uit  Holland  afgezonden;  en  met  die 
vereenigde  macht  het  leger  van  Willem  III  op  te  zoeken  en 
terug  te  drijven;  —  dit  bevel  was  echter  niet  tot  uitvoering  ge- 
komen, denkelijk  omdat  de  overmacht  des  Stadhouders  dit  be- 
lette. Óp  de  eerste  tijding  der  berenning  van  Charleroi  zond 
Louvois  —  17  December  —  andermaal  bevel  aan  Duras  om 
onverwijld  met  zijn  geheele  macht  de  Maas  over  te  trekken,  op 
Braine  Ie  Comte  te  marcheeren,  en  zich  te  Ath  onder  de  be- 
velen te  stellen  van  den  maarschalk  d'Humières,  die  daar  7000 
man  infanterie  en  1200  ruiters  zou  vereenigen;  die  gezamenlijke 
macht  moest  dan  Charleroi  ontzetten. 

Vóórdat  dit  leger  oprukte,  was  echter  het  beleg  van  Charleroi 
reeds  opgebroken. 

De  voorname  oorzaak  hiervan  was  een  plotseling  ingevallen 
vorst,  die  den  aanvoer  onmogelijk  maakte  van  het  belegerings- 
geschut  van  Maastricht,  het  openen  van  de  loopgraven  belette, 
de  soldaten  des  Stadhouders  zeer  deed  lijden  en  een  aantal 
hunner  het  leven  kostte.  Dit  schijnt  de  hoofdoorzaak  te  zijn 
geweest  van  het  opbreken  van  het  beleg  van  Charleroi;  —  hoe- 
wel  het   zeer   waarschijnlijk   is,   dat  op  dit   opbreken    ook    niet 


Digitized  by 


Google 


TOCHT  NAAR   MAASTRICHT    EN   DE   BOVENMAAS,  20I 

zonder  invloed  is  gebleven  de  dappere  wederstand,  door  Montal 
geboden,  de  tijding  van  het  bijeentrekken  van  een  Fransch  leger 
tot  ontzet  en  de  vrees  dat,  bij  langer  verwijl  voor  Charleroi, 
Holland  intusschen  door  Luxembourg  gevaar  zou  kunnen  loopen. 
Den  aasten  December  werd  de  kleine  vesting  Binche  nog  be- 
machtigd door  eene  afdeeling  van  het  leger  des  Stadhouders, 
en  de  vijandelijke  bezetting,  300  man  sterk,  krijgsgevangen  ge- 
maakt; men  slechtte  de  vestingwerken  van  dat  stadje  en  verliet 
het  toen.  Daarna  werd  het  beleg  van  Charleroi  opgebroken  en 
Willem  III  trok  met  zijn  leger  terug  naar  Holland,  zonder  bij 
dien  terugtocht  in  het  minst  door  den  vijand  gehinderd  te  wor- 
den. Daarentegen  leed  de  Hollandsche  krijgsmacht  veel  door 
de  koude;  en  volgens  Sylvius  moeten  de  daardoor  ontstane 
ziekten  die  krijgsmacht  met  een  derde  hebben  verzwakt.  Den 
3osteii  December  was  de  Stadhouder  weer  te  Alphen. 

Rousset,  in  zijn  „Histotre  de  Louvois*^  toont  aan  dat  die  onder- 
neming van  Willem  III  op  Charleroi  >goed  beraamd"  was,  en 
van  eene  » uitnemende  stoutheid" -getuigt ;  ziehier  wat  daarover 
voorkomt  in  het  werk  van  den  Franschen  schrijver  (i*  deel, 
blz.  403—407): 

> Inmiddels  had  de  Prins  van  Oranje  zich  een  oogenblik  ge- 
vleid, het  doel  van  zijn  streven  te  hebben  bereikt.  Hij  had 
eenige  troepen  in  Holland  achtergelaten  om  de  uiteinden  der 
dijken  te  bezetten  en  Luxembourg  te  misleiden;  en  met  de 
hoofdmacht  was  hij  ongemerkt  weggetrokken  en  snel,  door 
Braband  heen,  op  Maastricht  gegaan.  Verrast  door  die  onver- 
wachte beweging  had  de  hertog  De  Duras,  die  te  Maaseyck 
graaf  Chamilly  had  vervangen,"  (in  een  noot:  > Graaf  Charailly 
was  den  i8en  October  overleden"),  >maar  even  den  tijd  gehad 
om  zijne  te  veel  verspreide  troepen  wat  samen  te  trekken;  maar 
het  was  hem  onmogelijk  den  Prins  van  Oranje  den  overtocht  van 
de  Maas  te  betwisten.  Reeds  had  Prins  Willem  het  kasteel  van 
Valkenburg  vermeesterd  en  zijne  voorposten  vooruitgeschoven 
tot  aan  de  Roer ;  maar  twee  of  drie  dagmarschen  verder,  en  hij 
was  vereenigd  met  zijne  Duitsche  bondgenooten,  toen  hij  het 
ongeloofelijke  bericht  kreeg  van  hun  aftocht,  die  alles  weer 
omverwierp.  Nu  gevaar  loopende  van  ingesloten  te  worden  tus- 
schen  Duras,  die  bekomen  was  van  zijne  verrassing,  en  Turenne, 
die  toen  meer  vrijheid  van  beweging  had,  trok  de  Prins  terug 
op  Maastricht;  maar  de  verbittering  der  Hollanders  tegen  Lode 
wijk  XIV,  en  zijne  persoonlijke  belangen  gedoogden  niet  dat 
hij  zonder  zwaardslag  aftrok,  zooals  de  Duitschers.  Met  eene 
uitnemende  stoutheid  besloot  hij,  alléén,  het  groote  ontwerp  uit 
te  voeren,  dat  slechts  door  de  vreesachtigheid  van  den  Keizer 
en  van  diens  legerhoofden  schipbreuk  had  geleden :  het  oogmerk 


Digitized  by 


Google 


202  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

om  de  gemeenschap  van  Turenne,  van  Duras  en  van  Luxem- 
bourg  met  Frankrijk  af  te  snijden.  Van  Charleroi  was  het  leger 
uitgegaan,  dat  Holland  was  binnengedrongen;  ook  te  Charleroi 
wilde  hij  den  terugtocht  voor  dat  leger  afsnijden.  Gesteund  door 
graaf  Monterey,  den  landvoogd  der  Spaansche  Nederlanden,  die, 
zonder  eenig  bevel  van  zijn  hof,  niet  schroomde,  het  in  onge- 
legenheid te  brengen  door  Willem  bij  te  staan  met  eene  afdee- 
ling  van  loooo  man  en  met  eene  sterke  artillerie,  nam  hij  eerst 
den  schijn  aan  van  Tongeren  aan  te  vallen,  en  verscheen  toen 
plotseling,  den  15  en  December,  voor  Charleroi. 

De  ontroering  van  Lodewijk  XIV,  toen  hij  hiervan  bericht 
kreeg,  bewijst  genoegzaam,  dat  die  onderneming  hem  gevoelig 
trof  en  goed  was  beraamd.  >Ik  acht  dit  een  toestand,  zóó  ge- 
wichtig, als  ik  ooit  zal  beleven,"  schreef  hij  aan  Louvois  (21 
December).  Want  Louvois  was  reeds  niet  meer  bij  hem :  de  rus- 
telooze  minister  was  vertrokken  om  het  vuur  van  zijn  ijver  mee 
te  deelen  aan  de  bevelhebbers  en  de  troepen  die  van  alle  zijden 
oprukten.  Den  1760  December  wist  het  hof  dat  Charleroi  werd 
aangevallen;  na  den  nacht  4e  hebben  doorgebracht  met  het 
uitvaardigen  van  bevelen,  schreef  Louvois,  den  i8en  om  vijf  uur 
's  ochtends,  uit  Parijs:  >ik  kom  van  Versailles;  over  een  uur 
vertrek  ik  naar  Vlaanderen.  Morgen  komt  de  maarschalk  d'Hu- 
mières  met  10  000  man  te  Ath;  en  over  vijf  dagen  trekt  de 
Prins  van  Condé  met  6000  man  op  Charleroi.  Ik  hoop  dat, 
binnen  weinige  dagen,  de  vijand  berouw  zal  hebben  van  zijn 
dwaze  onderneming."  Bovendien  had  Duras  bevel  om  met  zijn 
geheele  macht  van  Maaseyck  op  te  rukken." 

Volgens  Rousset  was  het  20  December  toen  Montal  weer 
binnen  zijne  vesting  kwam.  Na  die  terugkomst  vermeld  te  heb- 
ben, vervolgt  de  Fransche  schrijver: 

•Twee  dagen  later,  den  22sten,  brak  Willem  van  Oranje  het 
beleg  op  en  keerde  naar  Holland  terug;  zich  met  niets  anders 
kunnende  troosten  dan  met  twee  gemakkelijke  en  zeer  onbe- 
duidende krijgsverrichtingen :  het  nemen  van  het  kasteel  van 
Valkenburg  en  het  plunderen  van  het  stadje  Binche.  Zoo  ein- 
digde, even  plotseling  als  zij  begonnen  was,  hoewel  met  minder 
luister,  die  onderneming,  die  aan  Lodewijk  XIV  zulk  een  gruw- 
zame onrust  —  yyune  inquiétude  furieusi''  —  had  ingeboezemd." 

Van  den  invloed,  die  het  plotseling  invallen  van  een  strenge 
vorst  deed  gelden,  wordt  in  die  voorstelling  van  Rousset  geen 
gewag  gemaakt ;  maar  toch  wijst  die  voorstelling  ten  duidelijkste 
aan,  van  welk  een  beslissenden  aard  deze  strategische  handeling 
van  Willem  III  had  kunnen  zijn.  Die  handeling  alleen  is  reeds 
voldoende  om  hem  te  kenmerken  als  een  uitstekend  legerhoofd* 


Digitized  by 


Google 


WREEDHEDEN  DOOR   LUXEMBOURG  GEPLEEGD.  203 


HOOFDSTUK  VII. 

wreedheden  door  luxembourg  gepleegd;  bodegraven  en 
zwammerdam:  coevorden;  strategische  opmerkingen. 

Op  hetzelfde  oogenblik  dat  Willem  III  de  Hollandsere  wapen- 
macht  tot  aan  Frankrijk's  grenzen  had  doen  doordringen,  was 
Luxembourg  er  op  bedacht,  om  door  een  inval  in  Holland  voor- 
goed een  einde  te  maken  aan  den  wederstand  van  de  Republiek, 
en  hij  trok  daartoe  partij  van  dezelfde  winterkoude  die  des 
Stadhouders  onderneming  op  Charleroi  deed  mislukken.  Die 
voorgenomen  inval  van  het  Fransche  legerhoofd  bewijst  echter, 
hoe  gevaarlijk  het  is  voor  een  vijandelijk  leger  om  gebruik  te 
maken  van  den  weg  welke  een  strenge  vorst  het  baant  over 
onze  rivieren  en  on  der  water  zettingen :  een  plotseling  invallende 
dooi  kan  het  verloren  doen  gaan. 

Na  het  gevecht  bij  Woerden  hadden  de  krijgsverrichtingen  in 
Holland  zich  bepaald  tot  kleine  strooptochten,  waarbij  —  volgens 
onze  schrijvers  —  de  Hollandsche  partijgangers  geen  onaanzienlijke 
voordeelen  behaalden;  daarentegen  deed  Luxembourg  verschil- 
lende dorpen  die  onder  zijn  bereik  waren,  bemachtigen,  plun- 
deren en  meestal  verbranden.  Zoo  werd  onder  andere  in  den 
nacht  van  26 — 27  November  de  Hollandsche  post  te  Ameide 
door  de  Franschen  overvallen  en  vermeesterd;  Bamphield,  die 
hier  mee  een  gedeelte  van  zijn  regiment  was,  moet,  volgens 
sommige  opgaven,  hier  niet  ten  volle  zijne  verplichting  zijn  nage- 
komen. Wirtz,  met  troepen  van  Gorkum  oprukkende,  hernam 
Ameide,  waarvan  de  vermeestering  onder  andereu  het  leven  kostte 
aan  Castelnault^  den  telg  van  een  der  oudste  adellijke  geslachten 
van  Frankrijk. 

Al  die  kleine  krijgsverrichtingen  op  te  sommen,  zou  te  uit- 
voerig en  van  te  weinig  belang  zijn;  maar  de  algemeene  opmer- 
king mag  niet  achterwege  blijven,  dat  uit  die  krijgsverrichtingen 
ten  duidelijkste  blijkt,  op  welk  een  wreedaardige  wijze  Luxem- 
bourg den  oorlog  voerde.  Het  plunderen  en  verbranden  van  de 
dorpen,  het  vermoorden  va»  eene  weerlooze  bevolking,  van 
grijsaards,  vrouwen  en  kinderen;  ziedaar  de  middelen  die,  bij 
gebrek  ^an  iets  anders,  het  Fransche  legerhoofd  bezigde  om 
schrik  in  te  boezemen  en  onzen  voorouders  de  wapenen  uit 
de  handen  te  doen  vallen. 

Er  wordt  soms  beweerd,  dat  de  oorlog  tot  zulke  handelingen 
gerechtigt;  —  die  bewering  is  eene  onwaarheid.  Ook  in  den 
oorlog  mogen  niet  alle  middelen  worden  gebezigd;  alleen  de 


Digitized  by 


Google 


204  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

eerlijke  middelen  mogen  tot  de  overwinning  voeren ;  ook  in  den 
oorlog  gelden  zekere  regelen  van  recht  en  menschelijkheid,  en 
schande  kleeft  op  hem  die  deze  regelen  met  voeten  durft  treden. 
Maar  is  er  geen  overdrijving  in  de  tafereelen  die  verschillende 
van  onze  schrijvers  ons  schetsen,  van  de  wreedheden  door  het 
Fransche  leger  in  1672  gepleegd?  —  Ja;  wij  geloo ven  dat  daarin 
overdrijving  is ;  verschillende  gebeurtenissen  van  dat  jaar  zijn  op 
eene  vergroeiende  wijze  voorgesteld;  van  onbeduidende  mishan- 
delingen heeft  men  soms  gruwelijke  martelingen  willen  maken. 
Wanneer  wij  bij  voorbeeld  in  het  bekende  gedicht  de  Fransche 
tiran ny  e,  het  als  een  gruwel  hooren  voorstellen,  dat  de  inboor- 
lingen door  de  Fransche  soldaten  gedwongen  werden  om  schui- 
ten voort  te  trekken: 

»Zij  doen  een  paerdewerck  en  trecken  voor  de  schuyten," 

dan  kunnen  wij,  die  vroeger  in  Vlaanderen  op  die  wijze,  als 
iets  zeer  gewoons,  soms  de  grootste  vaartuigen  hebben  zien 
voorttrekken,  in  die  handeling  geen  zoo  erge  gruweldaad  zien; 
en  wanneer  de  dichter  verder  uitroept: 

»Wie  schrickt  niet  voor  dat  boos  en  goddeloos  bedrijf!" 

dan  moeten  wij  ronduit  erkennen  dat  wij  tot  het  getal  der  niet- 
schrikkers  behooren. 

Andere  schrijvers  —  onder  anderen  Wagenaar  —  zijn,  mogelijk 
door  die  overdrijving,  juist  in  een  tegenovergesteld  uiterste  ver- 
vallen, en  hebben  getracht  de  legermacht  van  Luxembourg  ge- 
heel vrij  te  pleiten  van  de  beschuldiging  van  wreedheid;  maar 
dit  is  evenzeer  indruischende  tegen  de  waarheid;  en  men  be- 
hoeft nog  geen  geloof  te  hechten  aan  Sylvius,  Valckenier  of  de 
Fransche  tirannye  om  Luxembourg  te  beschuldigen  van 
onmenschelijke  wreedheid;  men  vindt  de  gronden  voor  die  be- 
schuldiging in  de  brieven  van  den  Franschen  maarschalk  zelf. 
Zoo  schrijft  hij  den  8sten  November  aan  Louvois,  —  na  den 
aanval  op  een  dorp  (mogelijk  Waverveen)  en  op  een  gewapenden 
uitlegger  vermeld  te  hebben: 

>Mais  il  est  arrivé  un  malheur  dans  cette  action;  c'est 
que,  comme  les  soldats  étaient  fort  animés,  il  y  avait  force 
de  bateaux  des  environs,  pleins  de  peuples  et  de  hardes, 
qui,  sur  Ie  bruit  de  l'attaque  de  la  frégate"  (de  uitlegger), 
>se  retiraient  vers  Amsterdam;  nos  gens  tiraient  dessus  pour 
les  prendre,  et  par  malheur  il  y  eut  force  paysans  et  fem- 
mes tués  de  coups  de  mousquets,  d'autres  même  qui  allaient 
s'embarquer  ont  été  tués  encore,  et  dans  ce  désordre  la, 
cent  cinquante  maisons  se  sont  trouvées  brulées"  enz. 


Digitized  by 


Google 


WREEDHEDEN  DOOR   LUXEMBOURG   GEPLEEGD.  205 

En  wat  verder  in  denzelfden  brief: 

>Je   vous  ai  mande  que  CasleJnault  avait  brülé  Ie  village 
et  Ie  chiteau  de  Liesfeld"  (mogelijk  Jaarsveld;  op  de  juist- 
heid der   namen   moet  men  bij  de  Franschen  niet  zien) . . . 
»M.  de  Macquelines  va,  cette  nuit,  chitier  des  paysans  qui 
tirèrent  l'autre  jour  sur  un  de  nos  partis;  ils  sont  bien  douze 
OU  quinze  cent;  je   pense  qu'il  en  tuera  beaucoup  s'il  les 
peut  joindre,  et   ensuite  il   brülera   deux  de  leurs  villages. 
Jamais   d'accès  de   fièvre  n'ont  été  si  régies  que  Test  notre 
coutume  de  brüler,  de  deux  jours  Tun,  ceux  qui  sont  assez 
sots  pour  nous  y  obligèr." 
In  een  brief  van  den  loen  November  meldt  Luxembourg  aan 
Louvois,   dat  Macquelines  het   dorp  Overmeer,  bij  Hinderdam, 
verbrand  heeft;  met  bijvoeging: 

»et  comme  ce  füt  la  nuit  qu'il  y  arriva,  et  que  les 
maisons  de  ce  pays  sont  fort  combustibles,  il  est  vrai  que 
rien  ne  s'est  sauvé  de  ce  qui  était  dedans;  chevaux,  vaches 
et,  k  ce  qu'  on  dit,  assez  de  paysans,  femmes  et  petits 
enfans." 
Verder  zegt  hij,  dat  Mélac  het  dorp  Waarder,  tusschen  Bode- 
graven en  Oudewater,  verbrand  heeft: 

>il  y  a  brülé  cinq  granges  et  plus  de  cinquante  bestiaux 
dans  chacune,  aussi  bien  que  les  hótes  du  logis.*' 
Wanneer  men  die  uittreksels  leest;  wanneer  men  acht  geeft, 
dat  zij  voorkomen  in  brieven  aan  de  Fransche  regeering,  waarin 
Luxembourg  zeker  de  zaken  niet  op  het  ergst  zal  hebben  voor- 
gesteld ;  wanneer  men  opmerkt,  op  welk  een  koelen,  onverschilligen 
toon  het  Fransche  legerhoofd  die  daden  van  brandstichting  en 
moord  vermeldt,  als  betrof  het  de  onbeduidendste  zaken  ter 
wereld,  dan  heeft  men  geen  ander  bewijs  noodig  om  hem  te 
veroordeelen  als  een  tweeden  Alva.  Neen:  bij  de  blijkbare,  bij 
de  belachelijke  overdrijving  van  sommige  schrijvers,  is  er  toch 
een  grond  van  waarheid  in  het  tafereel  dat  zij  schetsen  van  de 
wreedheden  der  Franschen  in  1672;  en  de  overdreven  onpar- 
tijdigheid, welke  de  billijke  verontwaardiging  over  die  wreedheden 
tracht  te  onderdrukken,  bezondigt  zich  aan  recht  en  waarheid. 
Het  is  een  allerongelukkigste  verdediging,  wanneer  een  Pieter 
de  Groot  zegt:  >dat  het  kleinigheden  waren,  in  vergelijking  met 
wat  de  Franschen  in  Duitschland  deden;"  —  met  evenveel  recht 
kan  men  den  verfoeielijken  moord  op  de  Chineezen  op  Java  ver- 
dedigen,, door  te  zeggen,  dat  de  Spanjaarden  in  Amerika  en  de 
Britten  in  Hindostan  grootere  gruwelen  hebben  bedreven. 

Rousset  —  een  eerlijk,  waarheidlicvend  schrijver  —  ontveinst 
ook  zijn  afkeer  niet  van  die  wreedheden  van  Luxembourg; 
toch  tracht  hij  tot  een  min  of  meer  verzachtend  oordeel  te 
stemmen,   door   te  wijzen   op  het   oorlogsrecht   —    of  oorlogs- 


Digitized  by 


Google 


2o6  KRTJGS-   EN  GESCHIXDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

gebruik  —  van  dien  tijd,  dat  toeliet  om  » brandschattingen'* 
te  heffen,  en  de  plaatsen  die  weigerden  om  daaraan  te  voldoen, 
uit  te  plunderen  of  af  te  branden;  in  het  i*  deel,  blz.  392 — 393 
van  zijn  y^Histoire  de  Louvoi5^\  zegt  hij: 

»Noch  Louvois,  noch  Luxembourg  hebben  dus  dit  stelsel 
uitgedacht;  maar  indien  zij,  wat  dit  aangaat,  gewaarborgd  zijn 
tegen  den  blaam  der  geschiedenis,  dan  blijven  zij  toch  altijd 
verantwoordelijk  voor  de  daden  van  wreedheid  {actes  sauvages) 
die  zij  hebben  bevolen,  aangemoedigd  of  toegelaten.  Als  Luxem- 
bourg aan  Louvois  schrijft:  tik  heb  u  bericht,  dat  wij  den  brand 
hebben  gestoken  in  het  fraaiste  huis  van  den  aanzienlijksten 
Amsterdammer  {du  plus  haut  huppé  d'* Atmterdarfi) ;  het  had  25  000 
kronen  gekost  van  aanbouw;  en  toch  hebben  wij  daardoor  nog 
niemand  gewonnen"  (27  September  1672);  dan  moet  men  de 
verantwoordelijkheid  hiervoor  niet  schuiven  op  Luxembourg,  maar 
wel  op  eene  abstrakte  onbelichaamde  kracht,  op  het  recht  van 
den  oorlog.  Maar  zoodra  men  weer  den  mensch  ziet,  die  door 
zijn  koude  ongevoeligheid,  zijn  bijtenden  spot  de  wreedheid  ver- 
dubbelt van  de  wet  die  hij  uitvoert,  dan  heeft  de  geschiedenis 
het  recht  om  hem  aansprakelijk  te  stellen  en  hem  over  te  leveren 
aan  het  strenge  oordeel  van  de  openbare  meening..." 

Eene  enkele  aanmerking  hierop. 

Het  woord  >  brandschatting"  duidt  aan  het  heffen  van  eene 
schatting  of  contributie,  op  straffe  van,  bij  het  niet  voldoen  van 
die  schatting,  de  woningen  in  brand  te  zien  steken;  het  heffen 
van  brandschattingen  was  gebruikelijk  bij  de  toenmalige  oor- 
logen; —  zelfs  in  ónze  dagen  is  dat  gebruik  nog  niet  verdwenen. 
Op  die  gronden  kan  men  dus  Luxembourg's  handelingen  in  1672 
eenigszins  verdedigen.  Maar  het  blijft  toch  eene  jammerlijke 
verdediging;  want  het  is  toch  duidelijk,  dat  dit  heffen  van  brand- 
schattingen niet  met  onverbiddelijke  strengheid  behoeft  te  ge- 
schieden ;  het  is  toch  duidelijk,  dat  men  niet  behoeft  te  beginnen 
met  de  huizen  te  verbranden,  terwijl  men  nog  niet  eens  weet  of 
de  eigenaars  de  gevorderde  contributie  willen  betalen,  terwijl 
men  die  contributie  nog  niet  eens  heeft  gevorderd!  En  dan,  het 
vermoorden  van  ongewapenden,  van  weerloozen,  van  vrouwen 
en  kinderen,  door  welk  oorlogsrecht  wordt  dit  gewettigd?  — 
Luxembourg  en  Louvois  verdienen  dus,  om  het  toen  gepleegde, 
gebrandmerkt  te  blijven  als  gewetenlooze  wreedaards;  vooral 
verdienen  zij  dit,  wanneer  men  opmerkt,  op  welk  een  lossen, 
spottenden  toon  zij  van  die  gruwelen  gewagen;  men  wordt  ziek 
van  de  geestigheid  dier  ellendelingen  ! 

Te  begrijpen  is  hun  gedrag  zeer  goed;  vooral  van  Luxem- 
bourg: hij,  afstammeling  van  de  Montmorency's,  en  die,  als  her- 
tog van  Luxembourg,  tot  een  stamhuis  behoorde  dat  keizers  had 
opgeleverd,  moest  met  minachting  neerzien   op   een   volk  van 


Digitized  by  VjOOQIC 


BODEGRAVEN   EN   ZWAMHBRDAM.  207 

kooplieden;  hij,  oorlogsman  van  top  tot  teen,  kon  misschien 
vergevensgezind  zijn  ten  aanzien  van  zijne  vijanden  die  ook 
oorlogslieden  waren,  maar  niet  ten  aanzien  van  de  burgerij,  van 
wat  hij  minachtend  y^e  bourgeois^'*  noemde ;  —  men  was  toen  in  de 
17e  eeuw  en  niet  in  de  19e;  —  hij,  aanbidder  van  de  grootheid 
zijns  Konings,  kon  niets  dan  haat  koesteren  tegen  hen  die  de 
macht  van  Lodewijk  XIV  durfden  trotseeren;  hij,  katholiek  der 
17e  eeuw,  kende  geen  raededoogen  ten  aanzien  van  ketters. 
Want  al  was  Luxembourg  een  man  zonder  eer  of  zedelijkheid, 
die  zelfs  verdacht  werd  van  giftmengerij,  en  die  niet  schroomde 
om  in  zijne  brieven  zich  schuldig  te  maken  aan  profane  spot- 
ternijen over  het  bijbelwoord,  —  dat  belet  niet  dat  hij  een 
ijveraar  was  voor  zijn  kerk.  In  die  hooggeroemde  zeventiende 
eeuw  kon  men  zonder  eer  en  deugd  zijn;  men  kon  zedeloos 
zijn  in  de  hoogste  mate;  men  kon  de  ergste  gruwelen  bedrij- 
ven; —  maar  stipt  moest  men  aan  zijne  kerk  blijven  hechten, 
en  haar,  ten  minste  uiterlijk,  diepen  eerbied  betoonen; 

*zoo  gij  dat  alles  slechts  met  godsdienstschiJD  omkleedt," 
zooals  Vondel  in  den  Palamedes  zegt. 


De  wreedheden  van  den  Franschen  veldheer  hadden  haat,  maar 
ook  schrik  door  geheel  Holland  verspreid;  en  met  bezorgdheid 
zag  men  daar  den  winter  te  gemoet,  die  mogelijk  Luxembourg 
een  weg  over  de  onderwaterzettingen  zou  banen,  op  een  oogen- 
blik  dat  Oranje  met  een  goed  deel  van  's  lands  krijgsmacht 
afwezig  was.  Om  dien  gevreesden  aanval  tegen  te  gaan,  werden 
krachtige  maatregelen  genomen :  men  gelastte  dat  bij  het  invallen 
van  de  vorst,  sommige  vaarten  en  weteringen  open  gehouden 
moesten  worden;  men  deed  48  ijssleden  maken,  ieder  voor 
3  kleine  stukken  geschut  moetende  dienen;  de  Hollandsche 
steden  werden  zooveel  mogelijk  in  staat  van  verdediging  ge- 
bracht; alom  was  het  landvolk  gewapend;  en  het  machtige 
Amsterdam  had  zulk  eene  uitbreiding  gegeven  aan  zijne  ver- 
dedigingsmiddelen, dat  er,  volgens  enkele  opgaven  die  mogelijk 
niet  vrij  zijn  van  overdrijving,  niet  minder  dan  60000  weerbare 
mannen  gereed  stonden  om  Luxembourg*s  leger  het  hoofd  te 
bieden. 

In  November,  bij  het  invallen  van  de  eerste  koude,  had  de 
Fransche  maarschalk  reeds  eene  sterke  macht  vereenigd  bij 
Utrecht,  voornemens  daarmede  over  de  dichtgevrorene  onder- 
waterzettingen op  Leiden  en  Den  Haag  te  trekken;  de  wijze 
waarop  Luxembourg  dien  marsch  wilde  verrichten,  komt  overeen 


Digitized  by 


Google 


2o8  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

met  de  wijze  waarop  zij  later  plaats  had.  Eene  verandering  van 
het  weer  en  het  ongegronde  bericht  dat  Willem  III  uit  de 
Spaansche  Nederlanden  is  teruggekeerd,  doen  Luxembourg  van 
zijn  voornemen  afzien.  In  December,  vijf  of  zes  dagen  voor 
Kerstdag,  valt  opnieuw  een  strenge  vorst  in;  en  Luxembourg 
vereenigt  nu  uit  de  bezettingen  der  naburige  plaatsen  te  Utrecht 
eene  macht  die  vrij  algemeen  op  een  loooo  man  wordt  geschat, 
waaronder  een  kleine  2000  man  ruiterij.  Een  invallende  dooi 
doet  den  tocht  opschorten;  maar  op  Kerstdag  begint  de  vorst 
met  nieuwe  felheid ;  en  in  den  ochtend  van  den  27sien  December 
gaat  de  Fransche  legermacht  van  Utrecht  op  marsch,  om  den 
voorgenomen  inval  in  Holland  te  verrichten. 

Men  komt  te  Woerden;  daar  schijnt  het  weder  om  te  slaan; 
het  is  een  noordoostenwind  en  er  valt  sneeuw.  Den  geheelen 
dag  van  den  27sten  blijft  de  Fransche  legermacht  te  Woerden 
stand  houden;  maar  de  veldheer,  die  de  onderneming  niet  zoo 
spoedig  wil  opgeven,  heeft  Mélac  met  eene  compagnie  ruiterij 
uitgezonden,  om  de  sterkte  van  het  ijs  te  beproeven.  Deze  komt 
terug  met  het  bericht,  dat  het  ijs  sterkte  genoeg  heeft  om  het 
leger  te  dragen;  en  om  10  uur  's  avonds  verlaat  dit  Woerden, 
om  den  tocht  voort  te  zetten.  Eene  handeling,  die  stout,  zelfs 
bijna  roekeloos  mag  genoemd  worden! 

Het  voornemen  was  om  van  Woerden,  ten  noorden  van  den 
Rijn,  over  de  dorpen  Zegveld,  Nieuwkoop  en  Aarlanderveen 
Alphen  te  bereiken;  zóó  de  verschansingen  der  Hollanders  te 
Nieuwerbrug  en  bij  Wiericken  in  den  rug  te  komen,  waar  zij 
minder  versterkt  waren;  zich  op  die  wijze  van  die  schansen 
meester  te  maken,  daardoor  een  weg  te  banen  voor  ruiterij  en 
geschut,  en  dan  met  die  vereenigde  macht  op  Leiden  en  Deo 
Haag  te  trekken.  Die  steden  wilde  men  bemachtigen,  uitplun- 
deren,  mogelijk  verbranden,  en  op  die  wijze  de  Republiek  dwin- 
gen om  zich  aan  Frankrijk  te  onderwerpen.  De  onderneming 
kon  beslissende  gevolgen  hebben ;  zij  had  kans  om  te  gelukken ; 
maar  zij  was  onzeker  en  vol  gevaar. 

De  moeielijke  tocht  over  het  ijs  van  Woerden  naar  Zegveld 
vangt  aan.  Het  leger  wordt  voorafgegaan,  bij  wijze  van  voor- 
hoede, door  de  twee  bataljons  van  De  Sault  en  Moussy,  ieder 
een  500  man  sterk;  hun  volgt  de  overige  infanterie  in  twee  bri- 
gades verdeeld,  onder  Sourches  en  De  la  Meilleraye;  Gasston 
blijft  achter  met  de  ruiterij  en  een  bataljon  van  Picardië,  om, 
wanneer  het  overige  des  legers  de  verschansingen  heeft  omtrok- 
ken  en  in  den  rug  aangevallen,  zich  in  front  daarvan  te  ver- 
toonen.  Luxembourg  zelf  is  aan  het  hoofd  van  de  over  het 
ijs  voorttrekkende  macht;  legt  men  dien  veldheer  de  wreed- 
heid  van  een  Alva  ten  laste,  de  billijkheid  vordert  daarbij  te 
voegen,  dat  hij  ook  in  stoutheid  en  geestkracht  niet  onderdeed 


Digitized  by 


Google 


BODEGRAVEN  EN   ZWAMMERDAM.  209 

voor  het  Spaansche  legerhoofd.  Men  bereikt  Zegveld.  Voort- 
gaande, komt  roen  in  den  ochtend  van  den  28steD  aan  de 
Slimme  Wetering,  een  vaart  die  open  was  gehouden;  men 
slaat  hier  een  brug  over  met  planken  en  balken,  uit  de  huizen 
van  Zegveld  gehaald.  Twee  uren  tijds  verloopen  hiermede,  en 
toen  een  klein  gedeelte  des  legers  den  overtocht  heeft  gedaan, 
is  de  brug  geheel  onbruikbaar  geworden,  en  het  overige  van  het 
heir  daardoor  verhinderd  om  verder  voort  te  rukken.  Luxem- 
bourg  zet  echter  den  tocht  voort  met  de  3500  man  die  over 
zijn;  het  andere  gedeelte  trekt,  volgens  sommige  opgaven,  op 
Woerden  terug;  volgens  andere  volgt  het  na  eenige  uren  tijds, 
toen  er  eene  nieuwe  brug  geslagen  is  over  de  Slimme  Wetering, 
den  marsch  van  Luxembourg. 

De  veldheer  gaat  verder  voort,  niettegenstaande  het  ijs  hier 
en  daar  reeds  bezwijkt  onder  het  gewicht  van  de  marcheerende 
troepen.  Men  nadert  de  M  ij  e ,  een  vaart  die  ook  was  opengehou- 
den ;  men  valt  eerst  aan  op  een  daar  aanwezigen  uitlegger ;  maar 
het  geschutvuur  dat  van  daar  op  de  Franschen  wordt  geopend, 
doet  dezen  afdeinzen  en  dwingt  hen  hunne  marschrichting  te 
veranderen.  Zij  wenden  zich  nu  naar  de  zijde  van  het  dorp 
Nieuwkoop;  maar  ontmoeten  daar  een  geduchten  wederstand 
van  vijf  compagnieën  gewapende  boeren,  die,  wetende  dat  voor 
hen  bij  het  doordringen  van  den  vijand  geen  genade  was  te 
wachten,  zich  met  den  moed  der  wanhoop  verdedigden.  Luxem- 
bourg heeft  geen  tijd  om  zich  daar  lang  op  te  houden;  hij  staakt 
het  gevecht,  wendt  zich  meer  Unks  en  bereikt  de  kade,  die  langs 
de  Mije  naar  het  dorp  Zwammerdam  voert.  Sommige  opgaven 
zeggen,  dat  de  Franschen  op'  Zwammerdam  trokken  over  de 
beide  kaden  van  de  Mije;  volgens  Sijpesteyn  en  De  Bordes 
was  er  echter  geen  kade  aan  de  westzijde  van  de  vaart,  zoodat 
de  marsch  op  Zwammerdam  alleen  moet  hebben  plaats  gehad 
over  de  kade  aan  de  oostzijde. 

Königsmarck  was  bevelhebber  van  de  troepen,  die  in  en 
bij  Bodegraven  geplaatst  waren,  en  die  uit  8  regimenten  infan- 
terie (4000  man)  en  6  compagnieën  ruiterij  bestonden;  uit  alle 
opgaven  moet  men  opmaken,  dat  die  aanvoerder  hier  noch  de 
geestkracht,  noch  het  beleid  betoonde,  welke  zijne  gewichtige  be- 
trekking noodzakelijk  vereischte.  Op  de  eerste  tijding  van  's  vijands 
nadering  was  hij  naar  Zwammerdam  gesneld,  waar  zich  een  200 
man  voetvolk  en  een  30  ruiters  bevonden;  te  gelijk  met  hem 
kwam  daar  de  kolonel  Pain-et-Vin,  bevelhebber  van  de  forten 
aan  de  Nieuwerbrug.  Königsmarck  gelastte  aan  Pain-et-Vin  naar 
de  Nieuwerbrug  terug  te  keeren  en  met  een  gedeelte  van  de  daar 
aanwezige  macht  de  kleine  bezetting  van  Zwammerdam  te  ver- 
sterken; hij  zelf  keerde  naar  Alphen  terug,  om  evenzoo  van 
daar   versterking  aan  te  voeren;  —  en   op   die   wijze   verlieten 

WILLEM  m.  —  I.  14 


Digitized  by 


Google 


210  KRIJGS-   EM  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

die  beide  bevelhebbers  Zwammerdam,  op  het  ©ogenblik  van 
gevaar,  op  het  oogenblik  dat  de  vijand  ten  aanval  naderde. 

Dat  zulk  een  handeling  strijdig  is  met  den  plicht  van  een  be- 
velhebber, dat  zij  op  de  soldaten  den  meest  ontmoedigen  den 
indruk  moest  maken,  dit  behoeft  geen  betoog.  De  wederstand  die 
Luxembourg  bij  Zwammerdam  ontmoette,  was  dan  ook  uitermate 
gering;  volgens  enkele  opgaven  schijnt  het  zelfs  dat  de  aldaar  en 
bij  Bodegraven  geplaatste  troepen  bevel  hadden  om  bij  de  nade- 
ring van  den  vijand  op  Gouda  terug  te  gaan ;  —  bij  eene  vaart 
werden  de  Fransche  troepen  een  korten  tijd  opgehouden  door 
de  Hollanders,  die  zich  achter  de  opgehaalde  brug  hadden  ge- 
plaatst: maar  toen  eenige  Fransche  musketiers  de  vaart  waren 
overgezwommen,  namen  de  weinige  verdedigers  de  vlucht.  Zwam- 
merdam werd  door  den  vijand  vermeesterd  *,  en  de  woede  des 
Franschen  soldaats  koelde  zich  aan  de  plundering  en  verbran- 
ding van  dat  ongelukkige  dorp.  Ook  Bodegraven  onderging  het- 
zelfde lot. 

Königsmarck  was  niet  alleen  in  gebreke  gebleven,  met  ver- 
sterking te  Zwammerdam  te  verschijnen,  maar  had  zelfs,  op  de 
tijding  van  het  doordringen  des  vijands.  Alphen  verlaten  en  was 
teruggetrokken  op  Leiden.  Hier  echter  weigerde  men  hem  bin- 
nen te  laten;  en  op  den  stelligen  last  van  eenige  afgevaardigden 
uit  de  Staten  van  Ilolland,  hernam  hij  zijne  stelling  bij  Alphen 
en  bij  de  Goudsche  Sluis. 

In  't  voorbijgaan  gezegd:  men  deklameert  soms  te  veel  tegen 
het  gezag,  dat  de  afgevaardigden  van  de  toenmalige  Staten  in 
k rijgszaken  hadden;  in  den  regel  is  zulk  een  gezag  niet  goed,  hel  is 
slecht;  er  moet  eenheid  zijn  in  het  krijgsbestuur,  en  zoodra  een 
groot  aantal  menschen  zich  daarmee  moeit,  gaat  het  verkeerd ;  — 
maar  men  moet  zich  die  afgevaardigden  niet  voorstellen  als  zoo 
geheel  vreemd  aan  krijgskennis  als  onze  hedendaagsche  Staten- 
Generaal;  integendeel:  dikwijls  betoonden  zij  meer  geestkracht 
en  beleid  dan  de  bevelhebbers;  staatsman  en  krijgsman  waren 
in  die  dagen  niet  zoo  van  elkander  gescheiden  als  in  onzen  tijd ; 
dezelfde  man  die  in  de  raadszaal  de  belangen  van  het  vaderland 
regelde,  was  ook  niet  vreemd  aan  de  bloedige  taak  des  oor  logs. 
De  Witt  was  Raadpensionaris  en  tevens  vlootvoogd,  en  een  ander 
onzer  Raadpensionarissen,  Hop,  nam  persoonlijk  deel  aan  den 
roemvollen  strijd  bij  Eekeren. 

De  Goudsche  Sluis,  ten  oosten  van  Alphen,  met  de  daarbijge- 
legen  schans,  aan  de  samenvloeiing  van  den  Rijn  en  de  Gouwe 
gelegen,  werd  toen  bezet  door  het  regiment  van  Van  Dam;  de 
Boskoopsche  en  Waddinxveensche  bruggen  werden  afgebroken; 
de  macht  van  Königsmarck  te  Alphen  geplaatst  als  een  reserve ; 


Digitized  by 


Google 


BODEGRAVEN   EN   ZWAMMERDAM.  211 

en  alom  de  gewapende  boeren  opontboden.  Zóó,  in  front  ge- 
dekt door  de  Gouwe  en  door  het  voorwaarts  liggende  land,  dat 
door  den  dooi  weer  onbegaanbaar  was  geworden,  Was  men 
spoedig  in  staat,  den  vijand  het  verder  doordringen  in  Hol- 
land geheel  te  beletten;  en  die  vijand,  met  weinig  munitie,  bijna 
zonder  levensmiddelen,  geheel  zonder  geschut,  op  een  smallen 
dijk  opeengehoopt,  de  weg  over  het  ijs  waarover  hij  was  ge- 
komen onbruikbaar  ziende  door  den  dooi,  en  de  weg  op 
Woerden  afgesloten  door  de  schansen  bij  de  Nieuwerbrug,  was  in 
het  grootste  gevaar  van  geheel  ten  onder  te  gaan.  Het  plicht- 
verzuim  van  één  HoUandsch  bevelhebber  was  zijn  redding. 

Pain-et-Vin  was  op  bevel  van  Königsmarck  naar  de  zijde 
van  Bodegraven  en  Nieuwerbrug  gegaan,  om  van  daar  verster- 
king voor  Zwammerdam  te  halen;  toen  hij  met  die  versterking, 
een  80  man,  dat  dorp  naderde,  was  het  door  de  Franschen  reeds 
in  bezit  genomen  en  daardoor  de  gemeenschap  afgesneden  van 
den  HoUandschen  bevelhebber  met  Königsmarck.  Op  het  gezicht 
van  den  reeds  zoo  ver  doorgedrongen  vijand,  verliest  Pain-et-Vin 
alle  tegenwoordigheid  van  geest;  hij  geeft  alleen  aan  zijn  blinde 
vrees  gehoor;  en  zijne  soldaten  aan  hun  lot  overlatende,  rent  hij 
ijlings  naar  Gouda  heen.  In  den  avond  van  den  28sten  bereikt 
hij  die  stad;  hij  treft  er  het  stedelijk  bestuur  en  den  bevelhebber, 
den  kolonel  De  Thouars,  aan.  Verbaasd  hem  daar  te  zien,  vragen 
hem  dezen  naar  de  reden.  >Wij  zijn  afgesneden!"  roept  de  ramp- 
zalige vluchteling  uit;  »zijn  de  regimenten  van  de  Nieuwerbrug 
nog  niet  hier,  dan  moet  ik  ze  halen,  want  anders  zijn  ze  ver- 
loren."—  Te  gelijk  vraagt  hij  om  gidsen  en  geleide.  Pain-et-Vin 
beweert,  dat  de  regeering  van  Gouda  de  ontruiming  van  de 
schansen  bij  de  Nieuwerbrug  zou  hebben  aangeraden,  en  er  op 
aangedrongen,  de  daar  aanwezige  macht  —  in  het  geheel  15  com- 
pagnieën infanterie  —  voor  de  verdediging  van  Gouda  te  ge- 
bruiken; die  regeering  heeft  dit  echter  ten  stelligste  tegenge- 
sproken. Verzeld  van  gidsen,  vertrekt  de  bevelhebber  daarop 
naar  de  Nieuwerbrug  j  maar  op  een  uur  afstands  daarvan,  bij  de 
D  r  i  e  b  r  u  g ,  houdt  hij  stil  en  zendt  van  daar  een  bode,  met  zijn 
zegelring  en  het  uitdrukkelijk  bevel  aan  den  kolonel  Manger  en 
den  luitenant-kolonel  Feullana,  om  de  schansen  bij  de  Nieuwer- 
brug te  ontruimen,  deze  zooveel  mogelijk  te  vernielen  en  met  de 
bezettingen  zich  te  Driebrug  bij  Pain-et-Vin  te  voegen.  Ongelukkig 
wordt  dit  bevel  zonder  de  minste  tegenkanting  uitgevoerd;  de 
schansen  worden  verlaten;  een  paar  uur  daarna  zijn  de  bezet- 
tingen aan  de  Driebrug,  en  Pain-et-Vin  trekt  daarmee  terug  op 
Gouda. 

Men  weet  dat  die  ongelukkige  zijn  laffe  daad  boette  met  den 
dood  en  dat  hij  den  23steD  Januari  1673,  in  het  leger  te  Alphen, 


Digitized  by 


Google 


212  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

door  beulshanden  het  leven  verloor;  twee  vroegere  vonnissen 
van  den  krijgsraad,  waarbij  Pain-et-Vin  veroordeeld  was  tot  een 
mindere  straf  dan  den  dood,  werden  door  Willem  III  vernietigd, 
die  zich  daarbij  beriep  op  de  stellige  bepalingen,  in  de  krijgs- 
wetten  voorkomende.  De  Stadhouder  is  soms  om  die  handeling 
gelaakt;  ten  onrechte.  Laat  het  zijn,  dat  hij  door  het  tweemaal 
vernietigen  van  het  vonnis  van  den  krijgsraad  inbreuk  maakte 
op  de  macht  en  vrijheid  van  dien  krijgsraad;  laat  het  zijn, 
dat  die  handeling,  uit  een  rechtskundig  oogpunt  beschouwd,  is 
te  veroordeelen ;  zij  werd  hier  —  wat  meer  beteekent  —  gebie- 
dend voorgeschreven  door  billijkheid  en  rechtvaardigheid,  door 
het  algemeen  welzijn.  De  bepalingen  der  krijgswetten  waren  te 
duidelijk,  te  stellig  veroordeelend  voor  Pain-et-Vin;  de  krijgs- 
raad deed  aan  zijn  plicht  te  kort,  door  een  vonnis  uit  te  spreken, 
met  die  bepalingen  geheel  in  strijd;  en  moest  dan  nu,  alleen 
om  dat  vonnis  te  eerbiedigen,  alle  billijkheid  en  rechtvaardigheid 
met  voeten  worden  getreden  ?  —  De  dood  was  de  straf  voor 
den  soldaat  die  van  het  slagveld  vluchtte;  en  de  bevelhebber 
die  hetzelfde,  neen,  die  veel  erger  deed;  die  een  gewichtigen 
post,  aan  zijn  zorg  toevertrouwd,  zonder  slag  of  stoot  aan  den 
vijand  inruimde;  die  daardoor  een  geheel  vijandelijk  leger  redde 
van  een  wissen  ondergang ;  deze  zou  minder  straf  ontvangen ! . . . 
Dat  mocht  niet,  dat  zou  een  schreeuwende  onbillijkheid  zijn,  dat 
zou  den  slechtsten  indruk  maken  op  leger  en  volk.  Daarom  ver- 
nietigde Willem  III  die  vonnissen;  daarom  stelde  hij  de  dood- 
straf voor  de  uitgesprokene  straf  in  de  plaats;  —  en  zeker,  er 
behoorde  een  ijzeren  wilskracht  toe  om  zóó  te  handelen,  bij  een 
jong  vorst,  in  weerwil  en  in  strijd  met  het  gevoelen  van  zooveel 
bevelhebbers  van  jaren  en  van  ondervinding.  Maar  de  jonge 
Stadhouder  wilde  allen  doen  zien,  hoe  onverbiddelijk  hij  was 
jegens  elke  lafheid,  jegens  ieder  plichtverzuim ;  hij  toonde  door 
dit  voorbeeld,  dat  geen  rang,  hoe  hoog,  den  schuldige  zou 
beveiligen  voor  de  welverdiende  straf.  Hij  handelde  als  een 
Romeinsch  veldheer  uit  den  bloeitijd  der  Romeinsche  Republiek. 
En  dat  voorbeeld,  aan  Pain-et-Vin  gesteld,  was  noodig;  want 
hier,  bij  dien  inval  van  Luxembourg,  ontmoet  men  bij  de  Hol- 
landsche  bevelhebbers  noch  geestkracht,  noch  dapperheid.  Het 
bevel  tot  ontruiming  van  de  schansen  van  de  Nieuwerbrug  wordt 
oogenblikkelijk  uitgevoerd;  —  zeker,  het  was  een  stellig 
bevel;  de  militaire  ondergeschiktheid  verplicht  om  zóó  te  han- 
delen; —  maar  juist  hier  zou  het  prijzenswaard  zijn  geweest, 
wanneer  die  ondergeschiktheid  was  ter  zijde  gesteld,  't  Is  waar, 
in  den  regel  is  dit  een  misdaad;  en  hij,  die  dit  bij  uitzon- 
dering doet,  laadt  een  zware  verantwoordelijkheid  op  zich ;  — 
maar  een  officier,  vooral  een  hoofdofficier  moet  doorzicht  ge- 
noeg hebben  om  te  weten  wanneer  hij  die  verantwoordelijkheid 


Digitized  by 


Google 


BODEGRAVEN  EN  ZWAMMERDAM.  2I3 

mag  op  zich  nemen;  hij  moet  karakter  genoeg  hebben  om  dat 
te  durven  doen.  Aan  dat  doorzicht,  aan  dat  karakter  ontbrak 
het  den  beiden  bevelhebbers,  die  zich  zoo  haastten  om  Pain-et- 
Vin's  last  tot  ontruiming  der  schansen  van  de  Nieuwerbrug  op  te 
volgen. 

Men  heeft  gezegd  dat  die  schansen  slecht  te  verdedigen  waren, 
omdat  zij  in  de  keel  alleen  door  een  Frieschen  ruiter  waren  ge- 
sloten; —  uit  de  plans  die  wij  daarvan  hebben  gezien,  blijkt 
integendeel,  dat  het  geheel  geslotene  schansen  waren;  maar 
zelfs  indien  zij  alleen  door  een  Frieschen  ruiter  in  de  keel  ge- 
sloten waren,  dan  nog  was  de  verdediging  zeer  goed  te  voeren 
tegen  een  vijand  die  geen  geschut  bij  zich  had,  die  alleen  over 
een  smallen  dijk  kon  voortrukken,  en  dien  men  ten  hoogste 
slechts  een  paar  dagen  behoefde  tegen  te  houden  om  hem  van 
gebrek  de  wapenen  uit  de  handen  te  doen  vallen.  In  allen  ge- 
valle is  de  ontruiming  onverantwoordelijk. 

Ook  het  gedrag  van  Königsmarck  verdient  ten  strengste  ver- 
oordeeld te  worden ;  hij  is  hier  een  laf,  of  onbekwaam  bevel- 
hebber geweest;  en  het  is  minder  te  verwonderen,  dat  Pain-et- 
Vin  toen  het  hoofd  voor  de  voeten  is  gelegd,  dan  dat  Königs- 
marck toen  zijn  hoofd  op  zijne  schouders  heeft  behouden;  want 
waarlijk,  Königsmarck  is  even  schuldig  geweest  als  Pain-et-Vin; 
en  het  is  in  Willem  III  minder  te  veroordeelen  dat  hij  den 
eenen  heeft  doen  straffen,  dan  dat  hij  den  anderen  ongestraft 
heeft  gelaten.  Königsmarck  vond  het  volgende  jaar  den  dood  bij 
het  beleg  van  Bonn ;  hij  was,  zegt  men,  sedert  die  gebeurtenissen 
van  Bodegraven  en  Zwammerdam,  altijd  gedrukt  door  het  besef 
van  zijn  plichtverzuim.  Was  men  in  die  dagen  het  leven  moede, 
dan  stelde  men  zich  meer  bloot  aan  het  oorlogsgevaar;  de  zelf- 
moord had  toen  een  minder  afzichtelijken  vorm;  het  spleen 
leidde  tot  heldenmoed. 

Luxembourg  —  zeggen  onze  schrijvers  —  die  met  zijn  paard 
door  het  ijs  was  gezakt,  was  juist  bezig  zich  te  Zwammerdam 
bij  het  vuur  te  drogen,  en  vol  zorg  en  onrust  over  de  wijze 
waarop  hij  weer  Woerden  en  Utrecht  zou  kunnen  bereiken,  — 
toen  hij  tot  zijn  groote  vreugde  het  bericht  ontving  dat  de 
schansen  bij  de  Nieuwerbrug  ontruimd  waren.  Oogenblikkelijk  geeft 
'hij  bevel  om  die  schansen  in  bezit  te  nemen;  en  nadat  de 
Fransche  legermacht  den  29sten  December  nog  te  Bodegraven 
was  gebleven,  keerde  zij  den  3osten  naar  Woerden  en  Utrecht 
terug,  op  den  geheelen  tocht  slechts  een  vijftig  man  verloren 
hebbende.  De  schansen  aan  de  Nieuwerbrug  werden  door  den  vijand 
•  niet  bezet  gehouden,  maar  geslecht;  Willem  III  deed  ze  dadelijk 
weer  herstellen. 


Digitized  by 


Google         ^ 


214  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Zoo  eindigde  die  ondememing,  die  Holland  ten  val  had  kun- 
nen brengen,  en  die  nu  geene  andere  uitkomsten  opleverde  dan 
de  barbaarsche  verwoesting  van  Bodegraven  en  Zwammerdam; 
de  namen  van  die  twee  bloeiende  dorpen  zijn  in  onze  geschied- 
boeken  opgeteekend  als  zinnebeelden  van  de  Fransche  wreedheid, 
zooals  die  van  Naarden  en  Oudewater  het  Spaansche  geweld 
herinneren.  Meer  dan  zeshonderd  huizen  werden  in  Bodegraven 
en  Zwammerdam  door  de  vlammen  verteerd;  en  de  soldaat, 
door  geen  krijgstucht  bedwongen  en  vreemd  aan  alle  mensche- 
l^kheid,  gaf  zich  hier  over  aan  wreedheden  en  gruwelen,  die 
zelfs  door  de  Fransche  schrijvers  niet  geloochend  worden.  Men 
kent  de  aanspraak  van  Luxembourg  aan  zijne  troepen  bij  hunnen 
opmarsch  uit  Utrecht,  —  zooals  onze  schrijvers  die  den  Fran- 
schen  veldheer  in  den  mond  leggen;  —  gerust  kan  men  de 
juistheid  van  die  aanspraak  verwerpen;  zoo  iets  kan  een  leger- 
hoofd niet  zeggen ;  —  maar,  indien  Luxembourg  het  had  gezegd, 
dan  zou  hij  zich  niet  hebben  kunnen  beklagen,  dat  zijne  sol- 
daten zijne  aansporing  tot  rooven,  moorden  en  branden  slecht 
hadden  opgevolgd. 

Wat  in  Rousset's  werk  voorkomt  over  die  onderneming  van 
Luxembourg  is  in  hooge  mate  onjuist.  De  Fransche  schrijver 
doet  het  voorkomen,  alsof  wij  toen  te  Zwammerdam  een  groote 
nederlaag  hebben  geleden ;  terwijl  in  werkelijkheid  daar  bijna  niet 
is  gevochten;  onze  eenige  nederlaag  is  toen  geweest  de  schande; 
om  Sheridan's  bekende  woorden  te  gebruiken:  >het  Hollandsche 
bloed  heeft  toen  niet  gestroomd,  maar  de  Hollandsche  eer  is 
door  alle  poriën  weggevloeid."  —  Ziehier  wat  in  de  Histoire  de 
Louvois  (r  deel,  blz.  409)  wordt  gezegd: 

>De  vijand,  dien  men  gehoopt  had  te  verrassen  vóór  het  aan- 
breken van  den  dag,  was  op  zijn  hoede;  het  was  midden  op 
den  dag,  toen  men  hem  bereikte;  maar  de  troepen,  vol  geest- 
drift, vermeesterden  toen  in  een  oogenblik  zijne  stelling ;  het  was 
waarlijk  >de  Fransche  furie";  te  Zwammerdam  zwom  men  door 
de  kanalen,  die  den  schansen  tot  grachten  dienden;  de  borst- 
wering werd  beklommen,  het  kanon  buiten  werking  gesteld,  en 
vijf  Hollandsche  regimenten  vernietigd;  wat  daarvan  overbleef 
vond  den  dood  in  het  water  of  in  de  vlammen  van  het  bran- 
dende dorp.  Toen  men  wat  verder  voorttrok,  tot  Bodegraven, 
vond  men  niemand  meer;  niets  dan  verlaten  geschut,  munitiën 
en  verspreide  wapens. 

Toch  was  Luxembourg  uitermate  bekommerd :  aan  de  Nieuwer- 
brug  was  een  belangrijke  schans,  die  achter  hem  den  eenigen  weg 
afsloot  die  hem  overbleef  om  op  Woerden  terug  te  trekken.  De 
schans  moest  genomen  worden  of  men  was  verloren;  toen  men 
daarheen  trok,  hadden  de  twee  regimenten  die  daar  in  bezetting 


Digitized  by 


Google 


BODEGRAVEN  EN   ZWAMMERDAM.  21 S 

lagen,  vol  schrik  ijlings  de  schans  ontruimd.  Zelfs  Luxembourg 
was  daarover  uitermate  verwonderd :  >  het  was  werkelijk  een  zeer 
sterk  punt,"  schreef  hij  aan  Louvois,  »en  het  verwondert  mij  dat 
Königsmarck,  bekwaam  genoeg  om  zulk  een  sterk  punt  uit  te 
kiezen,  niet  bekwaam  genoeg  is  geweest  om  zich  daar  te  ver- 
dedigen." 

Borstweringen  beklommen,  geschut  buiten  werking  gesteld, 
vijf  regimenten  Hollanders  gedood,  —  dat  alles  zijn  fabeltjes, 
van  dat  alles  is  niets  gebeurd.  Dat  alles  komt  voor  in  de  brie- 
ven van  Luxembourg  aan  Louvois;  maar  het  bewijst  alweer, 
dat  ook  offïcieele  stukken  niet  altijd  de  waarheid  eerbiedigen. 

Krijgsgevangenen  hebben  de  Franschen  bij  die  gelegenheid  weinig 
gemaakt;  en  ziehier  hoe  Rousset  dit  verklaart  (i*  deel,  blz.  410). 

> Luxembourg  behoorde  tot  de  waaghalzen;  zijne  stoutheid  was 
gelukt.  Den  isten  Januari  kwam  hij  te  Utrecht  terug,  met  niet 
meer  verlies  dan  een  honderd  man,  die  gesneuveld  waren,  ver- 
dronken of  gewond.  >De  Stoupe,"  zoo  schreef  hij  aan  Louvois, 
izal  u  de  bijzonderheden  mededeelen  van  den  tocht  dien  wij 
hebben  gemaakt ;  had  het  weer  het  toegelaten,  dan  had  die  wan- 
deling langer  geduurd  en  zouden  wij  zeker  niet  zijn  terugge- 
keerd zonder  Den  Haag  te  hebben  verbrand."  Hij  had  ver- 
brand alles  wat  hij  maar  had  kunnen  bereiken:  ongeveer  2000 
huizen  en,  in  de  vaart  van  Zwammerdam,  32  groote  schepen, 
met  koopmansgoederen  bevracht;  als  zegeteekenen  bracht  hij 
3  vaandels  mede  en  20  kanonnen.  Het  aantal  krijgsgevangenen 
was  niet  groot,  daar  de  soldaten,  verbitterd  door  vermoeienis 
en  teleurstelling,  geen  mededoogen  kenden..." 

Rousset  deelt  verder,  uit  de  briefwisseling  van  Luxembourg  en 
Louvois,  eenige  staaltjes  mede  van  den  spottenden  toon,  waarop 
die  heeren  gewagen  van  de  gruwelen  van  Bodegraven  en  Zwam- 
merdam, en  laat  daarop  volgen  (i*  deel,  blz.  411 — 412): 

>Als  de  hoofden  en  veldheeren  in  het  treurspel  van  den  oorlog 
slof  vinden  tot  zoodanigen  spot  en  geestigheid,  welke  mensche- 
lijkheid  kan  men  dan  verwachten  van  de  soldaten  ?  —  Niet  slechts 
dat  zij  hunne  gewapende  vijanden  meêdoogenloos  doodden,  maar 
ook  jegens  het  weerlooze  volk  pleegden  zij  de  ergste  wreedheden. 
Die  buitensporigheden  waren  het  behoud  van  den  Prins  van  Oranje, 
ook  een  man  zonder  mededoogen  {eet  autre  impitoyable).  Toen  hij  in 
Den  Haag  terugkwam,  vond  hij  het  volk  dol  van  schrik  en  van 
woede;  het  uitte  verwenschingen  tegen  de  Franschen,  tegen  het 
leger,  tegen  hem.  Hij  haastte  zich,  allereerst  een  offer  te  bren- 
gen aan  de  volkswoede;  twee  kolonels  en  vele  der  officieren, 
die  de  schans  aan  de  Nieuwerbrug  hadden  verlaten,  werden  opge- 
hangen ;  daarna  deed  hij  alle  feiten,  betrekking  hebbende  op  de 
jammeren  van  Bodegraven  en  Zwammerdam,  opzamelen,  in  druk 


Digitized  by 


Google 


2l6  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN, 

uitgeven  en  met  de  meeste  overdrijving  toelichten.  Bijzonderheden, 
die  wreedheden  vermelden  en  dierlijke  lusten,  zijn  der  menigte 
aangenaam;  hij  gaf  haar  die  tot  verzadigens  toe;  de  pen  en  de 
teekenstift  wedijverden  in  het  schetsen  van  de  stuitendste  too- 
neelen,  een  afzichtelijk  mengsel  van  moorden  en  ongebondenheden. 
Holland,  Europa  werden  met  die  schotschriften  overstroomd; 
daardoor  werd  al  de  woede  zijns  volks  en  al  de  verontwaardiging 
van  het  menschelijk  geweten  tegen  Frankrijk  opgewekt.  Op  die 
wijze  wist  hij  het  onweer  af  te  leiden,  dat  zich,  ten  gevolge  van 
onvervuld  gebleven  beloften  en  van  zijne  gedurige  tegenspoeden, 
boven  zijn  hoofd  had  samengepakt." 

Dit  is  onjuist  en  onbillijk  ten  aanzien  van  Willem  III. 

Wij  vallen  juist  niet  over  de  uitdrukking,  dat  Willem  III  was 
»een  man  zonder  mededoogen";  —  wat  dit  punt  betreft,  ver- 
schillen wij  niet  zooveel  in  denkwijze  met  den  Franschen  schrij- 
ver :  ook  wij  zijn  van  meening,  dat  menschelijkheid  juist  niet  de 
heerschende  karaktertrek  was  bij  Willem  UI.  Maar  ongegrond 
is  het,  den  Stadhouder  ten  laste  te  leggen,  dat  hij  de  gruwelen  van 
Bodegraven  en  Zwammerdam  op  de  ergste  wijze  heeft  overdreven^ 
om  door  die  voorstelling  den  haat  van  het  HoUandscbe  volk  en 
de  verontwaardiging  van  het  menschelijk  geweten  tegen  Frank- 
rijk op  te  wekken:  zulk  een  overdreven  voorstelling  was  daartoe 
niet  noodig;  wat  er  gebeurd  was,  was  daartoe  reeds  voldoende. 

Het  ophangen  van  twee  kolonels  en  van  een  aantal  officieren 
van  de  bezetting  van  de  Nieuwerbrug,  komt  neer  op  het  onthoofden 
van  Pain-et-Vin. 


De  laatste  dagen  van  het  jaar  1672  kenmerkten  zich  in  de 
oostelijke  gewesten  der  Republiek,  door  een  belangrijk  voordeel. 

Na  het  mislukte  beleg  van  Groningen,  had  zich  dddr  de  krijgs- 
kans gewend  ten  voordeele  van  de  Hollanders,  en  waren  dezen 
van  verdedigers  aanvallers  geworden.  Groot  waren  de  voordeden 
wel  niet,  die  zij  behaalden ;  maar  toch  waren  die  voordeelen  dien- 
stig om  moed  en  zelfvertrouwen  op  te  wekken,  en  spoedig  een 
zedelijk  overwicht  op  den  vijand  te  verkrijgen.  Zoo  had  er  den 
29steii  September  op  de  Steenwijksche  heide  een  gevecht  plaats 
tusschen  eene  Friesche  afdeeling  onder  Ripperda  en  een  paar 
duizend  Munsterschen,  waarbij  wél  Ripperda  in  's  vijands  handen 
viel,  maar  toch  de  overwinning  aan  de  zijde  der  Friezen  schijnt 
gebleven  te  zijn.  Daarentegen  mislukte  een  aanslag,  den  27sten 
November  ten  tweeden  male  tegen  Zwartsluis  ondernomen ;  maar 
denkelijk  is  er  groote  overdrijving  in  de  Fransche  opgave,  die 
zegt,  dat  van  de  zeshonderd  aanvallers  er  niet  meer  dan  een 
honderdtal  zich  redden.  In  Groningen  deden  de  Munsterschen 
in   het   laatst   van   October  eene  poging  tot  ontzet  van  de  Bel- 


Digitized  by 


Google 


COEVORDEN.  21 7 

lingwolderschans,  die,  nauw  ingesloten^  groot  gebrek  had  aan 
levensmiddelen;  eene  afdeeling  van  14  k  1500  Munsterschen  trok 
daartoe  op  van  de  Langakkerschans,  maar  werd  den  2  5  sten  Oc- 
tober  bij  Stoxterhorn  door  eene  veel  minder  sterke  Hoilandsche 
macht,  onder  den  overste  Wijiers,  geheel  verslagen;  dit  had  ten 
gevolge  dat  den  2 7  sten  October  de  Belling wolderschans  zich  over- 
gaf, waarbij  de  bezetting  —  een  300  man  sterk  —  vrijen  aftocht 
naar  Coevorden  bedong.  De  Langakkerschans  werd  daarop  inge- 
sloten. De  Dijlerschans  was  in  het  begin  van  November  door 
de  Groningers  bezet;  maar  werd  drie  of  vier  dagen  later  door 
de  Munsterschen  hernomen. 

Het  invallen  van  den  winter  deed  hier,  volgens  den  gewonen 
gang  van  zaken  toentertijd,  de  krijgsverrichtingen  staken  en  de 
troepen  in  de  verschillende  steden  uitrusten  van  de  verduurde 
vermoeienissen.  De  winter  was  echter  toen  ook  de  geschiktste 
tijd  voor  verrassingen  en  overvallingen,  voor  de  handelingen  van 
den  kleinen  oorlog;  vooral  waren  die  handelingen  aanwendbaar 
in  een  land  als  het  onze,  waar  men  daardoor  belangrijke  voor- 
deelen  kon  behalen.  Onze  vestingen  toch,  welke  groote  sterkte 
zij  ook  gewoonlijk  bezitten,  waren  en  zijn  meest  alle,  door  het 
gemis  van  bekleedingsmuren,  in  het  winterjaargetijde  zeer  bloot- 
gesteld aan  verrassende  aanvallen;  geen  wonder  dus,  dat  een 
ondernemend  vijand  bij  het  invallen  van  vorst  de  kans  van 
eene  overvalling  waagde,  om  zich  daardoor  in  het  bezit  te  stel- 
len van  eene  vesting,  wier  vermeestering  door  andere  middelen 
hem  in  de  hoogste  mate  moeielijk,  soms  onmogelijk  was;  in  een 
tijd  toen  de  oorlog  bijna  uitsluitend  een  vestingoorlog  was, 
was  zulk  eene  vermeestering  van  te  meer  belang ;  en  de  pogingen 
tot  die  overvallingen  komen  dan  ook  veelvuldig  voor  in  onze 
krijgsgeschiedenis. 

Eene  dergelijke  overvalHng  wilde  Rabenhaupt  nu,  op  het  einde 
van  December,  tegen  de  vesting  Coevorden  beproeven.  Dat  die 
handeling  belangrijke  gevolgen  kon  hebben,  behoeft  nauwelijks 
te  worden  aangeduid:  elke  vesting  was  toentertijd  belangrijk; 
Coevorden  was  het  steunpunt  van  de  vijandelijke  macht,  die  daar 
een  groot  gedeelte  van  het  geschut  uit  de  genomene  Overijselsche 
steden  had  bijeengebracht,  en  die  van  daar  uit  de  geheele  omlig- 
gende landstreek  brandschatte  en  plunderde ;  en  de  vermeestering 
van  die  vesting,  toen  vermaard  door  hare  sterkte,  zou  natuurlijk 
grooten  indruk  maken  en  een  gevoeligen  knak  geven  aan  den 
wapenroem  des  Munsterschen  bisschops. 

Dat  die  handeling  kon  gelukken,  hiervan  was  Rabenhaupt 
overtuigd,  doordien  hij  nauwkeurig  bekend  was  met  den  toestand 
en  de  inrichting  van  Coevorden.  Meindert  van  Thijnen,  volgens 
sommige  opgaven   vroeger  koster  in  die  plaats,  en  tegelijk  een 


Digitized  by 


Google 


2l8  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

goed  ingenieur  —  twee  betrekkingen,  wier  vereeniging  ons  tegen- 
woordig vreemd  zou  voorkomen  —  had  aan  den  bevelhebber 
van  Groningen  eene  nauwkeurige  schets  gegeven  van  de  vesting- 
werken  van  Coevorden  en  van  de  omliggende  landstreek;  en 
die  bevelhsbber  had  daardoor  de  overtuiging,  dat  bij  winterdag, 
wanneer  moerassen  en  grachten  waren  dichtgevroren,  de  ver- 
rassing van  die  vesting  zeer  veel  kans  had  van  te  zullen  ge- 
lukken. 

Toen  Rabenhaupt  door  Van  Thijnen  alles  had  doen  gereed 
maken  wat  moest  dienen  voor  de  beoogde  verrassing,  oordeelde 
hij  gebruik  te  moeten  maken  van  de  vorst,  en  de  onderneming  te 
kunnen  wagen.  Den  26sten  December,  's  namiddags  om  3  uur,  wor- 
den de  poorten  van  Groningen  gesloten;  en  daar  men  het  ijs  in 
de  stadsgrachten  heeft  doen  openbijten,  belet  men  zóó,  indien  de 
vijand  verstandhouding  in  de  stad  mocht  hebben,  dat  hem  ken- 
nis wordt  gegeven  van  de  gemaakte  toebereidselen.  Men  neemt 
36  vrijwilligers  van  elke  compagnie  der  bezetting  en  gelast  hen, 
zich  den  volgenden  ochtend  om  10  uur  marschvaardig  te  hou- 
den, en  voor  drie  dagen  levensmiddelen  mede  te  voeren;  5  com- 
pagnieën ruiterij  der  bezetting  zullen  den  tocht  medemaken; 
mét  de  infanterie  wordt  dit  begroot  op  een  kleine  duizend  man; 
bovendien  krijgen  3  compagnieën  dragonders,  die  bij  De  Leek 
staan,  naar  de  zijde  van  Friesland,  last  om  zich  op  marsch  bij 
die  macht  aan  te  sluiten.  Bevelhebber  is  de  luitenant-kolonel 
Eijbergen;  terwijl  over  het  voetvolk  het  bevel  krijgt  de  overste 
Wijiers  en  over  de  ruiterij  de  majoor  Sickinghe.  Een  aantal  van 
de  voornaamste  burgers  van  Groningen  voegt  zich,  als  vrijwilli- 
gers, bij  de  geregelde  krijgsmacht. 

Den  geheelen  nacht  van  den  26sten  December  hield  men  zich 
bezig  met  het  opladen  van  de  biesbruggen,  ijssporen,  koevoeten 
en  andere  gereedschappen  op  de  daartoe  bestemde  wagens;  met 
het  begeleiden  van  die  wagens  waren  belast  eenige  artilleristen^ 
of,  zooals  men  ze  toen  noemde,  konstapels  en  busschieters.  In 
de  naïeve  verhalen  van  onze  schrijvers  wordt  vooral  niet  ver- 
geten, dat  een  inwoner  van  Groningen  den  tocht  medemaakte 
met  een  wagen  waarop  zich  een  okshoofd  brandewijn  bevond, 
die,  geregeld  aan  de  troepen  uitgedeeld,  niet  weinig  diende  om 
hen  gedurende  den  marsch  te  verkwikken.  Men  moet  dit  niet 
glimlachend  of  schouderophalend  als  iets  geheel  onbeduidends 
beschouwen ;  het  is  integendeel  eene  hoofdzaak,  de  troepen  opge- 
wekt te  houden;  de  middelen  hiertoe  moeten  zich  wijzigen  naar 
den  bijzonderen  geest  der  troepen;  en  wie  bekend  is  met  den 
geest  van  ónze  soldaten,  weet  dat  een  middel  als  het  hier  ver- 
melde, niet  zonder  goede  uitwerking  blijft. 

In  den  namiddag  van  den  2  7sten  December  verlaat  men  Gro- 
ningen. Den  eersten  dag  gaat  de  marsch  tot  Gieten;  den  28sten 


Digitized  by 


Google 


COEVORDEN.  219 

tot  Odoorn;  den  sQsten  tot  Erme,  twee  k  drie  uur  ten  noord- 
oosten van  Coevorden;  met  opzet  had  men  de  raarschen  klein 
gemaakt  om  de  troepen  niet  veel  te  vermoeien.  De  ruiterij,  die 
den  27steii  mét  het  voetvolk  te  Gieten  had  vernacht,  was  den 
volgenden  dag  het  overige  der  legermacht  vooruitgegaan  en  had 
den  28stca  December  Dalem  bereikt,  een  klein  uur  ten  noorden 
van  Coevorden;  hier  plaatste  zij  zich  zoodanig  dat  zij  de  ver- 
schillende toegangen  tot  de  vesting  bezet  hield,  om  daardoor  te 
beletten  dat  de  vijand  kennis  ontving  van  den  opmarsch  van 
Eijbergen.  Overloopers  hadden  er  dien  vijand  echter  reeds  van 
onderricht:  een  ritmeester  Wolf,  vroeger  bij  de  Munstersche  rui- 
terij in  dienst,  maar,  gevangen  genomen  zijnde,  tot  de  Groningers 
overgegaan,  had  bij  den  opmarsch  uit  Groningen  de  ruiterij  van 
Sickinghe  in  stilte  verlaten  en,  denkende  dat  men  een  aanslag 
beoogde  op  de  Langakkerschans,  was  hij  spporslags  daarheen 
gereden  en  had  de  bezetting  van  die  sterkte  gewaarschuwd ;  ook 
waren  drie  dragonders  bij  den  opmarsch  van  De  Leek  tot  den 
vijand  overgeloopen  en  hadden  de  bezetting  van  Coevorden 
reeds  vroegtijdig  onderricht  van  de  nadering  der  Hollanders. 
Evenwel  deed  die  waarschuwing  niet  d^t  kwaad,  dat  men  had 
kunnen  verwachten:  de  bezetting  van  Coevorden,  ieder  oogen- 
blik  en  spoedig  een  aanval  duchtende,  die  door  den  langzamen 
opmarsch  der  Hollanders  slechts  later  plaats  had,  bleef  den 
28sten  en  29sten  December  dag  en  nacht,  bijna  onafgebroken 
onder  de  wapens;  en  was  daardoor  zoo  afgemat,  dat  toen  de 
aanval  werkelijk  werd  gedaan,  men  moeite  had  om  de  verdedi- 
gers op  de  wallen  te  doen  komen. 

Laat  ons  in  het  voorbijgaan  opmerken,  dat  dit  overgaan  van 
een  officier  van  den  dienst  van  de  eene  mogendheid  in  den  dienst 
van  een  andere  mogendheid,  dit  overloopen  tot  den  vijand,  — 
dat  ons  door  de  schrijvers  van  dien  tijd  als  iets  zeer  gewoons 
wordt  vermeld  —  meer  dan  de  uitvoerigste  verhandeling  aan- 
toont, van  welk  gering  zedelijk  gehalte  de  officieren  van  dien 
tijd  over  het  algemeen  waren. 

Den  29sten,  's  namiddags,  doet  Eijbergen  kruit  en  lood  en 
ijssporen  uitdeelen  aan  zijne  troepen ;  hij  spreekt  hen  toe,  maant 
hen  aan  tot  dapperheid  en  maakt  hen  bekend  met  de  wijze 
waarop  de  aanval  zal  plaats  hebben.  Op  drie  verschillende  pun- 
ten moet  die  aanval  geschieden :  Eijbergen  zelf  zal  met  300  man 
aanvallen  op  het  bastion  Gelderland,  waar  zich  het  Kasteel  be- 
vindt; Wijiers,  met  een  even  sterke  macht,  op  het  daarnaast 
liggende  bastion  Holland;  Sickinghe,  ook  met  300  man,  op  het 
bastion  Overijssel.  Bij  elke  dier  aanvalskolonnen  zal  een  voor- 
troep gevormd  worden,  met  bijlen  en  pieken  gewapend  en  voor- 
zien van  koevoeten,  hamers,  handgranaten  enz.;  geheel  voorop 
zullen  zijn   de  manschappen   die  de   in  vakken  verdeelde  bies- 


Digitized  by 


Google 


2  20  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

bruggen  dragen;  dddr  zal  zich  ook  bevinden  Van  Thijnen  bij 
de  kolonne  van  Eijbergen,  andere  geleiders  bij  de  twee  andere 
kolonnen.  Als  woord  wordt  gegeven  Holland;  als  veldgeschreeuw 
God  met  ons;  en  als  herkenningsteeken  is  voorgeschreven  om 
een  bosje  stroo  aan  den  hoed  vast  te  maken.  Tien  uur  's  avonds 
is  het  uur,  bepaald  voor  den  afmarsch  van  Erme. 

In  de  grootste  orde  en  stilte  vangt  die  afmarsch  aan ;  om  één 
uur  is  men  te  Dalem;  om  drie  uur  zijn  de  kolonnen  van  Eij- 
bergen  en  Wijiers  bij  de  buitenwerken  der  vesting ;  Sickinghe,  die 
een  langeren  weg  moest  afleggen,  over  den  Holvert,  komt  iets 
later  bij  het  punt  waar  hij  moet  aanvallen.  De  onversaagde  Van 
Thijnen  is  voorop  en,  in  weerwil  van  het  aanroepen  der  Mun- 
stersche  schildwachten,  nadert  hij  de  voorgracht  en  de  palissa- 
deering  van  den  bedekten  weg;  hij  herkent  het  punt  dat  hij  als 
het  geschiktste  beschouwt  voor  de  bestorming  en  waarschuwt  den 
voortroep  om  daarheen  te  snellen.  Dit  geschiedt;  de  voortroep 
gaat  de  dichtgevrorene  voorgracht  over,  bereikt  de  palissadeering 
van  den  bedekten  weg,  springt  daarover  heen  of  hakt  die  met 
bijlen  omver,  in  weerwil  van  het  musketvuur  dat  de  vijand  nu, 
van  den  hoofdwal,  op  de  aanvallers  opent.  Door  de  openingen 
in  de  palissadeering  gaan  nu  de  beide  kolonnen  van  Éijbergen 
en  van  Wijiers;  Van  Thijnen  wijst  aan  den  laatste  den  weg 
naar  het  bastion  Holland,  waarop  hij  moet  aanvallen,  en  geleidt 
daarna  de  troepen  van  Éijbergen  naar  het  bastion  Gelderland. 
Sickinghe  is  kort  daarop  ook  gekomen  bij  het  bastion  Overijssel; 
een  gedeelte  van  zijne  ruiters  neemt,  afgestegen,  vrijwillig  deel 
aan  den  aanval.  De  verdediger  komt  in  verwarring  onder  de 
wapens,  maakt  zich  op  den  hoofdwal  bereid  tot  tegenweer,  opent 
musketvuur  op  de  kolonnen  van  Éijbergen  en  van  Wijiers  en 
brengt  door  een  kanonschot  eenig  verlies  toe  aan  de  kolonne 
van  Sickinghe  bij  haren  opmarsch. 

De  bestormers  snellen  intusschen  vol  geestdrift  voort.  Een  ge- 
deelte van  de  gracht,  dat  open  was  gehouden,  wordt  overge- 
trokken  door  middel  van  de  biesbruggen ;  en  daar  sommige  van 
die  bruggen  te  zwak  zijn  om  de  overtrekkende  troepen  te 
dragen,  gaan  eenige  der  bestormers  in  het  water  of  op  het  ijs 
staan,  om  de  bruggen  vast  te  houden.  Nu  geldt  het  den  hoofdwal, 
die  door  de  vorst  glad  is  en  moeielijk  te  beklimmen  en  waar- 
achter de  verdediger  met  vuur-  en  blanke  wapens  den  vijand 
afwacht.  Een  doornheg  aan  den  voet  van  den  hoofdwal,  zooals 
men  die  meer  vindt  bij  onze  vestingen,  is  eene  hindernis  die 
nog  een  geruimen  tijd  ophoudt,  alvorens  men  met  bijlen  eene 
genoegzame  opening  in  die  heg  heeft  gemaakt.  Men  wil  dat  een 
der  Hollandsche  officieren,  door  een  krijgslist  veel  heeft  bijge- 
bracht tot  het  gelukken  van  de  bestorming;  hij  zou  namelijk  een 
tamboer    over    de    doornheg   hebben    gelicht   en    hem    hebben 


Digitized  by 


Google 


COEVORDEN.  221 

overgehaald,  onder  belofte  van  een  rijkelijke  belooning,  om  in 
stilte  ergens  den  wal  te  beklimmen  en  in  het  binnenste  van  de 
stad  den  Prinsenmarsch  te  slaan;  begunstigd  door  den  zwaren 
mist,  die  volgens  sommige  opgaven  belette  om  de  lengte  van  een 
piek  vooruit  te  zien,  zou  die  tamboer  onbemerkt  in  de  stad  zijn 
doorgedrongen  en  dd^r,  door  het  slaan  van  den  Prinsenmarsch^ 
verwarring  en  vrees  onder  de  verdedigers  hebben  doen  ontstaan^ 
en  den  wederstand  doen  ophouden.  —  De  zaak  is  mogelijk;  zij 
is  ten  minste  niet  zoo  onwaarschijnlijk  als  de  geschiedenis  met 
Bonaparte's  trompetters  bij  Arcole. 

Hoe  het  zij,  de  Hollanders,  aan  alle  zijden  den  wal  beklim- 
mende, hebben  weldra  vasten  voet  daarop  gekregen.  DéAr  heeft 
nog  een  korte  worsteling  plaats;  Mooij,  de  Munstersche  bevel- 
hebber, sneuvelt  met  de  sabel  in  de  vuist,  door  dien  roemvollen 
dood  geheel  uitwisschende  wat  mogelijk  de  verrassing  van  zijne 
vesting  krenkends  had  voor  zijn  eer;  zijn  dood  doet  zijnen  sol- 
daten den  moed  verliezen ;  zij  gaan  terug  en  Eijbergen  maakt  zich 
meester  van  het  Kasteel.  Sickinghe  heeft  bij  het  bastion  Overijssel 
meer  wederstand  ontmoet;  den  wal  beklimmende  heeft  hij  met 
eigen  hand  een  kanonnier  des  vijands  gedood,  op  het  oogenblik 
dat  deze  een  stuk  geschut  wil  afschieten ;  dapper  strijdt  de  vijand 
nog  op  den  wal  tegen  de  bestormers,  totdat  Eijbergen,  met 
40  man  daarheen  snellende,  de  verdedigers  in  den  rug  aanvalt 
en  daardoor  in  verwarring  doet  wijken.  Te  gelijk  is  de  Friesche 
poort  door  de  Hollanders  bemachtigd  en  geopend  voor  de  rui- 
terij; deze  rent  nu  door  de  straten  en  doet  weldra  den  weder- 
stand des  vijands,  die  naar  het  marktplein  is  teruggetrokken, 
geheel  ophouden.  Van  de  vijandelijke  bezetting,  die  bij  de  8oa 
man  telde,  redden  zich  een  paar  honderd  door  de  vlucht  naar 
het  Bentheimsche;  een  150  waren  gesneuveld;  een  groote  400 
werden  krijgsgevangen  gemaakt.  De  aanvaller  had  zijn  zege  ge- 
kocht met  het  sneuvelen  van  55  der  zijnen. 

In  de  tachtig  vuurmonden,  een  groot  aantal  andere  wapens, 
een  aanmerkelijke  voorraad  munitie,  een  aanzienlijke  buit,  vielen 
door  dit  wapenfeit  in  handen  van  de  overwinnaars.  Het  zij  her- 
haald: men  moet  dit  wapenfeit  niet  beoordeelen  naar  de  begin- 
selen der  hedendaagsche  oorlogsvoering;  zeker,  in  ónze  dagen 
zou  het  vernielen  van  eene  vijandelijke  afdeeling  van  eenige 
honderd  man,  het  nemen  van  eene  vesting  als  Coevorden  altijd 
beschouwd  worden  als  een  voordeel,  maar  toch  slechts  als  een 
voordeel  van  ondergeschikt  belang.  In  de  zeventiende  eeuw  was 
het  geheel  anders:  toen  was  het  een  uitstekend  voordeel;  een 
voordeel,  zooals  een  sterk  leger,  in  den  loop  van  een  geheelen 
veldtocht  nauwelijks  behaalde;  een  voordeel  dat  diepen  indruk 
maakte,  de  vijandelijke  wapenkracht  schokte,  en  hem,  die  het 
verwierf,  met  lauwerkransen  sierde. 


Digitized  by 


Google 


222  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Het  gelukken  dier  verrassing  van  Coevorden  moet  worden  toe- 
geschreven aan  de  samenwerking  van  verschillende  omstandig- 
heden; aan  de  gesteldheid  dier  vesting,  die,  evenals  vele  onzer 
vestingen,  bij  winterdag  aan  overvallingen  was  blootgesteld;  aan 
den  mist,  die  de  bedekte  nadering  van  de  troepen  toeliet;  aan 
de  afgematheid  van  de  bezetting,  die  reeds  sedert  twee  dagen 
tegen  een  aanval  had  gewaakt;  maar  vooral  moet  de  goede 
uitslag  worden  toegeschreven  aan  de  kracht  en  den  nadruk  waar- 
mede de  aanval  plaats  had.  Eere  aan  de  dappere  overwinnaars; 
en  wanneer  die  overwinnaars,  dadelijk  na  de  behaalde  zege,  in 
hun  vromen  eenvoud  erkennen  »dat  dit  niet  anders  was  dan 
Gods  hand*',  dan  moet  dit  den  nazaat  niet  verhinderen,  lof  toe 
te  zwaaien  aan  de  onversaagde  strijders,  die  in  Gods  hand  het 
werktuig  waren  om  tot  eene  zoo  schitterende  uitkomst  te  geraken. 


De  krijgsverrichtingen  van  1672  zijn  hiermede  ten  einde  ge- 
loopen ;  het  is  goed,  vluchtig  een  oordeelkundigen  blik  te  werpen 
op  de  handelingen  in  het  laatste  gedeelte  van  dat  jaar. 

De  tocht  van  Willem  III,  in  November  1672  naar  de  Zuide- 
lijke Nederlanden,  is  over  het  algemeen  als  eene  handeling  van 
groote  stoutheid  bewonderd,  ten  minste  wat  het  ontwerp  aan- 
gaat. Men  behoeft  niet,  om  die  bewondering  te  verklaren,  zijn 
toevlucht  te  nemen  tot  de  Romeinsche  geschiedenis,  zooals  een 
onzer  schrijvers  —  Valckenier  —  doet,  en  in  die  handeling  van 
den  jongen  Stadhouder  de  wedergade  te  zien  van  Scipio's  besluit 
om  in  Spanje  de  Karthagers  te  beoorlogen,  op  het  oogenblik 
dat  riannibal  voor  de  poorten  van  Rome  stond;  men  kan,  door 
die  handeling  op  zich  zelve  te  beschouwen,  beter  grond  vinden 
om  haar  te  roemen,  dan  door  het  maken  van  eene  vergelijking 
met  de  oude  geschiedenis ;  —  vergelijkingen,  waarvan  zoo  dikwijls 
misbruik  wordt  gemaakt  en  die  zoo  dikwijls  geheel  mank  gaan. 

Willem  III  kon  zich  in  het  najaar  van  1672  zonder  gevaar 
van  Holland  verwijderen ;  dat  gewest  was  genoeg  verzekerd  door 
de  inundatie-linie  en  door  de  achtergebleven  krijgsmacht;  en 
indien  Luxembourg's  inval  het  in  gevaar  heeft  gebracht,  dan 
moet  men  dit  niet  wijten  aan  het  ongenoegzame  van  de  ver- 
dedigingsmiddelen, maar  wel  aan  de  zwakheid  en  onbekwaam- 
heid van  de  bevelhebbers.  Willem  III  deed  goed,  zich  van  Hol- 
land te  verwijderen,  want  dddr  was,  door  een  rechtstreekschen 
aanval  op  Luxembourg,  weinig  voordeel  te  behalen;  ging  alles 
gunstig,  dan  zou  die  wijze  van  aanvallen  den  vijand  nog  gerui- 
men  tijd,  nog  jaren  lang  doen  standhouden  op  het  grondgebied 
der  Republiek,  omdat  men  dan  gewest  voor  gewest,  stad  voor 
stad,  zou  moeten  heroveren.  Daarentegen,  door  in  de  Spaansche 


Digitized  by  VjOOQIC 


STRATEGISCHE   OPMERKINGEN.  223 

Nederlanden,  door  naar  den  Rijnkant  vooruit  te  rukken,  kon 
men  beslissende  \iitkomsten  verkrijgen:  de  Duitsche  legers  kon- 
den den  Rijnstroom  overtrekken,  de  Stadhouder  kon  zich  met 
die  legers  vereenigen,  hij  kon  eene  overwinning  op  de  Franschen 
behalen;  —  dat  alles  was  niet  alleen  mogelijk,  maar  zelfs  waar- 
schijnlijk; —  en  eene  overwinning  tusschen  Maas  en  Rijn,  bijna 
aan  de  grenzen  van  Frankrijk  behaald,  zou  oogenblikkelijk  aan 
den  oorlog  eene  geheel  andere  wending  hebben  gegeven,  zou 
Luxembourg  hebben  gedwongen  tot  eene  overijlde  ontruiming  van 
de  Noordelijke  Nederlanden  en  zou  dus  in  één  oogenblik  doen 
verwerven  wat  men  anders  door  jaren  strijds  moest  verkrijgen. 
Zelfs  toen  de  Duitsche  legers  niet  opdaagden,  kon  de  vermees- 
tering  van  Charleroi  dezelfde  uitkomst  teweegbrengen. 

Dat  men  die  uitkomst  niet  verwierf,  dat  Charleroi  gered  werd 
door  de  invallende  winterkoude,  dit  bewijst  niets;  want  men  moet 
bij  de  beoordeeling  van  eene  handeling  niet  alleen  letten  op  de 
gevolgen  die  zij  heeft,  maar  ook  op  de  gevolgen  die  zij  kon  en 
waarschijnlijk  moest  hebben;  het  eerste  hangt  af  van  het  geluk, 
het  tweede  bewijst  de  bekwaamheid.  En  wanneer  men  volgens 
dien  maatstaf  oordeelt,  dan  zal  men  Willem  III  den  hoogsten  lof 
moeten  toezwaaien  wegens  dat  besluit  om  den  oorlog  over  te 
brengen  naar  de  Spaansche  Nederlanden ;  men  zal  moeten  erken- 
nen dat  het  een  stout,  beleidvol  besluit  was;  dat  daardoor  de 
vijand  ééuAr  werd  aangevallen  waar  men  de  grootste  uitkomsten 
kon  verwerven,  d^r  waar  men  hem  doodelijke  slagen  kon  toe- 
brengen; dat  dit  besluit  alleen  genoegzaam  is  om  de  juistheid 
der  strategische  inzichten  van  Willem  III  te  bewijzen,  om  hem 
als  veldheer  boven  zijne  tijdgenooten  te  verheffen.  Dat  overbrengen 
van  den  oorlog  in  de  Zuidelijke  Nederlanden  was  werkelijk  een 
Napoleontische  handeling;  en  hoe  grooten  indruk  het  teweeg- 
bracht op  de  tijdgenooten  van  den  Stadhouder,  kan  men  daaruit 
opmaken,  dat  zelfs  de  trotsche  Lodewijk  XIV,  in  een  brief  den 
sisten  December  aan  Luxembourg  geschreven,  het  beleg  van 
Charleroi  noemt  „une  action  si  hardie^ 

Maar  is  dit  besluit  des  Stadhouders  om  den  oorlog  aanvallen- 
derwijze  te  voeren  algemeen  bewonderd,  de  wijze  waarop  dit 
besluit  werd  uitgevoerd  heeft  minder  goedkeuring  verworven. 
Beaurain  vooral  gispt  de  handelingen  van  het  Hollandsche  leger- 
hoofd. Sprekende  van  de  inneming  van  Binche  en  Valkenburg 
door  Willem  III,  zegt  hij:  >ces  faibles  conquêtes  furent  Ie  seul 
fruit  de  son  expédition.  Le  pro  jet  en  avait  été  con^u  avec  har- 
diesse,  il  ne  füt  pas  poussé  avec  assez  de  vivacité  et  de  vigueur. 
Les  moyens  n'avaient  pas  été  assez  préparé,  ou  ne  furent  pas 
fournis  ^  temps  par  les  Espagnols.  La  cour  de  France  en  eüt 
néanmoins  de  Tinquiétude,  on  vit  tout  ce  que  le  Prince  d'Orange 
pouvait  oser,  et  les  HoUandais   entreprendre  sous  ses  ordres." 


Digitized  by 


Google 


224  KRÏJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

{Campagne  de  1674  ^'^  Flandre,  Introduction).  En  in  zijne  Campagne 
de  Turenne  komt  zelfs  de  uitdrukking  voor:  *>la  diversion  du 
Prince  d'Orange,  en  faveur  des  alliés,  avait  été  si  mal  conduite*^  enz. 

Wij  kunnen  ons  niet  vereenigen  met  dit  oordeel  van  den 
Franschen  schrijver,  en  zijn  integendeel  van  gevoelen,  dat  de 
Stadhouder  niet  anders  kon  doen  dan  hij  heeft  gedaan,  en  dat 
de  wijze  van  uitvoering  zijner  aanvallende  beweging  op  het  einde 
van  1672,  meer  lof  dan  blaam  verdient.  —  Eene  korte  opsom- 
ming van  de  gebeurtenissen  zal  dit  duidelijk  maken. 

Den  8sten  November  begint  de  opmarsch  van  Roozendaal;  reeds 
den  iien  is  het  Hollandsche  legerhoofd  te  Maastricht.  Die  op- 
marsch is  met  eene  snelheid  verricht,  die  hier  te  meer  lof  ver- 
dient, omdat  het  daardoor  mogelijk  was,  voordeden  te  be- 
halen op  de  macht  waarmede  Duras  op  den  linkeroever  van  de 
Maas  stond ;  —  dit  heeft  e  ver  wel  niet  plaats,  doordat  de  Fransche 
bevelhebber,  met  spoed  de  macht  des  Stadhouders  ontwijkende, 
achter  de  Maas  en  de  Roer  terug  gaat.  Men  heeft  toen  aan  de 
Hollandsche  zijde  toch  reeds  de  voordeelen  verkregen,  dat  men 
Maastricht  gedeblokkeerd  en  eene  legermacht  in  Limburg  ver- 
toond heeft,  op  een  tijdstip,  dat  de  vijand  nog  aan  de  grenzen 
staat  van  het  eigenlijke  Holland;  —  maar  tot  die  voordeelen 
moet  men  zich  vooreerst  bepalen.  Duras  heeft  den  strijd  ontweken, 
en  zoolang  men  nog  niet  versterkt  is  door  de  Spanjaarden,  heeft 
men  te  geringe  macht  om  iets  anders  te  ondernemen;  want 
Turenne  heeft  bij  Andernach  reeds  een  overgang  over  den  Rijn, 
en  is  gereed  de  zwakke  krijgsmacht  van  den  Stadhouder  te  ver- 
pletteren, waagt  deze  het  vooruit  te  rukken. 

Den  i5en  November  komt  eindelijk  de  verwachte  versterking 
der  Spanjaarden.  Is  Beaurain  van  meening,  dat  Willem  III  toen 
naar  den  Rijn  had  moeten  voortrukken  en  daar  Turenne  slag 
leveren  ?  —  Wij  gelooven  dat  die  handeling  gewaagd  en  gevaarlijk 
zou  zijn  geweest;  het  Fransche  legerhoofd  stond  toen  reeds  in 
zijne  stelling  te  Witlich,  den  weg  afsluitende  van  Willem  III  naar 
de  Duitsche  legers;  die  legers  stonden  bovendien  nog  altijd  op 
den  rechteroever  van  den  Rijn,  en  op  de  vereeniging  met  die 
legers  was  niet  in  het  minst  staat  te  maken;  Turenne  was  toen 
reeds  in  verband  met  de  legermacht  van  Condé;  en  wanneer 
dus  Willem  III  vooruitrukte,  liep  hij  gevaar  van  aangevallen  te 
worden  door  de  groote  overmacht  der  beide  Fransche  leger- 
hoofden; en  een  nederlaag  kon  dan  de  bedenkelij kste  gevolgen 
hebben,  door  de  aanwezigheid  der  macht  van  Duras  in  den  rug 
van  het  leger  des  Stadhouders.  De  voorzichtigheid  schreef  dus 
gebiedend  voor,  niet  verder  voort  te  rukken  tusschen  Maas 
en  Rijn;  er  viel  niets  anders  te  doen  dan  bij  de  Maas  te  blijven, 
en  dddr,  door  kleine  aanvallende  bewegingen,  door  het  bedreigen 
van   vestingen  Duras  en  Turenne  uit  te  lokken  om  ter  hulp  te 


Digitized  by 


Google 


STRATEGISCHE   OPMERKINGEN.  22$ 

komen;  voordeel  te  behalen,  door  aan  den  eerste  slag  te  leve- 
ren, of  door  het  verwijderen  van  den  tweede  van  den  Rijn  den 
overtocht  van  dien  stroom  voor  de  Duitsche  legers  gemakkelijk 
te  maken,  en  zóó  de  vereeniging  met  die  legers  voor  te  bereiden. 

Met  dat  inzicht  bedreigt  men  Tongeren,  maar  zonder  uitwer- 
king: Turenne  en  Duras  blijven  onbeweeglijk,  op  de  sterkte  dier 
vesting  vertrouwende.  Men  verlaat  toen  Tongeren  weer,  welks 
ernstige  belegering  geen  voordeel  kon  aanbrengen;  men  wil 
Duras  opzoeken  en  slag  leveren;  maar  de  sterk  gezwollen  Roer 
belet  dit,  en  de  Fransche  bevelhebber  voegt  zich,  zonder  ge- 
vecht te  leveren,  bij  Turenne;  —  men  verkreeg  door  dien  af- 
tocht evenwel  het  voordeel,  dat  daardoor  —  hoezeer  kortston- 
dig —  de  gemeenschap  van  Luxembourg  met  Frankrijk  zoo  goed 
als  afgebroken  was.  —  Men  bepaalt  zich  toen  tot  de  vermees- 
tering  van  Valkenburg. 

Weldra  blijkt  het,  dat  men  dit  jaar  volstrekt  niet  heeft  te 
rekenen  op  de  hulp  van  de  Duitsche  legers,  en  Willem  III  gaat 
nu  over  tot  het  beleg  van  Charleroi;  eene  onderneming  die, 
ware  zij  gelukt,  Frankrijk  een  gevoeligen  slag  zou  hebben  toege- 
bracht en  denkelijk  de  ontruiming  van  Holland  veroorzaakt. 
Maar  die  onderneming  gelukt  niet;  Montal's  goede  verdediging, 
de  bijeen  trekking  van  Fransche  legers  tot  ontzet  en  vooral  de 
invallende  vorst,  die  de  werkzaamheden  van  den  belegeraar  ver- 
hindert en  het  geschut  belet  aan  te  komen,  doen  het  beleg  op- 
breken; en  de  legermacht  des  Stadhouders,  den  veldtocht  ein- 
digende, keert  naar  Holland  terug. 

Wanneer  men  zoo  de  gebeurtenissen  met  aandacht  overziet,  dan 
vraagt  men  zich  af,  wat  Beaurain  rechtigt  tot  zijne  veroordeelende 
uitspraak  over  de  operatiën  van  Willem  III  bij  dit  gedeelte  van 
den  veldtocht  Zegt  men  van  iemand  dat  hij  niet  goed  heeft  ge- 
handeld, dan  vordert  de  billijkheid  dat  men  tevens  zegge,  hoe 
hij  had  moeten  handelen;  en  wanneer  wij  hier,  bij  de  krijgsver- 
richtingen  van  het  Hollandsche  legerhoofd,  ons  die  vraag  stellen, 
dan  zien  wij  niet  in,  hoe  die  op  voldoende  wijze  kan  worden 
beantwoord.  Wij  voor  ons  zien  niet  in,  wat  de  Stadhouder  anders 
had  kunnen  doen  dan  hij  gedaan  heeft;  en  hoezeer  zijne  onder- 
neming mislukt  is,  kan  men  dit  volstrekt  niet  wijten  aan  de  wijze 
van  uitvoering  die  niet  anders  kon  zijn,  noch  aan  het  ontwerp 
zelf,  dat  stout  en  meesterlijk  was. 

Wanneer  wij  overgaan  tot  de  beschouwing  van  Luxembourg's 
handelingen  bij  dit  gedeelte  van  den  veldtocht,  dan  moeten  wij 
het  gevoelen  uiten,  dat  zij  zich  hier  meer  door  stoutheid  dan 
door  bekwaamheid  kenmerken.  Partij  te  trekken  van  de  gunstige 
kansen,  die  de  winterkoude,  de  afwezigheid  van  Willem  III  en 
de   zwakheid  van  sommige   van   diens   onderbevelhebbers   aan- 

wiLLEM  III.  —  I.  15 


Digitized  by 


Google 


2  20  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

boden  tot  het  doen  van  een  inval  in  Holland,  dit  was  zeker  iets 
goeds,  en  het  besluit  tot  dien  inval  verdient  in  Luxembourg  ge- 
prezen te  worden;  want,  mocht  het  Fransche  legerhoofd  zich  al 
niet  meester  maken  van  Amsterdam,  hij  zou  toch  eenige  der  Zuid- 
Hollandsche  steden  kunnen  bemachtigen,  en  door  de  bemachti- 
ging van  die  steden,  door  de  verwoesting  van  de  landstreek, 
denkelijk  de  Republiek  dwingen  tot  vrede  en  onderwerping.  Het 
besluit  tot  den  inval  in  Holland  was  dus  goed;  —  maar  dat 
besluit  door  te  zetten  op  een  oogenblik  dat  de  uitvoering  zoo 
goed  als  onmogelijk  werd;  den  tocht  naar  Holland  te  beginnen  op 
het  oogenblik  dat  de  dooi  reeds  aanvangt,  met  het  vooruitzicht 
van  spoedig  niet  verder  te  kunnen  voortrukken  en  van  niet  te 
kunnen  terugkeeren;  een  geheel  leger  zoo  bloot  te  stellen  aan 
een  bijna  wissen  ondergang;  —  dit  is,  in  ons  oog,  geen  stout- 
heid meer,  maar  roekeloosheid;  dit  toont  weinig  beleid;  dit  is 
in  een  legerhoofd  eene  onverantwoordelijke  handelwijze,  die, 
zonder  het  verlaten  van  de  Nieuwerbrug  door  de  Hollanders, 
hare  welverdiende  straf  niet  zou  hebben  ontgaan.  In  de  dagen 
van  het  Schrikbewind  heeft  menig  Fransch  legerhoofd  het  leven 
door  de  gerechtsbijl  verloren,  die  niet  het  honderdste  deel  mis- 
dreven had,  van  wat  men  hier,  met  grond,  Luxembourg  kan  ten 
laste  leggen. 

Die  inval  van  Luxembourg  toont  ook  aan,  hoe  weinig  gegrond 
de  meening  is,  dat  in  den  winter,  door  een  strenge  vorst,  de 
sterke  verdedigingsmiddelen  van  ons  land  geheel  te  niet  gaan. 
Integendeel:  wij  zien  dat  in  den  winter  van  1672,  in  weerwil 
van  de  vorst,  door  krachtige  inspanning  hier  en  daar  vaarten  en 
weteringen  waren  opengehouden,  in  verband  waarmede  een  hand- 
vol gewapende  boeren  bij  Nieuwkoop  en  het  geschut  van  een 
uitlegger  in  de  Mije  er  in  slagen,  de  Fransche  macht  te  doen 
afdeinzen,  en  het  doordringen  van  die  macht  te  Zwammerdam 
alleen  aan  het  zwakke  der  verdediging  is  toe  te  schrijven.  Zelfs 
in  het  hart  van  den  winter  kan  dus  de  verdediging  van  onze 
onderwaterzettingen  met  goed  gevolg  plaats  hebben;  vooral  ook 
omdat  de  vijand  het  niet  licht  zal  wagen,  over  het  dichtgevrorene 
water  te  trekken,  terwijl  door  het  omslaan  van  het  weder  —  iets 
dat  men  niet  voorzien  kan  en  dat  ieder  oogenblik  kan  gebeuren  — 
de  o  vergetrokken  macht  van  eiken  terugtochts-weg  is  afgesneden 
en  dus  denkelijk  geheel  verloren  gaat.  Dat  Luxembourg  dit  lot 
ontging,  waaraan  heeft  dit  gelegen?  —  Aan  het  wangedrag  van 
één  bevelhebber. 

Juist  diezelfde  gebeurtenis,  met  vele  andere  in  onze  krijgsge- 
schiedenis,  bewijst  welk  een  gewichtige  taak  zelfs  een  officier  van 
minder  hoogen  rang  soms  heeft  te  vervullen  bij  de  oorlogen 
in  óns  land.  Van  Königsmarck  hing  hier  het  behoud  van  het 
vaderland  af,  en  zijn  zwak  gedrag  had  Holland  bijna  doen  ver- 


Digitized  by 


Google 


STRATEGISCHE   OPMERKINGEN.  227 

loren  gaan;  Pain-et-Vin*s  plichtverzuim  was  de  redding  van 
Luxembourg's  leger:  zonder  dat  had  een  maarschalk  van  Frank- 
rijk, met  eenige  duizenden  soldaten,  de  wapenen  moeten  neder- 
leggen.  Ieder  generaal,  ieder  kolonel  kan  eene  soortgelijke  taak 
te  vervullen  hebben  als  Königsmarck;  en  zelfs  behoeft  men  geen 
hoofdofficier  te  zijn  om  bevelhebber  te  worden  van  een  even 
belangrijken  post  als  dien  aan  de  Nieuwerbrug ;  ieder  onzer  offi- 
cieren kan  zoodoende  in  een  toestand  komen,  waarin  hij  geheel 
op  zichzelf  staat,  geheel  naar  eigen  inzichten  en  ingeving  moet 
handelen,  en  waarin  van  z  ij  n  e  handeling  mogelijk  de  val  of  het 
behoud  van  het  vaderland  afhangt. 

Daarom  ook  is  het  een  hoofd vereischte,  dat  de  officieren  van 
ons  leger  eene  meer  dan  gewone  bekwaamheid  bezitten,  en  door 
hunne  vroegere  opleiding,  door  verstandige  studiën  en  oefeningen 
juiste  en  ruime  inzichten  verkregen  hebben  over  de  verdediging 
van  ons  land;  om,  wanneer  zij  op  zichzelve  staan,  wanneer  zij 
zonder  bepaalde  bevelen  of  voorschriften  moeten  handelen,  en 
van  hun  besluit  mogelijk  de  uitkomst  van  den  oorlog  afhangt, 
altijd  de  beste  partij  te  kiezen.  Bij  groote  legers,  —  zooals  bij 
voorbeeld  de  Fransche  en  Oosten  rijksche  legers  — ,  is  het  geen 
zoo  noodzakelijk  vereischte,  dat  de  officier  wetenschappelijk 
gevormd  zij;  het  is  voldoende  dat  de  bevelhebbers  van  legers, 
legerkorpsen  en  divisiën  bekwame  mannen  zijn;  voor  de  aan- 
voerders der  kleinere  onderdeelen  van  het  leger  is  dit  minder  noodig, 
omdat  zij  bij  de  werking  der  groote  vereenigde  massa's  meest- 
tijds niets  anders  te  doen  hebben  dan  werktuigelijk  de  ontvangene 
bevelen  uit  te  voeren ;  —  bij  een  leger  als  het  onze,  dat  door  den 
aard  der  landstreek  waar  het  moet  strijden,  gewoonlijk  in  meer 
of  minder  kleine  deelen  is  gesplitst,  moet  ieder  officier  min  of 
meer  de  bekwaamheid  bezitten  van  een  opperbevelhebber. 

De  krijgsverrichtingen  in  de  oostelijke  gewesten  gedurende  de 
laatste  maanden  van  1672  leveren  weinig  stof  op  tot  opmer- 
kingen. Men  kan  niet  anders  dan  het  beleid  en  de  geestkracht 
prijzen,  hier  betoond  door  de  Hollandsche  bevelhebbers,  die 
goed  gebruik  maakten  van  het  voordeel,  dat  Groningen's  dappere 
verdediging  hen  op  den  vijand  had  gegeven,  om  dien  vijand 
verder  afbreuk  te  doen;  en  die  daartoe  zoo  goed  partij  wisten 
te  trekken  van  het  middel  der  overvallingen. 


Digitized  by 


Google 


228  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 


HOOFDSTUK  VIII. 

TOESTAND   VAN   DE  OORLOGVOERENDE   PARTIJEN   BIJ   HET  BEGIN 

VAN     1673;     KRIJGSTOERUSTINGEN;    KRIJGSVERRICHTINGEN 

IN  DE  NOORDOOSTELIJKE  PROVINCIËN   EN   IN  HOLLAND. 

De  krijgs verrichtingen,  die  tot  in  de  laatste  dagen  van  1672 
waren  voortgezet,  hielden  daarna  eenigen  tijd  op;  de  winter  gaf 
eene  korte  poos  van  rust,  die  door  de  verschillende  oorlogvoe- 
rende mogendheden  gebruikt  werd  om  hunne  krijgstoerustingen 
uit  te  breiden,  ten  einde  in  een  volgenden  veldtocht  opnieuw  met 
geduchte  strijdkrachten  op  te  treden. 

Frankrijk  —  en  Frankrijk  wil  zeggen  Lodewijk  XIV;  zijne 
bekende  woorden  yjTétai  eest  mor  waren  toentertijd  eene  waar- 
heid; —  Frankrijk  had  nog  niet  afgezien  van  zijne  poging  tot 
vernietiging  van  de  Republiek,  welker  macht  en  welker  vrijheid  toen 
een  ergernis  waren  voor  den  alleenheerscher,  die  geen  perken 
voor  zijn  gezag  duldde  en  die  er  naar  streefde,  geheel  Europa 
aan  zijn  wil  te  onderwerpen.  De  trots  des  Franschen  konings, 
zoo  verhoogd  door  de  spoedige  en  gemakkelijke  verovering  van 
een  deel  van  Holland,  was  diep  gekrenkt  geworden  door  den 
wederstand,  dien  het  overige  van  dien  Staat  was  blijven  bieden; 
en  verontwaardiging,  evenzeer  als  verbazing,  vervulde  geheel 
Frankrijk,  toen  men  den  vijand,  dien  men  reeds  ten  onder  ge- 
bracht waande,  zich  met  kracht  zag  verheffen,  en  zijn  leger 
Frankrijk *s  grenzen  zag  bedreigen.  Die  trotschheid  moest  beteu- 
geld, die  hoon  gestraft  worden.  De  Fransche  natie,  toenmaals 
koningsgezind  tot  in  het  gebeente,  kon  er  zich  geen  denkbeeld 
van  maken,  dat  een  klein  volk,  zonder  koning,  zonder  adel,  een 
volk  dat  men  minachtte  als  alleen  bestaande  uit  een  hoop  koop- 
lieden en  burgers,  den  kamp  durfde  volhouden  tegen  den  groo- 
ten  monarch,  voor  wien  zich  de  hoofden  der  oudste  geslachten 
van  de  Christenheid  in  het  stof  bogen,  en  die,  door  al  den  luister 
van  macht  en  roem  omgeven,  tot  nu  toe  niets  dan  overwinningen 
had  gekend.  Zoo  iets  was  ongehoord,  zoo  iets  mocht  niet  voort- 
duren; en  wanneer  de  krijgshaftige  geest  van  het  Fransche  volk 
het  eiken  oorlog  met  blijdschap  deed  tegemoet  gaan,  zoo  was 
toch  de  oorlog  tegen  Holland  der  natie  bijzonder  welgevallig. 

Hier  en  daar  mochten  soms  de  zware  lasten,  welke  die  oor- 
log noodzakelijk  oplegde,  gemor,  weerspannigheid,  openlijken 
opstand  doen  ontstaan;  maar  dit  was  alleen  het  geval  bij  het 
laagste  gedeelte  der  natie,  bij  de  boeren,  bij  den  geringen  bur- 
gerstand, bij  dat  gedeelte  dat  toen  even  weinig  werd  geteld  als 
het  plebs  te  Rome,  als  de  lijfeigenen  der  Middeleeuwen;  wat  toen 


Digitized  by 


Google 


TOESTAND  OORLOGVOERENDE   PARTIJEN,   BEGIN    1673,         229 

het  eigenlijke  volk  uitmaakte :  de  adel,  de  hoogere  geestelijkheid, 
het  leger,  de  rechterlijke  macht,  de  parlementen,  de  staatsamb- 
tenaren, de  hovelingen,  —  dat  alles  wat  zich  in  den  zonneschijn 
der  hofgunst  koesterde  en  alleen  aan  Lodewijk  XIV  aanzien  en 
luister  ontleende,  dat  alles  gevoelde  ook  diep  den  hoon  dien  de 
monarch  leed  door  den  strijd  tegen  zulk  een  vijand,  en  brandde 
van  verlangen  om  door  schitterende  overwinningen  dien  hoon 
uit  te  wisschen. 

Bij  de  schrijvers  van  dien  tijd  kan  men  de  duidelijkste  blijken 
vinden  van  dien  geest  van  haat  en  vijandschap  tegen  de  Repu- 
bliek der  Vereenigde  Nederlanden,  —  een  haat,  die  niet  het  recht 
had  om  nog  langer  minachting  te  blijven,  toen  men  had  onder- 
vonden, welk  eene  sterkte  die  vijand  bezat  dien  men  aanvan- 
kelijk zoo  versmaadde ;  men  kan  ten  duidelijkste  uit  de  geschriften 
van  dien  tijd  ontwaren,  —  neem  slechts  de  brieven  van  Madame 
de  Sévfgné  —  hoe  de  Fransche  koning  geheel  in  overeenstemming 
handelde  met  den  geest  zijns  volks,  toen  hij  den  oorlog  tegen  Hol- 
land bleef  voortzetten.  Zoo  vindt  men  zelfs  bij  La  Fontaine  —  die 
anders  te  eenvoudig  was  om  vleier  te  zijn,  en  die  in  zijne  mees- 
terlijke fabels  den  grooten  der  aarde  dikwijls  ernstig  de  waarheid 
durfde  zeggen  —  eene  fabel  ide  zon  en  de  kikvorschen", 
waarin  klaarblijkelijk  de  Fransche  koning  door  den  dichter  wordt 
voorgesteld  onder  het  beeld  van  de  zon,  terwijl  met  de  kikvor- 
schen niets  anders  bedoeld  wordt  dan  de  landgenooten  van  De 
Witt  en  De  Rujrter.  Men  moet  daarom  den  grooten  fabeldichter 
niet  beschuldigen  van  blinde  partijdigheid;  men  moet  zoo  iets 
vergeven  aan  den  tijd  waarin  hij  leefde;  maar  het  doet  juist  den 
geest  van  dien  tijd  kennen;  het  doet  zien,  dat  Lodewijk  bij  het 
voortzetten  van  den  oorlog,  kon  rekenen  op  den  bijstand  der 
openbare  meening,  toenmaals  zeker  minder  krachtig  dan  in  onze 
dagen,  maar  toch  reeds  eene  macht  die  men  niet  straffeloos  kon 
veronachtzamen. 

Bij  Louvois  ging  de  haat  jegens  Holland  toen  nog  gepaard 
met  verregaande  minachting,  zich  vaak  uitende  in  hoonende  en 
verguizende  woorden.  In  Rousset's  werk  (i'  deeh  blz.  445)  vindt 
men  daarvan  voorbeelden,  bij  gelegenheid  dat  die  schrijver  ge- 
wag maakt  van  een  vredes-congres  dat  in  het  begin  van  1674  te 
Keulen  bijeenkwam,  maar  niets  tot  stand  heeft  gebracht: 

>  Waren  de  Hollanders  mannen,"  zeide  hij  (Louvois),  » dan  zou- 
den zij  al  lang  vrede  hebben  gesloten;  maar  het  z^'n  ezels  {des 
bétes\  die  zich  laten  leiden  door  menschen  die  alleen  op  hun 
eigen  belang  bedacht  zijn;  en  daarom  is  het  beter  zich  voor 
te  bereiden  ten  oorlog,  dan  te  verflauwen  in  de  hoop  van 
vrede."  Nog  beleedigender  toon  bezigt  hij,  waar  hij  aan  Luxem- 
bonrg  en  d'Ëstrades  gelast,  om  aan  de  HoUandsche  gevolmach- 
tigden, bij  hun  doortocht,  de  eerbewijzmgen  te  geven  die  htm 


Digitized  by 


Google 


230  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

toekomen :  1  de  Koning  heeft  mij  gelast  u  te  melden,"  200  schreef 
hij  hun,  >dat,  in  weerwil  van  de  verachting  die  men  voor  dat 
volk  moet  koesteren,  men  hen  toch  moet  behandelen  als  ge> 
zanten." 

Toen  Hindostan  in  1857  opstond,  hebben  de  Engelschen  met 
niet  meer  haat  en  verachting  kunnen  gewagen  van  de  volge- 
lingen van  Nena  Sahih^  dan  Louvois  van  de  Hollanders  van 
1672.  Wij  hebben  dus  wel  eenig  recht,  om  zijn  naam  te  ver- 
foeien. 

Engeland,  dat  ook  den  oorlog  bleef  voortzetten,  deed  dit 
voornamelijk  door  het  aandrijven  van  Karel  II,  een  onzedelijk 
en  schandelijk  vorst,  die  den  troon  onteerde;  een  vorst  die,  alle 
gevoel  van  waardigheid  en  plicht  afschuddende,  een  lijdelijk 
werktuig  was  geworden  in  de  hand  van  den  Franschen  koning, 
door  wien  hij  betaald  en  bezoldigd  werd.  Karel  was,  tot  nu  toe, 
meester  van  zijn  Parlement;  kuiperijen,  omkoopingen,  bedrog, 
openbaar  geweld  hadden  tot  op  dien  tijd  het  bestaan  eener 
volksvertegenwoordiging  in  Engeland  tot  een  fabel  gemaakt;  en 
bij  die  leden,  wier  onafhankelijkheid  men  vreesde,  hadden  de 
staatsdienaren  des  Konings  den  ouden  haat  en  vijandschap  tegen 
Holland  opgewekt,  —  die  mededingster  in  handel  en  zeevaart, 
met  wie  men  in  Indië  reeds  zoo  dikwijls  in  vijandige  aanraking 
was  gekomen,  en  tegen  wier  vloten  men  zoo  herhaaldelijk  en 
met  zoo  weinig  vrucht  gestreden  had  om  de  heerschappij  over 
de  zeeën.  Daardoor  was  het  aan  Karels  ministers  gelukt,  de  ver- 
tegenwoordigers des  volks  te  doen  bewilligen  in  het  voortzetten 
van  den  oorlog;  de  muren  van  het  Parlement  weergalmden  weer 
van  de  heftigste  taal  tegen  Holland;  het  iKarthago  moet  ver- 
delgd worden"  werd  op  dit  land  toegepast;  en  om  dat  doem- 
vonnis  ten  uitvoer  te  brengen,  besloot  men  eene  meer  dan  ge- 
wone uitbreiding  te  geven  aan  de  krijgstoerustingen. 

Maar,  handelde  de  regeering  zoo,  de  meerderheid  van  het 
Engelsche  volk  hechtte  hare  goedkeuring  niet  aan  die  hande- 
lingen. Er  bestond,  ja,  naijver  en  vijandschap  tegen  Holland; 
maar  het  gezond  verstand  der  menigte  deed  haar  inzien,  dat  de 
ondergang  van  Holland  ook  voor  Groot-Brittanje  verderfelijk  kon 
worden;  de  natie  was  in  haren  trots  gekrenkt  door  zoo  aan  den 
leiband  te  moeten  loopen  van  de  Fransche  staatkunde ;  zij  herin- 
nerde zich  hoe,  onder  Cromwell's  krachtig  bestuur,  Engeland 
een  geheel  andere  rol  had  gespeeld  op  het  staatstooneel ;  dat 
bestuur  had  republikeinsche  indrukken  bij  de  menigte  achterge- 
laten, en  zij  zag  daarom  noode,  dat  men  nu  streed  tegen  een 
republiek  en  in  het  belang  van  een  alleenheerscher ;  bovenal 
was  het  Engelsche  volk  door  godsdienstige  begrippen  de  zaak 
toegedaan  van   de  Nederlanden,  —  dien  zetel  en  toevlucht  van 


Digitized  by 


Google 


TOESTAND   OORLOGVOERENDE   PARTIJEN,   BEGIN    1673.  23 1 

het  Protestantisme,  toen  bedreigd  door  een  vorst,  die  zich  voor- 
deed als  een  krachtig  voorstander  van  Rome's  kerkleer;  —  dit 
alles  maakte,  dat  de  oorlog  tegen  Holland  in  Groot-Brittanje 
verre  van  populair  was,  dat  de  meerderheid  des  volks  dien  af- 
keurde en  veroordeelde,  en  dat  weldra  de  openbare  meening 
zich  zoo  krachtig  begon  te  uiten,  dat  Karel  II  daardoor  ge- 
dwongen werd  vrede  te  sluiten. 

Maar  in  1673  woedde  het  oorlogsvuur  nog  met  onverminderde 
hevigheid;  en  in  dat  jaar  spande  de  Britsche  vorst  nog  zijne 
uiterste  krachten  in,  om  onze  Republiek  ten  val  te  brengen. 

Keulen  en  Munster  bleven  ook  den  oorlog  tegen  de  Neder- 
landen voortzetten.  Die  twee  kleine  Duitsche  Staten  waren  nog 
altijd  aan  de  zijde  van  Frankrijk  en  geheel  onder  den  invloed 
van  dat  Rijk.  Hei  weinig  beduidende  van  de  voordeelen,  door 
de  Brandenburgsche  en  Keizerlijke  legers  in  1672  verkregen,  en 
de  krachtige  aanvallende  houding,  door  Turenne  tegen  die  legers 
aangenomen,  hadden  Frankrijk  het  bondgenootschap  met  de 
bisschoppen  van  Munster  en  Keulen  doen  behouden;  —  toch 
was  de  macht  van  die  beide  vorsten  aanmerkelijk  verminderd 
door  de  tegenspoeden  van  het  vorige  jaar,  vooral  door  het  mis- 
lukte beleg  van  Groningen. 

Ziedaar  de  oorlogvoerende  mogendheden,  die  in  1673  de 
eene  partij  uitmaakten.  Hiertegenover  had  men  nu,  aan  de 
andere  zijde:  de  Republiek  der  Vereenigde  Nederlanden,  Spanje 
en  het  Keizerrijk. 

De  Republiek  zag  nog  altijd  de  vijandelijke  legers  meester 
van  een  groot  gedeelte  van  haar  grondgebied;  maar  toch  was 
zij  in  geheel  anderen  toestand  dan  in  1672:  zoo  zwak,  zoo  weer- 
loos als  zij,  te  lande,  toen  was,  zulke  geduchte  verdedigingsmid- 
delen kon  zij  nu  tegenover  de  Fransche  of  Engelsche  legers  stellen. 
Hare  krijgsmacht  was  goed  geworden,  sterk,  talrijk,  had  door 
wervingen  en  door  verbonden  met  verschillende  Duitsche  Staten 
eene  groote  uitbreiding  gekregen;  hare  vestingen,  hare  verdedi- 
gingslijnen waren  in  den  meest  weerbaren  toestand;  de  vloot, 
door  De  Ruyler  aangevoerd,  kon  Frankrijk's  en  Engeland's  ver- 
eenigde vloten  het  hoofd  bieden;  zelfvertrouwen,  moed  en  geest- 
drift waren  teruggekeerd,  toen  men  Willem  III  met  zoo  krachtige 
hand  het  roer  van  het  staatsvaartuig  zag  besturen;  —  in  één 
woord:  de  kansen  van  den  oorlog  tegen  de  verbondene  vorsten 
waren  voor  onze  voorvaderen  in  1673  oneindig  gunstiger  dan 
het  jaar  te  voren. 

Spanje  was  voor  de  Nederlanden,  evenals  het  jaar  te  voren, 
een   zwakke   maar   volijverige  bondgenoot,  waarvan  de  hulp  en 


Digitized  by 


Google 


232  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

bijstand  door  ónze  schrijvers  mogelijk  niet  genoeg  zijn  erkend. 
De  monarchie,  zoo  krachtig  ten  tijde  van  KLarel  V  en  Filips  II, 
was  reeds  lang  ondermijnd  en  had  plaats  gemaakt  voor  een  afge- 
Icefden,  uitgeputten  en  zwakken  Staat,  vol  misbruiken  en  ver- 
keerdheden,  zonder  eenheid  van  bestuur,  zonder  krachtigen  volks- 
geest, en  waar  men  —  zooals  altijd  in  tijden  van  verval  —  de 
hulpmiddelen  des  lands  aan  duizend  overtolligheden  besteedde, 
en  de  krijgstucht  en  sterkte  der  legers  te  niet  liet  gaan.  Maar,  hoe 
zwak  de  Spaansche  monarchie  ook  was,  de  Zuidelijke  Nederlanden 
waren  voor  onzen  Staat  toch  altijd  een  voormuur,  die  de  Fransche 
wapenmacht  belette  om  met  haar  volle  geweld  op  ons  neer  te 
komen;  Monterey  wist  met  bekwaamheid  en  met  zelfopoffering 
de  legermacht  van  Willem  III  te  versterken  door  zijne  Spaansche 
krijgsbenden,  die,  zeker,  niet  meer  de  soldaten  waren  van  Alva 
en  Parma,  maar  waarbij  toch  somtijds  de  herinnering  aan  den 
aiouden  wapenroem,  enkele  opflikkeringen  van  heldengeest  deed 
ontwaren.  —  Den  i9cn  October  1673  volgde  er  eindelijk  eene 
oorlogsverklaring  van  Frankrijk  aan  Spanje;  de  wettelijke  erken- 
ning van  een  toestand  die  reeds  lang  had  bestaan. 

Duitschland  was  toen,  wat  het  nog  in  onze  dagen  is  geweest, 
de  draak  met  honderd  hoofden :  eenheid  en  krachtdadigheid  van 
handeling  moest  men  daar  niet  zoeken:  te  meer  niet,  omdat  de 
bekwame  staatslieden  waarover  Lodewijk  XIV  kon  beschikken 
—  en  waaraan  hij,  mogelijk  evenzeer  als  aan  zijn  groote  leger- 
hoofden, het  overwicht  had  te  danken  dat  hij  in  Europa  uit- 
oefende — ,  door  allerlei  middelen,  door  kuiperijen  en  omkoopingen, 
verschillende  Duitsche  vorsten  tot  Frankrijk's  belangen  hadden 
weten  over  te  halen,  en  zelfs  aanhangers  te  winnen  onder  de  ver- 
trouwdste raadslieden  van  den  Keizer.  Daaraan  was  dan  ook  toe 
te  schrijven  het  geheel  onbeduidende  aandeel  door  het  Keizerlijke 
leger  aan  den  veldtocht  van  1672  genomen;  —  onder  de  leiding 
van  een  uitstekend  veldheer  is  in  1673  ^^*  aandeel  verreweg  ge- 
wichtiger geweest 

De  Duitsche  vorst,  die  in  1672  het  eerst  optrad  als  bondge- 
noot van  de  Republiek,  was  ook  de  eerste  die  weer  de  wapenen 
nederlegde:  den  locn  April  1673  werd  de  vrede  gesloten  tus- 
schen  Frankrijk  en  den  keurvorst  van  Brandenburg.  Grootendeels 
had  Frankrijk  dit  voordeel  te  danken  aan  de  stoute  handelingen 
van  Turenne,  die,  na  eerst  in  het  najaar  van  167a  de  Duitsche 
legers  te  hebben  belet  den  Rijn  te  naderen,  zelf,  in  Maart 
1673,  naar  de  Wezer  was  vooruitgerukt  en  de  vijandelijke  legers 
had  doen  teruggaan,  het  Brandenburgsche  naar  de  zijde  van 
Halberstadt,  het  Keizerlijke  naar  Frankenland.  De  Keurvorst, 
ziende  dat  hij,  wel  verre  van  Holland  te  bevrijden  en  op  den 
linker  Rijnoever  Frankrijk  te  beoorlogen,  zelf,  in  zijn  eigen  Staten, 


Digitized  by 


Google 


KRUGSTOERUSTINGEN.  233 

bedreigd  werd,   haastte   zich   den   oorlog  te  eindigen,  die  hem 
noch  roem,  noch  voordeel  aanbracht. 

Die  uitkomst  was  ten  hoogste  roemrijk  voor  Turenne:  had 
hij  de  voorschriften  van  het  Fransche  hof  opgevolgd,  was  hij  ter 
verdediging  van  den  Rijn  op  den  linkeroever  teruggegaan,  dan 
had  dit  mogelijk  den  overtocht  van  dien  stroom  en  's  vijands 
inval  in  Frankrijk  toch  niet  verhinderd,  en  zeker  was  daardoor 
de  bisschop  van  Munster  gedwongen  geworden  de  zijde  van 
Frankrijk  te  verlaten.  Turenne  kiest  de  veel  stoutere  partij  om 
op  den  rechteroever  van  den  Rijn  te  blijven;  die  stroom  en  de 
Fransche  grenzen  worden  daardoor  even  goed  beschermd;  Mun- 
ster wordt  voor  het  bondgenootschap  met  Frankrijk  behouden,  de 
Fransche  wapenen  tot  aan  de  Wezer  uitgebreid  en  daardoor  één 
van  de  vijanden  van  Lodewijk  XIV  gedwongen  vrede  te  sluiten. 
Als  veldheer  ontwikkelde  Turenne  bekwaamheden,  die  zijner 
tegenstanders  verre  overtreffende. 


Door  de  wederzijdsche  partijen  werden  gedurende  den  winter 
de  krijgstoerustingen  met  kracht  voortgezet  Engeland  zou,  be- 
halve met  zijne  sterke  zeemacht^  ook  met  een  leger  deelnemen 
aan  den  oorlog;  dit  leger,  bij  de  20000  man  sterk,  was  in  de 
zuidoostelijke  havens  en  nabij  den  Theems  vereenigd,  gereed  om 
ingescheept  en  op  het  een  of  ander  punt  der  HoUandsche  of 
Zeeuwsche  kust  aan  wal  te  worden  gezet,  wanneer,  door  het  ver- 
slaan van  De  Ruyter's  vloot,  de  Noordzee  in  de  macht  der 
Britten  zoude  zijn.  Bovendien  zou  eene  afdeeling  van  8000  En- 
gelschen,  onder  Monmouth,  een  basterdzoon  des  Konings,  naar 
Frankrijk  overgaan,  om  zich  daar  te  voegen  bij  de  legers  van 
Lodewijk  XIV. 

De  Fransche  legers  werden  door  alle  mogelijke  middelen  versterkt 
en  voltallig  gemaakt;  en  juist  die  middelen  toonen  aan,  hoe 
moeielijk  het  toen  was,  zelfs  voor  de  grootste  monarchie,  om 
spoedig  eene  groote  uitbreiding  aan  hare  strijdkrachten  te  geven ; 
en  hoe  die  moeielijkheid,  meer  dan  iets  anders,  de  oorlogen  van 
die  dagen  onbeslissend  en  slepend  moest  maken. 

Men  wilde  30  nieuwe  regimenten  ruiterij  en  50  nieuwe  regi- 
menten voetvolk  oprichten.  Men  opende  wervingen  op  alle  punten, 
men  gaf  bijzondere  voorrechten  aan  hen  die  in  den  krijgsdienst 
traden,  men  beloofde  zelfs  straffeloosheid  aan  de  terugkeerende 
overloopers.  Van  Sardinië  nam  men  een  4000  man  afgedankte 
troepen  over,  van  Genua  2000,  van  Engeland  een  8000  man, 
van  de  Zwitsersche  kantons  een  groot  aantal;  en  zoo  bracht 
men  de  legermacht  op  eene  sterkte,  die,  volgens  de  waarschijnlijk 
niet  overdreven  opgave  van  een  onzer  schrijvers  (Valckenier), 
140000  man  voetvolk  en  40000  ruiters  uitmaakte;  —is  dit  zoo, 


Digitized  by 


Google 


234  KRIJGS-   EN  GESCHMDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

dan   waren    de  in  den  vorigen  veldtocht  geleden  verliezen  reeds 
meer  dan  hersteld. 

Drie  legers  wilde  men  samenstellen  uit  die  krijgsmacht:  het 
eerste,  volgens  De  Quincy  een  40  000  man  sterk,  zou,  onder  per- 
soonlijke aanvoering  van  koning  Lodewijk,  in  Vlaanderen  en 
Braband  werkzaam  zijn;  het  tweede,  de  krijgsmacht  in  Hollands 
vroeger  door  Luxembourg  aangevoerd,  kwam  nu  onder  het  bevel 
van  Condé;  het  derde,  onder  Turenne,  moest  aan  den  boven- 
Rijn  werkzaam  wezen.  —  Bovendien  had  de  bisschop  van  Mun- 
ster, ondersteund  door  eenige  Keulsche  troepen  en  door  45  com- 
pagnieën Fransche  ruiterij,  in  Overijsel  weer  eene  afdeeling  van 
bij  de  8000  man  bijeengebracht. 

Bij  de  oorlogstoerustingen  van  Frankrijk  worden  ook  de  maat- 
regelen vermeld,  die  het  nam  betreffende  de  in  Holland  ver- 
overde vestingen.  Een  aantal  dier  vestingen,  die  men  als  onnoodig 
of  te  onbeduidend  beschouwde,  werden  ontruimd,  ontwapend,  zoo- 
veel mogelijk  geslecht;  —  zoo  deed  men  met  Doesburg,  Wijk- 
bij-Duurstede,  Crèvecoeur,  de  Voornerschans,  Engelen,  Orsoy, 
Burik,  Emmerik,  het  Huis  te  Gennip,  Ravestein  en  Deutekom. 
Bij  andere  plaatsen  daarentegen,  zooals  te  Arnhem,  Nijmegen, 
Naarden  en  Utrecht,  werden  de  vestingwerken  verbeterd  en  uit- 
gebreid. 

Niettegenstaande  deze  meerdere  samentrekking  van  de  Fransche 
strijdkrachten  in  Holland,  waren  die  strijdkrachten  daar  nog  veel 
te  veel  versnipperd  door  het  groot  aantal  sterke  steden  dat  zi) 
bezet  moesten  houden;  en  Condé  klaagt  in  zijne  brieven,  »dat 
hij,  om  14  zwakke  bataljons  te  vereenigen^  verscheiden  plaatsen 
bijna  onbezet  moet  laten.'*  Denkelijk  werd  die  klacht  geuit  vóór 
Juni,  kort  vóór  de  inneming  van  Maastricht,  toen  de  veld- 
tocht reeds  eenigen  tijd  had  geduurd  en  de  Fransche  macht  in 
Holland  nog  niet  was  vergroot  door  de  later  van  het  leger  van 
Lodewijk  XIV  daarheen  gezonden  versterkingen.  Die  bijzonder- 
heid wordt  hier  aangehaald,  omdat  zij  een  juist  inzicht  kan  geven 
in  de  oorlogvoering  van  die  tijden:  de  grootste  en  machtigste 
monarchie  van  Europa  heeft  alle  inspanning  noodig,  om  een 
krijgsmacht  van  nog  geen  tweemaal  honderd  duizend  man  op 
de  been  te  brengen ;  en  van  die  krijgsmacht  wordt  zooveel  weg- 
genomen door  de  vestingen,  dat  didr  waar  men  den  werkzaam- 
sten en  geduchtsten  vijand  heeft  te  bestrijden,  het  soms  moeite 
kost  om  een  leger  van   12  a  15000  man  te  vereenigen. 

Wat  bij  Rousset  voorkomt  over  de  Fransche  legers  van  1673, 
komt  tamelijk  wel  overeen  met  de  hier  vermelde  opgaven.  In  de 
Histoire  de  Louvois  (i'  deel,  blz.  427 — 430)  leest  men  onder  andere 
het  volgende: 

iNog  was  de  veldtocht  van  1672  niet  geëindigd  toen  Louvois 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSTOERUSTINGEN.  235 

reeds  zijne  beschikkingen  nam,  en,  om  het  zoo  eens  uit  te  druk- 
ken, zijn  oorlogsbegrooting  opmaakte  voor  den  volgenden  veld- 
tocht. Hij  rekende  er  op,  tegen  het  voorjaar  beschikbaar  te 
hebben  96  000  man  voetvolk  en  28  000  ruiters.  Na  daarvan  afge- 
nomen te  hebben  8000  man  voor  Roussillon,  1000  voor  de  be- 
zetting van  Pignerol  en  7000  voor  Lotharingen,  bleef  hem  nog 
eene  macht  van  108000  man  over,  te  verdeelen  over  Holland, 
Duitschland  en  de  Spaansche  Nederlanden . . ." 

...>De  Koning  had  pas  zijn  traktaat  vernieuwd  met  den  keur- 
vorst van  Keulen  en  een  ander  gesloten  met  den  keurvorst  van 
Beieren;  ook  was  men  bezig  met  onderhandelingen  over  een 
derde  traktaat  met  den  hertog  van  Hannover.  Dit  kon  ongeveer 
een  30000  man  hulptroepen  opleveren,  maar  waarop  men  niet 
veel  mocht  rekenen..." 

Over  de  verdeeling  van  die  108000  man  Fransche  troepen 
worden  Turenne  en  Condé  geraadpleegd,  die  het  daarover  niet 
geheel  eens  zijn;  eindelijk  wordt  het  volgende  bepaald: 

...»Men  wilde  30000  man  aan  den  Rijn  hebben,  30000  op  de 
grenzen  van  Vlaanderen  en  48000  in  Holland;  van  de  laatste 
moesten  25000  man  het  leger  te  velde  uitmaken,  en  was  het 
overige  bestemd  om  sterke  bezettingen  te  geven  voor  de  steden 
aan  de  Maas,  den  IJsel  en  den  Waal.  De  steden  aan  de  Zuider- 
zee moesten  meerendeels  worden  ontruimd  en  ontmanteld." 

Dit  laatste  is  minder  juist.  Het  waren  niet  i  steden  aan  de  Zui- 
derzee" die  toen  door  de  Franschen  werden  ontruimd;  maar  wel 
andere  plaatsen  die  men  als  onnoodig  of  te  onbeduidend  be- 
schouwde. 

Voor  het  overige  geven  die  cijfers  bij  Rousset  wel  stof  tot 
eenige  aanmerkingen.  Het  is  zeer  duidelijk,  dat  er  behalve  die 
»8ooo  man  voor  Roussillon,  1000  voor  de  bezetting  van  Pigne- 
rol en  7000  voor  Lotharingen",  toch  ook  nog  troepen  moeten 
geweest  zijn  voor  het  bezetten  van  Frankrijk's  vestingen;  zoodat 
daar  er  108000  man  te  velde  werd  gebracht,  de  geheele  sterkte 
van  Frankrijk's  leger  in  1673  ™cer  moet  zijn  geweest  dan 
» 96  000  man  voetvolk  en  28000  ruiters."  Rousset  doet  hier, 
zooals  de  Franschen  nogal  dikwijls  doen,  als  het  cijfers  betreft: 
hij  geeft  zijne  cijfers  d'une  maniere  large^  waarbij  men  niet  streng 
moet  letten  op  juistheid  en  nauwkeurigheid.  Er  is  dus  grond 
voor,  de  opgave  van  onze  schrijvers  als  waar  aan  te  nemen, 
dat  de  geheele  sterkte  van  Frankrijk's  legermacht  in  1673  heeft 
bedragen  140000  man  voetvolk  en  40000  ruiters. 

Het  op  de  been  brengen  en  onderhouden  van  eene  voor  dien 
tijd  zoo  sterke  legermacht  bracht  noodwendig  geldelijke  bezwaren 
mede;  het  maakte  nieuwe  belastingen  noodig,  die  herhaaldelijk 
onlusten  en  oproeren  deden  ontstaan.  Toch  was  het  niet  Frankrijk 


Digitized  by 


Google 


236  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

alleen,  dat  den  oorlog  betaalde:  die  werd  ook  voor  een  deel  be- 
taald met  de  afpersingen  die  de  Franschen  in  Holland  deden.  Om 
een  denkbeeld  te  geven,  hoe  toen  in  de  door  den  vijand  beiette 
gewesten  van  de  Republiek  werd  gehandeld,  ontleenen  wij  aan- 
halingen, niet  aan  ónze  schrijvers  —  die  men  van  overdrijving 
kan  verdenken  —  maar  aan  den  Franschman  Rousset,  wiens 
onpartijdigheid,  over  het  geheel,  hoogen  lof  verdient.  In  het 
eerste  deel  van  zijn  werk  (blz.  435)  komt  het  volgende  voor: 

» Nooit  en  nergens  ter  wereld,  in  welken  tijd  en  onder  welke 
regeering  het  ook  zij,  heeft  de  geest  van  fiskaliteit  meer  over- 
maat van  list  en  van  stoutheid  ten  toon  gespreid.  De  intendant 
Robert  is  waarlijk  een  toonbeeld,  en  Luxembourg  kan  hem  niet 
genoeg  bewonderen:  > Robert,"  schrijft  hij,  •  is  rusteloos  bezig 
Xfnit  Ie  diahle  d>  quatre);  bij  zijn  verbeurdverklaringen  verkoopt 
hij  voor  groote  sommen  slechte  meubelen,  waarvoor  ik  geen 
stuiver  zou  willen  geven ;  ik  geloof  zelfs  dat  hij  van  de  Staten 
geld  zal  weten  te  halen,  wat  mij  even  rooeielijk  voorkomt  als 
olie  te  slaan  uit  een  muur."  —  Er  bestaan  eenige  staaltjes  van 
die  verwonderlijke  bekwaamheid.  Ontleenen  wij  die  aan  de  Hol- 
landsche  schotschriften?  —  in  geenen  deele;  wij  ontleenen  die 
aan  de  briefwisseling  van  Robert  zelf;  en  wij  geven  de  verzeke- 
ring, dat  dezelfde  feiten  zich  nog  minder  hatelijk  en  stuitend 
voordoen  in  het  hartstochtelijke  verhaal  van  het  verontwaardigde 
schotschrift  dan  in  het  eenvoudig  verslag  van  hem  die  ze  pleegt." 

Daarop  laat  Rousset  eene  uitvoerige  opgave  volgen  van  bijzon- 
derheden over  die  geldafpersingen  van  Robert,  en  voegt  daarbij 
(blz.  411): 

>Hoe  is, het  mogelijk  dat  Louvois  niet  eenig  mededoogen  ge- 
voelde voor  dat  ongelukkige  Holland,  waar  zulk  een  massa 
menschen  was  gestorven  en  waar  millioenen  stuks  vee  door  het 
water  werden  aangespoeld."  —  Het  is  Luxembourg  die  zóó  den 
toestand  afschildert;  —  maar  Luxembourg  vindt  daarin  alleen 
aanleiding  tot  spotternij...  en  Louvois  antwoordde  hem  op  ge- 
lijken toon...  Louvois,  Luxembourg  en  Robert  waren  voor 
elkander  geschapen"  (blz.  442). 

Fransche  officieren  —  onder  anderen  Stouppa  —  zijn  veront- 
waardigd over  wat  in  Holland  gebeurt;  zij  brengen  daarover 
klachten  in  tot  aan  het  hof  van  Lodewijk  XIV,  tot  in  Parijs. 
Potsierlijk  is  Luxembourg's  verontwaardiging  daarover  (Rousset 
i«  deel,  blz.  443—444): 

»Er  zijn  groote  canailles  in  ons  midden,"  riep  Luxembourg. 
Vergis  u  niet:  Luxembourg  doelde  hiermede  niet  op  de  schurken, 
maar  op  hen  die  de  schurken  bestreden  en  die  zijne  eigene  hande- 
lingen veroordeelden.  Die  canailles  had  men  zelfs  aan  het  hof,  zelfs 
in  de  anti-chambre  van  Louvois,  zelfs  in  de  vertrekken  van  Lode- 
wijk XIV;  de  bisschop  van  Utrecht  had  ze  daar  gezien,  bij  een 


Digitized  by 


Google 


KRUGSTOERUSTINGCN.  237 

reis  die  hij  dien  winter  deed  naar  Saint-Germain.  Eenige  edellieden 
hadden  hem  een  bezoek  gebracht  in  zijn  herberg  y^d  rimage  de 
notre  Damé'\  en  hadden  toen  den  jammerlijken  toestand  van  zijne 
provincie  beklaagd,  en  met  verfoeiing  gesproken  van  het  geweld 
waaraan  zij  ter  prooi  was;  een  hunner  was  zelfs  zóó  ver  gegaan 
in  zijne  veroordeeling  van  de  handelingen  der  Franschen,  dai  de 
eenvoudige  bisschop,  toen  hij  te  Utrecht  terug  was,  op  naïeve  wijze 
aan  Luxembourg  zeide:  »in  Frankrijk  spreekt  men  vrijuit,  en 
iedereen  zegt  daar  zijne  meening."  Louvois  had  gaarne  die  men- 
schen  willen  kennen:  Luxembourg  ook:  iwat  mij  betreft,"  zeide 
hij,  tik  weet  niet,  waartoe  ik  niet  in  ^taat  zou  zijn,  tegen  zulk 
canaille."  Maar  de  Bisschop  kon  of  wilde  geen  namen  noemen; 
hetzij  uit  voorzichtigheid,  hetzij  omdat  hij  werkelijk  niet  wist, 
wie  die  onbekende  vrienden  van  Holland  waren.  Maar  voor  ons 
is  het  belangrijk  om  te  weten  en  in  het  licht  te  stellen,  dat  er, 
zelfs  toen  Lodewijk*s  regeering  ten  toppunt  van  luister  was,  aan 
het  hof  een  soort  van  oppositie  bestond  en  zekere  vrijheid  van 
spreken." 

Luxembourg  verlaat  Holland  in  het  voorjaar  van  1673;  en  de 
Fransche  Alva  wordt  daar  in  het  opperbevel  vervangen  door 
den  Prins  van  Condé.  Hebben  wij  daar  veel  bij  gewonnen?  Het 
was  zeer  tegen  zijn  zin,  dat  Condé  opperbevelhebber  werd  in 
Holland;  daar  waren  geen  groote  veldslagen  te  leveren;  en 
bovendien,  wat  hij  in  Holland  zag,  bedroefde  hem,  —  zooals 
men  bij  Rousset  leest  (i*  deel,  blz.  448): 

»Maar  wat  hem  vooral  bedroefde,  dat  was  de  jammerlijke  toe- 
stand des  lands.  Condé,  die  ongetwijfeld  te  midden  van  een 
veldslag,  in  zijn  vuur  en  drift,  een  menschenleven  niet  hoog 
schatte,  was,  buiten  den  strijd,  zeer  menschelijk  gezind.  Hij 
voerde  een  geheel  andere  taal  tegen  Louvois,  dan  die  van 
den  intendant  Robert  of  van  den  hertog  De  Luxembourg.  »Ik 
kan  niet  nalaten  u  te  melden,"  —  zoo  schreef  hij  hem  —  dat  ik 
hier  de  gezindheid  van  het  volk  geheel  anders  heb  gevonden 
dan  ten  vorigen  jare;  het  is  tot  wanhoop  gebracht  door  de 
ondragelijke  lasten  die  men  het  dagelijks  oplegt.  Het  komt  mij 
voor  dat  het  voordeel  dat  dit  geeft  boven  hetgene  men  door  zacht- 
heid zou  verkregen  hebben,  zeer  luttel  is,  volstrekt  niet  waard 
de  woedende  haat  die  men  daardoor  opwekt.  Ik  weet  niet  of 
het  wel  in  's  Konings  belang  is,  op  dien  voet  voort  te  gaan." 

Maar  Louvois  gelast  hem  op  dien  voet  voort  te  gaan: 

(Blz.  449).  iDe  Koning" -^  antwoordde  hij  —  >  weet  zeer  goed, 
dat  toen  hij,  door  herhaalde  bevelen,  den  heer  Robert  aanschreef 
om  de  Hollanders  belastingen  op  te  leggen,  zij  daardoor  niet 
vroolijk  zouden  worden  gestemd  of  dat  dit  bij  hen  den  wensch 
zou  doen  oprijzen,  om  onder  's  Konings  heerschappij  te  blijven ; 


Digitized  by 


Google 


238  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

maar  Zijne  Majesteit  oordeelt^  dat  het  geld  meer  waarde  heeft 
dan  hunne  goedgezindheid,  en  dat  het  bovendien  zeer  nuttig  is<, 
om  in  Holland  het  misnoegen  op  te  wekken  van  al  die  men- 
schen  die  hunne  bezittingen  kwijt  raken.  Daarom  verlangt  Zijne 
Majesteit,  dat  er  op  dezelfde  wijze  voortgegaan  worde  als  men 
tot  nu  toe  heeft  gedaan;  en  zij  verzoekt  Uwe  Hoogheid,  om 
tegen  hen,  die  vertoogen  dienaangaande  bij  u  komen  inbrengen, 
even  ruw  en  onverbiddelijk  te  zijn,  als  gij  dit  weinig  zoudt 
wezen,  volgdet  gij  maar  uw  aangeboren  aard.  Zijne  Majesteit 
acht  het  dienstig,  dat  gij  voortgaat  met  te  doen  afbranden,  zoo- 
veel gij  maar  kunt;  opdat  de  Hollanders  geen  verzachting  hoe- 
genaamd ondervinden.  Al  deed  Uwe  Hoogheid  in  dezen  veldtocht 
niets  anders  dan  de  Hollanders  te  noodzaken  om  hunne  dijken 
doorgestoken  te  houden  en  het  zeewater  over  hun  land  te  laten 
loopen,  dan  zou  dit  reeds  een  groot  voordeel  zijn,  daar  het  dan 
geen  twee  maanden  zal  duren  of  zij  zullen  onfeilbaar  gedwongen 
zijn  vrede  te  sluiten,  op  de  voorwaarden  die  wij  zullen  willen." 

Cynieker  taal  is  wel  moeielijk  te  bedenken;  maar  Condé  onder- 
werpt zich  daaraan. 

Na  zulke  stellige  en  wreede  bevelen  te  hebben  ontvangen,  ging 
Condé,  om  zijn  geweten  gerust  te  stellen,  nog  over  tot  een  laatst 
protest;  maar  voegde  er  dan  op  droeven  toon  bij:  » omdat  gij 
het  zoo  wilt,  zal  ik  dan  toch  maar  een  stalen  voorhoofd  toonen, 
en  zoo  onmeêdoogend  zijn  als  het  maar  kan.*'  (Brieven  van  den 
5en    en  van  den  8sten  Mei  1673). 

Overgaande  tot  de  vermelding  van  de  strijdkrachten  der  andere 
partij,  zal  hier  in  hoofdzaak  alleen  gewaagd  worden  van  wat  be- 
trekking heeft  op  onze  verdedigingsmiddelen  te  lande;  voor  de 
sterkte  en  samenstelling  der  vloot  kan  verwezen  worden  naar 
Brandt's:  Leven  van  De  Ruyter.  Van  de  legers  onzer  bond- 
genooten  behoeft  alleen  te  worden  gezegd :  dat  Spanje  de  steden 
en  vestingen  der  Zuidelijke  Nederlanden  bezet  hield,  en  som- 
wijlen eene  legerafdeeling  van  een  15000  man,  of  daaromstreeks, 
daaruit  nam  en  deed  aansluiten  bij  de  Hollandsche  krijgsmacht; 
en  dat  het  Keizerlijke  leger,  dat  in  Duitschland  tegenover  Turenne 
stond,  eene  afwisselende  sterkte  had,  die  25000  tot  35000  man 
bedroeg. 

Gedurende  den  winter  waren  bij  de  Republiek  de  wervingen 
voor  het  leger  onafgebroken  voortgezet,  voornamelijk  in  Duitsch- 
land. Men  had  het  besluit  genomen  om,  buitenslands,  6  nieuwe 
regimenten  infanterie  aan  te  werven,  ieder  van  12  of,  volgens 
andere  opgaven,  van  14  compagnieën,  elke  compagnie  van  89 
man.  Die  nieuwe  korpsen  moesten  vóór  half  April  in  Holland 
zijn.  Bovendien  werden  er  nog  4  andere  regimenten  binnenslands 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSTOERUSTINGKN.  239 

opgericht  en  de  reeds  bestaande  zooveel  mogelijk  voltallig  ge- 
maakt; —  in  Juni  1673  werd  een  nieuw  regiment  opgericht  van 
de  overgeloopen  Fransche  soldaten.  Wanneer  alles  voltallig  was 
en  alle  nieuwe  regimenten  waren  aangekomen,  dan  zou  —  vol- 
gens Valckenier  — ,  de  landmacht  van  de  Republiek  sterk  zijn: 
76000  man  infanterie,  13942  ruiters  en  2000  dragonders. 

Dat  die  landmacht  in  1673  ^^^^  ^^  sterkte  heeft  bereikt,  is 
echter  zeer  onwaarschijnlijk,  daar  uit  alles  blijkt,  dat  de  wer- 
vingen niet  die  uitbreiding  verkregen  hebben,  welke  men  daaraan 
wilde  geven.  De  monsteringen,  die  van  tijd  tot  tijd  plaats  had- 
den, leverden  telkens  de  bewijzen  op  van  bedrog  en  misleiding 
ten  opzichte  der  ware  sterkte  der  regimenten,  van  eene  oneer- 
lijkheid die  wij  heden  ten  dage  moeielijk  kunnen  begrijpen 
en  die  ons  een  ongunstig  denkbeeld  geeft  van  de  toenmalige 
officieren.  Het  schandelijke  misbruik,  van  meer  soldaten  op  te 
geven  dan  er  werkelijk  aanwezig  zijn  en  de  daarvoor  door  de 
regeering  betaalde  gelden  zichzelf  toe  te  eigenen,  schijnt  toen 
zóó  algemeen  en  zóó  diep  ingeworteld  te  zijn  geweest,  dat  men 
het  ieder  oogenblik  noodig  achtte,  bepalingen  daartegen  te 
maken;  dat  men  zelfs  soms  met  het  kwaad  in  onderhandeling 
trad:  onder  andere  werd  bij  plakkaat  van  den  2 7 sten  Augustus 
1673  vastgesteld,  dat  elke  compagnie  infanterie,  die  voor  89  man 
werd  goedgedaan,  70  man  moest  sterk  zijn,  en  elke  compagnie 
ruiterij,  die  voor  80  paarden  werd  goedgedaan,  er  57  moest 
hebben.  Gedurig  vindt  men  bij  onze  schrijvers  van  dien  tijd 
bijzonderheden  over  die  zoogenaamde  mortepaaien  of  passevolan- 
ten:  menschen  die  men,  voor  eenig  geld,  bij  eene  monstering  als 
soldaten  deed  optreden,  om  het  ontbrekende  getal  aan  te  vullen. 
De  ontdekking  van  zulk  een  bedrog  had  wel  is  waar  zware 
straffen  ten  gevolge;  maar  juist  dat  het  zoo  dikwijls  ontdekt 
werd,  bewijst  dat  het  zeer  algemeen  werd  gepleegd.  Zij,  die  zich 
bij  eene  monstering  valschelijk  als  soldaten  voordeden,  werden, 
was  dit  bedrog  ontdekt,  tot  straf  gedurende  eenige  jaren  tot  den 
krijgsdienst  gedwongen;  soms  werden  geheele  regimenten  weer 
ontbonden,  omdat  men  ontdekte  dat  de  wezenlijke  sterkte  verre 
beneden  de  voorgeschrevene  was  gebleven;  officieren,  bevelheb- 
bers van  compagnieën,  kolonels  van  regimenten  werden  om 
zulk  een  ontrouw  gestraft  met  cassatie,  met  gevangenis,  geld- 
boete, soms  met  den  dood  door  beulshanden;  zoo  werd,  onder 
andere  in  1673  een  kolonel,  een  Brabandsch  edelman,  wegens 
veelvuldige  ontrouw  in  de  administratie  met  het  zwaard  gestraft. 

Om  die  redenen  kan  men  dus  als  waarschijnlijk  aannemen, 
dat  het  Hollandsche  leger  in  1673  op  lange  na  niet  die  sterkte 
heeft  verkregen,  die  het  volgens  Valckenier  moest  verkrijgen. 
Maar   men   moet  daarbij   in  aanmerking  nemen,  dat,  buiten  dit 


Digitized  by 


Google 


240  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

leger,  ook  nog  de  schutterijen  en  de  geheele  weerbare  bevol- 
king konden  worden  aangewend  tot  verdediging  des  lands.  De 
schutterijen  van  de  meest  bedreigde  steden  bleven  daar;  die 
der  overige  plaatsen  begaven  zich  naar  de  uiterste  liniën.  Zoo 
leest  raen  dat  in  Februari  1673  uit  Den  Haag  3  compagnieën 
burgers,  ieder  van  150  man,  uit  Delft  4  compagnieën,  ieder  van 
120  man,  evenzoo  schutterijen  uit  Rotterdam,  Dordt,  Leiden^ 
Haarlem  en  andere  plaatsen  naar  de  HoUandsche  waterlinie  trok- 
ken; dat  de  schutterijen  uit  Noord-Holland  in  bezetting  kwamen 
te  Amsterdam,  en  schutterij  uit  laatstgenoemde  stad  zich  te  Mui- 
den en  te  Weesp  plaatste.  Evenzoo  vmdt  men  vermeld,  dat  toen 
Holland  gedurende  den  winter  van  1672 — 1673  met  een  inval 
van  Luxembourg  werd  bedreigd,  overal  de  vierde  man  onder 
de  wapens  was  geroepen ;  zulk  een  algemeene  volkswapening  vindt 
men  ook  aangewend  door  Rabenhaupt  in  Groningen;  die  volks- 
wapening, die  in  Groningen  de  tiende  man  was,  diende  dan 
hoofdzakelijk  om  de  bezetting  der  versterkte  punten  te  vermeer- 
deren; en  ieder  man  ontving  daarvoor  tdes  weeks  drie  Hol- 
landsche  guldens." 

Gelijktijdig  met  de  uitbreiding  van  het  leger,  had  raen  er  ook 
voor  gezorgd,  verbetering  en  uitbreiding  te  geven  aan  de  ver- 
sterkingen en  verdedigingslijnen,  waardoor  men  kon  hopen  het 
verder  doordringen  van  den  vijand  te  beletten. 

Naar  Friesland  en  Groningen  werd,  op  het  einde  van  April 
1673,  als  opperbevelhebber  gezonden  graaf  Maurits  van  Nassau; 
om  daardoor  meer  eenheid  te  brengen  in  de  krijgsverrichtingen, 
daar  tusschen  Aylva  en  Rabenhaupt  —  de  beide  bevelhebbers 
in  Friesland  en  Groningen  —  niet  de  beste  overeenstemming 
schijnt  te  hebben  bestaan.  De  nieuwe  opperbevelhebber  nam 
dadelijk  de  geschiktste  maatregelen,  om  een  inval  te  wederstaan 
van  de  Munsterschen,  die  naar  men  vreesde  weldra  versterkt  zou- 
den  worden  door  Turenne's  leger.  Het  pas  vermeesterde  Coevorden 
was  door  Rabenhaupt  reeds  voorzien  van  de  noodige  bezetting^ 
en  van  eenige  maanden  leeftocht ;  het  had  dus  weinig  te  duchten 
van  eene  insluiting  door  den  vijand.  Evenzoo  werd  de  Bourtange 
verzekerd,  het  hooge  land  bij  Helpen  afgegraven  om  de  verde- 
diging van  Groningen  niet  hinderlijk  te  zijn,  en  het  geheele  ge- 
west van  dien  naam,  door  het  stellen  van  de  onderwaterzettingen^ 
gewaarborgd  tegen  eiken  vijandelijken  inval. 

De  krijgsmacht  in  Friesland  werd  versterkt  door  de  komst  van 
het  regiment  van  Bamphield  en  van  een  aantal  compagnieën 
ruiterij.  Te  Heerenveen  werd  een  groote  schans  opgeworpen  en 
de  verschillende  toegangen  tot  Friesland  zooveel  mogelijk  door 
versterkingen  afgesloten.  Die  verschanste  linie  begon  aan  de  Zui- 
derzee, aan  de  Kuinder;  hier  had  men,  door  het  afdammen  van 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSTOERUSTINGEN.  24 1 

het  riviertje  de  Linde,  een  onderwaterzetting  gemaakt.  De  linie 
liep  van  de  Kuinder  over  Slijkenburg,  het  Oude  Veer  en  het 
Oude  Verlaat  naar  de  Blesbrug,  altijd  de  Linde  volgende.  Van 
de  Blesbrug  ging  zij  in  noordelijke  richting  naar  het  riviertje  de 
Kuinder,  naar  de  verschanste  Schooterbrug ;  de  ruimte  tusschen 
de  Linde  en  de  Kuinder  werd  nog  afgesloten  door  eene  schans 
te  Borkaf  of  Beekhof.  Van  de  Schooterbrug  liep  de  linie,  over 
de  Bunsterschans,  op  Gorredijk,  en  van  daar  verder  over  de 
schansen  bij  Breeberg  en  den  Zwartendijk,  waar  zij  tegen  de 
Groningsche  linie  aansloot. 

Dus  was,  zooals  dit  bij  ónze  schrijvers  voorkomt,  de  richting 
van  de  versterkte  linie,  die  in  1673  Friesland  dekte;  volgens  de 
opgaven  van  die  schrijvers  waren  de  hier  opgenoemde  punten 
van  die  linie  alle  behoorlijk  voorzien  en  volkomen  versterkt. 
Maar,  in  hoever  die  verschillende  punten  onderling  goed  waren 
verbonden;  in  hoever  zij,  door  onderwaterzetiingen,  tegen  om- 
trekkingen waren  beveiligd ;  in  hoever,  onder  anderen,  het  hooge 
terrein  aan  weerszijden  van  de  schans  bij  Breeberg  goed  voor 
verdediging  vatbaar  was;  dit  wordt  niet  gezegd,  daaromtrent 
laten  die  schrijvers  ons  onkundig.  Het  is  dus  moeielijk  om  met 
juistheid  te  oordeelen  over  de  meerdere  of  mindere  sterkte  van 
die  Friesche  linie. 

Evenals  bij  de  noordoostelijke  gewesten,  werd  ook  onvermoeid 
gearbeid  aan  het  versterken  van  de  Hollandsche  grenzen.  Niet 
alleen  de  verschillende  plaatsen  aan  die  grenzen  gelegen,  maar 
zelfs  de  binnensteden  werden  zooveel  mogelijk  in  staat  van  ver- 
dediging gebracht;  zoo  leest  men  onder  andere  dat  's  Graven- 
hage  gedurende  dezen  winter  met  eene  palissadeering  werd  om- 
geven, waartoe  men  de  boomen  van  de  Koekamp  gebruikte; 
soortgelijke  voorzorgen  nam  men  ook  bij  andere  binnensteden. 
De  Hollandsche  waterlinie  verkreeg  dag  aan  dag  grooter  sterkte; 
Muiden  en  Weesp  werden  tot  sterke  vestingen  gemaakt,  de 
posten  langs  de  Vecht  gedurig  meer  bevestigd,  te  Nieuwersluis 
in  Mei  1673  ^^^  schans  opgeworpen,  de  forten  bij  de  Nieuwerbrug 
hersteld,  en  door  het  bevestigen  van  Alphen  en  van  den  post  aan 
de  Goudsche  Sluis,  dit  gedeelte  der  linie  zóó  sterk  gemaakt,  dat 
men  daar  —  volgens  de  uitdrukking  van  een  onzer  schrijvers  — 
>met  een  paar  duizend  man  een  leger  van  honderd  duizend  zou 
kunnen  afwijzen."  Gorkum,  Schoonhoven,  Gouda  en  Oudewater, 
werden  evenzoo  van  nieuwe  verdedigingsmiddelen  voorzien.  In 
de  maand  April  deed  de  veldmaarschalk  Wirtz  een  inspectie- 
reis langs  de  geheele  Hollandsche  linie  en  vond  haar  toen  in 
den  besten  en  geduchtsten  toestand. 

Toen  de  volgende  maand  ook  Nieuwersluis  bezet  en  ver- 
schanst   werd,  bestond  de  waterlinie   uit  de  volgende    punten: 

WILLEM  III.  —  I.  16 

Digitized  by  VjOOQIC 


242  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Muiden,  Weesp,  de  Uitermeersche  Sluis,  de  Hinderdam,  Kronen- 
burg, Nieuwersluis ;  hier  verliet  de  linie  den  Vechtstroom  en 
wendde  zich  over  Wilnis,  den  Uithoorn  en  het  Woerdensche  Ver- 
laat naar  den  Rijn,  naar  de  Nieuwerbrug;  de  andere  posten 
waren ;  Oudewater,  Gouda,  Schoonhoven,  Nieuwpoort  en  Gorkum ; 
door  Loevestein  had  men  een  vast  punt  in  de  Bommelerwaard; 
door  Woudrichem  was  men  in  verband  met  Noord- Braband.  — 
De  Hollandsche  linie  kon,  zoodra  de  winter  had  opgehouden, 
beschouwd  worden  als  onaanvalbaar. 

De  zeeplaatsen  waren  evenzoo  met  den  meesten  ijver  in  staat 
van  verdediging  gebracht,  om  eene  mogelijke  landing  van  den 
vijand  te  kunnen  weerstaan;  vooral  had  men  die  voorzorgen  ge- 
nomen voor  de  provincie  Zeeland,  waarvan  het  zuidelijk  gedeelte 
—  Staats-Vlaanderen  —  ook  blootstond  aan  de  invallen  van 
de  Fransche  legermacht.  De  verschillende  versterkte  punten,  die 
zich  toen  in  zoo  grooten  getale  bevonden  op  die  smalle  strook 
gronds  ten  zuiden  van  de  Wester-Schelde,  waren  genoegzaam 
bezet,  voorzien  van  krijgsvoorraad  en  levensmiddelen  en  daar- 
door moeielijk  aan  te  vallen.  In  April  1673,  toen  het  gevaar 
van  eene  landing  van  het  Engelsche  leger  in  Zeeland  meer 
dreigend  werd,  zond  men  Wirtz  met  6  regimenten  infanterie  en 
kavalerie  daarheen;  die  bevelhebber  trok  later,  in  Staats-Vlaan- 
deren, eene  macht  bijeen  van  een  8000  man,  waarbij  zich  een 
duizend  man  Spaansche  troepen  aansloten. 

Van  Noord-Braband  was  het  grootste  gedeelte  in  het  bezit 
van  de  Republiek  gebleven;  eigenlijk  had  de  vijand  daar  geen 
andere  vesting  dan  het  sterke  Grave;  daar  —  zooals  vroeger  is 
gezegd  —  Ravestein,  Crèvecoeur  en  Engelen  wijselijk  door  de 
Franschen  werden  ontruimd.  De  verschillende  vestingen,  door  het 
Hollandsche  leger  bezet,  waren  niet  meer  in  den  verwaarloosden 
toestand,  waarin  zij  bij  het  uitbreken  van  den  oorlog  verkeerden ; 
integendeel,  zij  waren  nu  in  staat  om  langen  tijd  het  hoofd  te 
bieden  aan  sterke  vijandelijke  legers.  Er  wordt  gewaagd  van 
onderwaterzettingen  in  de  nabijheid  van  *s  Hertogenbosch ;  maar 
voor  het  overige  blijkt  niet,  dat  toen  die  inundatiën  werden 
aangewend,  die  in  latere  dagen  de  Noord-Brabandsche  water- 
linie zijn  genoemd.  Altijd  de  gemeenschap  open  houdende  met 
Holland  en  Zeeland,  was  het  gedeelte  van  Noord-Braband  dat 
de  Republiek  in  bezit  had,  van  zeer  hoog  belang,  omdat  het 
gemakkelijk  was  te  verdedigen  en  omdat  Willem  III  déër  het 
Hollandsche  leger  kon  bijeentrekken,  als  hij  aan  vallen  derwijze 
wilde  doordringen  in  de  Spaansche  Nederlanden.  —  Maastricht 
en  Venlo  waren  nog  altijd  in  het  bezit  van  de  Republiek  en 
genoegzaam  bezet  en  voorzien;  maar  door  den  toestand  van  de 


Digitized  by 


Google 


KRUGSVERRICHTINGEN   IN   DE  N.0.   PROVINCIËN.  243 

oorlogvoerende  partijen  zoo  goed  als  geheel  afgesneden  en  over- 
gelaten aan  eigen  krachten. 

Ziedaar  den  toestand,  waarin  zich  de  verdedigingsmiddelen  van 
Holland  bevonden  bij  den  aanvang  van  het  jaar  1673;  die  toe- 
stand was  van  dien  aard,  dat  men  met  grond  kon  hopen,  een 
goede  verdediging  te  zullen  voeren.  Daartoe  wilde  Willem  III 
zich  dan  ook  bepalen,  —  ten  minste  in  de  eerste  maanden  van 
het  jaar;  hij  wilde  eerst  afwachten  wat  de  vijand  zou  onder- 
nemen, waarheen  die  legermacht  zou  trekken  die  Lodewijk  XIV 
aan  de  noordelijke  grenzen  van  Frankrijk  verzamelde,  wat  er 
zou  worden  van  de  door  den  vijand  beoogde  landing  in  Hol- 
land of  Zeeland.  Eerst  wanneer  het  gevaar  van  die  landing  was 
afgewend,  eerst  wanneer  men  bekend  was  met  hetgeen  het  leger 
van  den  Franschen  Koning  wilde  ondernemen,  eerst  ddn  wilde 
de  Stadhouder  tot  den  aanval  overgaan;  —  tot  op  dien  tijd  zou 
hij  den  oorlog  verdedigend  blijven  voeren. 


Het  Fransche  leger  in  Holland  had  den  Munsterschen  bisschop 
als  hulp  bij  zijne  operatiën;  maar  de  tegenspoeden,  door  dien 
vorst  het  vorige  jaar  ondervonden,  hadden  zijne  macht  zoozeer 
geknakt,  dat  Luxembourg  en  Condé  geen  krachtdadigen  steun 
van  zijne  zijde  ondervonden.  De  krijgsverrichtingen  in  de  noord- 
oostelijke gewesten  van  ons  land  waren  dan  ook  niet  van  be- 
langrijken aard. 

Coevorden,  op  het  einde  van  1672  door  de  Hollanders  ver- 
oaeesterd,  was  dadelijk  van  eene  bezetting  voorzien,  sterk  ge- 
noeg om  elke  poging  te  verijdelen,  die  de  Munsterschen  waar- 
schijnlijk zouden  beproeven  om  de  verlorene  vesting  te  her- 
nemen. Er  hadden  verschillende  kleine  gevechten  plaats  in  de 
omstreken  van  Coevorden;  deels  ontstaande  door  de  aanslagen 
van  de  Munsterschen  op  de  daarheen  uit  Groningen  gezonden 
konvooien;  deels  door  de  wederzijdsche  strooperijen  en  aanvallen 
op  verschillende  kleine  versterkte  posten;  —  zoo  werd,  in  de 
maand  Mei,  het  huis  te  Gramsbergen,  tusschen  Coevorden  en 
Hardenberg,  door  de  Bisschoppelijke  troepen  vermeesterd.  De 
inneming  van  dien,  door  slechts  36  man  bezetten  post  was  op 
zich  zelve  een  gebeurtenis  zonder  eenig  belang;  maar  de  Mun- 
stersche  bisschop  trok  daarvan  partij,  om  de  herneming  van 
Coevorden  te  beproeven.  Die  vesting  te  belegeren  of  te  doen  uit- 
hongeren, meende  hij,  zou  moeielijk  gaan;  maar  hij  wilde  haar 
door  watersnood  tot  de  overgave  dwingen:  hij  wilde  de  Vecht 
afdammen  en  door  het  wassende  water  Coevorden  met  een  wis- 
sen ondergang  bedreigen,  wanneer  het  zich  niet  wilde  overgeven. 
Met    dat  inzicht  werd,  tusschen  Gramsbergen  en  het  dorp  Ane, 


Digitized  by 


Google 


244  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

een  dam  door  de  Vecht  aangelegd,  die  gedurig  verlengd,  ver- 
breed en  verhoogd,  eindelijk  eene  lengte  verkreeg  van  bij  de 
2  mijlen,   eene  breedte  van  15  ^   18  el  en  eene  hoogte  van  4  a 

5  el.  Die  dam  werd  door  een  aantal  schansen  verzekerd,  goed 
bezet  en  met  een  60  stukken  geschut  bewapend. 

Weldra  bracht  het  afgedamde  water,  vermeerderd  door  zware 
regens,  de  vesting  Coevorden  in  groote  ongelegenheid.  Het  water, 
steeds  hooger  wordende,  kwam  gedurende  den  zomer  tot  in  de 
straten  der  stad,  zoodat  men  den  in  de  magazijnen  aanwezigen 
voorraad  op  de  zolders  moest  bergen.  Eijbergen,  de  bevelhebber 
der  vesting,  dien  treurigen  toestand  van  zaken  aan  Rabenhaupt 
meldende,  verzocht  te  meer  om  hulp,  omdat  er  bericht  was 
ingekomen,  dat  de  Munstersche  bisschop  een  groot  aantal  schui- 
ten had  vereenigd,  —  400,  zegt  eene  der  opgavcfn;  maar  het 
getal  is  wat  te  groot  om  waarschijnlijk  te  zijn:  vierhonderd 
schuiten  in  Drente!  —  om  daarmede  een  aanval  op  Coevorden 
te  beproeven. 

Gedurende  dien  tijd  hadden  er,  aan  de  zijde  van  Friesland, 
onbeduidende  bewegingen  en  gevechten  plaats.  Hautain,  een  der 
onderbevelhebbers  van  den  Munsterschen  bisschop,  kwam  meer 
dan  éénmaal  de  posten  van  de  Friezen  —  vooral  naar  de  zijde 
van  de  Blesbrug  —  verontrusten;  wat  dan  aanleiding  gaf  tot 
schermutselingen.  Den  2en  Juli  bad  er,  nabij  Staphorst,  een  vrij 
ernstig  kavalerie-gevecht  plaats.  Graaf  Maurits,  al  de  ruiterij  van 
Friesland  vereenigd  hebbende,  —  hoeveel  dit  was,  wordt  niet 
gezegd  —  voegde   daarbij  8  compagnieën  ruiters  uit  Groningen, 

6  compagnieën  dragonders  van  den  overste  Brant,  400  muske- 
tiers en  4  veldstukken  van  12  %*  en  marcheerde  met  die  ver- 
eenigde  macht  —  de  musketiers  werden  op  wagens  vervoerd  — 
op  Staphorst;  hier  ontmoette  hij  den  Munsterschen  generaal  Post, 
aan  het  hoofd  van  3  regimenten  ruiterij  en  i  regiment  dragon- 
ders; de  Munsterschen  werden  geslagen  en  verloren  nagenoeg 
honderd  man,  terwijl  hun  aanvoerder,  zwaar  gewond,  in  handen 
van  de  overwinnaars  viel. 

Bij  dit  gevecht,  —  waaraan  behalve  graaf  Maurits  verschil- 
lende bevelhebbers,  Aylva,  Obdam,  Van  Haren,  Mompouillan, 
Brant  en  anderen,  persoonlijk  deelnamen  —  merkt  men  op,  dat 
de  ruiterij,  alvorens  tot  de  charge  over  te  gaan,  weer  eerst  ge- 
bruik maakte  van  hare  vuurwapens;  eene  handelwijze  die,  hoe 
strijdig  ook  met  den  geest  der  kavalerie-takliek,  toch  in  die 
dagen  algemeen  aangenomen  was  en  zelfs  bij  enkele  kavalerie- 
gevechten  van  ónze  eeuw  nog  is  voorgekomen;  —  infanterie  en 
artillerie  der  Hollanders  kwamen  niet  in  werking  en  schijnen  dus 
enkel  als  reserve  voor  de  ruiterij  te  hebben  moeten  dienen.  Voor 
het  overige  leverde   dit   gevecht  bij   Staphorst  geen  andere  uit- 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN   IN   DE   N.O.   PROVINCIËN.  245 

komsten   op^  dan   dat  daardoor   een   einde   werd  gemaakt  aan 
'svijands  kleine  aanvallen  op  de  posten  die  Friesland  dekten. 

Dit  voordeel  bij  Staphorst  werd,  kort  daarop,  door  een  grooter 
nadeel  opgewogen.  Den  2osteri  Juli  deed  graaf  Maurits  nogmaals 
een  poging  om  zich  meester  te  maken  van  Zwartsluis ;  maar  ook 
ditmaal  mislukte  de  aanslag,  doordien  Munstersche  en  Fransche 
troepen  spoedig,  van  de  zijde  van  Zwolle,  Hasselt  en  Steenwijk, 
de  bedreigde  stad  te  hulp  kwamen.  Het  schijnt  dat  het  voor- 
nemen tot  dien  aanslag  bekend  was  geworden  aan  den  vijand, 
deze  eene  sterke  macht  had  vereenigd  om  dien  te  verijdelen,  en 
de  Friezen  niet  genoegzaam  bekend  waren  met  de  verdedigings- 
middelen van  Zwartsluis,  die  veel  sterker  waren  dan  men  zich 
voorstelde.  Het  regiment  van  den  overste  Grim,  dat  den  Has- 
seltschen  dijk  had  bezet  en  verschanst,  bezweek  daar  voor  de 
woedende  en  herhaalde  aanvallen  der  vijandelijke  troepen,  waar- 
onder voornamelijk  Chamilly's  regiment  wordt  genoemd;  de 
dijk  verschansing,  niet  van  geschut  voorzien,  werd  eindelijk  door 
den  vijand  vermeesterd,  en  Grim  viel,  dapper  strijdende,  in  han- 
den der  overwinnaars;  deze  drongen  toen  door  tot  Zwartsluis  en 
dwongen  daardoor  graaf  Maurits  eene  onderneming  op  te  geven, 
die  hem,  naar  het  schijnt,  een  aanzienlijk  verlies  veroorzaakte. 

In  Groningen  was  Rabenhaupt,  in  de  maand  Juni,  overgegaan 
tot  de  belegering  van  de  Langakkerschans,  langen  tijd  alleen 
ingesloten;  den  loen  Juni  vereenigde  hij  voor  die  sterkte  de 
geheele  ruiterij  en  een  groot  gedeelte  der  infanterie  uit  Groningen, 
met  eenige  kanonnen  en  4  mortieren.  De  Boonerschans  werd 
het  eerst  door  hem  bemachtigd,  met  gering  verlies.  Herhaalde 
pogingen  van  den  vijand  om  de  Langakkerschans  te  hulp  te 
komen,  werden  door  Rabenhaupt  verijdeld;  zoo  werd  den  sQsten 
Juni  eene  afdeeling  van  3  a  4000  Munsterschen,  die,  onder  Nagel, 
tot  ontzet  oprukte,  door  den  HoUandschen  bevelhebber  terug- 
geslagen met  een  verlies  van  eenige  honderd  man.  Den  22stcn 
Juli  werd  eindelijk  de  schans  door  de  Groningers  bestormd  en 
genomen,  waarbij  een  groote  vierhonderd  man  der  bezetting 
krijgsgevangen  werden  gemaakt. 

De  benarde  toestand  waarin  Coevorden  was  gebracht,  maakte 
het  intusschen  dringend  noodzakelijk,  die  vesting  te  hulp  te 
komen ;  en  de  Stadhouder  schreef  uit  Holland  aan  zijne  onder- 
bevelhebbers in  Friesland  en  Groningen,  dat  men  daartoe  alle 
mogelijke  krachten  moest  inspannen.  In  het  hoofdkwartier  van 
graaf  Maurits,  te  Heerenveen,  werd  een  krijgsraad  belegd,  waar- 
aan, behalve  de  graaf,  deelnamen  Aylva,  Rabenhaupt,  de  kolonel 
Van    Haren   en   Scheltingu,  een   Friesch   afgevaardigde  van  den 


Digitized  by 


Google 


246  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Raad  van  State.  In  die  vergadering  werd  besloten,  dat  de  door 
de  Munsterschen  bezette  dam  in  de  Vecht  moest  worden  ver- 
meesterd  en  doorgestoken:  en  dat,  tot  dit  einde,  Rabenhaupt 
met  al  zijn  infanterie  en  kavalerie  en  met  20  stukken  geschut, 
over  Assen  naar  Dalem  zoude  marcheeren ;  en  graaf  Maurits,  ook 
met  al  zijne  beschikbare  macht,  gelijktijdig  over  de  Ommer- 
schans  in  dezelfde  richting  moest  trekken;  de  ruiterij  van  den 
graaf  zou  echter  achterblijven  bij  het  huis  te  Ruinen,  deels  om 
de  kolonne  in  den  rug  te  dekken  tegen  aanvallen  van  de  zijde 
der  vijandelijke  bezetting  van  Steenwijk,  deels  ook  omdat  de 
moerassige  weg  langs  de  Ommerschans  niet  te  gebruiken  was 
voor  ruiterij.  Tegelijkertijd  zou  Eijbergen  van  Coevorden  uit  met 
een  14  of  15  van  geschut  voorziene  vaartuigen  aanvallen  op  den 
dam  bij  Gramsbergen. 

Maar  die  poging  tot  ontzet  van  Coevorden  kwam  niet  tot  uit- 
voering, dewijl  zij  onnoodig  werd.  Een  sterke  oostenwind,  gerui- 
men  tijd  aanhoudende,  had  het  opgezette  water  tegen  den  dam 
aangedreven  en  dien  eindelijk,  den  isten  October,  op  drie 
plaatsen  doen  doorbreken.  Die  doorbreking  had  zoo  onverwachts 
plaats,  dat,  naar  men  beweert,  eenige  honderden  Munstersche 
soldaten  door  de  golven  werden  verzwolgen.  Ook  de  verschan- 
singen in  de  nabijheid  van  den  dam  werden  daardoor  gedeeltelijk 
vernield;  en  het  naar  de  beneden-Vecht  wegstroomende  water 
bevrijdde  Coevorden  nu  van  alle  gevaar.  Nog  eenige  dagen 
bleven  de  Munsterschen  daar  stand  houden,  den  schijn  aan- 
nemende alsof  zij  de  breuken  in  den  dam  weer  wilden  dichten 
en  de  verschansingen  herstellen ;  spoedig  echter  zag  men  in,  dat 
die  arbeid  te  zwaar  was  en  te  weinig  hoop  aanbood  op  goed 
gevolg.  De  onderneming  tegen  Coevorden  werd  toen  opgegeven; 
de  Republiek  bleef  in  het  bezit  van  die  vesting,  die  —  zooals 
reeds  meermalen  is  opgemerkt  —  toen  als  zeer  gewichtig  werd 
beschouwd:  >Coevorden*'  —  zoo  schrijft  Valckenier  in  zijn  ge- 
tabberden  stijl  —  >is  een  poort  van  het  landschap  Drenthe;  een 
sleutel  van  Groningen  en  deszelfs  Ommelanden;  eene  deur  van 
geheel  Vriesland,  en  eenigermate  een  pas  naar  Overijssel."  —  Het 
ontbrak  den  schrijver  zeker  aan  middelen  om  die  beeldspraak 
voort  te  zetten,  anders  zou  hij  denkelijk  ook  wel  gezegd  heb- 
ben wat  Coevorden  was  voor  de  andere  gewesten  der  Republiek. 

Na  dat  ontzet  van  Coevorden  poogde  de  Munstersche  bisschop, 
op  het  einde  van  October,  nog  een  inval  in  Friesland  te  doen; 
dit  mislukte  echter.  Hiermede  eindigen  de  krijgsverrichtingen  in 
de  noordoostelijke  gewesten  van  ons  land;  om  den  draad  van 
het  verhaal  niet  af  te  breken  zijn  die  krijgsverrichtingen  hier 
doorloopend  vermeld,  voor  het  geheele  jaar  1673;  thans  volgt  een 
korte  opgave  van  wat  er,  in  de  eerste  helft  van  dat  jaar,  bij  het 
eigenlijke  Holland  bijzonders  is  voorgevallen. 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN   IN   HOLLAND.  247 

Het  is  onnoodig  hier  te  vermelden,  al  die  kleine  krijgsver- 
richtingen  over  dit  tijdvak,  waarmee  de  werken  van  onze  oudere 
schrijvers  zijn  opgevuld;  en  waarbij  zij,  —  denkelijk  wel  met 
overdrijving  —  de  voordeelen  vermelden,  door  de  Hollandsche 
troepen  op  hunne  vijanden  behaald.  Opmerking  verdient,  dat 
die  partijgangers-oorlog  gedurende  den  winter  van  1672 — 1673 
soms  op  schaatsen  werd  gevoerd,  zoodat  de  oefening  in  het 
schaatsenrijden  wel  degelijk  van  nut  kan  zijn  voor  den  Holland- 
schen  soldaat.  De  lang  aanhoudende  vorst  bracht  Willem  III 
op  het  denkbeeld,  op  zijn  beurt  daarvan  partij  te  trekken  en 
over  de  vastgevrorene  inundatiën  den  .vijand  te  Utrecht  op  te 
zoeken  en  aan  te  vallen;  in  Februari  werden  met  dat  doel  te 
Alphen  18  regimenten  infanterie,  nagenoeg  een  12000  man,  be- 
nevens ruiterij  en  geschut,  vereenigd;  de  invallende  dooi  maakte 
echter  dat  deze  onderneming  niet  tot  uilvoering  kwam. 

Het  oprukken  van  nieuwe  Fransche  troepen  naar  Holland ;  de 
komst  van  Condé,  die  den  istep  Mei  Utfecht  bereikte,  en  daar 
van  Luxembourg  het  opperbevel  overnam ;  de  zekere  tijding  dat 
Lodewijk  XIV  zijn  hof  te  Saint-Germain  had  verlaten,  om  zich 
aan  het  hoofd  te  stellen  van  het  sterke  leger,  dat  aan  Frankrijk's 
noordelijke  grenzen  bijeentrok;  —  dit  alles  bedreigde  Holland 
met  een  nieuwen  en  geduchten  aanval  des  vijands,  en  maakte 
het  daarom  tot  plicht,  zich  vooreerst  uitsluitend  tot  de  ver- 
dediging te  bepalen.  Vooral  was  dit  ook  daarom  zaak,  omdat 
de  groote  toerustingen  ter  zee  van  Frankrijk  en  Engeland  ons 
met  een  landing  bedreigden,  die,  zooals  de  stand  van  zaken  toen 
was,  de  gevaarlijkste  gevolgen  kon  hebben  voor  de  Republiek. 

Veel,  zoo  niet  alles,  hing  dus  in  dezen  tijd  af  van  De  Ruy- 
ter's  vloot;  en,  om  Neerland's  vlotelingen  tot  buitengewone  dap- 
perheid aan  te  sporen,  sprak  de  Stadhouder  hen  aan,  op  een 
wijze  die  zoozeer  zijn  heldenziel  kenmerkt,  dat  het  goed  is 
die  aanspraak  hier  op  te  nemen ;  zij  is  vervat  in  een  brief  aan 
den  admiraal  De  Ruyter.  Ziehier  dien  brief,  in  zijn  geheel,  met 
al  die  dwaze  basterdwoorden  die  toen  onze  taal  ontsierden;  in 
weerwil  daarvan,  moet  men  de  krachtige  welsprekendheid  be- 
wonderen, die  in  dien  brief  doorstraalt;  er  zijn  uitdrukkingen  in, 
die  Napoleon,  die  Nelson  niet  beter  zouden  hebben  gekozen; 
woorden,  die  niemand  koel  laten: 

•  Edele,  Gestrenge,  Vrome,  Lieve,  Bijzondere! 
Wij  hadden  gewenscht  dat  de  zaken  van  het  Land  ons  hadden 
gelaten  de  faculteit,  om  ons  naar  's  Lands  vloot  te  vervoegen,  en 
het  vergenoegen  te  hebben,  daar  bij  een  te  zien  zoo  veel  eerlijke 
Patriotten,  die  cordatelijk  de  hand  aan  het  werk  slaan,  om  het 
Vaderland  tegen  vijandelijk  geweld  te  helpen  dekken.  De  aan- 
zienlijke zeemagt,  welke  ten  dien  einde  bij  een  werd  gebragt,  is 


Digitized  by 


Google 


248  KRIJGS-   EN  OeSCHlEOKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

een  van  de  noodige  en  considerabele  middelen,  die  tot  behou- 
denis van  den  Staat  aangewend  werden,  en  is  diensvolgens  te 
hopen,  dat  die  aanmerking  nieuwe  vigueur  zal  geven  aan  de 
courage  van  diegenen,  die  de  eer  hebben  van  dat  ze  aan  haar 
werd  toevertrouwd.  De  oogen  en  de  harten  van  alle  ingezetenen 
van  het  Land,  ja  van  de  gansche  Christenwereld,  zijn  daar  heen 
.gewend,  en  observeren  met  groote  reflexie,  hetgeen  met  dezelve, 
voorzigtelijk  en  kloekmoediglijk,  of  anders,  zal  worden  onder- 
nomen en  uitgevoerd.  En  ware  het  over  zulks  van  de  uiterste 
infamie,  dat  iemand  aan  zijnen  pligt  zou  ontbreken,  op  zoo  door- 
luchtig een  tooneel;  wij  verwachten  zulks  niet,  maar  integendeel, 
dat  door  het  vooriigtig  en  kloek  beleid  van  UE.  en  van  die- 
genen die  bij  hem  zijn,  in  deze  gevaarlijke  conjuncture,  een 
nieuwen  luister  aan  de  eer,  bij  onze  natie  ter  zee  bevothten, 
onder  Gods  zegen,  zal  worden  toegebragt,  en  dat  zij  oorzaak 
zullen  hebben  om  haar  te  verblijden,  en  wij  mét  haar  van  ge- 
zegende instrumenten  te  zijn  geweest  tot  het  bewerken  van  een 
goede  uitkomst  in  onze  goede  zaak. 

Wij  zullen  betrachten  dat  diegene  die  haar  loffelijk  zullen 
hebben  gekweten  dankelijk  zullen  beloond  en  gevorderd  worden, 
en  dat  geene  extraordinaire  goede  actiën  blijven  zonder  extraordi- 
naire vergelding.  UE.  gelieve  alle  die  onder  de  vlagge  zijn,  van  de 
meeste  tot  de  minste,  des  te  verzekeren,  en  te  gelijk  een  ieder 
in  te  scherpen,  dat  geen  hoop  van  ongestraft heid  overig  zal  zijn 
aan  diegene  die  buiten  verwachting  haar  aan  eenige  wande- 
voiren  zouden  mogen  schuldig  maken;  wezende  de  serieuse  in- 
tentie van  de  Heeren  Staten,  en  de  mijne,  dat  tegen  de  zoo- 
danigen  de  verdiende  straffe,  volgens  de  rigueur  van  den 
Artikelbrief,  en  andere  orders  van  het  Land,  zonder  eenige  de 
minste  conniventie,  exactelijk  en  promptelijk  zal  worden  geëxe- 
cuteerd. Zoo  dat  aan  diegene  die  zich  lafhartig,  en  anders  als 
een  braaf  soldaat  en  zeeman,  voor  den  vijand  zal  dragen,  niets 
zoo  gevaarlijk  zal  zijn  als  de  havenen  van  den  Staat,  daar  hij 
niet  zal  kunnen  ontgaan,  noch  de  straffe  hand  van  de  Justitie, 
noch  de  vloek  en  de  haat  van  zijn  medeburgers,  die  op  hem  zal 
vallen  en  blijven.  Wij  belooven  ons  dat  niemand  en  zal  willen 
vallen  in  zoodanig  een  verderf,  maar  dat  een  ieder  met  loffelijken 
ijver  en  gemoed  in  deze  importante  tijden  zich  extraordinaris 
zal  evertuëren,  en  dat  God  uit  den  Hemel  hetzelve  zal  zegenen, 
ten  beste  van  het  Vaderland,  en  tot  onsterfelijke  eere  aan  die- 
genen die  hetzelve  trouwhartiglijk  gediend  zullen  hebben.  Ik 
bidde  God,  UE.  en  alle  die  bij  hem  zijn,  te  houden  in  Zijn 
heilige  protectie. 

UE.  Goedw.  vriend, 

G.  Prince  d'Orange. 

In  's  Gravenhage,  den  22  Mei  1673." 


Digitized  by  VjOOQIC 


KRIJGSVERRICHTINGEN   IN   HOLLAND.  249 

Zeker,  in  dien  brief  staan  enkele,  ons  vreemd  voorkomende 
woorden  of  uitdrukkingen;  maar  niemand  mag  daarbij  blijven 
stilstaan  of  de  krachtige  kern  miskennen,  omdat  het  omhulsel 
misschien  minder  behaaglijk  is.  Neen,  ieder  die  het  hart  op  de 
rechte  plaats  heeft,  zal  erkennen,  dat  dit  de  taal  is  van  een  held, 
van  een  groot  man;  dat  die  taal  tot  groote  daden  moet  aan- 
sporen, helden  moet  kweeken.  Wanneer  de  Stadhouder  aan  de 
wapenbroeders  van  De  Ruyter  toeroept,  >dat  de  oogen  en  de  har- 
ten van  alle  ingezetenen  van  het  land,  ja  van  de  gansche  Chris- 
tenwereld, naar  *s  lands  vloot  gewend  zijn,"  moet  dit  dan  niet 
evenveel  indruk  hebben  gemaakt,  als  toen  Napoleon  zeide:  >Sol- 
dats,  du  haut  des  Pyramides  quarante  siècles  vous  contemplent"? 
Toen  Nelson,  bij  Trafalgar,  zijnen  vlotelingen  toesprak:  «Engeland 
verwacht  dat  ieder  zijn  plicht  zal  doen,"  herhaalde  hij  bijna 
de  woorden  des  Stadhouders:  >en  ware  het  over  zulks  van  de 
uiterste  iofamie,  dat  iemand  aan  zijn  pligt  zou  ontbreken,  op 
zoo  doorluchtig  een  tooneel";  —  en  geen  Romeinsch  veldheer 
heeft  ooit  op  straffer,  indrukwekkender  toon  gesproken,  dan 
Willem  III,  toen  hij  den  lafaard  's  lands  havens  als  de  gevaar- 
lijkste wijkplaatsen  voorstelde,  >daar  hij  niet  zal  kunnen  ontgaan, 
noch  de  straffe  hand  van  de  justitie,  noch  de  vloek  en  haat  van 
zijne  medeburgers,  die  op  hem  zal  vallen  en  blijven." 

Het  is  bekend,  hoe  onze  waterleeuwen  aan  die  taal  van  den 
Stadhouder  hebben  beantwoord,  en  met  welk  een  onbezweken 
dapperheid  zij  de  kusten  van  Holland  bleven  beschermen.  De 
Noordzee  was  dit  jaar  weer  driemaal  getuige  van  een  zeeslag: 
den  yen  Juni,  den  i4en  Juni  en  den  21  sten  Augustus;  tot  drie- 
maal toe  kwam  de  vlag  der  Republiek  weer  in  zegepraal  terug 
uit  dien  strijd;  tot  driemaal  deed  De  Ruyter  de  vereenigde 
Koningsvloten  voor  de  HoUandsche  zeemacht  vluchten  en  ver- 
stuiven. 

De  komst  van  Condé  te  Utrecht,  en  het  bijeentrekken  van 
Fransche  troepen  te  's  Graveland  en  in  de  nabijheid  van  Muiden, 
schenen  het  voornemen  des  vijands  aan  te  kondigen^  om  iets  te 
ondernemen  tegen  de  HoUandsche  waterlinie.  Oranje,  die  linie 
zooveel  mogelijk  willende  waarborgen  tegen  eiken  aanval,  besloot 
om  haar  nog  sterker  te  maken,  ook  bij  Nieuwersluis  post  te 
vatten.  Daartoe  liet  hij  bij  Weesp  een  aantal  uitleggers  en  andere 
vaartuigen  bijeen  brengen;  en  den  i3en  Mei,  daar  in  persoon 
aangekomen,  deed  hij  op  den  avond  van  dien  dag  den  kolonel 
Stokhem  met  een  1600  man  infanterie  en  een  duizendtal  boeren 
naar  Nieuwersluis  trekken;  in  den  ochtend  van  den  i4en  kwam 
dit  detachement  daar  aan,  en  vond  daar  een  kleine  Fransche 
afdeeling,  die  echter  dadelijk  aftrok.  De  Hollanders  begonnen 
zich    oogenblikkelijk    te    verschansen,   en    hadden    in    een    paar 


Digitized  by 


Google 


250  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

dagen  tijds  den  post  in  een  zeer  goeden  staat  van  verdediging 
gebracht;  die  arbeid  geschiedde  onder  bescherming  van  het 
kanonvuur  der  uitleggers,  en  onder  kleine  gevechten  die  de  be- 
dekkende infanterie  aan  den  vijand  leverde;  bij  een  dier  ge- 
vechten sneuvelde  de  kapitein  Tout  Ie  Monde,  een  Hollandsch 
officier,  die  zich  door  zijn  onverschrokken  moed  in  dezen  oorlog 
een  naam  had  gemaakt.  —  Condé  en  Luxembourg  kwamen  met 
een  4000  man  te  Breukelen,  maar  vonden  de  schans  te  Nieu- 
wersluis  reeds  te  ver  gevorderd  om  die  te  durven  aanvallen;  zij 
bepaalden  zich  toen  tot  het  versterken  van  Breukelen. 

De  ongeduldige,  vurige  geest  van  Condé  liet  hem  niet  toe 
werkeloos  te  blijven;  en  hij  besloot  eene  poging  te  beproe- 
ven om  de  HoUandsche  waterlinie  te  doorbreken.  Veel  beleid 
aan  de  zijde  des  Franschen  veld  heers  kan  men  hierbij  echter 
niet  opmerken;  en  het  eenige  waarmede  men  zijne  handelingen 
kan  verschoonen,  is,  dat  er  eigenlijk  niets  beters  of  eigenlijk  niets 
goeds  kon  ondernomen  worden  tegen  den  geduchten  slagboom 
die  Holland  beschutte. 

Eerst  werd  door  de  Franschen  beproefd,  het  water  dat  aan 
de  oostzijde  van  de  Vecht  op  het  land  stond  en  dat  hun  de 
nadering  tot  Muiden  bemoeilijkte,  af  te  leiden  en  in  de  Zui- 
derzee te  doen  afloopen;  tot  dat  einde  werd  de  zeedijk  door- 
stoken en  daar  eene  sluis  in  gelegd  om  het  zeewater  te  keeren 
bij  hoog  water,  en  bij  laag  water  de  inundatie  van  de  Vecht  te 
laten  afloopen ;  tevens  damde  men  bij  Utrecht  de  Vecht  af,  als- 
ook de  verschillende  trekvaarten,  die  water  naar  de  beneden- 
Vecht  konden  aanvoeren.  Spoedig  echter  kwamen  de  Fransche 
bevelhebbers  tot  de  overtuiging,  dat  dit  door  hen  aangewende 
middel  zeer  weinig  hielp,  daar,  terwijl  zij  het  water  in  de  Zui- 
derzee lieten  afloopen,  de  Hollanders  door  de  Uitermeersche 
sluis  het  zeewater  weer  binnen  lieten ;  —  het  was  het  omgekeerde 
van  het  vat  der  Danaïden. 

Toen  men  het  ijdele  had  ingezien  van  dit  aanvalsmiddel,  ging 
men  over  tot  een  soort  van  belegering  van  Muiden;  een  soort 
van  belegering,  —  want  het  bleef  bij  het  maken  van  eenige 
loopgraven  en  het  aanleggen  van  eenige  batterijen;  daar  men  al 
spoedig  weer  de  ondoenlijkheid  inzag,  om  een  vesting  aan  te 
vallen,  die  men  volstrekt  niet  kon  insluiten,  die  men  slechts  over 
een  smallen  dijk  kon  naderen,  en  waar  men  onophoudelijk  bloot- 
gesteld zou  zijn  aan  het  frontvuur  uit  de  vesting,  en  aan  het 
flank  vuur  uit  de  met  geschut  voorziene  vaartuigen  op  de  Zuider- 
zee en  op  de  onderwaterzettingen. 

De  Muiderberg,  een  hoogte  aan  de  Zuiderzee  tusschen  Naar- 
den en  Muiden,  werd  in  het  begin  van  Juni  door  Condé  met 
een   aanzienlijke   macht  bezet   en   dadelijk  verschanst.  Van  hier 


Digitized  by 


Google 


KRIJGS  VERRICHTING  EN   IN   HOLLAND.  25 1 

gingen  de  Franschen  in  loopgraven  vooruit  tot  bij  de  Hakke- 
laarsbrug^  waar  zij  aan  een  soort  van  parallel  en  aan  batterijen 
arbeidden.  Die  arbeid  werd  bijzonder  vertraagd,  eensdeels  door 
het  vuur  eener  groote  contrebatterij,  door  de  Hollanders  opge- 
worpen aan  de  andere  zijde  van  de  Hakkelaarsbrug ;  anderdeels 
door  het  geschut  van  een  aantal  uitleggers,  op  de  Zuiderzee  -en 
het  Naarder-Meertje  geplaatst.  De  kanonnade  werd  van  weers- 
zijden eenige  dagen  voortgezet,  maar  tot  groot  nadeel  van  de 
Franschen,  wier  aanvalswerken  gedurig  vernield,  wier  geschut 
gedurig  tot  zwijgen  werd  gebracht.  Dit  was  toe  te  schrijven,  èn 
aan  de  groote  overmacht  van  de  Hollandsche  artillerie,  èn  aan 
hare  voordeelige,  den  vijand  omringende  stellingen,  èn  ook 
daaraan  dat  aan  de  Hollandsche  zijde  zware  kalibers  in  werking 
kwamen,  en  Condé  niets  dan  veldgeschut  had.  De  Fransche  be- 
velhebbers staakten  dan  ook  spoedig  eene  onderneming,  die  zij 
verstandiger  gedaan  hadden,  niet  te  beginnen.  De  Muiderberg 
werd  in  het  begin  van  Juli  door  Condé  ontruimd. 

Rousset  is  onbeduidend  en  onvolledig  over  die  krijgs  ver  rich- 
tingen in  Holland,  in  de  eerste  helft  van  1673;  ^an  die  onder- 
neming op  Muiden  gewaagt  hij  met  geen  enkel  woord;  wat  hij 
over  die  krijgsverrichtingen  zegt,  bepaalt  zich  tot  het  volgende 
{Histoire  de  Louvois^  V  deel,  blz.  450 — 451): 

•  Wendde  hij"  (Condé)  >zijn  blik  naar  's  vijands  zijde,  dan  gaf 
hem  dit  even  weinig  bevrediging.  De  onderwaterzettingen  had- 
den eene  verbazende  hoogte  bereikt,  zij  waren  hooger  dan  in 
1672;  alle  posten  waren  goed  versterkt,  goed  bezet,  ondersteund 
door  gewapende  vaartuigen  en  kanonneerbooten.  Aanvallen  durf- 
den de  Hollanders  toen  niet;  maar  hun  verdedigingsvermogen 
was  ontzagwekkend.  Verveling  maakte  zich  meester  van  de 
Fransche  troepen,  die  ook  in  sterkte  afnamen  door  slechte  voe- 
ding; er  was  gebrek  aan  vleesch;  de  soldaten,  die  niet  in  be- 
zetting lagen  in  de  steden,  waren  in  letterlijken  zin  op  water  en 
brood :  velen  deserteerden.  Dat  belet  niet  dat  als  de  gelegenheid 
zich  opdeed  —  ongelukkig  te  weinig  —  zij  vaardig  waren  om 
hunne  mismoedigheid  te  verzetten  ten  koste  van  den  vijand. 

£r  hadden  enkele  stoute  en  schitterende  wapenfeiten  plaats; 
dit  onder  andere:  een  Hollandsch  oorlogsfregat  dat  in  de  Zui- 
derzee kruiste,  zond,  om  versch  water  te  halen,  een  sloep  naar 
de  kust  af;  eenige  ruiters  reden  toen  stoutmoedig  in  zee,  door- 
stonden het  vuur  van  hare  twee  kanonnen,  ver  meesterden  de  sloep 
en  staken  haar  in  brand,  onder  het  vuur  van  het  fregat  en  van 
andere   sloepen,  die  vruchteloos  bijstand  poogden  te  bieden..." 

Dit  komt  voor  in  een  brief  van  Condé  aan  Louvois,  van  den 
i6en  Juni  1673.  Wat  is  hiervan  waar?  —  het  doet  denken  aan 
dat  fabeltje,  van  het  nemen  van  onze  oorlogsschepen  door  Fransche 
huzaren  in   1795.  ^Ü  ^^^^  schrijvers  komt  niets  voor  van   dit 


Digitized  by 


Google 


252  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

wapenfeit  van  Condé's  ruiters  in  1673;  het  waarschijnlijkste  is 
wel,  dat,  wanneer  er  al  iets  van  waar  is,  het  toch  niet  zóó  is 
voorgevallen  als  bij  Rousset  is  vermeld. 


HOOFDSTUK  IX. 

BELEG   VAN   MAASTRICHT;   ONTBINDING   VAN    HET  LEGER 
VAN    LODEWIJK   XIV. 

Terwijl  dus  Holland's  sterke  grenzen  elke  poging  van  den 
aanvaller  verijdelden,  was  gelijktijdig  een  groote  grensvesting  van 
de  Republiek  door  den  Franschen  koning  aangevallen;  en  niets 
bewijst  meer  dan  dit  beleg  van  Maastricht  de  veel  hoogere 
waarde  van  de  natuurlijke  verdedigingsmiddelen  van  ons  land 
boven  de  vestingen  die  alleen  aan  de  kunst  hare  sterkte  ont- 
leenen:  terwijl  de  eerste,  niet  een  korte  poos  maar  voortdurend, 
een  vijandelijk  leger  tegenhouden,  bezwijken  de  laatste,  hoe 
dapper  ook  verdedigd,  na  weinige  weken  tegenover  de  hulpmid- 
delen welke  de  belegeringskunst  den  aanvaller  oplevert. 

Alvorens  dat  beleg  van  Maastricht  te  behandelen,  moet  met 
een  enkel  woord  worden  gewaagd  van  Turenne's  handelingen  in 
de  eerste  helft  van  het  jaar  1673. 

Die  veldheer  had,  —  zooals  reeds  gezegd  is  —  naar  de  Wezer 
vooruitrukkende,  door  zijne  stoute  handelingen  den  keurvorst 
van  Brandenburg  genoopt  vrede  te  sluiten  met  Frankrijk.  Tu- 
renne  was  daarop,  in  de  laatste  dagen  van  April,  naar  den 
Rijn  teruggekeerd.  Op  het  einde  van  Mei  zond  de  Fransche 
veldheer  eene  afdeeling  van  4000  man  voetvolk  en  3000  ruiters 
naar  de  zijde  van  Maastricht,  om  mede  te  werken  tot  de  inslui- 
ting en  het  beleg  van  die  vesting ;  met  het  overige  van  zijn  leger 
—  12000  man  infanterie  en  4000  ruiters  —  nam  Turenne,  in 
Juni,  stelling  bij  de  Lahn;  eene  gierbrug  te  Bonn  maakte  de 
gemeenschap  uit  tusschen  zijn  leger  en  dat  van  Lodewijk  XIV 
voor  Maastricht.  Toen  in  het  begin  van  Juli,  na  de  inneming 
van  Maastricht,  de  door  Turenne  afgezondene  afdeeling  zich 
weer  bij  hem  had  gevoegd,  drong  die  veldheer  weer  dieper  in 
Duitschland  door,  en  noodzaakte  het  Keizerlijke  leger  Fran- 
kenland  te  ontruimen  en  op  Bohemen  terug  te  gaan ;  hier  echter 
kreeg  dit  leger  versterkingen,  en  een  aanvoerder  die  in  bekwaam- 
heid Turenne  eenigszins  nabijkwam.  —  Hoe  daardoor  de  Kei- 
zerlijken op  hunne  beurt  aanvallend  te  werk  gingen,  zal  later 
worden  gezegd;  hier  volsta  het  om  kortelijk  aan  te  duiden  wat 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   MAASTRICHT.  253 

de   verrichtingen   zijn   geweest  van  Turenne's  legermacht  tot  op 
het  einde  van  Augustus  1673. 

Den  isten  Mei  1673  had  de  Fransche  Koning  zijne  hofplaats 
Saint  Gerinain  verlaten,  en  zich  gesteld  aan  het  hoofd  van  het 
40000  man  sterke  leger;  's  Konings  broeder,  de  hertog  van 
Orleans,  voerde  onder  hem  het  bevel.  Dit  leger  trok,  evenals 
vroeger,  de  Spaansche  Nederlanden  binnen,  zonder  dat  er  toen 
reeds  eene  oorlogsverklaring  had  plaats  gehad  tusschen  Frankrijk 
en  Spanje.  Maar  de  toestand  van  oorlog  bestond  reeds  lang  tus- 
schen die  beide  Rijken;  Frankrijk  ontzag  de  onzijdigheid  van 
het  Spaansche  grondgebied  niet  in  het  minst;  en  Spanje  onder- 
steunde onze  Republiek  op  eene  openlijke  wijze. 

De  marsch  ging  eerst  langs  de  Lijs.  Den  15611  Mei  was  het 
leger  te  Kortrijk ;  van  daar  trok  men  verder  in  noordelijke  rich- 
ting, en  den  24sten  was  de  hoofdmacht  tusschen  Deinze  en  Gent. 
Er  werden  bruggen  geslagen  over  de  breede  vaart  tusschen  Gent 
en  Brugge,  en  den  26sten  Mei  ging  Orleans  daarover,  met  eene 
macht,  die  volgens  sommige  opgaven  9  k  10  000  man,  volgens 
andere  slechts  4000  man  sterk  was,  en  trok  daarmede  naar  Staats- 
Vlaanderen,  op  Sas  van  Gent. 

Naar  de  opgaven  van  onze  schrijvers  had  die  beweging  ten 
doel  het  vermeesteren  van  Sas  van  Gent,  waarbinnen  de  Fran- 
schen  meenden  verstandhouding  te  hebben;  toen  echter  die  toe- 
leg mislukte,  trok  Orleans  den  aSsten  Mei  weer  achter  de  Gent- 
sche  vaart  terug.  Het  geheele  Fransche  leger  brak  den  volgenden 
dag  op,  ging  de  Lijs  en  de  Schelde  over  en  marcheerde  over  Aalst 
op  Brussel;  den  2eQ  Juni  was  het  nabij  laatstgenoemde  stad. 
Lodewijk  XIV  nam  den  schijn  aan,  alsof  hij  die  hoofdstad  der 
Spaansche  Nederlanden  wilde  belegeren,  en  bleef  een  paar  dagen 
in  hare  nabijheid  vertoeven;  de  Fransche  schrijvers  zeggen,  dat 
die  bedreiging  en  de  vroegere  beweging  naar  Staats- Vlaanderen 
geen  ander  doel  hadden  dan  den  vijand  te  misleiden,  en  het 
voornemen  om  Maastricht  te  belegeren  te  verbergen. 

Spoedig  werd  de  tocht  naar  die  stad  ondernomen;  reeds  den 
6en  Juni  werd  de  insluiting  begonnen,  door  eene  afdeeling  onder 
Lorges  op  den  linkeroever  der  Maas,  en  door  eene  andere  af- 
deeling onder  Montal  op  den  rechteroever  dier  rivier ;  —  andere 
opgaven  zeggen,  dat  de  door  Turenne  afgezondene  troepen  — 
4000  man  infanterie  en  3000  ruiters  —  de  insluiting  van  Maas- 
tricht op  den  rechter  Maasoever  hebben  verricht.  Die  insluiting 
werd,  na  kleine  schermutselingen  met  de  bezetting,  geheel  vol- 
tooid; en  den  loen  Juni  verscheen  Lodewijk  XIV  met  de  hoofd- 
macht van  het  Fransche  leger  voor  de  muren  van  Maastricht; 
en  die  stad,  die  Parma  zoo  dapper  weerstand  had  geboden,  welker 


Digitized  by 


Google 


254  KRÜGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

vermeestering  alléén  voldoende  zou  zijn  om  den  naam  van  Fre- 
derik  Hendrik  onvergetelijk  te  maken^  zag  nu  weer  de  vijande- 
lijke wapenmacht  zich  heinde  en  ver  over  de  haar  omgevende 
vlakten  uitbreiden,  en  stond  weer  bloot  aan  aanvallen,  geduchter 
dan  ooit,  daar  in  de  rijen  van  het  Fransche  leger  zich  de  man 
bevond,  die  de  kunst  om  vestingen  te  vermeesteren  reuzenschredcn 
heeft  doen  maken. 

De  vesting,  waartegen  Vauban  de  hulpmiddelen  zijner  weten- 
schap zou  aanwenden,  was  in  1673  niet  van  zoo  grooten  omvang 
als  zij  het  tot  in  onze  dagen  is  geweest:  de  forten  Sint  Pieter 
en  Koning  Willem,  en  de  fronten  tusschen  de  Bossche  en  Brus- 
selsche  poorten  bestonden  toen  niet.  Toch  kon  Maastricht  toen 
als  een  belangrijke  en  sterke  vesting  worden  beschouwd.  Zij  be- 
stond, evenals  later,  uit  twee  onderscheidene  deelen :  de  voorstad 
Wijck  op  den  rechter-  en  de  stad  op  den  linkeroever  van  de 
Maas;  beide  deelen  verbonden  door  een  hechte  steenen  brug. 
Wijck  had  een  hoofdwal  met  drie  bastions,  natte  grachten,  eenige 
voorliggende  lunetten  en  een  bedekten  weg;  naar  de  stadszijde 
liep  er  langs  de  rivier  een  muur,  en  de  Maasbrug  was  afgesloten 
door  een  poort  De  stad  zelve  had  —  volgens  De  Quincy  —  een 
sterken  hoofdwal  met  een  goeden  muur,  geflankeerd  door  eenige 
bastions  en  door  een  aantal  torens.  Als  buitenwerken  had  men 
vijf  hoornwerken  — het  plan  van  Maastricht  vertoont  er  zes  — 
alle  van  binnenverschansingen  voorzien;  en  verscheiden  afzon- 
derlijke bastions  en  ravelijnen,  alle  bekleed;  en  het  geheel  om- 
geven door  een  uitmuntenden  bedekten  weg.  —  Valckenier  geeft 
een  minder  gunstige  beschrijving  van  den  toestand  der  vesting; 
de  stad  was  —  volgens  hem  —  omringd  met  een  slechten  muur 
van  anderhalf  voet  dikte,  zonder  torens  of  forteressen  (?); 
zij  had  evenwel  zeer  sterke  buitenwerken,  verscheidene  ravelijnen, 
halve  manen  en  hoornwerken;  maar  alle  grachten  van  die  wer- 
ken waren  droog;  en  de  Sint  Pietersberg  was  meer  nadeelig  dan 
voordeelig. 

Hierop  valt  aan  te  merken,  dat  dit  » zonder  torens"  van  den 
hoofdwal  onjuist  is,  daar  de  hoofdwal  ronde,  uitspringende  ge- 
deelten had;  en  dat,  wat  de  droge  grachten  betreft,  dit  waar 
was  voor  het  meerendeel  der  werken;  maar  de  hoofdwal  op 
sommige  gedeelten,  —  bij  de  Bossche  poort,  en  van  de  Tongersche 
poort  tot  nabij  de  Lieve  Vrouwepoort  —  een  natte  gracht  voor 
zich  had;  op  het  overige  gedeelte,  waar  de  gracht  droog  was, 
had  deze  een  zeer  groote  diepte.  Voor  het  overige  erkent  ook 
Beaurain,  »dat  de  vestingwerken  van  Maastricht  in  geen  goeden 
toestand  waren."  —  Het  voorname  gebrek  echter,  dat,  toen 
evenals  later,  Maastricht  als  vesting  aankleefde,  was  hare  ligging, 
die  den  vijand  toeliet,  haar  zonder  veel  moeite  geheel  in  te  slui- 
ten, en  die  geen  natuurlijke  sterkte  aan  de  vestingwerken  bijzette. 


Digitized  by 


Google 


BELEG    VAN   MAASTRICHT.  255 

Valckenier  heeft  daarover  opmerkingen,  die  bewijzen  dat  men 
in  z  ij  n  tijd  —  in  dien  tijd  van  vestingen  en  liniën  —  soms  reeds 
gezonde  denkbeelden  daarover  had;  hij  zegt:  »ook  lag  deze 
plaats  te  wijd  van  de  andere  frontieren  en  vestingen  af,  om  haar 
in  zoo  korten  tijd  te  kunnen  secondeeren;  bovendien  was  de 
stad  Maastricht  voor  den  Vereenigden  Staat  een  zeer  kostelijk 
paard,  dat  jaarlijks  eene  bijna  ongeloofelijke  somme  gelds  van  onder- 
houd kwam  te  kosten...  Daar  waren  veel  menschen  in  Neder- 
land, welke  geloofden  het  onmogelijk  zou  zijn,  dat  de  koning 
van  Frankrijk  deze  stad  onder  zijn  geweld  zou  kunnen  brengen, 
wijl  hen  dezelve  uitermate  sterk,  ja  geheel  onwinbaar  scheen; 
maar  zij  bedachten  niet,  dat  eene  plaats,  hoe  vast  en  sterk  die 
ook  mag  zijn,  wel  kan  gedwongen  worden,  wanneer  men  dezelve 
zoodanig  kan  besluiten,  dat  er  niets  in  noch  uit  mag,  noch 
ook  geene  hulp,  om  dezelve  van  de  belegering  te  bevrijden,  voor- 
handen zij." 

De  bezetting  van  Maastricht  had  niet  meer  de  sterkte  die  men 
haar  bij  het  begin  van  den  oorlog  tegen  Frankrijk  had  gegeven ; 
maar  was  toch  talrijk  genoeg  om  een  goede  verdediging  te  ver- 
richten. De  Quincy  en  Beaurain  schatten  die  bezetting  op  een 
6000  man;  de  eerste  zegt  dat  zij  uit  5000  man  voetvolk  en 
1000  ruiters  bestond,  niet  medegerekend  een  groot  aantal  bur- 
gers, die  zich  gewapend  hadden.  Wat  dat  laatste  aangaat,  is 
denkelijk  de  opgave  van  den  Franschen  schrijver  onjuist;  onze 
schrijvers  gewagen  er  ook  wel  van,  dat  de  Maastrichtsche  bur- 
gerij het  stadhuis  bezette  en  aan  de  veslingwerken  arbeidde; 
maar  aan  de  eigenlijke  verdediging  schijnt  zij  geen  deel  te  heb- 
ben  genomen;  —  de  bevolking  toonde  dan  ook  niet  den  geest 
om  eene  verdediging  te  voeren  als  vroeger  die  legen  Parma. 
Volgens  onze  schrijvers  was  de  bezetting  een  duizend  man  min- 
der dan  de  Fransche  schrijvers  opgeven;  Sylvius  zegt,  dat  die 
bezetting  4000  man  infanterie  en  8  a  900  ruiters  bedroeg;  vrij 
uitvoerig  geeft  hij  de  samenstelling  van  die  bezetting  op:  aan 
Hollandsche  troepen  8  regimenten  infanterie  en  13  —  volgens 
andere  opgaven  12  —  compagnieën  ruiterij;  i  regiment  Ita- 
lianen, dat  300  man  telde ;  en  2  zeer  goede  regimenten  Spaansche 
ruiterij.  Maar,  wat  ons  bij  het  verhaal  van  een  heden daagsch 
beleg  vreemd  zou  voorkomen,  men  vindt  geen  opgave  omtrent 
de  sterkte  der  artillerie,  het  wapen  dat  eigenlijk  de  ziel  van 
eene  vesting-verdediging  is:  noch  het  aantal  kanonniers,  noch 
het  aantal  stukken  geschut  wordt  vermeld;  alleen  eene  enkele 
opgave  hier  en  daar  kan  daarover  eenig  licht  geven.  Zoo  wordt 
er  gezegd:  »dat  op  den  26sten  Juni  de  elf  stukken  nabij  de 
Tongersche  poort,  hevig  door  den  vijand  beschoten  werden; 
dat  daardoor  twee  konstapels  sneuvelden,  dat  er  toen  nog 
maar  dertien  konstapels  overbleven"  (denkelijk  niet  in  de  ge- 


Digitized  by 


Google 


256  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

heele  vesting^  maar  alleen  op  dat  punt)  >en  dat  men  daarom 
genoodzaakt  was^  soldaten  te  gebruiken  voor  de  bediening  van 
het  geschut."  Op  een  andere  plaats  vindt  men:  tdat  er  bij  de 
overgave  nog  een  60  stukken  geschut  in  de  magazijnen  aan- 
wezig waren;  ook  was  daar  nog  eenen  aanzienlijken  voorraad 
aan  krijgsbehocften  en  levensmiddelen ;  zoodat"  —  wordt  er  uit- 
drukkelijk bijgevoegd  —  >de  stad  niet  overging  uit  gebrek  daar- 
aan, maar  alleen  door  louter  geweld."  Alleen  zegt  eene  andere 
opgave,  dat  men  in  het  laatsie  tijdperk  van  het  beleg  gebrek 
aan  lonten  begon  te  krijgen. 

Uit  die  opgaven  kan  men  besluiten,  dat  Maastricht  in  1675 
een  genoegzame  bewapening  had ;  grooter  ten  minste  dan  tijdens 
het  beleg  door  Frederik  Hendrik,  toen  die  bewapening  uit  slechts 
45  stukken  geschut  bestond;  —  het  is  waar,  sedert  dien  tijd  was 
het  gebruik  van  de  artillerie  zeer  toegenomen. 

Vestingwerken,  bezetting,  bewapening  en  uitrusting  van  Maas- 
tricht waren  dus.  zooveel  men  uit  de  verschillende  opgaven  kan 
opmaken,  ten  minste  in  een  voldoenden  toestand;  —  maar  hoe 
was  het  met  den  bevelhebber,  die  dat  alles  voor  de  verdediging 
moet  aanwenden,  en  die  de  ziel  van  die  verdediging  moet  zijn? 

Het  oordeel  over  dien  bevelhebber  —  Fariaux,  een  officier  die 
eenige  maanden  te  voren  van  Spaanschen  in  Hollandschen  krijgs- 
dienst was  overgegaan,  —  is  zeer  uileenloopend  geweest.  Toen 
Willem  III  hem  tot  bevelhebber  van  Maastricht  aanstelde,  had 
Pariaux  een  zeer  goeden  militairen  naam,  en  was  hij  bekend  als 
een  dapper  en  bekwaam  aanvoerder;  zijne  handelingen  bij  het 
beleg  van  Maastricht  worden  door  onze  oudere  schrijvers  hoog 
geroemd ;  —  maar  latere  beoordeelaars  hebben  er  minder  gunstig 
over  gedacht,  en,  de  persoonlijke  dapperheid  van  Fariaux  erken- 
nende, hebben  zij  evenwel  zijn  weinig  beleid  en  zijne  geringe 
vasthoudendheid  doen  opmerken.  Vooral  het  oordeel  van  de 
Fransche  schrijvers  is  weinig  gunstig  voor  den  bevelhebber  van 
Maastricht;  zij  beschuldigen  hem  van  door  zijne  inhaligheid  en 
door  zijn  drukkende  handelingen  een  kwaden  geest  te  hebben 
gebracht  onder  de  bezetting,  en  nog  meer  onder  de  burgerij; 
>le  gouverneur,"  zegt  Beaurain,  »s'était  fait  haïr,  soit  par  des 
vexations,  sait  par  la  dureté  de  son  caractère";  en  de  onbekende 
schrijver  van  de  ^^Guerre  de  Hollande*^  zegt,  dat  de  uitvallen  ge- 
durende het  beleg  van  Maastricht  met  weinig  kracht  werden  g:e- 
daan,  omdat  Fariaux  uit  overdreven  zuinigheid  naliet  de  uit- 
vallende troepen  met  geld  te  beloonen.  De  opgaven  van  ónze 
schrijvers  zijn  hiermede  lijnrecht  in  strijd;  zij  stellen  Fariaux 
voor,  gedurig  gelden  uitdeelende  aan  die  troepen  der  bezetting, 
die  meer  dan  gewone  vermoeienissen  of  gevaren  doorstonden. 
Wat  nu  is  hier  waarheid?  —  Het  is  moeielijk  dit  te  zeggen; 
maar  toch  zal  uit  het  verhaal  van  het  beleg  blijken,  dat  Fariaux, 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   MAASTRICHT.  257 

hoezeer   veel  persoonlijken   moed   betoonende,   evenwel  een  te 
hoogen  en  te  onverdienden  roem  schijnt  te  hebben  genoten;  en 
dat  het  verkeerd  zou  zijn  hem  voor  te  stellen  als  een  voorbeeld 
hoe  de  bevelhebber  van  eene  vesting  moet  zijn. 
Nu  volgt  het  verhaal  van  het  beleg. 

Den  loen  Juni  voor  de  muren  van  Maastricht  verschenen,  vond 
het  Fransche  leger  daar  reeds  het  begin  eener  dubbele  ver- 
schanste linie,  waarvan  het  eene  deel  tegen  de  vesting  moest 
dienen,  het  andere  tegen  den  vijand  die  tot  ontzet  mocht  komen 
opdagen;  die  liniën,  den  8sten  Juni  aangevangen,  waren  den 
i4en  geheel  voltooid,  en  omgaven  èn  Maastricht,  èn  Wijck; 
7000  boeren  hadden  aan  die  liniën  gearbeid,  waarvan  de  bin- 
nenste of  contrevallatie-linie  gemiddeld  een  klein  half  uur  gaans 
van  de  vesting  was  verwijderd.  Twee  bruggen,  boven  en  beneden 
de  stad,  maakten  de  gemeenschap  uit  tusschen  de  beide  oevers. 
Gedurende  den  arbeid  aan  de  liniën  bracht  men  in  het  Fransche 
legerkamp  levensmiddelen  en  fourage  bijeen;  het  artillerie-park 
en  alle  benoodigdheden  voor  een  beleg  kwamen  aan;  hoe  sterk 
die  artillerie  was,  is  onzeker;  maar  in  de  9  batterijen,  die  ge- 
durende het  beleg  op  den  linkeroever  van  de  Maas  tegen  de 
vesting  werden  aangewend,  kwamen  63  vuurmonden,  en  daarvan 
kunnen,  ten  minste,  een  vijftig  stukken  gelijktijdig  zijn  werk- 
zaam geweest.  Als  front  van  aanval  nam  men  ddt  gedeelte,  dat 
tusschen  den  linkeroever  van  het  riviertje  de  Jeker  en  de  Brus- 
selsche  poort  is  begrepen,  —  bijna  hetzelfde  gedeelte  waar  Parma 
binnendrong  en  Frederik  Hendrik  aanviel;  Orleans  zou,  op  den 
anderen  oever  van  de  Maas,  een  schijnaanval  doen  op  Wijck; 
en  batterijen  op  den  Sint  Pietersberg  door  hun  vuur  den  waren 
aanval  ondersteunen. 

Fariaux,  die  in  het  begin  van  April  het  bevel  over  Maastricht 
op  zich  had  genomen,  had  dadelijk  de  werken  der  stad  zooveel 
mogelijk  in  staat  van  verdediging  laten  brengen  en  om  verster- 
king van  de  bezetting  gevraagd;  die  versterking  bestond  echter 
alleen  uit  het  Italiaansche  regiment,  dat  —  zooals  gezegd  is  — 
maar  een  300  man  sterk  was  en  uit  een  regiment  Spaansche 
ruiterij,  dat  op  een  250  paarden  wordt  begroot;  het  eerste  kwam 
op  het  einde  van  Mei  te  Maastricht,  het  laatste  in  de  eerste 
dagen  van  Juni.  Onderricht  van  den  opmarsch  des  vijands,  wiens 
voorste  troepen  reeds  voor  de  vesting  verschenen,  riep  de  be- 
velhebber den  7en  Juni  een  krijgsraad  bijeen,  waarin  hij  zijn 
voornemen  te  kennen  gaf  de  vesting  krachtdadig  te  verdedigen, 
ieder  aanmaande  om  hem  daarbij  te  ondersteunen,  en  aan  elk 
zijn  taak  toewees  bij  die  verdediging;  er  werd  kwijtschelding 
gegeven  van  alle  straffen  voor  geringe  wanbedrijven,  maar  daaren- 
tegen de  doodstraf  vastgesteld  voor  ieder  die  zich  zou  schuldig 

WILLEM  m.  —  I.  17 

Digitized  by  VjOOQIC 


258  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

maken  aan  ongehoorzaamheid  of  lafheid.  Denkelijk  was  dit 
laatste  maar  een  herhaling  of  herinnering  van  wat  de  bestaande 
bepalingen  daarover  voorschreven;  eene  herhaling,  die,  de  samen- 
stelling van  de  bezetting  in  aanmerking  genomen,  niet  over- 
bodig kon  heeten,  —  zooais  dit  dan  ook  blijkt  uit  enkele  bijzon- 
derheden, door  onze  schrijvers  opgeteekend.  Zoo  vermelden  zij 
onder  andere  dat  bij  de  komst  van  het  Fransche  leger-een 
officier  der  bezetting,  Franschman  van  geboorte,  maar  reeds 
zes  en  dertig  jaar  in  dienst  van  de  Republiek,  tot  den  vijand 
overliep;  en  dat  twee  vaandrigs  door  den  krijgsraad  ter  dood 
werden  veroordeeld,  omdat  zij  gedurende  het  beleg  hunne  pos- 
ten op  het  aangevallen  gedeelte  van  de  vesting  verlaten  hadden;  — 
wegens  den  jeugdigen  leeftijd  der  schuldigen  werd  die  straf  echter 
niet  uitgevoerd,  maar  daarin  veranderd,  dat  zij  van  hun  rang 
werden  ontzet  en  gedurende  den  ganschen  tijd  van  het  bele^ 
moesten  blijven  op  het  aangevallen  gedeelte,  nabij  de  Tongersche 
poort;  een  hunner  vond  daar  den  dood  door  'svijands  vuur. 

Fariaux  deed,  naast  andere  maatregelen  van  verdediging,  eene 
afdeeling  samenstellen  van  300  grenadiers,  getrokken  uit  de 
regimenten  infanterie;  men  weet  dat  de  grenadiers  toen  werkelijk 
manschappen  waren,  wier  bestemming  was  handgranaten  te  wer- 
pen ;  die  van  Fariaux  werden  daarin  geoefend  en  ontvingen  ieder 
twee  rijksdaalders  belooning.  —  Ook  werd  de  Maas  afgesloten 
door  een  ketting,  en  een  vaartuig  met  een  25  musketiers  als  wacht 
daarbij  geplaatst.  —  Om  de  berenning  en  insluiting  te  vertragen, 
werden  gedurig  kleine  uitvallen  gedaan,  vooral  door  de  ruiterij. 
Men  deed  eene  poging  om  den  vijand  in  een  hinderlaag  te 
doen  vallen,  door  een  300  man  infanterie  bedekt  nabij  de  ves- 
ting te  plaatsen,  en  de  eigen  ruiterij  eerst  uit  te  zenden  en  dan 
terug  te  doen  gaan,  ten  einde  de  ruiterij  des  vijands  te  lokken 
naar  de  plaats  waar  die  infanterie  stond.  Men  slaagde  hierin 
echter  niet.  —  Gedurig  kwamen  er  nog  verschillende  officieren 
de  stad  binnen,  en  er  schijnt  eene  voortdurende  gemeenschap 
te  hebben  bestaan  tusschen  den  bevelhebber  en  Monterey  en 
Willem  III;  hoe  die  briefwisseling  plaats  had,  wordt  echter  niet 
gemeld.  —  Patrouilles  en  verkenningen  werden  telkens  uitge- 
zonden om  bij  den  vijand  de  toebereidselen  tot  den  aanval  waar 
te  nemen,  en  bericht  te  geven  van  het  openen  der  loopgraven. 

Het  is  moeielijk  te  begrijpen,  dat  over  een  zoo  eenvoudig  feit 
als  het  openen  der  loopgraven  bij  het  beleg  van  Maastricht,  nog 
verschil  is  in  de  tijdsbepaling  tusschen  onze  schrijvers  en  de 
Fransche;  terwijl  de  laatste  duidelijk  en  bepaald  zeggen,  dat  de 
loopgraven  geopend  werden  in  den  nacht  van  17 — 18  Juni,  ver- 
zekeren daarentegen  de  meeste  van  onze  schrijvers,  dat  dit  vier 
dagen   vroeger  plaats  had,   in   den  nacht  van  13 — 14  Juni;  dat 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   MAASTRICHT.  259 

de  aanvallers  daartoe  partij  trokken  van  twee  holle  wegen  tegen- 
over de  Brusselsche  en  de  Tongersche  poorten;  dat  het  bijeen- 
brengen van  fascinen  de  verdedigers  daarop  opmerkzaam  had 
gemaakt ;  en  dat  eene  afdeeling  van  een  twintig  ruiters  met  mus- 
ketschoten  teruggedreven  werd  door  de  troepen,  die,  op  den 
grond  liggende,  tot  bedekking  dienden  van  de  arbeiders.  Enkele 
van  onze  schrijvers  —  De  Hollandsche  Mercurius  en 
Het  ontroerde  Nederland  —  zeggen,  dat  de  opening  der 
Fransche  loopgraven  den  17 en  Juni  plaats  had;  zij  voegen  er 
echter  bij,  dat  reeds  in  den  ochtend  van  den  iSen  drie  Fransche 
batterijen  het  vuur  op  de  stad  openden;  —  de  bouw  van  die 
batterijen  moet  dan  toch  vroeger  zijn  aangevangen  dan  in  den 
nacht  van  17 — 18  Juni. 

Als  het  waarschijnlijkste  kan  men  aannemen,  dat  de  loopgraven 
werkelijk  in  den  nacht  van  13 — 14  Juni  werden  geopend;  maar 
dat  eerst  in  den  nacht  van  17 — 18  Juni  de  batterijen  voltooid 
en  bewapend  werden;  en  dat  de  Fransche  schrijvers  eerst  van 
dat  tijdstip  af  de  belegerings-werkzaamheden  rekenen,  om  daar- 
door de  eer  der  inneming  van  de  vesting  te  verhoogen. 

Op  welken  afstand  van  de  vesting  de  eerste  parallel  werd 
geopend,  vindt  men  niet  juist  vermeld;  maar  wanneer  men  bij 
diezelfde  schrijvers,  volgens  welke  het  openen  der  loopgraven 
plaats  had  in  den  nacht  van  17 — 18  Juni,  vermeld  vindt,  dat 
den  iQca  Juni  de  Fransche  loopgraven  tot  op  600  pas  afstands 
genaderd  waren  van  de  palissadeering  van  den  bedekten  weg, 
dan  kan  men  daaruit  besluiten,  dat  de  eerste  parallel  denkelijk 
den  gewonen  afstand  van  een  600  el  van  de  vesting  zal  gehad 
hebben. 

Uit  die  eerste  parallel  ging  men  in  twee  loopgraven  vooruit: 
de  eene  gericht  op  de  werken  onmiddellijk  voor  de  Tongersche 
poort;  de  andere  op  een  hoornwerk,  tusschen  die  poort  en  de 
Brusselsche.  Bij  elke  dier  nadernissen  kwam  iederen  dag  eene 
wacht  van  3  bataljons  infanterie,  ondersteund  door  8  eskadrons 
ruiterij,  achterwaarts  geplaatst.  Drie  batterijen  kwamen  dadelijk 
in  werking:  twee  daarvan  waren  op  den  linkeroever  van  de 
Jeker,  en  moesten  rechtstreeks  dienen  tegen  het  aangevallen 
front;  de  eene  was  met  6,  de  andere  met  12  stukken  bewapend, 
en  beide  batterijen  waren  achter  de  eerste  parallel.  De  derde 
batterij,  met  9  stukken  bewapend,  was  op  den  Sint  Pietersberg, 
nagenoeg  ter  plaatse  waar  in  later  tijd  het  fort  Sint  Pieter  is 
gekomen;  zij  diende  om  de  aangevallen  fronten  van  ter  zijde 
met  haar  vuur  te  bestoken,  en  de  uitvallen  te  bemoeilijken.  Alle 
stukken  waren  van  zwaar  kaliber,  24-  en  36-ponders. 

Den  I  Sen  Juni  om  3  uur  's  ochtends  begonnen,  werd  het  vuur 
der  Fransche  batterijen  voortgezet  tot  's  avonds  9  uur;  en  in 
dien  tijd  —  zeggen  ónze  schrijvers  —  zijn  meer  dan  2500,  vol- 


Digitized  by 


Google 


26o  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

gens  anderen  zelfs  3400,  schoten  gedaan.  Dit  hevige  vuur  bracht 
schade  toe  aan  een  gedeelte  van  de  borstweringen  der  vesting, 
doodde  en  kwetste  een  aantal  manschappen,  en  bracht  zooveel 
schrik  en  verwoesting  teweeg,  dat  de  verdediger  zich  met  niets 
anders  bezig  hield  dan  met  het  beantwoorden  van  dit  vuur  en 
het  herstellen  der  schade  aan  die  werken,  —  zonder  den  voort- 
gang aan  den  arbeid  der  loopgraven  in  het  minst  te  vertragen. 
Den  volgenden  dag  werd  door  de  belegerden  gearbeid  aan  eene 
batterij  voor  4  stukken,  aan  de  linkerzijde  —  wanneer  men  front 
naar  buiten  maakte  —  van  de  Tongersche  poort ;  die  batterij  — 
zegt  Sylvius  —  deed  aan  de  Fransche  batterijen  veel  nadeel,  en 
leed  zelve  weinig  of  niets,  behalve  op  het  einde  van  het  beleg, 
toen  van  een  der  daar  geplaatste  48-ponders  de  affuit  werd 
stuk  geschoten. 

Die  laatste  bijzonderheid  wordt  hier  aangehaald  om  te  doen 
zien  hoe  onjuist  het  is,  wanneer  De  Quincy  zegt,  dat  f  vier 
dagen  na  het  in  werking  komen  van  de  Fransche  batterijen,  al 
het  geschut  der  vesting,  op  één  stuk  na,  gedemonteerd  was."  — 
Over  het  geheel  is  De  Quincy  een  schrijver,  op  wiens  nauwkeu- 
righeid en  waarheid  men  weinig  staat  kan  maken. 

Gelijktijdig  met  dien  arbeid  aan  de  batterij  bij  de  Tongersche 
poort  werd  er  tusschen  die  poort  en  de  Brusselsche  gearbeid 
aan  het  hoornwerk  en  het  daarvoor  liggend  ravelijn;  bij  beide 
werd  de  borstwering  verbreed.  De  ruiterij  liet  men  dienst  doen 
als  infanterie;  omdat  —  wordt  gezegd  —  het  doen  van  uitvallen 
toch  niet  goed  meer  ging,  daar  de  uitgangen  der  stad,  bij  de 
Tongersche  en  Brusselsche  poorten,  onder  het  vuur  stonden  van 
de  vijandelijke  batterijen.  —  Kon  men  dan  de  andere  poorten, 
de  Bossche  poort  onder  andere,  niet  uittrekken  en  zoo  *s  vijands 
loopgraven  van  ter  zijde  aanvallen? 

Aan  de  Fransche  zijde  werd  den  igen  begonnen  aan  twee 
nieuwe  batterijen:  de  eene,  voor  11  stukken,  was  op  de  helling 
van  den  Sint  Pietersberg,  voorwaarts  van  de  daar  reeds  aan- 
wezige, en  moest  door  haar  vuur  de  werken  voor  de  Tongersche 
poort  van  ter  zijde  bestrijken,  en  alle  uitvallen  uit  die  poort  be- 
letten; de  andere,  voor  5  stukken,  was  voorwaarts  van  de  eerste 
parallel,  naar  de  zijde  van  de  Brusselsche  poort.  —  De  arbeid 
aan  de  loopgraven  ging  snel  vooruit;  de  Koning,  gedurig  in 
persoon  daar  aanwezig,  spoorde  zijne  soldaten  tot  voortvarend- 
heid aan. 

Den  2osten  werd  aan  weerszijden  het  artillerievuur  voortgezet 
en  aan  batterijen  gearbeid ;  de  palissadeering  van  den  bedekten 
weg  werd  zeer  beschadigd,  maar  spoedig  weer  hersteld  door 
de  belegerden,  daartoe  aangemoedigd  door  gelduitdeelingen , 
zegt  Sylvius.  Er  werd  beraadslaagd  over  het  doen  van  een  uit- 
val;  maar  die  werd   ongeraden   geoordeeld,   omdat,  wegens  de 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   MAASTRICHT.  26 1 

Sterke  artillerie  van  den  aanvaller  en  wegens  de  groote  macht 
welke  hij  in  de  parallel  kon  vereenigen,  zulk  een  uitval  weinig 
voordeel  kon  opleveren.  Aan  de  Fransche  zijde  was  men  nu  de 
vesting  reeds  genoeg  nabij  gekomen  om  verliezen  te  lijden  door 
het  musketvuur  der  Hollanders. 

Den  2isten  ging  alles  denzelfden  gang.  Elf  stukken  van  den 
verdediger  stonden  toen  bij  de  Tongersche  poort  in  batterij  en 
deden  den  aanvaller  veel  nadeel;  van  andere  batterijen  des  ver- 
dedigers wordt  niet  gesproken.  Om  zijne  troepen  aan  te  moe- 
digen deed  de  bevelhebber  alle  dagen  bijzondere  uitdeelingen 
doen  van  brood,  kaas,  bier  en  brandewijn.  —  Aan  de  Fransche 
zijde  werd  toen  een  zesde  batterij  opgeworpen  van  ii  stukken, 
tegenover  het  hoornwerk  tusschen  de  Tongersche  en  Brusselsche 
poorten. 

De  krachtige  en  beleidvolle  wijze  waarop  de  aanval  werd  be- 
gonnen en  voortgezet,  had  den  belegeraar  reeds  den  2  2 sten  met 
zijne  loopgraven  het  glacis  doen  bereiken.  Hier  echter  staakte 
hij  voor  het  oogenblik  den  arbeid  aan  die  loopgraven,  om,  door 
mijnputten  en  mijngangen,  te  onderzoeken  of  de  verdediger  ook 
een  onderaardschen  oorlog  zou  kunnen  aanvangen.  Het  geschut- 
vuur  werd  intusschen  onafgebroken  voortgezet,  evenals  de  arbeid 
aan  de  nieuwe  batterijen. 

Bij  de  belegerden  werd  weer  het  voorstel  tot  een  uitval  ge- 
opperd, en  beschikkingen  daartoe  genomen,  maar  later  daar 
weer  van  afgezien,  omdat  men  de  loopgraven  van  den  vijand  te 
sterk  bezet  oordeelde.  Men  wilde  toen  partij  trekken  van  het 
mijnenstelsel  dat  Maastricht  aan  die  zijde  had;  en  door  een 
mijngang  voort  te  zetten  tot  op  16  a  17  ellen  van  eene  der 
Fransche  batterijen,  wilde  men  daar  eene  mijn  aanleggen  om 
die  batterij  te  vernielen ;  —  maar  hiertoe  had  men  den  tijd  niet. 
Ten  einde  zich  te  vrijwaren  voor  de  werking  van  de  mijnen  des 
verdedigers,  besloot  de  aanvaller  den  bedekten  weg  niet  voet 
voor  voet,  maar  stormenderhand  te  vermeesteren.  Tot  die  af- 
wijking van  zijn  gewone  stelselmatige  wijze  van  aanvallen  werd 
Vauban  gebracht  door  de  voordeelen  welke  aan  die  afwijking 
waren  verbonden:  daardoor  won  men  tijd,  en  belette  men  den 
belegerde  gebruik  te  maken  van  zijne  mijnen,  wier  aanwending 
niet  alleen  het  beleg  gerekt,  maar  mogelijk  den  aanvaller  nog 
grooter  verliezen  berokkend  zou  hebben  dan  de  bestorming  van 
den  bedekten  weg  kon  veroorzaken.  Hier  was  het  verstandig  de 
regels  op  zijde  te  stellen  en  iets  te  wagen. 

De  nacht  van  den  24sten  Juni  was  bepaald  voor  die  bestor- 
ming van  den  bedekten  weg.  Op  twee  punten  zou  zij  onder- 
nomen worden :  links,  tegen  een  ravelijn,  nog  vóór  den  bedekten 
weg  liggende,  en  vlak  achter  zich  het  hoornwerk  hebbende,  ge- 


Digitized  by 


Google 


202  KRIJGS-   EN  GKSCHIEDKUNDIGlC  BESCHOUWINGEN. 

legen  tusschen  de  Tongersche  en  Brusselsche  poorten;  rechts, 
op  den  bedekten  weg  vóór  de  werken  die  vlak  voor  de  Ton- 
gersche poort  waren.  De  linker  kolonne  zou  aangevoerd  worden 
door  Montal,  de  rechter  kolonne  door  Monmouth,  den  basterd- 
zoon  van  koning  Karel  II;  elke  dier  kolonnen  zou  bestaan  uit 
eene  compagnie  Mousquetatres  —  de  keur  van  het  Fransche 
leger  —  een  300  grenadiers  en  4  bataljons  andere  infanterie ;  — 
een  menigte  fascinen  en  schanskorven  zouden  worden  medege- 
nomen, de  eerste  om  de  gracht  vóór  het  ravelijn  te  dempen,  de 
tweede  om  dadelijk  een  logement  te  maken  in  den  bedekten 
weg.  Te  gelijk  zou  Orleans  op  den  anderen  oever  van  de  Maas 
een  schijnaanval  op  Wijck  doen  verrichten,  om  daardoor  de 
krachten  van  den  verdediger  te  verdeelen.  Tien  uur  was  het 
oogenblik,  bestemd  voor  de  bestorming;  een  algemeen  salvo  van 
de   batterij  op  den  Sint  Pietersberg  zou  het  sein  daartoe  geven. 

De  belegerden  waren  niet  geheel  onkundig  van  dien  toeleg, 
hoezeer  zij  niet  wisten  wanneer  zij  zouden  worden  aangevallen; 
krijgsgevangenen  hadden  verteld,  dat  in  het  Fransche  leger  het 
gerucht  liep  van  een  aanstaanden  storm,  en  van  den  wil  des 
Franschen  konings  om  reeds  den  volgenden  dag  in  Maastricht 
de  mis  te  hooren.  Fariaux  had  dus  alle  maatregelen  genomen 
om  den  vijand  af  te  wachten,  en  de  waarschijnlijke  aanvalspunten 
sterk  doen  bezetten.  De  kolonel  Carry  stond  met  200  man  van 
zijn  regiment  in  den  bedekten  weg  voor  de  Tongersche  poort; 
terwijl  een  ander  Hollandsch  regiment,  dat  van  Hofwegen,  aan- 
gevoerd door  den  overste  Commersteijn,  in  naastbijzijnde  werken 
als  soutien  gereed  stond.  Het  ravelijn  voor  het  hoornwerk  was 
bezet  door  het  Italiaansche  regiment  onder  Don  Mario  d'Orilla, 
en  het  hoornwerk  door  het  grootste  gedeelte  van  het  regiment 
van  Fariaux,  aangevoerd  door  den  overste  Sanderland;  in  naast- 
bijliggende  werken  waren  200  man  van  elke  der  beide  Hollandsche 
infanterie-regimenten  Prins  Maurits  en  Beaumont  geplaatst,  be- 
nevens een  gedeelte  van  de  Spaansche  ruiterij  van  het  regiment 
van  Salms,  hier  als  voetvolk  optredende;  het  andere  Spaansche 
ruiter-regiment,  onder  Moerbeek,  was,  met  de  Hollandsche  rui- 
terij van  Wel,  nabij  de  Tongersche  poort  geplaatst.  In  Wijck, 
slechts  zwak  bezet,  voerde  de  overste  Pfaffenrode  het  bevel. 
Fariaux  zelf,  benevens  de  tweede  bevelhebber  (commandeur)  Van 
Weede,  waren  op  het  front  van  aanval. 

Den  geheelen  dag  van  den  24sten  Juni  doet  zich  het  Fransche 
geschut  onafgebroken  hooren;  het  beschadigt  de  wallen  en  ver- 
nielt een  goed  gedeelte  der  palissadeering  van  den  bedekten  weg; 
te  vergeefs  trachten  de  belegerden  dit  te  herstellen.  Toen  de 
avond  is  gevallen  houdt,  zooals  gewoonlijk,  het  vuur  der  batterijen 
op;  maar  om  tien  uur  doet  zich  eensklaps  het  kanon  van  den 
Sint  Pietersberg  hooren;  en  op  dit  sein  springen  twee  Fransche 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN  MAASTRICHT.  263 

kolonnen  over  de  borstwering  der  loopgraven,  en  snellen  met 
onstuimigheid  naar  de  vesting.  Zeer  verschillend  is  de  uitkomst 
van  dien  aanval,  door  de  Fransche  troepen  met  eene  buitenge- 
wone dapperheid  verricht,  bezield  als  zij  waren  door  de  hoop 
om  zich  roemvol  te  onderscheiden  onder  het  oog  van  hun  Koning. 

Aan  de  linkerzijde  geleidde  de  dappere  Montal  het  regiment 
van  den  Dauphin,  voorafgegaan  door  de  Mousquetaires  en  gre- 
nadiers, en  gevolgd  door  andere  bataljons,  legen  het  ravelijn  dat 
hij  moest  bestormen ;  hij  zelf,  Beringhen,  de  bevelhebber  van  dat 
regiment,  en  de  bloem  van  den  Franschen  adel  streden  hier,  en 
wedijverden  om  het  eerst  de  vijandelijke  wallen  te  beklimmen. 
De  grenadiers  wierpen  voortdurend  handgranaten  in  het  aange- 
vallen werk,  met  fascinen  werd  de  gracht  spoedig  voor  een  ge- 
deelte gevuld,  en  weldra  stormden  de  Fransche  soldaten  over 
den  aldus  verkregen  dam  tegen  het  werk  op.  Hier  echter  von- 
den zij  een  vijand,  hunner  waardig.  d'Orilla  sloeg  met  zijne 
Italianen  den  aanval  dapper  af,  en  bracht  door  musketvuur  en 
het  werpen  van  handgranaten  den  vijand  geduchte  verliezen  toe. 
De  strijd  was  hier  hevig,  en  werd  met  afwisselende  kansen  ge- 
voerd. Sanderland  kwam  met  het  regiment  van  Fariaux  den  Ita- 
lianen te  hulp,  en  bood  den  vijand  het  hoofd ;  spoedig  werd  die 
bevelhebber  gewond.  Ook  d*Orilla  was  buiten  gevecht  gesteld, 
en  de  verdedigers  begonnen  reeds  te  wankelen  onder  den  woe- 
denden aanval,  toen  de  twee  afdeelingen  der  regimenten  van 
Prins  Mauriis  en  van  Beaumont  ter  hulp  toesnelden  en  den 
vijand  op  zijn  beurt  deden  teruggaan.  Ook  de  Prins  van  Salms 
nam  met  zijne  afgestegen  ruiters  deel  aan  den  strijd  en  betoonde 
daarbij  een  moed  die  door  onze  schrijvers  hoogelijk  wordt  ge- 
prezen. Eindelijk  worden  de  Franschen  geheel  teruggeworpen; 
de  driemaal  gedane  aanval  was  driemaal  afgeslagen;  geen  voet 
gronds  had  Montal  vermeesterd,  en  een  aantal  zijner  soldaten 
vonden  den  dood  in  dien  strijd.  —  De  Vos,  een  Hollandsch 
officier,  ging,  nog  gedurende  het  gevecht,  met  eenige  manschap- 
pen in  de  droge  gracht  en  vernielde  den  fascinendam,  door  den 
vijand  daar  gemaakt. 

Bij  den  anderen  aanval  waren  de  FranscTien  gelukkiger.  Mon- 
mouth  bestuurde  daar  den  aanval,  en  stelde  zich  in  persoon  aan 
de  gevaren  van  den  strijd  bloot,  met  eene  onversaagdheid  die 
zijn  benijders  daardoor  willen  verklaren,  dat  hij  een  kogelvrij 
harnas  had  aangedaan;  —  zoozeer  schijnt  men  dus  toen  reeds 
afkeerig  te  zijn  geweest  van  de  zware  wapenrustingen,  dat  men, 
wat  vroeger  onder  bedreiging  met  strenge  straffen  was  voorge- 
schreven, thans  als  een  soort  van  oneer  beschouwde.  De  Mous- 
quetaires, door  d'Artagnan  aangevoerd  —  een  naam  waarop 
Alexandre  Dumas  zijne  verdichtselen  heeft  gebouwd,  maar  die 
in  werkelijkheid  de  naam  is  geweest  van  een  uitstekend  oorlogs- 


Digitized  by 


Google 


204  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

man  —  storten  zich  op  den  bedekten  weg,  en  Carry's  regiment 
is  niet  in  staat  dien  onstiiimigen  aanval  te  keeren;  die  bevelhebber 
sneuvelt,  en  met  hem  een  aantal  der  zijnen;  het  overige  wijkt. 
Commersteijn  rukt  toen  op  met  het  regiment  van  Hofwegen,  en 
houdt  den  vijand  een  langen  tijd  tegen ;  maar  voor  en  na  vallen 
een  menigte  officieren ;  en  toen  Commersteijn  zelf  door  een  mus- 
ketschot wordt  gedood,  houden  de  Hollanders  niet  langer  stand, 
maar  wijken,  en  laten  den  vijand  zich  ongehinderd  ingraven  in 
den  bedekten  weg.  Niet  tevreden  met  dit  voordeel,  valt  d'Artagnan 
nu  met  zijn  Mousquetaires  een  vooruitspringend  ravelijn  aan, 
nabij  de  Jeker;  ook  dat  ravelijn  wordt  genomen.  Fariaux  wil  het 
laten  hernemen  door  de  ruiterij,  zoo  Hollandsche  van  Wel  als 
Spaansche  van  Moer  beek,  die,  afgestegen,  in  de  nabijheid  stond 
van  de  Tongersche  poort;  deze  valt  den  vijand  in  het  ravelijn 
aan,  en  er  heeft  daar  een  hardnekkig  gevecht  plaats  met  de 
blanke  wapenen;  dit  eindigt  in  het  voordeel  van  de  Franschen; 
de  Hollanders  moeten  de  wijk  nemen  naar  de  naastliggende 
werken,  en  de  vijand  verschanst  zich  in  het  veroverde  ravelijn. 

De  schijnaanval  dien  de  hertog  van  Orleans  door  Lorges  op 
Wijck  deed  verrichten,  was  bijna  in  een  wezenlijken  aanval  ver- 
keerd ten  gevolge  van  de  weinige  maatregelen  die  hier  ter  ver- 
dediging waren  genomen.  Daar  hier  namelijk  aan  de  Fransche 
zijde  volstrekt  geen  aanvalswerken  waren  gemaakt,  meende  de 
verdediger  hier  niets  te  vreezen  te  hebben.  De  vijand  drong  dan 
ook  bij  verrassing  in  den  bedekten  weg,  maar  werd  daar  na  een 
scherp  gevecht  met  eenig  verlies  weer  uitgeworpen.  Pfaffenrode, 
de  Hollandsche  aanvoerder,  sneuvelde  hier. 

Tot  in  den  vroegen  ochtend  van  den  255100  Juni  hield  de 
bloedige  strijd  aan ;  toen  staakte  men  het  vuur,  aan  weerszijden ; 
en  Lodewijk  XIV,  die  tot  dat  oogenblik  van  den  Sint  Pielers- 
berg  de  storm  had  gadegeslagen,  achtte  nu  de  overwinning 
beslist,  en  verliet  zijn  standplaats  om  zich  in  zijn  vorstelijke 
legertent  ter  ruste  te  begeven.  Fariaux  evenwel  was  op  middelen 
bedacht  om  het  verlorene  te  herwinnen,  ten  minste  den  vijand 
daaruit  te  verdrijven^  hij  beraamde,  op  zijn  beurt,  een  aanval 
op  het  door  de  Franschen  vermeesterde  ravelijn;  deed  het  regi- 
ment van  Hofwegen,  dat  veel  had  geleden  en  waarvan  de  meeste 
officieren  gevallen  waren,  aflossen  door  dat  van  Prins  Maurits; 
en  het  regiment  van  Kirkpatrick  oprukken  om  als  reserve  te 
dienen.  Tevens  liet  hij  de  mineurs  arbeiden  aan  twee  mijnen 
onder  het  ravelijn  dat  men  wiide  aanvallen. 

Om  elf  uur  's  ochtends,  toen  alles  gereed  is,  doet  men  de  twee 
mijnen  springen;  een  gedeelte  van  het  ravelijn  wordt  door  de 
uitbarsting  vernield,  en  dadelijk  valt  het  regiment  van  Prins 
Maurits  met  den  blanken  degen  op  den  vijand;  eenige  grena- 
diers   ondersteunen    dien    aanval.    Een    groot    aantal   Franschen 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   MAASTRICHT.  265 

waren  als  bezetting  in  het  ravelijn,  en  dezen,  met  d*Artagnan  aan 
hun  hoofd,  verdedigen  zich  manmoedig  en  houden  het  gevecht 
twee  uur  vol;  eindelijk  bezwijken  zij,  en  de  koene  aanvoerder 
sneuvelt  hier  met  bijna  al  zijn  soldaten.  De  Hollanders  zijn 
weer  in  het  bezit  van  het  verwoeste  ravelijn;  —  maar  een  voor- 
naam doel  van  den  storm  was  door  de  Franschen  bereikt,  want 
zij  bleven  hier  meester  van  den  nu  bekroonden  bedekten  weg.  De 
Quincy  beweert,  dat,  bij  een  hernieuwden  aanval,  Monmouth  zich 
nogmaals  meester  maakte  van  het  ravelijn;  eenige  van  onze 
schrijvers  spreken  dit  stellig  tegen;  andere  echter  erkennen  het 
eenigszins  door  te  zeggen,  tdat  de  belegerden,  na  een  uur  weer 
in  het  bezit  te  zijn  geweest  van  het  verlorene  ravelijn,  op  de 
nadering  van  een  sterke  vijandelijke  macht  het  weer  verlieten, 
en  terugtrokken  in  dat  gedeelte  van  den  bedekten  weg  dat  bij 
de  Jeker  is." 

Zoodanig  was  het  beloop  van  dat  gevecht  in  den  nacht  van 
den  24sten  en  in  den  ochtend  van  den  2 5 sten  Juni,  waarbij,  naar 
de  eenparige  getuigenis  van  de  schrijvers  welke  dit  beleg  behan- 
delen, beide  partijen  een  uitstekenden  moed  betoonden,  en  aan- 
gevoerd werden  door  opperhoofden,  die  door  hun  voorbeeld 
elke  zwakheid  on  verschoon  baar  zouden  hebben  gemaakt.  Evenals 
Montal  en  Monmouth  bij  de  Franschen,  zoo  nam  ook  Fariaux 
persoonlijk  deel  aan  het  gevecht;  en  een  aantal  Hollandsche 
bevelhebbers  vonden  den  dood  in  dien  glorievollen  strijd.  De 
aanvallers  waren  slechts  gedeeltelijk  geslaagd  in  hun  toeleg:  de 
bekroning  van  den  bedekten  weg  naar  de  zijde  van  de  Ton- 
gersche  poort  was  goed  verricht;  maar  de  aanval  op  het  rave- 
lijn vóór  het  hoornwerk  was  geheel  en  al  mislukt.  Wat  de  ver- 
liezen betreft,  die  der  Franschen  bij  dezen  storm  worden  door 
onze  schrijvers  begroot  op  meer  dan  2000  man;  er  is  mogelijk 
overdrijving  in  die  begrooting;  maar  zeker  is  het,  dat  de  ge- 
deeltelijke bekroning  van  den  bedekten  weg  den  aanvaller  toch 
op  een  duren  prijs  kwam  te  staan.  Ook  aan  onze  zijde  moeten 
de  verliezen  aanmerkelijk  zijn  geweest,  te  oordeelen  naar  die 
enkele  bijzonderheid  door  onze  schrijvers  vermeld,  dat  alleen  bij 
die  poging  om  het  verlorene  ravelijn  bij  de  Jeker  te  hernemen, 
het  regiment  van  Prins  Maurits  over  de  honderd  man  aan  doo- 
den  verloor.  —  Als  een  bijzonderheid  wordt  vermeld,  dat  vier 
majoors  of  kapiteins,  die,  door  het  buiten  gevecht  stellen  van 
hoogere  officieren,  bij  dezen  storm  aan  het  hoofd  van  regimenten 
stonden  en  met  onderscheiding  de  wapens  voerden,  alle  vier  uit 
Tiel  afkomstig  waren ;  ook  toenmaals  leverde  dus  de  geboortestad 
van  Chassé  helden  op. 

Oogenblikkelijk  na  het  eindigen  van  het  gevecht  begonnen  de 
batterijen  van  den  aanvaller  opnieuw  het  vuur.  Fariaux  deed, 
van  zijn  zijde,  arbeiden  aan  eene  binnenverschansing  achter  den 


Digitized  by 


Google 


206  KRIJGS-   EM    GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

hoofdwal,  van  de  Brusselsche  poort  tot  nagenoeg  halfweg  de 
Tongersche  poort,  —  het  punt  waar  zich  toenmaals  de  Sint- 
Servaas-poort  bevond.  Die  arbeid  ging  echter  traag  voort,  daar 
de  burgers  die  men  daartoe  gebruikte,  hun  arbeid  telkens 
staakten  uit  vrees  voor  de  uitwerking  van  de  vijandelijke  batte- 
rijen ;  ook  begon  zich  reeds  duidelijk  een  geest  van  onwil  bij  de 
burgerij  te  openbaren,  zoodat  de  bevelhebber  het  noodig  oor- 
deelde, ter  verzekering  der  orde,  de  uileinden  van  de  Maasbrug 
te  bezetten,  en  sterke  patrouilles  ruiterij  door  de  stad  te  laten  gaan. 
Volgens  enkele  van  onze  schrijvers  moet  Fariaux  in  den  nacht 
van  den  25sten  nogmaals  een  mijn  hebben  aangewend  tegen  het 
verlorene  ravelijn,  en  daardoor  de  laatste  overblijfselen  van  dat 
werk  met  de  daar  aanwezige  Franschen  in  de  lucht  hebben 
doen  springen;  in  hoever  dit  al  dan  niet  waar  is,  is  nioeielijk 
te  zeggen;  —  maar  zooveel  is  zeker,  dat  de  aanvaller  zich  niet 
verder  rechts  uitbreidde  naar  de  zijde  van  de  Jeker,  maar  de 
bekroning  van  den  bedekten  weg  verder  links  vervolgde,  naar 
den  kant  van  het  hoornwerk  en  van  het  daarvoor  liggend  rave- 
lijn. Eene  zevende  batterij,  voor  9  stukken,  werd  door  de  Fran- 
schen aangelegd  in  de  bekroning  van  den  bedekten  weg;  die 
batterij  moest  bresschieten  in  den  hoofdwal  bij  de  Tongersche 
poort  en  in  het  daarvoor  gelegen  ravelijn.  Door  de  achterlig- 
gende batterijen  waren  reeds  op  andere  punten  van  den  hoofd- 
wal,  met  name  in  de  nabijheid  van  de  Sint-Servaas-poort,  aan- 
merkelijke bressen  geschoten;  ook  het  hoornwerk  was  op  ver- 
schillende punten  open,  en  andere  werken  zeer  beschadigd. 

Nadat  eene  poging  van  de  vijandelijke  loopgravenwacht,  om 
zich  in  den  nacht  van  den  27sten  meester  te  maken  van  het  ravelijn 
voor  het  hoornwerk,  was  verijdeld,  werd  die  poging  den  28stcn  met 
meer  geluk  hervat.  Die  storm  werd  aangekondigd  door  een  paar 
kanonschoten,  's  avonds  om  10  uur  gelost;  eene  mijn,  onder  den 
saillant  van  het  ravelijn  aangelegd,  sprong;  en  dadelijk  had  nu 
de  aanval  plaats,  aan  de  rechterzijde  door  Fourilles  met  het 
regiment  van  Picardie  en  eenige  andere  troepen,  aan  de  linker- 
zijde door  Lorges  met  twee  Fransche  bataljons  en  twee  bataljons 
Zwitsersche  garde.  De  Franschen  houwen  de  palissadeering  omver 
en  beklimmen  den  wal;  de  Italianen  die  in  het  ravelijn  zijn, 
ontzet  door  het  springen  van  de  mijn,  zijn  niet  in  staat  aan 
*s  vijands  overmacht  weerstand  te  bieden,  en  wijken  ijlings  naar 
het  hoornwerk ;  dit  gaat,  zooals  uit  den  aard  der  zaak  voortvloeit, 
in  groote  wanorde;  en  de  Franschen,  de  terugtrekkenden  op  den 
voet  volgende,  dringen  te  gelijk  met  hen  de  bressen  van  het 
hoornwerk  binnen.  Het  regiment  van  Fariaux  was  daar  als  be- 
zetting; maar  vriend  en  vijand  te  gelijk  het  werk  ziende  binnen- 
dringen,  werd   het   daardoor   zoodanig  in  wanorde  en  vrees  ge- 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   MAASTRICHT.  267 

bracht,  dat  een  gedeelte  ijlings,  over  borstwering  en  gracht 
heen,  de  vlucht  nam  naar  de  stad;  het  overige  gedeelte^  in  ver- 
warring, hield  eenigen  tijd  een  ongelijkep  strijd  vol,  maar  werd 
eindelijk  door  de  Franschen  gedood  of  gevangen  genomen.  Groot 
waren  hier  de  verliezen  der  Nederlanders;  onder  anderen  sneu- 
velde toen  de  dappere  Sanderland,  drie  dagen  te  voren  reeds 
gewond,  bij  de  bestorming  van  den  bedekten  weg.  £ene  kleine 
afdeeling  Hollanders  was  teruggetrokken  in  de  binnenverschansing 
van  het  hoornwerk,  en  bleef  zich  hier  handhaven  tot  den  vol- 
genden ochtend;  toen,  hevig  bestookt  door  de  handgranaten  die 
de  vijand  in  menigte  in  die  kleine  verschansing  wierp,  trokken 
de  verdedigers  door  de  droge  gracht  naar  den  hoofdwal  terug, 
en  kwamen  door  een  ingang  bij  de  Brusselsche  poort  weer  bin- 
nen de  stad.  Lodewijk  XIV,  onderricht  dat  de  aanval  van  zijne 
troepen  met  geluk  bekroond  werd,  zond  dien  troepen  aan- 
merkelijke versterkingen;  zij  zetten  nu  hunne  voordeden  voort, 
en  vermeesterden  den  geheelen  bedekten  weg  en  de  verschillende 
buitenwerken  tusschen  de  Brusselsche  en  Tongersche  poorten,  op 
het  ravelijn  na,  vóór  laatstgenoemde  poort  gelegen.  De  bezetting, 
door  schrik  geslagen,  betoonde  op  lange  na  niet  die  geestkracht, 
die  zij  vier  dagen  vroeger  had  aan  den  dag  gelegd:  Fariaux, 
Salms  en  andere  bevelhebbers  moesten,  met  de  piek  in  de  hand, 
de  vluchtelingen  tegenhouden  en  op  den  hoofdwal  herzamelen. 

De  laatste  oogenblikken  der  verdediging  waren  gekomen;  de 
vijand  stond  nu  voor  den  hoofdwal ;  en  den  sQsteo  deed  zich  de 
donder  van  het  Fransche  geschut  onafgebroken  hooren,  en  wer- 
den de  bressen  vergroot  bij  de  Sint-Servaas-poort  reeds  aanwezig. 
De  batterij  van  9  stukken  tegen  de  Tongersche  poort  was  reeds 
genoegzaam  voltooid,  en  zou  binnen  kort  haar  vuur  kunnen 
openen;  de  Franschen  arbeidden  bij  het  ravelijn  voor  die  poort 
aan  eene  afdaling  in  de  gracht,  later  aan  een  grachtsovergang, 
en  eindelijk  aan  een  mijn  in  den  saillant  van  het  ravelijn.  Dat  er 
nabij  de  Tongersche  poort  binnen  kort  bres  zou  geschoten  wor- 
den, is  zeker;  dat  die  bres  geschoten  is,  en,  zooals  Valckenier 
zegt,  een  breedte  had  van  10  roeden,  schijnt  niet  juist;  —  zooals 
in  het  algemeen  het  dichterlijke  verhaal  van  de  belegering  van 
Maastricht,  door  dien  schrijver  gegeven,  vol  overdrijving  en  onjuist- 
heid is.  Fariaux  nam,  zoo  goed  en  zoo  kwaad  als  hij  kon,  alle 
maatregelen  ter  verdediging:  hij  deed  door  de  nog  bruikbare 
artillerie  *s  vijands  vuur  beantwoorden,  liet  onophoudelijk  hand- 
granaten werpen,  en  patrouilles  rondgaan  in  de  droge  grachten, 
ter  ontdekking  van  's  vijands  pogingen  tot  het  maken  van  grachts- 
overgangen of  tot  het  ondermijnen  van  den  hoofdwal;  tevens  liet 
hij  een  aantal  kruittonnen  nabij  de  bressen  brengen,  om  bij 
een  storm  tegen  den  vijand  te  kunnen  dienen.  Achter  die  bres- 
sen  had   men   nog  een   binnenverschansing;  maar  die  had  men 


Digitized  by 


Google 


268  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE    BESCHOUWINGEN. 

niet  achter  den  hoofdwal  bij  deTongersche  poort,  waar  het  te  voor- 
zien was,  dat  weldra  het  vijandelijke  geschut  ook  bres  zou  schieten. 
Oudtijds,  bij  de  belegeringen  in  de  Nederlanden,  rekende  men 
dat  de  verdediging  eerst  dln  krachtdadig  begon,  wanneer  de 
vijand  genaderd  was  tot  den  hoofdwal;  de  burgers  van  Haarlenu 
van  Alkmaar,  ook  eertijds  die  van  Maastricht,  en  van  zooveel 
andere  steden,  hielden  daar  de  geduchte  Spaansche  legerbenden 
tegen,  en  beantwoordden  toen  reeds  ten  volle  aan  Carnot's  stel- 
regel :  dat  bij  de '  bres  de  ware  verdediging  van  eene  vesting 
moet  beginnen.  Zooveel  geestkracht  werd  vroeger  bij  dit  gedeelte 
van  het  oorlogvoeren  door  ons  betoond,  zóó  streng  waren  de 
beginselen  omtrent  den  plicht  van  den  bevelhebber  eener  vesting, 
dat  in  1586  de  bevelhebber  van  Grave  door  beulshanden  het 
leven  verloor,  omdat  hij  te  vroeg  zijn  vesting  had  overgegeven; 
toch  was  er  toen  reeds  bres  in  den  hoofdwal,  en  was  er  reeds 
een  storm  afgeslagen.  Maar  die  heldentijd  was  in  1673  voorbij; 
en  Fariaux,  hoe  uitstekend  hij  zich  tot  nu  toe  ook  gedragen 
had,  was  niet  de  man  om,  als  een  Ripperda,  tot  aan  zijn  laatste 
krachten  de  in  puin  liggende  wallen  aan  den  vijand  te  betwisten ; 
hij  oordeelde  reeds  lang  genoeg  de  verdediging  te  hebben  vol- 
gehouden tegen  een  zoo  sterk  leger;  hij  meende  reeds  roem 
genoeg  te  hebben  verworven  door  den  kamp  tegen  den  Fran- 
schen  koning;  hij  was  nu  bedacht  op  middelen  om,  door  eene 
voordeelige  capitulatie,  zijne  troepen  te  behouden  voor  het  land. 
Het  denkbeeld  van  eene  verdediging  tot  het  laatste  oogenblik 
schijnt  bij  Fariaux  niet  te  hebben  bestaan. 

Om  billijk  te  zijn  moet  hier  worden  bijgevoegd,  dat  de  uit- 
voering van  zulk  een  denkbeeld  ook  te  kampen  zou  hebben 
gehad  met  den  onwil  en  de  openlijke  wederstreving  van  de 
Maastrichtsche  burgerij. 

Het  was  niet  meer  die  burgerij,  die,  nog  geen  eeuw  geleden, 
met  zoo  onsterfelijke  dapperheid  hare  wallen  maanden  lang  be- 
twistte aan  het  Spaansche  leger;  de  helden  die  dit  deden  hadden 
bijna  allen  den  dood  gevonden,  en  de  bevolking  was  toen  nage- 
noeg uitgemoord  geworden.  Eene  andere  burgerij  had  haar  ver- 
vangen, die  op  lange  na  niet  de  volksdeugd  der  vroegere  had, 
van  geen  opofferingen  voor  de  algemeene  zaak  wilde  hooren, 
en  mogelijk  in  stilte  verheugd  was  dat  de  Fransche  wapenmacht 
haar  zoude  afscheuren  van  eene  Republiek,  waar  zij  weinig  of 
geen  deel  had  aan  de  staatsrechten,  en  in  hare  godsdienstige 
gezindheid  gekrenkt  werd.  Verre  dus,  dat  de  burgerij  deel  zou 
nemen  aan  het  bestrijden  van  den  vijand,  was  zij  integendeel 
onwillig  tot  het  verrichten  van  dien  arbeid  die  de  verdediging 
moest  verlengen;  en  toen  de  aanvalswerken  des  vijands  reeds 
tot  den  hoofdwal  waren  genaderd  en  zijn  geschut  wijde  bressen 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   MAASTRICHT.  269 

in  dien  wal  had  geopend,  barstte  die  burgerij  bijna  tot  een  vol- 
slagen opstand  uit.  Met  een  wezenlijken  of  voorgewenden  schrik, 
herinnerde  men  zich  den  jaardag  van  den  agsten  Juni,  den  dag 
toen  Parraa's  leger  als  een  alles  overweldigende  stroom  de  ves- 
ting binnendrong,  en  de  moord  door  de  straten  der  stad  voort- 
holde. Men  riep  dat  men  zich  niet  moest  blootstellen  aan  eene 
herhaling  van  dien  dag  van  jammer  en  toorn;  dat  het  onverant- 
woordelijk was,  eene  weerlooze  burgerij  door  de  krijgsbenden 
van  Lodewijk  XIV  te  doen  slachten,  die,  stormenderhand  de 
stad  binnendringende,  even  weinig  mededoogen  zouden  kennen 
als  vroeger  de  Spanjaarden:  dat  het  dus  plicht  was,  met  den 
vijand  in  vergelijk  te  treden  en  de  stad  over  te  geven,  daar  toch 
geen  ontzet  was  te  wachten,  en  de  verdediging  onmogelijk  nog 
lang  kon  worden  gerekt. 

Fariaux  poogde  in  den  beginne  de  burgerij  tot  betere  gedach- 
ten te  brengen,  en  haar  aan  te  moedigen  tot  het  voortzetten 
van  de  verdediging;  maar  de  herhaalde  bezendingen  van  de 
stedelijke  regeering  en  van  de  geestelijkheid,  de  dringende  ver- 
loogen  door  die  lichamen  ingebracht,  de  volksoploopen  die  al 
meer  en  meer  ernstig  en  dreigend  werden,  het  buiten  gevecht 
stellen  van  een  aantal  bevelhebbers  en  andere  officieren,  de 
meening  van  den  krijgsraad  die  tegen  de  voortzetting  van  de 
verdediging  was,  —  dit  alles  deed  den  opperbevelhebber  be- 
zwijken en  toegeven.  Den  3osten  Juni  werd  het  sein  der  over- 
wonnenen, de  Chamade^  op  den  hoofdwal  geslagen;  men  trad  in 
onderhandeling  met  den  vijand;  en  den  isten  Juli  werd  eene 
capitulatie  gesloten,  waarbij  de  overgave  der  vesting  werd  be- 
dongen tegen  vrijen  aftocht  der  bezetting  met  wapens  en  krijgs- 
eer.  —  Den  2 en  Juli  defileerde  de  bezetting  voorbij  Lodewijk  XIV 
en  bereikte  den  6en  's  Hertogenbosch. 

Zoodanig  was  dat  beleg  van  Maastricht,  voor  zoover  men  dit 
kan  opmaken  uit  de  onvolledige,  onduidelijke  en  tegenstrijdige 
berichten  der  verschillende  schrijvers.  Wij  waarborgen  niet,  dat 
het  verhaal  dat  wij  daaruit  hebben  samengesteld,  in  alle  bijzon- 
derheden waar  is;  maar  wij  geven  het  als  het  meest  waar- 
schijnlijke. Aan  nauwkeurigheid  en  waarheid  heeft  de  krijgs- 
geschiedenis  sedert  de  17e  eeuw  zeker  zeer  veel  gewonnen;  want 
stellig  zal  men  bij  de  schrijvers  over  een  hedendaagsch  wapen- 
feit nooit  zulke  tegenspraak  vinden  als  bij  de  schrijvers  over 
het  beleg  van  Maastricht.  Dat  men  de  eene  of  andere  verrich- 
ting, het  een  of  ander  wapenfeit  bij  de  eene  partij  wel  eens 
geheel  anders  ziet  voorgesteld  dan  bij  de  andere  en  het  belang 
daarvan  ziet  vergrooten  of  verkleinen,  naar  gelang  van  den  land- 
aard des  schrijvers,  —  dit  zal  men  ook  in  de  19e  eeuw  nog 
aantreffen;   maar  toch  niet  in  die   mate  als  vroeger.  De  eene 


Digitized  by 


Google 


270  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

schrijver  over  het  beleg  van  Maastricht  spreekt  van  een  aantal 
mijnen,  waarvan  de  andere  zwijgt;  van  bressen,  die  denkelijk  niet 
bestaan  hebben;  zelfs  omtrent  de  datums  bestaat  verschil:  de 
eene  schrijver  stelt  de  inneming  van  het  hoornwerk  op  den 
aysien^  de  andere  op  den  aSsten  Juni;  volgens  den  een  zijn 
de  loopgraven  geopend  in  den  nacht  van  den  i3cn,  volgens 
anderen  in  den  nacht  van  den  i7en;  volgens  onze  schrijvers 
heeft  het  beleg  geduurd  17  dagen,  volgens  de  Fransche  slechts 
ï3i  volgens  Voltaire  zelfs  slechts  8;  —  't  is  waar,  de  laatste 
heeft  als  geschiedschrijver  bij  het  vermelden  van  feiten  eene 
lichtzinnige  oppervlakkigheid,  die  den  lezer  telkens  de  eigen 
woorden  des  schrijvers  in  het  geheugen  roept :  „e/  cependant,  eest 
ainsi  quon  écrit  Vhhtoire^'* 

Ook  de  opgaven  van  de  verliezen  zijn,  zooals  gewoonlijk,  uit- 
eenloopende.  Bij  de  monstering,  den  6en  Juli  te  's  Hertogenbosch 
over  de  uitgetrokkene  bezetting  gehouden,  bleek  het  dat  die  toen 
nog  de  volgende  sterkte  had:  de  8  Hollandsche  regimenten 
infanterie  2230  man;  het  Italiaansche  regiment  225;  de  12  com- 
pagnieën Hollandsche  kavalerie  —  vroeger  werd  van  13  com- 
pagnieën gesproken  —  412  ruiters;  de  2  Spaansche  regimenten 
van  Salms  en  Moerbeek  350  ruiters;  alles  en  alles  2455  ii^f2.n- 
teristen  en  762  ruiters.  Men  kan  dus  daaruit  besluiten,  dat  het 
verlies,  in  het  beleg  geleden,  niet  boven  de  16  è.  1700  man 
was,  aan  dooden  en  gewonden;  de  gevangenen  waren,  aan  weers- 
zijden, ontslagen.  —  Onder  de  gewonde  officieren  wordt  Coehoorn 
vermeld,  toen  kapitein  der  infanterie. 

De  verliezen  der  Franschen  worden,  volgens  hunne  eigene  op- 
gaven, op  een  groote  2000  man  geschat;  maar  onze  schrijvers 
stellen  die  veel  hooger,  en  begrooten  ze  op  6,  op  8,  zelfs  op 
10  000  man.  De  schrijver  van  de  Guerre  de  Hollande  zegt,  dat 
het  Fransche  leger  bij  het  beleg  van  Maastricht  een  3000  man 
verloor. 

Wat  bij  Rousset  voorkomt  over  dit  beleg  van  Maastricht  ver- 
dient hier  kortelijk  vermeld  te  worden,  omdat  het  dit  wapenfeit 
voorstelt  uit  het  gezichtspunt  van  den  belegeraar.  Het  beleg  van 
Maastricht  in  1673  was  de  eerste  der  groote  belegeringen  door 
Lodewijk  XIV  in  persoon  bestuurd;  vandaar  dat  de  meeste 
Fransche  schrijvers  dat  beleg  met  zooveel  ophef  en  met  zooveel 
welgevallen  behandelen;  de  voorstelling  die  Rousset  van  het 
beleg  geeft,  is  duidelijk,  goed  beredeneerd  en  vrij  onpartijdig. 

{Hhtoire  de  Louvois^  i®  deel,  blz.  452).  >De  Koning  wilde  wer- 
kelijk al  den  roem  van  den  veldtocht  voor  zich  behouden.  Het 
jaar  te  voren  had  hij  Maastricht  verwaarloosd,  om  sneller  door 
te  dringen  tot  in   het  hart  van  Holland;  daar  dit  jaar  Holland 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   MAASTRICHT.  27  1 

hardnekkig  zijn  grond  onder  water  liet,  liever  dan  dien  over  te 
geven,  was  Maastricht  het  eenige  kwetsbare  punt,  waar  de  toorn 
van  Lodewijk  XIV  het  nog  kon  treffen.  Meer  uit  hoogmoed  dan 
uit  voorzorg,  bracht  Lodewijk  XIV  alles  bijeen  wat  ter  over- 
winning kon  leiden;  een  mislukte  onderneming  zou  nog  meer 
kwaad  hebben  gedaan  aan  zijn  roem  dan  aan  zijn  belangen; 
alleen  met  wiskundige  zekerheid  wilde  hij  toeslaan.  Daar  de 
32000  man,  die  hij  zich  voorbehouden  had  bij  de  verdeeling 
van  de  strijdkrachten,  hem  niet  genoegzaam  voorkwamen  tot 
afwering  van  elke  kwade  kans  bij  een  zoo  groote  onderneming, 
had  hij  besloten,  een  deel  van  Turenne's  leger  aan  het  beleg  te 
doen  deelnemen.  Turenne  werd  dus  evenzeer  opgeofferd  als 
Condé ;  maar  hij  had  minder  reden  tot  klagen,  daar  hij  nog  geen 
vijand  had  te  bestrijden.  Indien  's  Keizers  troepen  al  tegen  hem 
zouden  oprukken,  scheen  het  toch  dat  zij  nog  niet  gereed  waren 
om  hunne  kwartieren  te  verlaten;  de  traagheid  van  die  troepen 
was  spreekwoordelijk  geworden  bij  alles  wat  krijgsman  was.  Niet 
alleen  dat  Turenne  geen  zwarigheid  maakte  om  zich  te  berooven 
van  een  deel  zijner  legermacht,  maar  hij  achtte  de  inneming  van 
Maastricht  zelfs  van  zoo  hoog  gewicht  voor  's  Konings  belangen, 
dat  hij  Louvois  voorstelde  om  eene  grootere  macht  af  te  zen- 
den dan  deze  hem  vroeg." 

Den  6en  Juni  wordt  Maastricht  ingesloten  op  den  linkeroever 
van  de  Maas;  den  yen  op  den  rechteroever.  Door  schijnbewe- 
gingen heeft  het  Fransche  leger  de  Spanjaarden  misleid,  die  niet 
vermoedden   dat  het  Maastricht  zou  gelden  (Rousset,  blz.  458): 

...>Wat  graaf  Monterey  aangaat,  hij  was  volkomen  misleid 
geworden;  geen  enkel  Spanjaard  had  er  aan  gedacht,  zich  bin- 
nen de  vesting  Maastricht  te  werpen.  Toch  was  de  bezetting, 
hoezeer  aan  eigen  krachten  overgelaten,  in  geenen  deele  ont- 
moedigd; zij  bestond  uit  6  k  7000  man  goede  troepen,  aange- 
voerd door  een  zeer  verdienstelijk  officier,  een  Franschman  van 
afkomst:  zijn  naam  was  Fariaux."  —  Niet  geheel  juist. 

Den  loen  Juni  komt  Lodewijk  XIV  voor  Maastricht;  er  wor- 
den kampen  gemaakt;  circonvallatie-  en  contrevallatie-liniën ; 
schipbruggen  over  de  Maas,  boven  en  beneden  de  stad: 

(Blz.  458)...» Binnen  de  liniën  hadden  de  Fransche  troepen 
eene  werkelijke  sterkte  van  26000  man  voetvolk  en  19000  ruiters; 
het  artillerie-park  bestond  uit  58  vuurmonden ;  in  de  magazijnen 
van  het  kamp   had  men  leeftocht  en  munitie  voor  zes  weken." 

Men  maakt  een  begin  met  drie  aanvallen :  tegen  Wijck,  tegen 
de  Brusselsche  poort,  en  tegen  de  Tongersche  poort;  »van  die 
drie  aanvallen  was  alleen  de  laatste  een  ernstige  aanval"  (blz. 
459).  De  loopgraven  worden  geopend,  nabij  de  Jeker,  in  den 
nacht  van  17  op  18  Juni;  —  ook  Rousset*s  opgave  is  hier  in 
strijd  met  die  van  ónze  schrijvers: 


Digitized  by 


Google 


272  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

(Blz.  459—468) . . .  iDen  volgenden  dag  ving  het  vuur  van  weers- 
zijden, met  ongewone  hevigheid  aan;  in  30  uren  tijds  deden  de 
Fransche  batterijen,  met  26  vuurmonden  bewapend,  niet  minder  dan 
5000  schoten;  een  dier  batterijen,  op  den  Sint  Pietersberg,  tusschen 
de  Jeker  en  de  Maas,  deed  vooral  eece  groote  uitwerking  omdat 
zij  eenige  werken  der  vesting  van  ter  zijde  nam  (/)  re^'ers)]  het 
geschut  der  vesiing,  aanvankelijk  zeer  goed  bediend  en  gericht, 
werd  dan  ook  spoedig  gedemonteerd,  of  tot  zwijgen  gebracht. 

Toch  verbaasde  die  uitwerking  van  het  geschut  de  verdedigers 
van  Maastricht  nog  minder  dan  de  wijze  waarop  de  aanvals- 
werken  werden  geleid;  zelfs  bij  de  belegeraars  wekte  dit  ver- 
bazing op,  en  bewondering.  Gewoonlijk  gingen  de  loopgraven 
vooruit  met  smalle  gangen,  op  zichzelve  staande,  of  ten  minste 
zonder  geregelde  gemeenschap.  Vauban  was  op  het  denkbeeld 
gekomen  om  de  loopgraven  breeder  te  maken,  ze  te  verbinden 
door  parallellen,  en  deze  van  uitgebreide  wapenplaatsen  te 
voorzien,  waar  de  loopgravenwacht  zich  bij  een  uitval  van  den 
vijand  ongehinderd  kon  ontwikkelen.  De  parallellen  waren,  zeide 
men,  voor  het  eerst  door  de  Turken  gebruikt  bij  de  belegering 
van  Candia;  misschien  was  Vauban  er  mee  bekend  geworden 
door  een  jong  ingenieur,  Paul  genaamd,  die  bij  de  Venetiaansche 
krijgsmacht  had  gediend;"  (in  eene  noot  wordt  gezegd:  ^die 
jonge  ingenieur,  van  wien  men  veel  verwachting  had,  sneuvelde 
juist  bij  dit  beleg  van  Maastricht"),  i  zooveel  is  zeker,  dat  hij" 
(Vauban)  idit  nieuwe  aan  valsmiddel  dadelijk  tot  een  hoogen 
trap  van  volmaaktheid  bracht.  De  wijze  waarop  de  loopgraven 
werden  geleid"  —  zoo  heeft  Lodewijk  XIV  gezegd  —  t  belette 
den  belegerden  iets  te  ondernemen;  want  het  was  zoo  goed  als 
in  slagorde  dat  men  de  vesting  naderde,  met  groote  parallellen, 
breed  en  ruim,  zoodat  men,  met  behulp  van  de  banketten  die 
daarin  waren,  met  een  zeer  groot  front  den  vijand  kon  te  ge- 
moet  gaan.  De  Gouverneur  en  de  officieren  die  in  Maastricht 
waren,  hadden  nog  nooit  iets  dergelijks  gezien;  hoewel  Fariaux 
reeds  in  vijf  of  zes  belegerde  steden  was  geweest,  maar  waar  de 
aanvaller  alleen  vooruitging  met  loopgraven,  zóó  eng,  dat  het 
bij  den  minsten  uitval  onmogelijk  was  daar  stand  te  houden.  De 
vijand,  verbaasd  ons  op  die  wijze  en  met  zoo  sterke  macht  te 
zien  naderen,  besloot  niets  te  ondernemen,  zoolang  wij  op  zoo 
omzichtige  wijze  bleven  vooruitgaan."  —  Na  die  getuigenis  van 
Lodewijk  XIV  nu  de  getuigenis  van  een  subaltern  officier: 
>in  de  eerste  dagen  hebben  die  loopgraven  ons  weinig  gekost; 
bij  dit  beleg,  en  bij  vele  andere,  heeft  Vauban  door  zijne  kunde 
veel  menschenlevens  behouden.  Wie  in  de  loopgraven  gaat,  gaat 
ter  slachtbank,  —  zeide  men  eertijds;  thans  richt  hij  ze  zóó  in, 
dat  men  tehuis  nauwelijks  veiliger  is."  {Mémoires  inédit%  du  Comie 
d^Aligny;  —  hij  was  toen  subaltern  officier  bij  de  Mousqueiaires). 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN  MAASTRICHT.  273 

»Het  leven  van  den  soldaat  te  sparen;  te  voorkomen  dat  het 
altijd  kostbare  menschenbloed  noodeloos  werd  vergoten;  dit  is, 
inderdaad,  altijd  het  voorname  streven  geweest  van  Vauban,  zijn 
eer,  zijn  roem.  Niets  evenaarde  dan  ook  zijn  misnoegen  jegens 
hen  die  roekeloos  en  onnoodig  het  leven  waagden,  tik  weet 
niet,"  zeide  hij,  >met  wat  naam  ik  het  moet  bestempelen,  praal- 
zucht, ijdelheid,  of  luiheid,  die  neiging  die  wij  hebben  om  ons 
ten  ontijde  door  den  vijand  te  laten  zien,  en  om,  zonder  nood- 
zakelijkheid, ons  bloot  te  geven  buiten  de  loopgraven ;  maar  ddt 
weet  ik,  dat  die  luiheid  of  die  ijdelheid  —  noem  het  zooals  gij 
wilt  —  ons  gedurende  dit  beleg  meer  dan  honderd  man  heeft 
gekost,  die  gesneuveld  zijn  of  gewond,  geheel  ten  ontijde  en 
zonder  nut.  Dat  is  een  erfzonde  die  de  Franschen  nooit  zullen 
afleggen,  tenzij  dat  God  almachtig  het  geheele  ras  van  aard  ver- 
andert." —  Lodewijk  XIV  zelf,  was  niet  geheel  en  al  vrij  van 
dit  gebrek" 

9  Naar  gelang  men  de  vesting  meer  nabij  kwam,  werd  de  nade- 
ring met  meer  nadruk  betwist  door  den  verdediger;  Louvois  was 
verplicht  de  waarde  te  erkennen  van  eene  verdediging,  idie 
men,"  —  zeide  hij  —  » van  de  Hollanders  niet  had  kunnen  ver- 
wachten." De  loopgraven  hadden  intusschen  den  teen  van  het 
glacis  bereikt.  In  den  nacht  van  24  op  25  Juni  snelden  drie 
stormkolonnen  gelijktijdig  uit  de  drie  hoofden  van  aanval  voor- 
uit. Bij  den  aanval  naar  de  zijde  van  de  Tongersche  poort 
vermeesterden  en  behielden  de  bestormers  den  bedekten  weg  en 
het  ravelijn  vóór  het  hoornwerk;  vruchteloos  waren  het  vreese- 
lijke  musket-  en  granaatvuur  van  de  belegerden,  de  mijnen  die 
zij  deden  springen,  en  de  tegenaanval  door  Fariaux  in  persoon 
bestuurd.  Bij  de  twee  andere  aanvallen,  die  alleen  hadden 
moeten  dienen  om  de  eerste  te  begunstigen,  moest  men  zich 
tevreden  stellen  met  het  verwoesten  van  de  werken,  die  men 
eenige  uren  in  bezit  had  gehad;  ongelukkig  had,  bij  den  linker 
aanval^  naar  de  zijde  van  de  Brusselsche  poort,  Montal, 
door  zijn  drift  vervoerd,  zijne  bevelen  overschreden  en  nutteloos 
veel  volk  opgeofferd.  Over  het  geheel  had  men  een  belangrijk 
voordeel  behaald;  maar,  hoe  duur  gekocht!  d'Artagnan,  de  ver- 
maarde aanvoerder  der  Mousquetaires,  was  gesneuveld;  120  offi- 
cieren, 80  mousquetaires  en  700  soldaten  waren  gedood  of  ge- 
wond. Zeker  is  het  echter,  dat  dit  gevecht,  dat  zoo  duur  betaald 
was,  het  einde  van  het  beleg  toch  zeer  verhaastte.  In  den  nacht 
van  27  op  28  Juni  werd  het  hoornwerk  genomen,  met  veel  minder 
inspanning  en  verlies ;  men  groef  zich  daar  in ;  in  den  nacht  van 
29  op  30  werd  eene  bresbatterij  opgeworpen^  en  in  het  laatste 
ravelijn  vóór  de  Tongersche  poort  een  mijnkamer  gemaakt.  Den 
3osten,  met  het  aanbreken  van  den  dag,  hadden  alle  batterijen 

WILLEM   IIL    —    I.  18 


Digitized  by 


Google 


274  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

haar  vuur  geopend,  toen  de  belegerden  vroegen  om  te  onderhan- 
delen. Spoedig  werd  men  het  eens  over  de  voorwaarden  der 
overgave.  Den  2en  Juli  trok  de  bezetting  uit  naar  's  Hertogen- 
bosch;  zij  had  meer  dan  2000  man  verloren.  Dank  zij  Vauban, 
waren  de  verliezen  van  het  Fransche  leger  minder,  in  weerwil 
van  den  bloedigen  strijd  van  den  assten;  zij  bedroegen  niet  meer 
dan  15  of  1600  man." 

Het  kan  misschien  bewezen  worden,  dat  Amerika  ontdekt  is, 
nog  vóór  Colurabus;  toch  is  en  blijft  Columbus  de  ware  ont- 
dekker. Zoo  is  het  ook  met  Vauban  en  de  parallellen:  al  heb- 
ben de  Turken  voor  Candia  gebruik  gemaakt  van  parallellen; 
al  merkt  men  ook  bij  nog  vroegere  belegeringen  aanvalswerken 
op,  die  zeer  veel  hebben  van  eene  aanwending  der  parallellen, 
toch  is  en  blijft  Vauban  de  uitvinder;  want  hij  is  de  eerste  ge- 
weest, die  ze  voortdurend  en  naar  vaste  stelregels  heeft  gebruikt. 
Dat  dit,  wat  de  groote  belegeringen  betreft,  het  eerst  voor  Maas- 
tricht is  gebeurd,  doet  Rousset  met  recht  uitkomen ;  —  over  het 
geheel  is  zijn  verhaal  van  dat  beleg  goed. 

Het  is  een  oude  opmerking,  dat  men  bij  de  Fransche  schrijvers 
niet  te  veel  moet  bouwen  op  nauwkeurigheid  van  de  cijfers ;  het 
is,  alsof  zij  die  nauwkeurigheid  als  iets  van  ondergeschikt  belang 
beschouwen;  de  toeleg  om  den  lezer  opzettelijk  te  misleiden  be- 
staat bij  hen  niet;  want  meestal  geven  zij  zelve  de  middelen  aan 
de  hand  om  het  onjuiste  in  hunne  opgaven  aan  te  wijzen. 
Rousset  geeft  hiervan  weer  het  bewijs.  Het  verlies  van  de  Fran- 
schen  bij  den  storm  van  den  24sten  op  den  25sten  Juni  begroot 
hij,  aan  dooden  en  gewonden,  op  »i2o  officieren,  80  Mousque- 
taires  en  700  soldaten";  dus  dat  maakt,  goed  geteld,  te  zamen 
900  gesneuvelden  en  gewonden.  Maar  in  een  noot  voegt  hij  er 
bij:  het  Regiment  du  Rot  had  het  meest  geleden:  53  officieren 
gedood  of  gewond,  200  soldaten  gesneuveld,  330  gewond;  dan 
volgt  het  Regiment  du  Dauphin:  40  officieren  en  300  soldaten  aan 
dooden  en  gewonden."  —  Telt  men  dit  alles  op,  dan  komt  men 
tot  een  cijfer  van  923  man  aan  dooden  en  gewonden.  Dus,  alleen 
die  twee  regimenten  zouden  reeds  meer  verloren  hebben  dan  het 
geheele  leger,  waarvan  het  verlies  op  900  man  wordt  gesteld !  — 
Dat   zijn  dus  cijfers  die  maar  onnadenkend  zijn  neergeschreven. 


Toen  Maastricht  ingenomen  was,  vreesde  Willem  III  dat  het 
nu  de  eene  of  andere  Noord-Brabandsche  vesting  zou  gelden, 
Den  Bosch  of  Breda.  Om  die  vestingen  te  beschermen  had  de 
Stadhouder,  omstreeks  half  Juli,  bij  Greertruidenberg  eene  macht 
vereenigd  van  een  18000  man;  hij  had  de  toezegging  van  de 
zijde  der  Spanjaarden,  dat  dezen  met  een  15000  man  zijn  leger 
zouden  versterken ;  —  op  die  15  000  Spanjaarden  viel  echter  niet 


Digitized  by 


Google 


ONTBINDING  VAN   HET   LEGER   VAN   LODEWUK    XIV.  275 

veel  te  rekenen,  daar  de  Spaansche  bewindhebbers  van  die  dagen 
milder  waren  met  hunne  beloften  dan  met  htmne  daden:  het 
was  geen  kwade  trouw  van  hunne  zijde,  maar  onmacht,  die  zij 
poogden  te  verbergen  onder  grootspraak.  Een  oogenblik  scheen 
het,  alsof  het  werkelijk  Noord-Braband  zou  gelden;  want  den 
i5en  Juli  verliet  Condé,  met  een  deel  zijner  macht,  Utrecht; 
trok  eerst  op  Arnhem,  en  nam  daarna  stelling  tusschen  Grave 
en  Den  Bosch:  hier,  versterkt  door  eenige  troepen  van  het  leger 
bij  Maastricht,  had  Condé  een  12  a  14000  man  bijeen,  en  maakte 
hij  verschillende  toebereidselen  die  het  voornemen  schenen  aan 
te  duiden  om  Den  Bosch  te  belegeren. 

Van  dat  beleg  kwam  echter  niets.  Lodewijk  XIV  oordeelde 
genoeg  gedaan  te  hebben  met  het  nemen  van  Maastricht;  daar 
werd  eene  bezetting  geplaatst  van  een  6000  man  voetvolk  en 
een  1200  ruiters,  onder  d'Estrades;  het  overige  van  het  Fransche 
leger  ging  uiteen:  de  afdeeling,  ontnomen  aan  Turenne's  leger, 
keerde  derwaarts  terug;  eene  andere  afdeeling,  onder  Rochefort, 
trok  naar  den  Moezel,  naar  Trier;  Condé  ging  met  een  8000 
man  naar  Vlaanderen,  waar  hij  het  opperbevel  verkreeg.  In 
Holland  werd  Luxembourg  weer  opperbevelhebber.  —  Zoo  loste 
zich  die  onweerswolk  op,  die  Holland  had  bedreigd. 

Toentertijd  begonnen  er  vredesonderhandelingen  te  Keulen ; 
zij  hebben  tot  niets  geleid,  en  daarom  zullen  wij  er  ons  niet  bij 
ophouden.  Wij  bepalen  ons  met  in  het  algemeen  te  zeggen,  dat 
Frankrijk  daarbij  den  afstand  eischte  van  Maastricht,  van  Staats- 
Braband  en  van  Nijmegen.  De  zuidelijke  grens 'van  het  grond- 
gebied der  Republiek  zou  dus  dan  zijn  uitgemaakt  door  den 
Waal  en  de  Maas. 

•  Misschien,"  zegt  Rousset  (i*  deel,  blz.  473—474),  «zouden 
de  Hollanders  het  jaar  te  voren  op  die  voorwaarden  vrede  heb- 
ben gesloten;  maar  de  toestand  was  geheel  veranderd.  Holland 
verkreeg  met  den  dag  bondgenooten,  terwijl  Frankrijk  geïsoleerd 
begon  te  worden ;  de  overwinningen,  door  De  Ruyter  en  Tromp 
behaald  op  de  vereenigde  vloten  van  Frankrijk  en  Engeland, 
verzekerden  niet  alleen  hun  land  aan  de  zeezijde,  maar  gaven 
het  zelfs  een  krachtig  overwicht  ter  zee.  Het  was  dus  wel  Lou- 
vois*  eigen  schuld,  als  hij  niet  begreep  idat  de  Hollanders  zoo 
door  den  duivel  bezeten  waren,  van  geen  vrede  te  willen." 

Openlijk  werd  nu  bijstand  toegezegd  aan  Holland,  —  toege- 
zegd,  dit  moet  niet  altijd  vereenzelvigd  worden  met  gegeven  — : 
...iDen  3o5ten  Augustus" (i 673)  > werden  in  Den  Haag  drie  offen- 
sieve verbonden  gesloten  tusschen  de  Staten- Generaal,  den  Kei- 
zer, den  koning  van  Spanje  en  den  hertog  van  Lotharingen.  Het 
was  de  aanvang  der  coalitiën  tegen  Frankrijk..."  (Hhtoire  de 
Louvois^  I*  deel,  blz.  474). 


Digitized  by 


Google 


276  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

•Hoe!"  —  roept  Rousset  verder  uit  (blz.  477 — 478)  —  ihoe! 
De  diplomatie  en  de  wapenmacht  waren  volkomen  geslaagd  bij 
zooveel  ondernemingen;  zooveel  steden  waten  veroverd,  om 
zoo  te  zeggen  in  het  voorbijgaan;  èn  toch  had  men  daardoor 
ten  vorigen  jare  geen  vrede  kunnen  krijgen!  Hoe!  was  dit  jaar 
alles  niet  ten  einde  gebracht,  nu  de  keurvorst  van  Brandenburg 
de  wapenen  had  neergelegd,  nu  Maastricht  was  ingenomen! 
Hoe!  dat  kleine  Holland,  waarvan  de  eene  helft  was  veroverd 
en  de  andere  helft  onder  water  stond,  dat  bood  nog  weerstand; 
en  niet  alleen  dat  het  nog  weerstand  bood,  maar  het  hitste  zelfs 
een  groot  deel  van  Europa  tegen  Frankrijk  op!  En  toch  was 
het  zoo;  de  oorlog  met  Holland  was  geëindigd;  de  oorlog  met 
Europa  begon." 

Die  opmerking  van  den  Franschen  schrijver  is  van  eene  tref- 
fende waarheid ;  wie  met  wijsgeerigen  blik  de  geschiedenis  gade- 
slaat, zal  in  de  gebeurtenissen  van  1672  en  van  de  volgende 
jaren  weer  een  opmerkelijk  bewijs  vinden  hoe  het  kwaad  zich 
zelf  straft,  en  hoe  de  vernedering  vaak  volgt  op  den  hoogmoed. 
Tegen  alle  recht  in,  begint  Lodewijk  XIV  in  1672  den  oorlog 
tegen  ons;  hij  overwint,  spoedig  en  volkomen;  de  Republiek 
ligt  machteloos  aan  zijne  voeten,  zij  smeekt  om  vrede,  zelfs 
onder  harde,  onder  drukkende  voorwaarden;.  —  vergeefs:  de 
trotsche  overwinnaar,  door  zijn  krijgsgeluk  bedwelmd,  luistert 
naar  niets  en  heeft  slechts  spot  en  hoon  ten  antwoord;  —  het 
is,  alsof  men  den  Ilias  leest,  waar  Homerus  »de  nederige  beden 
(de  smeekgebeden,  dochters  van  Jupiter)"  afschildert,  »die,  met 
gerimpeld  gela*at  en  met  kreupelen  tred  den  hoon  volgen,  om 
zijn  vergrijp  te  boeten."  —  Maar  die  onverbiddelijkheid  van  den 
overwinnaar  strekt  hem  ten  verderve;  onze  voorouders  putten 
moed  uit  hun  wanhoop;  zij  gorden  zich  krachtig  aan  tot  den 
kamp  tegen  Frankrijk;  met  eiken  dag  winnen  zij  in  sterkte  en 
zelfvertrouwen;  weldra  is  het  Frankrijk,  dat,  den  krijg  moede, 
naar  vrede  streeft ;  weldra  is  het  de  Republiek,  is  het  Willem  UI, 
die  van  geen  vrede  willen  weten;  en  de  dag  van  vergelding  zal 
aanbreken,  waarop  de  Fransche  koning  te  vergeefs  zijn  trots  zal 
buigen  voor  dat  Nederland,  dat  hij  eenmaal  zoo  versmaadde.  Er 
is  waarheid  in  de  verzen  van  Helmers: 


41 


ȣen  Fransche  Sultan  zendt  zijn  benden, 
met  ketenen  naar  Holland  neer. 
Één  polsslag  nog,  —  wij  zijn  niet  meer! 
Wie  zal  die  rampen  van  ons  wenden?  — 
Hoe!  wanhoopt  gij?  —  God  kent  uw  wee; 
de  Sultan  die  in  de  arm  der  weelde, 
reeds  Neêrland's  grond  als  buit  verdeelde, 
smeekt  ras  aan  Nederland  om  vree." 


Digitized  by 


Google 


ONTBINDING   VAN   HET   LEGER   VAN    LODEWlJK   XIV.  277 

Tegenwoordig  wordt  de  grootheid  van  Willem  III  als  staats- 
man en  regent  door  niemand  betwijfeld,  die  niet  geheel  en  al 
vreemd  is  aan  de  studie  der  geschiedenis.  In  1673  oordeelde 
Louvois  er  nog  anders  over ;  later  is  hij  van  meening  veranderd. 

Pas  opgetreden  als  hoofd  van  de  Republiek  ontwikkelt  de 
Stadhouder,  reeds  toen,  die  groote  staatkundige  bekwaamheid, 
die  hem  spoedig  de  ziel  maakte  van  het  aan  Frankrijk  vijandige 
Europa;  reeds  toen  poogde  hij  alom  onderhandelingen  aan  te 
knoopen,  ten  einde  zich  bondgenooten  aan  te  werven  in  den 
kamp  tegen  Lodewijk  XIV;  en  de  zomer  van  1673  bewees  reeds 
hoe  schitterend  hij  daarin  was  geslaagd.  Maar  natuurlijk  was  het, 
dat  Willem  III  bij  die  handelingen  de  miskenning  ondervond, 
die  het  genie  bij  zijn  eerste  optreden  altijd  ondervindt:  alleen 
na  verloop  van  tijd  wordt  het  naar  waarde  gehuldigd.  Zie  onder 
andere  in  Rousset's  werk  (i*  deel,  blz.  432 — 433),  op  welk  een 
spottenden  en  minachtenden  toon  Louvois  gewaagt  van  die  eerste 
staatkundige  handelingen  van  den  grooten  Stadhouder: 

...  1  Elders  betrapt  Louvois  den  Prins  van  Oranje,  terwijl  deze 
bezig  is  Europa  opnieuw  te  verdeelen,  ten  koste  van  Frankrijk, 
van  Zweden,  van  Holland  zelf.  Aan  den  hertog  van  Lotharingen 
heeft  Willem  beloofd  zijn  hertogdom  terug  te  geven;  aan  de 
Spanjaarden  de  vestingen  in  Staats-Vlaanderen  en  in  Staats- Br aband, 
het  doen  vervallen  van  het  traktaat  van  Aken,  en  het  terug- 
keeren  tot  het  traktaat  der  Pyreneën ;  aan  den  koning  van  Dene- 
marken de  teruggave  van  de  gewesten  hem  door  de  Zweden 
ontnomen;  aan  den  keizer  Brisach^  Philipsburg,  den  geheelen 
Elzas,  benevens  het  palatinaat  van  Sandomir,  en  dat  van  Krakau 
en  van  Lublin  —  reeds,  een  eeuw  vooruit,  eene  verdeeling  van 
Polen!  —  't  is  waar,  in  ruil  zouden  de  Polen  Zweedsch-Pom- 
meren  erlangen.  Louvois  spot  met  die  plannen:  fde  Prins  van 
Oranje"  —  schrijft  hij  aan  Stoppa  —  1  heeft  ongetwijfeld  hooren 
zeggen,  dat  Alexander  op  die  wijze  over  koninkrijken  beschikte ; 
en  hoewel  hij  noch  de  dapperheid,  noch  het  verstand,  noch  de 
legers  van  Alexander  heeft,  meent  hij  toch  de  Alexander  van 
deze  eeuw  te  zullen  zijn,  als  hij  hem  maar  navolgt  in  die  lan- 
denverdeeling,  hoe  hersenschimmig  die  ook  moge  zijn.  Had  ik 
tijd  genoeg  om  de  geschiedenis  te  lezen  van  Don  Quichotte,  ik 
zou  een  zeer  juiste  vergelijking  kunnen  maken  tusschen  dezen 
en  den  man  waarvan  ik  spreek..." 

De  dag  zal  komen  waarop  men  op  een  anderen  toon  van 
Willem  III  zal  spreken. 

In  het  voorbijgaan  merken  wij  aan,  dat  Rousset  hier  verkeerd 
doet,  met,  op  grond  van  losse,  door  niets  gestaafde  ontwerpen, 
den  naam  van  den  Stadhouder  in  verband  te  brengen  met  die 
latere  gruweldaad,  de  verdeeling  van  Polen.  Dat  Willem  III 
overal  bondgenooten  zocht  voor  de  Republiek,  en  daarbij   mis- 


Digitized  by 


Google 


278  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

schien  niet  zuinig  is  geweest  met  beloften  en  toezeggingen,  dat 
was  zeer  verklaarbaar,  zeer  natuurlijk;  het  was  voor  hem  eene 
hoofdzaak  om  het  grondgebied  van  de  Republiek  zoo  spoedig 
mogelijk  vrij  te  maken  van  de  vijandelijke  wapenmacht,  die  daar 
op  de  ergste  wijze  huishield  en  zwaren  druk,  onlijdelijk  wee 
over  het  land  verspreidde. 


HOOFDSTUK  X. 

naarden;    WINTERVELDTOCHT  VAN    1673*,   ONTRUIMING 
VAN   HOLLAND. 

Toen  de  Ruyter's  overwinningen  de  vrees  voor  eene  landing 
in  Holland  hadden  doen  verdwijnen,  en  Lodcwijk  XIV  na  de 
inneming  van  Maastricht  zijn  leger  had  verdeeld  en  tot  onbe- 
duidende verrichtingen  aangewend,  achtte  Willem  III  het  oogen- 
blik  gekomen  om,  op  zijn  beurt,  tot  den  aanval  over  te  gaan, 
en,  evenals  het  jaar  te  voren,  den  oorlog  over  te  brengen  naar 
de  Spaansche  Nederlanden,  of  naar  den  kant  van  den  Rijn,  om 
daardoor  den  vijand  te  dwingen  het  grondgebied  der  Republiek 
te  ontruimen.  Er  was  nu  meer  hoop  dat  die  aanvallende  bewe- 
ging voordeel  zou  aanbrengen,  daar  een  bondgenootschap,  den 
isten  Juli  te  's  Gravenhage  met  Spanje  en  den  Keizer  gesloten 
en  den  3osten  Augustus  bekrachtigd,  de  hulp  van  die  bondge- 
nooten  bepaaldelijk  had  toegezegd;  Monte  Cuculi,  het  bekwame 
legerhoofd  van  den  Keizer,  misnoegd  over  de  jammerlijke  ope- 
ratiën  van  het  voorgaande  jaar,  had  dan  ook  het  opperbevel 
alleen  willen  behouden  onder  deze  voorwaarde,  dat  hij  eene 
volkomen  vrijheid  van  handelen  zou  hebben,  en  niet  belemmerd 
zou  worden  door  de  voorschriften  van  's  Keizers  ministers. 

Intusschen  zou  er  nog  eenige  tijd  verloopen,  alvorens  het 
Keizerlijke  leger  aan  den  Rijn  zou  kunnen  verschijnen.  Turenne, 
in  Juni  eerst  stelling  hebbende  genomen  nabij  de  Lahn  en  een 
gedeelte  zijner  macht  hebbende  afgezonden  om  deel  te  nemen 
aan  het  beleg  van  Maastricht,  was,  toen  die  afgezondene  afdee- 
ling  terugkwam,  Duitschland  verder  binnengedrongen,  en  stond 
op  het  einde  van  Augustus  nabij  den  Main.  Het  Keizerlijke 
leger  trok  toen  bijeen  aan  de  westzijde  van  Bohemen,  te  Egra; 
dat  leger,  aanvankelijk  15000  man  voetvolk  en  10  000  ruiters 
sterk,  klom  later,  volgens  Beaurain,  tot  eene  geheele  sterkte  van 
35000  man;  de  Nieuwe  Mercurius  zegt,  dat  het  den  22sien 
Augustus  te  Egra  sterk  was  20000  man  voetvolk,  12000  ruiters 


Digitized  by 


Google 


NAARDEN.  279 

en  1000  dragonders.  De  macht  van  Turenne  op  dat  oogenblik 
kan  op  een  20  a  25000  man  worden  geschat.  De  overmacht 
was  dus  aan  de  zijde  van  den  Keizerlijken  veldheer;  wanneer 
deze  van  die  overmacht  wist  gebruik  te  maken,  zou  hij  den 
oorlog  naar  den  Rijn  kunnen  overbrengen.  Daar  het  Keizerlijke 
leger  zich  echter  eerst  in  het  begin  van  September  in  beweging 
stelde^  was  daarvan  nog  geen  spoedige  medewerking  in  de 
Nederlanden  te  verwachten ;  daarom  besloot  Willem  UI  dien  tijd, 
dien  men  op  dit  hulpleger  moest  wachten,  zich  te  nutte  te 
maken  om  in  Holland  zelf  den  vijand  afbreuk  te  doen. 

De  Stadhouder  koos  hiertoe  de  belegering  van  Naarden.  De 
verovering  van  die  vesting  was  belangrijk,  omdat  door  die  ver- 
overing Ara  sterdam  meer  werd  beveiligd,  en  eene  latere  aanval- 
lende beweging  naar  de  zijde  van  Utrecht  werd  voorbereid;  die 
verovering  was  mogelijk  in  korten  tijd  te  verkrijgen  en  met 
weinig  verlies,  —  zooals  de  beschrijving  van  den  toestand  dier 
vesting  zal  doen  zien. 

Naarden  was  toentertijd  omgeven  met  een  gebastionneerden 
zeshoekigen  hoofdwal,  met  daarvoor  liggende  natte  gracht,  be- 
dekten weg,  glacis,  en  enkele  buitenwerken  (ravelijnen).  Door  hare 
ligging  heeft  die  vesting  natuurlijke  sterkte,  wanneer  de  ver- 
dediger tevens  meester  is  van  de  Zuiderzee,  waarvan  zij  slechts 
een  800  pas  is  verwijderd,  en  waarmede  zij  gemeenschap  had 
door  eene  vaart;  maar  in  1673  misten  de  Franschen  dit  voor- 
deel. Voor  het  overige  ligt  de  stad  in  eene  open  landstreek,  die 
de  werkzaamheden  van  den  aanvaller  niet  in  het  minst  belem- 
mert. De  hoofdwal  en  de  ravelijnen  waren  aarden  werken,  zon- 
der bekleedingsmuren ;  de  bedekte  weg  was  gepalissadeerd,  en 
aan  den  voet  van  den  hoofdwal  bevond  zich  een  doornheg.  De 
gracht  werd  gezegd  op  verschillende  punten  doorwaadbaar  te 
zijn;  en  bovendien  had  men  enkele  dammen  daar  doorheen, 
van  6  ^  8  el  breedte,  om  de  gemeenschap  van  den  hoofdwal 
met  den  bedekten  weg  uit  te  maken ;  die  dammen  waren  echter 
afgesloten  met  palissaden.  De  buitenwerken  waren  klein,  evenzoo 
de  bastions  van  den  hoofdwal;  en  van  binnenverschansingen 
wordt  geen  gewag  gemaakt. 

Naarden  was  dus,  op  zich  zelve,  eene  kleine  vesting,  van  geen 
bijzondere  sterkte.  Zij  was  echter  voorzien  van  eene  talrijke  be- 
zetting, die,  behalve  uit  180  ruiters,  bestond  uit  800  Zwitsers  en  uit 
de  regimenten  van  Turenne,  Normandië,  Navarre  en  Lamothe; 
In  het  geheel  maakte  dit  een  kleine  3000  man  uit;  de  bloem 
van  het  Fransche  leger,  —  zeggen  ónze  schrijvers;  hoezeer  — 
zooals  men  zal  zien,  —  dat  oordeel  niet  wordt  bevestigd  door 
de  verdediging  van  Naarden.  De  bevelhebber  was  Dupas,  «offi- 
cier  de  réputation'\  zegt  Beaurain,   srecommandé   au    ministre 


Digitized  by 


Google 


28o  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

par  M.  De  Turennc";  —  ook  op  dat  gunstig  oordeel  heeft  de 
verdediging  van  Naarden  het  zegel  niet  gedrukt.  De  bewapening 
van  Naarden  was  zwak :  volgens  ééne  opgave  had  men  er  maar 
19  stukken,  waaronder  verscheidene  onbruikbaar,  en  geen  enkel 
van  zwaar  kaliber;  Dupas  zelf  spreekt  van  slechts  13  of  14  stuk- 
ken, en  daarvan  nog  drie  onbruikbaar.  —  Wat  evenwel  voor  de 
verdediging  van  Naarden  eene  gunstige  kans  opleverde,  was  de 
weinige  moeilijkheid  om  met  een  leger  op  te  rukken  tot  ontzet 
van  die  vesting:  het  omliggende  terrein  is  bijna  overal  geschikt 
voor  bewegingen  van  groote  troepenkorpsen;  het  is  niet  als  bij 
andere  steden  van  ons  land,  zooals  onder  andere  bij  Woerden, 
waar  het  leger  dat  tot  ontzet  oprukt  slechts  enkele  wegen  kan 
volgen,  die  de  belegeraar  zorgvuldig  kan  bezetten  en  verschansen. 

De  toestand  van  Naarden,  denkelijk  aan  de  Hollandsche  zijde 
niet  onbekend,  gaf  hoop  op  de  vermeestering  van  die  vesting; 
de  gemakkelijkheid  voor  een  leger  om  tot  ontzet  op  te  dagen, 
dwong  den  Stadhouder,  den  aanval  op  die  vesting  zooveel  mogelijk 
te  verhaasten,  en  tijd  te  winnen  door  de  tegenpartij  te  misleiden 
aangaande  het  voornemen  tot  dien  aanval.  Die  misleiding  ge- 
schiedde door  het  bedreigen  van  andere  vijandelijke  vestingen. 
Terwijl  de  troepen,  die  in  Zeeland  geweest  waren  om  de  ver- 
wachte landing  des  vijands  te  keeren,  weer  bij  het  leger  terug- 
kwamen; terwijl  8000  gewapende  burgers  uit  de  Hollandsche 
steden  werden  opgeroepen  om  de  Hollandsche  waterlinie  te  be- 
zetten, en  daardoor  een  gedeelte  der  daar  aanwezige  krijgsmacht 
beschikbaar  te  maken;  terwijl  het  leger  den  29sten  Augustus  uit 
Noord-Braband  naar  Holland  opbrak;  trok  eene  afdeeling  van 
1500  ruiters  tot  nabij  Grave  voort,  als  om  die  vesting  te  beren- 
nen; en  een  aantal  gewapende  vaartuigen  verschenen  op  den 
Waal  voor  Bommel,  en  deden  een  schijnaanval  op  die  stad. 
Luxembourg,  daardoor  misleid  en  vreezende  voor  Grave  of  Bom- 
mel, verliet  Utrecht  en  plaatste  zich  te  Tiel;  zijne  daar  aanwezige 
macht  wordt  begroot  op  een  5  k  6000  man. 

Van  het  Hollandsche  leger  werden  7  regimenten  infanterie 
ingescheept,  en  gingen  over  water  door  Holland  naar  Amsterdam ; 
te  Muiden  werden  zij  weer  ontscheept.  De  hoofdmacht  van  het 
leger  trok  van  Raamsdonk  op  Werkendam,  ging  de  bruggen 
over  te  Hardinxveld  en  te  Schoonhoven,  marcheerde  op  Alphen, 
op  Ouderkerk  en  werd  in  schuiten  de  Vecht  overgezet  naar 
'sGraveland;  eene  aldaar  bij  de  Vecht  staande  Fransche  afdee- 
ling van  een  paar  honderd  man  werd  spoedig  teruggedreven  op 
Naarden.  Fariaux  komt  den  6cn  September  met  de  ruiterij  voor 
Naarden,  berent  die  vesting,  en  neemt  eenige  wagens  met  levens- 
middelen die  van  Utrecht  derwaarts  waren  gezonden.  In  den 
loop  van  den  dag  komt  het  geheele  leger  aan ;  en  terwijl  Waldeck 


Digitized  by 


Google 


NAARDEN.  28 I 

met  een  gedeelte  stelling  neemt  bij  Loosdrecht,  Ankeveen  en 
Hilversum,  slaat  zich  de  hoofdmacht  meer  in  de  onmiddellijke 
nabijheid  der  vesting  neder;  het  hoofdkwartier  van  Willem  III 
komt  te  Bussum.  De  geheele  sterkte  van  het  leger  des  Stadhou- 
ders was  een  25  000  man ;  daarvan  maakten  de  Spaansche  regi- 
menten, onder  Don  Francesco  d'Aguerto,  een  6000  man  uit. 

Hoewel  sommige  van  onze  schrijvers  van  het  maken  eener 
circonvallati e-linie  spreken,  zoo  is  het  toch  waarschijnlijk, 
dat  dit  op  zijn  hoogst  zal  hebben  bestaan  in  het  verschansen 
van  de  kwartieren  en  van  enkele  posten;  maar  dat  men  zich 
hier  niet  een  doorloopende  aaneengeschakelde  linie  moet  voor- 
stellen: daartoe  was  de  ruimte  die  men  moest  verschansen  te 
uitgestrekt,  de  tijd  dien  men  daaraan  kon  besteden  te  kort. 

De  aanvalswerkzaamheden  tegen  de  vesting  werden  zonder 
eenig  verwijl  begonnen  en  op  het  krachtdadigste  voortgezet.  Het 
oostelijk  gedeelte  van  Naarden  was  het  front  van  aanval.  In  den 
nacht  van  den  8sten  op  den  gen  September  werden  daar  de 
loopgraven  geopend,  5  verder  dan  een  musketschot  van  de  ves- 
ting af,"  zegt  een  der  berichtgevers,  —  blijkbaar  de  dracht  van 
een  musketschot  voor  eene  vaste  en  bekende  grootheid  aan- 
nemende. Dat  openen  van  de  loopgraven  werd  volstrekt  niet 
verhinderd  door  de  belegerden,  die  het  zelfs  eerst  ontdekten  toen 
de  dag  reeds  was  aangebroken. 

In  twee  loopgraven  naderde  men  de  vesting;  rechts  werden 
zij  aangelegd  door  de  Spanjaarden,  links  door  de  Hollandsche 
troepen;  die  beide  nadernissen  waren,  zegt  eene  opgave,  ver- 
zekerd door  wapenplaatsen,  of  verschansingen,  evenwijdig 
aan  de  stad;  —  zoodat  men  hier  moet  denken  aan  de  aan- 
wending van  parallellen.  Het  openen  der  loopgraven  was 
voorafgegaan  door  het  aanleggen  van  batterijen  aan  verschillende 
zijden  der  vesting^  zoowel  bij  het  front  van  aanval  als  aan  den 
zeekant,  en  naar  de  zijde  van  de  Muidensche  vaart.  Het  aantal 
dier  batterijen  wordt  verschillend  opgegeven ;  maar  zooveel  schijnt 
zeker,  dat  er  tegen  het  front  van  aanval  drie  waren.  Eéne  op- 
gave zegt,  dat  de  belegeraars  40  vuurmonden  in  werking  brach- 
ten: 18-  24-  en  36  ponders,  benevens  mortieren;  dat  geschut 
was  over  zee,  van  Amsterdam  aangevoerd  en  begon  reeds  den 
Ssten  het  vuur  te  openen;  volgens  sommige  opgaven  werd  door 
twee  batterijen  dit  vuur  zelfs  reeds  op  den  yen  begonnen. 

Pe  artillerie  van  den  belegeraar  had  natuurlijk  spoedig  de 
overhand  op  die  des  belegerden,  die,  volgens  opgave  van  Dupas 
zelf,  op  ieder  bastion  maar  een  paar  vuurmonden  had.  Weldra 
werd  het  Fransche  geschut  grootendeels  tot  zwijgen  gebracht; 
en  dat  der  Nederlanders  richtte  nu  groote  verwoestingen  aan  in 
de  werken  der  stad,  schoot  poorten  en  palissadeeringen  omver. 


Digitized  by 


Google 


282  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

vernielde  den  doornheg  op  de  berm^  en  maakte  bressen  in  den 
hoofdwal,  —  zegt  De  Quincy.  Moet  men  dat  alles  maar  voor 
goede  munt  aannemen?  —  dat  men  een  poort  kleinschiet,  en 
eenige  palissaden  —  daarom  nog  geen  g  e  h  e  e  1  e  palissadeering  — 
dat  is  te  begrijpen;  maar  minder  goed  is  het  te  begrijpen,  hoe 
men  een  doornheg  vernielt,  die  toch  altijd  eenigszins  gedekt  is 
door  het  voorliggende  glacis;  of  hoe  men  bressen  maakt  in 
een  aarden  wal  zonder  bekleedingsmuur :  al  maakt  een  kanons- 
kogel eene  opening  in  de  doornheg,  dit  is  daarom  nog  niet 
hare  vernieling;  en  al  kantelt  eenige  aarde  der  borstwering  af^ 
dit  is  daarom  nog  geen  bres. 

Maar  zooveel  schijnt  ten  minste  zeker,  dat  het  overmachtige 
geschutvuur  der  Nederlanders  hunne  aanvalswerken  geheel  en  al 
bevrijdde  van  's  vijands  vuur,  en  dat  die  werken  dan  ook  zeer 
spoedig  voortgingen:  in  den  nacht  van  10 — 11  September  was 
men  reeds  genaderd  tot  op  een  150  pas  van  den  bedekten  weg. 
Ook  door  uitvallen  werd  de  voortgang  van  den  aanvaller  zeer 
weinig  vertraagd ;  er  hadden  's  nachts  enkele  uitvallen  plaats, 
maar  van  weinig  of  geen  beduidenis.  Bij  een  dier  uitvallen,  in 
den  nacht  van  9—10  September  gedaan,  werd  door  de  belege- 
raars een  ritmeester  gevangen  genomen,  »die  vroeger  met  het 
geld  van  den  Staat  tot  den  vijand  was  overgeloopen." 

De  hoop  der  verdedigers  van  Naarden  was  nu  geheel  en  al 
gevestigd  op  een  nabijzijnd  ontzet.  Men  seinde  met  lichten,  op 
den  stadstoren,  naar  Utrecht ;  en  hoezeer,  naar  de  gewoonte  van 
die  tijden,  de  aanvaller  zijn  geschutvuur  ook  richtte  op  den 
toren  en  hooge  gebouwen  van  Naarden,  en  —  volgens  Valcke- 
nier's  verzekering  —  tot  driemaal  toe  die  lichtseinen  wegschoot^ 
zoo  kon  het  gevaar,  waarin  de  vesting  verkeerde,  te  Utrecht 
niet  lang  onbekend  blijven.  Maar,  iets  anders  dan  het  gevaar 
te  kennen,  was  het  dit  af  te  wenden. 

Luxemboyrg  was  nu  te  Utrecht  teruggekomen,  en  had  nabij 
die  stad,  te  Zeist,  eene  macht  vereenigd  van  een  10000  man, 
later  nog  versterkt  door  4  regimenten  ruiterij,  die  vroeger  bij 
het  leger  des  Munsterschen  bisschops  waren  geweest;  een  onzer 
schrijvers  —  Van  den  Bosch  —  begroot  de  geheele  legermacht 
des  Franschen  veldheers  op  13  a  14000  man.  Maar  met  die 
macht  rekende  Luxembourg  zich  nog  niet  sterk  genoeg  om  het 
leger  des  Stadhouders  aan  te  vallen;  hij  bepaalde  er  zich  toe, 
afdeelingen  ruiterij  vooruit  te  zenden  in  de  richting  van  Naar- 
den, om  de  bondgenooten  afbreuk  te  doen,  en  te  trachten  in 
gemeenschap  te  komen  met  de  vesting.  Den  9"!  September  had, 
voorbij  Eemnes,  een  gevecht  plaats  tusschen  eene  dier  afdee- 
lingen, een  duizend  paarden  sterk,  onder  Gassion,  en  een  drie* 
honderd  ruiters  van   het  leger  van  Willem  III;  de  Hollanders 


Digitized  by 


Google 


NAARDEN.  285 

ondervonden  daarbij  eenig  verlies,  en  een  dapper  kavalerie- 
officier,  de  ritmeester  Heemskerk,  sneuvelde  in  dat  gevecht,  — 
een  dood,  dien  beroemden  naam  waardig.  —  Denkelijk  wachtte 
Luxembourg  nog  versterking,  alvorens  ten  aanval  op  te  rukken 
tegen  het  HoUandsche  leger;  maar  voordat  hij  die  poging  tot 
ontzet  beproefde,  was  de  vesting  reeds  gevallen. 

De  flauwe  wederstand  dien  men  ondervond,  en  de  waarschijn- 
lijkheid dat  binnen  weinige  dagen  een  Fransch  leger  zou  opdagen 
tot  hulp  van  Naarden,  deden  den  belegeraar  besluiten,  den  ge- 
regelden gang  van  een  beleg  te  verlaten,  en  onverwijld  over  te 
gaan  tot  eene  bestorming  van  den  bedekten  weg.  Voornamelijk 
schijnt  men  daartoe  te  hebben  besloten  op  aandrijven  van  den 
Spaanschen  bevelhebber  d'Agüerto,  een  man  van  veel  stoutheid^ 
en  met  wiens  inzichten  Willem  III  zich  dan  ook  dadelijk  ver- 
eenigde. 

De  nacht  van  den  ii — i2en  September  is  voor  dien  storm  be- 
paald; men  zal  het  ravelijn  aanvallen  vóór  de  Huizerpoort,  te 
gelijk  met  den  bedekten  weg  vóór  de  bastions  aan  weerszijden 
van  die  poort.  Aan  de  Spaansche  zijde  zal  de  storm  verricht 
worden  door  het  regiment  van  den  markies  van  Warignies ;  aan 
de  HoUandsche  zijde  door  het  regiment  mariniers  van  Palm, 
ondersteund  door  de  helft  van  het  regiment  van  Wee.  Ver- 
scheiden hoofdofficieren  zullen,  als  vrijwilligers,  dien  storm  mede- 
maken;  men  vindt  daaronder  genoemd  Wijnbergen,  den  vroe- 
geren  bevelhebber  van  Rees. 

Elf  uur  's  avonds  is  het  uur,  bepaald  voor  den  storm.  Aan 
de  eene  zijde  snellen  de  Spanjaarden  van  Warignies,  aan  de 
andere  zijde  de  zeesoldaten  van  Palm,  naar  den  bedekten  weg 
van  het  front  van  aanval,  waar  600  man  der  bezetting  gereed 
staan  om  hen  te  ontvangen.  £en  hevig  musket  vuur  doet  vele 
der  aanvallers  sneuvelen;  maar  onversaagd  blijven  de  anderen 
voortgaan,  bereiken  den  bedekten  weg,  houwen  de  palissadeering 
omver,  en  storten  zich  nu,  met  den  degen  in  de  vuist,  op  den 
vijand.  De  aanvallers  betoonen  hier  een  buitengewone  dapper- 
heid, vooral  de  HoUandsche  zeesoldaten,  wier  koene  aanvoerder. 
Palm,  hoezeer  gewond  en  twee  zijner  zonen  naast  zich  ziende 
vallen,  toch,  onbezweken,  het  gevecht  blijft  volhouden.  De  moed 
der  verdedigers  beantwoordt  niet  aan  dien  der  aanvallers;  Dupas 
zelf  is  niet  tegenwoordig  op  de  plaats  van  het  gevecht;  hij  was 
op  een  ander  gedeelte  der  vesting;  en  toen  hij  eindelijk  daar- 
heen ging  waar  de  strijd  woedde,  waren  bedekte  weg  en  ravelijn 
reeds  verloren,  en  zag  hij  zijne  soldaten  in  overijling  vluchten 
en  hunne  wajpens  wegwerpen.  Noch  de  stem  des  bevelhebbers, 
noch  het  onverpoosde  gelui  der  alarmklok  waren  in  staat  de 
Fransche  soldaten  dddr  te  vereenigen,  waar  zij  moesten  zijn;  en 


Digitized  by 


Google 


284  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

met  moeite  slaagde  men  er  in  meester  te  blijven  van  den  hoofd- 
wal,  daar  reeds  enkele  soldaten  van  Willem  III,  de  vluchtelingen 
op  den  voet  volgende,  tot  in  de  stad  waren  doorgedrongen.  In 
dezen  strijd,  die  drie  uren  duurde,  waren,  volgens  onze  schrij- 
vers, de  verliezen  van  den  belegerde  grooter  dan  die  van  den 
belegeraar. 

Toen  de  dag  aanbrak  ontdekte  men  uit  de  vesting,  dat  de 
belegeraar  zich  reeds  geheel  had  ingegraven  bij  den  bedekten 
weg.  Een  wapenstilstand,  door  de  Franschen  gevraagd,  werd 
geweigerd,  en  integendeel  alle  toebereidselen  gemaakt  om  den 
hoofdwal  te  bestormen.  De  batterijen  hielden  onverpoosd  met 
haar  vuur  aan  om  dien  hoofdwal  te  vernielen  of  beklimbaar  te 
maken;  fascinen  werden  bijeengebracht;  aan  den  grachtsover- 
gang begonnen;  en,  op  des  Stadhouders  bevel,  een  algemeen 
gebed  gedaan  om  's  hemels  zegen  af  te  sraeeken  over  de  Hol- 
landsche  wapenen.  Dit  alles  maakte  zulk  een  indruk  op  de  ge- 
heel ontmoedigde  bezetting,  dat  zij  aan  geen  wederstand  meer 
dacht,  maar,  ongewapend  op  den  wal  verschijnende,  riep,  dat 
men  in  onderhandeling  wilde  treden.  Spoedig  was  de  onderhan- 
deling afgeloopen.  Een  krijgsraad,  door  Dupas  bijeengeroepen, 
was  eenparig  van  gevoelen,  dat  men  de  vesting  moest  overgeven ; 
reeds  op  den  middag  van  den  iscq  September  werden  de  voor- 
waarden van  die  overgave  vastgesteld,  en  den  volgenden  och- 
tend werd  Naarden  door  de  Nederlanders  in  bezit  genomen; 
de  bezetting,  nog  2700  man  tellende,  verkreeg  een  vrijen  aftocht 
naar  Utrecht.  Het  geheele  verlies  van  het  leger  van  Willem  III 
bij  dit  zesdaagsche  beleg  wordt  geschat  op  een  100  dooden  en 
een  200  gewonden. 

Dat  beleg  van  Naarden  is  eene  handeling  geweest,  die  zich, 
van  de  zijde  des  aanvallers,  heeft  gekenmerkt  door  groote  stout- 
heid in  het  ontwerpen,  en  krachtdadigheid  in  het  uitvoeren. 
Vroeger  is  reeds  gezegd,  dat  de  open  landstreek  rondom  Naar- 
den zeer  in  het  nadeel  was  van  den  belegeraar,  in  zoover,  dat 
zij  weinig  hulpmiddelen  opleverde  tegen  een  vijandelijk  leger  dat 
het  ontzet  der  vesting  wilde  ondernemen.  Zich  binnen  verschanste 
liniën  te  plaatsen,  daartoe  zou  het  waarschijnlijk  aan  tijd  ont- 
breken; en  wanneer  Luxembourg  met  een  legermacht  oprukte, 
dan  bleef  er  niets  anders  over  dan  met  een  gedeelte  des  legers 
het  beleg  voort  te  zetten  en  met  het  andere  gedeelte  den  vijand 
het  hoofd  te  bieden  en  slag  te  leveren.  Maar  zulk  een  handeling 
mocht  al  aanvankelijk,  bij  de  sterkte  van  het  Hollandsche  leger, 
zonder  gevaar  zijn;  het  was  wel  te  voorzien,  dat  wanneer  het 
beleg  eenigen  tijd  duurde,  het  Fransche  legerhoofd  zooveel  ver- 
sterkingen  aan   zich   zou   trekken,   dat   het   dan  voor  de  macht 


Digitized  by 


Google 


NAARDEN.  285 

des  Stadhouders  niet  langer  raadzaam  zou  zijn  hem  af  te  wach- 
ten en  slag  te  leveren.  Het  was  dus  noodzakelijk  het  beleg  van 
Naarden  ten  einde  te  brengen,  vóórdat  Luxembourg  eene  macht 
zou  kunnen  vereenigen,  groot  genoeg  om  het  ontzet  te  beproe- 
ven; —  in  het  voorbijgaan  zij  opgemerkt,  dat  wanneer  Luxem- 
bourg een  13  k  14000  man  daarvoor  nog  niet  voldoende 
rekende,  dit  wel  een  bewijs  is,  dat  hij  volstrekt  niet  meer  deelde 
in  die  geringschatting  welke  de  Fransche  bevelhebbers  bij  het 
begin  van  dezen  oorlog  voor  de  Hollandsche  troepen  koesterden, 
en  dat  de  strijd,  het  jaar  te  voren  bij  Woerden  geleverd,  hem 
de  waarde  dier  troepen  had  leeren  kennen. 

Het  beleg  van  Naarden  moest  dus  door  alle  mogelijke  mid- 
delen bespoedigd  en  verhaast  worden;  en  dit  heeft  dan  ook 
plaats  gehad.  De  weinig  wetenschappelijke  opgaven  welke  onze 
schrijvers  over  dit  beleg  meêdeelen,  laten  niet  toe  met  juistheid 
te  beoordeelen,  of  alle  handelingen  van  den  aanvaller  goed  en 
doeltreffend  zijn  geweest;  maar  toch  kan  men  het  er  voor  hou- 
den, dat  die  handelingen  over  het  geheel  allen  lof  verdienen  en 
de  vesting  op  een  beleidvolle,  krachtdadige  wijze  werd  aange- 
tast. Men  vindt  melding  gemaakt  van  wapenplaatsen  en  paral- 
lellen; men  merkt  eene  goede  aanwending  op  van  de  artillerie; 
noen  bespoedigt  de  werkzaamheden,  door  de  loopgraven  zeer 
nabij  de  vesting  te  openen,  welker  slechte  bewapening  dit  weinig 
gevaarlijk  maakte;  men  verkort  den  tijd  van  het  beleg,  door 
den  bedekten  weg  te  bestormen,  wat,  bij  de  zwakheid  die  de 
bezetting  betoonde,  ook  een  zeer  goede  handeling  was;  en  door 
de  geweldige  wijze  waarop  men  de  vesting  aangrijpt,  doet  men 
den  ontmoedigden  verdediger  de  wapens  uit  de  handen  vallen. 
Men  belegerde  Naarden,  niet  zooals  men  zou  doen,  als  het  vol- 
strekt niet  aankwam  op  verlies  van  tijd;  maar  men  belegerde 
het,  zooals  men  moet  doen,  wanneer  men  daartoe  slechts  over 
een  beperkt  aantal  dagen  heeft  te  beschikken,  en  wanneer  het 
dus  goed  is,  den  tijdduur  te  verkorten,  zelfs  met  opoffering  van 
troepen ;  —  hier  echter  was,  door  de  zwakheid  der  verdediging, 
die  opoffering  niet  bijzonder  groot. 

Er  is  veel  overeenkomst  tusschen  het  beleg  van  Naarden  in 
1673,  ^°  ^^^  ^^^  Ciudad-Rodrigo,  in  181 2,  toen  Wellington  die 
vesting  aantastte  en  innam.  Bij  beide  belegeringen  was  men  aan 
een  beperkten  tijd  gebonden,  dewijl  men  bij  een  langeren  duur 
des  belegs  zeker  kon  zijn  van  vijandelijke  legers  tot  ontzet  te 
zien  opdagen;  bij  beide  belegeringen  moest  men  dus  afwijken 
van  den  regelmatigen  gang  die  de  wetenschap  voorschrijft,  om, 
door  krachtsaanwending,  door  opoffering  van  troepen,  spoediger 
tot  het  beoogde  doel  te  geraken:  beide  belegeringen  werden 
met  een  goede  uitkomst  bekroond,  en  de  aangevallene  vesting 
genomen   vóórdat   een  hulpleger  haar  kon  redden.  Maar  in  het 


Digitized  by 


Google 


286  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

voordeel  van  den  Oranjevorst  moet  men  opmerken,  dat,  volgens 
de  krijgs voering  van  den  tijd  waarin  hij  leefde,  de  inneming  van 
Naarden  een  belang  had,  dat  die  van  Ciudad-Rodrigo  miste, 
«n  dat  de  inneming  der  eerste  vesting  voorbereid  werd  door 
betere  maatregelen,  door  een  krachtiger  aanwending  van  de  artil- 
lerie, dan  men  bij  de  belegering  van  de  Spaansche  vesting  opmerkt. 

De  verdediging  van  Naarden  is  hierboven  zwak  genoemd ;  een 
beteren  naam  verdient  zij  niet.  Het  is  bekend  dat  de  Fransche 
bevelhebber  van  die  stad  de  gansche  gestrengheid  zijns  Konings 
moest  ondervinden,  en  te  Utrecht  eene  schavotstraf  onderging 
«n  tot  levenslange  gevangenis  werd  veroordeeld,  later  echter, 
in  1674,  kwam  daarin  de  verandering,  dat  hem  vergund  werd, 
als  vrijwilliger  in  de  vesting  Grave  de  wapenen  te  voeren;  bij 
het  beleg  van  die  vesting  vond  de  ongelukkige  den  dood.  De 
Hollandsche  schrijvers  zijn  over  het  algemeen  van  oordeel  ge- 
weest, dat  men  dat  harde  vonnis  over  Dupas  geveld,  als  onver- 
diend en  onbillijk  moet  beschouwen;  zij  wijten  het  aan  vijand- 
schap van  de  zijde  van  Luxembourg,  aan  hofkuiperijen,  zelfis 
aan  vrouwenhaat;  —  denkelijk  is  de  zachte  en  menschelijke 
wijze,  waarop  Dupas  zich  als  bevelhebber  van  Naarden  heeft 
gedragen,  niet  zonder  invloed  geweest  op  dit  gunstig  oordeel 
van  onze  schrijvers  te  zijnen  opzichte.  Maar  ook  Voltaire  keurt 
het  vonnis,  over  Dupas  geveld,  geheel  af;  het  was  —  zegt  hij  — 
>une  ignominie  inutile  pour  les  officiers  francais,  qui  sont  assez 
sensibles  k  la  gloire  pour  qu*  on  ne  les  gouverne  point  par  la 
crainte  de  la  honte."  Hij  noemt  hem  >un  tres  brave  officier"; 
wijt  de  schuld  zijner  veroordeeling  aan  Louvois;  en  zegt,  na 
het  sneuvelen  van  Dupas  vermeld  te  hebben:  >son  courage  et 
sa  mort  durent  laisser  des  regrets  au  marquis  de  Louvois,  qui 
Tavait  fait  punir  si  durement.  La  puissance  souveraine  peut  mal- 
traiter  un  brave  homme,  m?iis  non  pas  Ie  déshonorer." 

Iedereen  zal  die  laatste  woorden  van  den  Franschen  schrijver 
beamen;  en  zeker  zal  niemand,  die  weet,  hoe  dwaling,  partij- 
zucht, of  vijandschap  van  grooten  en  machtigen  der  aarde  soms 
gerechtigheid  de  plaats  doen  afstaan  aan  willekeur,  zeggen,  dat 
hij  die  door  een  onteerend  vonnis  is  getroffen,  daarom  altijd 
€en  man  is  zonder  eer;  —  integendeel,  meer  dan  éénmaal  heeft 
het  nageslacht  zulk  een  vonnis  vernietigd,  hem  dien  het  trof  in 
zijne  eer  hersteld,  en  de  schande  en  eerloosheid  doen  neder- 
vallen  op  de  onwaardige  rechters.  Wij  twijfelen  echter,  of  zoo 
iets  ten  opzichte  van  Dupas  gegrond  is;  wij  willen  het  gaarne 
gelooven  dat  hij,  vroeger  en  later,  een  braaf  krijgsman  is  ge- 
weest, maar  wij  kunnen  niet  zeggen,  dat  hij  zich  bij  Naarden 
als  zoodanig  heeft  betoond;  wij  meenen,  mét  Voltaire,  dat  ont- 
eerende  straffen  onnoodig  zijn  om  officieren  aan  hun  plicht  te 
houden,  en  bij  een  vergrijp,  als  dat  aan  Dupas  ten  laste  gelegd, 


Digitized  by 


Google 


NAARDEN.  287 

ZOU  de  doodstraf  verreweg  de  voorkeur  verdienen;  maar  wij 
zijn  tevens  van  meening  dat  Dupas  als  bevelhebber  van  Naar- 
den volstrekt  niet  gedaan  heeft  wat  zijn  plicht  was,  en  dat  zijn 
gedrag  aldaar  niet  ongestraft  mocht  blijven. 

Naarden  was  geen  sterke  vesting,  de  werken  waren  misschien 
niet  in  den  besten  toestand,  de  bewapening  gering,  —  maar  de 
bezetting  telde  toch  3000  man,  eene  aanzienlijke  sterkte  voor 
zulk  een  kleine  vesting.  Met  zulk  eene  bezetting  kon,  en  moest, 
men  meer  gedaan  hebben.  Men  doet  zoo  goed  als  niets ;  's  vijands 
overtocht  van  de  Vecht  wordt  niet  in  't  minst  belemmerd ;  men 
doet  niets  om  het  openen  der  loopgraven  te  beletten,  om  den 
voortgang  der  aanvalswerken  te  vertragen;  de  enkele  uitvallen 
die  men  verricht,  zijn  geheel  onbeduidend;  geen  moed,  geen 
geestdrift  weet  de  bevelhebber  bij  zijne  troepen  op  te  wekken; 
de  zwakheid  dier  troepen  doet  den  storm  op  den  bedekten  weg 
gelukken;  en  de  enkele  bedreiging  van  eene  bestorming  van 
den  hoofdwal  beslist  de  overgave  der  vesting.  Dat  kan  men  geen 
goede  verdediging  noemen,  geen  plichtsbetrachting  des  bevel- 
hebbers; en  wanneer  die  bevelhebber  zich  daarop  beroept,  dat 
er  toch  geen  ontzet  kwam  en  dat  eene  capitulatie  ten  minste 
de  bezetting  zou  redden,  dan  zijn  dit  niets  dan  nietige  uitvluch- 
ten: het  beleg  had  nog  slechts  zes  dagen  geduurd;  men  moest 
de  verdediging  voortzetten  om  Luxembourg  tijd  te  geven  een 
leger  tot  ontzet  te  vereenigen;  en  op  het  behoud  der  bezetting 
kwam  het  hier  minder  aan  dan  op  het  behoud  der  vesting  en 
vooral  op  het  behoud  der  wapeneer.  Dupas  beroept  zich  op  het 
eenparige  gevoelen  van  den  door  hem  vergaderden  krijgsraad, 
die  voor  de  overgave  stemde ;  maar  ook  dit  verontschuldigt  hem 
niet;  en  toen  hij  tegen  dien  krijgsraad  zeide:  >  mijne  heeren, 
dewijl  dit  uw  gevoelen  is,  zoo  moet  het  ook  het  mijne  wezen", 
toonde  hij,  door  die  woorden,  dat  hij  geen  begrip  had  van  de 
verplichting  en  de  verantwoordelijkheid  die  op  den  bevelhebber 
eener  vesting  rusten;  de  bevelhebber  eener  vesting  beslist,  alléén, 
wat  er  gedaan  moet  worden,  en  geen  stemming  van  een  krijgs- 
raad mag  hij  aanvoeren  tot  verschooning  van  een  laffe  daad. 

Wat  ook  opmerking  verdient,  dat  is  de  sterkte  der  Naardensche 
bezetting,  omdat  men  daaruit  ziet  welk  een  aanmerkelijk  gedeelte 
van  de  Fransche  legermacht  in  Holland  toenmaals  buiten  wer- 
king werd  gesteld  door  de  vestingen.  Mogelijk  zal  Naarden,  als 
onmiddellijk  nabij  den  vijand  gelegen,  beter  zijn  voorzien  ge- 
weest dan  andere  steden;  maar  toch  denkelijk  niet  beter  dan 
Woerden,  Utrecht  en  Grave,  —  plaatsen  die  evenzeer  blootge- 
steld waren  aan  de  aanvallen  van  de  zijde  der  Hollanders;  en 
wanneer  men  dan  ziet,  dat  door  een  vesting  van  zoo  kleinen 
omvang  alleen  reeds  een  3000  man  onnut  worden  gemaakt,  dan 
kan   men   zich  een  denkbeeld   vormen  van  het  geheele  bedrag 


Digitized  by 


Google 


288  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

der  legermacht,   die  versnipperd  was  in  het  groot  aantal  sterke 
steden,  door  het  Fransche  leger  in  Holland  bezet. 

Uit  Rousset  (i«  deel,  blz.  481 — 482)  kan  men  opmaken,  hoe 
die  gebeurtenis  van  Naarden  de  hoofden  van  het  Fransche 
krijgswezen  schokte;  en  met  welk  een  diepe  verontwaardiging 
zij  de  smadelijke  nederlaag  vernamen,  aan  de  Fransche  wapenen 
toegebracht  door  een  tot  nu  toe  geminachten  vijand: 

•  Maar  plotseling  wordt  men  als  door  een  bliksemstraal  ge- 
troffen, op  het  hooren  van  een  verbazingwekkend  nieuws.  De 
gouverneur  Dupas,  tot  dien  tijd  een  goed  en  dapper  officier, 
had  alle  beradenheid  verloren,  toen  hij  daar  alléén  stond,  zonder 
hulp,  aan  het  uiteinde  van  Holland,  en  aangevallen  werd  te  zee 
en  te  land;  hij  had  zich  den  i2en  September  overgegeven,  na 
een  beleg  van  slechts  vier  dagen,  terwijl  de  verdedigingswerken 
nog  weinig  hadden  geleden,  terwijl  hij  nog  eene  bezetting  had 
van  2200  man,  en  nog  voor  een  maand  leeftocht  en  munitie. 
Luxembourg  was  verbijsterd  en  woedend:  »de  vijand,"  zeide  hij, 
•  heeft  te  Naarden  eene  bezetting  gevonden,  even  laf  als  hij  zelf; 
en  dat  Dupas  zich  heeft  overgegeven  op  de  wijze  zooals  hij  dit 
heeft  goedgevonden,  dat  is  iets  zonder  voorbeeld.  Hij  heeft 
zijne  vesting  overgegeven  op  zijn  Hollandsch  {è  la  Hollandaise) ; 
iets  wat  ik  nooit  zou  hebben  geloofd."  Louvois,  van  zijn  kant, 
was  zoo  vast  overtuigd  dat  Dupas  zijn  plicht  zou  doen,  dat  hij 
reeds  bedacht  was  op  diens  belooning  voor  zijne  goede  verdedi- 
ging; men  verbeelde  zich  dus  zijn  toorn,  op  de  tijding  van  »de 
eerlooze  overgave  van  Naarden".  De  prins  van  Condé  was  even- 
zeer verontwaardigd:  »die  handeling,"  zeide  hij,  »is  zoo  te  ver- 
oordeelen,  en  maakt  zulk  een  verderfelijk  voorbeeld  uit,  dat  zij 
een  zeer  strenge  straf  verdient." 

Het  scheelde  weinig,  of  Lodewijk  XIV  had  zelf,  en  op  het 
eigen  oogenblik,  het  doodvonnis  uitgesproken  over  Dupas,  >om 
een  voorbeeld  te  stellen,"  zeide  Louvois,  »dat  andere  bevelheb- 
bers van  vestingen  tot  waarschuwing  kan  dienen,  en  om  den 
vreemdeling  te  leeren,  dat  als  de  Franschen  lafheden  begaan, 
die  lafheden  bij  hen  niet  ongestraft  blijven."  Toch  werden  de 
vormen  der  rechtspleging  in  acht  genomen..." 

Dat  verlies  van  Naarden  brengt  de  Fransche  bewindhebbers 
op  het  denkbeeld,  dat  zij  in  Holland  te  veel  vestingen  hebben; 
dat  het  beter  is  dat  aantal  te  verminderen:  dan  kunnen  de 
overblijvende  beter  worden  verdedigd ;  en  dan  kan  men  Willem  III 
beletten,  zulk  eene  onderneming  als  die  tegen  Naarden  te  her- 
halen. Maar  Louvois  wil  dat  de  Hollandsche  steden  die  men  zal 
verlaten,  zooveel  mogelijk  worden  verwoest  of  verbrand;  de 
tegenspoed  verdubbelt  de  woede  van  den  geweldenaar  (Rousset, 
I'  deel,  blz.  4S4 — 485): 


Digitized  by 


Google 


WINTERVELDTOCHT   VAN    1673.  289 

1 » Hadden  wij  eenige  steden  minder,"  zeide  Luxembourg 
(15  September),  »dan  hadden  wij  meer  troepen  om  de  andere 
te  bezetten.'*  Louvois  machtigde  hem  om,  dadelijk  en  zonder 
nader  bericht,  de  steden  te  doen  ontmantelen  die  hem  daartoe 
het  meest  geschikt  zouden  voorkomen;  omdat  het  noodig  was^ 
het  kostte  wat  het  wilde,  den  Prins  van  Oranje  te  beletten 
nieuwe  voordeelen  te  behalen;  —  en  niet  alleen  moest  men  de 
op  te  geven  steden  ontmantelen,  maar  men  moest  ze  zelfs  geheel 
afbranden,  opdat  de  vijand  daar  noch  verweermiddel,  noch 
onderkomen  vinde  (20  September).  De  Intendant  Robert,  de 
uitvoerder  der  wreede  bevelen,"  —  V executeur  des  hautes  oeuvres; 
strikt  genomen:  »de  beul"  — ,  had  voorschriften  die  wreed  en 
nog  meer  bepaald  waren:  ontmantelen,  afbranden  en  de  inwo- 
ners tot  den  bedelstaf  brengen.  Louvois  schreef  hem,  den  lóen 
October:  »ik  ben  overtuigd  dat  het  niet  zoo  gemakkelijk  is,  om 
de  troepen  te  doen  onderhouden  door  de  steden  die  men  wil 
ontruimen;  dat  dit  veel  geschreeuw  zal  geven,  dat  de  inwoners 
misschien  zullen  wegloopen;  maar  het  is  beter  dat  alle  Hol- 
landsche  steden  teniet  gaan,  het  is  beter  dat  de  inwoners  weg- 
loopen, dan  dat  's  Konings  soldaten  deserteeren.  Men  moet  zich 
niet  laten  afschrikken;  en  als  men  den  eenen  dag  een  twintig 
huizen  heeft  omvergehaald,  dan  moet  men  den  volgenden  dag 
er  evenveel  omverhalen,  —  onvermoeid.  Toch  is  het  goed,  dat 
gij  begint  met  op  de  huizen  der  afwezigen  eene  belasting  te 
leggen,  van  zooveel  daags;  en,  wordt  die  niet  betaald,  dat  gij 
dan  begint  met  die  huizen  af  te  breken;  het  houtwerk  en  de 
dakpannen  moeten  de  soldaten  hebben,  opdat  den  eigenaar  niets 
overblijve." 

Rousset  laat  daarop  deze  opmerking  volgen: 

•Die  daden  van  geweld  zijn  niet  te  rechtvaardigen;  zelfs  kan 
men  ze  niet  verontschuldigen  als  uiterst  middel  om  den  tegen- 
stand der  Hollanders  te  doen  ophouden.  Het  is  niets  anders  dan 
de  jammerlijke  wraak  van  teleurgestelden  trots." 


Spoedig  echter  zouden  die  geweldenarijen  der  Franschen  in 
Holland  ophouden;  want  kort  na  de  inneming  van  Naarden 
hervatte  Willem  III  zijne  onderneming  van  den  winter  van  1672, 
en  ditmaal  met  beter  gevolg.  De  meesterlijke  strategische  hande- 
ling van  den  Stadhouder  werd  ditmaal  bekroond  met  Holland's 
bevrijding. 

Verschillende  omstandigheden,  vooral  het  nog  niet  nabij  ge- 
noeg zijn  van  het  Keizerlijke  leger,  deden  na  Naarden's  val  nog 
eenige  weken  verloopen,  alvorens  Willem  III  zijne  aanvallende 
beweging  naar  de  zijde  van  Duitschland  begon;  een  gedeelte 
zijner   macht  zou   hem   hierbij   vergezellen:   6000   ruiters,    J500 

WILLEM   III.   —   T.  19 

Digitized  by  VjOOQIC 


290  KRIJGS-    EN   (JESCHIKDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

dragonders  en  slechts  2500  man  voetvolk;  bij  die  10 000  man 
zou  Spanje  een  legerkorps  van  15000  man  voegen,  zoodat  de 
Stadhouder  in  het  geheel  aan  het  hoofd  eener  macht  van  25  000 
man  zou  staan.  Intusschen  zou  Waldeck,  met  6  regimenten  rui- 
terij en  het  grootste  gedeelte  der  infanterie,  Holland  tegen  de 
aanslagen  van  Luxembourg  beschermen,  en  dien  Franschen  aan- 
voerder beletten  troepen  af  te  zenden  naar  den  Rijn,  of  naar  de 
Spaansche  Nederlanden. 

Condé  had  toentertijd  in  het  land  van  Aalst  eene  macht  ver- 
eenigd  van  5000  man  ruiterij  en  7000  man  voetvolk,  kort  daarop 
nog  versterkt  door  een  tiental  eskadrons  (1200  paarden),  door 
Lodewijk  XIV  uit  Lotharingen  afgezonden;  de  Fransche  veld- 
heer begon  zich  al  meer  en  meer  vijandig  te  gedragen  tegen  de 
Spaansche  regeeringspersonen,  die  zoowel  in  Maastricht  als  voor 
Naarden  de  Nederlanders  hadden  ondersteund;  de  oorlog  was 
nog  niet  verklaard,  maar  reeds  deed  Condé  Vlaanderen  brand- 
schatten. Ook  van  de  afpersingen  en  plunderingen  door  de 
Fransche  troepen  in  Holland  geven  onze  schrijvers  hoog  op;  — 
zij  voegen  er  echter  bij,  dat  ook  de  eigen  troepen,  en  vooral  de 
Spanjaarden  die  voor  Naarden  waren  geweest,  zich  bij  het  heen 
en  weer  marcheeren  schuldig  maakten  aan  erge  buitensporigheden 
jegens  den  landzaat  Schiller's  gezegde:  >es  ist  der  Krieg  ein 
roh  gewaltsam  Handwerk",  is  altijd  eene  waarheid,  maar  was  het 
toen  vooral. 

Den  29sten  September  begaf  de  Stadhouder  zich  naar  het 
leger  te  Rozendaal.  Na  eene  samenkomst,  den  4en  October,  te 
Putten  met  Monterey  en  na  dien  Spaanschen  landvoogd  later  te 
Antwerpen  te  hebben  bezocht  en  daar  met  uitstekende  eerbe- 
wijzingen  te  zijn  ontvangen,  ~  was  men  eindelijk  tot  overeen- 
stemming gekomen  omtrent  de  wijze  waarop  de  Spaansche  en 
de  Hollandsche  legermacht  zich  zouden  vereenigen ;  er  werd  be- 
paald, dat  de  eerste  zou  bestaan  uit  4000  ruiters  en  1 1  000  man 
voetvolk,  waarvan  8000  zouden  zijn  samengesteld  uit  Spaansche, 
Italiaansche  of  Waalsche  regimenten,  en  3000  uit  Duitsche. 
Willem  III  zou  het  opperbevel  hebben  over  die  vereenigde 
macht. 

Den  i2en  en  13611  October  begint  de  opmarsch  van  het  Hol- 
landsche leger  van  Rozendaal,  Woensdrecht  en  Ossendrecht;  het 
trekt  in  de  richting  van  Herenthals  en  Lier,  waar  het  zich,  den 
i6en,  met  de  Spaansche  troepen  vereenigt;  toen  marcheert  de 
vereenigde  macht  over  de  heide  bij  Mol  en  Balen,  door  het 
Kempenland  heen,  naar  de  Maas.  Over  die  rivier  had  men, 
eerst  nabij  Roermond,  een  brug  laten  slaan;  maar  toen  deze 
door  de  Franschen  werd  bedreigd  en  zelfs  aangevallen,  oor- 
deelde men  het  meer  raadzaam  eene  andere  brug  te  laten  slaan. 


Digitized  by 


Google 


WINTERVELDTOCHT   VAN    1673.  29I 

onder  het  geschut  van  Venlo  5  in  die  vesting  was  ook  een  groote 
voorraad  levensmiddelen  verzameld. 

Laat  ons  hier  weer  opmerken,  dat  die  omslachtigheid  om  te 
voorzien  in  de  voeding  der  legers,  en  die  noodzakelijkheid  om 
zich  bij  rivieren  van  overgangspunten  te  verzekeren,  in  dien  tijd 
het  gewicht  verklaren  van  vestingen,  tot  dekking  dier  overgangs- 
middelen  en  dier  magazijnen  van  leeftocht.  In  ónze  dagen  heeft 
een  door  de  Nederlanden  trekkend  leger  geen  magazijnen  noo- 
dig  om  zich  te  voeden;  en  het  pontonwezen  is  bij  de  heden- 
daagsche  legers  zoozeer  verbeterd  en  uitgebreid,  dat  men  spoe- 
dig, waar  men  wil,  eene  rivier  kan  overtrekken,  zonder  daartoe, 
lang  te  voren,  eene  brug  te  hebben  laten  slaan. 

Naar  Venlo  ging  toen  de  tocht.  Den  21  sten  kwam  het  leger 
in  de  nabijheid  van  die  vesting,  ging  den  volgenden  dag  de 
Maas  over,  bleef  den  23sten  nabij  Kaldenkirchen,  op  korten 
afstand  van  Venlo,  en  trok  den  24sten  op  Dalem,  eene  plaats 
ruim  4  uren  gaans  verwijderd  van  Gulik  en  van  Nuys,  en  met  die 
beide  steden  nagenoeg  een  gelijkzijdigen  driehoek  uitmakende. 
Den  25sien  werd  de  marsch  voortgezet  tot  Gaster,  op  Guliksch 
grondgebied;  de  Spaansche  troepen  kwamen  dien  dag  te  Bed- 
burg, een  plaatsje  nabij  Gaster,  en  evenals  dit  aan  de  Erfft.  Den 
aósten  schijnt  men  rustdag  te  hebben  gehouden.  Den  2 7 sten  werd 
de  marsch  voortgezet  tot  Brouweler,  een  kleine  twee  uur  van 
Keulen;  men  bedreigde  de  bisschopsstad,  maar  viel  haar  niet 
aan,  daar  het  allereerst  zaak  was  te  streven  naar  eene  vereeni- 
ging  met  het  Keizerlijke  leger.  De  marsch  werd  dan  ook,  na 
eenige  dagen,  in  zuidelijke  richting  voortgezet;  het  kasteel  van 
Brühl  was  bezet  door  een  80  man  Fransche  troepen ;  den  3osten 
kwam  men  nabij  dit  kasteel,  maar  men  hield  zich  natuurlijk  bij 
die  onbeduidende  sterkte  niet  op  en  zette  den  tocht  verder  voort 
op  Bonn. 

In  die  geheel  vreemde  landstreek  wilde  de  Stadhouder  elk 
begin  van  volkswapening  van  's  vijands  zijde  krachtig  tegengaan. 
Toen  hij  dus  vernam  dat  zich  in  het  stadje  Rheinbach,  een  uur 
of  drie  ten  westen  van  Bonn,  eenige  Keulschc  troepen  en  een 
aantal  gewapende  burgers  en  boeren  hadden  vereenigd  en  twee 
HollaQdsche  officieren  daar  waren  gedood,  zond  hij  Valkenburg, 
«en  zijner  onderbevelhebbers,  derwaarts  met  2  regimenten  voet- 
volk en  2  regimenten  dragonders.  Den  2en  November  kwam  die 
macht  voor  Rheinbach,  en  eischte  de  niet  zeer  sterke  plaats  op; 
maar  de  Keulenaars,  opgewonden  door  een  vorigen  burgemeester 
van  Rheinbach,  een  man  van  jaren,  die  zich  hier  aan  het  hoofd 
der  beweging  had  gesteld,  weigerden  hardnekkig  zich  te  onder- 
werpen. De  stad  werd  toen  bestormd,  genomen,  en  al  wat 
wapens  droeg  gedood;  het  opperhoofd  der  verdedigers  werd, 


Digitized  by 


Google 


292  KRIJGS-  EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

met  de  stadssleutels  om  den  hals  en  een  degen  in  de  hand,  aan 
een  boom  opgehangen. 

Wil  men  zulk  eene  handeling  onraenschelijk  noemen,  —  wij 
willen  daarover  niet  twisten;  maar  wij  zijn  van  oordeel  dat  bij 
het  begin  van  een  volksopstand  dergelijke  strenge,  of  als  men 
wil  wreede  maatregelen,  het  best  dienst  doen  om  dien  opstand 
te  onderdrukken,  en  dat  zij  eenigszins  gerechtvaardigd  worden, 
zoowel  door  de  rampen  welke  men  daardoor  voorkomt,  als  door 
het  ongeregelde,  het  onwettige,  dat  er  meesttijds  is  gelegen  in 
elke  volkswapening  bij  haar  begin.  —  Maar  heeft  een  volk  dan 
niet  het  recht  om  de  wapenen  op  te  vatten  tot  verdediging  van 
zijn  geboortegrond?  —  Zeer  zeker  heeft  het  dit;  en  niemand 
die  meer  achting  heeft  dan  wij  voor  de  volken  die  dit  hebben 
durven  doen.  Ook  zullen  wij  nooit  met  strengheid  oordeelen 
over  de  uitspattingen  en  buitensporigheden,  die  meestal  onaf- 
scheidelijk zijn  van  zulk  eene  ongeregelde  volkswapening ;  het  is 
ons  altijd  eene  onbillijkheid  voorgekomen,  om  van  zulk  eene 
volkswapening  de  tucht  en  orde  te  vorderen  van  een  geregeld 
leger.  Maar,  noemen  wij  het  voor  ieder  volk  een  recht  om  de 
wapenen  te  zijner  verdediging  op  te  vatten,  zelfs  zonder  de  op- 
roeping van  zijne  regeerders,  —  aan  den  anderen  kant  zijn  wij 
van  gevoelen,  dat  de  bevelhebber  eener  geregelde  legermacht 
het  recht  heeft,  die  vijandige  volkswapening,  bij  haar  begin,  door 
strenge  maatregelen  tegen  te  gaan.  Zelfverdediging  geeft  hem 
dat  recht;  want  in  dat  uitbreken  van  een  volksopstand  is  voor 
het  geregelde  leger  altijd  iets  verrassends  gelegen,  iets  verrader- 
lijks,  iets  zeer  gevaarlijks:  de  vreedzame  stad  waar  het  leger 
zich  bevond,  is  eensklaps  herschapen  in  eene  vijandelijke  vesting; 
en  de  burgerij,  die  men  ontzag  als  ongewapend  en  als  onzijdig, 
verandert  eensklaps  in  een  vijandelijk  heir,  dat  het  geregelde 
leger  aan  alle  zijden  omgeeft,  en  plotseling  en  geheel  onver- 
wachts met  woede  daarop  aanvalt:  —  het  valt  niet  te  ontkennen, 
dat  zulk  een  strijd,  waarbij  men  niet  weet  wien  men  al  of  niet 
voor  vijand  moet  houden,  te  ongelijk  is  voor  het  geregelde 
leger;  en  dat  dus  de  bevelhebber  van  dat  leger,  tot  zijn  eigen 
verdediging,  het  recht  heeft  om  de  uitbarsting  van  zulk  een  volks- 
opstand door  gewelddadige  middelen  tegen  te  gaan. 

Zóó  is  het  door  goede  legerhoofden  te  allen  tijde  begrepen; 
en  men  kan  hier  Willem  III  dus  niet  laken  wegens  eene  hande- 
ling, die,  onder  anderen,  ook  Napoleon  aanwendde,  bij  zijn 
eersten  veldtocht  in  Italië,  om  den  opstand  van  Lombardije  te 
beteugelen;  zoo  iets  is  een  harde  noodzakelijkheid  waartoe  de 
aanvoerder  van  een  geregeld  leger  bij  het  begin  van  een  volks- 
opstand gedwongen  is.  Wij  zeggen  herhaaldelijk:  bij  het  be- 
gin van  een  volksopstand;  —  want  zoodra  de  opstand  zich 
eenmaal  gevestigd  en  uitgebreid  heeft,  en  overgegaan  is  in  een 


Digitized  by 


Google 


WINTERVELDTOCHT   VAN    1673.  293 

geregelden  strijd  tusschen  twee  partijen  of  legers,  duidelijk  ken- 
baar en  onderscheiden  door  kleeding  en  vaandels,  dan  hebben 
ook  de  gewone  regels  van  den  oorlog  weer  volle  kracht,  die  ver- 
bieden om  weerlooze  gevangenen  te  mishandelen  en  van  het 
leven  te  berooven. 

Bij  die  bestorming  van  Rheinbach  wordt  de  dapperheid  ge- 
prezen van  Valkenburg,  die,  hoezeer  gekwetst,  voortging  den 
storm  te  besturen;  na  de  inneming  der  stad  werd  hij  tot  bevel- 
hebber daarvan  benoemd.  Wij  vinden  bij  onze  schrijvers  ook 
vermeld,  dat  drie  Amsterdammers  van  goeden  huize.  De  Graaf, 
Reynst  en  Heermans,  die  met  een  24  paarden  zich  als  vrijwil- 
ligers hadden  gevoegd  bij  het  leger  van  Willem  III,  zich  bij  die 
bestorming  van  Rheinbach  door  hun  moed  hebben  onderscheiden. 
Wij  halen  die  bijzonderheid  aan,  omdat  zij,  met  vele  andere, 
het  bewijs  geeft,  hoe  krijgsmansgeest  en  vaderlandsliefde  toen  bij 
alle  standen  aanwezig  waren,  en  het  verkeerd  is  zich  voor  te 
stellen,  dat  de  burgerstand  toen  zoo  vreemd  was  aan  oorlogs- 
zaken als  in  latere  dagen. 

De  tocht  van  Willem  III  naar  de  Maas  en  den  kant  van  den 
Rijn  had  natuurlijk  de  aandacht  en  bezorgdheid  verwekt  van 
de  Fransche  bevelhebbers  in  de  Nederlanden.  Condé,  die  den 
iQen  October  met  een  14000  man  nabij  Oudenaarden  stond, 
schijnt  van  de  Fransche  regeering  bevel  te  hebben  ontvangen 
daar  te  blijven,  ten  einde  door  het  bedreigen  van  de  Span- 
jaarden den  Stadhouder  in  de  Nederlanden  te  doen  blijven; 
»afin"  —  komt  in  een  brief  voor,  van  den  21  sten  October  van 
Louvois  aan  Luxembourg  —  »afin  de  contenir  les  Espagnols  et 
d'obliger  Ie  Prince  d^Orange  a  crotter  inutilement  ses  bottes  dans 
les  Pays-Bas."  Toen  Condé  echter  zag,  dat  zijne  stelling  bij 
Oudenaarden  de  Spanjaarden  niet  verhinderde  om  een  sterk  ge- 
deelte van  hunne  macht  bij  Willem  III  te  doen  aansluiten,  en 
dat  de  Stadhouder  voornemens  scheen  om  » zijne  laarzen  vuil  te 
maken",  niet  in  de  Nederlanden  maar  in  Duitschland,  hield  de 
Fransche  veldheer  slechts  zooveel  troepen  in  de  Nederlanden 
als  strikt  noodig  was,  en  zond  hij  d'Humières  met  het  overige 
—  een  9000  man  —  Willem  III  achterna.  Die  Fransche  bevel- 
hebber, zijn  marsch  over  Mons  nemende,  was  den  31  sten  Octo- 
ber te  Maastricht,  ging  daar  den  isten  November  de  Maas  over, 
en  kwam  den  3en  te  Gulik. 

Luxembourg  van  zijne  zijde  had,  op  het  vernemen  van  den 
opmarsch  des  Stadhouders,  een  gedeelte  zijner  macht  vereenigd, 
ten  zuiden  van  Nijmegen,  op  de  heide  bij  Mook;  dit  was  echter 
slechts  een  8000  man,  dewijl  men  maatregelen  van  voorzorg 
moest  nemen  tegen  de  krijgsmacht  die,  onder  Waldeck,  in  Hol- 
land was  achtergebleven;  —  zoo  vindt  men  onder  andere  bij 


Digitized  by 


Google 


294  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

een  onzer  schrijvers,  dat  op  dit  tijdstip  van  den  veldtocht  in 
Amersfoort  eene  bezetting  was  van  3000  man,  in  Utrecht  eene 
van  7000  man.  Met  zijn  kleine  macHt  waagde  Luxembourg  het 
niet,  de  bondgenooten  na  te  trekken  en  zich  daardoor  bloot  te 
stellen  aan  een  ongelijken  strijd:  hij  zond  twee  sterke  verken- 
nings-detachementen  uit,  het  eene  van  200,  het  andere  van  350 
ruiters,  om  berichten  in  te  winnen  aangaande  het  leger  des 
Stadhouders;  die  ruiterij  geraakte  slaags  met  de  ruiterij  van 
Willem  III,  en  werd  met  groot  verlies  teruggeworpen.  Luxem- 
bourg nam  toen  stelling  in  de  onmiddellijke  nabijheid  van 
Nijmegen. 

De  veldtocht  van  1673  ï"  Duitschland  tusschen  Turenne  en 
Monte  Cuculi  is  door  verschillende  krijgskundigen  uitvoerig  en 
kritisch  behandeld;  wij  zullen  er  ons  hier  maar  kort  mede 
bezighouden;  eensdeels,  omdat  die  veldtocht  niet  rechtstreeks 
tot  ons  onderwerp  behoort ;  en  anderdeels  omdat,  welken  eerbied 
men  ook  moet  hebben  voor  de  groote  bekwaamheden  der  beide 
genoemde  legerhoofden,  het  ons  toch  onmogelijk  is  veel  belang 
te  stellen  in  de  kunstige  —  wij  zouden  haast  zeggen  gekun- 
stelde —  wijze  van  oorlogen,  toen  door  hen  aangewend;  eene 
wijze  van  oorlogvoeren  die  toen  het  onderwerp  van  de  studie 
en  de  bewondering  was  van  alle  deskundigen,  maar  die  voor  de 
hedendaagsche  oorlogen  niets  belangrijks  oplevert.  De  oorlogen 
in  óns  land  kunnen,  door  de  bijzondere  gesteldheid  van  den 
grond,  in  de  19e  eeuw  nog  eenigszins  gelijken  op  wat  zij  waren 
in  de  17e;  maar  wij  stellen  de  vraag:  of,  wanneer  in  onze  dagen 
twee  vijandelijke  legers  in  Midden -Duitschland  tegenover  elkander 
staan,  zij  ooit  den  oorlog  zullen  voeren  op  eene  wijze  als  Turenne 
en  Monte  Cuculi  dit  in  1673  deden?  of  zij  zich  een  paar  maan- 
den lang  zullen  bezighouden  met  niets  anders  dan  onbeduidende 
verrichtingen,  met  heen-  en  weder-marschen,  met  het  bedreigen 
van  magazijnplaatsen ,  met  het  bezetten  van  rivierovergangen, 
met  het  verontrusten  van  fourageeringen ?  —  Immers  neen;  die 
legers  zullen  elkander  te  gemoet  gaan,  elkander  opzoeken,  elkan- 
der slag  leveren,  —  en  daarmede  uit;  in  vele  opzichten  is  de 
krijgskunst  eenvoudiger,  en  dus  beter,  geworden. 

Turenne  had  van  zijne  regeering  tot  voorschrift  gekregen,  om 
vooral  den  boven-Rijn  te  beschermen  tegen  de  Keizerlijke  legers. 
De  maarschalk  had  daarom  voorgesteld,  om  die  legers  op  te 
zoeken  tot  aan  de  Boheemsche  grenzen,  en,  door  ze  dddr  bezig 
te  houden,  ze  te  beletten  naar  Frankrijk  voort  te  rukken.  Dit 
echter  strookte  niet  met  de  inzichten  van  Louvois,  die  ten  ant- 
woord gaf:  >dat  in  dat  voortrukken  naar  Bohemen  wél  voor- 
deelen  waren  gelegen,  maar  dat,  wanneer  men  lette  op  den 
grooten   marsch   die  Turenne*s  leger  dan  moest  doen,  het  beter 


Digitized  by 


Google 


WINTER  VELDTOCHT  VAN  1673.  295 

was  zich  te  bepalen  tot  het  beletten  van  den  vijand  om  ver  door 
te  dringen  aan  gene  zijde  van  Neurenberg." 

Ingevolge  dit  voorschrift  had  Turenne  zich,  den  360  Septem- 
ber, bij  Aschaflfenburg  op  den  linkeroever  van  den  Main  ge- 
plaatst, de  stad  en  hare  brug  bezet  houdende.  Den  zelfden  dag 
kwam  het  Keizerlijke  leger,  dat  in  drie  colonnen  van  Bohemen 
was  opgerukt,  in  de  nabijheid  van  Neurenberg.  Turenne  rukte 
toen,  langs  den  linkeroever  van  den  Main,  het  vijandelijke  leger 
te  gemoet,  dat,  zoo  beweerd  wordt,  schijnbewegingen  maakte 
om  het  Fransche  leger  van  die  rivier  te  verwijderen.  Den  laen 
September  stonden  beide  legers  tusschen  Winsheim  en  Rothen- 
burg  tegenover  elkander,  en  scheen  er  een  veldslag  te  zullen 
plaats  hebben,  door  Turenne  gewenscht;  van  Monte  Cuculi  was 
dit  echter  slechts  een  schijnvertooning:  na  zijn  tegenstander  in 
front  te  hebben  beziggehouden,  deed  hij  een  flankmarsch  om 
diens  linkervleugel  heen,  en  bereikte  zoo  den  Main,  nabij  Och- 
senfurt.  Turenne  volgde  hem  toen  in  die  richting,  nam  stelling 
in  de  nabijheid  van  zijn  tegenstander,  en  er  verliepen  weer 
eenige  dagen  met  niets  anders  dan  het  verhinderen  van  foura- 
geeringen. 

Maar  de  bisschop  van  Wurzburg  verklaart  zich  voor  de  Kei- 
zerlijken, ontvangt  Keizerlijke  bezetting  in  zijne  hoofdstad  en 
Monte  Cuculi  maakt  nu  gebruik  van  de  daar  aanwezige  brug 
over  den  Main  om,  in  den  rug  van  Turenne's  leger,  afdeelingen 
uit  te  zenden  die  op  den  linkeroever  van  de  rivier  de  Fransche 
magazijnplaatsen  aanvallen.  De  Keizerlijke  veldheer  ging  in  de 
eerste  dagen  van  October  op  den  rechteroever  van  den  Main 
over,  en  trok  om  den  Spessart  heen  naar  de  zijde  van  Hanau 
en  Frankfort;  hij  kwam  dus  nader  bij  het  hoofddoel  zijner  be- 
wegingen, daarin  bestaande,  dat  hij  zijne  tegenpartij  beducht 
maakte  voor  een  inval  in  Lotharingen  of  den  Elzas,  maar  intus- 
schen  naar  den  beneden-Rijn  trok,  en  zich  daar  met  Willem  III 
vereenigde.  Turenne  stond  toen  op  den  linkeroever  van  den 
Main,  van  nabij  AschafFenburg  tot  bij  Rothenburg,  een  afstand 
van  omstreeks  18  uren  gaans,  de  kronkelingen  van  de  rivier 
medegerekend. 

Monte  Cuculi  zette  den  marsch  voort  naar  den  mond  van  den 
Main,  en  deed  den  i4en  October  eene  brug  over  die  rivier  slaan, 
iets  beneden  Frankfort.  Die  brug  werd  door  een  sterk  bruggen- 
hoofd verzekerd,  en  eene  afdeeling  van  eenige  duizend  man 
ging  aldaar  op  den  linkeroever  der  rivier  over,  denkelijk  met 
inzicht  om  Turenne  te  bedreigen  met  het  verlies  van  zijne  ge- 
meenschap met  den  Rijn  en  met  Frankrijk.  Die  veldheer,  den 
Elzas  willende  beschermen,  verliet  dan  ook,  den  aosten,  zijne 
stellingen  aan  den  Main,  trok  in  zuidelijke  richting  naar  de 
Neckar,   ging   den   24sien  bij  Ladenburg  achter  die  rivier  terug. 


Digitized  by 


Google 


296  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

en  den  apsten  October  bij  de  vesting  Philipsburg  op  den  linker- 
oever van  den  Rijn  over.  Vreezende  dat  de  Keizerlijken,  op  den 
linker  Rijnoever  doordringende,  Trier  zouden  willen  hernemen, 
besloot  Turenne  den  Moezel  meer  nabij  te  komen;  in  noorde- 
lijke richting  voortrukkende.  was  hij  den  yen  November  nabij 
Creuznach  aan  de  Nahe. 

Monte  Cuculi  had  zich  den  21  sten  October  te  Wiesbaden  ge- 
legerd, en  begon  aan  een  brug  te  arbeiden  over  den  Rijn,  be- 
neden Mainz;  men  deed  dit  bij  een  eiland  dat  den  stroom  in 
twee  armen  verdeelt,  en  men  zette  al  dadelijk,  met  een  gierbrug, 
een  4000  man  voetvolk,  1500  paarden  en  6  stukken  geschut  op 
den  linkeroever  over.  Dit  alles  was  evenwel  maar  een  vertoo- 
ning om  den  vijand  beducht  te  maken  voor  Mainz,  of  voor 
Trier;  het  wezenlijke  overgangspunt  van  den  Rijn  was  Coblenz, 
waar  de  bisschop  van  Trier,  de  zaak  der  Keizerlijken  toegedaan, 
een  ongehinderden  overtocht  toeliet,  en  waar  men  dichter  bij 
het  leger  van  Willem  III  zou  zijn. 

Den  28sien  en  29steii  October  verlaat  het  Keizerlijke  leger  den 
Main,  en  marcheert  over  Langenschwalbach  naar  de  Lahn;  de 
afdeeling  die  bij  Mainz  reeds  op  den  linkeroever  des  Rijns  was 
overgegaan,  keert  op  den  rechteroever  terug;  de  brug  wordt 
opgebroken,  en  de  vaartuigen  waaruit  die  brug  was  samenge- 
steld, zakken  de  rivier  af  naar  Coblenz.  Op  die  vaartuigen  was 
een  gedeelte  der  infanterie  ingescheept;  dit  gedeelte  kwam  bij 
Weissenthurm  aan  land,  trok  langs  den  linkeroever  van  den  Rijn 
voort,  en  vereenigde  zich  den  3en  November,  tusschen  Bonn  en 
Andernach,  met  het  leger  van  Willem  III;  het  andere  gedeelte 
der  infanterie,  de  artillerie  begeleidende,  zakte  met  vaartuigen 
de  rivier  verder  af,  tot  op  een  half  uur  boven  Bonn.  De  hoofd- 
macht van  voetvolk  en  ruiterij  ging  te  Coblenz  den  Rijn  over, 
en  marcheerde  voor  een  gedeelte  in  de  richting  van  Bonn  dat 
men  wilde  belegeren;  voor  een  gedeelte  bleef  het  aan  den  lin- 
keroever van  den  Moezel,  om  Turenne  in  het  oog  te  houden. 
Een  afdeeling  van  3000  Keizerlijke  ruiters,  en  de  vroegere  be- 
zetting van  Wurzburg  —  2  regimenten  voetvolk  en  2  regimenten 
ruiterij  —  rukten  op  langs  den  rechteroever  van  den  Rijn,  om 
aan  die  zijde  de  insluiting  van  Bonn  te  verrichten. 

Het  besluit  der  bondgenooten  om  Bonn  te  belegeren,  was  in 
alle  opzichten  goed  ie  keuren;  zoowel  om  de  gegronde  hoop 
die  men  had  van  die  vesting  te  doen  vallen,  als  om  de  gewich- 
tige gevolgen  welke  hare  inneming  moest  na  zich  sleepen.  Uit 
de  plaatsing  en  de  sterkte  der  wederzijdsche  legers  blijkt  dui- 
delijk, dat  de  vijand  weinig  kans  had  om  Bonn  te  ontzetten ;  de 
vermeestering  van   die  vesting  zou  aan   de   bondgenooten    een 


Digitized  by 


Google 


WINTERVELDTOCHT   VAN    1673.  297 

vast  punt  aan  den  Rijn  verschaffen,  de  verbinding  van  de  Kei- 
zerlijke legers  met  de  Hollandsche  en  Spaansche  krijgsmacht 
voortdurend  verzekeren,  den  Keulschen  bisschop  dwingen  de 
partij  van  Frankrijk  te  verlaten,  de  gemeenschap  der  Fransche 
krijgsmacht  in  Holland  met  haar  eigen  land  bedreigen,  en  daar- 
door denkelijk  die  krijgsmacht  dwingen  de  Noordelijke  Neder- 
landen te  ontruimen. 

Bonn,  in  die  dagen  het  gewone  verblijf  van  den  Keulschen 
bisschop  maar  bij  de  nadering  van  de  vijandelijke  legers  door 
dien  vorst  verlaten,  was  toen,  zooals  bijna  iedere  stad,  met  ves- 
tingwerken  omgeven.  Natuurlijke  sterkte  had  de  stad  alleen  in 
zoover,  dat  hare  ligging  aan  den  Rijnstroom  het  onmiddellijk 
aan  die  rivier  gelegen  stadsgedeelte  tegen  een  aanval  beschermde; 
voor  het  overige  liet  de  omliggende  landstreek  overal  den  aanval 
toe,  en  kon  men  alleen  aan  de  zuidzijde  eene  onbeduidende 
inundatie  stellen.  De  stad  werd  toen  beschermd  door  een  vrij 
regelmatig  gebastionneerden  hoofd  wal  van  negen  fronten,  met 
ravelijnen  vóór  de  courtinen;  de  grachten  waren  droog;  aan  de 
rivierzijde  was  de  stad  afgesloten  door  een  muur;  —  het  brug- 
genhoofd op  den  rechteroever  van  den  Rijn,  dat  Coehoorn  bij 
het  beleg  van  1703  door  zulk  een  geweldig  geschutvuur  deed 
bezwijken,  bestond  in  1673  nog  niet. 

Volgens  Beaurain  waren  de  vestingwerken  van  Bonn  in  een 
slechten  toestand,  de  magazijnen  slecht  voorzien,  en  telde  de 
bezetting  slechts  i  aoo  man  Fransche  troepen,  en  5  k  600  Keulsche. 
Andere  opgaven,  zwijgende  over  den  toestand  der  vestingwerken, 
stellen  de  sterkte  der  bezetting  iets  hooger,  een  2000  man,  enkele 
opgaven  2200:  verder  zijn  zij  geheel  in  strijd  met  Beaurain  ten 
opzichte  der  uitrusting  en  bewapening;  zoo  zegt  De  Quincy  zelfs, 
dat  zich  in  Bonn  80  stukken  geschut,  en  munitie  en  levensmid- 
delen in  overvloed  bevonden.  De  bevelhebber  van  Bonn  was  de 
in  Keulschen  dienst  zijnde  generaal  Landsberg;  maar  het  eigen- 
lijke gezag  werd  uitgeoefend  door  den  Franschman  Reveillon, 
die  zich,  toen  de  vijand  Bonn  naderde,  met  twee  Fransche  regi- 
menten binnen  die  vesting  had  geworpen. 

De  sterkte  van  de  macht  des  aanvallers  wordt  begroot,  door 
De  Quincy  op  45000,  door  Beaurain  op  50000  man;  dit  komt 
vrijwel  overeen  met  de  opgaven  van  onze  schrijvers,  die  haar 
op  48000  man  stellen.  Hoe  sterk  het  observatie-corps  was,  aan 
den  Moezel  achtergelaten,  is  onzeker;  maar  men  zal  niet  ver 
van  de  waarheid  zijn,  wanneer  men  de  geheele  legermacht  der 
bondgenooten,  hier  aan  den  Rijn,  op  een  60000  man  begroot; 
want  wij  hebben  gezien  dat  Willem  III  met  een  25000  man  was 
opgerukt,  en  bij  een  onzer  schrijvers  vindt  men  de  macht,  die 


Digitized  by 


Google 


298  KRIJGS-   EM   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Monie  Cuculi  toen  had,  op  37000  man  begroot.  —  Beaurain 
zegt,  dat  de  bezetting  van  Bonn  tegen  eene  zoo  sterke  leger- 
macht te  zwak  was  voor  eene  goede  verdediging;  wij  antwoorden 
daarop:  dat  de  uitkomst  van  een  beleg  meesttijds  minder  af- 
hangt van  de  getalsterkte  dan  wel  van  de  sterkte  der  artillerie; 
en  dat  Bonn,  met  80  stukken  bewapend,  in  ddt  opzicht  niet 
zwak  kon  worden  genoemd. 

Den  4en  November  trekt  de  Spaansche  bevelhebber  d'Assentar 
met  een  gedeelte  der  ruiterij  van  Willem  III  naar  Bonn,  en  be- 
rent  die  vesting.  Den  volgenden  dag  komt  de  hoofdmacht  der 
bondgenooten  daar  aan  en  voltooit  de  insluiting;  Willem  III 
neemt  zijn  hoofdkwartier  te  Rheindorf  aan  de  noordzijde  der 
stad,  d'Assentar  ie  Kessenich,  Monte  Cuculi  op  den  Godesberg; 
de  troepen  op  den  rechteroever  van  den  Rijn  stonden  onder  het 
bevel  van  den  generaal  Sporck.  Beneden  Bonn,  buiten  het  be- 
reik van  het  vuur  der  vesting,  wordt  eene  gierbrug  gemaakt,  om 
de  troepen  op  de  beide  oevers  in  gemeenschap  met  elkander  te 
houden.  De  aanvalswerkzaamhedcn  werden  oogenblikkelijk  be- 
gonnen; en  aan  twee  zijden,  ten  noorden  door  Willem  III,  ten 
zuiden  door  de  Keizerlijken,  twee  nadernissen,  beide  nabij  den 
Rijn,  tegen  de  stad  gemaakt;  sommige  opgaven  spreken  van 
eene  derde  nadernis;  maar  het  schijnt  dat  men  daaronder  alleen 
batterijen  moet  verstaan  die,  tusschen  de  beide  aanvallen  in,  het 
vuur  openden  op  de  vestingwerken,  en  —  naar  het  Tartaarsche 
gebruik  dier  tijden  —  ook  op  het  Bisschoppelijk  paleis  en  op 
de  hooge  gebouwen  van  Bonn.  Bijzonderheden  omtrent  de  wijze 
van  aanval,  en  omtrent  den  afstand  waarop  het  begin  der  loop- 
graven verwijderd  was  van  de  vesting,  hebben  wij  niet  kunnen 
vinden;  zelfs  geene  aanduiding  over  de  sterkte  van  de  artillerie 
des  belegeraars,  die  denkelijk  door  Monte  Cuculi  uit  Wurzburg 
is  medegevoerd. 

Hoop  op  ontzet  was  er  voor  Bonn  weinig  of  niet.  Wij  hebben 
de  sterkte  van  de  legermacht  der  bondgenooten  medegedeeld, 
aan  de  Fransche  zijde  stonden  veel  minder  strijdkrachten  daar- 
tegenover, en  nog  wel  verdeeld  en  op  groote  afstanden :  Luxem- 
bourg's  kleine  legermacht  was  nabij  Nijmegen ;  Turenne  kwam 
den  7en  November  pas  te  Creuznach,  en  kon  gemakkelijk  wor- 
den opgehouden  bij  den  Moezel;  d*Humières  was  den  360  No- 
vember te  Gulik,  maar  had  slechts  een  (,000  man  bij  zich,  groo- 
lendeels  ruiterij.  Laatstgenoemde  bevelhebber  besloot  echter  eene 
poging  te  doen,  om  versterking  aan  troepen  binnen  Bonn  te 
brengen.  Hij  rukte  den  5en  November  vooruit  tot  Lechenich, 
een  uur  of  vier  van  Bonn  verwijderd,  en  zond  van  daar  ver- 
schillende kleine  ruiterafdeelingen  uit,  met  last  om  al  het  moge- 
lijke aan  te  wenden  ten  einde  de  macht  der  bondgenooten  te 
doorbreken  en  tot  de  stad  door  te  dringen. 


Digitized  by  VjOOQIC 


WINTERVELDTOCHT   VAN    1673.  299 

Saint  Silvestre,  de  bevelhebber  van  eene  dier  afdeelingen,  komt 
niet  een  honderdtal  dragonders  's  nachts  in  een  bosch  nabij  de 
legerplaats  der  Keizerlijken^  blijft  zich  in  dat  bosch  bedekt  op- 
houden^ en  neemt  de  veiligheidsmaatregelen  bij  den  vijand  waar. 
's  Ochtends  tusschen  7  en  8  uur,  toen  —  zeggen  sommige  van 
onze  schrijvers  —  de  veldvvachten  reeds  afgelost  waren  en  men 
het  woord  niet  meer  vraagde,  gaat  de  Fransche  bevelhebber  het 
Keizerlijke  leger  door,  zijn  detachement  uitgevende  voor  Lotha- 
ringsche  troepen,  en  bereikt  eene  der  poorten  van  Bonn.  Andere 
afdeelingen,  die  bij  de  legerkampen  van  Willem  III  en  van  de 
Spanjaarden  hetzelfde  beproefden,  waren  minder  gelukkig,  en 
werden  niet  alleen  teruggeslagen,  maar  grootendeels  gedood  of 
gevangen  genomen;  en  d'Humières,  vernemende  dat  een  sterk 
gedeelte  van  de  ruiterij  der  bondgenooten  zich  in  beweging 
stelde  om  hem  op  te  zoeken,  rekende  zich  te  Lechenich  niet 
langer  veilig,  maar  trok  terug  in  noordelijke  richting,  op  Nuys.  — 
Omtrent  den  dag  waarop  die  poging  van  d'Humières'  ruiterij  om 
binnen  Bonn  te  komen  werd  beproefd,  zijn  de  opgaven  ver- 
schillend: sommige  van  onze  schrijvers  stellen  die  op  den  8sten^ 
Beaurain  op  den  6en  November. 

Het  beleg  van  Bonn  ging  toen  ongehinderd  voort,  en  schijnt 
den  aanvallers  geen  bijzondere  moeilijkheden  te  hebben  opge- 
leverd. Wél  zeggen  onze  schrijvers,  dat  uit  de  vesti»g  een  sterk 
geschutvuur  op  de  loopgraven  werd  geopend;  maar  zij  voegen 
er  tevens  bij,  dat  dit  vuur  weinig  verlies  teweegbracht.  De 
Quincy  beweert,  dat  de  bouw  van  de  batterijen  des  belegeraars 
weinig  hinder  ondervond  van  de  vesting,  daar  deze  haar  vuur 
op  de  batterijen  alleen  opende,  toen  die  reeds  geheel  voltooid 
waren.  Den  8sten  kwamen  de  batterijen  des  belegeraars  reeds  in 
werking;  haar  vuur  richtte,  volgens  onze  schrijvers,  groote  ver- 
woestingen aan  in  de  vijandelijke  werken  en  in  de  stad ;  Beaurain 
zegt  echter  »dat  de  bommen,  door  de  bondgenooten  in  de  stad 
geworpen,  weinig  uitwerking  deden";  en  hij  erkent  alleen  »dat 
twee  24-ponders,  bij  de  nadernissen  der  Hollanders,  den  be- 
legerden veel  nadeel  deden."  Kleine  uitvallen  werden  er  van  de 
Fransche  zijde  gedaan,  maar  zonder  dat  dit  iets  uitwerkte;  voor 
het  doen  van  belangrijke  uitvallen  was  de  sterkte  der  bezetting 
te  gering.  De  belegerden  deden  in  den  nacht  van  6 — 7  Novem- 
ber twee  bakens  wegnemen,  die  bij  de  Keizerlijken  de  richting 
der  loopgraven  moesten  aanduiden;  daardoor  kwamen  die  loop- 
graven in  een  moerassig  terrein  terecht,,  of  hun  verlengde  kwam 
uit  op  de  vestingwerken,  wat  den  aanvallers  eenig  verlies  ver- 
oorzaakte. Een  soortgelijke  krijgslist  vindt  men  terug  bij  Philip- 
pon's  verdediging  van  Badajoz  tegen  de  Engelschen,  in  181 2; 
zoo  iets  schijnt  dus  goed  aan  te  wenden  te  zijn ;  en  hoezeer  het 
geen  groote  uitkomsten  oplevert,  is  het  toch  altijd  aan  te  raden, 


Digitized  by 


Google 


300  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

omdat  de  aanvaller  daardoor  verlies  kan  ondervinden,  zoo  aan 
manschappen  als  aan  tijd. 

Niettegenstaande  het  geschutvuur  der  vesting  waren  de  loop- 
graven der  Hollanders  intusschen  krachtdadig  voortgezet,  en 
reeds  aan  den  grachtsboord  genaderd  van  het  ravelijn  voor  de 
Keulsche  poort ;  dat  ravelijn,  waarin  het  geschut  des  belegeraars 
bres  had  gemaakt,  werd  op  den  avond  van  den  ii en  November 
door  de  troepen  des  Stadhouders  bestormd  en  na  een  scherp 
gevecht  en  aanmerkelijke  verliezen  des  aanvallers  genomen. 
Beaurain  draagt  die  bestorming  van  het  ravelijn  op  eene  andere 
wijze  voor:  hij  zegt,  dat  zij  plaats  had  in  den  nacht  van  9 — 10 
November;  dat  de  aanval  der  Hollanders  tot  tweemaal  toe  werd 
afgeslagen;  en  dat,  toen  hij,  ten  derden  male  gedaan,  gelukte, 
Reveillon  een  aantal  gevulde  bommen,  in  de  borstwering  van 
het  ravelijn  gegraven,  deed  ontsteken,  wat  een  zoodanige  ver- 
warring en  schrik  teweegbracht  bij  de  troepen  des  Stadhouders, 
dat  zij  het  ravelijn  verlieten,  en  de  Fransche  bevelhebber  er  weer 
bezit  van  nam.  Geen  der  andere  schrijvers  spreekt  echter  van 
dien  storm  op  den  9 — loen  November;  maar  allen  zeggen,  dat 
in  den  nacht  van  den  iien  het  ravelijn  werd  bestormd  en  genomen. 

Dadelijk  na  dit  behaalde  voordeel  deed  men,  terwijl  de  artil- 
lerie onafgebroken  haar  vuur  op  de  vesting  onderhield,  mijnen 
aanleggen  onder  den  hoofdwal,  aan  eene  grachtsafdaling  begin- 
nen, en  door  de  ruiterij  een  aantal  fascinen  maken  om  voor  den 
storm  te  dienen.  Bij  de  nadernis  der  Keizerlijken  was  men  ook 
tot  aan  den  buitengrachtsboord  genaderd,  en  maakte  men  zich 
gereed  tot  de  bestorming.  Reveillon  wilde  dien  storm  afwachten, 
en  deed  arbeiden  aan  binnenverschansingen  om  de  bressen  af 
te  sluiten  die  in  den  hoofdwal  begonnen  te  ontstaan;  maar  de 
Keulsche  officieren  wilden  de  verdediging  niet  langer  voortzetten 
en  werden  ondersteund  door  de  oproerige  gezindheid  der  bur- 
gerij, die  zich  zelfs  schuldig  maakte  aan  mishandeling  van  den 
Franschen  bevelhebber.  Men  trad  dus,  den  laen,  in  onderhan- 
deling met  Willem  III;  den  13611  werd  de  vesting  overgegeven, 
en  trok  de  bezetting  af  naar  Nuys. 

De  verliezen  der  beide  partijen  bij  dit  beleg  moeten  nagenoeg 
gelijk  gestaan,  en  4  è.  500  man  bij  ieder  bedragen  hebben;  vol- 
gens onze  schrijvers  ten  minste  telde  de  bezetting  toen  zij  uit- 
trok nog  een  1500  man,  en  verloren  de  bondgenooten  bij  dit 
beleg  een  400  man;  Beaurain  doet  dit  laatste  getal  tot  2000 
klimmen,  en  zegt  daarentegen  dat  de  bezetting  weinig  verliezen 
leed.  In  dit  beleg  sneuvelde  Königsmarck,  door  dien  eervollen 
dood  de  herdenking  uitwisschende  aan  de  zwakheid  die  hij  het 
jaar   te  voren  had  betoond,  toen  hij,  bij  Luxembourg's  inval  in 


Digitized  by 


Google 


WINÏERVELDTOCHT  VAN    1673.  30I 

Holland,  de  stelling  bij  Bodegraven  zoo  overijld  verliet.  —  Voor 
het  overige  zijn  de  handelingen  der  beide  partijen  bij  dit  acht- 
daagsch  beleg  van  Bonn  niet  duidelijk  en  uitvoerig  genoeg  ver- 
meld om  daarover  een  juist  oordeel  te  kunnen  vellen;  zooveel 
schijnt  te  blijken,  dat  het  Fransche  gedeelte  der  bezetting  zich 
krachtdadig  heeft  verdedigd,  maar  zoo  spoedig  heeft  moeten 
zwichten^  door  de  weinige  medewerking  die  het  ondervond  van 
de  zijde  der  Keulsche  troepen,  door  den  oproerigen  geest  van  de 
burgerij,  en  ook  door  de  voortvarendheid  en  nadruk  waarmede 
de  aanvaller  te  werk  ging. 

Het  jaargetijde  was  te  ver  gevorderd  om  den  veldtocht  nog 
langer  voort  te  zetten.  Nog  werden  het  kasteel  van  Brühl,  Leche- 
nich  en  Kerpen  in  het  Keulensche,  en  het  stadje  Duren  in  het 
Guliksche  aangevallen  door  de  troepen  van  den  Stadhouder,  en 
zonder  veel  moeite  vermeesterd;  die  krijgsverrichtingen  waren 
echter  onbeduidend,  al  is  het  dat  onze  schrijvers  het  doen  uit- 
komen, dat  Guébriant  —  een  der  veldheeren  van  den  dertig- 
jarigen oorlog  —  in  1642  Lechenich  zes  weken  lang  te  vergeefs 
had  belegerd.  Van  den  i5en  tot  den  23sten  November  had 
de  inneming  van  die  verschillende  sterkten  plaats.  Toen  ging 
het  leger  der  bondgenooten  uiteen:  de  Keizerlijken  betrokken 
kantonnementen  bij  Bonn  en  op  den  rechteroever  van  den  Rijn; 
Willem  III  keerde  met  de  Hollanders  en  Spanjaarden  naar  de 
*Maas  terug,  naar  Roermond  en  Venlo.  Turenne  betrok  nog  in 
November,  na  eerst  vooruitgerukt  te  zijn  tot  aan  den  Moezel, 
winterkwartieren  in  Lotharingen  en  in  den  Elzas;  d'Humières 
trok  naar  Holland,  en  voegde  zich  bij  de  macht  van  Luxembourg. 

Het  lag  in  den  aard  van  de  zaak,  dat  de  vermeestering  van 
Bonn  en  de  voordeelen  door  de  bondgenooten  behaald  op  het 
Keulsche  grondgebied,  al  dadelijk  groote  en  gewichtige  gevolgen 
moesten  hebben  voor  de  Republiek.  De  vermeestering  van  het 
grootste  gedeelte  zijner  Staten  maakte  het  den  bisschop  van 
Keulen  onmogelijk  langer  aan  Frankrijks  zijde  te  blijven;  en 
toen  die  vorst  den  oorlog  niet  wilde  voortzetten,  was  dit  ook 
een  ondoenlijke  zaak  geworden  voor  den  Munsterschen  bisschop; 
en  de  vredesverdragen  door  de  Republiek  met  die  beide  geeste- 
lijke vorsten,  hoewel  eerst  in  het  voorjaar  van  1674  gesloten  — 
22  April  en  II  Mei  1674  —  moeten  evenwel  beschouwd  worden 
als  rechtstreeksche  gevolgen  van  de  voordeelen,  in  November 
1673  aan  den  Rijn  behaald.  Het  is  uit  de  geschiedenis  bekend, 
dat  die  verdragen  niet  de  minste  verkleining  ten  gevolge  hadden 
van  die  Republiek,  welker  ondergang  het  doel  van  den  oorlog 
was  geweest. 

Een  ander,  nog  gewichtiger  gevolg  van  de  operatiën  aan  den 


Digitized  by 


Google 


302  KRIJÜS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Rijn  was  de  ontruiming  van  Holland  door  de  legers  van  Lode- 
wijk  XIV.  Die  legers  hadden,  tot  op  dien  tijd,  de  gemeen- 
schap met  Frankrijk  onderhouden,  hetzij  door  middel  van  de 
vestingen  welke  zij  in  de  Spaansche  Nederlanden  in  bezit  had- 
den, hetzij  door  de  Staten  van  den  Keulschen  bisschop.  Maar 
toen  die  Staten  grootendeels  in  bezit  waren  genomen  door  de 
krijgsmacht  der  bondgenooten ;  toen  de  latere  vereeniging  der 
Duitsche  legers  met  die  van  Willem  III  zoo  goed  als  verzekerd 
was,  en  men  gemakkelijk  kon  voorzien  dat  die  legers  het  vol- 
gende jaar  hunne  aanvallende  operatiën  zouden  voortzetten  — , 
toen  was  het  voor  de  Fransche  krijgsmacht  niet  langer  mogelijk 
in  Holland  te  blijven,  want  een  langer  verblijf  zou  die  krijgs- 
macht geheel  hebben  doen  insluiten  en  van  Frankrijk  afsnijden. 
De  overgave  van  Bonn  was  voor  de  Franschen  het  sein  om  tot 
ontruiming  van  het  grondgebied  der  Republiek  over  te  gaan. 

In  November  aangevangen,  wordt  die  ontruiming  in  December 
voortgezet.  De  Fransche  troepen  verlaten  achtereenvolgens  de 
Utrechtsche  en  Geldersche  steden,  ook  Crèvecoeur,  Kampen  en 
Hattem;  terwijl  tegelijkertijd  de  Munsterschen  Meppel  en  Steen- 
wijk verlaten.  De  wijze  waarop  die  ontruiming  plaats  had,  het 
slechten  der  vesting  werken  van  een  gedeelte  der  steden  die  men 
verliet,  de  afpersingen  waaraan  de  Fransche  bevelhebbers  zich 
jegens  de  burgerijen  schuldig  maakten,  en  het  medevoeren  van 
gijzelaars,  —  dit  alles  zijn  maatregelen  die  hier  niet  uitvoerig' 
worden  vermeld,  omdat  zij  weinig  militair  belang  hebben.  Ge- 
noeg zij  het,  te  zeggen,  dat  Lodewijk  XIV  van  al  zijne  in  Hol- 
land gemaakte  veroveringen  niets  anders  wilde  behouden  dan 
Grave  en  Maastricht,  waarvan  de  bezettingen  aanmerkelijk  wer- 
den versterkt;  al  het  andere  werd  ontruimd,  en  achtereenvolgens 
in  bezit  genomen  door  de  troepen  van  Waldeck.  Luxembourg, 
zijne  macht'  bij  Maastricht  samengetrokken  hebbende,  gaat  daar- 
mede den  iQcn  December  op  marsch  om  naar  Frankrijk  terug 
te  keeren;  hij  had  bij  zich  loooo  man  infanterie  en  6000  rui- 
ters, en  begeleidde  een  konvooi  van  niet  minder  dan  3000  wagens. 
De  Fransche  veldheer  rukte  langs  den  rechteroever  van  de  Maas 
voort,  voornemens  door  de  Ardennen  op  Mezières  te  trekken, 
en  zóó  Frankrijk  te  bereiken. 

Maar  de  Stadhouder,  altijd  onvermoeid  en  op  geen  jaargetijde 
lettende  (toujours  infatigable  et  comptant  la  saison  pour  rien;  woor- 
den van  Beaurain),  wilde  den  vijand  niet  zoo  ongehinderd  met 
den  buit  uit  de  HoUandsche  steden  naar  Frankrijk  laten  aftrek- 
ken. Op  de  eerste  tijding  dat  Luxembourg  zijne  macht  bij 
Maastricht  verzamelde  om  verder  de  Nederlanden  te  ontruimen, 
rukte  eene  HoUandsche  legerafdeeling,  onder  Waldeck,  van  de 


Digitized  by 


Google 


ONTRUIMING  VAN  HOLLAND.  303 

Langstraat  in  Noord-Braband  op,  en  kwam  den  7011  December 
te  Herenthals.  Hier  vereenigd  met  Spaansche  troepen,  ruiterij 
en  voetvolk,  maakte  dit  alles  en  alles  een  leger  uit  van  25  è 
30000  man.  Willem  III  stelde  zich  aan  het  hoofd  daarvan,  en 
rukte  naar  de  Maas,  welke  rivier  hij  den  28sten  December  bij 
Hoey  overging.  Van  daar  trok  het  verbondene  leger  naar  Marche 
en  Famine,  en  bereikte  de  Ourthe,  juist  op  het  oogenblik  dat 
het  Fransche  leger  op  den  rechteroever  van  die  rivier  verscheen. 
Luxembourg  oordeelde  met  reden  dat,  belemmerd  als  hij  was 
door  den  grooten  wagentrein,  het  voor  hem  geheel  en  al  onge- 
raden was  een  gevecht  te  leveren  tegen  den  overmachtigen 
vijand;  en  keerde,  terwijl  hij  de  bruggen  over  de  Ourthe  ver- 
nielde om  alle  vervolging  te  voorkomen,  met  zijn  konvooi  in 
allerijl  naar  Maastricht  terug. 

Willem  III  liet  toen  een  gedeelte  zijner  macht,  Spaansche  rui- 
terij onder  den  Prins  de  Vaudemont,  op  den  rechter  Maasoever 
achter;  de  hoofdmacht  keerde  terug  op  den  linkeroever,  en  nam 
den  schijn  aan  alsof  zij  uiteen  wilde  gaan,  de  Spaansche  troepen 
naar  hunne  garnizoenen,  de  Hollandsche  naar  hun  land.  Luxem- 
bourg gaat  toen  nogmaals  van  Maastricht  op  marsch  om  Frank- 
rijk te  bereiken,  maar  ditmaal  langs  den  linkeroever  van  de 
Maas,  den  steenweg  op  Charleroi  volgende.  De  Stadhouder, 
onderricht  van  die  nieuwe  poging  des  Franschen  veldheers,  her- 
zamelt  ijlings  zijne  troepen  en  gaat  zijn  vijand  tegemoet;  maar 
deze  ontwijkt  weer  den  strijd,  en  trekt  terug  tot  onder  het  kanon 
van  Maastricht. 

Willem  III  zag  toen  in,  dat  het  ondoenlijk  was,  zijn  tegen- 
stander tot  een  veldslag  te  dwingen;  en  het  vergevorderde  jaar- 
getijde, de  vermoeienissen  door  zijne  troepen  verduurd,  en  de 
tijding  van  het  bijeentrekken  eener  Fransche  legermacht  aan  de 
Sambre,  maakten  het  onraadzaam  den  vijand  den  weg  naar 
Frankrijk  langer  te  willen  afsluiten.  De  Stadhouder  brak  dan 
ook  op,  en  deed  zijn  leger  uiteengaan  en  de  winterkwartieren 
betrekken.  Luxembourg  ging  toen,  ten  derden  male,  van  Maas- 
tricht op  marsch;  en  om  hem  te  ondersteunen  rukten  4000  man 
Fransche  ruiterij,  onder  Schomberg,  van  Charleroi  tot  Tongeren 
vooruit.  Den  iien  Januari  1674  had  de  vereeniging  plaats  van 
de  beide  Fransche  bevelhebbers;  beiden  rukten  toen  op  Char- 
leroi, en  deden  hunne  troepen  winterkwartieren  betrekken  in  de 
landstreek  tusschen  de  Maas  en  de  Sambre. 

Die  macht  door  Luxembourg  naar  Frankrijk  geleid,  maakte 
slechts  een  gedeelte  uit  van  de  krijgsmacht  die  Lodewijk  XIV 
in  Holland  had  gelaten ;  het  overige,  samengesteld  uit  de  bezet- 
tingen van  de  het  laatst  ontruimde  Hollandsche  steden,  trok 
eerst  in  het  voorjaar  van  1674  —  begin  van  Mei  —  te  Maastricht 
bijeen,   om  van  daar   verder  Frankrijk  te  bereiken.  Dit  tweede 


Digitized  by 


Google 


304'  KRIJGS-   EN   GESCHIEDfCUNDTGE  BESCHOUWINGEN. 

leger,  onder  den  maarschalk  De  Bellefonds,  telde  een  22000 
man;  bijgevolg,  wanneer  men  hierbij  voegt,  de  sterkte  van  het 
leger  door  Luxembourg  reeds  naar  Frankrijk  geleid,  en  die  der 
bezettingen  in  Grave  en  Maastricht  achtergelaten,  dan  kan  men 
aannemen  dat,  op  het  oogenblik  der  overgave  van  Bonn,  het 
grondgebied  der  Republiek  nog  bezet  was  door  een  50000  man 
Fransche  troepen. 


De  veldtocht  van  1673  ^^  bepaald  nadeelig  voor  Frankrijk; 
het  had  daarbij  bijna  geen  voordeelen  behaald,  maar  integendeel 
verloren  wat  het  door  den  veldtocht  van  het  vorige  jaar,  door 
wat  de  vleiers  van  Lodewijk  XIV  tde  verovering  van  Holland'* 
noemden,  had  gewonnen;  en  het  verlies  van  Bonn,  de  verschij- 
ning van  het  Keizerlijke  leger  op  den  linkeroever  van  den  Rijn, 
de  geheele  ontruiming  van  het  grondgebied  der  Republiek,  waren 
wederwaardigheden,  die  indruk  maakten  zelfs  op  de  heldenziel 
van  een  Turenne.  Wij  willen  kortelijk  vermelden  aan  welke  oor- 
zaken de  uitkomst  van  dezen  veldtocht  kan  geweten  worden. 

Als  een  eerste  en  als  de  voornaamste  oorzaak  noemen  wij  de 
betrekkelijke  sterkte  der  oorlogvoerende  partijen,  zoo  geheel  ver- 
schillend van  wat  zij  het  vorige  jaar  was  geweest  Wij  noemen 
die  oorzaak  de  voornaamste;  niet  dat  wij  van  meening  zijn, 
dat  de  overmacht  in  strijdkrachten  altijd  de  beslissing  moet 
aangeven,  en  dat  de  overwinning  altijd  is  aan  de  zijde  van  de 
sterkste  bataljons ;  integendeel,  wij  zijn  wel  degelijk  van  gevoelen, 
dat  de  bekwaamheid  van  den  legeraanvoerder  van  zeer  grooten 
invloed  is  op  den  gang  der  krijgsverrichtingen ;  —  maar,  hoe 
groot  ook,  die  invloed  heeft  evenwel  zijne  perken;  er  kan  eene 
verhouding  der  strijdkrachten  bestaan,  die  het  den  grootsten 
veldheer  onmogelijk  maakt  eene  goede  uitkomst  te  verkrijgen : 
al  het  genie  van  Napoleon  en  al  de  onbekwaamheid  van  zijne 
tegenstanders  vermochten  in  18 14  niet,  bij  de  groote  onevenredig- 
heid der  strijdkrachten,  den  val  van  Frankrijk  te  beletten.  Even- 
zoo  was  de  nietigheid  der  middelen  waarover  Willem  III  in  1672 
kon  beschikken,  de  oorzaak  dat  hij  de  Fransche  legers  niet  kon 
beletten  tot  in  het  hart  van  Holland  door  te  dringen,  en  dat  hij 
niet  in  staat  was  het  verlorene  te  herwinnen;  —  en  dat  dit  in 
1673  wél  gelukte,  moet  daaraan  worden  toegeschreven,  dat  de 
Stadhouder  toen  in  een  geheel  anderen  toestand  was  dan  in  het 
jaar  te  voren. 

Vergelijk  de  sterkte  der  wederzijdsche  partijen  in  de  beide 
jaren,  en  die  verschillende  toestand  zal  duidelijk  blijken. 

Frankrijk  en  zijne  bondgenooten  hadden  in  1673  niet  meer 
strijdkrachten  dan  in  1672;  men  kan  zelfs  gerustelijk  zeggen 
minder,  wanneer  men  let  op  de  verliezen  door  de  Munsterschen 


Digitized  by 


Google 


ONTRUIMING   VAN   HOLLAND.  305 

en  Keulenaars,  voor  Groningen,  geleden.  Maar  bij  de  tegenpartij 
was  het  geheel  anders:  in  1672  treden  als  bondgenooten  der 
Republiek  op  de  keurvorst  van  Brandenburg  en  de  Keizer; 
maar  die  bondgenooten  doen  zoo  goed  als  niets;  zij  komen  laat 
in  werking,  zij  houden  slechts  een  klein  gedeelte  van  de  Fransche 
krijgsmacht  bezig:  zij  kunnen  eigenlijk  niet  medegeteld  worden. 
De  geheele  last  des  oorlogs,  in  1672,  komt  neer  op  Spanje  en 
op  de  Republiek;  het  eerste,  zwak  en  uitgeput,  en  nog  in  naam 
in  vrede  met  Frankrijk,  neemt  slechts  zijdelings  deel  aan  den 
krijg;  de  Republiek...  wij  hebben  gezien  hoe  ellendig  het  ge- 
steld was  met  hare  strijdmiddelen  te  lande.  Aan  die  zwakheid 
der  oorlogvoerende  Staten  moeten  de  nadeelen  worden  toege- 
schreven van  1672.  Maar  in  1673  is  het  geheel  anders:  wél  is 
de  hulp  van  Spanje  dezelfde  als  vroeger ;  wél  heeft  de  keurvorst 
van  Brandenburg  zich  onttrokken  aan  het  bondgenootschap  met 
onzen  Staat,  en  vrede  gesloten  met  Frankrijk;  maar  de  Keizer 
neemt  nu  een  werkzaam  deel  aan  den  oorlog,  en  is  ons  tot  een 
sterken  steun;  en  de  strijdkrachten  der  Republiek  zelve  hebben 
eene  zoodanige  uitbreiding  en  verbetering  ondergaan,  dat  zij 
zelfs  niet  de  minste  vergelijking  toelaten  met  wat  zij  waren  in 
1672,  bij  het  begin  des  oorlogs.  Aan  die  sterkte  der  bondge- 
nooten moeten  de  voordeelen  van  1673  voornamelijk  worden 
toegeschreven. 

Een  tweede  oorzaak  vinden  wij  in  de  bekwaamheid  van  de 
legerhoofden  der  bondgenooten,  Monte  Cuculi  en  Willem  III; 
,  de  grijsaard  die  reeds  de  ondervinding  van  een  lange  veldheers- 
loopbaan tot  zijn  dienst  had,  de  jongeling  die  dadelijk  bij  zijn 
eerste  optreden  den  stoutsten  heldengeest  had  doen  blijken; 
beiden  betoonen  zich  hier  groote  en  bekwame  legerhoofden. 

Wij  zouden  in  herhalingen  vervallen  wanneer  wij  hier  weer  in 
het  breede  wilden  aantoonen  hoeveel  goeds,  groots,  beslissends 
er  was  in  dien  marsch  naar  den  Rijn,  in  dat  beleg  van  Bonn; 
hoe  daardoor,  het  best  en  het  zekerst,  de  ontruiming  van  Hol- 
land kon  worden  verkregen;  hoe  zulk  eene  handeling  alléén 
reeds  voldoende  is  om  Willem  III  onder  de  groote  en  uitste- 
kende veldheeren  te  doen  rangschikken,  onder  die  mannen  die 
de  bekwaamheid  voor  hunne  taak  niet  verkrijgen  door  de  soms 
duur  gekochte  lessen  der  ondervinding,  maar  door  de  ingevingen 
van  een  stouten  en  helderen  geest.  Dat  alles  hebben  wij  reeds 
aangetoond,  bij  het  spreken  over  de  aanvallende  bewegingen 
des  Stadhouders  op  het  einde  van  1672;  bewegingen  die  wij 
even  goed,  even  uitmuntend  achten  als  die  welke  de  ontruiming 
van  Holland  hebben  bewerkt;  het  is  eigenlijk  dezelfde  hande- 
ling, maar  die  daarom  verschillend  is  beoordeeld,  omdat  zij  den 
eenen  keer  is  gelukt,  en  den  anderen  keer  niet.  Daarom  ver- 
wijzen wij   hier  naar  wat  gezegd  is  over  de  krijgs verrichtingen 

WILLEM  iiL  —  I.  20 


Digitized  by 


Google 


306  KRUGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

van  1672,  en  zullen  wij  er  ons  toe  bepalen  met  aan  te  merken, 
dat  Monte  Cuculi  hier  krachtig  medewerkte  tot  het  doen  ge- 
lukken van  de  handelingen  des  Stadhouders. 

Het  vroegere  beleg  van  Naarden  door  het  HoUandsche  leger- 
hoofd is  ook  eene  handeling  geweest  die  zich  door  stoutheid  en 
krachtdadigheid  kenmerkte;  terwijl  de  latere  pogingen  des  Stad- 
houders om  Luxembourg  den  aftocht  naar  Frankrijk  te  beletten, 
niet  slechts  de  onvermoeide  werkzaamheid  van  eerstgenoemden 
veldheer  bewezen,  doch  ook  lichtelijk  aanleiding  konden  geven 
tot  het  behalen  van  voordeelen  op  de  minder  sterke  Fransche 
macht,  en  op  zijn  minst  genomen  er  toe  moesten  strekken  den 
bondgenooten  een  zedelijk  overwicht  te  geven  op  hunne  vijanden. 

Als  een  derde  oorzaak  noemen  wij  de  weinige  bekwaamheid 
waarmede  de  krijgsverrichtingen  van  1673  aan  de  Fransche  zijde 
bestuurd  werden. 

Het  zal  wonderspreukig  luiden,  van  weinige  bekwaamheid 
te  gewagen,  daar  waar  een  Turenne  en  een  Condé  aan  het  hoofd 
staan,  aanvoerders  wier  welverdiende  roem  het  kritische  onder- 
zoek der  latere  eeuwen  heeft  doorstaan.  Ook  zouden  wij  aarzelen 
dit  oordeel  uit  te  spreken,  wanneer  het  z  u  1  k  e  n  mannen  betrof; 
maar  niet  hun  geldt  ons  afkeurend  gevoelen;  zij  waren  niet  vrij 
in  hunne  handelingen;  alleen  op  hem  die  hunne  handelingen 
bestuurde,  komt  de  verantwoordelijkheid  neder  van  de  krijgs- 
rampen  die  Frankrijk  in  1673  ondervond. 

Lodewijk  XIV,  hoezeer  zich  soms  vertoonende  aan  het  hoofd 
zijner  legers,  had  evenwel  volstrekt  niet  de  bekwaamheden  die 
een  legerhoofd  moet  hebben.  Het  geluk  had  in  dit  gemis  voor- 
zien door  hem  een  Turenne,  een  Condé  te  geven,  —  om  niet 
te  gewagen  van  zooveel  anderen,  die,  bij  de  menigvuldige  oor- 
logen door  den  Franschen  monarch  gevoerd,  zich  als  bekwame 
veldheeren  hebben  doen  kennen.  Maar,  ongelukkig  voor  dien 
monarch,  stelde  hij  geen  genoegzaam  vertrouwen  in  die  veld- 
heeren, liet  hun  geen  vrijheid  van  handeling,  en  belemmerde 
hen  door  voorschriften  en  bevelen  van  allerlei  aard,  waardoor 
hunne  beste  ontwerpen  dikwijls  onuitgevoerd  bleven.  Ontstond 
dit  uit  bezorgdheid  voor  zijn  gezag,  uit  vrees  dat  de  steeds  toe- 
nemende roem  zijner  legerhoofden  zijn  eigen  roem  zou  over- 
schaduwen, uit  de  herinnering  aan  de  rol  die  sommigen  hunner 
gespeeld  hadden  in  de  onrustige  tijden  der  Fronde?  —  Wij  laten 
dit  daar;  maar  zooveel  is  zeker,  dat  Oostenrijksche  Icgerhoofden 
niet  nauwer  gebonden  waren  aan  de  voorschriften  van  den 
Weenenschen  hof  krijgsraad  dan  de  veldheeren  van  Lode- 
wijk XIV  aan  de  bevelen  van  dien  Koning.  Er  is  zoo  weinig 
overdrijving  in  die  bewering,  dat  men  gerustelijk  kan  zeggen, 
dat  Prins  Eugenius  van  Savoye  als  veldheer  veel  vrijer  te  werk 
kon  gaan  dan  Turenne, 


Digitized  by 


Google 


ONTRUIMING  VAN   HOLLAND,  307 

Louvois  was  in  Frankrijk  de  man  die  alle  oorlogszaken  regelde, 
die  daarin  het  onbepaaldste  vertrouwen  zijns  Konings  bezat,  en 
die,  evenals  een  groote  eeuw  later  Carnot,  in  zijn  schrijfkamer 
bepaalde  hoe  Frankrijk's  legers  zich  moesten  bewegen,  moesten 
handelen  en  strijden  om  den  oorlog  tot  een  goed  einde  te 
brengen.  Maar  wanneer  wij  die  beide  oorlogsministers  naast 
elkander  plaatsen,  dan  willen  wij  daarom  hunne  wecking  nog 
niet  gelijkstellen ;  daarin  bestond  groot  verschil.  De  oekwaam- 
beden  en  verdiensten  van  Carnot,  —  heeft  een  latere  beoordee- 
laar, Clausewitz,  gezegd  — ,  zijn  te  hoog  geprezen.  Wij  willen 
dit  niet  tegenspreken;  maar  wij  zijn  nochtans  van  oordeel,  dat 
het  bewind  van  Carnot  als  oorlogsminister  in  1793 — 1794  zeer 
goede  vruchten  heeft  gedragen,  en  noodzakelijk  was  om  eenige 
eenheid  te  brengen  in  het  toenmalige  Fransche  krijgswezen,  zoo 
pas  in  het  leven  geroepen,  uit  zoo  vreemde  bestanddeelen  be- 
staande, en  waarbij  zooveel  legerhoofden  waren,  voor  welke 
hunne  betrekking  vreemd  was,  en  die  wel  degelijk  de  leiding  en 
het  bestuur  van  een  verstandig  hoofd  behoefden.  Maar  met  het 
bestuur  van  Louvois  als  minister  van  oorlog  was  het  geheel 
anders:  toen  had  Frankrijk  goed  geregelde  legers,  en  had  het 
bekwame,  ervarene  veldheeren;  veldheeren,  die  men  gerustelijk 
op  zichzelve  kon  laten  handelen;  en  die,  beproefd  door  tal  van 
oorlogen  en  met  eigen  oogen  ziende  hoe  het  op  het  krijgstooneel 
gesteld  was,  veel  beter  in  staat  waren  om  te  beoordeelen  wat 
zij  moesten  doen,  dan  de  minister  die,  te  Parijs  zijnde,  minder 
goed  bekend  was  met  den  stand  van  zaken,  en  niet  die  onder- 
vinding had  welke  de  maarschalken  van  Lodewijk  bezaten.  Dat 
men  die  maarschalken  bond  aan  de  bevelen  en  voorschriften 
des  Ministers,  was  dus  geheel  verkeerd. 

Onbillijk  zou  het  zijn,  zich  dien  Minister  voor  te  stellen  als 
een  man  zonder  kunde  of  bekwaamheid ;  het  tegendeel  was  waar, 
dit  hebben  wij  reeds  vroeger  aangetoond.  De  geschiedenis  heeft 
Louvois  met  een  zwarte  kool  geteekend,  om  zijn  koele  hard- 
vochtigheid, om  zijne  onverbiddelijke  wreedheid;  de  verwoesting 
van  de  Paltz  heeft  zijn  naam  overdekt  met  een  welverdiende 
schande;  iedereen  heeft  het  recht,  hem  daarom  te  veroordeelen 
en  te  verachten;  —  het  valt  niet  te  ontkennen,  dat  hij  voor 
Lodewijk  XIV  een  dienaar  was  vol  ijver,  vol  bekwaamheid.  Maar 
het  vertrouwen  dat  hij  zelf  in  die  bekwaamheid  stelde,  verleidde 
hem  tot  de  dwaasheid  van  alles  zelf  te  willen  besturen,  —  ook 
die  legerhoofden,  die  zoozeer  getoond  hadden  voor  hunne  taak 
geheel  berekend  te  zijn. 

Ziedaar  een  misslag  waarin  een  minister  dikwijls  vervalt,  zelfs 
met  de  bekwaamheden  van  een  Louvois:  hij  meent  dat  hij, 
alleen,  alles  kan  regelen;  hij  vergeet,  dat  dit  slecht  gaat;  dat 
het  integendeel   zijne  zaak  is,  bekwame  mannen  te  kiezen,  aan 


Digitized  by 


Google 


308  KRUGS-   EN  GKSCHIEDICUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

wie  hij  een  deel  zijner  werkzaamheden  kan  opdragen,  en  die  hij 
vrijelijk  en  ongehinderd  moet  laten  werken^  zoolang  hij  ziet  dat 
op  deze  wijze  alles  goed  gaat;  hij  wil  eenheid,  hij  overschat  de 
waarde  daarvan,  hij  verkrijgt  die  eenheid  ten  koste  van  andere 
goede  beginselen ;  hij  wil  alles  tot  in  de  minste  kleinigheden  door 
vaste  bepalingen  regelen;  en  hij  ziet  niet  in,  dat  hij  daardoor 
alles  gebi^ekkig  zal  laten.  Is  zulk  eene  handeling  soms  te  wach- 
ten van  een  bekwaam  staatsman  als  Louvois,  nog  meer  is  zij  te 
vreezen  van  die  mannen  met  beperkte  geestvermogens,  die  te 
dikwijls,  tot  ongeluk  van  een  volk,  aan  het  hoofd  der  regeering 
komen;  en  die,  in  hun  dwaas  en  bekrompen  pedantisme,  ieders 
verstand  naar  de  maat  van  het  hunne  meten,  en  daardoor  zelfs 
de  geringste  en  onbeduidendste  handelingen  willen  binden  aan 
bepaalde  voorschriften  en  regels.  Zulke  ministers  zijn  een  ware 
plaag  voor  een  land  en  voor  een  leger. 

Op  Louvois,  die  de  voornaamste  strategische  handelingen  van 
1673  voorschreef  en  bestuurde,  komt  dus  de  schuld  neer  van 
de  slechte  uitkomsten  welke  die  handelingen  opleverden.  De 
Fransche  legers  werden  door  hem  slecht  geplaatst,  slecht  in  wer- 
king gebracht.  Wilde  men  de  veroveringen  in  Holland  behou- 
den, dan  was  het  zaak  allereerst  meester  te  worden  van  de 
Spaansche  Nederlanden ;  of  ten  minste  in  de  landstreek  lusschen 
Maas,  Rijn  en  Moezel  eene  legermacht  te  plaatsen,  genoegzaam 
sterk  om  daarmede  de  Keizerlijke  legers  in  bedwang  te  houden. 

Het  eerste  had  men  kunnen  doen  roet  behulp  van  die  sterke 
macht,  waarmede  Lodewijk  XIV,  in  Mei  1673,  de  Nederlanden 
binnenrukte.  Wij  hebben  reeds  vroeger  aangetoond,  dat  die  macht 
had  moeten  aangewend  worden  tot  de  verovering  van  de  Spaansche 
Nederlanden ;  dat  de  belegering  van  Maastricht  wel  op  zich  zelve 
geen  verkeerde  handeling  was,  maar  dat  het  verkeerd  was  zich 
tot  die  belegering  te  bepalen ;  dat  men  de  verschillende  Spaansche 
vestingen  tusschen  Maas  en  Schelde  had  moeten  bemachtigen; 
dat  men  daardoor  de  gemeenschap  van  het  leger  in  Holland 
met  Frankrijk  zou  verzekerd  hebben;  en  dat  men  dan  de  krijgs- 
verrichtingen  op  het  grondgebied  der  Republiek  kon  voortzetten 
zoo  lang  men  dit  verkoos,  zonder  het  minste  gevaar  te  loopen 
van  afgesneden  te  worden. 

Toen  men  die  onderwerping  der  Spaansche  Nederlanden  ver- 
zuimde, had  men  ten  minste  maatregelen  moeten  nemen  om 
den  Keizerlijken  legers  te  verhinderen  zich  te  vereenigen  met  de 
krijgsmacht  van  Willem  III.  Men  kon  daartoe  Turenne's  voorstel 
opvolgen,  en  het  leger  van  dien  veldheer  den  vijand  doen  op- 
zoeken in  Bohemen,  en  dien  vijand  daardoor  beletten  den  Rijn 
te  naderen.  Oordeelde  men  die  handeling  te  stout,  dan  kon  men 
Turenne  voorschrijven,  wanneer  het  hem  niet  langer  mogelijk 
was  den  vijand  aan  den  Main  tegen  te  houden,  met  het  Fransche 


Digitized  by 


Google 


ONTRUIMING  VAN  HOLLAND.  309 

leger  terug  te  trekken  naar  den  beneden-Rijn.  altijd  blijvende 
tusschen  de  legers  van  Monte  Cuculi  en  van  Willem  III,  en 
daardoor  de  vereeniging  belettende  van  die  beide  legers  der 
bondgenooten.  Op  den  linkeroever  van  den  Rijn,  of  geplaatst  in 
een  dubbel  bruggenhoofd  nabij  Keulen,  zou  Turenne,  in  gemeen- 
schap met  Maastricht  en  met  Luxembourg  in  Holland,  zeer  goed, 
evenals  het  jaar  te  voren,  den  overtocht  van  den  Rijn  door  de 
Keizerlijken  en  de  vereeniging  van  hun  leger  met  dat  van  Wil- 
lem III  hebben  kunnen  beletten.  Holland  had  dan  niet  ontruimd 
behoeven  te  worden,  en  in  den  veldtocht  zou  het  voordeel  aan 
Frankrijk's  zijde  zijn  gebleven. 

Maar  Louvois  was  beducht  dat  het  Keizerlijke  leger  zich  naar 
den  boven-Rijn  wilde  wenden,  en  in  den  Elzas  en  Lotharingen 
vallen ;  daarom  bleef  Turenne  volgens  zijne  voorschriften  op  den 
linkeroever  van  den  Main,  terwijl  hij  zich  op  den  rechteroever 
had  moeten  plaatsen;  daarom  trok  die  Fransche  veldheer  terug 
op  Philipsburg,  terwijl  hij  zijn  terugtocht  naar  den  beneden-Rijn 
had  moeten  verrichten.  Die  handeling,  die  misslag  was  beslissend; 
toen  was  het  onmogelijk  de  vereeniging  van  de  Keizerlijke  en 
Hollandsche  legers  te  beletten;  toen  was  het  onmogelijk  om 
Bonn  en  de  Staten  van  den  bisschop  van  Keulen  te  hulp  te 
komen;  toen  was  het  onmogelijk  om  in  Holland  langer  een  leger 
te  laten,  dat  het  dreigendste  gevaar  liep  daar  geheel  ingesloten 
te  worden. 

Ook  kan  men  den  noodlottigen  invloed  van  een  te  groot 
aantal  vestingen  bij  dit  gedeelte  van  den  veldtocht  weer  opmerken. 
Frankrijk  had,  zooals  wij  gezien  hebben,  op  het  grondgebied  der 
Republiek  eene  legermacht  van  een  50  000  man ;  toch  kost  het 
de  grootste  moeite  om  daarvan  een  10  ^  12000  man  bijeen  te 
brengen ;  zoozeer  was  die  macht  verdeeld  en  versnipperd  in  steden 
en  sterkten  van  allerlei  aard.  Wanneer  dat  niet  het  geval  was 
geweest,  wanneer  men  alleen  eenige  weinige,  bijzonder  belangrijke 
vestingen  bezet  had  gehouden,  en  de  overige  ontruimd  en  ont- 
wapend, dan  had  de  helft  van  het  leger  in  Holland  in  het  veld 
kunnen  worden  gebracht;  en  dan  was  er  nog  mogelijkheid  ge- 
weest om  de  vereeniging  van  de  beide  legers  der  bondgenooten 
te  beletten,  en  de  Keizerlijken  weer  terug  te  werpen  naar  den 
rechteroever  van  den  Rijn.  Nu  was  dit  eene  onmogelijkheid;  nu 
moest  Holland  ontruimd  worden,  in  weerwil  dat  men  daar  zoo- 
veel vestingen  en  vaste  punten  had. 

Wat  Rousset  zegt  over  de  krijgsverrichtingen  van  het  einde 
van  het  jaar  1673,  komt  ons  voor,  minder  juist  te  zijn;  die 
Fransche  schrijver  doet  het  voorkomen,  alsof  de  ontruiming  van 
Holland  door  de  legers  van  Lodewijk  XIV  minder  het  gevolg 
is  geweest  van  de  noodzakelijkheid,  dan  wel  de  vrucht  van  de 

WILLEM  in.  —  I.  20* 


Digitized  by 


Google 


3IO  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

goede  strategische  inzichten  van  Louvois.  Ziehier  wat  voorkomt 
op   blz.    500 — 502  van  het  eerste  deel  der  y^Hhtoire  de  Louroii'*', 

» Zoodra  de  vredebreuk  met  Spanje  eene  besliste  zaak  was,  en 
terwijl  de  Prins  van  Oranje  zich  in  beweging  begon  te  stellen 
om  zich  te  vereenigen  met  graaf  Monterey,  had  Louvois  eens- 
klaps door  Lodewijk  XIV  een  belangrijk  besluit  doen  nemen. 
»De  Koning,"  —  zoo  schreef  hij  den  aostcn  October  aan  den 
markies  De  Rochefort  —  >moet  zich  heden  beraden  over  het 
ontruimen  van  Utrecht ;  en  daar  die  ontruiming  volstrekt  noodig 
is,  zoo  geloof  ik  u  in  vertrouwen  te  mogen  mededeelen,  dat 
daartoe  zal  worden  besloten,  en  dat  dit  binnen  kort  zal  worden 
ten  uilvoer  gebracht."  —  Niet  alleen  zou  men  Utrecht  ontruimen, 
maar  ook  alle  steden  aan  de  Zuiderzee,  aan  den  IJsel  en  aan 
de  Lek;  men  behield  alleen  de  steden  aan  Waal,  Maas  en  Rijn, 
met  Arnhem  als  vooruitgeschoven  post.  Het  was  een  mannelijk 
besluit  dat  gunstig  pleitte  voor  het  oordeel,  gezond  verstand  en 
vastberadenheid  van  hem  die  daartoe  aanspoorde.  Turenne  keurde 
het  goed:  Condé  keurde  het  af;  hij  grondde  zich  daarbij  hierop: 
>dat  die  ontruiming  'sKonings  zaak  in  geheel  Europa  zou  be- 
nadeelen  en  bederven."  Condé  had  hier  de  openbare  meening 
voor  zich;  in  Frankrijk  houdt  men  er  niet  van,  om  te  wijken; 
elke  achlerwaartsche  beweging  wordt  beschouwd  als  een  inbreuk 
op  de  nationale  eer.  Holland  was  de  prijs  van  de  overwinning; 
vijftien  maanden  had  men  het  bezet,  en  het  daardoor  gemaakt 
tot  een  Fransch  gewest;  en  toch  ontruimde  men  het  voor  de 
helft ;  voor  wien  ?  voor  welken  overwinnaar  ?  welken  veldslag  had 
men  dan  verloren  ?  De  volksmeening  onderzocht  niet,  of  de  oorlog 
met  den  Keizer  en  met  Spanje  het  niet  noodzakelijk  maakte  om 
Frankrijk's  strijdkrachten  elders  te  doen  optreden.  Wél  zag  Condé 
die  noodzakelijkheid  in,  die  het  algemeen  nog  niet  begreep; 
maar,  hoewel  Louvois  hem  verzekerd  had,  dat  het  onmogelijk 
was  om  nog  meer  uitbreiding  te  geven  aan  Frankrijk's  strijd- 
krachten, zoo  maande  hij  den  Minister  toch  aan,  om,  liever  dan 
Utrecht  te  ontruimen,  nog  eenige  pogingen  aan  te  wenden  om 
nieuwe  troepen  te  lichten  in  Zwitserland,  in  Engeland,  zelfs  in 
Frankrijk. 

Louvois  had  moed  genoeg  om  weerstand  te  bieden  aan  Condé 
en  aan  de  openbare  meening;  zonder  aarzelen  bracht  hij  zijne 
populariteit  ten  offer  aan  het  algemeen  belang.  Hij  deed  dit 
zonder  tweestrijd;  en  de  voorschriften  die  hij  opmaakte  voor 
den  hertog  De  Luxembourg  waren  zoo  duidelijk,  zoo  stelsel- 
matig, zoo  gemakkelijk  op  te  volgen  als  maar  zijn  kon.  Het 
gunstige  oogenblik  was  daar,  —  schreef  hij  hem  — ,  nu  de  Prins 
van  Oranje  er  liefhebberij  in  had  om  zijne  laarzen  vuil  te  maken 
in  Vlaanderen,"  {pendant  que  Ie  Prince  d^  Orange  s  awmait  a  crotter 
ses  hottes  en  Flandre).   De   vestingen   ontwapenen  en  ontmantelen. 


Digitized  by  VjOÓQIC 


ONTRUIMING  VAN  HOLLAND.  3II 

al  den  krijgsvoorraad  en  leeftocht  meenemen,  een  losgeld  op- 
leggen aan  de  sleden  en  dorpen  die  men  voortaan  niet  meer 
zou  kunnen  belasten,  en  toch  alle  wanorde  en  geweld  voorkomen 
of  tegengaan,  »daar  Zijne  Majesteit  die  gaarne  zou  willen  ver- 
mijden voor  zoover  die  niet  volstrekt  noodig  zijn,"  —  dit  alles 
was  overwogen,  aangeduid,  uitgewerkt.  In  de  steden  die  hij  be- 
zet bleef  houden,  wilde  de  Koning  534  compagnieën  voetvolk 
laten,  dat  is  bij  de  20000  man  onder  de  wapens;  de  bezettingen 
der  sleden  die  men  ontruimde  en  de  troepen  die  Luxembourg 
op  marsch  tot  zich  moest  trekken  om  ze  naar  Frankrijk  te 
brengen,  zouden  een  leger  uitmaken  van  20000  man  voetvolk 
en  10  000  paarden. 

Hoezeer  het  dringend  noodig  was  om  grooten  spoed  te  maken, 
zoo  vorderde  zulk  een  gewichtige  operatie  toch  veel  tijd;  Luxem- 
bourg was  ternauwernood  daarmede  begonnen,  toen  de  Prins 
van  Oranje,  die  onderweg  een  Spaansche  legermacht  aan  zich 
had  getrokken,  voor  de  muren  van  Bonn  verscheen;  terwijl 
daarvoor,  aan  de  andere  zijde,  de  Keizerlijken  kwamen,  die  van 
Mainz  naar  het  lagere  gedeelte  van  den  Rijn  waren  getrokken." 

Enkele  aanmerkingen  hierop. 

Vooreerst  op  de  cijfers.  Tot  bezetting  van  de  HoUandsche 
steden  die  men  niet  ontruimde,  moesten  534  compagnieën  voet- 
volk worden  aangewend,  die,  onder  de  wapens,  bij  de  20000 
man  uitmaakten ;  —  dus  zou  de  sterkte  van  elke  compagnie  nog 
geen  40  man  zijn  geweest?  Dit  is  niet  waarschijnlijk. 

Luxembourg's  leger,  dat  geheel  in  het  begin  van  1674  Char- 
leroi en  Frankrijk  bereikte,  zou  sterk  zijn  geweest  20000  man 
voetvolk  en  10000  man  ruiterij;  —  andere  opgaven  geven  een 
veel  mindere  sterkte  aan:  10 000  man  voetvolk  en  6000  man 
ruiterij;  —  en  die  mindere  sterkte  is  veel  meer  waarschijnlijk; 
want  als  Luxembourg  aan  het  hoofd  had  gestaan  van  zulk  een 
sterk  leger,  zou  hij  dan,  zelfs  belemmerd  door  een  wagentrcin, 
tot  tweemaal  toe  zijn  teruggegaan  voor  Willem  III,  die  een  min- 
der sterk  leger  aanvoerde? 

Het  meest  waarschijnlijke  is  —  zooals  reeds  gezegd  is  —  dat 
er  in  het  najaar  van  1673  nog  ongeveer  een  50000  man  Fransche 
troepen  in  Holland  waren;  dat  daarvan  in  Januari  1674  een 
16000  man  —  laat  het  20000  man  zijn,  maar  meer  niet  — 
door  Luxembourg  naar  Frankrijk  werden  teruggebracht;  dat. 
eenige  maanden  later  De  Bellefonds  met  een  leger  van  22000 
man  Gelderland  verliet;  en  dat  de  bezettingen  die  in  Grave  en 
Maastricht  achterbleven,  te  zamen  een  10  è.  12000  man  hebben 
uitgemaakt. 

Wij  geven  die  cijfers  als  de  meest  waarschijnlijke,  als 
die  waartoe  men  komt  als  men  de  verschillende  opgaven  raad- 
pleegt  en  onderling  vergelijkt.  Zelden  of  nooit  zal  men  bij  een 


Digitized  by 


Google 


312  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

oorlog  met  wiskundige  zekerheid  de  sterkte  van  de  strij- 
dende partijen  kunnen  kennen;  en  toch  dient  men  zich  een 
eenigszins  juist  denkbeeld  van  die  sterkte  te  maken,  wil  men 
vruchten  plukken  van  de  studie  van  de  k rijgsgeschiedenis. 

Een  tweede  aanmerking  betreft  den  invloed,  dien  het  optreden 
van  den  Keizer  en  van  Spanje  als  vijanden  van  Lodewijk  XIV 
zou  gehad  hebben  op  de  ontruiming  van  Holland.  Die  invloed 
wordt  door  Rousset  veel  te  hoog  geschat;  of,  beter  gezegd,  hij 
geeft  hier  een  geheel  onjuiste  voorstelling  van  den  gang  van 
zaken.  De  Fransche  schrijver  doet  het  voorkomen,  alsof  eerst 
door  de  traktaten,  die  den  3osten  Augustus  1673  in  Den  Haag 
werden  gesloten  lusschen  den  Keizer,  Spanje  en  de  Republiek, 
de  Keizer  en  Spanje  vijanden  zijn  geworden  van  Lodewijk  XIV ; 
alsof,  vóór  dien  tijd,  Frankrijk  volstrekt  geen  vijandschap  of 
tegenwerking  had  te  duchten  van  den  Keizer  of  van  Spanje; 
alsof  in  den  zomer  van  1673  ^^  staatkundige  toestand  in  eens 
geheel  en  al  was  veranderd  \  en  alsof  alleen  die  geheele  omkee- 
ring de  oorzaak  is  geweest  van  de  ontruiming  van  Holland. 

Maar  die  voorstelling  komt  niet  overeen  met  de  werkelijkheid. 
Spanje  had  ons  hulp  verleend,  van  het  eerste  oogenblik  af  dat 
lodewijk  XIV  in  1672  de  Republiek  aanviel;  het  was  onafge- 
broken daarmede  blijven  voortgaan;  het  was  een  half  Spaansch, 
half  Hollandsch  leger,  waarmede  Willem  III  in  1672  Charleroi 
aanviel;  Spaansche  regimenten  namen  deel  aan  de  verdediging 
van  Maastricht;  —  in  één  woord,  dat  verdrag  van  30  Augustus 
1673  deed  niet  anders  dan  openbaarheid  geven  aan  een  toestand 
van  zaken,  die  reeds  veel  langer  dan  een  jaar  bestond,  en  die 
voor  niemand  een  geheim  was.  Evenzoo  met  den  Keizer:  reeds 
in  het  najaar  van  1672  verwachtte  men  een  Keizerlijk  leger  in 
de  Rijnprovincien  te  zien  komen;  Willem  III  rekende  daarop, 
toen  hij  op  het  einde  van  1672  naar  die  gewesten  trok;  en 
Lodewijk  XIV  en  Louvois  zijn  onmogelijk  daarvan  onkundig 
kunnen  wezen.  Het  kan  dus  niet  zijn,  dat  de  ontruiming  van  Hol- 
land is  teweeggebracht  door  de  traktaten,  in  1673  door  de 
Republiek  gesloten  met  Spanje  en  met  den  Keizer;  want  die 
traktaten  leerden  den  Franschen  koning  niets,  wat  hij  niet  reeds 
sedert  lang  wist. 

Maar  de  ontruiming  van  Holland  werd  teweeggebracht  door 
de  steeds  toenemende  bezorgheid  van  de  Fransche  bewindheb- 
bers, dat  hunne  legermacht  in  Holland  groot  gevaar  liep  geheel 
afgesneden  te  worden  van  Frankrijk,  groot  gevaar  liep  geheel 
verloren  te  gaan.  De  stoute  onderneming  van  Willem  III,  op 
het  einde  van  1672,  had  reeds  op  dat  gevaar  opmerkzaam  ge- 
maakt; toenmaals  was  het  echter  afgewend,  door  het  niet  op- 
dagen van  het  Keizerlijke  leger,  en  door  het  niet  gelukken  van 
den  aanval  op  Charleroi.  Maar  toen  de  Stadhouder  in  het  najaar 


Digitized  by 


Google 


ONTRUIMING   VAN   HOLLAND.  313 

van  1673  de  onderneming  van  het  vorige  jaar  herhaalde,  begon 
men  aan  de  Fransche  zijde  overtuigd  te  worden  van  de  nood- 
zakelijkheid om  Holland  te  verlaten ;  de  datums  toonen  het  aan, 
dat  het  een  het  gevolg  is  geweest  van  het  ander;  den  i2ea  en 
i3en  October  trekt  het  Hollandsche  leger,  uit  Noord-Braband,  de 
Spaansche  Nederlanden  in;  en  den  2osteo  October  —  toen  men 
in  Frankrijk  die  aanvallende  beweging  van  den  Stadhouder  dus 
zeer  zeker  reeds  heeft  kunnen  weten  — ,  wordt  aan  den  Fran- 
schen  koning  voorgesteld  om  Utrecht  te  verlaten  en  de  krijgs- 
macht die  in  Holland  is  meer  samen  te  trekken;  en  die  samen- 
trekking is  ternauwernood  aangevangen,  of  Willem  III  is  reeds 
meester  van  Bonn. 

Over  dat  beleg  van  Bonn  vindt  men  bij  Rousset  maar  weinig; 
«n  dat  weinige  dient  alleen  om  ten  voordeele  van  de  Fransche 
wapeneer  te  pleiten: 

(i*  deel,  blz.  503)  ...iDe  vestingwerken  waren  slecht,  en  niet 
bewapend ;  de  magazijnen  bijna  leeg.  Er  werd  een  wonderdadige 
werkzaamheid  toe  vereischt  om  de  stad  in  weinige  dagen  zóó 
te  versterken  dat  zij  niet  met  den  eersten  aanloop  kon  worden 
genomen.  Het  beleg  begon  den  300  November;  den  I2en,  na 
eene  krachtige  verdediging  waarvan  al  de  inspanning  en  al  de 
eer  toekwam  aan  de  Fransche  bezetting^  werd,  door  den  onwil 
van  de  troepen  van  den  Keurvorst,  de  dwarsdrijverijen  van  hun 
aanvoerder,  en  den  opstand  van  de  burgerij,  Reveillon"  (de 
Fransche  bevelhebber)  >  gedwongen  om  eene  capitulatie  te  slui- 
ten, die  hij  echter  niet  mede  wilde  onderteekenen." 

Over  het  einde  van  den  veldtocht  vindt  men  bij  Rousset  het 
volgende,  dat  slechts  algemeene  trekken  geeft,  en  te  wenschen 
overlaat  wat  de  juistheid  der  bijzonderheden  aangaat  (1*  deel, 
blz.  509—510). 

iNa  het  nemen  van  Bonn  beraadslaagden  de  hoofden  der 
bondgenooten  over  de  verdere  handelingen,  maar  konden  het 
<iaarbij  niet  eens  worden.  Monte  Cuculi,  wien  al  dat  ijdel  getwist 
vermoeide,  had  plotseling  die  beraadslaging  gestaakt  en  was 
naar  Weenen  vertrokken;  zijne  onderbevelhebbers  hadden  last 
om  het  leger  weer  naar  den  rechteroever  van  den  Rijn  te  doen 
teruggaan.  Men  meende  dat  de  Prins  van  Oranje,  hoezeer  het 
hem  ook  leed  deed,  naar  Holland  was  teruggekeerd,  toen  er 
van  den  hertog  De  Luxembourg  —  die  intusschen  te  Maastricht 
was  gekomen,  met  de  troepen  die  hij  naar  Frankrijk  moest  terug- 
brengen —  brieven  werden  ontvangen,  waarin  hij  meldde,  dat 
hij  tej^enover  zich  had  staan,  op  den  grooten  weg  van  Maastricht 
naar  Charleroi,  den  Prins  van  Oranje  en  graaf  Monterey,  van 
zins,  naar  het  scheen,  om  hem  den  weg  af  te  sluiten.  Dadelijk 
na  de  ontvangst  van  die  tijding  schreef  Louvois  aan  Luxembourg, 


Digitized  by 


Google 


314  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

dat  er  bevelen  waren  uitgevaardigd  om  te  Charleroi  een  leger 
samen  te  trekken  van  20000  man  voetvolk  en  10  000  ruiters, 
dat  hem  binnen  eenige  dagen  te  gemoet  zou  gaan,  aangevoerd 
door  Condé  en  Turenne.  Geen  van  beiden  behoefde  te  velde 
te  trekken :  op  het  eerste  bericht  van  het  samentrekken  van  een 
Fransch  leger  bij  de  Sambre,  hadden  de  Prins  van  Oranje  en 
graaf  Monterey  het  gevaar  ingezien  van  tusschen  twee  vuren  te 
komen  en  waren  zij  daarom  afgetrokken,  na  nutteloos  hun  voet- 
volk te  hebben  vermoeid  en  hunne  ruiterij  te  hebben  uitgeput 
in  die  moeielijke  slijkgronden.  Half  Januari  1674  kwam  Luxem» 
bourg  te  Charleroi  terug,  zonder  eenig  ander  bezwaar  te  hebben 
ondervonden  dan  dat  van  een  vermoeienden  marsch. 

Geëindigd  was  de  veldtocht  van  1673,  —  maar  niet  ten  voor- 
deele  van  Frankrijk.  De  oorlogsverklaring  van  den  Keizer  en 
van  Spanje;  de  lauwheid,  ontmoediging,  of  zwakheid  van  's  Konings 
bondgenooten ;  de  inneming  van  Naarden;  Monte  Cuculi's  be- 
wegingen; zijn  vereeniging  met  den  Prins  van  Oranje;  de  inne- 
ming van  Bonn;  het  verbreken  van  de  gemeenschap  langs  den 
Rijn ;  het  ontruimen  van  Utrecht  en  van  zooveel  andere  sleden, 
en  —  om  het  zoo  maar  eens  te  noemen  —  het  herleven  van 
Holland;  dit  alles  had  den  indruk  van  het  veroveren  van  Maas- 
tricht geheel  en  al  uitgewischt.  In  werkelijkheid  —  zoo  zou 
een  onpartijdige  oordeelen  —  had  Frankrijk  slechts  onbedui- 
dende verliezen  geleden;  integendeel,  het  had  zelfs  gewonnen, 
daar  het  zijne  stellingen  meer  beperkte,  en  zijne  strijdkrachten 
meer  samentrok;  —  maar  zedelijk  was  het  verzwakt  door  den 
indruk  dien  de  gebeurtenissen  hadden  gemaakt  op  de  gemoederen, 
zoowel  binnen-  als  buitenslands.  Frankrijk's  vijanden  hadden  te 
veel  zelfvertrouwen  om  zoo  kleine  voordeden,  het  Fransche 
volk  te  veel  onmst  om  zoo  kleine  tegenspoeden ;  maar  die  over- 
maat van  zelfvertrouwen  aan  den  eenen  kant,  en  van  onrust  aan 
den  anderen  was  juist  een  groot  kwaad." 

Met  groote  juistheid  wordt  hier  door  Rousset  opgemerkt,  dat 
in  1673  Frankrijk  niet  zoo  groot  stoffelijk  nadeel  had  onder- 
vonden,  maar  dat  het  zedelijk  sterk  was  achteruitgegaan;  en  de 
zedelijke  invloed  doet  bijna  alles  af  in  vele  omstandigheden, 
vooral  in  oorlogszaken.  Zie  hoe  bij  het  begin  van  den  oorlog 
van  1672  alles  voor  Frankrijk  buigt,  hoe  alvermogend  Lodewijk  XIV 
schijnt,  hoe  in  Europa  niets  tegen  hem  durft  optreden,  hoe  ge- 
makkelijk zijne  legers  overwinnen,  hoe  gering  zij  het  strijdver- 
mogen  der  HoUandsche  troepen  achten,  hoe  spoedig  de  Repu- 
bliek haren  ondergang  nabij  is;  —  zie  hoe  die  Republiek  zich 
daarentegen  op  het  einde  van  1673  weer  met  veerkracht  ver- 
heft, hoe  zij  zich  bondgenooten  weet  te  verwerven,  hoe  hare 
vloten  op  den  oceaan  zegevieren,  hoe  hare  legers  stoutmoedig 
Frankrijk's  legers  ten  strijde  uitdagen,  en  tot  tweemaal  toe  Luxem- 


Digitized  by 


Google 


ONTRUIMING   VAN   HOLLAND.  315 

bourg  zijn  veiligheid  doen  zoeken  onder  het  kanon  van  Maas- 
tricht. Dat  zijn  uitkomsten  die  indruk  maken,  en  die  den  groot- 
sten  invloed  oefenen  op  den  verderen  gang  der  gebeurtenissen. 

De  veldtochten  van  1672  en  1673  hadden  ook  Willem  III  als 
legerhoofd  aan  Europa  doen  kennen;  zijne  strategische  hande- 
lingen die  HoUand's  geheele  bevrijding  ten  gevolge  hadden,  zijn 
alleen  reeds  voldoende  om  hem  tot  een  groot  veldheer  te  stempelen. 

Maar  hoe  kan  dat  ?  —  hebben  wij  eens  hooren  aanmerken ;  — 
hoe  kan  Willem  III  zoo,  bij  zijn  eerste  optreden,  dadelijk  een 
groot  legerhoofd  zijn;  hij,  zoo  jong,  en  zonder  voorafgaande 
opleiding  ?  Dat  waait  iemand  toch  niet  zoo  in  eens  aan,  de  kunst, 
de  verheven  kunst,  om  in  den  oorlog  de  bewegingen  en  han- 
delingen der  legers  goed  te  besturen? 

Dat  waait  iemand  zoo  in  eens  niet  aan?  —  Neen,  zeker  niet; 
wanneer  men  daaronder  verstaat  óéX  gedeelte  der  veldheerskunst, 
dat  betrekking  heeft  op  de  kennis  der  bijzonderheden,  op  de 
technische  kennis;  dat  vereischt  veel  studie,  veel  ondervinding, 
jaren  tijds.  Maar  iets  anders  is  het,  wanneer  het  betreft  het 
juiste  en  heldere  inzicht  in  de  groote  oorlogshandelingen,  en  de 
vaardigheid  om  snel  te  besluiten  tot  datgene  wat  beslissende 
gevolgen  moet  hebben;  dat  deel  van  de  veldheerskunst  is  min- 
der de  vrucht  van  studie  dan  van  aangeboren  geestvermogens, 
van  genie,  van  heldenmoed.  Het  kan  wellicht  ahijd  vreemd  zijn 
gebleven  aan  den  ouden  aanvoerder,  die  op  de  rijkste  onder- 
vinding kan  bogen ;  het  kan  wellicht  het  deel  zijn  van  het  jonge 
legerhoofd,  dat  pas  optreedt,  dat  nog  geen  ondervinding  heeft, 
maar  dat  door  het  vuur  van  het  genie  wordt  bezield ;  voor  hem 
gelden  de  woorden  van  Corneille's  Cid: 

»mes  pareils  k  deux  fois  ne  se  font  pas  coonattre, 

et  pour  leurs  coups  d'essai  veulent  des  coups  de  mattre." 


EINDE   VAN   HET   EERSTE   DEEL. 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google 


KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN 
OVER  WILLEM  DEN  DERDE. 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google 


Krijgs-  en  Geschiedkundige 
Beschouwingen 


OVER 


WILLEM  DEN  DERDE. 


TWEEDE  DEEL  (1674-1688) 


DOOR 


W.  J.  KNOOP, 

in  leven  Luitenant-Generaal  v.  h.  Nederl.  Leger 


de  jonge  vorst,  uit  d'eelsten  stam  gesproten, 


zweert  d'eed  van  Hannibal  voor  't  oog  der  oppennagt: 

„help  God  dat  ik  's  volks  ketens  slake ! 

'K  zweer  Frankryk  onuitroeibre  wrake; 

breek  ik  mijn  eed,  dat  mij  dan  't  voorgeslacht  verzake, 

mij  uit  haar  krcits  verstoote,  en  't  nakroost  mij  veracht, 

gelijk  een  vreemde  slaaf,  in  schande  voortgebragt." 

Gij  weet  het  Lodewijk,  heeft  hij  zijn  eed  betracht? 

Hrlmers. 


SCHIEDAM, 
H.  A.  M.  ROELANTS, 

1895. 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google 


INHOUD  VAN  HET  TWEEDE  DEEL. 


HOOFDSTUK  XI. 


Krijgsverrichtingen  tegen  de  Munsterschen  in  1674;  oorlogstoe- 
rustingen en  oorlogsplannen  van  Frankrijk  en  van  de  bond- 
genooten;  verovering  van  Franche-Comté ;  krijgsverrichtingen 
bij  de  Pyreneën;  oorlog  ter  zee;  krijgsverrichtingen  aan  den 
Boven-Rijn Bladz.  i 

Oorlogvoerende  partijen  in  1674. 

Krijgsverrichtingen  tegen  de  Munsterschen  (Maart  en  April  1674).  — 
Gevecht  bij  Nordhorn  (5  April  1674).  —  Inneming  van  Nienhuis  (7  April 
1674).  —  Hememing  van  Nienhuis  door  de  Munsterschen  (20  April  1674). 

Krijgstoerustingen  van  Frankrijk.  —  Krijgstoerustingen  der  bondge- 
nooten:  Duitschland;  Spanje;  de  Republiek;  ontwerpen  van  verschanste 
Uoiën;  verzorging  van  zieken  en  gewonden.  —  Oorlogsplannen:  van  de 
bondgenooten ;  van  Frankrijk. 

Verovering  van  Franche-Comté  (Februari — ^Juni  1674). 

Krijgsverrichtingen  bij  de  Pyreneën. 

Tocht  van  De  Ruyter  naar  de  Antillen  (Mei— October  1674).  —  Tromp 
op  de  Fransche  zeekusten  (Juni— Juli  1674).  —  Samenzwering  tegen 
Lodewijk  XIV.  —  Rousset  over  de  verrichtingen  der  Hollandsche  vloot. 

Krijgsverrichtingen  aan  den  Rijn  (Juni  1674 — ^Januari  167$).  —  Ge- 
vecht bij  Sintzheim  (16  Juni  1674).  —  Eerste  verwoesting  van  de  Paltz 
(1674).  —  Slag  bij  Entzheim  (4  October  1674).  —  Overvalling  van  de 
Duitsche  kantonnementen  (December  1674 — ^Januari  1675). 

HOOFDSTUK  XII. 

Krijgsverrichtingen  van  1674  in  de  Nederlanden,  tot  aan  den 
slag  van  Séneffe Bladz.  25 

De  Bellefonds;  opmerking.  —  Samentrekking  van  Condé's  leger  te 
Doornik  (10  Mei  1674).  —  Beschrijving  van  het  oorlogstooneel.  — 
Marsch  van  Condé  van  Doornik  op  Maastricht  (12 — 23  Mei);  beschou- 
wingen over  dien  marsch.  —  Beleg  van  Argenteau  (16—17  Mei).  — 
Beleg  van  Navagne  (17^22  Mei).  —  Vereeniging  der  legers  van  Condé 
en  De  Bellefonds  (23  Mei);  opmerking.  —  Marsch  van  het  Fransche 
leger  naar  Thiraéon  (25 — 29  Mei). 


Digitized  by 


Google 


Oorzaak  van  de  werkeloosheid  der  bondgenooten.  —  Opmarsch  van 
het  HoUandsche  leger  (13 — 17  Mei).  —  Sterkte  van  het  Hollandsche 
leger;  sterkte  van  de  Spaansche  legermacht ;.  sterkte  vao  het  Duitsche 
leger.  —  Beperkte  macht  van  Willem  III  als  legerhoofd.  —  Monterey.  — 
De  Souches.  —  Condé.  —  Inzichten  der  bondgenooten.  —  Inzichten 
van  Willem  III.  —  Onwil  van  De  Souches  om  zich  te  vereenigen  met 
Willem  m.  —  Aanvalsplan  der  Keizerlijken.  —  Verplaatsing  van  het 
Hollandsche  leger  (ii  Juni).  —  Operatiën  van  De  Souches  op  den 
rechteroever  yan  de  Maas  (16 — 27  Juni);  opmerking.  —  Handelingen 
van  het  Fransche  leger  tot  het  einde  van  Juni.  --  Rousset  over  Condé ; 
opmerking.  —  Rousset  over  de  inzichten  bij  de  bondgenooten.  —  Over 
de  verstandhouding  van  De  Launoy  met  Frankrijk.  —  Samenkomst  van 
de  hoofden  der  bondgenooten  (2  Juli).  —  Bewegingen  van  het  Keizer- 
lijke leger;  wijze  van  voeding  van  dit  leger.  —  Maatregelen  der  Fran- 
schen  om  Champagne  te  beschermen.  —  Bewegingen  van  het  Fransche 
leger  (28  Juni— 15  Juli).  —  Nieuwe  onderhandelingen  tusschen  de 
hoofden  der  bondgenooten.  —  Marsch  van  het  leger  van  Willem  III 
naar  de  Méhaigne  (16 — 24  Juli).  —  Marsch  van  Condé  naar  den  Piéton 
(23  Juli).  —  Besluit  van  De  Souches  om  zich  te  vereenigen  met  de 
hoofdmacht  der  bondgenooten ;  vereen* ging  der  drie  legers  (28  Juli).  — 
Sterkte  van  het  leger  der  bondgenooten;  weinige  eensgezindheid  bij  de 
bondgenooten;  indeeling  van  het  Hollandsche  leger. 

HOOFDSTUK  Xffl. 
Slag  van  Séneffe  (11  Augustus  1674) Bladz.  60 

Marsch  van  de  bondgenooten  op  Nivelles  (i — 4  Augustus).  —  Voorstel 
van  Willem  III  om  Condé  aan  te  vallen;  beoordeeling  daarvan;  sterkte 
van  de  stelling  aan  den  Piéton;  besluit  der  bondgenooten  om  niet  aan 
te  vallen.  —  Opmarsch  naar  Séneffe  (9  Augustus).  —  Marsch  op  Binche 
(11  Augustus);  beoordeeling  van  die  beweging. 

Slag  van  Séneffe  (11  Augustus  1674).  —  Beschikkingen  van  Condé.  — 
Plaatsiog  van  de  achterhoede  der  bondgenooten.  —  Gevecht  bij  het  dorp 
Séneffe.  —  Stelling  van  Willem  III  te  Saint-NicoIas-aux-bois.  —  Gevecht 
ten  noorden  van  Saint-Nicolas-aux-bois.  —  Gevecht  te  Saint-Nicolas-aux- 
bois.  —  Stelling  van  Willem  III  te  Fay.  —  Aanvalsdispositiën  van 
Condé.  —  Gevecht  bij  Fay.  —  Afbreken  van  den  strijd ;  terugtocht  van 
Condé;  terugtocht  der  bondgenooten.  —  Wederzijdsche  verliezen. 

Beschouwingen  over  den  slag  van  Séneffe.  —  Wie  is  overwinnaar  ge- 
weest? —  Over  de  handelingen  van  Condé.  —  Over  den  flankmarsch 
der  bondgenooten.  —  Oorzaken  van  de  eerste  nadeelen  van  de  bond- 
genooten. —  Beleid  van  Willem  III  in  het  kiezen  van  sterke  stellingen ; 
persoonlijke  dapperheid  van  den  Stadhouder. 

Rousset  over  Séneffe. 

HOOFDSTUK  XIV. 

Oudenaarden;  einde  van  den  veldtocht  van  1674  in  de  Spaansche 
Nederlanden Bladz.  99 

Toestand  en  bewegingen  van  de  beide  legers  na  den  slag  van  Séneffe 
(Augustus  1674).  —  Inzichten  van  de  bondgenooten.  —  Insluiting  en 
beleg  van  Oudenaarden  (15 — 21  September).  —  Marsch  van  Condé  naar 


Digitized  by 


Google 


Oudenaarden  (14—21  September).  —  De  bondgenootcn  breken  het  beleg 
van  Oudenaarden  op  (21  September).  —  Opmerkingen. 

Einde  van  de  krij^sverrichtingen  in  de  Spaansche  Nederlanden.  — 
Pogingen  van  Frankrijk  om  vredesonderhandelingen  te  openen.  — 
Rousset  over  Oudenaarden;  opmerking. 

HOOFDSTUK  XV. 
Beleg  van  Grave Bladz.  112 

Het  beleg  van  Grave  te  uitsluitend  uit  het  oogpunt  der  Franschen 
beschouwd.  —  Hel  gebrekkige  van  de  krijgsverhalen  bij  de  oudere 
Hollandsche  schrijvers.  —  Toestand  van  de  vesting;  bezetting;  bewape- 
ning en  uitrusting;  beschikkingen  van  Chamilly  voor  het  beleg.  — 
Eerste  toebereidselen  tot  het  beleg  (Juni— 'Juli  1674).  —  Gevecht  bij 
Middelweert  (15  Juli).  —  Pogingen  tot  afgraving  van  den  dijk  van 
Maas  en  Waal  (23—25  Juli).  —  Komst  van  het  Hollandsche  leger  voor 
Grave  (27  Juli).  —  Gevecht  bij  Velp  (29  Juli).  —  Opening  van  de 
loopgraven  (nacht  29  —  30  Juli).  —  Aanval  aan  de  zijde  van  Ravestein.  — 
Aanval  op  het  bruggenhoofd.  —  Aanval  aan  de  zijde  van  Kuyck.  — 
Bombardement.  —  Uitval  van  14 — 15  Augustus.  —  Sterkte  en  samen- 
stelling van  het  Hollandsche  leger.  —  Aanslag  op  *s  Hertogenbosch ; 
opmerking.  —  Wegvoering  van  de  gijzelaars  uit  Grave  (16  Augustus).  — 
Afleiding  van  de  Raam.  •--  Vermeestering  van  het  btuggenhoofd.  — 
Drijvende  schans.  —  Uitval  van  30  Augustus.  —  Geringe  vorderingen 
van  den  aanval.  —  Toestand  binnen  Grave.  —  Geestkracht  van  Cha- 
milly. —  Aanval  van  de  zijde  van  Den  Bosch  (half  September).  — 
Aanval  van  de  zijde  van  den  rechteroever  der  Maas;  voorstel  van  Coe- 
hoorn.  —  Storm  van  20  September.  —  Uitval  van  28  September.  — 
Storm  van  29  September.  —  Storm  van  i  October.  —  Komst  van  Wil- 
lem III  (9  October).  —  Storm  van  li — 12  October.—  Storm  van  13 — 14 
October.  —  Storm  van  15—16  October,  —  Bestorming  van  den  be- 
dekten weg  (16 — 17  October);  tweede  storm  op  den  bedekten  weg  (17 
October);  vermeestering  van  den  bedekten  weg;  zelfopoffering  van  zes 
Hollandsche  officieren.  —  Bressen.  —  Uitval  van  23  October.  —  Over- 
gave (28  October).  —  Verliezen  der  beide  partijen. 

Beschouwingen  over  dit  beleg. 

Rousset  over  het  beleg  van  Grave. 

HOOFDSTUK  XVI. 
1675;  het  hertogschap  over  Gelderland:  Willem  UI  en  Louvois; 
veldtocht  in  de  Spaansche  Nederlanden,  en  in  Duitschland;  dood 
van  Turenne;  laatste  krijgsverrichtingen  in  1675    .    Bladz.  151 

Schaduwzijde  van  het  Fransche  krijgswezen  tijdens  Lodewijk  XIV. 

Poging  om  Willem  III  Hertog  van  Gelderland  te  maken. 

Pogingen  van  de  Fransche  regeering  om  Willem  III  voor  zich  te  winnen. 

Bemachtiging  der  citadel  van  Luik  door  de  Franschen  ("31  Maart 
1675).  —  Sterkte  en  samenstelling  van  het  leger  van  Lodewijk  XIV,  — 
Beleg  van  Dinant  (19 — 28  Mei).  —  Beleg  van  Hoey  (1—6  Juni).  — 
Beleg  van  Limburg  (9 — 22  Juni).  —  Verdere  krijgsverrichtingen  in  de 
Nederlanden.  —  Opmerkingen. 

Dood  van  Turenne  (27  Juli  1675)^  —  Nederlaag  van  Créqui  (11  Augustus 
ï^75)-  —  Werkeloosheid  aan  den  Rijn. 

Laatste  krijgsverrichtingen  van  1675  in  de  Nederlanden.  —  Oproeren 
in  Guyenne  en  Bretagne  in  1675.  —  Eindoordeel  over  1675. 


Digitized  by  VjOOQIC 


X  INHOUD. 

HOOFDSTUK  XVII. 
1676;  Condé  en  Bouchain;  Maastricht;   dood  van  De  Ruyter; 
krijgsverrichtingen  aan  Rijn  en  Moezel,  enz.   .     .    Bladz.  182 

OnderhandelingeD  te  Nijmegen.  —  VaubaQ*s  meening  over  den  ves 
tingoorlog  in  de  Nederlanden.  —  Verdeeling  van  de  Fransche  strijd 
krachten  in  1676.  —  Beleg  van  Condé  (17 — 26  April).  —  Opmarsch 
van  het  leger  van  Willem  III.  —  Lodewijk  XIV  besluit  tot  het  beleg 
van  Bouchain.  —  Demonstratie  van  de  bondgenooten  tegen  Kortrijk.  — 
Marsch  van  Willem  III  tot  ontzet  van  Bouchain  (7—10  Mei).  —  Stel- 
lingen van  de  beide  legers.  —  Vergeefsche  aandrang  van  Willem  III 
om  den  vijand  aan  te  vallen;  ook  aan  de  Fransche  zijde  valt  men  niet 
aan.  —  Beleg  van  Bouchain  (2 — 12  Mei).  —  Marsch  van  het  Fransche 
leger  van  Bouchain  op  Ninove  (20 — 27  Mei).  —  Marsch  van  Willem  in 
van  Valenciennes  op  Aalst  (22 — 27  Mei).  —  Het  Fransche  leger  te 
Quiévrain  (21  Juni);  Willem  III  nabij  Brussel  (19  Juni).  —  Begin  van 
het  beleg  van  Maastricht  (Juli).  —  Beleg  van  Aire  (19  Juli — i  Augus* 
tus).  —  Bewegingen  van  Villa  Hermosa  en  Waldeck,  —  Opmerkingen.  — 
Besluit  om  Maastricht  te  hulp  te  komen.  —  Schomberg.  —  Slechte 
krijgstucht  bij  het  Fransche  leger.  —  Schomberg  aan  den  Piéton  (15 — 21 
Augustus;.  —  Waldeck  en  Villa  Hermosa.  —  Marsch  van  Schomberg 
op  Tongeren  (22-26  Augustus). 

Beleg  van  Maastricht  (7  Juli— 27  Augustus).  —  Toestand  der  vesting; 
bezetting.  —  De  belegerende  macht.  —  Verdeeling  van  de  troepen  voor 
Maastricht.  —  Engelsche  troepen.  —  Komst  van  het  belegeringsgeschut 
(17  Juli);  —  Opening  der  loopgraven  (19 — 20  Juli).  —  Bestorming  van 
het  bastion  Dauphin  (30  Juli).  —  Tweede  bestorming  van  het  bastion 
Dauphin  (4  Augustus).  —  Aanvallen  op  andere  punten.  —  Geringe  be- 
kwaamheid van  de  ingenieurs  voor  Maastricht.  —  Gang  van  het  beleg 
(5  —  II  Augustus).  —  Stormaan vallen  op  een  hoornwerk  (11 — 26  Augus- 
tus). —  Willem  ni  breekt  het  beleg  van  Maastricht  op  (27  Augustus).  — 
Opmerkingen.  —  Willem  III  over  het  beleg  van  Maastricht.  —  Eind- 
oordeel over  het  beleg. 

Bewegingen  van  de  beide  legers  (29  Augustus — 10  September).  — 
Einde  van  den  veldtocht. 

Dood  van  De  Ruyter  (29  April  1676). 

Krijgsverrichtingen  aan  den  Rijn,  In  1676.  —  Karel  van  Lotharingen.  — 
Beleg  van  Philipsburg  (22  Juni — 10  September).  —  Weifelingen  en 
onzekere  handelingen  van  Luxembourg.  —  Verdere  krijgsverrichtingen.  — 
Krijgsverrichtingen  aan  den  Moezel  in  1676.  —  Krijgsverrichtingen  in 
Catsüonië  en  in  Sicilië. 

HOOFDSTUK  XVm. 

1677;  beleg  van  Valenciennes,  Kamerijk  en  Saint-Omer;  veld- 
slag van  Cassel;  Charleroi;  krijgsverrichtingen  aan  den  Rijn^ 
en  in  Catalonië Bladz.  236 

Staatkundige  toestand  van  Europa  in  1677.  —  Volkshaat  tusschen 
Frankrijk  en  Engeland.  —  Misnoegen  van  Vauban.  —  De  Fransche  artil- 
lerie. —  Beleg  van  Valenciennes  (i — 17  Maart).  —  Kamerijk  en  Saint- 
Omer  gelijktijdig  aangevallen.  —  Beleg  van  de  stad  Kamerijk  (22  Maart  — 
5  April).  —  Beleg  van  de  citadel  van  Kamerijk  (5 — 18  April).  — 
Saint-Omer. 


Digitized  by 


Google 


INHOUD.  XI 

Bericht  van  de  nadering  van  Willem  III.  —  Versterking  van  bet  leger 
van  Monsieur.  —  Komst  van  Willem  III  in  de  Spaansche  Nederlanden.  — 
Biddag  in  de  Republiek.  —  Marsch  van  Willem  III  van  Brugge  naar 
Cassel  (4 — 10  April).  —  Slag  van  Cassel  (11  April  1677).  —  Dapperheid 
van  Willem  III;  strengheid.  •-  De  Staten-Generaal.  —  Beleg  van  Saint- 
Omer  (4 — 22  April),  —  Staking  van  de  aanvallende  operatiën.  —  Het 
Fransche  leger  bij  Condé  (Mei).  —  Luxembourg  opperbevelhebber,  — 
Slechte  krijgstucht  bij  het  Fransche  leger.  —  Toebereidselen  van  Willem  III. 

Krijgsverrichtingen  aan  de  Duitsche  grenzen.  —  Verwoestingen,  door 
Lonvois  bevolen.  —  Créqui.  —  Opmarsch  van  het  Keizerlijke  leger 
naar  de  Sarre.  —  Operatiën  nabij  Metz,  tusschen  Créqui  en  den  hertog 
van  Lotharingen  (Juni,  Juli).  —  Marsch  van  den  hertog  van  Lotharingen 
naar  de  Maas  (14  Juli — 2  Augustus). 

Voornemen  van  Willem  III  om  Charleroi  aan  te  vallen;  ongeloof  van 
Louvois  dienaangaande.  —  Insluiting  van  Charleroi  (6  Augustus).  — 
Handelingen  van  Louvois.  —  Luxembourg  te  Walcourt  (10  Augustus).  — 
Gebrekkige  wijze  van  aanvallen  tegen  Charleroi.  —  Stellingen  der 
bondgenooten  rondom  Charleroi.  —  Marsch  van  Luxembourg  op  Ger- 
pinnes  (ii  Augustus).  —  Marsch  van  Willem  UI  naar  Gerpinnes  (12 
Augustus).  —  Opbreken  van  het  beleg  van  Charleroi  (14  Augustus); 
honende  taal  van  Louvois  over  dat  beleg  van  Charleroi.  —  Poging,  van 
de  Fransche  zijde,  tot  toenadering  tot  Willem  Hl  (September).  —  Last 
van  Louvois  om  het  land  van  Waas  te  verwoesten  (einde  Augustus).  — 
Willem  ni  neemt  Binche,  en  bedreigt  Dinant  (Aug.— Sept.).  —  Voor- 
nemen van  de  Franschen  om  Dixmude  aan  te  vallen,  —  Aanval  van  de 
Franschen  op  de  Brasselsche  vaart  (10  September).  —  Beleg  van  Saint- 
Ghislain  (i — 10  December).  —  Verstand  van  de  Fransche  regeering; 
onverstand  van  de  Spaansche.  —  Wederrechtelijk  geweld  van  Louvois. 

Verdere  krijgsverrichtingen  bij  den  Rijn.  —  Overtocht  van  den  Rijn 
door  Créqui  (21  September).  —  Créqui  terug  op  den  linkeroever  (i  Octo- 
ber).  —  Beleg  van  Freiburg  (9 — 17  November). 

Krijgsverrichtingen  in  Catalonië.  —  Gevecht  bij  Bagnols  (3  Juli). 

Huwelijk  van  Willem  III  (15  November). 

HOOFDSTUK  XIX. 

1678;  vredesonderhandelingen;  begin  van  den  veldtocht;  beleg 
van  Gent  en  Iperen;  Nijmeegsche  vrede;  slag  van  Saint-Denis; 
krijgsverrichtingen  bij  den  Rijn Bladz.  281 

Over  de  Nijmeegsche  vredesonderhandelingen.  —  Redenen  voor  den 
vrede.  —  Onwil  van  Spanje  en  van  Duitsche  vorsten.  —  De  Republiek 
wil  vrede.  —  Willem  III  wil  oorlog.  —  Engelsche  staatkunde,  — 
Beverningh. 

Invloed  van  de  staatkunde  op  de  Fransche  krijgsverrichtingen.  — 
Teekenen  van  verval  in  het  Fransche  krijgswezen.  —  Toebereidselen 
tot  het  beleg  van  Gent  —  Vertrek  van  Lodewijk  XIV  naar  de  grenzen 
(7  Februari).  —  De  Franschen  bedreigen  verschillende  vestingen.  — 
Toestand  van  Gent.  —  Beleg  van  Gent  (5—12  Maart).  —  Beleg  van 
Iperen  (18—26  Maart).  —  Schorsing  van  de  vijandelijkheden.  —  Louvois 
en  Calvo;  verrassing  van  Leeuwe  (3—4  Mei). 

Beleg  van  Puycerda  (29  April— 28  Mei). 

Lodewijk  XIV  weer  aan  het  hoofd  van  het  Fransche  leger  (16  Mei).  — 
Beverningh  in  het  Fransche  leger  (31  Mei).  —  Vernielingen  door  Lou- 


Digitized  by 


Google 


vois  bevolen.  —  Strijdige  bevelen  aan  Laxembourg  (28  Juni— 3  Juli).  — 
De  Nijmeegsche  onderhandelingen  schijnbaar  afgesprongen.  —  Verbond 
lusschen  Engeland  en  de  Republiek  (26  Juli).  —  Willem  III  naat  het 
leger  (26  Juli).  —  Voorschriften  van  Louvois  aan  Luxembourg  (9  Juli  — 
2  Augustus).  —  Vrede  van  Nijmegen  (10  Augustus). 

Slag  van  Saint-Denis  (14  Augustus).  —  Sterkte  van  de  beide  legers.  — 
Luxembourg  neemt  stelling  te  Saint-Denis  (12  Augustus).  —  Luxembourg 
ontvangt  bericht  van  den  vrede  (14  Augustus).  —  Opmerkingen.  — 
Opmarsch  van  Willem  III  van  Brussel  (11  — 14  Augustus).  —  Beschik- 
kingen  tot  den  aanvnl  op  de  Fransche  stelling  (14  Augustus)  —  Aanval 
op  Saint-Denis.  —  De  tweede  linie  van  Luxembourg  terug  achter 
de  Haisne.  —  Gevecht  bij  Saint-Denis.  —  Kanonvuur,  —  Gevecht  bij 
Casteau.  —  Voorstel  van  Louvignies;  opmerking.  —  Verder  beloop 
van  den  strijd  bij  Casteau.  —  Opmerking.  —  Verliezen.  —  Willem  III 
krijgt  tijding  van  den  vrede  (15  Augustus).  —  Onderhandelingen;  op- 
merking. —  Opheffing  van  de  blokkade  van  Mons;  samenkomst  van 
Willem  III  en  Luxembourg;  opmerking.  —  Wie  was  overwinnaar  te 
Saint-Denis?  —  Heeft  Willem  III  goed  gedaan  met  slag  te  leveren? 

Vrede  van  Frankrijk  met  Spanje  (17  September  1678). 

K rijgsverrichtingen  aan  den  Rijn.  —  Vrede  van  Frankrijk  met  den 
Keizer  (5  Februari  1679). 

Vrede  tusschen  Frankrijk  en  Brandenburg  (29  Juni   1679). 

H(X)FDSTUK  XX. 

1678 — 1688:  verhouding  van  de  Republiek  tot  Frankrijk;  over- 
weldigingen van  de  zijde  van  Lodewijk  XIV;  vergeefsche 
pogingen  van  Willem  III  om  de  Republiek  daartegen  te 
wapenen Bladz.  327 

Onzekerheid  van  den  vrede.  —  Gezantschappen.  —  Voorstel  van  Lou- 
vois aan  de  Hollandsche  gezanten;  opmerking.  —  De  vriendschap  van 
de  Republiek  met  Frankrijk,  niet  lang  van  duur.  —  Over  de  eerlijkheid 
der  Hollandsche  regenten.  —  Chambres  de  rcunion,  —  Vrede  of  oor- 
log? —  Willem  III.  —  Amsterdam.  —  Spanje.  —  Engeland;  Van  Beu- 
ningen.  —  Waldeck.  —  Duitschland;  de  keurvorst  yan  Brandenburg;  de 
Keizer.  —  Verdrag  van  Laxenburg  (10  Juni  1682).  —  Inval  van  de 
Turken  (1682— 1683).  —  Briefwisseling  van  Willem  III  met  Waldeck 
(1680 — 1684).  —  Willem  III  als  staatsman.  —  Opmerking. 


Digitized  by 


Google 


HOOFDSTUK  XL 

KRIJGSVERRICHTINGEN   TEGEN    DE   MUNSTERSCHEN   IN    1674;   OOR- 
LOGSTOERUSTINGEN  EN   OORLOGSPLANNEN   VAN   FRANKRIJK 
EN  VAN  DE  BONDGENOOTEN  ;  VEROVERING  VAN  FRANCHE- 

comté;  krijgsverrichtingen  bij  de  pyreneën; 
oorlog  ter  zee  ;  krijgsverrichtingen  aan 

DEN   BOVEN-RIJN. 

lAlle  wereldsche  zaken  verwisselen  geduriglijk,  en  daar  en  is 
op  den  ganschen  aardbodem  niets  zoo  bestendig  dat  de  verande- 
ring kan  ontworstelen,  bijzonder  in  de  oorlogsgevallen/' 

Met  die  wijsgeerige  spreuk  vangt  de  >  Nieuwe  Mercurius"  het 
verhaal  aan  der  gebeurtenissen  van  1674;  en  waarlijk,  moge  die 
spreuk  niet  nieuw  zijn,  zelden  zal  hare  waarheid  beter  blijken 
dan  wanneer  men  den  toestand  van  Holland  bij  het  begin  van 
1674,  vergelijkt  met  wat  die  toestand  was  geweest,  nog  geen 
twee  jaar  vroeger.  Toen,  aangevallen  door  talrijke,  machtige 
vijanden,  zag  Holland  haar  grondgebied  overheerd,  en  was  het 
op  het  punt  van  te  verdwijnen  uit  de  rij  der  onafhankelijke  vol- 
keren; nu,  het  grondgebied  weer  van  vijanden  gezuiverd,  de 
wapenmacht  des  vijands  voor  zich  uit  drijvende,  verhief  de  Repu- 
bliek zich  weer  in  haar  vroegere  kracht,  en  zag  zij  het  getal 
harer  vijanden  verminderen,  talrijke  bondgenooten  tot  hare  hulp 
toesnellen;  in  1672  onder  de  drukkendste  en  vernederendste 
voorwaarden  den  vijand  een  vrede  afgesmeekt,  dien  men  niet 
kon  verkrijgen;  in  1674  dien  vijand  op  eigen  bodem  aangetast, 
en  de  Hollandsche  driekleur  zegevierend  wapperende  op  Fran- 
schen  grond.  O,  wie  een  zoo  snelle  lotswisseling  opmerkt,  móet 
tot  de  erkentenis  komen,  dat  een  volk,  evenals  ieder  mensch  op 
zichzelf,  altijd  verkeerd  doet,  aan  zijn  behoud  te  wanhopen;  en 
dat,  hoe  donker  do  nacht  is  waarmede  het  heden  ons  omringt, 
het  toch  altijd  plicht  is  te  vertrouwen  op  het  licht  dat  de  nabij- 

WILLKM  III.   —  II.  I 


Digitized  by 


Google 


2  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

zijnde  morgen  zal  aanbrengen,  en  moedig  en  onbezweken  aan 
tegenspoed  en  ongeluk  het  hoofd  te  blijven  bieden. 

De  vredes-onderhandelingen,  onder  bemiddeling  van  Zweden 
reeds  in  1673  ^^  Keulen  geopend,  waren  dat  geheele  jaar  slepende 
gebleven,  zonder  tot  eenige  uitkomst  te  leiden ;  geen  der  oorlog- 
voerende partijen  verlangde  naar  den  vrede,  ten  minste  niet  op 
de  voorwaarden  die  de  tegenpartij  voorschreef.  Toen  Keizerlijke 
officieren  vorst  Wilhelm  von  Fürstenberg  —  die  geheel  en  al  de 
belangen  van  Frankrijk  toegedaan  was  —  gevangennamen,  was 
het  sein  gegeven  tot  het  geheel  afbreken  van  die  onderhande- 
lingen, en  tot  het  voortzetten  van  den  oorlog,  waaraan  nu  een 
groot  deel  der  vorsten  van  Europa  zou  deelnemen. 

De  Noordsche  mogendheden  kon  men  niet  mederekenen  onder 
de  oorlogvoerende  partijen:  noch  Rusland,  noch  Polen,  noch 
Zweden,  noch  Denemarken  zouden  aan  dien  krijg  deelnemen,  — 
ten  minste  niet  dadelijk.  Wél  sloot  Denemarken  met  de  Repu- 
bliek een  verbond,  waarbij  het  aannam  om  eene  legermacht  op 
de  been  te  brengen,  ten  behoeve  van  Holland  en  door  Holland 
te  betalen;  maar  die  verbintenis  werd  niet  nagekomen;  Dene- 
marken werd  verhinderd  zijne  legermacht  naar  het  buitenland 
te  zenden,  bevreesd  als  dit  Rijk  was  voor  een  aanval  van  Zweden, 
dat  den  Franschen  belangen  was  toegedaan  en  dat  daarvoor 
later  ook  de  wapenen  opvatte;  —  in  1674  nam  noch  het  eene 
noch  het  andere  Rijk  deel  aan  de  krijgsverrichtingen.  Evenmin 
deden  dit  Turkije,  de  Italiaansche  vorsten  en  Zwitserland.  Maar 
Duitschland  nam  in  1674  krachtig  deel  aan  den  oorlog  tegen 
Lodewijk  XIV;  zoo  krachtig  ten  minste  als  men  het  kon  ver- 
wachten van  een  in  zooveel  staten  verdeeld  Rijk,  waar  het  ge- 
brek aan  eenheid  zoo  verlammend  werkte  op  eiken  buitenland- 
schen  oorlog.  De  Keizer  had  verschillende  Duitsche  vorsten  tot 
zijne  belangen  weten  over  te  halen ;  zelfs  de  keurvorst  van  Bran- 
denburg, die  pas  het  jaar  te  voren,  zonder  gegronde  redenen, 
met  Frankrijk  vrede  had  gesloten,  begon  nu  op  even  ongegronde 
wijze  weer  den  oorlog,  en  zond  in  den  zomer  van  1674  eene 
legermacht  naar  den  Rijn.  Spanje  telde  ook  onder  de  vijanden 
van  Lodewijk  XIV;  te  vergeefs  trachtte  die  vorst  Portugal  te 
bewegen,  tegen  eerstgenoemd  rijk  de  wapenen  op  te  vatten,  en 
daardoor  eene  afleiding  te  geven  ten  behoeve  van  Frankrijk. 
Eindelijk,  de  eerste  oorzaak  van  den  oorlog,  de  Republiek,  was 
de  voornaamste  kracht  der  vijanden  van  Lodewijk  XIV,  de  ziel 
van   dat  bondgenootschap  dat  naar  Frankrijk's  fnuiking  streefde. 

Lodewijk  XIV  was  in  1674  geheel  zonder  bondgenooten.  De 
Britsche  koning  had  het  gevaarlijke  spel  niet  langer  kunnen  vol- 
houden, om,  tegen  den  wil  zijns  volks,  zich  met  Frankrijk  te 
verbinden  tot  HoUand's  ondergang;  het  Huis  der  Gemeenten 
was   hoe   langer   hoe   dreigender   geworden,  en  aanklachten  van 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHriNGEN   TEGEN   DE   MUNSTERSCHEN  IN    1674.        3 

hoogverraad  tegen  verschillende  staatsdienaaars,  tegen  Bucking- 
ham,  Lauderdale  en  Arlington,  waarschuwden  Karel  II  dat  het 
geduid  van  zijne  onderdanen  ten  einde  liep ;  —  de  monarch  gaf 
toe,  en  den  igen  Februari  1674  werd  de  vrede  met  de  Republiek 
gesloten.  De  beide  andere  bondgenooten  des  Franschen  konings, 
de  bisschoppen  van  Munster  en  van  Keulen,  waren  evenzoo  ge- 
dwongen geworden,  den  assten  April  en  den  iien  Mei,  vrede  te 
sluiten. 

Vóór  het  sluiten  van  dien  vrede  hadden  er  tegen  de  Mun- 
stersche  troepen  nog  eenige  krijgsverrichtingen  plaats,  waarvan 
het  kort  verhaal  hier  volgt. 

De  bisschop  van  Munster,  eene  macht  verzameld  hebbende, 
die  volgens  sommige  opgaven  een  4000  man  sterk  was,  meest 
ruiterij,  deed  die  in  het  begin  van  Maart  over  de  dichtgevroren 
moerassen  trekken,  en  langs  het  klooster  Ter  Apel  in  Groninger- 
land  vallen.  Die  woeste  hoop  drong  door  in  het  Oldambt  en  het 
Westerwold,  plunderde  daar,  volgens  het  krijgsgebruik  dier  tijden. 
Winschoten  en  verschillende  andere  plaatsen,  en  keerde  toen  met 
den  buit  naar  Twenthe  en  Munsterland  terug. 

Om  die  ondernemingen  tegen  te  gaan,  verzamelde  Rabenhaupt 
een  3000  man,  zoo  voetvolk  als  ruiterij,  en  trok  daarmede  van 
Gronmgen  in  zuidelijke  richting  naar  Twenthe,  terwijl  hij  zich 
onderweg  vereenigde  met  een  2000  man,  die  van  de  zijde  van 
Friesland  opgerukt  waren.  Te  Coevorden  gekomen,  trok  de  Hol- 
landsche  veldheer  daar  nog  het  regiment  van  Burmania  tot  zich, 
rukte  toen  het  graafschap  Benthera  binnen,  en  maakte  zich  daar 
meester  van  Nordhorn,  waar  hij  eene  bezetting  plaatste  van 
6  compagnieën  voetvolk  en  16  compagnieën  ruiterij,  onder  den 
overste  Kingma.  Na  nog  eenige  onbeduidende  plaatsjes  in  Twenthe 
vermeesterd  en  bezet  te  hebben,  rukte  Rabenhaupt  naar  Nien- 
huis,  dat  toen  goed  versterkt  was,  steile  hooge  wallen  en  eene 
soort  citadel  had,  en  bezet  was  door  8  k  900  Munsterschen, 
rijkelijk  voorzien  van  krijgs voorraad  en  levensmiddelen. 

Het  Hollandsche  legerhoofd  maakte  zich  gereed  om  die  ves- 
ting aan  te  vallen,  toen  hij,  op  den  450  April,  bericht  kreeg  dat 
Nordhorn  ernstig  bedreigd  werd  door  den  vijand ;  de  Munstersche 
generaal  Nagel  was  voor  die  stad  gekomen,  met  5  regimenten 
ruiterij,  3  compagnieën  dragonders  en  een  300  man  infanterie, 
en  had  de  voorposten  der  bezetting  van  Nordhorn  genoodzaakt 
om  binnen  die  plaats  terug  te  trekken. 

Rabenhaupt  wil  Nordhorn  te  hulp  komen,  en,  een  gedeelte 
van  zijne  macht  voor  Nienhuis  latende,  gaat  hij  den  sen  April 
op  raarsch  naar  eerstgenoemde  plaats,  met  4  regimenten  infan- 
terie en  7  compagnieën  ruiterij.  De  vijandelijke  ruiterij  telde  een 


Digitized  by 


Google 


4  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

3000  paarden ;  en  die  groote  overmacht  des  vijands  in  ddt  wapen, 
dat  toentertijd  voor  het  voetvolk  veel  meer  was  te  vreezen  dan 
in  ónze  dagen,  deed  Rabenhaupt  met  de  grootste  omzichtigheid 
voortrukken  en  zijne  toevlucht  nemen  tot  een  bijzonder  hulp- 
middel om  zijne  infanterie  te  vrijwaren  voor  de  aanvallen  van  de 
vijandelijke  ruiterij.  Die  infanterie  rukte  namelijk  voort  in  eene 
soort  beweegbare  verschansingen,  gevormd  door  vier  wagens, 
geplaatst  in  een  vierkant  met  2S  voet  (bijna  9  el)  lange  zijden, 
en  verbonden  —  zegt  Sylvius  —  » door  lange  houten  met  scherpe 
pinnen,"  —  denkelijk  eene  soort  friesche  ruiters;  in  elke  van 
die  kleine  schansen  konden  een  honderd  man  infanterie  en  twee 
kleine  stukken  geschut  staan.  In  die  orde  rukte  de  infanterie 
vooruit;  de  ruiterij  volgde  haar;  en  daar  de  opmarsch  bij  be- 
dekt en  mistig  weer  geschiedde,  hadden  de  ruiters  bevel  om  zich 
bij  de  nadering  des  vijands  op  de  paarden  neer  te  leggen,  dus 
niet  dadelijk  te  worden  gezien,  en  daardoor  zooveel  te  verras- 
sender op  te  treden. 

Rabenhaupt  zelf  was,  met  ontblooten  degen,  geheel  vooraan ; 
en  bij  het  naderen  des  vijands  sprak  hij  zijne  troepen  eenige 
woorden  toe,  te  kenschetsend  om  ze  hier  niet  op  te  nemen : 
» lieve  krijgslieden,  ik  heb  geen  tijd  om  UwEd.  met  eene  lange 
rede  aan  te  moedigen;  een  ieder  betrachte  zijn  eer  en  eed;  en 
zoo  wie  zulks  niet  en  doet,  't  zal  hem  kwalijk  bekomen.  Zó6 
zal  zijn  einde  zijn;"  —  hiermede  eene  beweging  aan  hals  en  kin 
makende,  om  het  hangen  aan  te  duiden. 

Natuurlijk,  dat  dit  niet  juist  de  militaire  welsprekendheid  is, 
waar  wij  het  meest  van  houden ;  en  dat  wij  oneindig  meer  inge- 
nomen zijn  met  die  legerhoofden,  die,  om  hunne  soldaten  tot 
dapperheid  aan  te  sporen,  gesproken  hebben  van  eer  en  roem, 
van  vrijheid  en  vaderland.  Maar  de  welsprekendheid  moet  zich 
wijzigen  naar  het  gehalte  van  hen  tegen  wie  gesproken  wordt; 
en  denkelijk  zou  het  beroep  op  die  edele  drijfveeren,  die  den 
mensch  gevaar  en  dood  doen  trotseeren,  weinig  weerklank  ge- 
vonden hebben  bij  de  krijgsscharen  van  dien  tijd;  krijgsscharen, 
zoo  vreemdsoortig  samengesteld,  en  meer  strijdende  uit  zucht 
naar  buit  en  winst  dan  uit  roemzucht  en  vaderlandsliefde.  D^r 
moest  de  plichtsbetrachting  voornamelijk  ontspruiten  uit  vrees 
voor  strenge  en  onvermijdelijke  straffen ;  dddr  moesten  dus  Raben- 
haupt's  korte  en  bondige  woorden  indruk  maken ;  vooral  omdat 
men  wist  dat  het  geen  ijdele  woorden  waren  die  hij  bezigde, 
maar  dat  hij  de  man  was  om  ddt  te  doen  waarmede  hij  dreigde. 

Vooruitrukkende,  ontmoet  men  weldra  de  Munstersche  ruiterij; 
deze  wil  op  de  Nederlandsche  infanterie  aanvallen,  maar  stuit 
op  de  beweegbare  wapenburchten.  Het  geschut-  en  geweervuur 
der  Nederlanders  brengt  verwarring  teweeg  bij  de  vijandelijke 
ruiterij ;  en  nu  deze  wordt  aangevallen  door  Rabenhaupt's  ruiterij^ 


Digitized  by  VjOOQIC 


KRIJGSVERRICHTINGEN   TEGEN   DE   MUNSTERSCHEN   IN    1674.        5 

«n  tegelijkertijd  de  ruiterij  uit  Nordhorn  den  vijand  in  den  rug 
aangrijpt,  is  die  vijand  daar  niet  tegen  bestand;  hij  wordt  over- 
hoop geworpen,  geheel  uileengedreven  en  vlucht  in  de  uiterste 
verwarring,  een  aantal  dooden  en  gevangenen  achterlatende. 

Zoodanig  is  het  verhaal  dat  sommige  van  onze  schrijvers  — 
Sylvius  en  Van  den  Bosch  —  ons  geven  van  dat  gevecht  bij 
Nordhorn,  op  den  5en  April  1674;  andere  —  Valkenier  en  de 
Hollandsche  Mercurius  —  stellen  dien  strijd  als  minder  gewichtig 
voor,  en  zeggen  dat  de  vijand,  steeds  het  gevecht  ontwijkende 
en  terugtrekkende  in  zuidelijke  richtyig  op  Brandlicht,  alleen  bij 
de  Heselerbrug,  een  half  uur  ten  zuiden  van  Nordhorn,  werd 
ingehaald  door  de  Nederlandsche  troepen,  en  daar  een  60  man 
aan  dooden  en  een  50  aan  gevangenen  verloor.  —  Het  verlies 
der  Nederlanders  was  zeer  gering;  de  ritmeester  Mello  Jacob 
Broersma,  eenige  zoon  van  den  verrader  die  in  1672  Deventer 
aan  de  Munsterschen  had  overgeleverd,  sneuvelde  in  dit  gevecht; 
door  zijn  dapper  en  roemvol  uiteinde  eenigszins  den  smaad  uit- 
wisschende,  die  op  zijn  naam  was  gebracht  door  het  snood  be- 
staan zijns  vaders. 

Na  door  die  overwinning  Nordhorn  te  hebben  verzekerd  tegen 
cene  onderneming  des  vijands,  keerde  Rabenhaupt  den  6en  April 
naar  Nienhuis  terug,  en  plaatste  het  voetvolk  te  Feldhausen  en 
de  ruiterij  te  Uisen,  ten  noorden  en  ten  oosten  van  die  vesting. 
Gedurende  den  nacht  deed  hij  door  den  kapitein  Siderius  de 
grachten  van  Nienhuis  peilen,  en  gaf  alle  bevelen  tot  de  bestor- 
ming dier  stad,  die  in  den  vroegen  ochtend  van  den  700  April 
moest  plaats  hebben;  —  de  vrees  dat  de  vijand  andermaal  zou 
trachten  om  Nienhuis  te  hulp  te  komen,  en  dat  het  wassen  van 
het  water  het  onraadzaam  zou  maken  om  langer  in  deze  land- 
streek te  blijven,  deed  Rabenhaupt  besluiten  om  zich  niet  met 
een  beleg  in  te  laten,  maar  alleen  door  de  dapperheid  zijner 
troepen  de  vermeestering  te  verkrijgen  van  de  vijandelijke  ves- 
ting. Vijf  regimenten  voetvolk  zullen,  op  vijf  verschillende  pun- 
ten, den  storm  verrichten:  de  twee  Friesche  regimenten  van 
Swartsenburg  en  Burmania,  aan  weerszijden  van  de  Prinsepoort; 
de  drie  Groningsche  regimenten  van  Rabenhaupt,  Ëijbergen  en 
Gockinga,  aan  de  Feldhauser-,  Frensweger-  en  IJlsener-poorten; 
bovendien  zullen  er,  op  drie  andere  punten,  schijnaanvallen  plaats 
hebben.  Zestien  biesbruggen  zullen  onder  de  aanvallende  regi- 
menten worden  verdeeld,  om  daarmede  de  gracht  over  te  trek- 
ken ;  gedurende  den  nacht  zullen  die  regimenten  marcheeren  naar 
de  haar  aangewezene  aanvalspunten ;  en  met  het  krieken  van  den 
dag  zullen  twee  kanonschoten  het  sein  geven  tot  de  bestorming. 

Die  bestorming  wordt  met  de  beste  uitkomst  bekroond.  Wal- 
raven, de  Munstersche  aanvoerder,  had  zijne  kleine  bezetting  ver- 
deeld op  den  hoofdwal  der  vesting:  het  voetvolk  voornamelijk 


Digitized  by 


Google 


6  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

daar  waar  de  Groningsche  regimenten  aanvielen;  de  afgezeten 
ruiters  en  dragonders  tegenover  de  Friesche  regimenten.  De 
geringe  sterkte  der  bezetting  en  het  groot  aantal  aanvalspunten 
waren  echter  oorzaak  dat  nergens  de  wederstand  zeer  krachtig 
kon  zijn;  te  meer  doordat  het  oprukken  der  Hollanders,  plaats 
hebbende  voordat  de  dag  nog  geheel  was  aangebroken,  daardoor 
de  uitwerking  van  het  geschut-  en  geweervuur  der  verdedigers 
zeer  werd  verminderd.  Rabenhaupt's  troepen  naderden  vurende  de 
gracht;  men  weet  dat  dit  de  toen  gevolgde  wijze  was  om  eene 
vijandelijke  verschansing  te  Jjestormen;  eene  wijze,  die,  hoe  slecht 
en  gebrekkig  ook,  toch  nog  lang  in  zwang  bleef;  —  zoo  vindt 
men  vermeld,  dat  zelfs  in  den  Spaanschen  successie -oor  log, 
bij  de  bestorming  van  de  verschansingen  op  den  Schellenberg 
(1704),  de  Hollandsche  infanterie  in  linie  vooruitrukte  tot  aan  den 
buitengrachtsboord  der  vijandelijke  werken,  en  daar  een  geregeld 
pelotonsvuur  volhield  tegen  de  achter  de  borstwering  staande 
Beierschen;  eene  handeling,  welke  zeker  de  uitstekende  dapper- 
heid van  die  infanterie  bewijst,  maar  niet  pleit  ten  voordeele  van 
de  bekwaamheid  der  aanvoerders,  welke  op  zulk  eene  wijze  die 
infanterie  in  gevecht  brachten. 

De  gracht  bereikt  hebbende,  plaatsen  Rabenhaupt's  soldaten 
de  biesbruggen  daarin,  en  snellen  daaroverheen  tegen  de  wallen 
op;  hier  wacht  hen  de  vijand;  maar  na  een  strijd  van  drie 
kwartieruurs  is  de  aanvaller  overal  meester  van  den  hoofdwal, 
en  wijkt  de  verdediger  in  verwarring  naar  het  kasteel,  een  sterk 
gebouw,  met  wallen  omgeven,  en  bewapend  met  twee  stukken 
geschut.  De  overwinnaars,  door  de  behaalde  voordeelen  aange- 
moedigd, snellen  met  onstuimigheid  naar  het  kasteel,  bestormen 
het  in  weerwil  van  's  vijands  geschut  vuur,  en  doen  weldra  allen 
tegenstand  ophouden.  Nienhuis  is  veroverd,  een  groot  aantal 
Munsterschen  zijn  gedood,  en  meer  dan  zeshonderd  hunner  heb- 
ben de  wapens  neergelegd;  slechts  een  12  of  14  dooden  en 
een  klein  aantal  gewonden  maakten  het  verlies  der  Neder- 
landers uit. 

Een  wapenfeit  als  die  vermeestering  van  Nienhuis,  zou  bij  een 
oorlog  van  den  nieuweren  tijd  als  onbeduidend  worden  beschouwd. 
Maar  men  moet  elke  gebeurtenis  beoordeelen  naar  den  tijd  waarin 
zij  plaats  had,  en  als  zoodanig  was  die  inneming  van  Nienhuis 
gewichtig  door  het  behaalde  voordeel,  en  roemvol  door  de  dap- 
perheid die  de  Nederlanders  daar  hadden  betoond.  De  vreugde 
over  de  behaalde  zege  was  dan  ook  bijzonder  groot;  Nienhuis 
weergalmde  van  feestgejuich  en  van  > victorie  schieten",  dat  — 
naar  de  opgave  van  sommige  onzer  schrijvers  —  tot  in  de  stad 
Groningen  werd  gehoord;  —  eene  opgave  die  vrij  fabelachtig 
luidt,  let  men  op  den  afstand  tusschen  beide  steden. 

Dat  voordeel  v/erd  echter  een  paar  weken  later  gevolgd  door 


Digitized  by 


Google 


OORLOGSTOERUSTINGEN  EN  OORLOGSPLANNEN.  7 

een  nadeel,  en  een  nederlaag  der  Nederlanders  was  de  laatste 
gebeurtenis  van  den  tegen  de  Munsterschen  ge  voerden  oorlog. 

Rabenhaupt,  op  bevel  des  Stadhouders  naar  Groningen  terug- 
gekeerd zijnde,  had  den  kolonel  Eijbergen,  met  9  compagnieën 
voetvolk  en  5  compagnieën  ruiterij,  te  Nienhuis  achtergelaten, 
om  daar  te  blijven  tot  na  de  slechting  der  vestingwerken.  Vóór- 
dat die  slechting  geheel  was  verricht,  verscheen  de  Munstersche 
generaal  Nagel,  den  19611  April,  met  2  regimenten  voetvolk  en 
36  compagnieën  ruiterij,  voor  Nienhuis,  en  eischte  die  plaats  en 
hare  bezetting  op.  Eijbergen,  hoezeer  hij  slechts  500  man  had, 
antwoordde,  dat  hij  zich  tot  den  laatsten  droppel  bloeds  wilde 
verdedigen.  Den  2osien  April  heeft  daarop  de  bestorming  plaats; 
en  na  een  dapperen  wederstand  der  Hollanders,  die  aan  een 
groot  aantal  Munsterschen  het  leven  kost,  wordt  Nienhuis  door 
den  vijand  overweldigd,  en  gaat  de  bezetting  geheel  verloren; 
wat  niet  gedood  wordt,  valt  mét  den  bevelhebber  in  handen  der 
overwinnaars. 

Kort  daarop  maakte  de  vrede  een  einde  aan  deze  krijgsver- 
richtingen,  welke  vrede  aan  de  Republiek  toeliet,  om  de  krijgs- 
macht die  zij  in  de  noordoostelijke  gewesten  onderhield,  aan  te 
wenden  tegen  de  vesting  Grave. 


Na  dit  verslag  van  de  krijgsverrichtingen,  die,  in  de  eerste 
maanden  van  1674,  nog  plaats  hadden  tusschen  de  HoUandsche 
en  Munstersche  troepen,  zal  hier  met  een  enkel  woord  gewaagd 
worden  van  de  krijgstoerustingen  der  oorlogvoerende  partijen ;  — 
voor  zoover  daaromtrent  iets  is  op  te  maken  uil  de  weinige, 
onvolledige  en  gebrekkige  opgaven  van  de  verschillende  schrijvers 
over  dezen  oorlog. 

Frankrijk,  geheel  op  zichzelf  staande,  en,  door  het  gemis  der 
Britsche  vloten,  niet  langer  verzekerd  tegen  eene  landing  op  een 
gedeelte  zijner  uitgestrekte  zeekusten,  was  daardoor  gedwongen 
tot  buitengewone  inspanningen,  om  alle  kwetsbare  deelen  des 
Rijks  te  beschermen  tegen  de  vijandelijke  wapen  macht.  Aan  die 
inspanningen  ontbrak  het  dan  ook  niet;  en  Lodewijk  XIV  toonde 
aan  Europa  welke  uitgestrekte  hulpmiddelen  zijn  koninkrijk  op- 
leverde, en  hoe  eene  krachtige  eenhoofdige  regeering  daarvan 
partij  kon  trekken,  om  zich  door  dat  Europa  te  doen  ontzien 
en  vreezen.  Wel  waren  de  lasten  zwaar  die  op  het  volk  drukten, 
en  brachten  zij,  door  gedurige  herhaling,  de  verarming  des  Rijks, 
de  ellende  der  groote  meerderheid,  de  latere  rampen  en  staat- 
kundige omkeeringen  van  Frankrijk  voort;  maar  wat  bekom- 
merde zich  het  heden  om  de  toekomst:  voor  het  oogenblik 
brachten  die  lasten  aan  den  gebieder  van  Frankrijk  schatten  op, 
die   hem   in   staat  stelden   de  grootste  uitbreiding  te  geven  aan 


Digitized  by 


Google 


8  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

de  krijgstoerustingen.  De  verschillende  korpsen  des  legers  wer- 
den niet  alleen  aangevuld,  maar  zelfs  versterkt;  bij  een  onzer 
schrijvers  (Valkenier)  vindt  men,  dat  elke  compagnie  voetvolk 
vermeerderd  werd  met  lo  man,  en  de  30  compagnieën  Fransche 
garde  ieder  zelfs  met  50  man.  Door  die  vermeerderde  sterkte 
—  zegt  die  schrijver  —  wilde  Frankrijk  eene  legermacht  te  velde 
brengen,  die  in  het  geheel  200000  man  zou  bedragen;  de  door 
Frankrijk  onderhouden  krijgsmacht  in  zijn  geheelen  omvang  stelt 
hij  op  300000  man. 

Denkelijk  is  er  niet  veel  overdrijving  in  die  opgaven.  Men 
merke  slechts  op,  dat,  afgezien  van  de  krijgsmacht  die  nog  bezig 
was  met  de  ontruiming  van  Holland,  door  Condé  een  leger  in 
Vlaanderen  werd  bijeengetrokken ;  dat  Turenne  een  tweede  leger 
aanvoerde,  aan  den  .Rijn;  dat  de  Koning  zelf  met  een  derde 
leger  de  verovering  wilde  ondernemen  van  Franche-Comté;  dat 
zich  in  dat  gewest  reeds  eene  krijgsmacht  bevond,  onder  Navailles ; 
dat  eene  andere  legermacht,  in  Roussillon,  het  hoofd  moest  bie- 
den aan  de  Spanjaarden;  en  nog  andere  heirscharen  de  kusten 
moesten  beschermen  tegen  eene  gevreesde  landing  des  vijands. 
Wanneer  men  dat  alles  in  aanmerking  neemt,  dan  komt  men  tot 
de  overtuiging,  dat  het  niet  te  hoog  is  gesteld,  wanneer  men  de 
Fransche  legermacht  in  1674  in  haar  geheelen  omvang  op  300000 
man  begroot;  —  trouwens,  het  is  bekend,  dat  die  legermacht 
in  de  latere  regeeringsjaren  van  Lodewijk  XIV  nog  grooter  is 
geweest. 

De  macht,  door  den  Keizer  en  door  de  Duitsche  vorsten  tegen 
Frankrijk  aangewend,  was  veel  geringer.  Het  doet  hier  weinig  of 
niets  ter  zake,  hoeveel  troepen  door  die  vorsten  in  het  geheel 
werden  onderhouden;  genoeg  zij  het  te  zeggen,  dat  de  krijgs- 
macht die  tegen  Frankrijk  werd  aangewend,  toen  zij  hare  hoogste 
sterkte  bereikt  had,  op  niet  meer  dan  een  80  000  man  kan  wor- 
den begroot.  Nog  moet  men  daarbij  in  aanmerking  nemen,  dat 
die  krijgsmacht  zonder  het  goud  der  Republiek  nooit  die  sterkte 
zou  hebben  bereikt:  zij  betaalde  een  gedeelte  der  kleine  20000 
man,  waarmede  de  keurvorst  van  Brandenburg  in  het  najaar  van 
1674  aan  den  Rijn  verscheen;  zij  had  met  de  vorsten  van 
Brunswijk  en  van  Luneburg  verdragen  gesloten,  waarbij  deze 
zich  verbonden,  op  hare  kosten,  16000  man  op  de  been  te 
brengen.  Zonder  die  geldelijke  ondersteuning  waren  de  Duitsche 
legers  geheel  onbeduidend  gebleven;  en  niets  bewijst  meer  den 
krachtigen  invloed  welke  van  de  eenheid  eener  regeering  uitgaat 
dan  de  vergelijking  van  de  strijdkrachten,  in  dien  tijd  te  velde 
gebracht  door  Frankrijk  en  door  Duitschland,  —  twee  landen 
die  toch,  in  grootte  en  bevolking,  niet  veel  verschillen. 


Digitized  by  VjOOQIC 


OORLOGSTOERUSTINGEN  EN  OORLOGSPLANNEN.  9 

Omtrent  de  krijgstoerustingen  van  Spanje  weet  men,  dat  het 
«ene  legermacht  in  Catalonië  vereenigde  om  daarmede  in  Rous- 
sillon  te  vallen,  en  dat  Monterey  in  de  Zuidelijke  Nederlanden 
de  Spaansche  krijgsmacht  tot  eene  sterkte  bracht,  die  door  onze 
schrijvers  begroot  wordt  op  36000  man  voetvolk,  in  20  regi- 
menten verdeeld,  en  11 000  man  ruiterij,  18  regimenten  uit- 
makende. Van  die  legermacht  kon  echter  slechts  een  zeer  klein 
deel  te  velde  komen;  het  overige  was  als  bezettingen  verdeeld 
over  de  vestingen  der  Zuidelijke  Nederlanden;  dat  wil  zeggen 
over  de  steden  dier  gewesten,  daar  elke  stad  toen  eene  ves- 
ting was. 

Monterey  deed  al  het  mogelijke  om  zijn  legermacht  sterker 
te  maken  en  de  bezettingen  der  vestingen  te  vermeerderen.  Zoo 
vindt  men  vermeld,  dat  de  Spaansche  bezettingen  van  Venlo  en 
Roermond  door  eenige  Keizerlijke  troepen  werden  vervangen,  en 
gebruikt  om  de  steden  van  Vlaanderen  en  Braband  beter  te 
voorzien ;  ook  bevonden  zich  Holiandsche  hulptroepen  in  Brugge 
«n  in  andere  Vlaamsche  steden.  In  de  Spaansche  Nederlanden 
moesten  allen,  die  in  de  laatste  vijf  en  twintig  jaar  den  krijgs- 
dienst hadden  verlaten,  zich  aangeven  in  de  naastbijzijnde  stad, 
of  bij  de  regimenten  waarbij  zij  vroeger  hadden  gediend ;  waren 
zij  niet  meer  geschikt  om  te  velde  te  dienen,  dan  moesten  zij 
de  bezettingen  der  vestingen  aanvullen.  De  dorpen  moesten  een 
zeker  aantal  mannen  leveren,  ieder  gewapend  met  een  geweer 
en  kruit  en  lood  voor  zes  schoten;  in  het  Kamerijksche  werden 
alle  mannen  van  15  tot  55  jaar  tot  den  krijgsdienst  opgeroepen; 
Henegouwen  moest  eene  soort  militie  leveren,  4000  der  meest 
weerbare  mannen,  die  men  van  vuurwapenen  en  van  delfgereed- 
schap  zou  voorzien;  brood  ontvingen  die  manschappen  van  de 
Spaansche  kroon,  maar  de  gemeenten  moesten  de  soldij  betalen. 
Voorden  mijnen-arbeid  in  de  vestingen  waren  veel  arbeiders  uit 
de  kolenmijnen  bestemd. 

Die  maatregelen,  die  men  bij  de  schrijvers  over  dit  tijdvak 
vindt  opgeteekend,  bewijzen  ten  duidelijkste,  met  hoeveel  be- 
kwaamheid Monterey  wist  partij  te  trekken  van  de  verdedigings- 
middelen  der  Zuidelijke  Nederlanden;  wanneer  het  uitgeputte, 
vervallene  Spanje  in  alle  deelen  des  Rijks  bestuurders  had  be- 
zeten met  evenveel  geestkracht  begaafd  als  de  landvoogd  der 
Nederlanden,  dan  had  dit  rijk  zich  mogelijk  nog  kunnen  ophef- 
fen uit  zijn  niet,  en  weer  worden  wat  het  vroeger  was. 

De  Republiek,  ontheven  van  de  vrees  voor  de  Engelsche 
vloten,  kon  in  1674  hare  zeemacht  eene  mindere  sterkte  geven, 
en  meer  besteden  aan  de  landmacht;  toch  wilde  zij  ook  dit 
jaar  eene  niet  onaanzienlijke  vloot  in  zee  brengen,  eensdeels  om 
daarmede  de  Fransche  volkplantingen  in  Amerika  aan  te  vallen. 


Digitized  by 


Google 


lO  KRIJGS-   EM  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

anderdeels  om  de  kusten  van  Frankrijk  met  eene  landing  te  be- 
dreigen, en  daardoor  een  deel  der  krijgsmacht  van  Lodewijk  XÏV 
bezig  te  houden.  Er  werd  besloten  eene  vloot  uit  te  rusten  van 
90  oorlogsschepen,  welker  onderhoud  gedurende  zes  maanden 
tijds  op  zeven  millioen  werd  begroot.  Voor  de  landmacht  ver- 
schilde de  buitengewone  Staat  van  oorlog  voor  1674  niet  veel 
van  die  van  het  vorige  jaar;  zij  werd  vastgesteld  op  900  com- 
pagnieën voetvolk,  148  compagnieën  ruiterij,  en  25  compagnieën 
dragonders;  die  legermacht,  die  waarschijnlijk  een  90  k  100 000 
man  zal  hebben  uitgemaakt,  kostte  iedere  maand  ƒ' i  472  303. 
Natuurlijk  kon  slechts  een  gedeelte  dier  krijgsmacht  legen  Frank- 
rijk in  het  veld  komen:  een  gedeelte  moest  achterblijven  tot 
bezetting  der  vestingen;  een  ander  gedeelte  was,  onder  Raben- 
haupt,  eerst  werkzaam  tegen  de  Munsterschen,  later  bij  de  be- 
legering van  Grave;  Hoorne  kwam,  met  154  compagnieën,  voet- 
volk en  zeesoldaten,  als  landingstroepen  aan  boord  der  vloot:  — 
dit  alles  maakte  dat  de  Stadhouder  maar  met  een  30000  man 
in  de  Spaansche  Nederlanden  kon  te  velde  trekken. 

Men  vindt  opgeteekend,  in  de  Nieuwe  Mercurius  (jaar- 
gang 1673,  ^^2.  254),  dat  er  toen  beraadslaagd  werd  over  het 
aanleggen  van  eene  verschanste  linie  aan  de  Vecht,  van  Muiden 
tot  aan  de  Vaart;  de  stad  Utrecht  zou  begrepen  zijn  in  die 
linie,  die  dus  denkelijk  in  richting  overeengekomen  zou  zijn 
met  wat  nu  de  Utrechtsche  linie  wordt  genoemd.  Anderen 
echter  waren  van  meening,  dat  men  eene  verschanste  linie  moest 
aanleggen  bij  de  Eem,  welke  linie,  Amersfoort  omvattende, 
over  Woudenberg  naar  de  Lek  zou  loopen;  die  linie  zou  dus 
niet  geheel  dezelfde  zijn  geweest  als  de  tegenwoordige  linie 
van  de  Grebbe.  Maar  noch  aan  het  eene,  noch  aan  het 
andere  voorstel  werd  gevolg  gegeven:  voor  het  oogenblik 
vreesde  men  geen  inval  des  vijands,  en  voor  de  toekomst  zorgde 
men  niet. 

De  zorg  voor  zieken  en  gewonden  —  dit  zoo  belangrijk  ge- 
deelte van  de  taak  des  veldheers,  daar  zonder  die  zorg  het  leger 
waarmede  hij  den  oorlog  moet  voeren,  weldra  te  niet  zou  gaan  — 
stond  in  de  zeventiende  eeuw  op  een  veel  lageren  trap  dan  in 
onze  dagen.  Men  kan  dit  opmaken  uit  een  reglement  over  dit 
onderwerp,  op  het  einde  van  1673  door  de  Staten -Generaal  der 
Vereenigde  Nederlanden  uitgegeven,  en  dat  men  vindt  in  Het 
ontroerde  Nederland  (2'  deel,  blz.  780—782).  In  dat  regle- 
ment wordt  voorgeschreven,  dat  er  voortaan  bij  het  leger  te 
velde  altijd  twee  doctoren  zullen  aanwezig  moeten  zijn;  en 
meer,  wanneer  het  leger  groot  is  en  verdeeld  in  vele  posten; 
die  doctoren  zullen  onder  hunne  bevelen  hebben  de  twee 
chirurgijns-generaal  van  het  leger.  Bij  ieder  regiment  moet 


Digitized  by 


Google 


OORLOGSTOERUSTINGEN  EN  OORLOGSPLANNEN.        II 

zijn  een  regiments- chirurgijn ;  en  bovendien,  bij  elke  twee  com- 
pagnieën ten  minste  één  chirurgijn.  De  chirurgijns-generaal  moe- 
ten voorzien  zijn  van  de  noodige  geneesmiddelen,  linnen  enz., 
en  bij  ieder  regiment  moet  een  veldkist  met  die  voorwerpen 
voorhanden  zijn;  vóór  de  aflevering  worden  de  medicamenten 
in  Den  Haag  nagezien  door  één  of  meer  beëedigde  dokters.  Er 
wordt  een  Intendant  aangesteld,  die  van  de  doctoren  en 
chirurgijns  verslag  zal  ontvangen  van  het  getal  der  zieken,  de 
korpsen  waartoe  zij  behooren,  de  plaats  waar  zij  zich  bevinden, 
en  van  den  aard  der  ziekten;  ten  minste  eenmaal  daags  zal  de 
Intendant  van  dat  alles  bericht  geven  aan  den  generaal,  of  be- 
velvoerenden officier.  Voor  den  aankoop  en  de  uitgave  van  spijs 
en  drank  aan  de  zieken  en  gewonden,  zal  een  *  hospitaal- 
meester zorgen;  terwijl  voor  de  oppassing  een  genoegzaam 
aantal  geschikte  personen  aangenomen  zullen  worden.  Bij  het 
leger  zullen  eenige  huizen,  of  tenten,  uitsluitend  bestemd  zijn 
voor  de  zieken  en  gewonden;  evenzoo  zal  men  daarvoor  het 
noodige  nachtleger  hebben.  Zieken  of  gewonden,  wier  herstelling 
een  geruimen  tijd  zal  vorderen,  moeten  zoo  spoedig  mogelijk 
worden  verzonden  naar  de  gasthuizen  van  de  naastbijzijnde  steden 
en  garnizoenen,  en  daar  verpleegd  worden  voor  vier  stuivers 
daags;  de  noodige  vervoermiddelen,  wagens,  karren,  schepen  of 
schuiten,  moeten  tot  dat  einde  altijd  bij  het  leger  zijn. 

Ziedaar  eenige  der  voornaamste  bepalingen  in  dat  reglement 
voorkomende,  dat  zeker  als  een  vooruitgang  en  verbetering  moet 
worden  beschouwd,  maar  dat  tevens  aantoont  hoezeer  de  zorg 
voor  den  zieken  of  gewonden  krijgsman  in  die  dagen  moest 
achterstaan  bij  de  middelen  die  in  onzen  tijd  daarvoor  worden 
aangewend. 

Wanneer  wij  zoo  een  blik  vestigen  op  de  krijgstoerustingen 
en  sterkte  der  oorlogvoerende  partijen,  dan  is  dit  voornamelijk 
om  daaruit  af  te  leiden,  welke  handelingen  men  had  te  wachten 
van  die  partijen,  en  wat  voor  elke  partij  de  beste  wijze  was  om 
oorlog  te  voeren.  Oogenschijnlijk  zou  men  zeggen,  —  wanneer 
men  daarop  let,  dat  men  aan  de  eene  zijde  had  den  Keizer, 
ondersteund  door  geheel  Duitschland,  door  Spanje  met  de  schat- 
ten der  Nieuwe  Wereld,  door  de  Republiek  met  hare  machtige 
vloten,  en  aan  de  andere  zijde  Frankrijk  alleen,  —  dat  dit  laatste 
Rijk  verreweg  de  zwakste  partij  moest  uitmaken  en  zich  dus  tot 
de  verdediging  moest  bepalen.  Maar  let  men  daarop,  hoe  weinig 
wezenlijke  kracht  èn  Spanje  èn  de  Keizer  konden  ontwikkelen, 
welk  eene  groote  uitbreiding  daarentegen  Lodewijk  XIV  aan 
zijne  strijdmiddelen  had  gegeven,  en  welke  groote  voordeelen 
Frankrijk  ontleende  aan  zijne  centrale  stelling,  en  aan  de  een- 
heid  in   staats-  en   krijgshandelingen,  scherp  afstekende   bij  de 


Digitized  by 


Google 


12  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Steeds  verdeelde  en  uiteenloopende  inzichten  der  bondgenooten,  — 
dan  is  het  duidelijk,  dat  de  bondgenooten  niet  de  sterkste  partij 
waren,  en  dat,  minstens  genomen,  Frankrijk's  macht  wel  tegen 
de  hunne  opwoog. 

Toch  besloten  die  bondgenooten  den  oorlog  aan  vallenderwij  ze 
te  voeren;  en  hun  oorlogsplan  in  1674  schijnt  in  het  volgende 
te  hebben  bestaan : 

Ter  zee  zou  Holland  gebruik  maken  van  zijne  overmacht, 
door  met  een  gedeelte  zijner  vloot  de  Fransche  Antillen  aan  te 
vallen,  en  het  andere  gedeelte  aan  te  wenden  tot  het  doen  van 
eene  landing  in  Bretagne  of  Normandië,  waar  men  verstandhouding 
had  en  een  opstand  tegen  Lodewijk  XIV  meende  te  doen  ont- 
staan. Spanje  vereenigde  in  Catalonië  eene  legermacht,  bestemd 
om  de  Pyreneën  over  te  trekken  en  in  Roussillon  te  vallen.  In 
de  Zuidelijke  Nederlanden  zou  een  Keizerlijk  leger  zich  ver- 
eenigen met  de  krijgsmacht  van  Monterey  en  van  Willem  III; 
en  aan  het  hoofd  dier  verbondene  macht  hoopte  de  Stadhouder 
door  te  dringen  in  het  noorden  van  Frankrijk,  en  den  oorlog 
daarheen  over  te  brengen.  Eindelijk  zou  een  ander  Duitsch  leger 
den  Rijn  overgaan,  om  Frankrijk  in  zijne  oostelijke  gewesten 
aan  te  vallen. 

Dit  oorlogsplan  kan,  over  het  geheel,  goed  worden  genoemd. 
Men  was  toen  niet  in  den  tijd  der  beslissende  oorlogen;  men 
was  toen  niet  gewoon  om  in  één  veldtocht  een  oorlog  ten  einde 
te  brengen,  door  dadelijk  door  te  dringen  tot  in  het  hart  van 
's  vijands  land,  of  dadelijk  's  vijands  legermacht  op  te  zoeken  en 
een  hoofdslag  te  leveren;  —  zulke  Napoleontische  handelingen 
waren  toen  geheel  vreemd,  en,  door  verschillende  oorzaken,  ook 
moeielijk  uitvoerbaar.  Bovendien  was  er  aan  de  zijde  der  bond- 
genooten geen  overmacht;  of  ten  minste  niet  zulk  eene  over- 
macht dat  zij  toeliet  om  te  rekenen  op  het  verkrijgen  van  zulke 
groote  uitkomsten.  Alles  wat  de  bondgenooten  dus  konden  ver- 
wachten van  den  veldtocht  van  1674,  was  —  niet  den  oorlog 
daardoor  te  eindigen  —  maar  daardoor  Frankrijk's  macht  te 
verminderen,  de  hunne  te  vermeerderen,  en  daardoor  bij  een 
volgenden  veldtocht  gunstiger  kansen  aan  hunne  zijde  te  heb- 
ben, of  bij  het  sluiten  van  den  vrede  voordeeliger  voorvaarden 
te  kunnen  bedingen. 

Om  zulk  een  doel  te  bereiken,  waren  de  genomen  beschik- 
kingen niet  slecht.  Het  was  goed  dat  er  een  Spaansch  leger  aan 
de  Pyreneën  werkzaam  was:  Spanje  kon  natuurlijk  niet  al  zijne 
strijdkrachten  overbrengen  naar  de  Nederlanden;  er  moest  eene 
krijgsmacht  zijn  om  de  noordelijke  gewesten  van  het  Schiereiland 
te  beschermen ;  die  krijgsmacht,  in  Frankrijk  doordringende,  zou 
den  vijand  noodzaken  een  gedeelte  zijner  legermacht  daartegen- 
over te   stellen;  en  de  veroveringen  die  het  Spaansche  leger  in 


Digitized  by 


Google 


OORLOGSIOERUSTINGEN   EN   OORLOGSPLANNEN.  IJ 

Roussillon  kon  maken,  zouden  voordeelig  kunnen  zijn,  omdat  zij 
bij  den  vrede  mogelijk  aan  Span-e  zouden  blijven.  Evenzoo  was 
de  aanwending  der  Hollandsche  zeemacht  in  allen  deele  goed; 
zij  moest  gebruik  maken  van  hare  meerderheid;  de  verovering 
van  Fransche  volkplantingen  in  Amerika  zou  een  groot  voor- 
deel zijn,  omdat  die  volkplantingen  voortdurend  aan  Holland 
konden  blijven,  en  lichtelijk  tegen  Frankrijk's  uitbreiding  van 
grondgebied  in  Europa  konden  opwegen,  —  op  gelijke  wijze  als 
in  den  nicuweren  tijd,  bij  Napoleon's  veroveringen,  Engeland 
zich  daarvoor  schadeloos  stelde,  door  de  buitenlandsche  bezit- 
tingen der  Europeesche  mogendheden  te  bemachtigen.  De  voor- 
genomen landing  in  Frankrijk  moge  al  minder  kans  van  wel- 
slagen hebben  gehad  dan  men  zich  voorstelde,  toch  was  zulk 
eene  handeling  zeer  aan  te  raden,  omdat  men  daardoor  den 
vijand  in  onrust  bracht  en  een  groot  getal  zijner  troepen  bezig- 
hield;  de  9  è,  10 000  man  Hollandsche  landingstroepen,  waarvan 
nog  een  gedeelte  naar  Amerika  ging,  dwongen  —  volgens  Valke- 
nier —  Lodewijk  XIV  om  een  30000  man  te  laten  op  de 
kusten  van  het  kanaal  en  in  Bretagne:  dit  was  dus  klaarblijkelijk 
in  het  voordeel  van  de  bondgenooten. 

Eindelijk  waren  de  voornaamste  strijdkrachten  der  bondge- 
nooten vereenigd  in  De  Nederlanden,  waar  zij  een  60  k  70000 
man  zouden  uitmaken,  en  aan  den  Rijn  waar  zij  tot  bij  de 
60C00  man  klommen.  Op  die  beide  oorlogstooneelen  had  men 
ook  het  meest  te  vreezen  van  den  vijand;  Duitschland  en  De 
Nederlanden  moesten  beschermd  worden  tegen  dien  vijand;  en 
begunstigde  het  geluk  de  wapenen  der  bondgenooten,  en  gingen 
dezen  te  werk  op  eene  stoute,  zeker  voor  die  tijden  buitengewone 
wijze,  dan  waren  de  aldaar  opgestelde  legers  in  de  gelegenheid 
om  spoedig  door  te  dringen  tot  in  het  hart  van  Frankrijk,  en 
de  hoofdstad  van  dat  Rijk  te  bedreigen. 

Uit  dit  alles  ziet  men,  dat  het  plan  der  krijgsverrichtingen 
voor  1674  van  de  zijde  der  bondgenooten  goed  was;  —  de  uit- 
voering was  het  minder. 

Lodewijk  XIV  schijnt  zich  van  zijne  zijde  in  1674  tot  de  ver- 
dediging te  hebben  willen  bepalen,  maar  tot  eene  krachtige, 
werkzame  verdediging,  die  in  aanval  verkeert,  zoodra  zij  daar 
voordeel  in  ziet.  De  vloot  —  later  door  het  genie  van  Colbert 
geschapen,  en  die  weer  te  niet  ging,  minder  door  de  nederlaag 
bij  Kaap  La  Hogue  dan  door  de  onbekwaamheid  der  opvolgers 
van  den  grooten  staatsman  — ,  bestond  in  1674  nog  niet;  en  de 
Fransche  zeemacht,  die,  met  de  Britsche  vereenigd,  de  Republiek 
had  bestreden,  was  niet  in  staat  om,  alleen,  De  Ruyter's  vloot 
het  hoofd  te  bieden.  Dit  was  een  groot  nadeel  voor  Frankrijk; 
niet  alleen   omdat  daardoor  zijn   handel,  zeevaart  en  volkplan- 


Digitized  by  VjOOQIC 


14  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

tingen  zonder  bescherming  waren,  maar  ook  omdat  het  ter  ver- 
dediging zijner  kusten  eene  aanzienlijke  macht  moest  aanwenden, 
een  30  000  man,  die  men  nu  niet  had  aan  de  landgrenzen.  Ook 
in  Roussillon  moest  tegenover  het  Spaansche  leger  een  Fransch 
leger  worden  gesteld,  dat,  een  20000  man  sterk,  onder  het  be- 
vel van  Schomberg  kwam.  In  De  Nederlanden  zou  Condé  met 
een  groote  40000  man  werkzaam  zijn,  de  legermacht  die  bezig 
was  Holland  te  ontruimen  niet  medegerekend ;  men  schijnt  hier 
verdediging  beoogd  te  hebben ;  en  de  aanvallende  inzichten  van 
den  Franschen  monarch  gingen  hier  niet  verder  dan  tot  het 
belegeren  eener  vesting,  wat  hij  zijn  veldheer  aanbeval.  Aan  den 
Rijn  moest  Turenne  de  Duitschers  tegenhouden;  hij  had  hiertoe 
eene  legermacht,  die,  aanvankelijk,  slechts  ruim  10  000  man,  bij 
het  einde  van  den  veldtocht  tot  een  groote  30000  man  klom; 
eene  macht  die  door  de  groote  bekwaamheid  des  veldheers  wel 
geschikt  was  voor  eene  werkzame,  indrukwekkende  verdediging, 
maar  toch  in  vergelijking  met  die  der  bondgenooten  te  gering 
van  sterkte  was  om  aanvallend  te  handelen. 

Verdediging  stond  dus  aan  de  Fransche  zijde  overal  op  den 
voorgrond.  Dit  was  evenwel  slechts  dan,  wanneer  de  heirmachten 
der  bondgenooten  in  werking  konden  komen;  maar  daar  dit 
met  de  gewone  traagheid  ging,  wilde  de  Fransche  koning  daar- 
van partij  trekken,  door  in  het  eerste  begin  van  den  veldtocht 
aanvallend  te  handelen  en  de  verovering  te  ondernemen  van 
Franche-Comté. 


De  verovering  van  Franche-Comté  was  voordeelig  omdat  dit 
gewest  voortdurend  vereenigd  kon  blijven  met  Frankrijk.  Die 
verovering  was  ook  uitvoerbaar,  omdat  zij  niets  anders  vorderde 
dan  de  belegering  van  eenige  steden,  door  de  Spanjaarden  niet 
genoegzaam  bezet  en  voorzien.  Legers  zou  men  daarbij  niet  te 
bestrijden  hebben;  want  de  Spaansche  krijgsmacht,  kon  zij  al  zoo 
vroeg  te  velde  komen,  was  op  zich  zelve  te  onbeduidend;  en 
de  legers  van  Willem  III  en  de  Duitsche  legers  zouden,  op  zijn 
vroegst,  eerst  in  Mei  te  velde  kunnen  verschijnen,  en  konden 
dan  nog  in  bedwang  worden  gehouden  door  de  legers  van 
Condé  en  van  Turenne.  Het  was  dus  aan  de  Fransche  zijde 
een  zeer  goed  beraamd  ontwerp,  het  voorjaar  van  1674  te  ge- 
bruiken voor  de  verovering  van  Franche-Comté. 

Reeds  in  Februari  1674  was  Navailles,  met  een  ii  000  man 
Fransche  troepen,  Franche-Comté  binnengerukt,  en  had  in  de 
laatste  dagen  dier  maand  het  beleg  geslagen  voor  de  stad  Gray. 
Die  slecht  bevestigde  stad  bood  een  onbeduidenden  tegenstand. 
Vésoul  en  Lous  le-Saunier  volgden  dit  voorbeeld  en  gaven  zich 
op   de   eerste  opeisching  aan   den  Franschen  veldheer  over.  In 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN   BIJ   DE   PYRENEÉN.  I5 

April  trok  Lodewijk  XIV  in  persoon,  aan  het  hoofd  van  een 
leger  van  20  a  30000  raan,  naar  het  gewest  dat  hij  wilde  ver- 
overen. Besangon,  sedert  den  25sten  April  door  het  Fransche 
leger  berend,  werd  door  den  prins  De  Vauderaont  goed  ver- 
dedigd tot  den  i5en  Mei;  de  Citadel  gaf  zich  eerst  den  22sten 
over.  Daarna  sloeg  de  Koning  het  beleg  voor  Dole,  dat  zich 
tot  den  6en  Juni  verdedigde.  De  inneming  van  Salins  en  van 
eenige  kleinere  sterkten  voltooide,  nog  in  de  maand  Juni,  de 
verovering  van  Franche-Comté. 

De  spoedige  inneming  van  die  verschillende  vestingen  bewijst, 
dat  indien  de  Fransche  koning  het  jaar  te  voren  zich  niet  be- 
paald had  tot  het  enkele  beleg  van  Maastricht,  maar  de  ver- 
schillende Spaansche  vestingen  tusschen  Schelde  en  Maas  had 
aangevallen,  hij  zich  waarschijnlijk  daarvan  zou  hebben  meester 
gemaakt,  en  dan  Holland  niet  had  behoeven  te  ontruimen.  De 
legermacht  die  Franche-Comté  aanviel  was  kleiner  dan  die  welke 
Maastricht  belegerde;  en  de  tijd,  waarover  men  in  1673  kon 
beschikken,  grooter  dan  die  welke  tot  de  verovering  van  genoemd 
gewest  werd  besteed. 

De  Fransche  monarch  had  dus,  dank  zij  zijner  werkdadigheid, 
reeds  een  gewichtig  voordeel  behaald  op  zijne  tegenpartij,  vóór- 
dat deze  de  krijgsverrichtingen  begon;  en  het  verhaal  van  die 
krijgsverrichtingen  zal  aantoonen,  dat  de  latere  gebeurtenissen 
niet  van  dien  aard  zijn  geweest  om  de  bondgenooten  schadeloos 
te  stellen  voor  den  reeds  ondervonden  tegenspoed.  Alvorens  den 
veldtocht  in  De  Nederlanden  te  behandelen,  zal  hier  eerst  ter- 
loops vermeld  worden,  wat  er  in  1674  voorviel  op  andere  ge- 
deelten van  het  oorlogstooneel. 


Aan  de  zijde  der  Pyreneën  waren  de  krijgsverrichtingen  niet 
van  belangrijken  aard;  of,  beter  gezegd,  zij  bleven  zonder  be- 
langrijke gevolgen  door  de  weinige  voortvarendheid  der  aanval- 
lende partij,  de  Spanjaarden. 

De  hertog  De  Saint-Germain,  aanvoerder  van  het  Spaansche 
leger,  was  in  het  voorjaar  van  1674  uit  Catalonië  opgerukt,  de 
Pyreneën  overgegaan,  en  de  Fransche  vesting  Bellegarde  gena- 
derd; die  vesting  gaf  zich  over  aan  de  Spanjaarden,  in  weerwil 
van  de  pogingen  van  Schomberg,  het  Fransche  legerhoofd,  om 
haar  te  ontzetten.  Beide  legers  bleven  toen  eenige  weken  geheel 
werkeloos  tegenover  elkander  liggen.  Den  iQcn  Juni  had  er  bij 
Morillas  een  veldslag  plaats,  waarbij  het  Fransche  leger  eene 
nederlaag  leed,  die  het  een  2  a  3000  man  kostte.  Indien  De 
Saint-Germain  van  die  overwinning  partij  had  getrokken  en  ver- 
der was  doorgedrongen,  dan  is  het  waarschijnlijk  dat  Perpignan 
en  andere  plaatsen   hem  in  handen  zouden  zijn  gevallen;  maar 


Digitized  by 


Google 


l6  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

dit  geschiedde  niet ;  en  de  latere  opstand  van  Messina  tegen  het 
Spaansche  gezag  noodzaakte  den  Spaanschen  koning  om  een  ge- 
deelte van  zijne  legermacht  naar  Sicilië  te  zenden,  zoodat  het 
daardoor  verzwakte  leger  van  de  Pyreneën  buiten  staat  werd 
gesteld  om  iets  te  ondernemen,  en  dan  ook  spoedig  terugkeerde 
naar  Catalonië. 


De  krijgsverrichtingen  op  zee  werden  niet  met  geluk  bekroond. 

De  Ruyter,  den  24sicn  Mei  uit  Texel  gezeild,  was  den  19e» 
Juli  met  een  20  oorlogs vaartuigen  en  2S  transportschepen  voor 
het  eiland  Martinique  gekomen ;  den  volgenden  dag  had  er  eene 
landing  en  aanval  plaats,  die  in  weerwil  van  de  dapperheid  der 
Hollanders  geheel  en  al  mislukte  door  den  krachtdadigen  tegen- 
stand der  Franschen,  welke  hier  eene  sterke  macht  hadden  ver- 
eenigd.  Eenige  werken  nabij  de  landingsplaats  werden  vermees- 
terd  door  de  infanterie  van  de  kolonels  Van  Uyitenhoven,  graaf 
Jan  van  Hoorne,  en  Steeland,  —  daarbij  ondersteund  door  1500 
matrozen ;  maar  daar  de  verdedigingsmiddelen  van  den  vijand  te 
sterk  waren,  en  van  de  Nederlanders  reeds  twee  der  bevelheb- 
bers —  van  Uyttenhoven  en  Steeland  — met  bij  de  600  man  buiten 
gevecht  waren  gesteld,  deed  De  Ruyter  de  onderneming  opgeven 
en  de  troepen  weer  inschepen.  De  vlootvoogd  verliet  kort  daarop 
de  Antillen,  en  kwam  in  het  begin  van  October  in  het  vader- 
land terug. 

Tromp  was  met  het  overige  en  grootste  gedeelte  der  vloot 
naar  de  Fransche  kusten  gestevend,  en  had  Bretagne  in  onrust 
gebracht.  Men  zeilde  Brest  voorbij,  en  landde  den  27sten  Juni 
op  het  eiland  Belle-Isle,  bezet  door  eene  Fransche  macht  van 
bij  de  3000  man.  De  generaal  graaf  Van  Hoorne,  die  hier  het 
bevel  had  over  de  landingstroepen,  ondervond  weinig  tegenstand, 
en  dreef  den  vijand  terug  naar  het  sterke  kasteel.  Bij  die  landing 
wordt  weer  gewag  gemaakt  van  soortgelijke  wagens  met  friesche 
ruiters  als  Rabenhaupt  bij  Nordhorn  gebruikte.  Eene  opeischin^ 
van  het  kasteel  van  Belle-Isle  werd  afgeslagen;  en  daar  men 
oordeelde  dat  een  beleg  te  veel  tijd  zou  kosten,  werden  den 
29sten  Juni  de  troepen  weer  ingescheept. 

Men  stevende  daarop  naar  het  eiland  Noirmoutiers,  aan  de 
kust  van  Poitou  gelegen,  en  van  het  vasteland  alleen  gescheiden 
door  een  zeer  smallen  en  ondiepen  zeearm.  Den  4en  Juli  had 
daar  eene  landing  plaats;  en  na  een  korten  tegenstand,  waardoor 
een  groote  honderd  man  der  Nederlanders  buiten  gevecht  wer- 
den gesteld,  nam  de  Fransche  bezetting  de  wijk  naar  Poitou,  en 
liet  het  eiland,  met  kasteel,  batterijen  en  ruim  30  vuurmonden 
en  eenige  schepen  in  handen  der  Nederlanders.  Bijna  drie  weker> 
lang   wapperde  de  Hollandsche  vlag  van  de  muren  der  vijande- 


Digitized  by 


Google 


OORLOG  TER   ZEE.  17 

lijke  sterkte;  en  terwijl  de  vloot,  zich  verdeelcnde,  overal  vijan- 
delijke schepen  vermeesterde,  was  de  geheele  landstreek  van 
Brest  tot  Bayonne  in  onrust,  en  trokken  op  verschillende  punten 
sterke  troepenafdeelingen  samen  om  eene  landing  der  Hollanders 
te  beletten.  Den  23sten  Juli  werd  Noirmoutiers  weer  verlaten, 
nadat  men  het  kasteel  had  doen  springen  en  de  kustbatterijen 
geslecht.  Eenigen  tijd  werd  nu  de  Fransche  kust  in  vrees  ge- 
houden ;  en  na  de  Middellandsche  Zee  nog  te  hebben  aangedaan, 
keerde  de  vloot  van  Tromp,  met  het  einde  van  1674,  naar 
Nederland  terug. 

Het  is  bekend  dat  die  onderneming  der  Hollandsche  vloot  in 
verband  stond  met  eene  samenzwering  in  Frankrijk  tegen  Lode- 
wijk  XIV.  Is  men  met  den  eigenlijken  aard  dier  samenzwering 
genoegzaam  bekend^  om  te  kunnen  oordeelen  wat  daarvan  was 
ie  verwachten?  —  Het  is  moeielijk  die  vraag  met  juistheid  te 
beantwoorden.  Overal  waar  eene  volstrekt  eenhoofdige  regeering 
bestaat,  is  men  er  altijd  op  uit,  alle  handelingen  welke  ten 
nadeele  dier  regeering  zouden  kunnen  strekken,  met  den  dicht- 
sten  sluier  des  geheims  te  bedekken,  en  het  geheele  volk  voor 
te  stellen  als,  zoo  niet  verkleefd  aan  die  regeering,  dan  ten 
minste  daaraan  lijdelijk  onderworpen ;  elke  poging  tot  verzet,  tot 
tegenstand  wordt  zooveel  mogelijk  geheim  gehouden;  voor  het 
oog  der  wereld  heerscht  overal  de  diepste  rust;  en  alleen  het 
uitbreken  van  een  opstand  toont  dat  er  ook  woelingen  in  een 
dergelijken  staat  zijn. 

Zoo  was  het  met  het  Frankrijk  van  Lodewijk  XIV.  De  ge- 
schiedschrijvers van  dien  tijd,  zelfs  de  latere  Voltaire,  spreken 
ternauwernood  van  die  samenzwering  van  1674;  zij  stellen  haar 
voor  als  geheel  onbeduidend  en  als  het  werk  van  eenige  weinige 
edellieden  en  fortuinzoekers,  die  tot  dit  middel  hunne  toevlucht 
namen,  deels  uit  bijzondere  vijandschap  tegen  Louvois,  deels  om 
hunne  berooide  geldmiddelen  te  herstellen.  Een  lid  van  het  vor- 
stelijk geslacht  der  Rohan's,  een  ander  edelman  Latréaumont, 
een  schoolmeester  Van  den  Ende,  Hollander  van  geboorte,  en 
nog  anderen  traden  in  verbond  met  de  bevelhebbers  der  Hol- 
landsche vloot,  en  beloofden  hun  het  havenstadje  Quillebeuf  in 
handen  te  spelen  en  Normandië  in  opstand  te  brengen.  De 
schrijvers  van  dien  tijd  zeggen  echter,  dat  die  samenzwering  niet 
den  minsten  bijval  of  ondersteuning  bij  het  volk  zou  hebben  ge- 
vonden, dwaaselijk  beraamd  was  en  tot  niets  kon  leiden.  Hoe 
dit  zij,  die  samenzwering  werd  ontdekt,  vóórdat  hare  plannen 
tot  uitvoering  konden  komen;  Latréaumont,  die  zich  te  weer 
stelde  toen  men  hem  in  hechtenis  wilde  nemen,  werd  doodge- 
schoten ;  Rohan,  eenige  andere  edelen  en  Van  den  Ende  vonden 
den  dood  door  beulshanden;   de  edelen   door  het  zwaard,  de 

WILLEM  III.   —  II.  2 

Digitized  by  VjOOQIC 


l8  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

schoolmeester  aan  een  galg ;  —  hij  stierf,  zeggen  de  berichtgevers, 
als  een  atheïst;  —  raen  gaf  toen  zeer  spoedig  dien  naam  aan 
ieder  die  niet  tot  een  bekend  kerkgenootschap  behoorde. 

Door  het  ontdekken  van  die  samenzwering,  was  de  Hollandsche 
vloot  niet  in  haar  doel  geslaagd  om  sommige  Fransche  havens 
te  bemachtigen  en  in  Frankrijk  een  burgeroorlog  te  doen  ont- 
branden. Niettegenstaande  die  teleurstelling  kan  men  echter  zeg- 
gen, dat  die  onderneming  ter  zee  in  1674  wel  voordeelen  heeft 
opgeleverd,  daar  zij  Lodewijk  XIV  dwong  zulk  eene  sterke 
krijgsmacht  aan  te  wenden  tot  de  verdediging  der  kusten.  Boven- 
dien moet  men  ook  acht  geven  op  den  zedelijken  indruk  welken 
de  verschijning  van  Tromp's  vloot  maakte:  de  kustlanden  van 
het  Kanaal  en  van  de  golf  van  Biscaye  werden  in  vrees  ge- 
bracht; op  die  kusten  overal  schepen  door  de  Hollanders  be- 
machtigd ;  en  de  Fransche  legermacht,  in  Poitou  bijeen  getrokken, 
zag  weken  lang  de  vlag  der  Republiek  wapperen  op  het  Fransche 
eiland  Noirmoutiers;  —  dit  kon  niet  anders  dan  diepen  indruk 
maken  op  ieder  die  zich  herinnerde  hoe,  pas  twee  jaar  geleden, 
Lodewijk  XIV  triomfbogen  had  doen  oprichten,  om  de  zooge- 
naamde verovering  van  Holland  te  vereeuwigen.  Ook  daarom 
kan  die  onderneming  ter  zee  beschouwd  worden  als  goed  beraamd. 

Wie  meer  wil  weten  over  die  samenzwering  van  1674,  kan 
daarover  bijzonderheden  vinden  in  Sue's  y^Histoire  de  la  marim 
fran(aise\  —  een  werk  dat  evenwel  niet  altijd  uitmunt  door 
strenge  geschiedkundige  waarheid.  Wat  Rousset  over  deze  aan- 
gelegenheden zegt,  en  vooral  over  de  verrichtingen  der  Hol- 
landsche vloot,  moet  alleen  met  eenig  voorbehoud  worden  aan- 
genomen: Rousset  schijnt  hierbij  uitsluitend  te  hebben  geput  uit 
de  papieren  van  Louvois,  waarin  die  verrichtingen  natuurlijk  zoo- 
veel mogelijk  worden  verkleind.  In  de  ^Histoire  de  Louvois'''  (2* 
deel,  blz.  115  — 117)  vindt  men  hel  volgende: 

...  1  Reeds  in  het  laatst  van  Maart  waarschuwde  hij**  (Louvois) 
«den  maarschalk  d'Albret  en  graaf  Gadagne,  die  gouverneurs 
waren  van  Guyenne  en  van  Aunis,  dat  zij  zich  gereed  moesten 
houden  om  alle  pogingen  tot  landing  op  de  kusten  van  hunne 
gouvernementen  te  verijdelen,  die  in  den  loop  van  de  maand  Mei 
beproefd  zouden  worden  door  eene  Hollandsche  vloot,  die  een 
5  a  6000  man  landingstroepen  aan  boord  had.  Wat  later  noemde 
hij  als  bijzonder  bedreigde  punten  het  eiland  Ré,  de  monding 
der  Charente  en  de  stad  Bayonne.  Eerst  in  het  begin  van  Juni 
ging  de  Hollandsche  expeditie  onder  zeil.  >  De  admiraal  De  Ruy- 
ter"  —  zoo  werd  aan  graaf  d'Estrades  geschreven  door  zijn 
Hollandschen  correspondent  —  »De  admiraal  De  Ruyter  heeft 
volmacht  om  alles  te  ondernemen  wat  hem  het  raadzaamst  voor- 
komt;   maar   het   hoofdpunt  in   zijne   voorschriften  is,  te  onder- 


Digitized  by 


Google 


OORLOG   TER   ZEE.  I9 

zoeken  of  het  Fransche  volk,  gebukt  onder  drukkende  belastin- 
gen, en,  voor  zoover  de  Protestanten  betreft,  belemmerd  in  het 
waarnemen  van  zijn  godsdienstige  plichten,  niet  geneigd  is  om 
in  opstand  te  komen  tegen  die  onderdrukking;  het  dan  de  hulp 
aan  te  bieden  van  een  leger  en  eene  vloot;  en  te  landen,  daar 
waar  het  dit  wenschelijk  acht."  —  Slechts  omtrent  één  punt  had 
de  correspondent  het  mis :  Tromp  was  het,  aan  wien  die  zending 
was  opgedragen;  De  Ruyter  ging  de  Fransche  Antillen  aanvallen. 

Tromp  kruiste  langen  tijd  op  de  kusten  van  Normandië;  maar 
nergens  zag  hij  de  afgesproken  signalen;  integendeel,  op  alle 
gunstige  landingspunten  zag  hij  niets  dan  geregelde  troepen,  mi- 
litie, geschut,  die  de  bewegingen  van  de  vloot  volgden,  maar 
alleen  om  haar  te  bestrijden,  niet  om  haar  te  steunen.  Toen 
ging  hij  kruisen  op  de  kusten  van  Bretagne;  —  dezelfde  vertoo- 
ning. Iets  willende  doen  om  een  einde  te  maken  aan  dien  be- 
spottelijken  toestand,  beschoot  hij  Quiberon  en  poogde  hij  Belle-Isle 
te  vermeesteren;  maar  de  markies  De  Coëtlogon,  met  een  dui- 
zend man  troepen,  noodzaakte  hem  zich  weer  in  te  schepen. 
Hij  slaagde  beter  met  het  eiland  Noirmoutiers,  dat  niet  verdedigd 
werd.  Daar  bleef  hij  drie  weken,  aldoor  wachtende  op  een  opstand 
onder  de  Protestanten  {les  religionnairei)  van  Poitou,  Aunis  en 
Guyenne;  de  Protestanten  waren  onder  de  wapenen,  maar  ston- 
den tegenover  hem.  Het  is  waar  dat  Louvois,  uit  voorzichtigheid, 
hun  toen  eenige  toegevendheid  had  betoond.  De  gouverneur 
van  Poitou,  de  hertog  De  la  Vieuville,  was  gemachtigd  om  de 
Protestantsche  edelen  te  vergunnen  's  Zondags  bijeen  te  komen 
om  hun  godsdienstoefening  te  houden;  >maar",  —  voegde  Lou- 
vois er  bij  —  » gij  moet  zorgen  dat  dit  geen  opspraak  geve,  en  dat 
het  oord  waar  zij  bijeenkomen  verre  zij  van  de  kerk  van  de 
plaats,  en  dat  de  gunst  die  Zijne  Majesteit  thans  verleent,  op 
kan  houden  zoodra  de  militie  weer  is  teruggekeerd."  Er  was 
niet  veel  uit  te  richten  bij  menschen,  die  zich  met  zoo  weinig 
Heten  tevreden  stellen.  Tromp  verloor  zijn  geduld  en  ging  onder 
zeil  naar  de  Middellandsche  Zee,  waarheen  de  Spaansche  regee- 
ring hem  riep,  die  ongerust  was  over  de  volksbeweging  te  Mes- 
sina.  Zoo  ging  dat  dreigende  gevaar  voorbij,  dat  Louvois  zooveel 
zorg  had  gebaard.  Was  het  uit  spotternij,  of  in  ernst,  dat  hij 
den  Prins  van  Oranje  deed  dankzeggen  voor  de  menschelijkheid 
die  de  graaf  van  Hoorne,  zijn  onderbevelhebber,  te  Noirmoutiers 
en  te  Belle-Isle  had  betoond;  »daar  ik  er  niet  aan  twijfel,"  — 
voegde  hij  er  bij  —  » of  die  menschelijkheid  van  den  graaf  van 
Hoorne  is  hem  voorgeschreven  door  den  Prins  van  Oranje."  " 
(Brief  van  den  iien  Juli  van  Louvois  aan  d*Estrades). 

En  op  blz.  120 — 121  van  hetzelfde  deel: 

•  Indien  Tromp  zoo  lang  had  gekruist  op  de  Normandische 
kust,   dan   was  dit   niet  geweest   op   een   los   gerucht.  Het  was 


Digitized  by 


Google 


20  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

geweest  om  de  gevolgen  af  te  wachten  van  eene  ernstige  samen- 
zwering, die  in  naam  tot  hoofd  had  den  ridder  De  Rohan,  een 
groot  heer  die  geheel  verloopen  was  door  zijne  uitspattingen, 
en  die  verbitterd  was  tegen  eene  maatschappij,  waar  zijn  ver- 
waten trots  en  zijne  verfoeielijke  driften  geen  stof  ter  bevrediging 
meer  vonden*,  de  ware  aanvoerder  der  samenzwering,  de  man 
die  alles  regelde  en  in  beweging  bracht,  het  hoofd  en  de  arm 
der  onderneming,  was  een  Normandisch  edelman,  die  den  krijgs- 
dienst had  verlaten,  omdat  hij  niet  kon  en  niet  wilde  gehoor- 
zamen; Latréaumont,  niet  slechts  een  opstandeling,  maar  een 
revolutionnair  die  zijn  tijd  vooruit  was,  die  niet  onder  de  regee- 
ring van  Lodewijk  XIV  had  moeten  leven,  maar  een  honderd 
twintig  jaar  later.  Voeg  bij  die  twee  mannen  een  ouden  Hol- 
landschen  professor.  Van  den  Ende,  een  republikein,  een  staat- 
kundig droomer,  een  ontwerper  van  constitutiën,  en  die,  verbor- 
gen door  zijn  onbeduidendheid,  ten  bate  van  de  samenzwering 
heen  en  weer  reisde  tusschen  Brussel,  Rouaan  en  Parijs;  en  dan 
heeft  men  de  hoofdpersonen  van  het  drama,  waarin  het  hof  ei> 
de  hoofdstad,  die  op  het  punt  waren  van  aan  de  handelingen 
deel  te  nemen,  veel  meer  belang  stelden  dan  in  den  regel  het 
geval  is  als  men  met  de  zaak  niets  heeft  te  maken.  Wat  de 
overige  samenzweerders  betreft,  het  waren  medeplichtigen  die 
van  de  zaak  weinig  wisten  of  begrepen,  en  wier  namen  dus  ge- 
rust in  die  vergetelheid  mogen  blijven,  die  den  figuranten  in  een 
tooneelstuk  ten  deel  valt." 

Rousset  verkleint  ten  onrechte  de  verrichtingen  van  Tromp's 
vloot  in  1674;  het  gebeurde  bij  Belle-Isle  en  Noirmoutiers  is  niet 
zoo  onbeduidend  geweest  als  de  Fransche  schrijver,  —  denkelijk 
op  gezag  van  Louvois  —  wil  doen  gelooven.  Maar  wat  de 
samenzwering  aangaat,  Rousset  erkent  dat  die  «ernstig"  is  ge- 
weest; en  dat  het  Fransche  hof  en  Parijs  »op  het  punt  waren 
van  daaraan  deel  te  nemen."  Die  gebeurtenissen  van  1674 'be- 
wijzen ook,  hoe  weinig  gegrond  de  bewering  is,  dat  Lodewijk  XIV 
tot  de  herroeping  van  het  Edikt  van  Nantes  is  gebracht,  door- 
dat zijne  Protestantsche  onderdanen  heulden  met  de  vijanden 
van  Frankrijk.  Neen !  De  Fransche  Protestanten  zijn  hun  Koning 
trouw  gebleven,  zoolang  die  Koning  nog  niet  hun  dwingeland 
was  geworden ;  eerst  na  de  herroeping  van  het  Edikt  van  Nantes, 
eerst  na  de  dragonnades,  eerst  na  het  met  voeten  trappen 
van  bezworen  overeenkomsten  en  van  de  eeuwige  beginselen  van 
recht  en  menschelijkheid  hebben  de  Fransche  Protestanten,  óf 
de  wapenen  opgevat  tegen  hqnne  onderdrukkers,  óf  hebben  zij 
het  Rijk  verlaten  en  zijn  in  het  buitenland  vaak  de  bitterste 
vijanden  geworden  van  den  despoot  van  Versailles.  De  dwinge- 
landij heeft  den  afval  teweeggebracht ;  niet  de  afval  de  dwingelandij» 


Digitized  by 


Google 


KRIJGS VERRICHTINGEN   AAN  DEN  BOVEN-RIJN.  21 

Aan  den  Rijn  konden  de  bondgenooten  op  voordeelen  reke- 
nen, omdat  zij  daar  met  groote  overmacht  optraden;  want  hoe- 
wel de  sterkte  van  de  beide  partijen  in  den  veldtocht  van  1674 
daar  gedurig  afwisselde,  zoo  was  toch  altijd  de  meerderheid  aan 
de  zijde  van  de  Duitschers:  in  het  laatste  gedeelte  van  den 
veldtocht  telde  het  vereenigde  Keizerlijke  en  Brandenburgsche 
leger  een  kleine  60000  man,  het  Fransche  een  groote  30000. 
Dit  verschil  van  ruim  20000  man  werd  echter  opgewogen  door  de 
groote  bekwaamheid  van  Turenne,  en  door  de  weinige  eenheid 
die  er  kan  opgemerkt  worden  in  de  handelingen  van  de  aan- 
voerders der  bondgenooten. ' 

De  verbazende  langzaamheid  die  men  bij  de  krijgstoerustingen 
der  Duitsche  vorsten  aantrof,  was  ook  oorzaak  dat  de  Fransche 
veldheer  gedurende  een  groot  gedeelte  van  het  jaar  een  bijna 
even  sterke  macht  had  als  die  welke  tegenover  hem  stond,  en 
daarvan  gebruik  maakte  om  door  aanvallende  bewegingen  den 
vijand  in  ontzag  te  houden.  Na  eerst  eene  zwakke  ruiterafdeeling, 
onder  den  hertog  van  Lotharingen,  belet  te  hebben  Franche- 
Comté  te  hulp  te  komen,  ging  Turenne  den  14611  Juni  bij  Phi- 
lipsburg  op  den  rechteroever  van  den  Rijn  over,  terecht  oor- 
deelende,  dat,  om  den  vijand  den  overtocht  van  dien  stroom  te 
beletten,  het  de  raadzaamste  handeling  was,  zelf  dien  vijand  op 
den  anderen  oever  op  te  zoeken. 

Den  i6en  Juni  ontmoet  de  Fransche  veldheer  nabij  het  stadje 
Sintzheim  een  Keizerlijke  legermacht  onder  den  generaal  Caprara ; 
de  Fransche  legermacht  telde  een  9000  man,  de  Keizerlijke 
slechts  7  k  8000,  minder  goede  troepen;  en  algemeen  oordeelt 
men,  dat  Caprara  goed  zou  hebben  gedaan,  met  het  gevecht  te 
ontwijken  en  naar  de  Neckar  terug  te  trekken,  om  zich  daar  te 
vereenigen  met  de  Keizerlijke  troepen,  die  onder  den  generaal 
Bournonville  in  aantocht  waren  naar  het  tooneel  van  den  oorlog. 
De  Keizerlijke  aanvoerder  meende  echter,  vertrouwende  op  de 
voordeelen  van  zijne  sterke  stelling,  den  vijand  te  kunnen  af- 
wachten; maar  hij  onderging  eene  nederlaag  in  dat  gevecht  bij 
Sintzheim  en  trok  toen  terug  op  Heidelberg.  Turenne,  van  zijne 
zijde,  zette  de  vervolging  niet  voort;  maar  keerde  reeds  den 
2osten  Juni  bij  Phih'psburg  terug  op  den  linkeroever  van  den  Rijn. 

Waarom  Turenne  den  rechteroever  van  den  Rijn  verliet,  is 
niet  recht  duidelijk.  Versterkingen  ontvangen  hebbende  die  zijne 
macht  tot  een  18000  man  brachten,  ging  de  Fransche  veldheer 
den  3en  Juli  nogmaals  bij  Philipsburg  den  Rijn  over,  en  rukte 
naar  de  Neckar  vooruit,  om  daar  het  Keizerlijke  leger  op  te 
zoeken;  dit  leger,  waarbij  zich  Bournonville  had  gevoegd,  telde 
toen  slechts  een  13000  man.  De  Keizerlijke  aanvoerders,  hunne 
minderheid  inziende,  ontweken  den  strijd,  en  trokken  in  noorde- 


Digitized  by 


Google 


2  2  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

lijke  richting  naar  den  Main  terug.  Turenne,  de  vervolging  sta- 
kende, ging  toen  over  tot  de  verwoesting  van  de  Paltz. 

Was  dit  eene  uitvoering  van  de  bepaalde  bevelen  van  den 
Franschen  koning?  of  was  die  verwoesting  —  zooals  Beaurain 
beweert  —  alleen  het  gevolg  van  den  moedwil  der  Fransche 
soldaten,  tot  toorn  aangezet  door  de  vijandschap  der  Paltzsche 
boeren?  —  dit  kan  ons  onverschillig  zijn:  de  barbaarsche  han- 
deling ono  twee  steden  en  vijf  en  twintig  dorpen  aan  de  vlammen 
te  prooi  te  geven,  zal  altijd  een  vlek  blijven  op  den  Franschen 
naam,  en  een  schande  voor  den  veldheer,  die  óf  de  lijdelijke 
uitvoerder  is  geweest  van  onmenschelijke  bevelen,  óf  geen  kracht 
genoeg  heeft  bezeten  om  zijne  plunderzieke  benden  in  toom  te 
houden. 

Maar  tracht  Beaurain  die  eerste  verwoesting  van  de  Paltz  als 
iets  toevalligs  voor  te  stellen,  uit  Rousset's  werk  moet  men  dien 
gruwel  beschouwen  als  iets  voorbedachtelijks,  waaraan  alle  toeval 
vreemd  is.  Aan  wien  is  dan  die  gruweldaad  van  1674  te  wijten?  — 
Natuurlijk  het  allereerst  aan  Lodewijk  XIV,  wiens  machlwoord 
de  handelingen  voorschreef;  —  maar  ook  de  raadslieden  van 
den  Koning,  zijne  ministers,  zijne  legerhoofden  hebben  hun  aan- 
deel gehad  in  wat  er  gebeurd  is;  Rousset  wijt  de  schuld  van  de 
eerste  verwoesting  van  de  Paltz,  behalve  aan  den  Franschen 
koning,  aan  Louvois  en  aan  Turenne.  Ook  aan  Turenne:  hec 
beroemde  legerhoofd  muntte  juist  niet  uit  door  menschelijkheid ; 
hij  berekende,  dat  het  verwoesten  van  de  Paltz  het  den  Duit- 
schen  legers  onmogelijk  zou  maken  daar  te  verblijven  of  van 
daar  leeftocht  te  ontvangen;  dat  daardoor  de  operatiën  van  het 
Fransche  leger  zouden  worden  begunstigd;  en  dat  die  verwoes- 
ting van  eene  uitgestrekte  landstreek  dus  kon  bijdragen  tot  het 
bereiken  van  het  doel  des  oorlogs.  Turenne  schijnt  van  meening 
te  zijn  geweest,  dat  in  den  oorlog  ieder  middel  goed  is  dat  tot 
het  doel  voert ;  —  een  schandelijk  dwaalbegrip,  maar  dat,  tot  in 
ónze  dagen,  soms  met  onbeschaamdheid  wordt  voorgestaan  en 
toegepast. 

Intusschen  waren  de  lang  verwachte  versterkingen  van  het 
Duitsche  leger  op  het  punt  van  aan  te  komen.  De  Lunenburgsche 
en  Brunswijksche  troepen  trokken  in  het  begin  van  Juli  bij 
Nienburg  bijeen;  zij  bestonden  uit  5  regimenten  voetvolk,  ieder 
regiment  van  10  vaandels  van  120  man;  i  regiment  dragonders, 
en  5  regimenten  ruiterij;  in  het  geheel  een  13000  man.  Die 
macht,  benevens  andere  Duitsche  troepen,  rukte  op  om  zich  aan 
te  sluiten  bij  het  leger  van  Bournonville;  en  Turenne  werd  daar- 
door genoopt  om  den  28sten  Juli,  bij  Philipsburg,  weer  op  den 
linkeroever  van  den  Rijn  terug  te  keeren. 

De  verwoesting  van  de  Paltz  maakte  het  Bournonville's  leger 
onmogelijk  om  in  dat  gewest  te  verblijven  en  daar  den  overtocht 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN   AAN   DEN   BOVEN-RIJN.  23 

van  den  Rijn  te  beproeven;  dat  leger  trok  daarop  naar  het 
lagere  gedeelte  van  den  Rijn  en  ging  na  veel  talmens  eindelijk 
den  29sieQ  en  3osten  Augustus  in  de  omstreken  van  Mainz  dien 
stroom  over.  Het  rukte  toen  vooruit  naar  de  zijde  van  Spiers; 
maar  hoezeer  het  een  groote  tienduizend  man  sterker  was  dan 
Turenne's  leger,  waagde  het  echter  niet  dien  veldheer  aan  te 
vallen  en .  slag  te  leveren ;  maar  ging  den  2osten  September  in 
de  omstreken  van  Spiers  weer  onverrichterzake  terug  op  den 
rechteroever  van  den  Rijn.  Zelden  heeft  misschien  de  bekwaam- 
heid des  veldheers  grooter  gewicht  in  de  schaal  des  oorlogs  ge- 
legd dan  hier  bij  dezen  veldtocht :  Turenne,  met  mindere  macht 
altijd  stout  vooruitrukkende  en  aanvallende;  de  Duitsche  aan- 
voerders, met  meerdere  macht,  altijd  aarzelende,  soms  schroom- 
vallig  vooruitrukkende,  maar  om  telkens  weer  terug  te  trekken. 

De  Keizerlijke  aanvoerders  weten  intusschen  de  regeering  van 
Straatsburg  —  toenmaals  een  vrije  Rijksstad  —  over  te  halen, 
hun  daar  den  overtocht  van  den  Rijn  toe  te  staan ;  die  overtocht 
heeft  den  isten  October  plaats,  en  Bournonville's  leger,  36  k 
38000  man  sterk,  waarvan  meer  dan  de  helft  ruiterij,  bedreigt 
opnieuw  den  Elzas.  Om  dat  gewest  te  beschermen  besluit  Tu- 
renne  een  veldslag  te  leveren,  hoezeer  zijn  leger  slechts  12000 
man  voetvolk  en  10  000  man  ruiterij  sterk  is.  Die  veldslag  heeft 
den  4en  October  plaats  bij  Entzheim,  een  paar  uur  ten  zuid- 
westen van  Straatsburg;  de  Duitschers  lijden  daarbij  de  meeste 
verliezen;  maar  het  is  voor  Turenne  slechts  eene  halve  over- 
winning, daar  hij  nog  's  avonds  het  slagveld  verlaat  en  terug- 
trekt; —  eene  handeling,  door  Napoleon  afgekeurd  als  al  te 
omzichtig. 

Kort  daarop,  den  1 3en  October,  kwam  ook  het  Brandenburgsche 
leger,  door  den  Keurvorst  zelf  aangevoerd,  bij  Straatsburg;  dit 
leger  bestond  uit  12000  man  voetvolk,  6000  ruiters  en  47  stuk- 
ken geschut.  Nog  andere  Duitsche  troepen  waren  toen  aange- 
komen; zoodat  de  geheele  macht  daardoor  klom  tot  een  57000 
man,  namelijk  33000  man  voetvolk  en  24000  man  ruiterij.  Ter- 
wijl andere  legers  meestal  bij  het  begin  van  een  veldtocht  het 
sterkst  waren,  bereikten  de  Duitsche  legers  van  dien  tijd,  door 
verkeerde  beschikkingen,  hunne  grootste  sterkte  dikwijls  op  het 
oogenblik  dat  de  veldtocht  zou  eindigen. 

Turenne  had  ook  versterkingen  gekregen;  onder  andere  was 
van  het  leger  van  Condé  in  De  Nederlanden  een  10000  man 
tot  hem  opgerukt.  Maar  in  weerwil  van  die  versterking  had  hij 
slechts  20000  man  voetvolk  en  13000  man  ruiterij;  hij  oor- 
deelde dus  terecht  dat  het  onraadzaam  was  om  tegen  die  groote 
overmacht  van  den  vijand  een  veldslag  te  wagen.  Na  eenige 
onbeduidende   bewegingen,  en  na  zooveel  mogelijk  Lotharingen 


Digitized  by 


Google 


24  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

en  den  Ëlzas  te  hébben  verwoest,  ging  bij  dus  in  het  laatst  van 
November  naar  de  Vogezen  terug,  als  ware  hij  voornemens  ten 
westen  van  die  bergketen  winterkwartieren  te  betrekken. 

De  Duitsche  legerhoofden,  daardoor  misleid,  meenden  dat  de 
veldtocht  geëindigd  was,  en  begonnen  hunne  troepen  ook  te 
verdeelen  in  winterkwartieren ;  links  zich  uitstrekkende  tot  Béfort, 
in  het  midden  over  Colmar  naar  de  Vogezen,  rechts  lot  nabij 
Straatsburg.  Die  kantonnementen  hadden  eene  zeer  groote  uil- 
breiding,  en  de  keurvorst  van  Brandenburg  maakte  Bournonville 
opmerkzaam  op  het  gevaar  dat  daarin  was  gelegen;  maar  tever- 
geefs; misschien  was  die  uitbreiding  noodzakelijk  wegens  de  ver- 
woestingen welke  Turenne  had  aangericht  in  de  landstreek  waar 
het  Duitsche  leger  was. 

De  Fransche  veldheer,  tot  eiken  prijs  den  vijand  willende  be- 
letten om  op  den  linker  Rijnoever  te  verblijven,  heeft  nauwelijks 
bericht  dat  het  Duitsche  leger  in  kantonnementen  is  verdeeld,  of 
hij  doet  z  ij  n  e  troepen  de  hunne  verlaten,  en  stelt  zich  daarmede^ 
den  29sien  en  3osten  November,  in  beweging.  De  vijand,  die 
hierin  aanvankelijk  niets  anders  zag  dan  eene  verschikking  der 
kwartieren,  en  die,  later  op  verschillende  punten  met  aanvallen 
bedreigd  door  schijnbewegingen  van  Turenne,  niet  wist  wat  het 
eigenlijke  voornemen  was  van  den  Franschen  veldheer,  heeft  den 
tijd  niet  om  zijne  troepen  samen  te  trekken  uit  hunne  kantonne- 
menten; plotseling  staat  de  Fransche  veldheer  met  een  30000 
man  te  midden  van  de.  landstreken  door  de  Duitschers  bezet; 
sommige  troepengedeelten  der  Keizerlijken,  in  hunne  kwartieren 
afgesneden  en  omsingeld  door  de  snel  doordringende  Fransche 
ruiterij,  gaan  geheel  verloren  en  leggen  de  wapens  neer;  bii 
Mühlhausen  (29  December  1674),  en  bij  Türkheim  (5  Januari 
1675)  ontmoet  Turenne  gedeelten  van  het  Duitsche  leger  die 
zich  daar  bijeen  hebben  getrokken,  slaat  die,  vermeestert  Colmar, 
en  dwingt  den  vijand,  geslagen  en  verzwakt,  midden  Januari 
weer  achter  den  Rijn  terug  te  gaan  en  op  den  rechteroever  van 
dien  stroom  zijne  winterkwartieren  te  zoeken. 

Zoo  eindigde  een  veldtocht,  die,  alleen,  voldoende  zou  zijn 
om  Turenne  met  de  grootste  legerhoofden  gelijk  te  stellen.  Wél 
mochten  zijne  tijdgenooten  toen  van  hem  zeggen,  dat  de  Fabius 
getoond  had  ook  een  Alexander  te  kunnen  zijn ;  zijn  krijgsgenie 
beschermde  Frankrijk  legen  een  inval  der  vreemde  legers,  en 
stelde  aan  die  legers  geduchter  slagboom  dan  de  breede,  snel 
vlietende  stroom  die  Frankrijk's  oostelijke  grenzen  afsloot. 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN   IN   DE   NEDERLANDEN. 


HOOFDSTUK  XII. 

KRIJGSVERRICHTINGEN   VAN    1674  IN   DE   NEDERLANDEN,   TOT 
AAN    DEN   SLAG   VAN    SÉNEFFE. 

De  ontruiming  van  Holland,  in  de  laatste  maanden  van  1673 
begonnen,  werd  in  1674  voortgezet  en  in  de  eerste  helft  van  dat 
jaar  ten  einde  gebracht.  Luxembourg  was  reeds  geheel  in  het 
begin  van  1674  over  Maastricht  en  Charleroi  naar  Frankrijk 
teruggekeerd;  het  overige  van  de  Fransche  legermacht  in  Hol- 
land zou  in  het  voorjaar  volgen. 

Dat  laatste  gedeelte  stond  onder  het  bevel  van  den  maarschalk 
De  Bellefonds.  Reeds  vroeger  is,  met  een  enkel  woord,  van  dien 
bevelhebber  gezegd,  dat  hij  zich  soms  eene  vrijheid  van  taal  en 
van  handelen  veroorloofde,  die,  voor  dien  tijd,  buitengewoon 
was;  dat  men  dit  door  de  vingers  zag,  omdat  men  hem  als  een 
zonderling  beschouwde  wien  men  wat  moest  vergeven,  te  meer 
omdat  niemand  twijfelde  aan  zijne  rechtschapenheid;  maar  dat 
zijn  verstand  en  oordeel  te  wenschen  overlieten,  zoodat  zijne 
onafhankelijkheid  van  karakter  zich  soms  uitte,  daar  waar  dit 
volstrekt  niet  te  pas  kwam.  Zoo  hier. 

Den  6en  April  1674  is  De  Bellefonds  te  Nijmegen;  hij  heeft 
last  om  Holland  te  ontruimen  en  den  3osien  April  met  zijn  ge 
heele  macht  tusschen  Maastricht  en  Maaseyck  te  zijn;  maar  hij 
keurt  die  ontruiming  af;  —  ook  Condé  had  die  afgekeurd,  zooals 
vroeger  is  gezegd.  Maar  De  Bellefonds  doet  meer  dan  afkeuren : 
hij  weigert  ronduit  om  te  gehoorzamen;  —  en  dat  onder  een 
koning  als  Lodewijk  XIV  en  onder  een  minister  als  Louvois! 

Louvois  ging  hier  op  verstandige,  gematigde  wijze  te  werk, 
tnaar  tevens  met  vastberadenheid;  hij  wilde  gehoorzaamd  wor- 
den, —  dat  spreekt  vanzelf;  maar  tevens  wilde  hij  alle  erger- 
lijke openbaarheid  vermijden.  Den  i2cn  April  zond  hij  nogmaals 
bevel  aan  De  Bellefonds,  om  uiterlijk  op  den  loen  Mei  Holland 
te  hebben  ontruimd;  en,  voor  het  geval  dat  de  Maarschalk  in 
zijn  verzet  mocht  volharden,  werd  aan  den  intendant  Robert  eene 
volmacht  gezonden,  krachtens  welke  de  luitenant-generaal  De 
Lorge  dan  het  opperbevel  op  zich  moest  nemen.  Maar  zóó  ver 
kwam  het  niet;  het  gelukte  aan  zijne  raadslieden  om  De  Belle- 
fonds over  te  halen,  gevolg  te  geven  aan  de  ontvangen  bevelen ; 
«venwei  kostte  dit  veel  moeite;  reeds  had  de  Maarschalk  eene 
overeenkomst  gesloten  met  den  bisschop  van  Straatsburg,  om 
aan  dien  kerkvorst  Nijmegen,  Arnhem  en  andere  Geldersche  ves- 
tingen   af  te    staan,    waarin    dan    Fransche    bezettingen    zouden 


Digitized  by  VjOOQIC 


20  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

blijven;  en  nog  den  23sten  April  1674  schrijft  De  Bellefonds  aan 
Louvois:  »  ...Het  zou  moeite  kosten  otn  mij  te  overtuigen,  dat 
de  Koning  de  goede  trouw  wil  schenden,  en  zijn  roem  bezwal- 
ken.  Het  teruggaan  van  onze  krijgsmacht  is  eene  schandelijke 
vlucht  en  een  prijsgeven  van  onze  bondgenooten ;  en,  wat  men 
zegge,  zoo  iets  is  niet  te  verontschuldigen..." 

Ziedaar  —  zal  men  misschien  zeggen  —  alweer  een  bewijs  hoe 
verkeerd  het  is,  wanneer  een  legerhoofd  geheel  onafhankelijk 
wil  zijn  en  geheel  naar  eigene  inzichten  wil  handelen.  Wij,  die 
zeer  ijveren  voor  die  onafhankelijkheid,  die  haar  beschouwen  als 
eene  noodzakelijke  voorwaarde  voor  de  goede  uitoefening  van 
het  legerbevel,  wij  antwoorden  daarop:  dat  voorbeeld  van  De 
Bellefonds  bewijst  niets;  het  bewijst  alleen,  dat  De  Bellefonds 
niet  het  verstand  had  dat  een  legerhoofd  moet  hebben;  men 
had  hem  niet  moeten  plaatsen  aan  het  hoofd  van  een  leger. 
Het  oordeel  van  een  goed  legerhoofd  zal  er  hem  toe  leiden,  om 
van  de  vrijheid  van  handelen  die  hem  toekomt,  gebruik  te 
maken,  en  geen  misbruik;  hij  zal  begrijpen  dat,  indien  er  ge- 
vallen zijn  waarin  hij  mag  en  moet  afwijken  van  ontvangene  be- 
velen der  regeering,  er  ook  andere  gevallen  zijn  waarin  die  be- 
velen geheel  en  oogenblikkelijk  moeten  worden  uitgevoerd;  dat 
het  niet  gehoorzamen  niet  het  gevolg  moet  zijn  van  eene  gril  of 
luim,  van  een  dwaas  begrip  van  onafhankelijkheid,  maar  moet 
voortspruiten  uit  de  overtuiging,  dat  die  afwijking  van  de  ont- 
vangen bevelen,  dat  eigenmachtig  handelen  gebiedend  wordt 
voorgeschreven  door  het  algemeen  welzijn;  en  dat  de  gevolgen 
van  dat  eigenmachtig  handelen  dan  ook  geheel  en  al  te  zijner 
verantwoording  blijven,  op  zijn  hoofd  nederkomen. 

Nijmegen,  Arnhem,  Schenkenschans,  Emmerik,  Rees,  Wezel, 
Rhijnberg  en  Nuis  werden  in  de  laatste  dagen  van  April. en  in 
de  eerste  dagen  van  Mei  ontruimd;  De  Bellefonds,  naar  de  Roer 
trekkende,  maakte  zich  in  het  voorbijgaan,  den  loen  Mei,  stor- 
menderhand meester  van  het  stadje  Erkelens,  bezet  door  een 
3  a  400  Spanjaarden ;  de  Roer  bij  Linnich  overtrekkende,  kwam 
hij  den  laen  Mei  bij  Valkenburg,  nog  drie  uur  van  Maastricht; 
zijn  leger  telde  toen  volgens  een  onzer  schrijvers  omstreeks 
20000  man;  Beaurain  stelt  het  op  22000;  Valkenier  op  25000- 
man  voetvolk  en  3000  ruiters;  beiden  begrijpen  daaronder  eenige 
Keulsche  troepen  die  in  sommige  Hollandsche  steden  in  bezet- 
ting waren  geweest.  Al  het  geschut  en  al  de  oorlogsbehoeften 
in  die  steden  voorhanden,  waren  door  de  Fransche  troepen  óf 
meegevoerd,  óf  vernield;  een  goed  deel  bleef  in  Grave,  waar 
men  ook  de  gijzelaars  bracht,  die  men  meegenomen  had  tot 
verzekering  van  de  betaling  der  opgelegde  brandschattingen. 
Grave  kreeg  eene  bezetting  van  een  groote  4000  man,  onder 
den  wakkeren  Chamilly;  die  stad  en  Maastricht  waren  de  eenige 


Digitized  by 


Google 


KR1JG3VERRICHTINGEN  IN   DE   NEDERLANDEN.  2^ 

plaatsen  welke  Frankrijk  behield  van  zijne  veroveringen  op  Hol- 
landsch  grondgebied. 

Gelijktijdig  met  die  ontruiming  van  Holland  door  De  Belle- 
fonds^  trok  aan  de  noordelijke  grenzen  van  Frankrijk  de  leger- 
macht bijeen,  die,  onder  Condé,  bestemd  was  om  in  De  Neder- 
landen oorlog  te  voeren.  Men  vindt  bij  een  onzer  schrijvers  — 
Nieuwe  Mercurius  —  dat  die  Fransche  veldheer  den  6en  Mei 
met  een  8  k  loooo  man  te  Doornik  aankwam;  en  dat,  weinige 
dagen  later,  het  daar  vereenigde  leger  eene  sterkte  had  van  ruim 
20  OOG  man,  waaronder  60  vaandelen  Zwitsers,  ieder  van  200 
man ;  bij  dat  leger  had  men  30  stukken  geschut,  3  mortieren  en 
500  munitiewagens.  Hoezeer  die  sterkte  van  Condé's  leger  hier 
vermeld  wordt  tot  in  bijzonderheden  en  al  onze  schrijvers  in 
hunne  opgaven  daarin  vrijwel  overeenstemmen,  zoo  gelooven  wij 
toch  dat  die  opgaven  geheel  onjuist  zijn,  en  de  sterkte  van  het 
Fransche  leger  veel  hooger  moet  worden  gesteld.  Immers  vindt 
men  bij  Beaurain  —  die,  bij  het  samenstellen  van  zijne  geschie- 
denis van  den  veldtocht  van  1674,  de  brieven  en  aanteekeningen 
van  Condé  zelf  heeft  kunnen  raadplegen,  en  die  dus  voor  de 
opgaven  van  Fransche  zijde  gezag  bezit,  —  dat  den  loen  Mei 
het  op  den  linkeroever  der  Schelde  bij  Doornik  vereenigde 
Fransche  leger  sterk  was  44  bataljons  voetvolk,  121  eskadrons 
ruiterij  en  10  eskadrons  dragonders,  —  alles  en  alles  een  45000 
roan.  Dit  groote  verschil  tusschen  die  opgave  en  die  van  onze 
schrijvers  ontstaat  mogelijk  daardoor,  dat  de  laatsten  alleen  op- 
noemen de  troepen  door  Condé  uit  Frankrijk  aangebracht,  en 
niet  mederekenen  die  welke  reeds  vroeger  aan  de  noordelijke 
grenzen  stonden  of  door  Luxembourg  uit  Holland  waren  aan- 
gevoerd. 

De  eerste  handeling  waartoe  Condé  overging,  was  de  vereeni- 
ging  te  bewerkstelligen  met  de  legermacht  van  De  Bellefonds.  — 
Alvorens  dien  marsch  te  vermelden  van  het  Fransche  leger,  van 
Doornik  naar  de  zijde  van  Maastricht,  zal  het  goed  zijn  met  een 
paar  woorden  te  zeggen,  hoedanig  de  gesteldheid  van  zaken 
toenmaals  was  in  de  Spaansche  Nederlanden,  het  oorlogstooneel, 
om  daardoor  te  kunnen  zien,  welke  zwarigheden  zich  bij  dien 
marsch  konden  voordoen. 

Stad  en  vesting,  dit  is  reeds  vroeger  gezegd,  waren  toen 
woorden  van  gelijke  beteekenis;  wij  herinneren  ons  ten  minste 
geen  plaats  van  eenige  beduidenis  in  de  Zuidelijke  Nederlanden, 
die  toenmaals  niet  bevestigd  en  bezet  was.  Ten  gevolge  van  den 
vroegeren  inval  van  Lodewijk  XIV  in  de  Zuidelijke  Nederlanden 
en  van  den  vrede  van  Aken  was  Frankrijk  in  het  bezit  gebleven 
van   eenige  vestingen   dier  gewesten;  zoodat  daardoor  de  sterke 


Digitized  by 


Google 


28  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

punten,  door  de  weder zijdsche  partijen  bezet,  op  een  wonderlijke 
wijze  waren  dooreengemengeld  en  verward. 

Zoo  was  Frankrijk  —  met  de  zeekust  beginnende  —  meesier 
van  de  vestingen  Grevelingen,  Duinkerken,  Veurne  en  Winox- 
bergen.  Hier  sprong  dus  het  Fransche  grondgebied  in  hetSpaansche; 
maar  oostelijk  daarvan,  in  de  ruimte  tusschen  de  Iperlee  en  de 
Lijs,  had  weer  het  omgekeerde  plaats:  daar  hadden  de  Span- 
jaarden de  vestingen  Aire,  Saint-Oraer,  Cassel  en  Iperen.  Tus- 
schen Lijs  en  Schelde  had  Frankrijk  weer  Arras,  Douay,  Rijssel, 
Doornik,  Kortrijk  en  Oudenaarden;  Gent,  aan  de  samenvloeiing 
der  beide  rivieren,  behoorde  den  Spanjaarden ;  evenals  de  andere 
Vlaamsche  en  Brabandsche  steden,  Antwerpen,  Mechelen,  Leu 
ven,  Brussel  enz.  De  vesting  Ath  was  weer  een  vooruitspringend 
punt,  in  het  bezit  van  Frankrijk;  daarentegen  waren  Mons, 
Saint-Guislain,  Condé,  Valenciennes,  Maubeuge  en  Kamerijk  aan 
Spanje.  Bij  de  Sambre  bezette  Frankrijk  Binche  en  Charleroi; 
Spanje  had  Namen,  Charlemont  en  Givet;  terwijl  Huy  en  Dinant, 
tol  Luik  behoorende,  onzijdig  waren,  evenals  de  stad  van  dien 
naam.  Verder  aan  de  Maas  had  Frankrijk:  Maastricht,  Maaseyck 
en  Grave;  terwijl  de  Spanjaarden  boven  Maastricht  de  kasteelen 
van  Navagne  en  van  Argenteau  hadden  en,  beneden  die  stad,  de 
vestingen  Venlo  en  Roermond. 

Wanneer  men  op  de  kaart  de  ligging  nagaat  van  de  verschil- 
lende hier  opgenoemde  sterke  steden,  dan  zal  men  inzien,  hoe 
die  ligging  sommige  dier  vestingen  blootstelde  aan  een  beleg,  en 
hoe  zij  aan  den  anderen  kant  geschikt  waren  toe  het  doen  van 
strooptochten,  van  brandschattingen  in  'svijands  land,  van  aan- 
vallen op  's  vijands  konvooien,  —  in  één  woord  tot  al  die 
plagerijen  die  zulk  een  gewichtige  rol  speelden  in  de  oorlogen 
dier  tijden.  Het  groote  aantal  der  vestingen  was  hier  weer  een 
nadeel  voor  de  zwakkere  partij:  de  Spanjaarden,  met  reden  be- 
ducht dat  de  vijand  zou  trachten  eenige  van  hunne  sterke  steden 
te  bemachtigen,  waren  gedwongen  die  steden  in  het  bezit  te 
laten  van  genoegzame  bezettingen,  en  vandaar,  dat  zij  slechts 
eene  onbeduidende  macht  konden  te  velde  brengen;  Condé 
daarentegen  liet  de  Fransche  vestingen  slechts  zwak  bezet,  voor- 
nemens om,  wanneer  de  vijand  de  belegering  van  eene  dier 
vestingen  ondernam,  met  het  sterke  Fransche  leger  ter  hulp  op 
te  rukken,  en  een  veldslag  te  leveren;  voor  de  verdediging  van 
die  vestingen  rekende  hij  meer  op  zijn  leger  dan  op  de  bezet- 
tingen. 

Die  dooreengemengde  ligging  van  de  sterke  steden  der  weder- 
zijdsche  partijen  had  len  gevolge,  dat  men  gewoonlijk  bij  eiken 
marsch  in  de  nabijheid  was  van  eene  vijandelijke  vesting  en  dus 
maatregelen  van  voorzorg  moest  nemen  tegen  hare  bezetting; 
aan   den   anderen  kant  had   men  ook   weer  het  voordeel  van, 


Digitized  by  VjOOQIC 


KRIJGSVERRICHTINGEN   IN   DK   NEDERLANDEN.  29 

waar  men   ook   heen   trok,  meestal  in  de  nabijheid  eene  eigene 
vesting  te  hebben,  waarvan  men  als  steunpunt  kon  partij  trekken. 

Den  i2en  Mei  begint  Condé  zijne  beweging:  hij  marcheert 
over  Leuse,  Lens,  Ville-sur-Haine,  Merlauwelz,  Thiméon,  Gem- 
blours,  Avesnes- sur-Méhaigne,  en  Freren,  op  Lichtenberg,  waar 
hij  den  22sien  Mei  aankomt  en  kampeert  op  den  St.  Pietersberg, 
roet  het  front  naar  de  Maas,  den  linkervleugel  nabij  Maastricht, 
den  rechtervleugel  tegenover  het  kasteel  van  Navagne.  Elf  dagen 
waren  dus  doorgebracht  om  den  afstand  van  Doornik  tot  Maas- 
tricht, bij  de  dertig  uren  gaans,  af  te  leggen.  Het  nagaan  van 
dien  marsch,  eenigszins  in  bijzonderheden,  kan  eenig  inzicht 
geven  in  de  wijze  van  oorlogvoeren  dier  tijden. 

Na  het  einde  van  eiken  marsch  wordt  er  een  kamp  betrok- 
ken; dit  is  een  vaste  regel.  Zulk  een  kamp  strekt  zich,  zooals 
vanzelf  spreekt,  in  eene  rechte  lijn  uit;  en  het  moet  dikwijls 
moeite  hebben  gekost,  een  terrein  te  vinden  dat  dit  toeliet. 
De  grootte  van  het  kamp  moet  in  verhouding  staan  tot  de  sterkte 
van  het  leger,  dat  zich  daar,  in  eene  gunstige  stelling,  in  slag- 
orde moet  kunnen  scharen.  Geen  terreinafscheidingen  moeten  de 
onderlinge  gemeenschap  verbreken  tusschen  de  verschillende 
deelen  van  het  kamp;  de  vleugels  moeten  aangeleund  zijn;  de 
rug  verzekerd,  het  front  zooveel  mogelijk  een  beek  of  riviertje 
vóór  zich  hebben.  Daaraan  wordt  zooveel  waarde  gehecht,  dat 
Beaurain  niet  nalaat,  om  bij  ieder  kamp  aan  te  wijzen,  dat  aan 
die  verschillende  voorwaarden  is  voldaan;  en  waar  dit  niet  bi) 
alle  het  geval  is,  verontschuldigt  hij  dit  daarmede,  dat  het  toch 
maar  een  kamp  was  dat  slechts  in  het  voorbijgaan  werd  bezet 
(tm  camp  de  passage). 

De  marschen  worden  meestal  in  drie  of  vier  colonnen  gedaan. 
Laat  ons,  om  aan  te  wijzen  hoe  dit  gebeurt,  eens  den  eersten 
marsch  nemen,  die  den  i2cn  Mei  plaats  had,  van  Doornik  op 
Leuse. 

Het  leger  van  Condé  was  gekampeerd  op  den  linkeroever  van 
de  Schelde,  front  makende  naar  die  rivier,  en  met  den  rechter- 
vleugel sluitende  aan  de  vestingwerken  van  Doornik.  De  marsch 
naar  Leuse  —  nog  geen  3  uur  afstands  van  Doornik  verwijderd  — 
heeft  plaats  in  vier  colonnen,  die  zooveel  mogelijk  op  gelijke 
hoogte  blijven,  en  onderling  geen  grooten  afstand  hebben:  daar 
waar  die  afstand  het  grootst  is,  bedraagt  hij  niet  meer  dan  een 
half  uur  gaans,  op  enkele  pupten  slechts  eenige  honderd  el;  — 
belangrijke  terreinafscheidingen  zijn  er  niet  tusschen  de  wegen 
door  die  colonnen  gevolgd.  De  beide  vleugelcolonnen,  —  de 
eerste  en  de  vierde  —  bestaan  geheel  uit  ruiterij;  de  tweede 
colonne  —  van   den   rechtervleugel   af  gerekend  —  bestaat  uit 


Digitized  by 


Google 


30  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

het  geschut,  de  levensmiddelen  en  den  wagentrein  van  het  leger, 
begeleid  door  eenige  detachementen  infanterie,  —  meestal  een 
700  man  die  zich  verdeelden  in  eenige  pelotons  tusschen  de 
wagens,  —  en  door  twee  eskadrons  die  aan  het  hoofd,  en  twee 
andere  die  aan  den  staart  der  colonne  marcheeren.  Eindelijk,  de 
derde  colonne  bestaat  uit  de  infanterie,  die  ook  een  klein  ge- 
deelte der  bagage  met  zich  medevoert. 

Wat  de  veiligheidsmaatregelen  op  raarsch  betreft,  die  bestonden 
daarin,  dat  de  rechtercolonne  eene  afdeeling  van  100  ruiters  af- 
zond in  de  richting  van  Condé  en  Saint-Guislain,  om  de  Spaan- 
sche  bezettingen  van  die  vestingen  in  het  oog  te  houden;  en 
dat  de  linkercolonne  evenzoo  eene  ruiterafdeeling  van  gelijke 
sterkte  als  linkerflankdekking  deed  marcheeren,  hoezeer  hier 
minder  reden  was  om  te  vreezen  voor  een  vijandelijken  aanval. 
Bij  andere  gelegenheden,  toen  men  meer  in  de  nabijheid  van 
den  vijand  was  —  zooals  bij  den  marsch  van  den  1 4en  Mei  van 
Lens  op  Ville-sur-Haine,  toen  men  bijna  onder  het  geschut  van 
de  Spaansche  vesting  Mons  marcheerde  —  nam  men  meer  voor- 
zorgen: men  zond  dan,  op  de  beide  vleugels,  patrouilles  uit  en 
flankdekkingen  {des  partis  et  des  détachements\  en  men  deed  elke 
colonne  volgen  door  een  sterke  achterhoede.  —  Evenzoo  nam 
men  maatregelen  voor  de  veiligheid  van  de  kampen.  Maar  zoo- 
zeer was  men  geneigd  om  de  tegenpartij  eene  rust  te  gunnen, 
waarin  men  zelf  niet  gaarne  werd  gestoord,  dat  er  bijna  geen 
voorbeelden  voorkomen,  dat  een  leger  gedurende  zijn  marsch 
door  den  vijand  werd  aangevallen  \  en  het  is  daarom  ook  minder 
te  verwonderen  in  Willem  III,  dat  hij  zich  bij  Séneffe  blootstelde 
aan  dat  gevaar. 

En  toch,  wanneer  ooit  bij  den  aanval  op  een  marcheerend 
leger  voordeel  was  te  behalen,  dan  was  het  'wel  op  de  wijze 
zooals  de  legers  van  de  17e  eeuw  hunne  marschen  uitvoerden. 
Zulk  een  leger  was  wel,  evenals  bij  de  oorlogsmarschen  der 
19e  eeuw,  in  verschillende  colonnen  verdeeld;  maar  terwijl  de 
nieuwere  krijgskunst  voorschrijft,  om  ieder  dier  colonnen  uit  de 
drie  wapens  samen  te  stellen,  —  opdat  zij  dus  een  klein  leger 
uitmake,  dat  in  staat  is  eenigen  tijd  op  zichzelf  te  staan  en  zelfs 
tegen  overmacht  den  strijd  vol  te  houden  —  was  bij  de  marschen 
van  de  17e  eeuw  elke  colonne  dikwijls  uit  slechts  één  wapen 
samengesteld :  het  voetvolk  marcheerde  over  den  eenen  weg,  de 
ruiterij  over  een  anderen,  het  geschut  weer  over  een  derden;  en 
natuurlijk  was  het  dus,  dat  wanneer  zulk  eene  colonne  plotseling 
werd  aangevallen,  zij  een  zeer  opgelijken  strijd  moest  voeren. 
Bestond  de  colonne  soms  uit  voetvolk  en  ruiterij,  dan  ontbrak 
toch  de  artillerie,  die  altijd  een  afzonderlijken  weg  volgde.  Op 
de  spoedige  komst  en  ondersteuning  van  de  andere  colonnen 
viel   ook   niet  te   rekenen;   want  hoezeer  de  onderlinge  afstand 


Digitized  by 


Google 


KRlJGSVERRICHriNGEN    IN    DE   NEDERLANDEN.  31 

van  die  colonnen  niet  groot  was,  zoo  waren  die  colonnen  echter 
niet  zeer  beweegbaar;  en  daar  de  bagage  een  der  middelste  colon- 
nen uitmaakte,  zoo  was  het  daardoor  voor  de  vleugelcolonnen 
zeer  bezwaarlijk  zich  te  vereenigen.  Van  de  aanwezigheid  eener 
sterke  voorhoede,  die  den  marsch  des  legers  verzetert  en  den 
eersten  aanval  des  vijands  afkeert,  vindt  men   hier  geen  spoor. 

De  marschvorm  van  elke  colonne  op  zichzelve  was  ook  in  de 
hoogste  mate  gebrekkig.  Bij  een  hedendaagschen  oorlogsmarsch 
heeft  men  dit  wapen  vooraan,  dat  het  eerst  in  werking  moet 
komen;  ieder  korps  is  op  zichzelf,  ieder  officier  marcheert  bij 
de  door  hem  aangevoerde  afdeeling;  geen  onnoodige  wagens  of 
voertuigen  zijn  gemengd  tusschen  de  verschillende  korpsen ;  ver- 
schijnt de  vijand  onverwachts,  dan  is  men  spoedig  in  staat  hem 
het  hoofd  te  bieden:  ieder  korps  trekt  zich  samen  in  geslotene 
colonne,  en  marcheert  naar  ddt  gedeelte  der  stelling  dat  aange- 
wezen wordt ;  —  dit  kan  wel  eens  eenigen  tijd  kosten,  wanneer, 
bij  lange  vermoeiende  marschen,  de  afstanden  tusschen  de  afdee- 
Hngen  wat  groot  zijn  geworden  en  er  eenige  wanorde  is  ont- 
staan; maar  spoedig  is  de  orde  hersteld  en  zijn  de  afstanden 
hernomen.  Bij  een  goed  geoefend  leger  van  ónzen  tijd  is  de 
overgang  van  den  marschvorm  lot  den  gevechtsvorm  niet  moeielijk 
en  vereischt  niet  veel  tijd. 

Dat  het  bij  de  legers  der  17e  eeuw  geheel  anders  moet  zijn 
geweest,  is  gemakkelijk  te  begrijpen,  wanneer  men  slechts  opmerkt 
hoe  die  legers  marcheerden.  Bij  de  hier  vermelde  marschen  van 
Condé  had  elke  colonne  hare  tenten  en  kampgoederen  geheel 
vooraan ;  een  stout  partijganger  kon  dus,  daarop  aanvallende,  die 
toen  zoo  noodzakelijke  voorwerpen  nemen  of  vernielen,  vóórdat 
de  nakomende  troepen  iets  konden  doen  om  dit  te  beletten.  Die 
troepen  zelve  marcheerden  met  een  volslagen  gemis  aan  orde, 
waarvan  wij  ons  moeielijk  een  denkbeeld  kunnen  maken:  de 
officieren  bekommerden  zich  niet  om  hunne  soldaten,  maar  gin- 
gen, in  een  groot  aantal  vereenigd,  zooals  het  hun  goeddacht; 
de  soldaten,  dit  behoeft  niet  gezegd  te  worden,  volgden  dit 
voorbeeld;  aan  een  bijeenblijven  der  manschappen  van  dezelfde 
pelotons  en  compagnieën,  aan  het  afzonderlijk  houden  dier  ver- 
schillende afdeelingen  werd  niet  in  het  minst  gedacht;  integen- 
deel, zelfs  de  regimenten  waren  dooreengemengd ;  en  dit  ging 
zóó  ver,  dat  men  een  zeventig  jaar  later,  bij  den  Oostenrijkschen 
Successie-oorlog,  bij  de  Fransche  legers  het  toppunt  van  orde 
meende  te  hebben  bereikt,  als  men  bij  een  marsch  zorgde  dat 
ten  minste  ieder  regiment  op  zichzelf  bleef.  Meestal  maakte  de 
geheele  colonne  bij  een  marsch  eene  verwarde,  dooreengemengde, 
zich  ver  uitbreidende  massa  uit,  die  zich  alleen  eenigszins  ordende 
bij  het  naderen  van  de  legerplaats  waar  de  marsch  zou  eindigen, 
of  wanneer  om   de  eene   of  andere  reden  een  opmarsch  moest 


Digitized  by 


Google 


32  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

plaats  hebben.  Het  behoeft  geen  betoog,  dat  zulk  een  opmarsch, 
zulk  een  in  slagorde  komen  eene  handeling  was  die  met  de 
grootste  moeielijkheden  ging  gepaard  en  veel  lijd  kostte.  Behoeft 
er  nog  meer  te  worden  gezegd  om  de  waarheid  te  betoogen 
van  het  hiervoren  beweerde,  dat  nooit  de  aanval  op  een  marchee- 
rend  leger  meer  gunstige  kansen  heeft  opgeleverd  dan  bij  de 
raarschen  van  de  legers  der  17e  eeuw;  het  is  vreemd,  dat  die 
aanvallen  daar  zoo  zelden  voorkomen:  eene  kleine  afdeeling 
welberadene  troepen,  met  bekwaamheid  aangewend,  zou  in  staat 
geweest  zijn  een  geheel  leger  in  verwarring  te  brengen. 

Condé  had  ten  minste  de  wijze  van  marcheeren  eenigszins 
verbeterd,  door  voor  te  schrijven,  dat  men  bij  de  colonne,  uit- 
gemaakt door  de  voertuigen  der  artillerie  en  de  bagage,  daar 
waar  de  breedte  van  den  weg  dit  toeliet,  met  twee  of  drie  voer- 
tuigen naast  elkander  zou  marcheeren.  Bij  latere  oorlogen,  zegt 
Beaurain,  week  men  weer  af  van  dit  goede  voorschrift,  en  liet 
men  nooit  meer  dan  één  voertuig  in  front  marcheeren,  al  gaf 
de  weg  gelegenheid  om  er  twee  of  drie  naast  elkander  te  heb- 
ben. Maar  al  werd,  door  dit  goede  voorschrift  van  den  Fran- 
schen  veldheer,  de  lengte  van  den  wagentrein  eenigszins  be- 
kort, toch  ging  die  trein  langzaam  voort,  en  dwong  daardoor 
ook  de  andere  colonnen  om  traag  te  marcheeren. 

Wat  ook  veel  oponthoud  en  tijdverlies  teweegbracht  bij  de 
toenmalige  oorlogsmarschen,  dat  was  de  dwaze  gewoonte  om 
er  aan  te  hechten,  dat  in  de  kampen  ieder  korps  juist  die  plaats 
innam,  welke  hel  vast  was  toegewezen  in  de  slagorde.  Het  ge- 
beurde soms,  dat  de  troepen  die  in  de  slagorde  den  rechter- 
vleugel hadden,  na  het  einde  van  een  marsch  aan  de  linkerzijde 
aankwamen  van  het  kamp  dat  men  wilde  betrekken;  en  omge- 
keerd de  troepen  van  den  linkervleugel  aan  de  rechterzijde  van 
het  kamp.  Dan  moesten  die  beide  colonnen,  om  hunne  plaats 
in  de  slagorde  in  te  nemen,  nog  de  geheele  frontlengte  van  het 
kamp  afleggen,  omwisselen,  elkander  kruisen;  wat,  in  aanmerking 
genomen  dat  het  colonnen  waren  van  10,  15,  20000  man,  eenige 
uren  tijds  deed  verliezen.  Het  was  zeker  oneindig  beter  geweest 
iedere  colonne  dddr  te  laten  kampeeren  waar  zij  aankwam,  zon- 
der op  de  plaats  in  de  slagorde  te  letten;  maar  dan  had  de 
rechter-  op  de  plaats  van  den  linkervleugel  gestaan,  en  deze 
was  op  de  plaats  van  den  rechter  gekomen;  en  zulk  eene  omwis- 
seling zou  toen  voor  ieder  een  ongehoord  iets  zijn  geweest;  — 
eiét  révolte  torn  les  esprits^  zegt  Beaurain. 

Zijn  wij  thans  geheel  vrij  van  zulke  dwaze  opvattingen  ?  — 
Het  is  nog  zoo  lang  niet  geleden,  dat  een  bataljons  commandant 
der  infanterie  zou  meenen  dat  de  wereld  ten  einde  liep,  als,  in 
de  slagorde,  de  derde  compagnie  rechts  van  de  tweede  kwam 
te  staan,  in  plaats  van  links. 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN  IN   DE   NEDERLANDEN.  33 

Hoezeer  de  marschen  's  ochtends  vroeg  begonnen,  en  de  sol- 
daat, uitgeput  van  vermoeienis,  eerst  met  het  vallen  van  den 
avond  het  nieuwe  legerkamp  bereikte,  werd  er  evenwel  iederen 
dag  slechts  een  geringe  afstand  afgelegd.  De  volgreeks  der  dag- 
marschen  zal  dit  aantoonen.  Den  1 2en  Mei  gaat  men  van  Doornik 
op  Leuse,  den  i3eii  van  Leuse  op  Lens;  dit  zijn,  beide,  mar- 
schen van  een  drie  uur  gaans.  £erst  wil  Condé  den  i4en  rustdag 
houden  bij  Lens;  maar  hij  ziet  daarvan  af,  omdat  de  bij  het 
Fransche  leger  plaats  hebbende  desertie  het  onraadzaam  maakt 
om  in  de  nabijheid  te  blijven  van  de  vijandelijke  vesting  Mons. 
De  marsch  wordt  dus  den  i4cn  voortgezet  op  Ville-sur-Haine, 
—  een  marsch  van  twee  uur  gaans;  den  i5en  op  Merlauwelz, 
den  i6en  op  Thiméon.  Ieder  van  die  beide  laatste  marschen  kan 
men  op  niet  meer  stellen  dan  op  een  drie  uur  gaans;  toen 
echter  hebben  die  vijf  achtereenvolgende  marschen  —  ieder  van 
twee  of  drie  uren  gaans!  — het  leger,  en  vooral  de  ruiterij,  zoo- 
zeer vermoeid,  dat  men  den  lyen  te  Thiméon  rustdag  moet 
houden.  Men  maakt  daarvan  gebruik  om  nieuwen  voorraad  van 
levensmiddelen  te  doen  komen  van  Charleroi,  waar  men  tot  dat 
einde  brood  had  doen  bakken.  Den  i8en  marcheert  men  op 
Gemblours,  een  afstand  van  drie  uur;  den  I9en  irekt  men  op 
Avesnes-sur-Méhaigne,  en  den  2ostcn  op  Freren;  beide  marschen 
waren  voor  dien  tijd  zeer  groot,  en  kunnen  ieder  op  een  vijf 
uur  gaans  gesteld  worden.  Den  21  sten  houdt  men  dan  ook  weer 
rustdag;  en  den  22stcn  marcheert  men  van  Freren  naar  den 
Sint  Pietersberg,  niet  meer  dan  drie  uur  gaans. 

Men  ziet  dus  welk  een  onmetelijk  verschil  er  bestaat  tusschen 
den  slakkengang  der  legers  van  de  17e  eeuw  en  de  verbazende 
snelheid  waarmede  Napoleon  zijne  talrijke  legerscharen  wist  te 
bewegen. 

Maar  —  wordt  soms  aangemerkt  —  wanneer  de  hedendaagsche 
legers  zich  zooveel  sneller  bewegen,  dan  geschiedt  dit  ten  koste 
van  de  landstreek  waar  de  oorlog  wordt  gevoerd ;  die  landstreek 
wordt  door  zulke  marschen  geweldig  gedrukt  en  geteisterd;  bij 
de  langzame  bewegingen  van  de  legers  der  vroegere  eeuwen 
voerden  die  legers  met  zich  mede  alles  wat  zij  noodig  hadden 
voor  hun  onderhoud;  de  landstreek  behoefde  het  niet  op  te 
brengen;  zij  leed  daardoor  niet;  orde  en  krijgstucht  bleven  beter 
bewaard. 

Ook  die  bewering  is  onjuist ;  en  ook  dét  voordeel  dat  men  de 
vroegere,  langzamere  wijze  van  oorlogvoeren  wil  toeschrijven,  is 
denkbeeldig. 

Wij  stemmen  toe,  dat  bij  de  nieuwere  oorlogen  de  landstreek 
waar  een  leger  snelle  marschen  verricht,  wel  eens  daardoor  lijdt; 
maar  dit  hangt  grootendeels  af  van  de  bevelhebbers;  daar  waar 
deze  goede   maatregelen   nemen,  kunnen  zij  het  onderhoud  van 

WILLEM  rrr,  —  II.  -? 


Digitized  by 


Google 


34  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

hunne  troepen  verzekeren,  zonder  dat  de  krijgstucht  wordt  ver- 
broken, zonder  dat  de  landzaat  wordt  gedrukt  of  mishandeld. 
Snelle  marschen,  snelle  doortochten  zullen  over  het  algemeen 
eene  landstreek  minder  uitputten  dan  wanneer  een  leger,  zich 
langzaam  bewegende,  langen  tijd  in  hetzelfde  gewest  blijft.  De 
langzaamheid,  waarmede  Condé's  leger  zich  bewoog,  waarborgde 
bij  dat  leger  in  geenen  deele  het  behoud  van  orde  en  krijgstucht ; 
integendeel,  men  vindt  vermeld  dat  die  krijgsmacht  in  dit  op- 
zicht zeer  veel  te  wenschen  overliet.  Het  gebrek  aan  krijgstucht 
was  —  volgens  Beaurain  —  bovenmate  groot,  en  de  desertie 
niet  minder ;  als  een  bewijs  van  het  eerste  haalt  hij  aan,  dat,  bij 
den  marsch  van  den  i6en  van  Merlau wel z  naar  Thiméon,  Fransche 
soldaten  een  dorp  en  de  woning  eens  edelmans  geheel  uitplun- 
derden  en  vernielden,  in  weerwil  van  eene  veiligheidswacht 
{sauvegardé)^  door  Condé  daar  geplaatst.  Die  veldheer  deed  een 
der  plunderaars  ophangen,  en  aan  het  geheele  leger  een  dag 
soldij  inhouden,  om  de  schade  der  geplunderden  te  vergoeden. 

Wij  hervatten  nu  het  verhaal  der  krijgsverrichtingen,  na  die 
uitweiding,  die  noodig  was  om  beter  door  ie  dringen  in  den 
geest  der  toenmalige  oorlogsvoering  en  de  handelingen  der  vroe- 
gere veldheeren  te  kunnen  begrijpen  en  met  juistheid  te  beoor- 
deelen.  Wat  ook  verminderd  of  verbasterd  zij,  stellig  niet  de 
krijgskunst;  wij  overtreffen  daarin  verreweg  onze  voorgangers; 
vooral  in  ddt  gedeelte  der  kunst  dat  betrekking  heeft  op  de 
marschen  en  bewegingen  des  legers:  de  meest  langzame  en  orde- 
looze  marsch  uit  Napoleons  tijd  zou  in  de  dagen  van  Condé  en 
Turenne  geprezen  zijn  als  een  meesterstuk  van  orde  en  snelheid. 
Dat  dit  grootendeels  is  te  wijten  aan  de  verschillende  samenstel- 
ling des  legers,  is  reeds  vroeger  aangetoond. 

Gedurende  den  opmarsch  van  Condé  naar  Maastricht,  had 
De  Bellefonds  zich  beziggehouden  met  de  belegering  der  kas- 
teelen  van  Argenteau  en  van  Navagne;  twee  kleine  sterkten, 
maar  niet  zonder  belang,  omdat  zij,  tusschen  Maastricht  en  Luik 
liggende,  de  vaart  op  de  Maas  tusschen  die  beide  steden  be- 
heerschten.  De  nabijheid  van  Maastricht  stelde  den  Franschen 
veldheer  in  de  gelegenheid  om  gemakkelijk  belegeringsgeschut 
voor  die  sterkten  te  brengen.  Na  een  paar  dagen  rustens  te 
Valkenburg  stelde  de  Bellefonds  zich  den  isen  Mei  in  bewe- 
ging; en  den  volgenden  dag  kwam  eene  afdeeling  van  zijn  leger, 
met  twee  24-ponders  en  één  mortier,  voor  Argenteau.  Dit  slot 
was  alleen  sterk  door  zijne  ligging  op  een  steile  rots,  en  door 
de  zware  muren  die  het  omgaven;  maar  de  bezetting  was  zeer 
zwak,  —  ten  minste  volgens  Valkenier,  die  haar  op  slechts 
40  man  stelt ;  Beaurain  begroot  haar  echter  op  bij  de  200  man. 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN   IN   DE  NEDERLANDEN,  3,5 

Op  den  avond  van  den  lóen  Mei  werd  het  geschutvuur  des  aan- 
vallers tegen  Argenteau  geopend;  dit  vuur  werd  voortgezet  gedu- 
rende den  nacht  en  den  ganschen  dag  van  den  1760.  's  Avonds 
had  er  eene  opeisching  plaats,  met  bedreiging  aan  den  Spaan- 
schen  bevelhebber,  dat  men  hem  zoude  ophangen,  wanneer  hij 
eene  bestorming  van  de  bres  durfde  afwachten.  Die  wijze  van 
handelen,  onridderlijk  als  zij  was,  had  evenwel  ddt  gevolg,  dat 
zij  de  overgave  bespoedigde;  de  Spaansche  bevelhebber,  ver- 
schrikt door  de  gedane  bedreiging,  sloot  nog  dien  nacht  eene 
capitulatie,  en  legde  met  zijne  bezetting  de  wapens  neer. 

Toen  gold  het  Navagne,  een  regelmatig  versterkten  vierhoek, 
volgens  Beaurain  bezet  door  een  4  k  500  Spanjaarden;  onze 
schrijvers  brengen  die  sterkte  terug  tot  op  een  300  man.  Hier 
had  een  geregeld  beleg  plaats,  en  er  werd  een  vrij  aanmerkelijke 
artillerie  tegen  de  aangevallen  sterkte  gebezigd:  die  artillerie 
bestond  uit  10  24- ponders,  3  mortieren  en  18  veldstukken.  Den 
lyen  Mei  wordt  Navagne  op  den  rechteroever  der  Maas  berend ; 
den  i8en  komt  De  Bellefonds  met  de  hoofdmacht  zijns  legers 
voor  de  vesting,  verschanst  zich,  om  elke  poging  tot  ontzet  tegen 
te  gaan,  en  doet  het  belegeringsgeschut  in  batterij  komen;  den 
volgenden  dag  worden  de  loopgraven  geopend  en  begint  een 
hevig  vuur  op  de  vesting.  De  wederstand  van  de  Spanjaarden 
was  zeer  goed,  en  werd  voortgezet  tot  den  2  2sten  Mei,  toen  de 
komst  van  Condé  op  den  linkeroever  van  de  Maas,  tegenover 
Navagne,  hun  de  overtuiging  gaf,  dat  er  aan  geen  ontzet  viel  te 
denken.  Zij  traden  toen  in  onderhandeling  met  de  Fransche 
legerhoofden,  die  als  voorwaarde  van  de  overgave  stelden,  dat 
de  bezetting  krijgsgevangen  moest  blijven ;  dit  werd  echter  stand- 
vastig geweigerd  door  den  Spaanschen  bevelhebber;  en  Condé, 
die  niet  meer  tijd  wilde  verliezen  mei  dit  beleg,  stond  aan  de 
bezetting  van  Navagne  een  vrijen  uittocht  toe,  met  wapens  en 
krijgseer,  naar  Leuven. 

Argenteau  en  Navagne  bleven  nog  eenigen  tijd  bezet  door  de 
Franschen;  maar  d'Estrades,  de  bevelhebber  van  Maastricht,  deed 
in  Juni  de  vestingwerken  van  Argenteau  springen,  in  Juli  die  van 
Navagne  slechten,  en  trok  de  daar  aanwezige  troepen  en  krijgs- 
voorraad  tot  zich,  in  Maastricht. 

Te  Eysden,  een  kwartieruurs  beneden  Navagne,  was  reeds  den 
iScD  Mei  door  de  Franschen  een  schipbrug  geslagen  over  de  Maas; 
den  23stcD  ging  het  leger  van  De  Bellefonds  daarover,  en  voegde 
zich  op  den  linkeroever  bij  dat  van  Condé.  De  vereenigde  krijgs- 
macht —  zegt  Beaurain  —  moest  toen  een  60000  man  zijn,  maar 
telde  er  inderdaad  nog  geen  50  000 ;  —  zoozeer  waren  beide  legers 
verzwakt,  door  desertie,  door  zieken,  door  achterblijvers. 


Digitized  by 


Google 


36  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Die  vermindering  komt  ons  verbazend  voor.  Immers  was,  vol- 
gens denzelfden  schrijver,  Condé's  leger  bij  Doornik,  den  loeu 
Mei,  45000  man  sterk;  en  kwam  De  Bellefonds,  den  i2en  Mei, 
met  22000  man  te  Valkenburg.  Laatstgenoemde  veldheer  zendt 
een  paar  Keulsche  regimenten  naar  Maastricht,  maar  neemt  in 
de  plaats  daarvan  ook  weer  Zwitsersche  en  Fransche  troepen 
uit  die  vesting  bij  zijn  leger;  de  belegeringen  van  Argenteau  en 
Navagne  veroorzaken  geen  noemenswaardige  verliezen ;  de  daar 
achtergelaten  bezettingen  kunnen  ook  geen  groote  getalsterkte 
hebben  uitgemaakt,  en  zijn  mogelijk  van  de  bezetting  van  Maas- 
tricht genomen;  Condé  heeft  bij  zijn  opmarsch  naar  de  Maas 
nergens  gevechten  behoeven  te  leveren :  —  men  zou  dus  zeggen, 
dat  door  de  vereeniging  der  beide  Fransche  legers  eene  macht 
moest  ontstaan  van  ten  minste  60000  man,  en  toch  bedraagt  die 
macht  er  nog  geen  50000!  Dat  korie  tijdvak  van  10  tot  22  Mei, 
dat  kleine  gedeelte  van  den  veldtocht,  waarin  eigenlijk  niets 
.noemenswaardigs  is  gebeurd,  heeft  dus  het  Fransche  leger  reeds 
meer  dan  10  000  man  gekost,  het  zesde  gedeelte  der  geheele 
sterkte!  Men  ziet  hieruit,  dat,  bij  die  kleine,  langzame  marschen, 
een  leger  niet  minder  verloor  aan  zieken  en  achterblijvers  dan 
bij  de  krachtige  oorlogen  van  onzen  tijd. 

Evenwel  moeten  wij  daarbij  opmerken,  dat  in  die  tijden  de 
desertie  gewoonlijk  het  sterkst  was  bij  het  begin  van  een  veld- 
tocht; een  groot  gedeelte  van  de  toenmalige  soldaten  voerde 
niet  vrijwillig  de  wapens,  maar  was  daartoe  gebracht  door  dwang 
of  door  misleiding,  en  maakte  dus  gebruik  van  de  eerste  gele- 
genheid, die  zich  bij  het  begin  van  een  veldtocht  aanbood,  om 
de  gelederen  te  verlaten. 

Condé,  de  Maas  willende  verlaten  en  stelling  nemen  nabij 
Charleroi,  breekt  den  25sten  Mei  zijn  kamp  op,  op  den  Sint 
Pieiersberg,  en  trekt,  met  kleine  marschen,  naar  Thiméon,  waar 
hij  den  agsteu  aankomt  en  een  kamp  opslaat,  ongeveer  anderhalf 
uur  ten  noorden  van  Charleroi.  Wij  noemen  die  marschen  klein, 
en  zullen  dit  aantoonen  door  de  opgave  van  de  afstanden :  den 
25sten  gaat  de  raarsch  van  Lichtenberg  op  Freren,  drie  uren 
gaans;  den  aósien  op  Hologne,  drie  uren;  den  aysten  op  Neu- 
ville-sur-Méhaigne,  vijf  uren;  den  aSsten  op  Gemblours,  twee  uren; 
den  QQsien  op  Thiméon,  drie  uren;  —  in  het  geheel  zestien 
uren  afstands,  in  v  ij  f  dagen  tijds.  —  Toch  zegt  Beaurain,  dat  de 
troepen,  en  vooral  de  ruiterij,  rust  noodig  hadden,  daar  men 
sedert  den  i ^en  Mei  bijna  onafgebroken  had  gemarcheerd ; 
de  infanterie  —  voegt  hij  er  bij  —  was  zeer  goed  {étaif  tres 
bellé)^  maar  de  ruiterij  was  in  een  zeer  slechten  toestand;  de 
marschen  van  de  maand  Mei  hadden  haar  bedorven,  en  in  het 
begin   van  Juni  had  ieder  eskadron  gemiddeld  slechts  een  hon- 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN   IN   DE   NEDERLANDEN.  37 

derd  paarden  beschikbaar.  Daarom  besloot  Condé  eenigen  tijd 
in  het  kamp  van  Thiméon  te  verblijven;  zijne  troepen  konden 
daar  uitrusten ;  de  nabijheid  van  Charleroi  begunstigde  den  aan- 
voer van  levensmiddelen ;  en  de  centrale  stelling  die  het  Fransche 
leger  daar  bezette^  maakte  het  gemakkelijk  om  in  alle  richtingen 
op  te  rukken,  en  elke  onderneming  des  vijands  tegen  te  gaan. 

Tot  den  Ssten  Juni  bleef  het  Fransche  leger  in  het  kamp  van 
Thiméon. 

Het  moet  den  lezer  opgevallen  zijn,  dat,  terwijl  Willem  III  op 
het  einde  van  1673  met  zooveel  on  vermoeidheid  trachtte  Luxem- 
bourg's  aftocht  van  Maastricht  naar  Frankrijk  te  beletten,  de 
aftocht  van  het  leger  van  De  Bellefonds  en  de  vermeestering 
van  Argenteau  en  Navagne  in  het  voorjaar  van  1674,  van  de 
zijde  der  bondgenoolen  bijna  geen  beletselen  ondervonden.  Terecht 
merkt  Beaurain  op,  dat  men  de  schuld  van  die  werkeloosheid 
niet  moet  wijten  aan  den  Stadhouder,  maar  wel  aan  den  aard 
der  door  hem  aangevoerde  legermacht.  Die  legermacht  zou  be- 
staan uit  Hollandsche,  uit  Spaansche  en  uit  Keizerlijke  troepen; 
en  wanneer  al  aan  Willem  III  het  opperbevel  was  opgedragen  over 
die  vereenigde  macht,  dan  zal' men  toch  spoedig  zien,  hoe  be- 
perkt dat  opperbevel  en  hoe  moeielijk  het  was  om  eenige  over- 
eenstemming te  brengen  in  de  inzichten  van  de  verschillende  be- 
velhebbers. Maar  zelfs  met  de  Hollandsche  legermacht  alleen 
was  de  Stadhouder  niet  in  staat,  spoedig  genoeg  te  velde  te 
komen  om  den  aftocht  van  De  Bellefonds  te  verhinderen,  of 
Navagne  en  Argenteau  te  ontzetten. 

Eenmaal  te  velde  zijnde,  had  de  Stadhouder  eene  bijna  onbe- 
paalde macht  over  zijn  leger;  —  maar  het  kostte  veel  moeite, 
eer  men  zoover  was  dat  het  leger  te  velde  kwam;  en  de  mid- 
delen om  dit  te  bewerkstelligen  stonden  niet  geheel  in  de  macht 
van  den  Stadhouder.  Bovendien,  de  Hollandsche  en  gedeeltelijk 
ook  de  Spaansche  troepen,  waren  tot  in  de  maand  Januari  1674 
te  velde  geweest,  en  hadden  dus  tijd  noodig  om  uit  te  rusten 
en  hunne  verliezen  te  herstellen.  Vooral  de  Hollandsche  ruiterij 
had  door  het  oorlog  voeren  in  het  slechte  jaargetijde  veel  ver- 
loren; en  het  was  dus  onmogelijk  om  daarmede  vroeg  te  velde 
te  komen.  De  verschillende  Hollandsche  bevelhebbers  hadden 
dan  ook  slechts  den  last  om  te  zorgen  dat  tegen  den  isten  Mei 
hunne  troepen  weer  voltallig  waren. 

In  de  eerste  dagen  van  Mei  trekt  het  Hollandsche  leger  samen 
in  de  omstreken  van  Bergen  op  Zoom.  De  Stadhouder,  den  1  len 
Den  Haag  verlatende,  komt  bij  het  leger,  monstert  het  den  1300 
en  rukt  er  toen  Braband  mede  in;  den  i7cn  neemt  de  vorst  zijn 
hoofdkwartier  te  Duffel,  terwijl  zijne  troepen  verdeeld  worden  in 


Digitized  by 


Google 


38  KRUGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

kwartieren  tusschen  Antwerpen  en  Leuven.  Wanneer  men  zich 
herinnert,  dat  op  dienzelfden  dag  De  Bellefonds  voor  Navagne 
kwam  en  Condé  te  Thiméon  stond  nabij  Charleroi,  en  dat  vijf 
dagen  later  de  legers  dier  beide  veldheeren  zoogoed  als  ver- 
eenigd  waren,  dan  'ziet  men,  dat  het  den  Stadhouder  onmogelijk 
was  die  vereeniging  te  beletten,  of  Navagne  te  hulp  te  komen. 

Bovendien,  al  werd  den  i7en  Mei  Duffel  bereikt,  zoo  wil  dit 
nog  niet  zeggen,  dat  het  geheele  Hollandsche  leger  aldaar  aan- 
wezig was:  een  gedeelte  van  het  geschut  was  nog  achter,  en  er 
moesten  nog  nieuwe  manschappen^  nieuwe  paarden,  en  krijgs- 
benoodigdheden  aankomen.  Spoedig  echter  ontving  men  dit 
alles;  en  het  leger  moet  toen  eene  sterkte  hebben  gehad,  die 
vrij  algemeen  op  een  30000  man  wordt  geschat.  De  opgaven 
van  de  verschillende  schrijvers  zijn  daaromtrent  niet  zeer  uit- 
eenloopend: Beaurain  begroot  die  sterkte  op  30000  man,  de 
Nieuwe  Mercurius  op  31000,  Sylvius  op  18000  man  voet- 
volk en  8000  man  ruiterij,  Valkenier  op  16000  man  voetvolk 
en  8000  ruiters;  laatstgenoemde  schrijver  zegt  echter,  dat  het 
Hollandsche  leger  omstreeks  half  Juli  een  30  000  man  sterk  was, 
bestaande  uit  32  regimenten  voetvolk,  26  regimenten  ruiterij  en 
2000  dragonders;  —  eene  opgave,  vrijwel  overeenkomende  met 
een  staat  der  sterkte  en  samenstelling  van  het  Hollandsche  leger, 
die  men  in  de  Nieuwe  Mercurius  vindt.  Het  leger  was  over  het 
geheel  in  een  zeer  goeden  toestand;  maar  de  ruiterij  beter  dan 
het  voetvolk,  waarbij  veel  nieuwe  manschappen  waren.  Naar  de 
gewoonte  dier  tijden  had  men  een  menigte  goederen,  en  ook 
vrouwen,  bij  het  leger;  een  nasleep  die,  zoolang  men  in  Holland 
was,  langs  de  rivieren  en  kanalen  gemakkelijk  kon  worden  ver- 
voerd ;  maar  die  zeer  belemmerend  moest  worden,  daar  waar  het 
vervoer  te  water  ophield. 

Oranje  begaf  zich  den  i8en  Mei  naar  Mechelen,  waar  hij  Mon- 
terey,  den  Spaanschen  landvoogd,  vond;  in  die  samenkomst 
werd  nog  de  vraag  gesteld,  of  het  raadzaam  zou  zijn  op  te  ruk- 
ken ter  hulp  van  Navagne,  maar  met  reden  geoordeeld,  dat  het 
hiertoe  de  tijd  niet  meer  was,  en  dat  het  Hollandsche  leger  zich 
door  dat  oprukken  slechts  nutteloos  zou  blootstellen  aan  een 
ongelijk  gevecht.  Want  van  de  hulp  der  Spanjaarden,  ontdekte 
men  spoedig,  viel  niet  veel  te  verwachten;  al  de  inspanningen 
van  Monterey  hadden  niet  meer  vermocht,  dan  bij  Brussel  en 
Leuven  eene  legermacht  te  vereenigen,  door  Beaurain  op  een 
15000  man  begroot,  door  onze  schrijvers  op  slechts  12000;  — 
het  overige  was  weggenomen  door  het  groot  aantal  vestingen. 
Men  rekende  dus  de  kansen  te  ongelijk  om  Condé  een  veldslag 
te  leveren ;  en  men  besloot  dus  de  troepen  vooreerst  nog  te  laten 
uitrusten  in  hunne  kwartieren.  —  De  Stadhouder,  die  den  sasten  Mei 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN   IN   DE  NEDERLANDEN.  39 

Brussel  had  bezocht  en  daar  met  groote  eerbewijzingen  was 
ontvangen,  keerde  daarop  terug  naar  Duffel;  hij  hield  zich  toen 
onledig  met  de  oefening  der  nieuwe  manschappen  van  zijn  leger. 
Sylvius  vermeldt,  dat,  bij  den  opmarsch  van  het  HoUandsche 
leger,  de  hertog  van  Holstein  vooruit  werd  gezonden  met  een 
ruiterafdeeling,  om  berichten  in  te  winnen  van  het  vijandelijke 
leger,  en  dat  het  dien  bevelhebber  gelukte  eene  afdeeling  Fransche 
ruiterij  te  verslaan,  en  loo  ruiters  gevangen  te  nemen  ^  —  andere 
schrijvers  zwijgen  echter  van  dit  voordeel. 

Het  derde  leger  der  bondgenooten  dat  in  De  Nederlanden 
werkzaam  zou  zijn,  was  het  Keizerlijke  leger,  dat  het  jaar  te 
voren 'onder  Monte  Cuculi  tot  de  vermeestering  van  Bonn  had 
medegewerkt  en  daarna  winterkwariieren  had  betrokken  aan  den 
beneden-Rijn,  op  de  beide  oevers  van  dien  stroom.  Aanvankelijk 
had  Bournonville  het  bevel  over  die  krijgsmacht;  in  het  laatst 
van  Mei  werd  hij  daarin  vervangen  door  De  Souches.  De  op- 
marsch van  De  Bellefonds  deed  de  Keizerlijke  troepen  hunne 
kwartieren  verlaten,  en  zich  samentrekken  te  Lechenich,  nage- 
noeg op  gelijken  afstand  van  Keulen  en  van  Bonn;  den  i8cn 
Mei  had  hier  de  vereeniging  plaats  van  het  leger,  dat  volgens 
onze  schrijvers  25000,  volgens  Beaurain  27000  man  telde.  De 
ruiterij  was,  zooais  gewoonlijk  de  Duilsche  ruiterij,  zeer  goed: 
ook  talrijk:  zij  telde  15000  man.  Het  leger  was  weer  overladen 
met  een  overgrooten  wagentrein,  en  met  volgelingen  van  allerlei 
aard;  men  had  daarbij  —  wat  nauwelijks  is  te  gelooven  —  niet 
minder  dan  zesduizend  vrouwen.  Ordeloosheid,  plundering  en 
roof  waren  de  onvermijdelijke  gevolgen  van  zulk  eene  samen- 
stelling. 

Bournonville,  van  Lechenich  opgerukt,  was  De  Nederlanden 
genaderd,  en  had  den  2  2sten  stelling  genomen  tusschen  Limburg 
en  Verviers.  Het  was  te  laat  om  Navagne  te  ontzetten ;  —  maar 
toen  de  Fransche  legermacht  de  Maas  had  verlaten  en  naar  de 
zijde  van  Charleroi  trok,  spoorde  Willem  III  den  Keizerlijken 
bevelhebber  aan  om  Navagne  en  Argenteau  te  hernemen  of  zich 
in  het  bezit  te  stellen  van  de  stad  Luik;  —  het  was  er  den 
Stadhouder  vooral  om  te  doen,  het  Duitsche  leger  op  den  lin- 
keroever van  de  Maas  te  doen  komen,  en  daardoor  de  vereeni- 
ging te  verzekeren  van  die  krijgsmacht  met  de  HoUandsche  en 
Spaansche  legers. 

Bournonville,  die  naar  het  schijnt  tot  voorschrift  had,  zijn 
leger  zoo  weinig  mogelijk  aan  nadeelen  bloot  te  stellen,  deed 
hoegenaamd  niets;  en  zijn  opvolger.  De  Souches,  gaf  bij  zijne 
komst  —  28  Mei  —  dadelijk  bevel  dat  het  leger  terug  zoude 
keeren  naar  de  Roer.  Hier  betrok  het  weer  kantonnementen,  die 
grootendeels  op  den  rechteroever  dier  rivier  waren,  en  zich  uit- 


Digitized  by 


Google 


40  KRIjGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

breidden  tusschen  Duren  en  Lechenich;  er  werden  afdeelingen 
vooruitgeschoven,  aan  de  eene  zijde  naar  den  Moezel,  aan  de 
andere  zijde  naar  de  Maas,  tot  nabij  Roermond;  hierdoor  werd 
de  vijand  in  het  onzekere  gelaten  aangaande  de  voornemens  van 
den  Keizerlijken  aanvoerder,  —  wat  te  gemakkelijker  is,  wanneer, 
zooals  hier,  die  aanvoerder  zelf  nog  niet  weet  wat  hij  voor- 
nemens is  te  doen,  —  Het  Duitsche  leger  bleef  tot  half  Juni  in 
die  kantonnementen. 

Telt  men  de  getalsterkte  van  de  drie  legers  der  bondgenooten 
te  zamen,  dan  vindt  men  in  De  Nederlanden  eene  legermacht 
van  omstreeks  70000  man;  eene  macht,  voor  de  oorlogen  van 
dien  tijd  zeer  aanzienlijk.  Maar  men  moet  daarbij  in  het  oog 
houden,  dat  die  legers  zulk  eene  sterkte  hadden  bij  het  begin 
van  den  veldtocht;  de  vermoeienissen  der  raarschen  en  de 
desertie  zouden  zeer  spoedig  die  sterkte  doen  verminderen :  men 
heeft  gezien,  dat  de  legers  van  De  Bellefonds  en  Condé  in  de 
eerste  twee  weken  dat  zij  te  velde  waren,  meer  dan  tiendui- 
zend man  verloren.  Een  dergelijk  verlies  stond  ook  den  bond- 
genooten te  wachten ;  en  daarna  zou  dan  hunne  overmacht  over 
het  Fransche  leger  zeer  onbeduidend  zijn,  vooral  wanneer  men 
in  aanmerking  neemt,  dat  de  militaire  waarde  van  de  Fransche 
troepen,  over  het  geheel  genomen,  die  van  de  troepen  der 
bondgenooten  overtrof.  Toch  lijdt  het  geen  twijfel,  dat  wanneer 
de  drie  legers  vereenigd  waren  geweest  en  Willem  III  de  vrije 
beschikking  daarover  had  gehad,  de  Stadhouder  zou  zijn  over- 
gegaan tot  een  krachtige,  aanvallende  oorlogsvoering;  dat  hij 
dan  het  vijandelijke  leger  zou  hebben  opgezocht,  slag  geleverd, 
en,  overwinnaar,  Frankrijk  zou  zijn  binnengedrongen,  om  daar, 
in  verband  met  de  voorgenomen  landing,  met  de  verstandhouding 
vroeger  vermeld,  en  met  de  Duitsche  legers  die  den  Rijn  zouden 
overtrekken,  den  vijand  beslissende  slagen  toe  te  brengen,  en  tot 
een  nadeeligen  vrede  te  dwingen. 

Maar  hoe  geheel  anders  was  de  toestand  van  zaken,  en  hoe 
verschillend  van  wat  de  ongeduldige,  vurige  geest  des  Stadhou- 
ders wenschte!  De  bondgenooten  hadden  in  De  Nederlanden, 
niet  een  leger,  maar  drie;  en  mocht  de  aanvoerder  van  het 
Hollandsche  heir  naar  de  spoedige  vereeniging  dier  drie  leger- 
machten streven,  de  beide  andere  aanvoerders  hadden  geheel 
andere  inzichten  en  waren  er  op  uit  om  zoo  lang  mogelijk  ge- 
scheiden te  blijven,  ten  einde  zoo  lang  mogelijk  zei  ven  het 
opperbevel  te  kunnen  voeren.  Het  kostte  de  grootste  moeite  om 
die  zoo  noodzakelijke  vereeniging  te  bewerkstelligen;  onderhan- 
delingen zonder  einde,  inschikkelijkheden  zonder  tal  waren  daar- 
toe noodig;  en  een  goed  gedeelte  van  den  zomer  verliep,  alvorens 
men  daartoe  kwam. 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICUTJNGEN   I>ï   DE  NEDERLANDEN.  41 

Maar  zelfs  na  die  vereeniging  was  het  er  verre  van  verwijderd, 
dat  de  Stadhouder  over  het  leger  der  bondgenooten  die  vrije 
beschikking  had,  die  ieder  veldheer,  wil  het  goed  zijn,  moet 
hebben.  Monterey  en  De  Souches  waren,  als  raen  wil,  onderbe- 
velhebbers van  Oranje;  maar  onderbevelhebbers,  die  men  moest 
ontzien,  die  men  moest  raadplegen,  van  wie  men  zwarigheden, 
tegenwerpingen,  en  —  zooals  de  uitkomst  heeft  bewezen  —  open- 
lijken tegenstand  had  te  wachten ;  zij  stonden  aan  het  hoofd  der 
legermachten  van  bondgenooten,  wier  vriendschap  men  op  prijs 
moest  stellen;  zij  hadden  voorschriften  van  hunne  vorsten;  zij 
beriepen  zich  gedurig  op  de  verantwoording,  hun  daardoor  op- 
gelegd. 

Bovendien,  zij  —  mannen  van  jaren  en  van  ondervinding,  in 
staats-  en  krijgszaken  grijs  geworden  —  konden  zich  moeielijk 
voorstellen,  dat  een  jonge  vorst,  pas  den  mannelijk  en  leeftijd 
ingetreden,  verstand  en*  bekwaamheid  genoeg  had,  om,  alleen, 
aan  het  hoofd  te  staan  van  zulk  een  machtig  leger,  en  tegen 
«en  zoo  geduchten  vijand  de  krijgs verrichtingen  te  besturen.  Er 
kon  een  heldengeest  zijn  in  dien  jongen  vorst;  hij  kon  bekwaam- 
heid hebben;  maar  toch,  ondervinding  moest  hem  ontbreken; 
hij  was  jong,  hij  moest  geleid  en  bestuurd  worden;  —  700  zul- 
len de  Spaansche  en  Duitsche  bevelhebbers  over  Willem  III 
hebben  geoordeeld.  Want  ddt  is  de  vloek  die  op  het  Genie 
rust,  dat  het  lal  van  jaren  noodig  heeft  om  zich  door  de  mid- 
delmatigheid te  doen  erkennen;  zijne  stoutste  ingevingen  vinden 
geen  weerklank,  juist  omdat  zij  zoozeer  afwijken  van  het  gewone, 
van  het  alledaagsche,  van  het  door  de  regels  vastgestelde;  na 
jaren,  ja,  dan  zal  men  de  juistheid  en  grootheid  dier  ingevingen 
beseffen;  maar  voor  het  oogenblik  worden  zij  beschouwd  als 
halve  ongerijmdheden,  die  iedereen  zich  gerechtigd  waant  te  be- 
rispen en  af  te  keuren;  men  beroept  zich  dan  op  zijne  meerdere 
jaren,  op  zijne  meerdere  ondervinding;  —  Bonaparte  was  reeds 
de  veroveraar  van  Lombardije,  toen  toch  een  Augereau  het  nog 
waagde,  zich  als  zijn  raadsman  op  te  werpen! 

De  billijkheid  vordert  echter,  te  zeggen,  dat  Willem  III  veel 
meer  kon  rekenen  op  de  medewerking  van  den  Spaanschen  aan- 
voerder dan  op  die  van  den  Keizerlijken  bevelhebber.  Verschil- 
lende schrijvers  hebben  gezegd,  dat  er  oneenigheid  heeft  bestaan 
tusschen  Willem  III  en  Monterey,  die  met  weerzin  den  Stadhou- 
der boven  zich  zag  gesteld,  en  hem  door  het  Spaansche  hof 
vereerd  zag  met  den  titel  van  Hoogheid.  Het  kan  zeer  goed 
zijn,  dat  zulke  gevoelens  bij  Monterey  bestaan  hebben;  en  het 
is  niet  te  verwonderen  dat  hij.  Grande  van  Spanje,  landvoogd 
der  Nederlanden,  en  — -  wat  meer  zegt  —  een  man  van  talent 
en  karakter  die  zijn  land  groote  diensten  had  bewezen,  zich  ge- 
krenkt achtte  in   zijn   rechtmatigen  hoogmoed,  door  te  moeten 


Digitized  by 


Google 


42  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

gehoorzamen  aan  den  afstammeling  van  een  klein  Duitsch  vor- 
stenhuis, wiens  voorvaderen,  nog  geen  dertig  jaar  vroeger,  door 
de  Spanjaarden  beschouwd  werden  als  de  hoofden  van  tegen 
hun  Koning  opgestane  rebellen.  Maar  dat  misnoegen,  indien  het 
bij  den  Spaanschen  landvoogd  bestaan  hebbe,  heeft  echter  geen 
merkbaren  invloed  gehad  op  zijne  handelingen  als  legerhoofd; 
en  indien  de  Stadhouder  van  de  zijde  van  Spanje  niet  die  kracht- 
dadige ondersteuning  ondervond  waarop  hij  rekende,  dan  moet 
men  dit  wijten  aan  de  uitputting  van  dat  Rijk,  en  geenszins  aan 
de  maatregelen  van  den  landvoogd  der  Spaansche  Nederlanden, 
die  door  zijne  bekwaamheid  en  zijne  buitengewone  inspanning 
zooveel  mogelijk  trachtte  te  herstellen  en  te  verbeteren  wat  er 
gebrekkigs  en  onvolledigs  was  in  het  Spaansche  krijgswezen. 

Het  was  van  de  zijde  van  het  Keizerlijke  legerhoofd,  dat  de 
Stadhouder  de  meeste  tegenwerking  zou  óndervinden.  De  Souches, 
een  Franschman  van  geboorte,  van  geringe  afkomst,  was  op  jeug- 
digen leeftijd  in  Keizerlijken  krijgsdienst  getreden,  en  had  zich  na 
verloop  van  tijd  van  rang  tot  rang  verheven,  totdat  hij  eindelijk 
Veldmaarschalk  en  Graaf  was  geworden.  Van  de  laagste  sporten 
der  krijgsrangen  was  De  Souches  door  langdurige  diensten,  door 
krijgsdeugd  en  dapperheid  tot  de  hoogste  waardigheid  opge- 
klommen; hij  bezat  het  vertrouwen  des  soldaats,  die  in  den  met 
rijkdom  en  eeretitels  overladen  bevelhebber  nog  altijd  zijn  gelijke 
bleef  zien,  en  die  hem  eerbiedigde  en  vreesde  om  zijn  ruw,  streng 
en  onverbiddelijk  karakter.  Het  was  een  soort  van  Marius;  — 
maar  een  Marius  zonder  diens  bekwaamheid;  een  man,  die  zeer 
goed,  zeer  verdienstelijk  zou  zijn  geweest  als  onderbevelhebber, 
maar  altijd  iemand  boven  zich  had  moeten  hebben.  Hoe  dik- 
wijls, zoowel  in  het  verledene  als  in  de  dagen  waarin  wij  leven, 
ontmoet  men  niet  dergelijke  aanvoerders;  menschen  die  door 
eene  langdurige  ondervinding  zeer  goed  bekend  zijn  geworden 
met  al  het  werktuigelijke  van  den  oorlog;  die  weten  hoe  een 
leger  zijne  marschen  moet  doen,  zijne  stellingen  moet  nemen, 
zijne  gevechten  moet  voeren ;  —  maar  wier  wetenschap  zich  ook 
daartoe  bepaalt,  en  die  niet  begrijpen  dat  die  marschen,  stel- 
lingen en  gevechten  niet  op  zichzelve  staan,  maar  slechts  de 
middelen  zijn  om  het  doel  des  oorlogs  te  bereiken,  en  die 
niet  weten  hoedanig  en  wanneer  die  middelen  moeien  worden 
aangewend.  Zulke  menschen  kunnen  zeer  nuttig  zijn,  wanneer  zij 
door  een  bekwaam  veldheer  worden  geleid;  —  maar,  staan  zij 
op  zichzelve,  zijn  zij  zelf  veldheer,  dan  zullen  hunne  beperkte 
inzichten,  hun  gebrek  aan  oordeel  en  verstand,  aanleiding  geven 
tot  maatregelen  en  handelingen,  die  soms  het  verderf  zijn  van 
het  door  hen  aangevoerde  leger,  en  oneer  en  schandt?  werpen 
op  hun  naam  als  oorlogsman. 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGBN  IN   DE   NEDERLANDEN.  43 

Ziedaar  de  legerhoofden  der  bondgenooten;  —  Willem  III  is, 
door  het  verhaal  der  twee  voorgaande  veldtochten,  reeds  zoo- 
zeer bekend,  dat  het  hier  niet  noodig  is  over  hem  te  spreken. 
Wij  hebben  het  dienstig  geacht,  eenigszins  in  bijzonderheden  te 
vermelden,  hoedanig  het  gesteld  was  met  het  legerbestuur  bij  de 
bondgenooten,  om  daardoor  duidelijk  te  maken  welk  een  groot 
voordeel,  ook  in  dit  opzicht,  Frankrijk  aan  zijne  zijde  had. 

Bij  het  Fransche  leger  daarentegen  was  Condéde  eenige  veld- 
heer; De  Bellefonds  was  teruggeroepen  en  boette  in  ballingschap  het 
niet  gehoorzamen  van  de  bevelen  zijns  Konings.  Condé,  verwant 
aan  het  Koninklijk  geslacht,  omgeven  door  den  luister  van  menige 
overwinning,  reeds  meer  dan  dertig  jaar  legers  hebbende  aange- 
voerd, een  roem  van  stoutheid  en  buitengewone  dapperheid  be- 
zittende, —  zooals  eenmaal  Pappenheim  in  den  dertigjarigen 
oorlog,  zooals  later  Ney  bij  de  oorlogen  van  Napoleon  — ,  had 
al  die  voordeelen  aan  zijne  zijde  die  de  taak  eens  veldheers  ge- 
makkelijk maken:  hij  werd  weinig  of  niet  belemmerd  door  de 
voorschriften  zijner  regeering;  hij  was  geheel  vrij  in  zijne  hande- 
lingen, kon  geheel  vrijelijk  beschikken  over  zijn  leger;  hij  boe- 
zemde dat  leger  het  grootste  vertrouwen  in,  zijnen  vijanden  be- 
zorgdheid en  vrees.  De  Fransche  veldheer  was  niet  jong  meer; 
maar,  al  was  ook  de  kracht  zijns  lichaams  enkele  keeren  door  pijnlijke 
ziekte  gekluisterd,  zijn  geest  was  even  stout,  even  ondernemend 
als  ooit,  en  hij  had  aan  zijne  zijde  onderbevelhebbers,  die  dadelijk 
zijne  taak  konden  overnemen  en  als  legerhoofd  optreden.  Het 
zal  genoegzaam  zijn,  om  dit  aan  te  toonen,  te  zeggen,  dat  Luxem- 
bourg  een  dier  onderbevelhel^bers  was. 

Moeielijk  valt  het  te  zeggen  wat  bij  dezen  veldtocht  de  voor- 
nemens waren  van  de  oorlogvoerende  partijen ;  een  bepaald  krijgs- 
plan  schijnt  er  niet  te  hebben  bestaan.  Bij  de  bondgenooten  had 
elk  der  drie  verschillende  volkeren  verschillende  bedoelingen :  de 
Republiek  was  het  vooral  te  doen  om  Grave  en  Maastricht  te 
hernemen ;  de  Spanjaarden  beoogden  het  herwinnen  van  de  vroe- 
ger door  Lodewijk  XIV  op  hen  gemaakte  veroveringen;  de 
Keizerlijken  streefden  er  voornamelijk  naar,  in  de  Nederlanden 
zooveel  Fransche  troepen  bezig  te  houden  als  maar  mogelijk 
was,  ten  einde  daardoor  den  inval  van  het  Duitsche  leger  in  de 
gewesten  aan  den  boven-Rijn  gemakkelijker  te  maken. 

Oranje,  wiens  staatkundige  en  krijgskundige  inzichten  oneindig 
hooger  en  juister  waren  dan  die  van  elk  der  drie  Staten,  hechtte 
weinig  belang  aan  dit  verschil  van  gevoelen ;  hij  oordeelde  terecht, 
dat,  waar  men  ook  het  algemeene  welzijn  van  de  bondgenooten 
bevorderde,  waar  men   Frankrijk   ook  nadeelen  toebracht,  dit 


Digitized  by 


Google 


44  KRIJGS*   ES  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

altijd  in  het  voordeel  moest  zijn  van  ieder  der  bondgenooten  in 
het  bijzonder.  Bij  voorkeur  was  hij  gezind  om  het  beleg  te 
ondernemen  van  eene  der  vestingen,  vroeger  door  Frankrijk 
veroverd  in  de  Spaansche  Nederlanden;  omdat  zulk  een  beleg 
het  spoedigst  tot  een  veldslag  aanleiding  kon  geven.,  en  een 
lateren  inval  in  Frankrijk  gemakkelijk  maakte.  Maar  ook  tot  elke 
andere  handeling  wilde  de  Stadhouder  zijne  toestemming  geven: 
het  was  hem  vrij  onverschillig  wat  er  gedaan  werd,  mits  er  maar 
iets  gedaan  werd,  mits  het  maar  met  kracht  en  snelheid  ge- 
schiedde, mits  men  maar  den  tijd  niet  zoo  onverantwoordelijk 
liet  verloopen.  Daarom  drong  de  Stadhouder  er  zoo  gedurig  en 
met  nadruk  op  aan,  dat  het  Duitsche  leger  zich  zou  aansluiten 
bij  de  Spaansche  en  Hollandsche  krijgsmacht.  Eenmaal  het  leger 
geheel  bijeen  hebbende,  kon  men  overgaan  lot  eene  belangrijke, 
beslissende  onderneming;  gescheiden,  zou  men  niets  gewichiigs 
kunnen  uitvoeren. 

Die  waarheid,  zoo  duidelijk,  zoo  eenvoudig,  vond  evenwel  geen 
ingang  bij  den  Keizerlijken  veldheer;  en  zijne  traagheid  en  onwil 
stelden  het  geduld  van  Willem  III  op  een  zware  proef.  Eer  er 
iets  gedaan  werd,  moest  er  weer  worden  beraadslaagd.  Den  8sien 
Juni  had  er  eene  samenkomst  plaats  te  Venlo;  De  Souches  was 
daar  in  persoon,  Waldeck  en  d'Assentar  als  vertegenwoordigers 
van  Willem  UI  en  van  Monterey.  Men  trachtte,  maar  tevergeefs, 
den  Keizerlijken  veldheer  over  te  halen,  om  met  zijn  leger  op 
den  linkeroever  van  de  Maas  over  te  gaan,  en  zich  te  voegen 
bij  de  Spaansche  en  Hollandsche  legers;  het  eenige  wat  hij  be- 
loofde, was,  dit  te  zullen  doen  wanneer  Condé  overging  tot  een 
belangrijk  beleg:  dan  zouden  de  drie  vereenigde  legers  oprukken 
tegen  den  Franschen  veldheer  en  hem  slag  leveren ;  of,  zoo  men 
hierin  niet  slaagde,  zelf  Maastricht  belegeren.  Maar  zoolang  Condé 
niets  bijzonders  verrichtte,  wilde  De  Souches  blijven  op  den 
rechteroever  van  de  Maas;  hij  gaf  de  toezegging  van  Argenteau 
en  Navagne  te  hernemen,  mogelijk  Visé  te  versterken,  zich  van 
Luik  te  verzekeren,  en  zich  verder  uit  te  breiden  naar  de  Ar- 
dennen en  het  hoogere  gedeelte  van  de  Maas.  Zoodoende  zou 
het  Keizerlijke  leger  den  vijand  bedreigen  roet  een  inval  in 
Champagne,  terwijl  intusschen  Condé  in  bedwang  zou  worden 
gehouden  door  de  Spaansche  en  Hollandsche  krijgsmacht. 

Dat  er  \an  zulk  een  operatieplan  niet  veel  bijzonders  viel  te 
verwachten,  dat  is  vrij  duidelijk:  onbeduidende  vestingen  bele- 
geren, zich  van  eene  onzijdige  plaats  verzekeren,  eene  kleine  stad 
versterken,  op  het  eene  gedeelte  van  het  oorlogstooneel  den 
vijand  bedreigen,  op  het  andere  den  vijand  in  bedwang 
houden,  —  dat  zijn  geen  handelingen  waardoor  men  een  oorlog 
ten  einde  brengt,  zelfs  al  voert  men  alles  uit  wat  in  het  operatie- 
plan  is  bepaald;  en  meestal  gebeurt  zelfs  ook  dat  niet.  Willem  III 


Digitized  by 


Google 


KRTJGS VERRICHTINGEN   IN   DE   NEDERLANDEN.  45 

zag  dan  ook  in,  dat  er  vooreerst  in  de  Zuidelijke  Nederlanden 
niets  viel  te  verrichten;  en,  om  den  tijd  niet  geheel  ongebruikt 
voorbij  te  laten  gaan,  was  hij  bedacht  op  het  beleg  van  Grave. 
Reeds  in  de  laatste  helft  van  Juni  trokken  Hollandsche  troepen 
samen  om  die  vesting,  welker  belegering  eerst  later  zal  worden 
besproken,  ten  einde  het  verhaal  van  de  krijgsverrichtingen  in 
de  Spaansche  Nederlanden  niet  telkens  te  moeten  afbreken. 

Gedeeltelijk  omdat  de  tot  'nu  toe  bezette  landstreek  uitgeput 
raakte,  gedeeltelijk  ook  om  zich  meer  aan  te  sluiten  bij  het 
Spaansche  leger,  den  vijand  meer  bezig  te  houden  en  dus  de 
operatiën  tegen  Grave  meer  te  beschermen,  deed  de  Stadhouder 
het  Hollandsche  leger  andere  kantonnemenlen  betrekken.  Den 
iien  Juni  brak  dat  leger  uit  de  omstreken  van  Duffel  op,  en 
plaatste  zich  gedeeltelijk  te  Mechelen  en  Brussel,  grootendeels 
echter  bij  Vilvoirden,  op  den  linkeroever  der  Senne;  de  ruiterij 
breidde  zich  uit  naar  de  zijde  van  Dendermonde.  Op  eenige  goed 
gelukte  strooptochten  na,  door  de  bezettingen  van  de  Spaansche 
vestingen  in  de  noordelijke  Fransche  gewesten  gedaan,  werd 
door  de  bondgenooten  niets  op  den  linkeroever  van  de  Maas 
verricht. 

Wat  op  den  rechteroever  van  dien  stroom  geschiedde,  was  ook 
niet  veel  bijzonders.  De  Souches  had  zich  eindelijk  in  beweging 
gesteld,  den  i6en  Juni  zijne  troepen  van  de  Roer  doen  opbreken 
en  op  Eschwciler  trekken.  Den  i7en  was  hij  tusschen  Aken  en 
's  Hertogen  rade  (Rolduc);  den  i8cn  ging  de  marsch  naar  het 
riviertje  de  Geule,  en  kwam  het  leger  te  Gulpen.  Den  volgenden 
dag  naderde  men  de  Maas  tot  nabij  Navagne  en  verkende  men 
die  sterkte,  die  door  d'Estrades  weer  goed  in  staat  van  verdedi- 
ging was  gebracht  en  voorzien  van  eene  bezetting  van  800  man ;  — 
Argenteau  was  toen  reeds  geslecht.  De  Keizerlijken  oordeelden 
het  ongeraden  zich  in  te  laten  met  het  beleg  van  Navagne;  het 
voorstel  werd  geopperd,  om  Visé  te  versterken  en  bezet  te  hou- 
den, en  daardoor  de  gemeenschap  te  belemmeren  tusschen  Luik 
en  Maastricht;  maar  ook  van  die  handeling  werd  afgezien,  en 
op  den  namiddag  van  den  2ostcn  Juni  brak  het  Keizerlijke  leger 
op  naar  Dalem,  waar  het  den  2isten  bleef.  Den  22sten  rukte  De 
Souches  op  Luik,  en  sloeg  zijn  leger  neer  in  de  onmiddellijke 
nabijheid  dier  stad ;  de  veldheer  werd  in  de  Bisschoppelijke  ver- 
blijfplaats ontvangen  met  een  4  a  5000  man  van  zijn  leger;  en 
niets  was  dus  gemakkelijker  geweest  dan  zich  van  die  onzijdige 
stad  te  verzekeren,  daardoor  een  vast  overgangspunt  over  de 
Maas  te  winnen,  en  zich  ongehinderd  te  verecnigen  met  de 
andere  legers  der  bondgenooten.  Maar  De  Souches  wilde  die 
vereeniging   niet;   en,   na   een   paar  dagen  in  de  omstreken  van 


Digitized  by 


Google 


46  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Luik  te  zijn  gebleven,  werd  den  24steii  de  marsch  voortgezet; 
dien  dag  en  den  volgenden  ging  men  de  Ourthe  over,  kwam  den 
26stcu  nabij  Huy,  en  den  2751611  te  Andenne. 

Dus,  als  men  vraagt:  wat  deed  het  Keizerlijke  leger  in  die 
twaalf  dagen  van  16  lot  28  Juni,  in  dat  tijdvak  toen  het  heette 
werkzaam  te  zijn,  —  dan  kan  men  gerustelijk  antwoorden:  niets. 
Het  had  eenige  zeer  kleine  raarschen  verricht  en  de  landstreek 
op  den  rechteroever  van  de  Maas  een  weinig  uitgeplunderd, 
niettegenstaande  de  strenge  bevelen  die  De  Souches  daartegen 
gaf.  Men  wordt  getroffen  door  het  grootsche  en  reusachtige  der 
oorlogsplannen  van  dien  veldheer:  Maastricht  verontrusten,  Na- 
vagne  aanvallen,  Visé  versterken,  en  zóó  de  vaart  op  de  Maas 
belemmeren,  —  wat  een  beslissende  handelingen  zouden  dit  zijn ! 
Of,  om  in  ernst  te  spreken,  wat  een  kinderachtigheid  om  op 
zulk  een  wijze  oorlog  te  voeren!  Nochtans  kwam  geen  van  die 
handelingen  tot  uitvoering;  en  met  het  einde  van  den  marsch 
was  men  nagenoeg  in  denzelfden  toestand  als  bij  het  begin. 

Men  wordt  ongeduldig  wanneer  men  .zulke  verrichtingen  moet 
boeken  of  lezen ;  men  kan  zich  dus  het  ongeduld  voorstellen  dat 
den  naar  daden  dorstenden  Stadhouder  verteerde,  toen  hij  op 
zulk  een  ellendige  wijze  den  kostbaren  tijd  zag  verspillen,  en 
de  sterke  strijdkrachten  der  bondgenooten  onnut  maken.  Dadelijk 
toen  het  Duitsche  leger  de  Maas  naderde,  had  Willem  III  eene 
afdeeling  van  3  a  4000  man,  grootendeels  ruiterij,  tot  aan  gene 
zijde  van  Hasselt  doen  vooruitrukken,  om  als  De  Souches  iets 
wilde  ondernemen  op  Maastricht,  hem  daarbij  de  behulpzame 
hand  te  bieden;  maar  die  afdeeling  vond  geen  gelegenheid  om 
werkzaam  te  zijn  en  keerde  terug,  de  Spaansche  troepen  mede- 
nemende,  die  nog  in  bezetting  lagen  te  Gelder,  Roermond,  Ste- 
vensweert  en  Venlo.  Het  was  maar  al  te  duidelijk,  dat  er  weinig 
of  niet  viel  te  rekenen  op  de  medewerking  van  de  Duitschers; 
en  dat  De  Souches  geen  andere  inzichten  had  dan  om,  zonder 
iets  te  doen,  zijn  leger  te  onderhouden  ten  koste  van  de  Neder- 
landsche  gewesten.  Het  is  zeer  waarschijnlijk  dat  De  Souches 
hierbij  de  bevelen  zijner  regeering  opvolgde,  en  er  is  niet  de 
minste  reden  om  dien  veldheer  te  verdenken  van  verstandhouding 
met  Frankrijk;  —  maar  dit  is  zeker,  dat  indien  hij  door  Lode- 
wijk  XIV  was  betaald  geworden,  hij  niet  beter  had  kunnen 
werkzaam  zijn  in  het  belang  van  dien  vorst.  Onkunde  doet  soms 
evenveel  kwaad  als  verraad. 

Aan  de  Fransche  zijde  werd  de  maand  Juni  gekenmerkt  door 
even  geringe  werkdadigheid  als  aan  de  zijde  der  bondgenooten ; 
maar  wat  bij  dezen  slecht  was,  was  bij  genen  goed;  want,  zwak- 
ker  zijnde    dan    zijne   tegenpartij,   en    den   oorlog  verdedigend 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN  IN  DE   NEDERLANDEN.  47 

moetende  voeren,  was  voor  Condé  elke  dag  die  werkeloos  voorbij 
ging,  een  wezenlijk  voordeel.  De  Fransche  koning  had  zijn  veld- 
heer doen  aanschrijven,  om,  indien  het  doenlijk  was,  eene  der 
vestingen  van  de  Spaansche  Nederlanden  te  belegeren;  wijselijk 
besloot  Condé  echter,  niet  over  te  gaan  tot  zulk  een  beleg,  dat 
lichtelijk  de  vereeniging  van  de  legermachten  der  bondgenooten 
kon  teweegbrengen,  en  den  Franschen  veldheer  wikkelen  in  een 
veldslag  die  zooveel  mogelijk  moest  worden  vermeden;  immers 
maakte  de  overmacht  van  de  bondgenooten  eene  nederlaag  van 
het  Fransche  leger  mogelijk,  en  zulk  eene  nederlaag  kon,  bij  de 
verschijning  van  de  Duitsche  legers  aan  den  Rijn,  en  bij  de  be- 
dreiging van  de  kusten  door  eene  Hollandsche  vloot,  noodlottige 
gevolgen  hebben  voor  Frankrijk.  Daarom  besloot  Condé  zich 
uitsluitend  te  bepalen  tot  de  verdediging,  en  door  zijne  stellingen 
en  bewegingen  den  vijand  wel  in  bedwang  te  houden  en  beducht 
te  maken  voor  een  beleg,  maar  dat  beleg  niet  te  ondernemen, 
ten  einde  altijd  de  vrije  beschikking  te  blijven  behouden  over 
zijn  leger. 

Tot  den  8sten  Juni  was  het  Fransche  leger  in  het  kamp  te 
Thiméon,  nabij  Charleroi,  gebleven ;  toen  brak  het  op  om  Mons 
meer  nabij  te  komen,  en  den  Spanjaarden  onrust  in  te  boezemen 
voor  hunne  vestingen  in  Henegouwen.  Den  8sten  komt  het  leger 
te  Haine-Saint-Pierre  en  Haine-Saint-Paul;  het  blijft  daar  twee 
dagen,  en  marcheert  den  iien  op  Ville-sur-Haine,  een  klein  uur 
ten  noordoosten  van  Mons.  Hier  blijft  Condé  tot  in  het  laatst 
der  maand  Juni,  zijne  levensmiddelen  en  krijgsbeh oeften  gedeel- 
telijk uit  Charleroi  trekkende,  gedeeltelijk  uit  Ath;  de  aanvoer 
daarvan  werd  gedurig  belemmerd  door  de  strooptochten  der 
partijgangers  uit  de  naastbijzijnde  Spaansche  vestingen,  en  er 
hadden  herhaalde  gevechten  om  konvooien  plaats.  Het  bege- 
leiden en  verdedigen  van  konvooien  was  bij  de  krijgskunst  van 
die  eeuw  een  zaak  van  het  hoogste  belang,  veel  meer  dan  in  de 
oorlogen  van  onzen  tijd. 

Bij  dit  gedeelte  van  den  oorlog  zijn  wij  voornamelijk  te  rade 
gegaan  met  Beaurain,« —  een  goed,  degelijk  krijgskundig  schrijver, 
wiens  heldere  en  uitvoerige  uiteenzetting  van  de  oorlogshande- 
lingen een  duidelijk  en  juist  inzicht  geeft  van  de  krijgskunst  dier 
dagen,  en  die  bij  het  schrijven  zijner  geschiedenis  van  Condé's 
laatsten  veldtocht  inzage  heeft  gehad  van  de  papieren  en  aan- 
teekeningen  van  dat  legerhoofd  zelf.  Niet  ondienstig  echter  is 
het,  ook  over  te  nemen  wat  Rousset  zegt  over  Condé's  beleid, 
dat  hij  hier  eenigszins  schijnt  te  veroordeelen.  Wij  vinden  daar- 
over in  de  Hhtoire  de  Louvois  (2*  deel,  blz.  26—27): 

»Hij"  (Condé)  >was  nog  niet  oud,  nog  maar  drie  en  vijftig 
jaar;  maar  hij  werd  geteisterd  door  vroegtijdige  lichaamskwalen. 


Digitized  by 


Google 


48  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

De  jicht  was  eene  belemmering  voor  zijne  physieke  werkzaam- 
heid; en  soms  werkte  de  eene  of  andere  zedelijke  invloed  nadeelig, 
zoo  niet  op  zijn  oordeel,  dan  toch  op  zijn  wilskracht;  gedurig 
weifelde  hij. 

De  geheele  maand  Mei  verliep,  zonder  dat  hij  iets  deed,  ter- 
wijl de  Prins  van  Oranje  van  dien  tijd  gebruik  maakte  om  graaf 
Monterey  te  hulp  te  komen.  Condé  kon  niet  klagen,  als  bij  den 
veldtocht  van  het  vorige  jaar,  over  de  te  geringe  sterkte  zijner 
krijgsmacht,  of  over  hare  ondeugdelijkheid;  ten  minste  niet  wat 
betreft  de  infanterie:  »dat  is  zeker,"  schreef  hij  den  3eu  Juni  aan 
Louvois,  »dat  men  niets  beters  kan  verlangen  dan  de  infanterie 
die  ik  aanvoer;  daarmee  is  alles  te  ondernemen."  't  Is  waar, 
dadelijk  laat  hij  daarop  de  tegenstelling  volgen,  dat  de  ruiterij 
hiermede  een  groot  verschil  maakte  en  in  den  slechtsten  toestand 
was.  Maar  bij  een  beleg  kwam  het  aan  op  de  infanterie,  en  zou, 
bovendien,  de  Koning  hem  de  beste  ruiterij  van  het  leger  doen 
toekomen.  Hijzelf  gevoelde  hoezeer  het  hem  ontbrak  aan  wils- 
kracht. »Ik  moet  bekennen"  —  voegde  hij  er  bij  in  dat  schrijven 
van  den  3en  Juni,  —  tdat  ik  nog  tot  geen  besluit  ben  gekomen, 
welke  vesting  ik  zal  aanvallen."  Hij  noemde  Mons  op,  Valeh- 
ciennes,  Condé,  Iperen,  Kortrijk,  en  bij  elke  dier  steden  de 
zwarigheden  die  hem  weerhielden  om  aan  te  vallen ;  hij  eindigde 
met  een  raad  te  vragen,  die  zeer  zeker  wel  iets  meer  beoogde 
dan  het  streelen  van  de  bekende  neigingen  van  Louvois:  tik 
moet  erkennen  dat  ik  wel  wenschte  dat  het  Zijne  Majesteit  had 
behaagd,  mij  mee  te  deelen  wat  zij  het  best  oordeelt,  en  dat  gi) 
mij  wildet  meiden  wat  gij  gelooft  dat,  bij  den  stand  van  zaken 
dien  ik  u  heb  geschetst,  de  beste  handeling  is."  Den  i4en  Juni 
schreef  hij  nogmaals:  >ik  schaam  mij  dat,  terwijl  de  Koning  met 
zooveel  ongeduld  uitziet  naar  tijdingen  van  de  stad  die  wij  zul- 
len aanvallen,  wij  er  nog  niet  ééne  aangevallen  hebben."  Lode- 
wijk  XIV  en  Louvois  gaven  hem  ten  antwoord,  dat  zij  hem  niets 
konden  voorschrijven;  maar  dat,  als  het  te  moeielijk  was  om  een 
groote  vesting  ie  nemen,  zij  er  op  rekenden  dat  hij  dan  de 
kleinere  vestingen  zou  aanvallen.  Hij  viel  er  geen  enkele  aan; 
en  de  buitengewone  renbode  dien  hij  af  moest  zenden,  t  zoodra 
hij  een  besluit  had  genomen,"  is  nooit  uit  zijne  legerplaats 
afgezonden." 

Die  beoordeeling  van  Condc  als  legerhoofd  is  niet  gunstig;  — 
maar  is  zij  juist  en  billijk?  Wij  gelooven  van  niet.  Al  dadelijk 
stuiten  wij  bij  Rousset  hier  op  eene  overdrijving:  >de  geheele 
maand  Mei  verliep  zonder  dat  hij  iets  deed;"  —  de  geheele 
maand  Mei?  en  pas  den  23sten  Mei  is  Conde  aan  het  hoofd  van 
de  vereenigde  Fransche  legermacht;  en  na  den  23sten  blijft  er 
zoo   heel  veel  niet  over  van  de  maand  Mei;  dus,  overdreven  is 


Digitized  by 


Google 


KRIJGS  VERRICHTING  EN   IN   DE   NEDERLANDEN.  49 

de  voorstelling  alsof  Condé  de  geheele  maand  Mei  1674  tot 
zijne  beschikking  had,  en  dien  tijd  ongebruikt  heeft  laten  voor- 
bijgaan . 

Wat  Rousset  zegt  over  de  verminderde  geestkracht  van  Condé, 
is  ook  zoo  onvoorwaardelijk  niet  aan  te  nemen;  ten  minste, 
daarvan  is  niets  gebleken  bij  den  slag  van  Séneffe;  toen  be- 
toonde het  Fransche  legerhoofd  te  veel  geestkracht. 

Naar  onze  meening  was  het  in  Condé  eene  voorzichtige  en 
goede  handeling,  zich  in  den  zomer  van  1674  niet  in  te  laten 
met  het  belegeren  van  eene  der  vestingen  van  de  Spaansche 
Nederlanden.  Men  wist  dat  op  óii  oorlogstooneel  de  bondge- 
nooten  hunne  sterkste  macht  wilden  doen  optreden,  en  dddr  naar 
de  grootste  uitkomsten  streefden ;  het  belang  van  Frankrijk  bracht 
dus  mede  om  op  dét  oorlogstooneel  zooveel  mogelijk  elke  be- 
slissende handeling  te  ontwijken,  zooveel  mogelijk  tijd  te  winnen, 
zooveel  mogelijk  niets  te  doen.  Toen,  in  de  tweede  helft  van 
Mei,  Willem  III  en  Monterey  zoo  goed  als  vereenigd  waren,  was 
die  vereenigde  macht  toch  nog  minder  sterk  dan  het  leger  van 
Condé;  daartegen  dus  was  Condé  zeer  goed  bestand;  en,  had 
hij  alleen  daarmede  te  doen  gehad,  zeer  goed  had  hij  een  beleg 
kunnen  ondernemen.  Maar  daar  moest  nog  een  derde  leger  van 
de  bondgenooten  in  De  Nederlanden  komen:  het  Keizerlijke 
leger,  onder  De  Souches,  een  25  k  30000  man;  was  dat  leger 
gekomen,  dan  zou  de  overmacht  aan  de  zijde  van  de  bondge- 
nooten zijn;  en  de  komst  van  dit  derde  leger  zou  zeer  zeker 
verhaast  worden,  wanneer  de  Franschen  eene  der  vestingen  in 
de  Spaansche  Nederlanden  gingen  belegeren.  Daarentegen,  nu 
Condé  niets  deed.  bleef  ook  aldoor  het  Keizerlijke  leger  weg; 
De  Souches  heeft  er  onmiskenbaar  naar  gestreefd  om  zoo  weinig 
mogelijk  deel  te  nemen  aan  de  krijgsverrichtingen ;  hetzij  dat  hij 
daarbij  de  voorschriften  van  zijne  regeering,  hetzij  eigene  inzich- 
ten volgde;  gebrekkige  staatkundige  of  wel  gebrekkige  krijgs- 
kundige beginselen  zijn  toen*  de  drijfveeren  geweest  van  zijne 
handelingen.  Onder  allerlei  voorwendselen  bleef  het  Keizerlijke 
leger  voortdurend  op  zichzelf,  in  de  landstreek  tusschen  Maas, 
Rijn  en  Moezel;  en  er  verliepen  maanden,  en  het  kostte  Wil- 
lem III  eindelooze  onderhandehngen,  eer  het  zoover  kwam,  dat 
het  Keizerlijke  leger  op  den  linkeroever  van  de  Maas  verscheen, 
en  zich,  den  28sien  Juli,  bij  de  Méhaigne,  bij  de  andere  legers 
der  bondgenooten  aansloot.  Zeer  zeker  zou  De  Souches  die  ver- 
eeniging  niet  zoo  lang  hebben  durven  uitstellen,  indien  Condé 
tot  den  aanval  was  overgegaan,  een  beleg  had  begonnen;  en 
daarom  was  het  van  Condé  zeer  verstandig,  niet  aan  te  vallen, 
niet  te  belegeren. 

Toen  de  Duitschers  voornemens  schenen  om  een  inval  te  doen 
in   Champagne,  kwam  Condé,  in  het  laatst  van  Juli,  de  Sambre 

WILLEM  III.  —  II.  4 


Digitized  by 


Google 


50  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGB   BESCHOUWINGEN. 

meer  nabij,  en  betrok  hij  eene  zeer  sterke  stelling  achter  het 
riviertje  den  Piéton;  eene  afdeeling,  onder  Luxembourg,  kwam 
tusschen  Maas  en  Sambre;  eene  andere  afdeeling,  onder  Roche- 
fort,  bezette  de  grenzen  van  Lotharingen  en  Champagne.  Over 
die  verdeeling  van  Condé's  leger  zegt  Rousset  (2*  deel,  blz.  30) 
het  volgende: 

»  ...  De  hertog  De  Navailles  voerde  de  hoofdmacht  van  het 
leger  aan,  40  bataljons  en  98  eskadrons.  De  afdeeling  van  den 
hertog  De  Luxembourg  bestond  uit  10  bataljons  en  20  eskadrons; 
die  van  den  markies  De  Rochefort,  in  de  drie  bisdommen,  uit 
7  bataljons  en  29  eskadrons;  en  eindelijk  was  de  ridder  De  Fou- 
rilles  nog  aan  het  hoofd  van  eene  reserve  van  8  bataljons  en 
van  1800  paarden..." 

Rousset  voegt  er  bij,  dat  Luxembourg  zeer  ontevreden  was, 
van  in  eene  zoo  ondergeschikte  betrekking  te  zijn  geplaatst,  dat 
er  onder  de  onderbevelhebbers  van  Condé  oneenigheid  bestond, 
maar  dat  Louvois  hen  allen  tot  rede  bracht.  —  De  voorname 
goede  eigenschap  van  dien  minister  was,  dat  hij  zich  wist  te  doen 
gehoorzamen. 

Na  dus  de  leemten  en  gebreken  bij  het  Fransche  leger  in  De 
Nederlanden  te  hebben  aangewezen,  laat  Rousset  de  erkenning 
volgen,  dat  het  hiermede  bij  de  bondgenooten  al  niet  beter  was 
gesteld  (2*  deel,  blz.  36—38): 

» Gelukkig  was  het  niet  Frankrijk  alleen^  dat  onder  zulke 
inwendige  verdeeldheden  had  te  lijden ;  dat  land  had,  buitendien, 
boven  de  verdeelde  krijgsbevelhebbers,  een  krachtig  bewind  dat 
hen  tot  hun  plicht  wist  te  brengen.  Dat  voordeel  hadden  de 
bondgenooten  niet:  niet  slechts  de  legerhoofden,  maar  ook  de 
regeeringen  waren  het  daar  oneens.  De  Duitsthers  waren  alleen 
bedacht  op  het  heroveren  van  Philipsburg,  van  den  Elzas  en 
van  Lotharingen:  de  Hollanders  wilden  zich  weer  in  het  bezit 
stellen  van  Grave  en  van  Maastricht;  de  Spanjaarden  wilden 
alles  herwinnen  wat  zij  in  De  Nederlanden  hadden  verloren;  — 
ieder  hunner  streefde  er  naar,  de  legermacht  der  bondgenooten 
op  zijn  grondgebied  te  brengen.  Misschien  heeft  het  staatsmans- 
genie van  Willem  van  Oranje  nooit  verwarder  toestand  te  regelen 
gehad.  Van  al  die  krijgsplannen  was  dat  der  Spanjaarden  hem 
het  meest  welgevallig,  omdat  hij  meende  dat  in  De  Nederlanden 
het  kwetsbaarste  punt  was  van  Lodewijk's  heerschappij;  hij  was 
daarvan  overtuigd,  —  evenals  in  1672,  toen  hij,  zijp  land  bloot- 
stellende aan  een  inval  van  de  Franschen,  Charleroi  ging  be- 
legeren. De  tegenspoed,  toen  ondervonden,  had  zijne  vaste  over- 
tuiging niet  aan  het  wankelen  gebracht.  Na  veel  inspanning,  en 
veel  tijdverlies,  was  hij  er  in  geslaagd  de  verschillende  belangen 
van  de  bondgenooten  met  elkander  in  overeenstemming  te  brengen. 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGBN  IN  DB  NEDERLANDEN.  51 

Zoo  zouden  de  troepen  van  den  Keizer  en  van  Duitschland  twee 
legers  vormen,  waarvan  het  eene,  onder  het  opperbevel  van  den 
hertog  van  Lotharingen,  den  oorlog  moest  overbrengen  in  het 
Rijndal  en  in  dat  van  den  Moezel;  en  het  andere,  onder  het 
bevel  van  den  graaf  De  Souches,  zich  in  De  Nederlanden  zou 
voegen  bij  de  Spaansche  krijgsmacht  van  den  graaf  De  Monterey, 
en  bij  het  Hollandsche  leger  van  den  Prins  opperbevelhebber; 
tevens,  om  meer  bijzonder  te  voldoen  aan  de  vertoogen  der 
Staten-Generaal,  moest  een  Hollandsch  legerkorps,  onder  Raben- 
haupt,  Grave  belegeren;  en  twee  eskaders,  aangevoerd  door 
Tromp  en  De  Ruyter,  het  eene  de  kusten  van  Frankrijk  zelve 
bedreigen,  het  andere  de  Fransche  Antillen. 

Het  beleg  van  Grave,  de  ondernemingen  ter  zee,  zelfs  de 
krijgsverrichtingen  aan  den  Rijn,  waren  —  naar  het  oordeel  van 
den  Prins  van  Oranje  —  maar  bijzaken,  diversiën  ten  voordeele 
van  den  grooten  slag  dien  hijzelf  wilde  toebrengen  in  De  Neder- 
landen aan  het  hoofd  van  een  leger  van  90000  man,  waarmede 
hij  —  naar  zijne  grootspraak  —  >de  dames  van  Versailles  ge- 
noegen wilde  komen  doen  {traiter  les  dames  ^  Fersailles)^  en  in 
Frankrijk  overwinteren."  (Ruvigny  aan  Lodewijk  XIV).  Louvois 
was  op  de  hoogte  van  al  die  plannen;  door  tusschenkomst  van 
graaf  d'Estrades,  den  bevelhebber  te  Maastricht,  onderhield  hij 
briefwisseling  met  een  der  vertrouwdste  dienaren  van  den  Prins 
van  Oranje,  De  Launoy  geheeten." 

Wie  de  geschiedenis  van  dien  tijd  heeft  bestudeerd,  zal  moge- 
lijk de  aanmerking  maken,  dat  het  weinig  waarschijnlijk  is,  dat 
Willem  III  de  woorden  gebezigd  heeft,  die  Ruvigny  hem  in  den 
mond  legt:  de  Stadhouder  was  niet  de  man  voor  die  grootspraak 
of  voor  het  bezigen  van  eene  eenigszins  losse  uitdrukking,  un 
propos  leste^  zooals  de  Franschen  dat  noemen. 

Die  De  Launoy,  die  dienaar  van  den  Prins  van  Oranje  en 
tevens  correspondent  van  Louvois,  komt  in  Roussct's  werk  meer 
dan  eens  voor.  De  ware  beteekenis  van  die  verstandhouding  tus- 
schen  De  Launoy  en  den  Franschen  minister  is  ons  niet  duidelijk 
gebleken:  wij  weten  niet,  of  die  verstandhouding  eene  schuldige 
of  eene  onschuldige  zaak  is  geweest.  Het  kan  zeer  wel  zijn,  dat 
het  met  voorkennis  en  goedkeuring  van  Willem  III  is  geweest, 
dat  De  Launoy  briefwisseling  onderhield  met  Louvois  en  d'Ës- 
trades;  de  Stadhouder  zal  misschien  daardoor  op  de  hoogte 
hebben  willen  blijven  van  de  gezindheid  der  Fransche  regeering 
en  van  den  stand  van  zaken  in  Frankrijk;  mogelijk  heeft  hij 
daardoor  den  vrede  —  waartoe  het  toch  eindelijk  eens  moest 
komen  —  willen  voorbereiden ;  want  zeer  waar  is  het,  wat  Schiller 
zijn  Wallenstein  doet  zeggen:  » indien  men  niet  reeds  gedurende 
den  oorlog  begint 'met  het  doen  ophouden  van  den  oorlog,  hoe 


Digitized  by 


Google 


52  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

zal  men  dan  ooit  tot  vrede  geraken."  —  Zoo  iets  is  volstrekt 
niet  af  te  keuren;  integendeel,  het  is  lofwaardig;  maar  zoo  iets 
is  toch  altijd  eene  zeer  moeielijke  en  gevaarlijke  handeling,  vooral 
voor  de  ondergeschikte  agenten;  want  bij  die  verstandhouding 
met  den  vijand  gaat  men  lichtelijk  te  vér,  en  dan  wordt  het 
landverraad.  Buat,  tijdens  den  tweeden  Engelschen  oorlog,  houdt, 
met  voorkennis  van  den  raadpensionaris  De  Witt,  briefwisseling 
met  Engeland,  en  doet  daarmede  niet  anders  dan  wat  goed  en 
geoorloofd  is;  maar  Buat  overschrijdt  bij  die  briefwisseling  zijne 
lastgeving,  en  schrijft  ten  voordeele  van  de  vijanden  der  Repu- 
bliek; en  daardoor  viel  hij  onbetwistbaar  onder  bet  bereik 
der  strafwet.  Is  het  met  De  Launoy  misschien  ook  zoo  gegaan; 
was  hij  misschien  door  Willem  III  tot  die  briefwisseling  gemach- 
tigd, maar  heeft  hij  mogelijk  een  misdadig  gebruik  gemaakt  van 
die  machtiging  ^  of  heeft  hij  mogelijk  geheel  zonder  machtiging 
die  briefwisseling  met  den  vijand  aangeknoopt? 

Wij  weten  het  niet;  wij  kunnen  die  vragen  niet  op  stelligen 
toon  beantwoorden.  Moesten  wij  eene  meening  uitbrengen,  dan 
zou  het  zijn,  dat  die  briefwisseling  van  De  Launoy  van  tamelijk 
onschuldigen  aard  is  geweest.  Wij  gronden  die  meening  daarop, 
dat  in  de  aanhalingen  uit  die  briefwisseling  die  bij  Rousset  te 
vinden  zijn,  eigenlijk  niets  voorkomt  waardoor  Frankrijk  zeer 
wordt  bevoordeeld,  of  de  bondgenooten  zeer  worden  benadeeld; 
het  zijn  gewoonlijk  zaken  waaraan  men  in  Frankrijk  niet  bijzon- 
der veel  heeft,  of  welke  men  aldaar  reeds  vroeger  had  kun- 
nen weten. 

Na  deze  uitweiding  naar  aanleiding  van  Rousset  wordt  het 
verhaal  der  krijgsverrichtingen  vervolgd. 

Oranje  en  Monterey,  den  Keizerlijken  veldheer  gedurig  aan- 
sporende om  zich  met  hunne  legers  te  vereenigen,  deden  dezen 
besluiten  om  nogmaals  eene  samenkomst  voor  te  stellen;  die 
samenkomst  had  den  2en  Juli  plaats,  in  de  abdij  van  Heylisem, 
nabij  Thienen:  en  de  Stadhouder  en  de  Spaansche  landvoogd 
namen  ditmaal  in  persoon  daaraan  deel.  Feesten  en  maaltijden 
waren  toen  onafscheidelijk  van  alle  staats-  of  krijgsvergaderingen ; 
en  zij  ontbraken  ook  hier  niet,  bij  die  samenkomst  van  de  leger- 
hoofden der  bondgenooten.  »Men  dronk,"  zegt  Beaurain,  >alle 
mogelijke  gezondheden,  die  van  den  Keizer,  van  den  Koning  en 
de  Koningin  van  Spanje,  van  den  Prins  van  Oranje,  van  Mon- 
terey, van  De  Souches  enz.";  maar  het  plengen  van  den  beker 
maakte  De  Souches  niets  rekkelijker,  en  de  wijn  was  niet  in 
staat  om  de  minste  vonk  van  genie  in  hem  op  te  wekken.  Op 
alle  vertoogen  van  de  Hollandsche  en  Spaansche  legerhoofden, 
—  die  met  kracht  aanwezen,  dat  men  alleen  door  zich  te  ver- 
eenigen, kon   hopen  voordeel   te  behalen  op  Frankrijk,  en  dat 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN   IN   DE   NEDERLANDEN.  53 

het  onverantwoordelijk  was  om  geen  gebruik  te  maken  van  de 
sterke  legermachten  die  men  in  De  Nederlanden  had,  —  ant- 
woordde De  Souches  eerst  met  ijdele  uitvluchten,  met  zwarig- 
heden over  het  opperbevel,  met  klachten  over  gebrek  aan  geld 
en  aan  leeftocht;  en  toen  het  ijdele  van  die  uitvluchten  overtui- 
gend was  aangetoond,  verklaarde  hij  ronduit,  dat  hij  niet  op 
den  linkeroever  van  de  Maas  wilde  overgaan,  maar  doordringen 
in  Frankrijk,  in  Champagne.  Vergeefs  was  het  dat  Willem  in 
hem  voorstelde,  om,  indien  hij  al  het  ge  heel  e  Keizerlijke  leger 
de  Maas  niet  wilde  laten  overtrekken,  dan  ten  minste  een  ge- 
deelte van  dat  leger  te  voegen  bij  de  Hollandsche  en  Spaansche 
krijgsmacht;  De  Souches  bleef  weigeren,  en  stelde  van  zijn  kant 
voor,  dat,  terwijl  de  hoofdmacht  der  Hollanders  en  Spanjaarden 
Condé  in  het  oog  bleef  houden,  een  ander  gedeelte  van  het 
leger  van  Willem  III  zich  bij  de  Keizerlijken  zou  voegen,  en 
deelnemen  aan  den  inval  in  Champagne :  —  met  reden  weigerde 
de  Stadhouder  zijne  toestemming  tot  zulk  eene  handeling,  die 
geen  betere  benaming  dan  dwaas  en  ongerijmd  zou  hebben  verdiend. 
Sommige  onderbevelhebbers  van  De  Souches  poogden  hun 
veldheer  over  te  halen  om  gehoor  te  geven  aan  de  verstandige 
voorstellen  van  het  Hollandsche  legerhoofd,  maar  tevergeefs; 
en  alles  wat  men  van  den  Duitschen  generaal  kon  verkrijgen, 
was  de  toezegging  dat  hij  zich  nog  een  dag  of  acht  zou  be- 
denken, en  intusschen  zijne  legermacht  uitbreiden  naar  de  zijde 
van  Namen  en  Dinant.  Zoo  bleef  die  krijgsraad  zonder  eenige 
gevolgen;  —  oude  Homerus!  hoezeer  hadt  gij  toch  gelijk,  toen 
gij  zeidet:  >'t  veelhoofdige  gezag  is  schaadlijk." 

Het  Keizerlijke  leger  brak  den  5"!  Juli  op  uit  het  kamp  van 
Andenne,  rukte  in  de  richting  van  Dinant,  en  bleef  eenige  dagen 
in  de  nabijheid  dier  stad,  toen  behoorende  tot  het  onzijdige 
Luikerland.  Den  11  en  stelde  het  leger  zich  weer  in  beweging, 
trok  de  Maas  hooger  op.  en  was  den  1300  in  de  nabijheid  van 
Givet.  De  Souches  deed  het  gerucht  verspreiden,  dat  hij,  steeds 
zuidwaarts  gaande,  Champagne  wilde  binnentrekken ;  hij  bepaalde 
den  dag  waarop  hij  in  Sedan  het  middagmaal  wilde  houden ;  en 
streelde  zijne  troepen  door  de  toezegging  van  plundering  op  het 
Fransche  grondgebied ;  trouwens,  reeds  in  De  Nederlanden  oefen- 
den deze  troepen  zich  in  het  plunderen.  Maar  van  die  groot- 
spraak werd  niets  bewaarheid ;  en  het  Keizerlijke  leger  bepaalde 
er  zich  toe,  den  i7en  weer  terug  te  gaan  op  Dinant,  zich  den 
i8cn  van  die  kleine  vesting  te  verzekeren  en  daar  eene  bezetting 
van  1800  man  te  plaatsen.  Het  was  eene  schending  van  de 
onzijdigheid,  —  eene  handeling  die  evenwel  niet  kan  worden 
beschouwd  als  een  erge  misdaad;  maar,  wanneer  men  toch  de 
onzijdigheid  wilde  schenden,  waarom   dit  dan  niet  gedaan  toen 


Digitized  by 


Google 


54  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

er  meer  voordeel  in  was  gelegen?  waarom  Luik  niet  bemach- 
tigd? —  dat  ware  van  oneindig  meer  belang  geweest  dan  het 
bezetten  van  Dinant. 

Gedurende  dien  marsch  op  den  rechteroever  van  de  Maas 
ging  het  Duitsche  leger  ten  opzichte  van  zijne  voeding  op  eene 
andere  wijze  te  werk  dan  men  toen  gewoon  was;  er  hadden 
geen  regelmatige  uitdeelingen  plaats,  maar  men  behielp  zich  dik- 
wijls met  de  hulpmiddelen  die  de  landstreek  opleverde.  Er  werd 
wel  brood  gebakken  te  Namen  en  te  Givet,  Spaansche  vestingen ; 
ook  graan  en  meel  aangevoerd  van  Luik;  maar  dit  was  niet  in 
genoegzame  hoeveelheid,  en  herhaaldelijk  moesten  de  troepen 
zelve  hun  onderhoud  zoeken.  De  paarden  werden  gevoed  met 
het  te  veld  staande  voeder;  voor  de  menschen  maaide  men  het 
rijpe  graan,  droogde  dit,  maalde  het  door  middel  van  hand- 
molens,  waarvan  men  er  een  paar  honderd  had  meegenomen  uit 
Luik,  en  bakte  daarvan  op  de  plaats  zelve  eene  soort  van  koe- 
ken of  brooden.  —  Beaurain  maakt  hier  de  opmerking,  dat, 
hoezeer  zulk  eene  wijze  van  voeding  voor  een  leger  veel  minder 
goed  is  dan  de  regelmatige  uitdeelingen  uit  magazijnen,  zij  even- 
wel soms  hare  voordeelen  kan  hebben,  en  een  leger  zich  dus 
moest  wennen  om  somtijds  op  die  wijze  zijne  voeding  te  zoe- 
ken. Men  had  dus  reeds  toen  (Beaurain  schreef  in  het  midden 
der  achttiende  eeuw)  eenig  denkbeeld  van  de  groote  voordeelen 
die  konden  voortvloeien  uit  het  verlaten  van  het  magazijnstelsel; 
voordeelen,  waaraan  de  Fransche  legers  in  de  eerste  jaren  der 
omwentelings-oorlogen  grootendeels  hunne  overwinningen  hebben 
te  danken  gehad. 

Aan  de  Fransche  zijde  had  men  intusschen  eenige  maatregelen 
genomen  om  den  gevreesden  inval  in  Champagne  tegen  te  gaan. 
Condé  kreeg  last  om  de  Sambre  meer  nabij  te  komen,  en  tus- 
schen  die  rivier  en  de  Maas  eene  troepenafdeeling  onder  Luxem- 
bourg  te  plaatsen,  om  het  Keizerlijke  leger  in  het  oog  te  houden. 
Een  ander  bevelhebber,  Rochefort,  moest,  na  de  verovering  van 
Franche-Comté,  met  eene  troepenmacht  oprukken  om  de  grenzen 
van  Lotharingen  en  Champagne  te  bezetten;  die  macht  van 
Rochefort  zou  bestaan  uit  eenige  bataljons  voetvolk  die  in 
Franche-Comté  werkzaam  waren,  uit  de  garde-ruiterij  {la  maison 
du  Rot\  en  uit  eenige  regimenten  die  Turenne  zou  afzenden ; 
Rochefort  moest,  naar  gelang  van  de  bewegingen  der  Duitschers, 
in  Lotharingen  blijven,  naar  het  leger  van  Turenne  oprukken^ 
of  wel  zich,  mét  Luxembourg,  aansluiten  bij  Condé.  Charleroi 
was  voorzien  van  eene  sterke  bezetting,  door  een  onzer  schrijvers 
—  Nieuwe  Mercurius  —  begroot  op  2000  man  voetvolk  en  1200 
ruiters,  onder  Montal. 


Digitized  by 


Google 


KRUGSVERRICHTINGEN  IN   DE  NEDERLANDEN.  55 

Condé  was  tot  den  28stcn  Juni  in  zijn  kamp  van  Ville-sur-Haine 
gebleven,  en  den  29sten  opgerukt  in  noordwestelijke  richting,  om, 
tusschen  Mons  en  Ath,  nabij  het  dorp  Brugeletle,  zijn  leger  neder 
te  slaan;  hier  bleef  hij  weer  een  paar  weken  standhouden,  niet 
dadelijk  gehoor  gevende  aan  de  aanmaningen  van  zijn  hof  om- 
De  Souches  te  beletten  een  inval  te  doen  in  Frankrijk.  Condé 
begreep  zeer  goed  hoe  weinig  die  inval  was  te  vreezen,  en  hij 
wilde  zijn  leger  geen  enkele  noodelooze  beweging  laten  verrich- 
ten ;  »hij  had,"  —  zegt  Beaurain  —  » die  stoute  gerustheid,  grooten 
veldheeren  eigen,  die  hunne  troepen  niet  vermoeien  door  nutte- 
looze  marschen,  en  die,  hunne  bewegingen  met  juistheid  rege- 
lende, altijd  zeker  zijn,  van  tijdig  de  verdediging  tegenover  den 
aanval  te  kunnen  stellen."  Den  i3cn  Juli  stelde  hij  zich  in  be- 
weging^ maar  rukte  niet  verder  voort  dan  tot  Estinnes,  nabij 
Binche;  hier  achtte  hij  zich  dicht  genoeg  bij  Charleroi  om  een 
beleg  van  die  vesting  te  kunnen  verhinderen.  De  sterkte  der 
stelling  waarin  hij  zijn  leger  plaatste,  liet  den  Franschen  veldheer 
ook  toe  zijne  macht  te  verminderen  door  het  afzenden  van  eene 
legerafdeeling  naar  de  landstreek  tusschen  Sambre  en  Maas. 
Luxembourg  werd  met  een  8  k  9000  man  derwaarts  gezonden, 
kwam  den  isen  Juli  daarmee  te  Philippeville,  en  deed  vergeefsche 
pogingen  om  het  bezetten  van  Dinant  door  de  Keizerlijken  te 
verhinderen.  De  macht  van  Rochefort  trok,  eerst  in  den  loop 
van  de  maand  Juli,  in  Lotharingen  bijeen;  in  de  eerste  dagen 
bestond  zij  alleen  maar  uit  ruiterij  en  uit  de  bezettingen  der 
steden  aan  de  boven-Maas;  later  versterkt,  moeten  Rochefort  en 
Luxembourg  aan  het  hoofd  van  een  20  000  man  hebben  gestaan ; 
De  Souches  had  toen  volgens  Beaurain  ruim  25000  man;  — 
maar,  mocht  die  kleine  getalmeerderheid  een  inval  doen  vreezen 
in  de  noordelijke  gewesten  van  Frankrijk,  spoedig  verdween  die 
vrees,  daar  de  Keizerlijke  veldheer  nu  weer  een  ander  besluit  nam. 

Oranje  en  Monterey  hadden  na  de  mislukte  onderhandelingen 
te  Thienen,  De  Souches  weer  gedurig  aangespoord  om  toch  zijn 
leger  bij  hunne  legers  te  voegen,  maar  te  vergeefs;  deze  beloofde 
alleen,  dat,  wanneer  men  zijn  leger  wilde  versterken  met  7  k 
8000  man  Hollandsche  en  Spaansche  troepen,  hij  het  beleg  zou 
slaan  voor  Mezières  of  eene  der  andere  vestingen  aan  de  boven- 
Maas.  Willem  III  gaf  zijne  toestemming  tot  dit  plan ;  —  niet, 
dat  hij ,  het  als  goed  beschouwde,  maar  hij  oordeelde  het  nog 
beter,  ddt  te  ondernemen,  dan  niets  te  doen.  Maar  toen  het  nu 
tot  eene  uitvoering  zou  komen,  trad  de  Keizerlijke  veldheer 
weer  terug,  en  kwam  met  een  ander  voorstel  voor  den  dag, 
daarin  bestaande,  dat  Willem  III  in  persoon  met  een  1 5  000  nrian 
wch  zou  aansluiten  bij  het  Keizerlijke  leger,  het  bevel  op  zich 
nemen  over  die  vereenigde  macht,  en  dan  het  beleg  slaan  voor 


Digitized  by 


Google 


56  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

eene  der  noordoostelijke  vestingen  van  Frankrijk.  Ook  daarin 
stemde  de  Stadhouder  toe;  niettegenstaande  het  gewaagde  dier 
handeling,  het  gevaar  waaraan  hij  de  Spaansche  Nederlanden 
blootstelde  door  het  aftrekken  met  een  zoo  sterk  gedeelte  van 
zijne  macht,  en  de  onzekerheid  van  voortdurend  te  kunnen 
rekenen  op  de  vrije  beschikking  over  het  Duitsche  leger.  Het 
Hollandsche  legerhoofd  oordeelde  dat  dit  de  eenige  wijze  was 
waarop  men  partij  kon  trekken  van  het  Keizerlijke  leger;  en 
dat,  wanneer  hij  eenmaal  bij  dat  leger  was,  hij  het  door  zijne 
werkdadigheid  en  geestkracht  wel  zou  kunnen  leiden  naar  zijne 
inzichten;  evenwel  way  hij  tegen  het  beleg  van  Mezières,  en 
wilde  liever  Rocroy  en  Philippeville  aanvallen,  en  nóg  liever 
Charleroi,  —  eene  zijdelingsche  wijze  om  het  leger  van  De  Souches 
toch  te  doen  aansluiten  bij  de  andere  legers.  Men  kwam  nu  overeen, 
dat,  om  die  vereeniging  van  de  legerafdeeling  van  Willem  III 
met  de  Keizerlijke  krijgsmacht  te  begunstigen,  de  Hollandsche 
en  Spaansche  legers  de  Maas  zouden  naderen,  De  Souches  van 
zijne  zijde  op  Namen  trekken  en  dan  een  ruiterkorps  van  3000 
paarden  op  den  anderen  oever  van  de  Maas  doen  overgaan,  om 
daardoor  den  marsch  van  het  legerkorps  des  Stadhouders  te 
ondersteunen. 

Den  i6en  Juli  begint  het  voetvolk  van  het  Hollandsche  leger 
zich  in  beweging  te  stellen;  het  breekt  op  van  de  omstreken 
van  Vilvoorden  en  rukt  op  Leuven,  waar  het  zich  plaatst  bij 
het  klooster  van  Beerthem,  —  of  van  Bethlehem,  zooals  de  naam 
bij  onze  schrijvers  voorkomt,  —  een  half  uur  ten  westen  van 
Leuven;  ook  de  ruiterij  is  den  17611  daar;  het  geschut  wordt  te 
Willebroek  ingescheept,  en  zoo  over  de  Dijle  nagezonden.  Den 
i8en  trekt  het  leger  des  Stadhouders  de  Dijle  over,  en  slaat  zijn 
kamp  neer  tusschen  Leuven  en  de  abdij  van  het  Park,  ten 
zuidoosten  van  die  stad.  De  Spaansche  troepen,  wier  werkdadig- 
heid al  niet  veel  grooter  was  dan  die  der  Keizerlijken,  kwamen 
eerst  den  1960,  door  d* Assen tar  aangevoerd,  op  den  linkeroever 
der  Dijle,  bij  het  klooster  van  Bethlehem.  De  zoon  van  De  Souches 
kwam  toen  om  nogmaals  de  voorgenomene  vereeniging  nader  te 
bepalen ;  en  hij  beloofde  dat,  in  plaats  van  3000  ruiters,  het  Keizer- 
lijke leger  er  5000  zou  afzenden  om  die  vereeniging  te  verzekeren, 
en  dat  hij  zijn  vader  zou  trachten  over  te  halen  om  nóg  grootere 
macht  op  den  linkeroever  van  de  Maas  te  doen  overgaa^i,  zelfs, 
als  het  kon,  het  geheele  leger;  — den  235100  zou  de  Souches  te 
Namen  zijn,  en  de  Stadhouder  daarnaar  zijne  bewegingen  regelen. 
Den  2  2sten  brak  dan  ook  de  Hollandsche  en  Spaansche  ruiterij 
op  van  de  omstreken  van  Leuven  en  rukte  naar  de  Geete,  tus- 
schen Thienen  en  Guldenaken  (Jodoigne);  den  23sten  volgde 
Willem   III   met  het   overige   des   legers;   den    24sten   werd    de 


Digitized  by 


Google 


KRIJGS VERRICHTINGEN   IN  DE   NEDERLANDEN.  57 

marsch  voortgezet  tot  de  vlakte  van  Mierdorp,  tusschen  de  beide 
Geete's  en  de  Méhaigne.  De  Souches,  eerst  eene  achter waartsche 
beweging  makende  op  Chinay,  was  den  2  2sten  op  Namen  ge- 
trokken, had  den  23steD  daar  6000  man  ruiterij  de  Maas  doen 
overgaan,  en  was  den  volgenden  dag  met  nog  2000  ruiters  ge- 
volgd; zoodat  hij  zich  den  24sten  met  8000  man  uitmuntende 
ruiterij  bij  de  Spaansche  en  Hollandsche  legers  aansloot. 

Condé,  onderricht  van  den  marsch  der  Keizerlijken  op  Namen, 
en  vermoedende  dat  het  hun  voornemen  was  om  de  Maas  over 
te  gaan,  besloot  Charleroi  meer  nabij  te  komen,  de  legerafdee- 
ling  van  Luxembourg  weer  tot  zich  te  trekken,  en  Rochefort  te 
belasten  met  het  bezetten  van  de  landstreek  tusschen  Sambre  en 
Maas.  Den  23sten  breekt  Condé  zijn  kamp  op  bij  Binche  en  rukt 
naar  den  Piéton,  een  kleine  rivier  die  zich  nabij  Charleroi  in  de 
Sambre  werpt;  hij  bezet  hier  eene  zeer  sterke  stelling,  voor  die 
tijden  bijna  onaanvalbaar.  Luxembourg  heeft  den  23sien  *s  ochtends 
te  Philippeville  het  bevel  gekregen  om  zich  weer  bij  de  hoofd- 
macht te  voegen ;  hij  marcheert  nog  dien  dag  op  Marchienne-au- 
Pont,  gaat  den  24sten  de  Sambre  over,  en  neemt  stelling  bij 
Fontaine-rEvêque ;  zoodat  hij  zoo  goed  als  vereenigd  is  met 
Condé,  wiens  rechtervleugel  hij  beschermt.  Rochefort,  den  25 sten 
van  Sedan  opgebroken,  is  den  26sten  te  Philippeville;  de  Maison 
du  Rot  blijft  daar  niet,  maar  rukt  op  naar  het  hoofdleger  van  Condé. 

Of  nu  die  bewegingen  van  den  P'ranschen  veldheer  Oranje 
en  Monterey  werkelijk  deden  gelooven,  dat  de  vijand  voornemens 
was  hun  te  gemoet  te  rukken  en  aan  te  vallen,  is  onzeker;  maar 
zij  hielden  zich  ten  minste  alsof  zij  dit  geloofden ;  en  zij  drongen 
daarom  nogmaals  aan  bij  De  Souches  op  eene  geheele  vereeuiging, 
hem  ten  breedste  de  gevaren  en  rampen  uitmetende,  onvermij- 
delijk verbonden  aan  eene  splitsing  der  strijdkrachten  tegenover 
een  ondernemend  vijand  die  de  zijne  vereenigd  hield.  Na:  veel 
sprekens,  beraadslagens  en  tegenstrevens  zwichtte  De  Souches, 
en  gaf  hij  zijne  toestemming  tot  den  overgang  van  het  geheele 
Keizerlijke  leger  op  den  linker  Maasoever.  Maar  den  volgenden 
dag  in  zijn  kamp  teruggekeerd,  veranderde  de  Keizerlijke  veld- 
heer weer  van  voornemen  en  kwam  terug  op  zijne  vroegere 
voorstellen  tot  een  inval  in  Lotharingen  en  Champagne.  Oranje 
en  Monterey,  het  behaalde  voordeel  niet  meer  willende  verliezen, 
kwamen  nogmaals  op  de  reeds  gebezigde  drangredenen  terug, 
en  deden  De  Souches,  met  hoeveel  weerzin  dan  ook,  eindelijk 
aan  zijn  leger  het  bevel  geven  tot  den  overtocht  van  de  Maas. 
Die  overtocht  had  met  groote  langzaamheid  plaats^  en  duurde 
de  drie  dagen  van  25,  26  en  27  Juli;  eerst  den  28sten  Juli  ge- 
schiedde aan  de  Méhaigne  de  vereeniging  van  de  drie  legers  der 
bondgenooten. 


Digitized  by 


Google 


58  KRITGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Om  het  zoover  te  brengen  had  Oranje  mogelijk  evenveel  be- 
kwaamheid moeten  gebruiken  als  noodig  was  voor  het  behalen 
van  eene  schitterende  overwinning,  en  stellig  veel  meer  geduld; 
en  toch,  eer  het  zoover  was,  was  reeds  het  beste  gedeelte  van 
den  zomer  verloopen,  zoodat  er  slechts  een  klein  gedeelte  van 
het  jaar  overbleef  om  iets  tegen  den  vijand  te  ondernemen.  Dien 
ongelukkigen  toestand  moet  men  niet  uit  het  oog  verliezen,  wil 
men  de  strategische  handelingen  van  Willem  III,  van  dien  tijd, 
beoordeelen:  hij  is  niet  vrij  in  die  handelingen:  hij  is  het  genie, 
worstelende  tegen  traagheid,  kleingeestigheid  en  onkunde,  die 
tegenover  de  diepst  doordachte,  best  berekende  ontwerpen  niets 
anders  stellen  dan  een  onwil  en  eene  onwerkzaam heid,  die  soms 
het  onuitputtelijkste  geduld  wanhopend  moeten  maken. 

Beaurain  stelt  de  sterkte  der  verbondene  legers  na  hunne 
vereeniging  in  het  geheel  op  een  65  k  70000  man;  bestaande 
uit  30000  man  Hollandsche  troepen,  12000  Spanjaarden  en 
25000  Duitschers.  Wij  gelooven  dat  die  sterkte  te  hoog  is  ge- 
steld en  op  niet  meer  dan  een  60000  man  mag  worden  geschat. 
De  opgaven  van  Beaurain  gelooven  wij  niet  onnauwkeurig  ten 
aanzien  van  de  Hollandsche  en  Spaansche  troepen,  waarvan  de 
sterkte  door  onze  schrijvers  nagenoeg  evenzoo  wordt  vermeld; 
maar  het  Duitsche  leger  kan  geen  25000  man  zijn  geweest.  Dat 
leger  toch  telde  bij  het  begin  van  den  veldtocht,  volgens  de 
hoogste  opgave,  27000  man;  op  den  rechteroever  van  de  Maas 
bleef,  nabij  Chinay,  onder  den  Prins  van  Baden,  eene  afdeeling 
achter  van  een  6000  man,  die  later,  in  Augustus,  naar  den  Rijn 
trok  en  zich  bij  Bournonville  neerslaat;  Dinant  was  bezet  door 
1800  man;  het  Duitsche  leger  was  —  volgens  de  opgave  van 
Beaurain  zelf  — ,  aanmerkelijk  verzwakt  door  desertiën;  —  de 
macht  waarmede  De  Souches  zich  aansloot  bij  Willem  III,  moet 
dus  stellig  beneden  de  20000  man  zijn  geweest,  en  dus  de  ge- 
heele  sterkte  van  de  bondgenooten  ongeveer  een  60000  man 
hebben  bedragen.  —  Natuurlijk  is  het  niet  noodig  het  cijfer  van 
90000  man  te  bespreken,  dat  bij  Rousset  voorkomt  voor  de 
sterkte  van  het  leger  der  bondgenooten. 

Maar,  hoezeer  vereenigd,  bleef  er  toch  nog  altijd  eene  scherpe 
afscheiding  bestaan  tusschen  de  drie  verschillende  legers,  en  op 
eenheid  van  handelen  viel  niet  veel  te  rekenen;  er  was  nog 
dezelfde  verdeeldheid  en  oneensgezindheid  tusschen  de  onderbe- 
velhebbers, en  dus  dezelfde  wankeling  in  hunne  handelingen.  De 
Souches  was  misnoegd  op  Willem  III  en  Monterey,  omdat  deze 
hem  tegen  zijn  zin,  half  door  misleiding,  hadden  doen  besluiten 
tot  eene  vereeniging,  die  hij  niet  had  gewild,  en  die  hij  bij  de 
eerste  gelegenheid  de  beste  weer  wilde  doen  ophouden.  Dat 
misnoegen   was  bekend  en   deelde  zich  mede  aan  de  officieren, 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN   IN   DE  NEDERLANDEN.  59 

aan  de  soldaten,  zoodat  er  bij  de  Keizerlijke  troepen  eene  bijna 
vijandige  gezindheid  bestond  jegens  de  andere  troepen  der  bond- 
genooten.  Dit  was  te  meer  te  betreuren,  omdat  de  troepen  van 
De  Souches  toen  gerekend  werden  de  meeste  militaire  waarde 
te  bezitten :  de  Spaansche  regimenten,  niet  voltallig,  en  gebrekkig 
uitgerust,  stonden  op  een  lageren  trap ;  en  het  Hollandsche  leger, 
nog  onder  den  indruk  van  de  tegenspoeden  van  1672,  had  dien 
nog  niet  kunnen  uitwisschen,  en  nog  geen  overtuigende  blijken 
kunnen  geven  van  de  uitstekende  dapperheid  die  het  sinds  be- 
toonde. 

Van  het  Hollandsche  leger  vindt  men  bij  onze  schrijvers  eene 
soort  van  slagorde,  waarvan  eene  nadere  mededeeling  hier  niet 
onbelangrijk  is  te  achten. 

Dat  leger  bestond  uit  een  rechter-  en  linkervleugel; 
ieder  samengesteld  uit  2  brigaden  ruiterij  en  2  brigaden  voetvolk. 
De  rechtervleugel  stond  onder  het  bevel  van  den  ouden  graaf 
Maurits  van  Nassau,  de  linkervleugel  onder  Waldeck.  £lke  brigade 
ruiterij  telde  5  of  6,  elke  brigade  voetvolk  8  of  9  regimenten; 
bovendien  had  men  nog  —  niet  ingedeeld  —  de  lijfgarde  onder 
Ouwerkerk,  en  het  regiment  garde-ruiterij  onder  Bentinck. 

De  ruiterij  van  den  rechtervleugel  stond  onder  het  bevel  van 
den  graaf  van  Nassau. 

In  de  eerste  linie  had  men,  behalve  de  lijfgarde  van  Ouwer- 
kerk en  Bentinck's  regiment,  de  eerste  ruiterij-brigade,  onder 
Ginkel,  samengesteld  uit  de  6  regimenten:  van  den  graaf  van 
Nassau,  Ginkel,  Langerak,  Obdam,  van  den  Prins  van  Koerland, 
en  van  Flodorp. 

De  tweede  linie  van  de  ruiterij  stond  onder  den  Commis- 
saris-generaal De  Mompouillan,  en  werd  uitgemaakt  door  de 
tweede  brigade,  onder  het  bevel  van  den  heer  Van  der  Lek,  en 
samengesteld  uit  de  5  regimenten:  van  Mompouillan,  Van  der  Lek, 
*s  Gravenmoer,  Hoorenberg  en  Kroonenburg. 

De  infanterie  van  den  rechtervleugel  werd  aangevoerd  door 
den  generaal  Aylva ;  onder  zich  hebbende  Fariaux,  den  vroegeren 
verdediger  van  Maastricht. 

In  de  eerste  linie  stond  de  eerste  brigade,  onder  Solms, 
bestaande  uit  de  9  regimenten:  van  de  garde,  van  vorst  Maurits, 
Stirum,  Solms,  Vilaumaire,  van  den  jongen  Prins  Maurits,  Stok- 
heim,  Berkevelt  en  Turck. 

In  de  tweede  linie  had  men  de  tweede  brigade,  onder  Wee, 
en  bestaande  uit  de  8  regimenten:  van  Aylva,  Fariaux,  Wee, 
Thouars,  Amema,  Schwartsenburg,  Momout  en  Cassiopijn. 

Van  den  linkervleugel  werd  de  ruiterij  aangevoerd  door 
den  generaal  Steenhuyse. 

De   eerste  linie   werd  uitgemaakt  door  de  derde  brigade, 


Digitized  by  VjOOQIC 


6o  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

onder  Weybnum,  en  was  samengesteld  uit  de  6  regimenten:  van 
Waldeck,  Steenhuyse,  Weybnum,  Sander  van  Welle,  Eppe  en 
Brederode. 

In  de  tweede  linie  stond  de  vierde  brigade,  onder  Witt- 
genstein,  tellende  de  5  regimenten:  van  Prins  Hendrik  Casimir 
van  ïViesland,  Wittgenstein,  Prins  Frits  van  Nassau,  Kingma  en 
Schellaert. 

Bij  de  infanterie  stond  in  de  eerste  linie  de  derde  brigade, 
onder  Heeswijk,  bevattende  de  9  regimenten:  van  Waldeck,  Hees- 
wijk,  Sedlenitzky,  Mario,  Brantswart,  Burmania,  den  Prins  van 
Holstein,  Palm  en  Polants. 

In  de  tweede  linie  stond  de  vierde  infanteriebrigade,  onder 
Erpach,  bestaande  uit  de  8  regimenten:  van  Erpach,  Eijbergen, 
Gockinga,  Leendorf,  Veersse,  Laverne  en  Cornaal.  (Hier  worden 
dus  maar  zeven  regimenten  genoemd,  van  de  acht). 

Van  de  dragonders  wordt  niet  afzonderlijk  gesproken  5  mogelijk 
zijn  die  bij  de  infanterie  gerekend. 


HOOFDSTUK  XIII. 

SLAG   VAN   SÉNEFFE   (ll    AUGUSTUS    1674). 

Den  28steii  Juli  aan  de  Méhaigne  vereenigd,  bij  Perwijs,  bleef 
het  leger  der  bondgenooten  daar  nog  drie  dagen  werkeloos, 
denkelijk  om  de  gewichtige  vragen  te  bespreken  van  het  opper- 
bevel en  van  de  orde  waarin  de  verschillende  legers  zouden 
marcheeren.  Den  isten  Augustus  begint  de  marsch,  in  westelijke 
richting;  dien  dag  komt  men  te  Conroy;  den  2en  te  Ottignies, 
aan  de  Dijle;  den  300  gaat  men  die  rivier  over  en  bereikt 
Genappe;  den  4en  slaat  men  een  kamp  op,  nabij  Nivelles. 

Groot  waren  die  marschen  niet,  gemiddeld  ruim  twee  uur 
daags,  en  de  bewegingen  van  de  bondgenooten  dragen  geheel 
en  al  het  kenmerk  van  de  onzekerheid  die  er  is  in  de  inzichten 
der  aanvoerders.  Sommige  dier  aanvoerders,  vooral  Willem  III, 
wilden  met  het  geheele  vereenigde  leger  Condé  opzoeken  in 
zijne  stelling  achter  den  Piéton ;  anderen,  daaronder  De  Souches, 
oordeelden  zulk  eene  handeling  te  gevaarlijk,  en  wilden  daarom 
voortrukken  tusschen  het  Fransche  leger  en  Vlaanderen,  en  het 
beleg  slaan  voor  eene  der  vijandelijke  vestingen. 

Er  waren  redenen  voor,  en  redenen  tegen  dien  aanval  op 
Condé's  stelling. 


Digitized  by 


Google 


SLAG   VAN   SÉNEFFE   (ll    AUGUSTUS    1674).  61 

Aan  den  eenen  kant  was  het  eene  stellige  waarheid,  dat,  wilde 
men  eene  belangrijke  uitkomst  verkrijgen,  wilde  men  aan  den 
krijg  eene  beslissende  wending  geven,  het  leveren  van  een  veld- 
slag noodzakelijk  was.  Dit  had  Willem  III  zeer  juist  ingezien ;  en 
men  kan  het  ook  bij  meer  andere  veldtochten  van  dien  vorst 
opmerken  hoezeer  hij  streeft  naar  het  leveren  van  een  veldslag 
en  weinig  hecht  aan  het  belegeren  en  innemen  van  eene  enkele 
vesting,  —  eene  handeling  waarin  de  legerhoofden  van  dien  tijd 
soms  het  eenige  doel  zagen  van  den  oorlog.  Eene  overwinning 
op  het  Fransche  leger  kon  de  bondgenooten  in  Frankrijk  doen 
doordringen,  kon  beslissende  voordeden  doen  behalen;  en  de 
sterkleverhouding  van  de  beide  partijen  —  60  000  man  der  bond- 
genooten tegen  45  k  50000  man  van  Condé  —  mocht  eenigs- 
zins  doen  rekenen  op  die  overwinning. 

Maar,  kon  eene  overwinning  der  bondgenooten  den  oorlog 
naar  Frankrijk  overbrengen,  eene  nederlaag  kon  ook  de  Spaansche 
Nederlanden  in  groot  gevaar  doen  verkeeren;  het  eene  woog 
het  andere  op.  Zooeven  is  gezegd,  dat  de  overmacht  van  de 
bondgenooten  hen  bij  een  veldslag  eenigszins  mocht  doen 
rekenen  op  de  overwinning;  maar  die  overwinning  werd  weer 
minder  waarschijnlijk  door  andere  omstandigheden.  De  troepen 
der  bondgenooten  waren  troepen  van  verschillende  staten,  en, 
reeds  daarom  alleen,  minder  goed  dan  het  Fransche  leger.  De 
aanvoering  bij  de  bondgenooten  werd  ook  minder  goed  geacht 
dan  bij  de  Franschen;  —  spreekt  iemand  dit  tegen  en  beweert 
hij,  dat  Willem  III  als  veldheer  niet  beneden  Condé  moet  wor- 
den gesteld,  dan  antwoorden  wij  daarop:  dat  de  latere  beoor- 
deelaar, dat  de  nakomelingschap  zeer  goed  en  met  grond  zulk 
een  gevoelen  kan  aankleven,  maar  dat  de  tijdgenooten  in  1674 
niet  zoo  oordeelden;  voor  hen  was  Willem  III  een  jong  veld- 
heer, in  wien  de  kiemen  van  groote  hoedanigheden  schenen  te 
rusten,  maar  die  nog  niet  in  het  minst  kon  worden  vergeleken 
met  den  ouden,  beproefden  Condé,  die  reeds  voor  meer  dan 
dertig  jaar  als  zegevierend  veldheer  was  opgetreden,  en  zich, 
door  strijd  op  strijd  en  overwinning  op  overwinning,  beroemd 
en  geducht  had  gemaakt.  Het  is  dus  den  opperhoofden  der 
bondgenooten  volstrekt  niet  ten  kwade  te  duiden,  dat  zij,  de 
beide  veldheeren  vergelijkende,  daarin  eene  minderheid  aan  hunne 
zijde  zagen,  die  eene  overwinning  op  het  Fransche  leger  minder 
waarschijnlijk  maakte. 

Wat  eindelijk  de  onzekerheid  van  zulk  eene  overwinning  ver- 
meerderde, was  de  sterkte  van  de  stelling  waarin  zich  het  Fransche 
leger  had  geplaatst. 

Die  stelling  bevond  zich  in  de  nabijheid  van  de  rivier  den 
Piéton.  Die  kleine  stroom,  zijn  oorsprong  nemende  op  een  klein 


Digitized  by 


Google 


02  KRIJGS-   EN  GKSCHIKDKUNOIGE  BESCHOUWINGEN. 

kwartieruurs  westelijk  van  Fontaine-l'Evêque,  stroomt  over  eene 
lengte  van  omstreeks  anderhalf  uur  gaans  in  de  richting  van  het 
zuiden  naar  het  noorden,  wendt  zich  dan  naar  het  oosten,  en, 
na  een  klein  uur  in  die  richting  te  hebben  geloopen,  buigt  hij 
zich  weer  om  naar  het  zuiden,  in  eene  richting  nagenoeg  even- 
wijdig aan  de  in  den  beginne  gevolgde;  alleen  in  het  laatste  ge- 
deelte van  haren  loop  wendt  de  beek  zich  meer  naar  de  zijde 
van  Charleroi,  en  stort  zich  in  de  nabijheid  van  die  stad  in 
de  Sambre.  Tusschen  die  beide  evenwijdige  gedeelten  van  den 
Piéton  bevond  zich  het  legerkamp  van  Condé,  met  de  rugzijde 
onmiddellijk  geleund  aan  het  meest  westelijke  gedeelte  der 
beek,  en  front  makende  naar  het  oostelijk  gedeelte  waarvan 
het  kamp  een  drie  kwartier  gaans  verwijderd  was.  Drie  kwartier 
gaans  was  ook  nagenoeg  de  frontlengte  van  het  kamp,  dat  links 
leunde  aan  het  gehucht  Chaufour,  rechts  aan  het  bosch  van 
La  Marche. 

Van  de  zijde  van  de  Méhaigne  komende,  was  dit  kamp  moeielijk 
aan  te  vallen;  want  het  leger  der  bondgenooten  moest  dan  den 
Piéton  overtrekken,  op  geen  uur  afstands  van  den  vijand,  en  die 
overtocht  zou  bezwaarlijk  zijn,  omdat  de  beek  daar  zeer  moe- 
rassig was;  bovendien,  was  men  de  beek  over,  dan  had  men  bij 
een  veldslag  altijd  het  nadeel  van  eene  moeielijke  terreinhindernis 
in  den  rug  des  legers  te  hebben.  Het  terrein  tusschen  het  ooste- 
lijke gedeelte  van  den  Piéton  en  het  Fransche  legerkamp  was 
ook  alles  behalve  gunstig  voor  den  aanvaller:  het  was  bedekt 
en  doorsneden,  men  had  daar  bosschen  en  kleine  beken,  het 
dorp  Trasignies  met  het  kasteel  van  dien  naam,  het  dorp  Forsies, 
en  het  kasteel  La  Marche ;  zulk  een  slagveld  was  dus  zeer  voor- 
deelig  voor  de  verdediging,  en  maakte  vooral  de  sterke  en  over- 
machtige  ruiterij  der  bondgenooten  schier  onnut.  De  linkervleugel 
van  de  Fransche  stelling  werd  goed  beschermd  door  de  kleine 
beek  van  Trasignies,  die  zich  nabij  Chaufour  in  den  Piéton 
werpt;  de  rechtervleugel  was  sterk  door  het  bosch  en  kasteel 
van  La  Marche,  en  door  verschansingen  die  Condé  had  laten 
opwerpen,  van  het  bosch  tot  waar  de  beek  van  Trasignies  be- 
gint. Eene  omtrekking  van  den  rechtervleugel  werd  bovendien 
verhinderd  door  de  legerafdeeling  van  Luxembourg,  die  de 
ruimte  afsloot  tusschen  het  rechteruiteinde  van  het  kamp  van 
Condé  en  de  Sambre.  Eindelijk,  wanneer  men  de  stelling  der 
Franschen  wilde  naderen  van  den  kant  van  Séneffe,  aan  de 
achterzijde,  dan  ontmoette  men  hier  het  westelijk  gedeelte  van 
den  Piéton,  dat  de  rugzijde  van  het  kamp  beschermde,  en  in  welks 
onmiddellijke  nabijheid  Condé  eene  verschanste  linie  had  doen 
opwerpen ;  aan  die  zijde  kon  men  ook  van  de  dorpen  en  kasteelen 
van  Piéton  en  Arloimont  en  van  het  dorp  Gouy  gebruik  maken 
om  den  aan  vallenden  vijand  te  weerstaan.  —  De  nabijheid  van 


Digitizecf  by 


Google 


SLAG   VAN  SÉNEFFE   (l  I    AUGUSTUS    1674).  63 

Charleroi  verzekerde  altijd  den  aanvoer  van  levensmiddelen  naar 
het  Fransche  legerkamp. 

Zulk  eene  stelling  zou  zelfs  bij  de  nieuwere  oorlogen  als  sterk 
worden  beschouwd;  in  een  tijd  toen  de  legers  zooveel  minder 
beweegbaar  waren,  zooveel  minder  artillerie  met  zich  mede- 
voerden —  en  artillerie  van  zooveel  mindere  waarde  —  en  daar- 
door zooveel  minder  geschikt  waren  voor  den  aanval,  —  in  zulk 
een  tijd  moest  eene  stelling  als  de  hier  beschrevene  worden  ge- 
rekend als  buitengewoon  sterk,  als  bijna  onaanvalbaar ;  en  het  is 
derhalve  in  De  Souches  niet  af  te  keuren,  dat  hij  niet  wilde 
overgaan  tot  den  aanval. 

Het  voorstel  tot  dien  aanval,  door  Willem  III  gedaan,  werd 
in  een  krijgsraad  van  de  legerhoofden  der  bondgenooten  ver- 
worpen, en  daarentegen  het  vrij  onbepaalde  besluit  genomen  om 
»tusschen  het  Fransche  leger  en  de  vestingen  van  Vlaanderen 
voort  te  rukken."  Daardoor  zou  men  Condé's  gemeenschap  met 
Frankrijk  bedreigen  en  hem  op  die  wijze  dwingen  om  zonder 
slag  of  stoot  zijne  stelling  te  verlaten;  dan  warefi  de  Fransche 
grensgewesten  blootgesteld  aan  een  inval,  en  van  de  achterlig- 
gende Vlaamsche  vestingen  kon  men  dan  uitkiezen  welke  men 
wilde  belegeren.  Het  voorstel  vond  zooveel  bijval,  juist  omdat 
het  zoo  onbepaald  was,  zoo  weinig  beslissend,  omdat  men  zich 
daarbij  zoo  weinig  verbond,  zich  zoo  weinig  aan  gevaar  bloot- 
stelde; want  het  is  geen  nieuwe,  maar  toch  eene  ware  aanmer- 
king die  Beaurain  hier  maakt:  dat  men,  bij  de  krijgsraden  tus- 
schen  bondgenooten  meest  altijd  de  voorkeur  geeft  aan  die 
handeling,  die  men  de  voorzichtigste  noemt,  maar  die  stel- 
lig de  langzaamste  en  minst  beslissende  is. 

Toch,  hoezeer  dat  besluit  genomen  was  om  Condé  niet  aan 
te  vallen,  besloot  men  dien  veldheer  te  gemoet  te  rukken  en 
zijne  stelling  te  naderen  om  zich  meer  te  overtuigen  van  de 
groote  sterkte  dier  stelling.  Men  moet  dat  besluit  eenigszins 
aanmerken  als  eene  soort  van  inschikkelijkheid  van  de  andere 
legerhoofden  der  bondgenooten  ten  opzichte  van  Willem  III: 
vastelijk  voornemens  om  niet  te  voldoen  aan  den  wensch  van 
dien  vorst  om  Condé  aan  te  vallen,  wilden  zij  evenwel,  door 
de  Fransche  stelling  te  naderen,  den  schijn  aannemen  alsof  zij 
niet  ongezind  waren  tot  dien  aanval,  maar  daarvan  alleen  afjagen 
om  de  groote  sterkte  van  's  vijands  stelling. 

Den  9eD  Augustus  breekt  het  leger  der  bondgenooten  zijn 
kamp  bij  Nivelles  op,  en  stelt  het  zich  in  beweging;  het  mar- 
cheert uit  de  rechterflank,  gaat  de  kleine  rivier  de  Senne  over, 
en  plaatst  zich  in  een  kamp  aan  de  overzijde,  de  rechtervleugel 
nabij  het  dorp  Famille-^-Roeulx,  de  linkervleugel  bij  Arquennes; 


Digitized  by 


Google 


04  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

voorwaarts  van  den  rechtervleugel  had  men  het  dorp  Séneife, 
met  de  daar  aanwezige  bosschen  en  beken.  Dddr  was  men  slechts 
op  een  uur  afstands  van  het  Fransche  kamp. 

Den  loen  Augustus  bleef  men  in  die  stelling.  De  verkenningen 
die  men  van  de  vijandelijke  stelling  deed,  gaven  de  overtuiging 
dat  die  stelling  te  sterk  was,  en  deden  afzien  van  eiken  aanval. 
Maar  nu  deed  zich  de  vraag  voor :  wat  men  ddn  wilde  doen  ?  — 
De  voorzichtigsten  stelden  de  belegering  van  Ath  voor;  de 
stoutsten  merkten  daartegen  aan,  dat  de  belegering  van  die  ves- 
ting tijd  zou  doen  verliezen,  omdat  Ath  goed  bezet  en  goed 
voorzien  was;  en  dat,  wanneer  men  die  vesting  had  ingenomen, 
men  nog  maar  een  onbeduidend  voordeel  had  behaald,  dat 
Frankrijk  niet  in  het  minst  in  gevaar  bracht;  zij  sloegen  daarom 
voor,  den  marsch  naar  de  Fransche  grenzen  voort  te  zetten,  den 
oorlog  over  te  brengen  in  Frankrijk  zelf,  dddr  de  eene  of  andere 
groote  vesting  te  belegeren,  of  door  te  dringen  tot  de  Somme 
of  tot  de  Oise:  zulk  eene  handeling  was  veel  meer  beslissend, 
en  niet  gevaarlijk,  omdat  men  in  de  Spaansche  vesting  Kamerijk 
een  steunpunt  had,  waaruit  men  toevoer  kon  trekken.  —  Het 
stoutste  gevoelen  behield  ditmaal  de  overhand;  en  er  werd  be- 
sloten, den  II en  op  marsch  te  gaan  naar  Binche,  en  van  daar 
Frankrijk  binnen  te  rukken. 

Bij  dien  marsch  zou  men  zich  geruimen  tijd  bewegen  op  kor- 
ten afstand  van  het  vijandelijke  leger,  dat  men  daarbij  op  de 
linkerflank  had;  sommige  aanvoerders  der  bondgenooten,  onder 
anderen  de  Spaansche  generaal  d'Assentar,  oordeelden  die  be- 
weging te  gevaarlijk;  maar  de  meerderheid,  —  vooral  De  Souches  — 
ontkende  dat  gevaar,  wees  de  weinige  waarschijnlijkheid  aan  dat 
Condé  zou  aanvallen,  en  toonde  aan,  dat,  wanneer  men  al  een 
flankmarsch  op  korten  afstand  van  den  vijand  ging  verrichten, 
men  toch  tusschen  het  marcheerende  leger  en  den  vijand  een 
moeilijk  terrein  had,  met  beken  en  bosschen,  door  middel  waar- 
van men  een  vijandelijken  aanval  genoegzaam  kon  afweren. 

Dit  gevoelen  behield  de  overhand,  en  in  den  vroegen  ochtend 
van  den  iien  Augustus  ving  de  marsch  aan.  Men  volgde  daarbij 
drie  verschillende  wegen :  de  meest  linksche,  die  het  meest  nabij 
den  vijand  was,  diende  voor  de  ruiterij;  de  middelste  voor  het 
voetvolk;  de  meest  rechtsche  voor  geschut  en  bagage.  De  drie 
verschillende  legermachten  der  bondgenooten  marcheerden  ieder 
op  zichzelve:  vooraan  De  Souches  met  de  Keizerlijken,  in  het 
midden  de  Hollandsche  krijgsmacht,  achteraan  de  Spanjaarden. 
Om  den  marsch  te  dekken  werd  bij  Séneffe  eene  achterhoede 
geplaatst,  bestaande  uit  4000  ruiters  en  7  ^  800  dragonders,  ge- 
trokken uit  de  drie  verschillende  legermachten,  en  vereenigd 
onder  het  bevel  van  den  Prins  De  Vaudemont. 


Digitized  by 


Google 


SLAG  VAN   SÉNEFFE   (ll    AUGUSTUS    1674).  65 

Wanneer  men  op  de  kaart  dien  marsch  nagaat,  dan  ziet  men, 
dat  hoezeer  het  een  üankmarsch  was  op  korten  afstand  van  den 
vijand,  die  marsch  evenwel  op  zichzelf  geen  gevaar  opleverde, 
en  de  daarbij  genomen  dispositiën  zeer  goed  waren :  het  moeilijke 
terrein,  de  beek  en  de  bosschen  die  men  gedurende  den  marsch 
op  de  linkerflank  had,  maakten  een  aanval  aan  die  zijde  weinig 
waarschijnlijk;  en  de  sterke  afdeeling  ruiterij  van  De  Vaudemont 
moest  den  rug  van  het  leger  dekken^  wanneer  Condé  aan  die 
zijde  wilde  aanvallen;  die  ruiterij  zou  den  vijand  lang  genoeg 
kunnen  ophouden  om  aan  het  leger  den  tijd  te  geven  van  terug 
te  keeren  en  zich  tegen  den  vijand  te  wenden.  —  Dat  zou  ook 
waar  zijn,  werd  de  marsch  goed  uitgevoerd;  maar  de  troepen 
van  dien  tijd  waren  hierin  niet  zeer  geoefend;  het  bedekte, 
moeilijke  terrein  waardoor  men  trok,  begunstigde  bovendien  den 
marsch  niet ;  en  —  wat  het  voornaamste  was  —  de  weinige  een- 
heid die  er  bestond  tusschen  de  verschillende  deelen  van  der 
bondgenooten  legermacht,  had  moeten  doen  inzien,  dat  men 
niet  te  veel  moest  rekenen  op  de  wederkeerige  ondersteuning 
van  die  deelen;  en  dat,  al  kon  het  hoofd  des  legers  tijdig  ge- 
noeg komen  tot  ondersteuning  der  aangevallen  achterhoede,  dit 
daarom  nog  geen  bewijs  was,  dat  het  dit  zou  doen. 

Condé,  een  aanval  des  vijands  verwachtende,  nam  de  grootste 
waakzaamheid  in  acht,  en  was  den  iien  reeds  met  het  krieken 
van  den  dag  te  paard  om  de  bewegingen  van  dien  vijand  gade 
te  slaan.  Weldra  krijgt  hij  bericht  van  den  marsch  der  bondge- 
nooten en  ziet  spoedig  hunne  colonnen  voortrukken  in  de  rich- 
ting van  Famille-êi-Roeulx  en  Séneffe.  Dadelijk  besluit  de  Fransche 
veldheer  den  vijand  bij  zijn  marsch  aan  te  vallen,  zich  te  Séneffe 
op  de  achterhoede  te  werpen,  en  deze  te  verslaan  voordat  het 
marcheerende  leger  haar  kan  te  hulp  komen;  de  groote  uitbrei- 
ding die  de  vijandelijke  colonnen  hebben,  de  moeilijkheid  der 
wegen  die  zij  volgen,  en  de  snelheid  en  onstuimigheid  waarmede 
zijn  eigen  troepen  weten  te  handelen,  —  dit  alles  doet  Condé 
op  eene  overwinning  rekenen. 

Besluit,  bevel  en  uitvoering  volgden  bij  dien  veldheer  elkan- 
der op  den  voet,  en  oogenblikkelijk  zijn  de  beschikkingen  uit- 
gevaardigd voor  den  voorgenomen  aanval.  Reeds  den  dag  te 
voren  waren  twee  regimenten  voetvolk  en  eene  brigade  ruiterij 
te  Gouy,  bij  eene  waadbare  plaats  van  den  Piéton,  gesteld  om 
de  bondgenooten  tegen  te  houden,  wanneer  dezen  daar  den  over- 
tocht van  de  beek  wilden  beproeven;  die  troepen  doet  Condé 
de  beek  doortrekken,  en  zich  plaatsen  tusschen  den  Piéton  en 
de  beek  van  Séneffe,  bedekt  achter  eene  hoogte  waarop  de 
Franschen  een  vooruitgeschoven  post  hebben.  Het  regiment  van 
Navarre  en  andere  infanterie  volgen  die  beweging,  gaan  bij  het 

WILLEM  iiL  —  II.  5 


Digitized  by 


Google 


66  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

dorp  Montago  —  nabij  Gouy  —  den  Piéton  door,  en  plaatsen 
zich,  ook  bedekt,  achter  de  hoogte,  op  den  rechtervleugel  van 
de  aldaar  reeds  staande  troepen;  de  infanterie  heeft  6  stukken 
geschut  bij  zich.  Het  geheele  Fransche  leger  ontvangt  bevel  om 
op  te  breken  en  naar  Gouy  te  trekken,  ten  einde,  als  het  noodig 
is,  de  troepen  te  ondersteunen  die  den  aanval  zullen  beginnen; 
de  afdeeling  van  Luxerabourg  volgt  de  beweging,  en  die  aan- 
voerder voegt  zich  in  persoon  bij  Condé.  Eene  afdeeling  van 
400  ruiters,  onder  Saint-Clar,  is  afgezonden  om  het  hoofd  van 
de  colonnen  der  bondgenooten  te  verontrusten,  dür  met  een 
ernstigen  aanval  te  bedreigen  en  zoodoende  te  verhinderen  dat 
de  aangevallene  achterhoede  te  hulp  wordt  gekomen. 

De  Vaudemont  had  zich  met  zijne  ruiterij  geplaatst  op  eene 
kleine  vlakte,  achterwaarts  van  Séneffe  en  evenals  dat  dorp  ge- 
legen op  den  linkeroever  van  de  beek  die  daar  in  noordelijke 
richting  stroomt  en  zich  verder  in  de  Senne  werpt.  Die  ruiterij 
had  haar  rechtervleugel  geleund  aan  moerassig  terrein,  waardoor 
een  tak  van  de  beek  van  Séneffe  stroomt;  de  linkervleugel 
leunde  aan  een  bosch,  westelijk  van  Séneffe.  De  beperkte  ruimte 
had  hier  genoodzaakt  de  ruiterij  op  drie  liniën  te  stellen ;  6  es- 
kadrons waren  geheel  aan  het  uiteinde  van  het  bosch  geplaatst 
om  den  weg  te  dekken,  door  het  geschut  en  de  bagage  gevolgd; 
de  dragonders  hielden  Séneffe  bezet  en  hadden  posten  vooruit- 
geschoven op  de  hoogte  op  den  rechteroever  van  de  beek,  waar 
ook  de  voorste  Fransche  posten  stonden.  Door  die  dragonders 
onderricht  van  de  dreigende  bewegingen  der  vijandelijke  troepen, 
zond  Vaudemont  daarvan  bericht  aan  den  Stadhouder,  dezen  een 
paar  bataljons  voetvolk  als  versterking  vragende.  De  Stadhouder 
gelastte  onverwijld  aan  den  jongen  graaf  Maurits  van  Nassau  om 
met  zijn  regiment  en  dat  zijns  vaders,  vereenigd  drie  bataljons 
uitmakende,  naar  Séneffe  terug  te  keeren ;  die  Hollandsche  infan- 
terie werd  geplaatst  in  een  soort  van  bosch,  voorwaarts  van  het 
dorp,  op  den  rechteroever  van  de  beek.  De  Stadhouder  was  in 
persoon  ijlings  naar  de  achterhoede  gesneld,  en  kwam  daar  nog 
voor  de  komst  der  drie  bataljons  aan. 

Het  was  toen  10  uur  's  ochtends  geworden;  de  marsch  der 
bondgenooten  had  reeds  eenige  uren  geduurd,  en  Condé  oor- 
deelde dat  de  colonnen  van  den  vijand  reeds  ver  genoeg  ver- 
wijderd waren  om  de  achterhoede  niet  spoedig  te  kunnen  onder- 
steunen, en  dat  de  opmarsch  van  het  Fransche  leger  al  genoegzaam 
gevorderd  was  om  den  aanval  te  kunnen  beginnen.  Hij  gelast 
aan  De  Rannes  om  met  een  regiment  dragonders,  ondersteund 
door  eene  brigade  ruiterij,  vooruit  te  gaan,  en  de  vijandelijke 
dragonders  en  infanterie,  die  nog  voorwaarts  van  Séneffe  staan, 
te    verdrijven.    De    Rannes    wordt   op    den    voet    gevolgd   door 


Digitized  by 


Google 


SLAG   VAN   SÉNEFFE   (ll    AUGUSTUS    1674).  67 

MoDtal  en  Moussy,  aan  het  hoofd  van  3  regimenten  voetvolk 
en  6  stukken  geschut. 

De  hoofden  der  bondgenooten,  den  marsch  van  hun  leger 
reeds  ver  genoeg  gevorderd  ziende,  besloten  de  achterhoede  die 
beweging  te  laten  volgen,  en  hadden  daarom  het  voetvolk  en 
de  dragonders,  die  nog  voorwaarts  van  Séneffe  op  den  rechter- 
oever der  beek  stonden,  bevel  gezonden  om  terug  te  gaan  op 
den  linkeroever.  Die  troepen  voegden  zich  toen  bij  de  dragon- 
ders die  reeds  te  Séneffe  waren,  ten  einde,  mét  deze,  het  dorp 
en  de  brug  die  dür  over  de  beek  is,  te  verdedigen.  Volgens  de 
Fransche  opgaven  werden  de  huizen,  de  kerk  en  het  kasteel  van 
Séneffe  door  de  Hollandsche  infanterie  bezet;  —  dit  moet  dan 
echter  zeer  inderhaast  zijn  geschied,  en  veel  verdedigingsmaat- 
regelen zijn  er  zeker  niet  genomen,  daar  de  aanval  oogenblik- 
kelijk  volgde. 

De  ruiterij  van  Condé  ondervond  dus  bij  den  opmarsch  naar 
Séneffe  weinig  of  geen  tegenstand;  en  indien  daarbij  nog  een 
gevecht  heeft  plaats  gehad  met  eenige  van  de  dragonders  der 
bondgenooten,  dan  moet  dat  gevecht  toch  geheel  onbeduidend 
zijn  geweest.  Maar  nu  gold  het  Séneffe;  en  de  strijd  om  dat 
dorp  was  van  ernstiger  aard.  Condé  bestemde  de  dragonders 
en  de  infanterie  van  Montal  om  Séneffe  te  bestormen;  de  zes 
stukken  geschut  zouden  door  hun  vuur  dien  storm  voorbereiden ; 
die  Fransche  artillerie  werd  zoodanig  geplaatst  bij  de  beek,  be- 
neden het  dorp,  dat  zij  de  ruiterij  der  bondgenooten,  achter 
Séneffe  staande,  tevens  in  de  flank  beschoot.  De  Fransciie  ruiterij 
werd  verdeeld:  een  gedeelte,  onder  Fourilles,  moest  eene  om- 
trekkende beweging  in  vrij  grooten  kring  verrichten  in  de  rich- 
ting van  het  dorp  Renisart;  ter  hoogte  van  dat  dorp,  op  een 
klein  half  uur  beneden  Séneffe,  de  beek  overtrekken,  en  zich 
daarna  wenden  tegen  den  linkervleugel  der  bondgenooten;  het 
andere  gedeelte  van  de  Fransche  ruiterij  zou  ook  beneden  Séneffe 
den  overtocht  van  de  beek  verrichten,  maar  op  zeer  korten  af- 
stand van  het  dorp;  Condé  voerde  in  persoon  die  ruiterafdeeling 
aan,  en  zijn  zoon  Enghien,  met  Luxembourg  en  Navailles,  waren 
bij  hem. 

Séneffe,  met  groote  onstuimigheid  door  Montal  aangevallen, 
wordt  vermeesterd;  met  weinig  verlies  voor  de  aanvallers,  — 
zegt  Beaurain;  na  een  >  goede  resistentie",  —  zegt  Willem  III  in 
zijn  verslag  aan  de  Staten;  —  en  men  kan  den  Stadhouder  ge- 
looven  daar  waar  hij  zijne  soldaten  prijst;  want  hij  is  ook  onpar- 
tijdig genoeg  om  hen  te  laken,  daar  waar  zij  zich  slecht  gedragen. 
Het  oude  Fransche  voetvolk  moet  hier  met  groote  dapperheid 
gestreden  hebben,  aangevuurd  als  het  was  door  het  voorbeeld 
van  den  koenen  Montal,  die  bij  dezen  strijd  zwaar  gewond  werd. 


Digitized  by 


Google 


68  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Het  HoUandsche  voetvolk,  uit  het  dorp  verdreven,  herzamelde 
zich  onder  de  bescherming  van  de  ruiterij;  maar  toen  deze  kort 
daarop  geslagen  werd,  schijnt  ook  het  voetvolk  nog  groote  ver- 
liezen te  hebben  ondervonden,  en  de  drie  bataljons,  die  daar 
gestreden  hadden,  zoo  goed  als  uiteen  te  zijn  geslagen.  De  aan- 
voerder, de  jonge  graaf  Mauriis,  vie\  in  's  vijands  handen. 

Gelijktijdig  met  dien  aanval  was  Condé  begonnen,  met  zijn 
ruiterij  de  beek  over  te  trekken;  hoe  die  overtocht  plaats  had, 
over  bruggen  of  waadbare  gedeelten,  worde  niet  gezegd;  het 
laatste  is  het  waarschijnlijkste,  omdat  het  een  geheel  onbedui- 
dende beek  was.  Om  den  overtocht  van  de  beek  te  verhinderen, 
gingen  enkele  eskadrons  der  bondgenooten  vooruit,  maar  werden 
teruggeslagen  door  de  Fransche  eskadrons.  Willem  III  zegt  in 
zijn  verslag,  dat  de  ruiterij  der  bondgenooten  op  de  vijandelijke 
wilde  chargeeren,  maar  daarin  verhinderd  werd  door  de  moei- 
lijkheid van  het  terrein;  —  men  zou  er  uit  kunnen  besluiten, 
dat  die  ruiterij  slecht  geplaatst  was.  De  Fransche  ruiterij,  de 
beek  overgetrokken  zijnde,  schaarde  zich  in  slagorde,  de  rech- 
tervleugel geleund  aan  het  bosch,  waarbij  de  linkervleugel  van 
de  bondgenooten  stond,  en  de  linkervleugel  geleund  aan  Séneffe, 
dat  toen  reeds  was  vermeesterd.  Terwijl  nu  het  Fransche  voet- 
volk uit  het  dorp  deboucheert,  en  van  achter  de  heggen  het 
vuur  opent  op  de  ruiterij  der  bondgenooten,  gaat  Condé  tot  den 
aanval  over,  en,  zich  aan  het  hoofd  stellende  van  de  Maison  du 
Rot\  houdt  hij  daarmede  links  aan,  en  valt  op  den  rechtervleugel 
van  de  ruiterij  der  bondgenooten  aan.  Twee  HoUandsche  eska- 
drons en  één  Spaansch  gaan  den  Franschen  veldheer  te  gemoet, 
maar  worden  geslagen  en  overhoop  geworpen;  verschillende  bevel- 
hebbers. Van  Kaam,  Holstein,  Langerak,  Ginkel  en  Solms,  worden 
daarbij  gekwetst  en  gevangengenomen.  De  nederlaag  van  die  eerste 
eskadrons  maakt  den  meest  ontmoedigenden  indruk  op  de  overige; 
vier  andere  eskadrons,  die  men  tegen  den  vijand  wil  aanvoeren, 
maken  rechtsomkeert;  de  geheele  voorste  linie  vlucht,  de  beide 
andere  linien  met  zich  medesleepende.  Vergeefs  is  het,  dat  Wil- 
lem III  en  Vaudemont  zich,  lyet  den  degen  in  de  vuist,  te  mid- 
den der  vluchtelingen  werpen,  en  door  woorden  en  bedreigingen 
hen  willen  tegenhouden;  de  blinde  vrees  heeft  alle  plichtbesef 
verbannen,  en  in  overijling  en  verwarring  verlaat  de  ruiterij  der 
bondgenooten  het  slagveld. 

Zulk  eene  gebeurtenis  is  niet  zeldzaam  in  de  krijgsgeschiedenis; 
en  men  weet  dat  zelfs  de  beste  ruiterij  hare  oogenblikken  van 
zwakheid  kan  hebben.  Van  Frederik's  ruiters,  die  bij  Molwitz 
hun  Koning  rnedesleepten  in  hun  wilde  vlucht,  tot  aan  Napoleon*s 
ruiterij  die  bij  Arcis  onder,  het  oog  des  Keizers  het  slagveld 
zonder  strijd  verliet,  zijn  de  voorbeelden  menigvuldig  die  be- 
wijzen, hoe  gemakkelijk  de  eene  of  andere  omstandigheid  plotse- 


Digitized  by 


Google 


SLAG   VAN    SÉNEFFE    (ll    AUGUSTUS    1674).  69 

]ing  zulk  een  diepen  indruk  op  dit  wapen  kan  maken,  dat  het 
daardoor  allen  moed  verliest  en  zonder  gevecht  teruggaat;  bij 
de  ruiteiij  is  alles  op  grootere  schaal,  zoowel  haar  vooruit- 
rukken ais  haar  wijken.  De  overijlde  vlucht  van  de  ruiterij  der 
bondgenooten  bij  Séneffe  is  bovendien  door  verschillende  om- 
standigheden te  verklaren :  het  onverwachte  van  's  vijands  aanval, 
de  uitstekende  dapperheid  der  Fransche  ruiterij,  de  indruk  door 
Condé*s  heldennaam  gemaakt,  de  verliezen,  door  's  vijands  ge- 
schutvuur  geleden,  —  dit  alles  had  ontmoediging  veroorzaakt; 
en  die  ontmoediging  werd  algemeen,  toen  de  eerste  eskadrons 
werden  geslagen;  de  voorste  linie  ging  geheel  terug;  en  de  ge- 
brekkige wijze  waarop  Vaudemont  die  ruiterij  op  kleine  ruimte 
had  opeengehoopt,  maakte  het  bijna  onvermijdelijk  dat  de  beide 
achterste  liniën  moesten  deelen  in  de  nederlaag  der  voorste.  De 
vlucht  dier  ruiterij  is  dus  zoo  vreemd  niet,  —  hoezeer  men  haar 
altijd  moet  veroordeelen ;  wel  zeggen  ónze  schrijvers,  dat  de 
Spaansche  en  Keizerlijke  ruiterij  het  eerst  het  slagveld  verlieten, 
en  de  Hollandsche  eerst  later;  maar  dit  is  mogelijk  niets  andeis 
dan  eene  poging  om  den  volkstrots  te  vleien;  en  al  was  dit  waar, 
dan  zou  dit  nog  maar  bewijzen  dat  de  Hollandsche  ruiterij  eerst 
later  was  gevlucht;  het  zou  nog  volstrekt  niet  bewijzen,  dat  zij 
haar  plicht  had  gedaan. 

Fourilles,  de  beek  overgegaan  zijnde  op  de  hoogte  van  Reni- 
sart,  viel  daarna  aan  op  de  zes  eskadrons,  geheel  op  den  lin- 
kervleugel der  bondgenooten  aan  het  uiteinde  van  het  bosch 
geplaatst,  den  weg  dekkende  door  de  bagage  gevolgd.  Die  eska- 
drons, geheel  afgescheiden  van  de  hoofdmacht  der  ruiterij,  waren 
ontmoedigd  door  de  nederlaag  dier  hoofdmacht,  en  vreesden  bij 
langer  standhouden  te  worden  afgesneden  door  den  uit  Séneffe 
deboucheerenden  vijand.  Toen  Fourilles  zich  dus  vertoonde, 
gingen  die  eskadrons  der  bondgenooten  in  allerijl  terug,  den  weg 
inslaande  door  de  bagage  gevolgd.  De  Fransche  bevelhebber 
bield  zich  niet  op  met  het  nazetten  van  den  vijand,  maar  sloot 
zich  weer  bi|  Condé  aan. 

.  Die  veldheer  had  nu  reeds  een  schitterend  voordeel  behaald, 
en  de  achterhoede  der  bondgenooten  grootendeels  vernield.  Maar 
dit  voordeel  was  voor  Condé  niet  genoeg;  integendeel,  het 
spoorde  hem  slechts  aan  tot  nieuwe  ondernemingen.  Terwijl  hij 
aanvankelijk  misschien  geen  ander  voornemen  had,  dan  om,  door 
een  aanval  in  den  rug,  den  marsch  der  bondgenooten  te  ver- 
ontrusten en  de  achterste  troepen  van  den  vijand  verliezen  toe 
te  brengen,  zoo  vatte  hij  nu  het  besluit  op,  zijn  voordeel  te  ver- 
volgen en  's  vijands  leger  eene  geheele  nederlaag  te  doen  onder- 
gaan. Zóó  was  Condé,  dat,  wanneer  hij  eenmaal  in  een  strijd 
was  gewikkeld,  bedaardheid  en  overleg  hem  verlieten,  en  hij 
alleen  luisterde  naar  de  ingevingen  eener  onstuimige  dapperheid, 


Digitized  by 


Google 


70  KRIJGS-  EN  GESCHIBDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

die  soms  groote  overwinningen  doet  behalen,  maar  ook  meer- 
malen nederlagen  teweegbrengt;  de  jaren  hadden  hem  niet  kalm 
gemaakt,  en  zelfs  op  het  einde  van  zijn  veldheersloopbaan  had 
hij  nog  al  het  vuur  en  al  de  onberadenheid  eens  jongelings.  — 
Hij  doet  de  ten  zuiden  van  Séneflfe  reeds  aanwezige  troepen 
voortrukken;  en  het  overige  van  het  Fransche  leger  krijgt  bevel- 
om  bij  Gouy  den  Piéton  over  te  gaan  en  met  spoed  naar  het 
slagveld  te  trekken. 

Oranje  van  zijn  zijde,  niet  ontmoedigd  door  een  eersten  tegen- 
spoed, heeft  zijne  vluchtende  troepen  herzameld,  en  dadelijk  met 
het  meeste  beleid  maatregelen  genomen  om  in  eene  sterke  stel- 
ling  's  vijands  latere  aanvallen  af  te  wachten.  Die  stelling  neemt 
hij  te  Saint-Nicolas-aux-bois,  een  half  uur  gaans  ten  zuiden  van 
Séneffe.  Saint-Nicolas-aux-bois  was  een  klein  gehucht,  alleen  be- 
staande uit  eene  priorij  en  eenige  huizen  daartoe  behoorende; 
maar,  omringd  met  boomgaarden  en  heggen,  was  het  zeer  gun- 
stig voor  de  verdediging.  Voorwaarts,  ten  noorden  van  het  ge- 
hucht, naar  de  zijde  van  SénefFe,  bevond  zich  eene  kleine  vlakte, 
geschikt  ter  plaatsing  van  eene  ruiterafdeeling ;  de  toegang  tot 
die  vlakte  van  den  kant  van  Séneffe  werd  moeielijk  gemaakt 
door  de  aanwezigheid  van  heggen  en  boomgaarden,  die  men 
links,  of  westelijk  daarvan  had;  bijgevolg  kon  men,  die  terrein- 
voorwerpen  met  infanterie  bezettende,  hier  reeds,  voorwaarts  van 
Saint-Nicolas,  den  vijand  afwachten  in  eene  stelling  die  gunstig 
was,  en  moeielijk  te  omtrekken,  omdat  zij  rechts  leunde  aan  de 
beek  van  Séneffe  en  links  aan  het  doorsneden  terrein. 

Met  veel  beleid  had  Willem  III  dadelijk  partij  getrokken  van 
de  voordeelen  welke  die  stelling  opleverde.  De  eerste  IJoUandsche 
macht  die  hij  tot  zijne  beschikking  vond,  was  de  infanterie-brigade 
van  Wee,  waarvan  evenwel  een  paar  bataljons  afwezig  waren  tot 
dekking  van  de  bagage.  Die  Hollandsche  infanterie  werd  dadelijk 
in  en  nabij  het  gehucht  Saint-Nicolas  geplaatst;  en  de  regimenten 
van  Aylva  en  Schwartsenburg,  benevens  een  bataljon  van  dat  van 
Thouars,  kregen  bevel  om  de  heggen  en  booingaarden  voorwaarts 
van  Saint-Nicolas,  naar  de  zijde  van  Séneffe,  te  bezetten.  Op  de 
vlakte  ten  noorden  van  Saint-Nicolas  stond  Spaansche  ruiterij, 
onder  Villa  Hermosa  en  d*Assentar;  de  van  Séneffe  gevluchte 
ruiters  verzamelden  zich  daarbij;  terwijl  wat  er  van  de  infanterie 
was  overgebleven,  zich  bij  de  brigade  Wee  aansloot.  De  Hol- 
landsche brigaden  Heeswijk,  Erpach  en  Solms,  benevens  de 
ruiterij,  hadden  reeds  bevel  ontvangen  om  terug  te  keeren,  en 
naderden  toen  het  dorp  Fay,  een  klein  kwartieruurs  ten  zuiden 
van  Saint-Nicolas;  als  bevelhebber  der  brigade  Solms,  waarvan 
eenige  bataljons  reeds  bij  Séneffe  hadden  gestreden,  wordt,  na 
het  gevangennemen  van  Solms,  Vilaumaire  genoemd.  De  Souches 


Digitized  by 


Google 


SLAG   VAN   SÉNEFFE   (il    AUGUSTUS    1674).  71 

was  met  de  Keizerlijke  krijgsmacht  reeds  aan  de'Haine  gekomen, 
een  paar  uur  ten  zuiden  van  Séneffe,  toen  hij  het  eerste  bericht 
kreeg  van  den  bij  dat  dorp  gevoerden  strijd;  het  duurde  echter 
geruimen  tijd,  voordat  de  Keizerlijke  bevelhebber  voldeed  aan 
de  uitnoodiging  van  den  Stadhouder  om  terug  te  keeren,  tot 
ondersteuning  van  het  aangevallen  gedeelte  des  legers.  Van  de 
Spaansche  infanterie  wordt  nergens  bijzonder  gewag  gemaakt: 
wanneer  men  opmerkt,  dat  de  geheele  Spaansche  krijgsmacht 
maar  een  1 2  000  man  telde,  dat  mogelijk  de  helft  daarvan  heeft 
bestaan  uit  ruiters  en  dragonders,  dat  er  ook  infanterie  aanwezig 
zal  geweest  zijn  bij  de  bagage,  dan  is  het  duidelijk  dat,  op  de 
plaats  van  het  gevecht,  het  Spaansche  voetvolk  maar  eene  onbe- 
duidende sterkte  zal  hebben  gehad. 

De  ruiterij  van  Condé  had  die  der  bondgenooten  vervolgd 
tot  aan  de  heggen  en  boomgaarden  ten  noorden  van  Saint- 
Nicolas,  had  toen  halt  gehouden  en  zich  in  slagorde  geschaard 
op  een  musketschot  afstands  van  die  heggen;  hier  bleef  zij  de 
van  Séneffe  komende  infanterie  en  dragonders  afwachten.  Toen 
deze  waren  aangekomen,  verdeelde  zich  de  ruiterij  op  de  beide 
vleugels;  de  infanterie  plaatste  zich  in  het  midden;  de  zes  stuk- 
ken geschut,  op  den  rechtervleugel  opgesteld,  begonnen  dadelijk 
hun  vuur  te  openen  op  's  vijands  stelling.  Toen  dit  vuur  een 
korten  tijd  had  aangehouden,  deed  Condé  het  voetvolk  en  de 
dragonders  vooruitrukken  tot  den  aanval  op  de  heggen ;  door  de 
aanvallers  werd  hier  dezelfde  dapperheid  als  bij  Séneffe  betoond, 
maar  zij  ondervonden  krachtiger  wederstand,  daar  Willem  III  in 
persoon  zijne  soldaten  aanspoorde  tot  plichtsbetrachting.  Het 
gevecht  om  de  heggen  bleef  aanvankelijk  onbeslist;  maar  Condé, 
ongeduldig  over  dit  oponthoud,  gelast  nu  aan  de  ruiterij,  door 
te  dringen  over  de  wegen  te  midden  dier  heggen,  en  zóó  het 
Hollanc&che  voetvolk  in  den  rug  aan  te  vallen.  De  Maisondu  Rot 
is  weer  daar,  om  die  gevaarlijke  taak  op  zich  te  nemen;  Fou- 
rilles  stelt  zich  aan  het  hoofd  van  twee  eskadrons  dier  uitste- 
kende ruiterschaar;  Condé  en  d'Enghien  volgen  met  een  derde 
eskadron;  en,  in  weerwil  van  de  moeielijke  wegen  en  van  het 
geweervuur  der  Hollanders,  dringt  de  Fransche  ruiterij  door, 
werpt  eenige  vijandelijke  eskadrons  terug,  waarmede  de  vijand 
het  deboucheeren  wil  beletten,  en  stort  zich  nu  op  de  Hollandsche 
infanterie,  die  in  verwarring  wordt  gebracht.  Het  Fransche  voet- 
volk en  de  dragonders,  nu  minder  tegenstand  ondervindende, 
bemachtigen  de  boomgaarden  en  heggen,  en  maken  daardoor 
op  hunne  beurt  het  vooruitrukken  gemakkelijk  voor  de  overige 
Fransche  ruiterij;  die  ruiterij  deboucheert  op  de  vlakte  tus- 
schen  de  heggen  en  Saint-Nicolas,  en  schaart  zich  daar  in  slag- 
orde tegenover  de  ruiterij  der  bondgenooten ;  er  heeft  ten  tweeden 


Digitized  by 


Google 


72  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

male  een  cavaleriegevecht  plaats^  ten  tweeden  male  ten  nadeele 
van  de  bondgenooten,  die  reeds  eenigszins  in  verwarring  zijn 
gebracht  door  de  nederlaag  van  de  regimenten  van  Aylva, 
Schwartsenburg  en  Thouars,  en  van  de  eerste  eskadrons  die  de 
Maison  du  Roi  wilden  tegenhouden.  De  HoUandsche  en  Spaansche 
ruiterij  wordt  overhoop  geworpen,  en  neemt  de  wijk  achter  Saint- 
Nicolas;  dit  gehucht,  sterk  bezet  met  infanterie,  houdt  de  zege- 
vierende Fransche  ruiterij  tegen;  en  achter  dit  steunpunt  her- 
zamelt  zich  weer  eene  sterke  linie  van  de  ruiterij  der  bondgenooten. 

Nu  beveelt  Condé,  ook  het  gehucht  Saint-Nicolas  aan  te  val- 
len ;  maar  een  zijner  onderbevelhebbers,  Fourilles,  waagt  het  om 
hem  onder  het  oog  te  brengen,  dat  de  vijand  daar  eene  sterke 
stelling  heeft,  die  mogelijk  niet  kan  worden  bemachtigd,  of  niet 
dan  ten  koste  van  groote  verliezen,  vooral  daar  die  vijand  zoo 
krachtigen  wederstand  biedt.  Driftig  antwoordt  hem  de  veldheer, 
» dat  hij  geen  raad  vraagt,  maar  gehoorzaamheid ;  en  dat  hij  hem 
reeds  sinds  lang  kent  als  iemand  die  sterker  is  in  het  redeneercn 
dan  in  het  vechten."  —  Het  krenkende  van  die  taal  wordt  alge- 
meen, en  met  reden,  in  Condé  veroordeeld;  —  evenwel  is  het 
aan  den  anderen  kant  moeilijk  te  begrijpen,  hoe,  op  een  slag- 
veld, een  onderbevelhebber  tegenwerpingen  maakt,  als  hem  het 
bevel  tot  aanvallen  wordt  gegeven;  als  hij  het  bevel  ontving, 
niet  aan  te  vallen,  dan  zouden  mogelijk  die  tegenwerpingen 
van  pas  kunnen  zijn,  bij  het  bevel  om  aan  te  vallen  nooit. 

Fourilles  stelt  zich  aan  het  hoofd  van  een  gedeelte  der  infan- 
terie, en  doet  daarmede  een  krachtigen  aanval  op  's  vijands  stel- 
ling; maar  de  wederstand  dien  hij  daar  ontmoet,  is  te  groot; 
zijn  aanval  wordt  afgeslagen;  en  hij  zelf,  met  groote  dapperheid 
zijne  soldaten  aanvoerende,  wordt  getroffen  door  een  musket- 
kogel die  een  einde  maakt  aan  zijn  leven.  Condé  verneemt  den 
dood  van  den  dappere,  en  wil  dien  wreken  door  eene  overwin- 
ning :  hij  moet  hier  den  vijand  verdrijven,  doen  wat  hij  Fourilles 
beval,  of,  door  een  roemrijk  sneuvelen,  zijne  onrechtvaardigheid 
ten  aanzien  van  dien  aanvoerder  uitwisschen.  Hij  stelt  zich  aan 
het  hoofd  van  voetvolk  en  dragonders,  en  stormt  daarmede  op 
de  abdij  van  Saint-Nicolas:  dapperen  wederstand  ontmoet  hij 
daar;  maar  wat  is  in  staat  den  geduchten  Franschen  veldheer 
tegen  te  houden,  die  doldriftig,  als  het  ware  beeld  van  den  oor- 
logsgod, zich  in  de  dichte  drommen  der  vijanden  stort,  en  door 
zijn  voorbeeld  de  dapperheid  der  zijnen  ten  hoogsten  top  doet 
stijgen!  De  HoUandsche  troepen  zijn  niet  lang  bestand  tegen 
dien  geduchten  schok;  zij  worden  uit  de  abdij  van  Saint-Nicolas 
geworpen,  en  wat  aan  het  staal  der  Fransche  keurbenden  ont- 
komt, teruggedreven  op  de  achter  de  abdij  staande  ruiterij. 

Condé's  voetvolk  en  dragonders  plaatsen  zich  nu  in  de  huizen, 


Digitized  by 


Google 


SLAG   VAN   SÉNEFFE   (ll    AUGUSTUS    1674).  73 

heggen  en  boomgaarden ;  terwijl,  onder  bescherming  daarvan,  de 
Fransche  ruiterij  op  verschillende  punten  voortrukt,  en  zich  in 
slagorde  schaart  aan  de  zuidzijde  van  Saint-Nicolas.  Hier  ont- 
moet men  de  ruiterij  der  bondgenooten,  en  er  heeft  ten  derden 
male  een  ruiterij  gevecht  plaats. 

De  bijzonderheden  van  dien  strijd,  verward  zooals  meestal  een 
cavaleriegevecht,  kunnen  hier  niet  worden  vermeld ;  maar  zooveel 
schijnt  daaruit  te  blijken,  dat  ook  hier  de  dapperheid  van  de 
Hollandsche  en  Spaansche  eskadrons  niet  gelijk  stond  met  die 
des  vijands.  Aan  uitstekende  en  moedige  bevelhebbers  ontbrak 
het  den  bondgenooten  echter  niet:  Willem  III  en  Hendrik  Casimir, 
de  jonge  Stadhouder  van  Friesland,  waren  overal  in  het  heetste 
van  den  strijd;  Waldeck,  zijne  eskadrons  tegen  den  vijand  aan- 
voerende, werd  gewond,  en  ontkwam  met  moeite  de  krijgsge- 
vangenschap; Villa  Hermosa  ging  zijne  ruiterij  moedig  voor;  en 
vooral  onderscheidde  zich  de  Spanjaard  d'Assentar,  die,  dapper 
strijdende,  zevenmaal  werd  gewond  en,  in  's  vijands  handen  ge- 
vallen, kort  daarop  den  heldengeest  gaf.  Maar  al  die  dapperheid 
der  aanvoerders  kon  de  overwinning  niet  brepgen  aan  de  zijde 
van  de  ruiterij  der  bondgenooten;  die  ruiterij  was  nog  te  veel 
onder  den  indruk  van  de  twee  vroegere  nederlagen;  zij  werd 
eindelijk  overhoop  geworpen  en,  vluchtende,  teruggedreven  op 
het  dorp  Fay. 

Na  de  vermeestering  van  Saint-Nicolas-auxbois  gelukte  het 
ook  aan  het  Fransche  leger  om  de  bagage  der  bondgenooten  te 
bereiken;  Luxembourg  wierp  zich  daarop,  verdreef  de  bedekking, 
nam  en  plunderde  of  verbrandde  een  aantal  wagens,  terwijl  de 
overige  in  alle  richtingen  werden  verspreid.  Dit  nadeel  trof  alleen 
de  Spaansche  en  Hollandsche  troepen,  daar  De  Souches  de 
bagage  van  de  Keizerlijken  tijdig  had  doen  teruggaan. 

Het  was  toen  twee  uur  na  den  middag  geworden.  De  strijd 
had  bijna  vier  uur  geduurd  en  was  ontegenzeggelijk  in  het  voor- 
deel geweest  van  het  Fransche  leger;  tot  driemaal  toe,  bij  Séneffe, 
voorwaarts  van  Saint-Nicolas,  en  eindelijk  te  Saint-Nicolas,  had 
het  de  bondgenooten  uit  hunne  stellingen  verdreven ;  en  hoezeer 
het  ook  aanmerkelijke  verliezen  had  geleden  door  den  steeds 
krachtiger  wordenden  tegenstand  van  den  vijand,  zoo  had  die 
vijand  echter  grooter  verliezen  ondergaan;  en  een  aantal  ge- 
vangenen, veroverde  vaandels  en  vermeesterde  bagage  zouden 
Condé  het  volste  recht  hebben  gegeven  zich  de  overwinning  toe 
te  schrijven,  wanneer  hij  toen  den  strijd  had  geëindigd. 

Maar  zulk  een  voorzichtige  handeling  streed  geheel  met  het 
karakter  van  den  Franschen  veldheer,  voor  wien  de  behaalde 
voordeelen  slechts  ten  spoorslag  diendqn  tot  nieuwe  onder- 
nemingen; hij  wilde  alles  doen  wat  mogelijk  was,  de  nederlaag 
van  den  vijand  voltooien,  en  door  één  slag  de  uitkomst  van  den 


Digitized  by 


Google 


74  KRIJGS-   EN    GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

veldtocht,  mogelijk  van  den  geheelen  oorlog  beslissen.  Zijne  nog 
achter  zijnde  troepen  met  spoed  doende  oprukken,  maakte  hi) 
zich  gereed  om  den  vijand  nogmaals  aan  te  vallen  en  hem  geeiv 
tijd  te  laten  tot  het  bezetten  van  eene  nieuwe  verdedigende  stel- 
ling. Dit  vermetel  voortrukken  van  den  Franschen  veldheer  — 
dat,  wanneer  hij  een  minder  fjoed  leger  tegenover  zich  had  ge- 
vonden, lichtelijk  eene  luisterrijke  overwinning  had  kunnen  teweeg- 
brengen —  had  hier  een  nadeeligen  strijd  ten  gevolge,  bijna  ge- 
lijkstaande met  eene  nederlaag;  omdat  men  te  doen  had  met 
dappere  troepen,  en  met  een  legerhoofd  dat  met  uitstekend  be- 
leid van  die  dapperheid  wist  gebruik  te  maken. 

Oranje  —  niet  in  het  minst  terneergeslagen  door  de  onder- 
vonden nadeelen,  en  integendeel  in  stoute  geestkracht  toenemende 
naarmate  zijn  vijand  zich  geduchter  betoonde  —  had,  dadelijk 
na  het  verlies  van  Saint-Nicolasaux-bois,  bij  Fay  eene  nieuwe 
stelling  ingenomen,  die  zeer  sterk  was.  Fay  was  een  groot  dorp ; 
de  huizen  waren  nog[al  uiteenliggende,  maar  werden  verbonden 
door  hopvelden  (houblonnièrei)^  met  stevige  heggen  omgeven,  zoo- 
dat ieder  van  die  velden  afzonderlijk  kon  verdedigd  worden;  in 
den  omtrek  van  het  dorp  had  men  soortgelijke  met  heggen  om- 
geven velden.  Eene  kerk  en  een  kasteel  te  Fay  waren  als  zeer 
gunstig  voor  de  verdediging  te  beschouwen.  Het  dorp  zelf  was 
ten  opzichte  van  het  overige  der  stelling  een  vooruitspringend 
punt,  als  een  bastion  ten  opzichte  der  courtines,  om  die  dikwijls 
gebezigde  vergelijking  hier  eens  te  gebruiken.  De  rechterzijde 
van  de  stelling  breidde  zich  uit  tot  ten  noorden  van  Le  Hestre^ 
een  gehucht,  een  klein  kwartieruurs  ten  zuidoosten  van  Fay.  Die 
rechterzijde  werd  uitgemaakt  door  boomgaarden,  met  heggen 
omgeven;  voorwaarts  en  naar  de  rechterzijde  had  men  een  moe- 
ras;—  die  hindernissen  sloten  den  toegang  niet  geheel  af,  en  er 
waren  enkele  opene  gedeelten  waar  de  ruiterij  door  kon  drin- 
gen; maar  dit  moest  dan  toch  altijd  geschieden  onder  het  vuur 
van  de  bij  de  heggen  en  boomgaarden  geplaatste  infanterie.  Ge- 
heel op  het  uiteinde  van  den  rechtervleugel  had  men  houtgewas 
en  moeras,  waaruit  een  der  zijtakken  der  beek  van  SénefFe  voort- 
komt. De  linkerzijde  der  stelling  werd  uitgemaakt  door  een  ravijn, 
achter  het  dorp  Fay  beginnende,  en  waardoor  eene  kleine,  geheel 
onbeduidende  beek  stroomde ;  dit  ravijn  strekte  zich  uit  tot  nabij 
het  groote  bosch  van  Roeulx,  dat  een  kwartieruurs  ten  western 
van  Fay  begon.  Achter  Fay,  of  ten  zuiden,  had  men  eene  uit- 
gestrekte opene  vlakte,  zeer  geschikt  voor  de  ruiterij,  en  lang- 
zaam rijzende,  zoodat  zij  het  voorliggende  terrein  beheerschte. 

Hier  nu  nam  Willem  III  stelling,  met  de  infanterie- brigaden 
Heeswijk,  Erpach  en  Solms,  van  welke  laatste  echter  reeds 
eenige  bataljons   bij   Séneffe   in  gevecht  waren  geweest;  met  de 


Digitized  by 


Google 


SLAG  VAN  SÉNEFFE   (ll    AUGUSTUS    1674).  75 

ruiterij,  en  met  de  Keizerlijke  krijgsmacht,  die,  van  de  Haine 
terugkeerende,  omstreeks  i  uur  's  middags  Fay  bereikte.  Van  de 
Spaansche  troepen  wordt  geen  andere  melding  gemaakt,  dan  dat 
eenige  Spaansche  infanterie,  onder  De  Grana,  deelnam  aan  de 
verdediging  van  Fay;  — denkelijk  had  het  grootste  gedeelte  der 
Spaansche  krijgsmacht  door  de  voorafgegane  gevechten  reeds  alle 
strijdvaardigheid  verloren.  De  artillerie  schijnt  toen  ook,  voor  een 
gedeelte,  te  zijn  aangekomen,  en  werd  dadelijk  geplaatst  bij  de 
wegen  en  toegangen  naar  Fay,  en  verder  aangewend  tot  ver- 
dediging van  het  ravijn.  De  infanterie  .werd  in  grooten  getale 
geplaatst  in  Fay,  achter  de  heggen  en  in  de  boomgaarden,  en 
bij  het  ravijn  voor  den  linkervleugel;  zelfs  werd  de  oostelijke 
rand  van  het  bosch  van  Roeulx  bezet  met  infanterie.  Op  de 
vlakte  achter  Fay  werden  sterke  reserven  geplaatst,  voornamelijk 
bestaande  uit  de  ruiterij,  waarbij  zich  ook  de  reeds  geslagene 
had  aangesloten.  Alle  opgaven  stemmen  daarin  overeen,  dat  die 
stelling  bij  Fay  met  veel  beleid  was  gekozen,  en  eene  zeer  groote 
sterkte  moet  hebben  gehad.  De  Keizerlijke  troepen  maakten 
hoofdzakelijk  den  linkervleugel  uit,  hoezeer  enkele  Keizerlijke 
bataljons  ook  in  ï'ay  moeten  zijn  geweest;  de  Hollanders  be- 
zetten dit  dorp  en  het  rechtergedeelte  van  die  stelling. 

Condé  deed  zooveel  mogelijk  den  marsch  zijner  regimenten 
verhaasten,  die,  over  Gouy  en  Séneffe,  achtereenvolgens  op  het 
slagveld  kwamen.  Met  de  reeds  aanwezige  korpsen  wilde  de 
Fransche  veldheer,  in  persoon,  het  dorp  Fay  aanvallen ;  Luxem- 
bourg  moest  den  linkervleugel  der  bondgenooten,  het  ravijn, 
aantasten,  en  daartoe  gedeeltelijk  de  troepen  aanwenden,  die  de 
bagage  van  de  bondgenooten  hadden  genomen;  Navailles  zou 
den  aanval  doen  op  's  vijands  rechtervleugel.  De  aard  van  het 
terrein  bracht  mede,  dat  die  aanvallen  hoofdzakelijk  alleen  door 
infanterie  konden  geschieden,  en  dat  de  ruiterij,  achterwaarts  ge- 
plaatst, moest  wachten  totdat  sommige  heggen  en  boomgaarden 
vermeesterd  waren,  om,  daartusschendoor,  te  deboucheeren  op 
de  vlakte  achter  Fay.  Eene  omtrekking  van  de  vijandelijke  stel- 
ling was  niet  uitvoerbaar;  en  de  frontaan  vallen  konden  ook 
weinig  worden  voorbereid  door  geschutvuur,  omdat  een  goed 
gedeelte  der  Fransche  artillerie  nog  achter  was,  en  de  bondge- 
nooten, wat  dit  wapen  betreft,  de  overmacht  hadden.  Maar  Condé 
rekende  op  de  dapperheid  zijner  soldaten,  en  op  de  ontmoediging 
die  drie  achtereenvolgende  rampspoedige  gevechten  bij  den  vijand 
moesten  hebben  doen  ontstaan. 

Nu  vangt  hier  een  strijd  aan,  die  den  geheelen  dag  voortduurt, 
en  zelfs,  bij  het  schijnsel  der  maan,  tot  ver  in  den  avond  wordt 
voortgezet;  een  strijd,  waarbij  de  beide  partijen  eene  dapperheid 


Digitized  by 


Google 


76  KRIJGS-   E>f  GFSCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

betoonen,  aan  verbittering  grenzende,  en  waarbij  de  roem  even- 
zeer het  deel  moet  zijn  van  hem  die  aanviel  als  van  hem  die 
verdedigde,  van  hem  die  verwonnen  werd  als  van  hem  die  zege- 
vierend bleef  standhouden.  Fay  wordt  op  drie  verschillende 
punten  aangevallen:  links  door  de  regimenten  van  d'Enghien, 
Condé,  Conti  en  Auvergne,  in  front  door  het  regiment  des 
Konings,  dat  van  Royal  des  Vaisseaux,  van  Navarre,  en  dat  van 
de  Koningin,  rechts  door  de  Fransche  en  de  Zwitsersche  garde, 
en  door  de  Zwitsersche  regimenten  van  Stoupa,  Erlach,  Pfeiffer 
en  Salis.  Natuurlijk  viejen  die  regimenten  niet  gelijktijdig  maar 
achtereenvolgens  aan,  en  losten  zij  elkander  af  bij  dien  hevigen 
en  bloedigen  strijd;  sommige  dier  korpsen  waren  bij  het  begin 
van  dien  strijd  zelfs  nog  niet  op  het  slagveld,  enkele  werden 
later  ook  tegen  de  overige  deelen  van  de  stelling  der  bondge- 
nooten  aangewend. 

Condé  en  zijn  zoon  d'Enghien  voerden  die  troepen  in  persoon 
tegen  den  vijand  aan,  en  wierpen  die  regimenten  met  onstui- 
migheid den  Hollanders  te  gemoet,  die  hen  met  geschut-  en  ge- 
weervuur ontvingen  en  eindelijk  met  de  blanke  wapens  bevoch- 
ten. Oranje,  overal  tegenvvoordig  waar  gestreden  werd,  was  overal 
de  ziel  der  verdediging,  en  zijne  soldaten,  met  geestdrift  vervuld 
door  het  voorbeeld  van  hun  veldheer,  streden  met  evenveel 
koenheid  als  die  oude  beproefde  Fransche  regimenten,  die  om- 
straald waren  door  den  roem  van  twintig  overwinningen.  Hoe 
hevig  de  aanval  ook  werd  verricht,  telkens  werd  die  afgeslagen; 
eenige  der  buitenste  heggen  en  boomgaarden  mogen  door  Condé*s 
troepen  zijn  bemachtigd,  het  eigenlijke  dorp  bleef  voortdurend 
in  het  bezit  van  de  Hollandsche  en  Keizerlijke  bataljons;  op  den 
rechtervleugel  gelukte  het  eenmaal  aan  de  Fransche  regimenten, 
in  het  dorp  door  te  dringen  en  drie  stukken  geschut  te  veroveren; 
maar  Willem  Hl,  dadelijk  met  eene  reserve  oprukkende,  wierp 
den  vijand  weer  terug  en  hernam  de  verloren  stukken.  Toen 
's  avonds  de  strijd  hier  eindigde,  waren  de  Hollanders,  onver- 
deeld, in  het  bezit  van  Fay,  en  waren  Condé's  troepen  van  aan- 
vallers verdedigers  geworden. 

Tegen  de  linkerzijde  van  de  stelling  der  bondgenooten  was 
Luxembourg's  aanval  met  even  weinig  geluk  bekroond  geworden. 
De  troepen  van  dien  bevelhebber  waren  door  de  plundering  van 
de  bagage  der  bondgenooten  eenigszins  in  wanorde  geraakt,  en 
het  kostte  eenigen  tijd  alvorens  men  ze  kon  verzamelen  tot  den 
aanval;  >de  krijgstucht  der  Fransche  troepen,"  zegt  Beaurain, 
•  was  toen  minder  dan  hunne  dapperheid"  {alors  la  discipline  des 
troupes  frangaises  nétait  pas  egale  a  leur  bravoure).  Luxembourg 
valt  dert  oostelijken  rand  aan  van  het  bosch  van  Roeulx;  maar 
de  daar  geplaatste  infanterie  der  bondgenooten  slaat  dien  aanval 
af;  —  toch   schaart   de   Fransche   bevelhebber   zich  in  slagorde 


Digitized  by 


Google 


SLAG   VAN   SÉNÊFFE   (ll    AUGUSTUS    1674).  77 

tusschen  Fay  en  dien  boschrand,  de  verdedigers  van  het  bosch 
in  bedwang  houdende  door  eenige  infanterie  en  dragonders.  Het 
overige  deed  hij  voortrukken  tot  den  aanval  op  het  ravijn;  en 
Condé  ondersteunde  dien  aanval,  met  een  gedeelte  der  troepen 
die  tegen  Fay  waren  bestemd. 

Het  is  duidelijk  dat  de  vermeestering  van  het  ravijn  voor  de 
Franschen  van  het  hoogste  belang  was;  want  was  dit  eenmaal 
verricht,  dan  kon  hunne  ruiterij  in  werking  komen,  aan  de  andere 
zijde  van  het  ravijn  de  ruiterij  der  bondgenooten  aanvallen,  Fay 
aan  de  achterzijde  aantasten,  en  op  die  wijze  den  tegenstand  van 
dat  dorp  doen  ophouden  en  de  daar  geplaatste  troepen  verloren 
doen  gaan.  Oranje,  het  hooge  belang  van  dat  ravijn  inziende, 
had  het  dan  ook  sterk  bezet  met  infanterie  en  geschut;  terwijl 
Keizerlijke  ruiterij,  onder  Chavagnac,  als  ondersteuning  daarvan 
was  geplaatst.  Het  ravijn,  over  het  geheel  diep  en  steil,  kon 
evenwel  op  enkele  punten  door  de  ruiterij  doortrokken  worden, 
vooral  bij  het  begin,  nabij  Fay.  Bij  een  der  aanvallen,  die  door 
Condé's  troepen  hier  met  de  gewone  dapperheid  werden  gedaan, 
gelukte  het  hun  het  ravijn  in  de  nabijheid  van  Fay  door  te 
trekken,  de  Keizerlijken  terug  te  werpen,  en  artillerie  te  ver- 
meesteren  ;  eenige  Ffansche  eskadrons  deboucheerden  toen  op  de 
vlakte  aan  de  zuidzijde  van  het  ravijn;  maar  Willem  III,  den 
vijand  geen  tijd  gevende  om  zich  uit  te  breiden,  deed  die  eska- 
drons ©ogenblikkelijk  chargeeren  door  de  ruiterij  van  Chavagnac. 
De  Fransche  ruiterij  werd  overhoop  geworpen,  en  vluchtte  achter 
het  ravijn;  de  Fransche  infanterie,  die  daar  was  doorgedrongen, 
werd  weer  teruggedreven,  het  verlorene  geschut  hernomen.  De 
Keizerlijke  ruiterij  ging  nu  op  hare  beurt  aanvallend  te  werk  ten 
noorden  van  het  ravijn,  maar  werd  teruggeworpen  door  de  ruiterij 
van  Condé. 

Condé  wilde  toen  —  omstreeks  vijf  uur  's  namiddags  —  twee 
bataljons  van  de  Gardes  Suisses  den  aanval  op  het  ravijn  doen 
hervatten;  maar  die  bataljons,  die  reeds  in  gevecht  waren  ge- 
weest bij  Fay,  hadden  daar  zooveel  geleden,  dat  zij  weinig  of 
geen  strijdvaardigheid  meer  hadden;  dit  deed  den  Franschen 
veldheer  van  zijn  voornemen  afzien,  en  hij  bepaalde  er  zich  toe, 
die  infanterie  in  slagorde  te  laten  ten  noorden  van  het  ravijn. 
Daar  was  die  infanterie,  evenals  de  ruiterij,  gedurende  eenige 
uren  tijds  blootgesteld  aan  het  geschutvuur  dat  Chavagnac  daarop 
richtte  uit  zes  stukken  —  uit  vier,  zegt  het  verslag  van  Wil- 
lem III  — ,  achter  het  ravijn  geplaatst;  die  stukken  moeten  op 
zeer  korten  afstand  hebben  gestaan  van  de  Fransche  bataljons, 
dewijl,  volgens  de  opgave  van  Chavagnac,  de  beide  partijen  zelfs 
in  woordenwisseling  kwamen.  Chavagnac  —  die  vroeger,  tijdens 
de  onlusten  der  Fronde^  onder  de  banieren  van  Condé  had  ge- 
streden, en  mogelijk  daardoor  wel  eenigszins  ingenomen  was  met 


Digitized  by 


Google 


78  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

de  Fransche  troepen  — ,  prijst  de  bewonderenswaardige  stand- 
vastigheid waarmede  die  troepen  het  vuur  doorstonden  van  zijne 
artillerie :  >  bij  eiken  kogel  die  de  Fransche  eskadrons  trof,  hoorde 
ik  nooit  iets  anders,"  zegt  hij,  >dan:  » het  is  niets,  kinderen,  sluit 
op;"  —  en  oogenblikkelijk  werd  het  rot  weer  aangevuld,  dat 
door  den  kogel  was  weggenomen.  Ik  riep  hun  toe:  »dathetwél 
iets  was";  men  antwoordde  mij  tdat  men  's  avonds  afrekening 
zou  houden",  en  ik  antwoordde  hun,  »dat  zij,  in  afwachting,  dit 
maar  moesten  nemen."  Men  oordeele  daaruit,  of  wij  dicht  bij 
elkander  waren." 

Dat  standhouden  van  de  Fransche  ruiterij  onder  het  geschut- 
vuur  dat  van  achter  het  ravijn  op  haar  werd  gericht,  was  noodig 
om  Condé's  rechtervleugel,  bij  zijne  aanvallen  op  Fay,  te  dekken 
tegen  de  ondernemingen  van  de  bondgenooten.  Willem  III  deed 
hier,  naar  de  zijde  van  het  bosch  van  Roeulx,  eene  aanvallende 
beweging  verrichten.  Eene  sterke  afdeeling  ruiterij  en  voetvolk 
trok,  van  achter  den  linkervleugel  der  bondgenooten,  door  het 
bosch  van  Roeulx  heen,  om  den  vijand  in  de  rechterflank  te 
vallen;  de  oostelijke  rand  van  het  bosch  was  in  het  bezit  ge- 
bleven van  de  bondgenooten,  en  dit  scheen  het  deboucheeren 
van  die  omtrekkende  afdeeling  te  zullen  begunstigen.  Tegenover 
dien  boschrand  had  Luxembourg  de  brigade  infanterie  van  Picardië 
met  eenige  eskadrons  dragonders  achtergelaten.  Toen  hij  die 
omtrekkende  beweging  van  de  bondgenooten  ontwaarde,  begaf 
hij  zich  in  persoon,  met  de  brigade  Gens  (Tarmes^  naar  dien 
uitersten  rechtervleugel.  De  Fransche  bevelhebber,  zijne  troepen 
plaatsende  bij  den  boschrand  en  bij  een  open  gedeelte  van  het 
bosch,  hield  daarmede  de  bondgenooten  in  bedwang,  en  belette 
hen  uit  het  bosch  te  deboucheeren.  Luxembourg,  zich  hier  sterk 
genoeg  achtende,  zond  zelfs  een  eskadron  der  Gendarmerie  terug 
naar  de  zijde  van  het  ravijn. 

Op  den  linkervleugel  der  Franschen  had  Navailles  den  strijd 
met  evenveel  dapperheid  maar  met  even  weinig  gevolg  gevoerd. 
De  herhaalde  aanvallen  van  zijne  infanterie  op  de  door  de  Hol- 
landers bezette  heggen  en  boomgaarden  werden  alle  afgeslagen; 
en  de  Hollandsche  ruiterij,  van  tijd  tot  tijd  aanvallende  bewe- 
gingen verrichtende  door  de  opene  gedeelten,  wikkelde  zich  met 
de  ruiterij  van  Condé  in  gevechten,  die  nu  eens  voor-,  dan  eens 
nadeelig  waren,  maar  voor  geen  der  beide  partijen  beslissend. 

Alleen  tegen  7  uur  's  avonds  scheen  de  krijgskans  eenigszins 
over  te  slaan  ten  voordeele  van  Navailles.  Twee  bataljons  van 
Willem  III  waren  geplaatst  op  eene  alleen  liggende  weide,  met 
eene  stevige  heg  omgeven;  achterwaarts  werden  zij  ondersteund 
door  12  eskadrons.  Navailles  rukte  tegen  dit  gedeelte  der  stelling 
vooruit,  met  voetvolk  en  ruiterij ;  het  voetvolk,  aangevoerd  door 
De  Moussy,  bestond  uit  het  regiment  Ro-^al  des  Vameaux^  en  ge- 


Digitized  by 


Google 


SLAG    VAN    SÉNEFFE   (ll    AUGUSTUS    1674).  79 

deeiten  van  andere  regimenten;  bij  de  ruiterij  wordt  de  vermaarde 
Mahon  du  Rot  genoemd.  Terwijl  nu  het  Fransche  voetvolk  zich 
bedekt  opstelt  in  de  nabijheid  van  de  weide,  gaat  de  ruiterij 
vooruit  om  die  hegstelling  in  den  rug  aan  te  vallen;  vijf  Hol- 
landsche  eskadrons  gaan  die  ruiterij  te  gemoet,  maar  worden 
geslagen,  —  voornamelijk  door  de  uitwerking  van  het  vuur  der 
Fransche  infanterie.  De  zeven  andere  Hollandsche  eskadrons 
rukken  nu  op,  en  werpen  op  hunne  beurt  de  ruiterij  van  Navailles 
overhoop;  maar  deze  krijgt  versterking,  valt  opnieuw  aan,  en, 
na  een  hevig  en  langdurig  gevecht  in  de  onmiddellijke  nabijheid 
van  de  door  de  Hollandsche  infanterie  bezette  heggen,  wordt 
de  ruiterij  des  Stadhouders  geslagen  en  overhoop  geworpen.  De 
infanterie  van  De  Moussy  is  de  zegevierende  ruiterij  van  nabij 
gevolgd;  zij  stort  zich  nu  dadelijk  met  onstuimigheid  op  de 
heggen,  dringt  daarin  door,  en  verslaat  de  twee  Hollandsche 
bataljons,  waarvan  het  grootste  gedeelte  wordt  gedood  of  ge- 
vangengenomen. 

Dit  voordeel  had  den  toestand  der  bondgenooten  bedenkelijk 
kunnen  maken,  wanneer  niet  dadelijk  krachtige  maatregelen  ge- 
nomen waren  om  's  vijands  doordringen  tegen  te  gaan.  Willem  III 
en  de  grijze  graaf  Maurits  van  Nassau  snellen  oogenblikkelijk 
met  ruiterij  naar  den  rechtervleugel,  her  zamelen  de  geslagene 
eskadrons,  en  vallen  aan  op  Navailles,  die  intusschen  ook  versterkt 
is  door  nieuwe  troepen.  Er  heeft  een  strijd  plaats,  die  lang  onbe- 
slist blijft,  maar  waarbij  het  eindelijk  aan  de  Hollanders  gelukt 
hunne  tegenpartij  terug  te  werpen.  De  dapperheid  van  een  aantal 
bevelhebbers  had  het  grootste  aandeel  aan  die  zege;  en  onder 
die  aanvoerders  deden  zich  vooral  opmerken  de  jonge  Stadhouder 
zelf  en  de  zes  en  zeventigjarige  graaf  Maurits,  die,  als  een  andere 
Blücher,  niettegenstaande  zijn  ouderdom  en  de  zware  ziekte 
waarvan  hij  nog  niet  geheel  was  hersteld,  zich  hier  door  helden- 
moed onderscheidde,  »sonder,"  —  zoo  luiden  de  woorden  in 
het  bericht  van  Willem  III,  —  »sonder  voor  de  jongste  lieden 
te  wij  eken." 

De  uren  waren  intusschen  voorbijgegaan,  de  dag  liep  ten  einde. 
en  naar  het  scheen  zoude  de  toenemende  duisternis  den  strijd 
doen  staken.  Op  eenige  regimenten  van  Luxembourg  na,  waren 
alle  korpsen  van  het  Fransche  leger  op  het  slagveld  aangekomen, 
en  hadden  zij  gestreden  op  het  een  of  ander  gedeelte  van  de 
stelling  der  bondgenooten,  en  daar  hunne  rijen  zien  dunnen  door 
's  vijands  staal  en  vuur.  De  aanvaller,  uitgeput  van  vermoeienis, 
verzwakt  door  de  geduchte  verliezen  die  hij  leed,  was  ten  laatste 
bijna  van  alle  strijdvaardigheid  beroofd;  op  het  einde  van  den 
dag  was  het  schier  Condé  alleen,  die  nog  den  strijd  wilde  voort- 
zetten.  Die   veldheer  zag  eindelijk  in,  dat  hij  zijne  onvermoeide 


Digitized  by 


Google 


8o  kRUGS-   EN   GKSCHIEÜKUNDIGE   BESCHOIAVINGEN. 

drift  niet  aan  allen  kon  mededeel  en ;  en  dat,  hoe  dapper  en  uit- 
muntend zijne  soldaten  ook  waren,  er  toch  perken  waren  voor 
hunne  inspanningen.  Langzamerhand  deed  hij  dan  ook  den  strijd 
afbreken;  het  eerst  ging  de  ruiterij  iets  achterwaarts,  maar  het 
voetvolk  bleef,  in  het  maanlicht,  nog  tot  lo  of  ii  uur  het  ge- 
weervuur voortzetten  tegen  de  bedekt  staande  infanterie  van  den 
Stadhouder,  en  nog  een  aantal  Fransche  soldaten  vonden  den 
dood  in  die  laatste  ©ogenblikken  van  den  slag.  Condé,  voor- 
nemens den  volgenden  dag  den  strijd  te  hervatten,  deed  zijne 
troepen  op  het  slagveld  blijven,  en  met  de  wapens  in  de  hand 
uitrusten  te  midden  der  gewonden  en  stervenden;  hijzelf,  zich 
in  een  mantel  wikkelende,  wierp  zich  achter  eene  heg  neder, 
ongeduldig  hakende  naar  het  morgenrood,  dat  voor  hem  het 
teeken  moest  zijn  tot  een  nieuwen  strijd,  tot  een  nieuwe  over- 
winning. 

Ook  de  bondgenooten  waren  in  hunne  stellingen  gebleven;  en 
beide  legers  rustten  daar  nu,  onbeweeglijk  en  stil,  op  korten 
afstand  van  elkander,  toen  zich  eensklaps,  tegen  middernacht, 
een  sterk  geweervuur  deed  hooren,  denkelijk  door  het  voorbarig 
schieten  van  een  schildwacht  of  door  een  andere  toevallige 
omstandigheid  veroorzaakt.  Een  aantal  manschappen  werd  aan 
weerszijden  daardoor  gedood,  en  bij  het  Fransche  leger  ontstond 
daardoor  een  groote  verwarring :  de  ruiterij,  die  zich  wat  achter- 
waarts had  gelegerd,  geraakte  geheel  uiteen,  en  er  verliep  eenigen 
tijd  eer  men  haar  kon  herzamelen.  Die  verwarring,  en  de  be- 
richten welke  inkwamen  aangaande  de  groote  verliezen  die  het 
Fransche  leger  had  geleden,  deden  Condé  eindelijk  besluiten 
af  te  zien  van  zijn  eerste  voornemen,  en  geen  nieuwen  strijd 
aan  te  vangen,  die  lichtelijk  op  den  geheelen  ondergang  van  het 
Fransche  leger  kon  uitloopen  en  den  vijand  den  weg  banen  naar 
Frankrijk.  Hij  gaf  bevel  tot  den  terugtocht;  —  en  die  terugtocht 
moet  wél  eene  noodzakelijkheid  zijn  geweest,  dat  zulk  een 
bevel  kwam  van  zulk  een  veldheer.  De  ruiterij  trekt  het  eerst 
af,  het  voetvolk  volgt  haar,  bij  het  einde  van  den  nacht,  en  de 
dag  brak  reeds  aan,  toen  de  laatste  troepen  van  de  achterhoede 
het  slagveld  verlieten,  's  Ochtends  tusschen  8  en  9  uur  was  het 
Fransche  leger  weer  in  het  kamp  bij  den  Piéton. 

Die  terugtocht,  aanvankelijk  niet  bemerkt  door  de  bondge- 
nooten, werd  ook  later  door  hen  niet  bemoeilijkt;  want  ook  zij 
waren  aanmerkelijk  verzwakt  door  den  bloedigen  strijd.  Oranje 
was  gezind  tot  het  voortzetten  van  den  strijd,  maar  andere  be- 
velhebbers, vooral  De  Souches,  waren  daar  sterk  tegen,  en  hun 
gevoelen  behield  de  overhand;  twee  uur  nadat  het  Fransche 
leger  het  slagveld  had  verlaten,  begonnen  ook  de  bondgenooten 


Digitized  by 


Google 


SLAG  VAN   SÉNEFFE  (l  C    AUGUSTUS    1674).  8l 

hun  terugtocht.  Die  terugtocht  geschiedde  eerst  op  Haine-Saint- 
Pierre  en  Haine-Saint-Paul,  waar  men  halt  hield,  eenige  uren 
liet  uitrusten,  en  door  een  drievoudig  salvo  de  behaalde  zege 
bij  Séneffe  vierde.  De  gewonden  en  de  overblijfselen  van  de 
bagage  waren  intusschen  naar  Mons  gezonden;  het  leger  trok 
toen  ook  daarheen,  en  sloeg,  op  den  avond  van  den  i2en  Augustus, 
een  kamp  op  nabij  die  vesting. 

Evenals  bijna  bij  eiken  veldslag  zijn  de  opgaven  omtrent  de 
verliezen  van  de  beide  partijen  in  dien  slag  van  Séneflfe  uiteen- 
loopend en  strijdig.  Beaurain  beweert  dat  het  Fransche  leger  ten 
minste  7  k  8000  man  aan  dooden  en  gewonden  verloor,  maar 
de  bondgenooten  een  10  ^  12000  man,  daaronder  echter  ge- 
rekend de  gewonden,  die  zich  onder  de  350©  gevangenen  be- 
vonden, welke  Condé  meevoerde  naar  zijn  legerkamp;  aan  de 
Fransche  zijde  moet  het  aantal  gevangenen  minder  groot  zijn 
geweest.  Natuurlijk,  dat  volgens  onze  schrijvers  de  verliezen 
van  het  Fransche  leger  grooter,  die  van  de  bondgenooten  kleiner 
zijn  geweest.  Men  kan  als  het  waarschijnlijkste  aannemen,  dat 
elk  der  beide  legers  nagenoeg  hetzelfde  verlies  heeft  ondergaan ; 
maar  dat,  door  den  aard  zelven  van  het  gevecht,  het  Fransche 
leger  meer  aan  dooden  en  gewonden  moet  hebben  geleden,  de 
bondgenooten  meer  aan  gevangenen. 

Bij  de  bondgenooten  was  het  de  Hollandsche  krijgsmacht  die 
het  voornaamste  deel  aan  den  strijd  had  gehad  en  het  grootste 
verlies  ondervonden;  daarna  volgde  de  Spaansche  legermacht, 
terwijl  de  Keizerlijke  troepen  het  minst  hadden  verloren.  Aan 
weerszijden  waren  bevelhebbers  van  naam  gesneuveld  of  gewond ; 
onder  de  eersten  noemt  men  bij  de  Franschen  Fourilles,  onder 
de  tweeden  Luxembourg,  Montal,  Rochefort,  Feuquières,  en 
d'Enghien,  den  zoon  van  Condé.  Bij  de  bondgenooten  waren 
d'Assentar,  Wee  en  Palm  —  de  dappere  aanvoerder  der  zeesol- 
daten  —  gesneuveld;  en  Waldeck,  Erpach,  Solms,  Aylva,  Ginkel, 
Ouwerkerk,  en  een  aantal  andere  bevelhebbers,  gewond.  Geschut 
hadden  de  Franschen  slechts  weinig  vermeesterd,  volgens  hunne 
eigene  opgaven  maar  2  kanonnen  en  2  mortieren;  maar  zij  be- 
roemen zich  op  de  verovering  van  107  vaandels,  en  op  het 
nemen  of  vernielen  van  een  paar  duizend  wagens.  Mogelijk  is 
er  overdrijving  in  die  opgaven;  zoo  zeggen  de  berichten  van 
onze  zijde  slechts,  dat  de  wagentrein  uiteenraakte  en  later  weer 
grooten deels  terugkwam  bij  het  leger,  zoodat  slechts  een  vijftigtal 
wagens  door  den  vijand  werden  genomen.  Dit  schijnt  echter  niet 
juist;  integendeel,  uit  verschillende  omstandigheden  moet  men  op- 
maken, dat  een  groot  gedeelte  der  bagage  van  de  Hollandsche 
en  Spaansche  legers  hier,  bij  Séneffe,  verloren  ging;  en  dat  de 
noodzakelijkheid  om  dat  verlorene  te  herstellen,  eene  voorname 


WILLEM  HL   —   II. 


Digitized  by 


Google 


82  KRIJGS-   EN  GKSCHIBDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

oorzaak   is  geweest  van  de  werkeloosheid  der  bondgenooten  na 
den  slag  bij  Séneffe. 

Die  slag  is  een  van  de  belangrijkste  veldslagen  van  de  zeven- 
tiende eeuw  geweest  en  maakt  vooral  in  ónze  krijgsgeschiedenis 
eene  roemrijke  gebeurtenis  uit.  Het  is  dus  noodzakelijk  om  de 
handelingen  van  de  beide  partijen  bij  dien  slag  eenigszins  nader 
te  overzien  en  te  onderzoeken  in  hoever  die  handelingen  lof  of 
blaam  verdienen,  voorbeelden  zijn  ter  navolging  of  ter  vermijding. 

De  eerste  vraag  die  zich  hier  voordoet,  is:  wie  was  overwin- 
naar in  dien  strijd  bij  Séneffe?  —  Men  weet  dat  beide  partijen 
zich  'de  eer  van  die  overwinning  hebben  toegeschreven;  beide 
met  evenveel,  of  met  even  weinig  recht. 

Wij  gelooven  dat  men,  om  hier  billijk  te  zijn  jegens  de  beide 
legers,  den  slag  in  twee  gedeelten  moet  splitsen,  of  aan  moet 
nemen,  dat  er  op  den  iien  Augustus  1674  twee  veldslagen 
hebben  plaats  gehad:  eerst  een  bij  Séneffe  en  bij  Saint-Nicolas- 
auxbois,  later  een  bij  Fay. 

In  den  eersten  veldslag  is  ontegenzeggelijk  de  overwinning 
aan  de  zijde  van  Condé  gebleven;  want  telkens  heeft  hij  daar 
de  bondgenooten  uit  hunne  stellingen  verdreven,  hen  uiteenge- 
slagen, hun  groote  verliezen  toegebracht;  en  had  de  Fransche 
veldheer  zich  tot  dien  eersten  veldslag  bepaald,  dan  zou  niemand 
kunnen  ontkennen  dat  hij  overwinnaar  was  gebleven ;  —  evenals 
niemand  aan  de  Oostenrijkers  de  eer  der  overwinning  te  Marengo 
zou  hebben  kunnen  betwisten,  wanneer  zij  dien  slag  hadden  af- 
gebroken vóór  de  komst  der  divisiën  van  Désaix. 

Maar  even  zeker  als  bij  dien  tweeden,  lateren  strijd  op  het 
slagveld  van  Marengo,  Napoleon  overwinnaar  is  gebleven,  even 
zeker  is  bij  het  tweede  gedeelte  van  den  strijd  te  Séneffe,  bij 
wat  men  den  slag  van  Fay  zou  kunnen  noemen,  alleen  aan 
Willem  III  de  overwinning  toe  te  kennen;  want  die  Stadhouder 
bleef  onverdeeld  meester  van  de  door  hem  bezette  stellingen, 
alle  aanvallen  waren  afgeslagen  met  groot  verlies  voor  den  aan- 
valler, en  het  verzwakte  Fransche  leger  gaf  den  strijd  op,  en 
ruimde  het  slagveld  aan  de  bondgenooten  in.  Indien  dit  den 
bondgenooten  niet  het  recht  geeft  om  zich  de  eer  der  overwin- 
ning toe  te  schrijven,  dan  weten  wij  niet  wat  de  ken  teekenen 
zijn  van  eene  overwinning. 

Den  iicQ  Augustus  1674  behaalde  dus  elke  partij  eene  over- 
winning, en  elke  partij  leed  eene  nederlaag.  Men  kan  gerustelijk 
aannemen  dat  het  voordeel  het  nadeel  opwoog,  en  dat  de  strijd 
van  Séneffe,  roemrijk  voor  beide  partijen,  voor  geene  beslissend 
is  geweest.  Wil  men  aanmerken,  dat  het  einde  van  den  strijd 
dan    toch    in   het    voordeel    was  van    de   bondgenooten   en   zij 


Digitized  by 


Google 


SLAG   VAN   SÉNEFFE   (il    AUGUSTUS    1674).  83 

meester  bleven  van  het  slagveld,  —  dan  is  het  antwoord  daarop : 
dat  dit  toch  eigenlijk  weinig  of  niets  beduidde,  daar  het  Fransche 
leger  niet  in  het  minst  vervolgd  werd  bij  zijn  terugtocht,  en  ook 
de  bondgenooten  kort  daarop  wegtrokken.  Aan  de  Fransche 
zijde  deden  aanvankelijk  de  gevangenen  en  de  veroverde  vaan- 
dels aan  eene  groote  overwinning  gelooven;  Lodewijk  XIV  en 
zijne  staatsdienaars  vleiden  zich  met  de  hoop,  dat  de  bondge- 
nooten door  den  slag  van  Séneffe  buiten  staat  waren  gesteld  om 
in  dezen  veldtocht  iets  anders  te  ondernemen,  en  dat  dus  een 
deel  der  troepen  van  Condé  uit  De  Nederlanden  kon  worden 
weggenomen  om  Turenne  aan  den  Rijn  te  versterken.  Het  kostte 
Condé  moeite  om  die  dwaling  te  doen  ophouden,  en  de  Fransche 
regeering  aan  te  toonen,  dat  hij,  wel  verre  van  troepen  te  kun- 
nen missen,  integendeel  dringend  versterking  noodig  had;  dat 
hij  zeer  groote  verliezen  had  geleden,  en  de  vijand  nog  altijd 
overmachttg  bleef;  dat  verschillende  korpsen  van  het  Fransche 
leger  geheel  ontbonden  waren,  en  al  de  andere  eene  aanmerke- 
lijke versterking  behoefden  aan  manschappen  en  aan  paarden.  — 
Wij  halen  die  bijzonderheden  niet  uit  onze  schrijvers,  maar  uit 
Beaurain,  die  er  bijvoegt:  >in  stilte  had  men  bijna  spijt  over  de 
zege  waarop  men  roemde."  {Peu  len  faUüt  qu*on  ne  regrettnt 
secret ement  les  succes  dont  on  se  glorifiait). 

Wij  gelooven  daarom,  dat  men  de  vraag:  wie  was  overwinnaar  in 
den  slag  bij  Séneffe?  —  aldus  kan  beantwoorden:  niemand;  het 
was  een  veldslag  waarbij  beurtelings  de  eene  en  de  andere  partij 
overwon,  en  beide  gelijke  verliezen  leden;  het  was  een  onbesliste 
veldslag. 

Omtrent  Condé*s  handelingen  kan  men  opmerken,  dat  zij  zich 
onderscheiden  door  dat  stoute,  dat  beslissende,  dat  rustelooze, 
dat  ter  overwinning  geleidt,  dat  den  grooten  veldheer  kenmerkt, 
die  dadelijk  de  kans  bespeurt  om  zijne  tegenpartij  eene  nederlaag 
toe  te  brengen,  en,  zonder  een  oogenblik  te  verliezen,  van  die 
kans  gebruik  maakt.  Condé*s  handelingen  bij  het  eerste  gedeelte 
van  den  slag  van  Séneffe  zijn  altijd  het  voorwerp  geweest  eener 
onverdeelde  bewondering,  die  zij  dan  ook  ten  volle  verdienen ;  — 
maar  even  eenparig  is  het  afkeurend  oordeel  over  dat  hardnekkig 
voortzetten  en  volhouden  van  den  strijd,  waardoor  de  Fransche 
veldheer  alle  vruchten  der  eerst  behaalde  overwinning  weer  ge- 
heel verloor. 

Is  dat  afkeurend  oordeel  verdiend  ?  Heeft  men  daarbij,  zooals 
zoo  dikwijls  geschiedt,  mogelijk  niets  anders  geraadpleegd  dan  de 
uitkomst  ?  —  Het  is  moeilijk  die  vragen  voldoende  te  beantwoor- 
den ;  —  maar  als  vast  en  zeker  kan  men  aannemen,  dat  wanneer 
die  uitkomst  anders  ware  geweest,  wanneer  Willem  III  ook 
uit  zijne  stelling  bij  Fay  ware  geslagen  en  het  leger  der  bond- 


Digitized  by 


Google 


84  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

genooten  daardoor  grootendeels  ware  te  niet  gegaan^  het  den 
Franschen  veldheer  niet  ontbroken  zou  hebben  aan  uitbundige 
lofredenaars  over  dat  voortzetten  en  volhouden  van  den  strijd, 
wat  nu  zoo  wordt  gelaakt.  Gemakkelijk  valt  het  te  begrijpen 
hoe  een  veldheer  als  Condé,  aan  het  hoofd  van  troepen  zoo 
dapper  en  uitmuntend  als  de  door  hem  aangevoerde,  na  de 
groote  voordeelen  die  hij  reeds  op  den  vijand  had  behaald,  er 
toe  gebracht  werd  om  dien  zoo  verzwakten  vijand  verder  aan 
te  vallen,  dien  zoo  mogelijk  geheel  te  vernietigen,  en  daardoor 
wellicht  den  oorlog  ten  einde  te  brengen.  Die  grootsche,  be- 
slissende uitkomst  was  mogelijk,  was  niet  onwaarschijnlijk ;  al  de 
bekwaamheid  en  geestkracht  van  Willem  III,  al  de  dapperheid 
van  zijne  soldaten  waren  noodig  om  die  uitkomst  te  verhinderen ; 
plaats  tegenover  Condé  een  minder  uitstekend  veldheer,  een 
minder  goed  leger,  en  de  slag  van  Séneffe  zal  Lodewijk  XIV 
in  staat  stellen  om  aan  Europa  wetten  voor  te  schrijven.  Let 
men  op  die  mogelijke  uitkomsten,  dan  zal  men  dat  voortzetten 
van  den  strijd  in  Condé  niet  zoo  afkeuren. 

üat  Condé,  om  het  vijandelijke  leger  gedurende  zijn  marsch 
aan  te  vallen,  een  omweg  maakte  over  Gouy  en  Séneffe,  en  van 
daar  verder  op  Fay,  dat  hij  den  kortsten,  rechten  weg  niet 
volgde,  die  van  het  dorp  Piéton  naar  Fay  geleidt,  dit  lag  eens- 
deels aan  den  aard  van  het  terrein  tusschen  Piéton  en  Fay, 
anderdeels  aan  het  doel  dat  Condé  met  dien  aanval  beoogde. 
Het  terrein  tusschen  de  beide  genoemde  dorpen  was  geheel 
ongeschikt  voor  den  marsch  van  een  leger,  geheel  ongunstig 
voor  den  aanval:  het  doorsneden  bedekte  terrein,  de  daar  aan- 
wezige bosschen,  en  de  moerassige  oevers  van  de  beek  van 
Séneffe  begunstigden  daar  de  verdediging  uitermate,  en  zouden 
het  voor  de  bondgenooten  gemakkelijk  hebben  gemaakt  om  dddr 
den  vijand  tegen  te  houden.  Condé  beoogde  dan  ook  volstrekt 
geen  aanval  op  de  linkerflank  der  bondgenooten,  die  hij  —  met 
reden  —  goed  verzekerd  achtte  door  die  terreinbeletselen;  hij 
beoogde  aanvankelijk  niets  anders  dan  een  aanval  op  's  vijands 
achterhoede,  bij  Séneffe;  en  alleen  door  den  loop  van  het  ge- 
vecht werd  hij  er  toe  gebracht,  om  van  daar  voort  te  rukken 
tot  Saint-Nicolas-aux-bois,  en  van  daar  tot  Fay;  —  maar  het 
voornemen  om  een  flankaanval  te  doen,  heeft  bij  Condé  niet 
bestaan. 

Dit  brengt  er  ons  vanzelf  toe,  de  handelingen  van  Willem  III 
te  bespreken,  en  allereerst  dat  dwaalbegrip  te  bestrijden,  alsof 
de  Stadhouder  zich  te  Séneffe  door  een  gevaarlijken  en  onbe- 
dachten  flankmarsch  aan  een  geheele  nederlaag  zou  hebben 
blootgesteld.  Het  is  een  vooroordeel,  een  flankmarsch  als  zoo 
gevaarlijk  voor  te  stellen,  en  er  is  veel  waarheid  in  wat  Beaurain 


Digitized  by 


Google 


SLAG  VAN  SÉNEFFE  (ll  ATGUSTUS  1674).  85 

daarover  zegt:  »wat  doet  het  er  toe,  in  welke  richting  een 
leger  marcheert,  als  het  zich  maar  tijdig  in  slagorde  kan  plaat- 
sen, geheel  of  gedeeltelijk,  naar  gelang  van  de  macht  door 
welke  het  kan  worden  aangevallen,  en  van  het  terrein  dat  het 
heeft  te  verdedigen  ?"  (^//  impoi'te  dans  quel  sens  twe  armee  marche^ 
pounni  qu  elle  puisse  se  fonner  assez  d  temps  pour  combattre^  en  totit 
OU  en  partie^  selon  les  forces  qui  peur  ent  Vattaquer^  et  Ie  terrain  oü 
elle  doit  se  défendre?) 

Bij  een  flankmarsch  kan  men  zich  even  spoedig  of  spoediger 
in  slagorde  stellen  dan  bij  een  front-  of  een  terugtochtsmarsch ; 
alles  hangt  af  van  de  wijze  waarop  de  flankmarsch  wordt  ver- 
richt. Zeker,  wanneer  men  in  onze  dagen  een  flankmarsch  op 
korten  afstand  en  in  het  gezicht  van  den  vijand  wilde  doen, 
zooals  Frederik  II  dit  te  Praag  en  te  Kollin,  en  Soubise  te  Rosz- 
bach  deed,  dan  zou  men  gevaar  loopen  van  eene  geheele  neder- 
laag te  ondergaan,  want  zulke  flankmarschen  zijn,  ten  minste 
bij  de  hedendaagsche  krijgskunst,  als  slecht  te  beschouwen.  Maar 
doet  men  een  flankmarsch  op  dezelfde  goede  wijze  als  het  leger- 
korps van  Masséna  dit  deed  op  den  tweeden  dag  van  den  slag 
van  Wagram,  dan  zal  men  daardoor  even  weinig  nadeel  lijden 
als  de  Fransche  maarschalk  dddr  leed.  De  flankmarsch  op  zich- 
zelf is  niet  gevaarlijk:  alleen  de  slecht  uitgevoerde  flank- 
marsch is  het,  en  dit  heeft  hij  gemeen  met  ieder  en  anderen  marsch. 

Een  flankmarsch,  waardoor  men  zich  verwijdert  van  het  eigen 
land,  van  de  eigen  magazijnplaatsen,  kan  soms  het  nadeel  op- 
leveren, dat  men  daardoor  de  gemeenschap  van  het  leger  met 
dat  land  of  met  die  magazijnplaatsen  in  gevaar  brengt  5  —  maar 
dit  is  eigenlijk  meer  een  strategisch  gevaar.  Het  taktische 
gevaar  dat  een  flankmarsch,  volgens  veler  oordeel,  kenmerkt,  is, 
dat  het  leger  gedurende  dien  marsch  gemakkelijk  in  de  flank 
kan  worden  aangevallen,  doorbroken,  en  geheel  geslagen.  Wij 
ontkennen  dat  gevaar  bij  eiken  goed  uitgevoerden  flankmarsch; 
en  hier,  bij  dien  flankmarsch  te  Séneffe,  bestond  dat  gevaar  zóó 
weinig,  dat  de  aanval  van  Condé  niet  heeft  plaats  gehad  op  de 
linkerflank  van  het  marcheerende  leger  der  bondgenooten,  maar 
alleen  op  hunne  achterhoede;  een  aanval,  die  evenzoo  had  kun- 
nen worden  gedaan  wanneer  de  bondgenooten  in  plaats  van  een 
flankmarsch  een  terugtochtsmarsch  hadden  verricht.  De  linker- 
flank des  legers,  die  gedurende  den  marsch  naar  den  vijand  was 
gekeerd,  was  genoegzaam  beveiligd  door  de  hindernissen  van  het 
terrein;  gevaar  bestond  dus  dddr  niet;  en  wij  halen  weer  het 
oordeel  aan  van  Beaurain  over  dien  flankmarsch  der  bondge- 
nooten, wanneer  hij  zegt:  >op  zichzelf  was  die  marsch  noch 
onvoorzichtig,  noch  zelfs  bijzonder  stout;  is  hij  gevaarlijk  ge- 
worden, dan  was  hij  dit  alleen  door  de  wijze  van  uitvoering." 
(Cette  marche  tCétait   en   elle-méme^   ni  imprudente^   ni  méme  tres- 


Digitized  by 


Google 


86  KRIJGS-  EN  GBSCHIKDK.UNDIGK  BESCHOUWINGEN. 

hardie;  et  si  elle  devint  périlleuse^  ce  ne  fut  que  par  la  maniere  dont 
on  Veicécutd), 

De  voordeelen  door  Condé  behaald  in  het  begin  van  dien 
slag  van  Séneffe,  moeten  dus  volstrekt  niet  worden  geweten  aan 
een  roekeloozen  of  zelfs  maar  onvoorzichtigen  marsch,  door 
Willem  III  uitgevoerd:  in  dien  marsch  was  geen  roekeloosheid, 
zelfs  geen  onvoorzichtigheid.  Maar  waaraan  moeten  die  voor- 
deelen dan  worden  toegeschreven  ?  —  Wij  gelooven  dat  men  die 
moet  toeschrijven  aan  de  samenwerking  van  verschillende  oor- 
zaken, die  hier  zullen  worden  opgenoemd. 

Vooreerst  was  Condé  zeer  in  het  voordeel,  alleen  reeds  door 
de  omstandigheid,  dat  hij  een  marcheerend  leger  aanviel.  Vroeger, 
bij  de  behandeling  van  de  oorlogsmarschen  in  de  17e  eeuw,  is 
aangetoond  hoeveel  de  regeling  en  uitvoering  dier  marschen  te 
wenschen  overlieten,  en  hoe  gemakkelijk  het  toenmaals  moest 
zijn,  een  leger  gedurende  zijn  marsch  gevoelige  nadeelen  toe  te 
brengen.  Dit  was  in  het  algemeen  waar  bij  alle  marschen  van 
dien  tijd,  en  zal  het  dus  ook  wel  geweest  zijn  bij  den  marsch, 
hier  door  den  Stadhouder  uitgevoerd.  De  marschen  geschiedden 
toen  met  te  weinig  orde,  en  de  troepen  waren  te  weinig  beweeg- 
baar, te  veel  gebonden  aan  lastige  vormen  en  slagorden,  dan 
dat  men  bij  een  aanval  gedurende  een  marsch  op  een  gedeelte 
der  troepen,  er  op  kon  rekenen,  dat  de  overige  deelen  spoedig  of 
tijdig  ter  hulp  zouden  komen.  Te  verwonderen  is  het,  dat  zulke 
aanvallen  als  Condé  bij  Séneflfe  deed,  niet  herhaaldelijk  voor- 
komen in  de  oorlogen  van  dien  tijd,  want  van  die  aanvallen  was 
altijd  voordeel  te  verwachten. 

Eene  tweede  oorzaak  van  de  zege  door  Condé  behaald,  is  ie 
vinden  in  de  wijze  waarop  de  marsch  werd  verricht  door  een 
gedeelte  van  het  leger  der  bondgenooten.  Verschillende  verhalen 
wijten  de  schuld  van  de  nederlaag,  aanvankelijk  door  de  bond- 
genooten ondervonden,  aan  het  Keizerlijke  leger,  of  aan  zijn 
veldheer.  De  Souches,  —  zeggen  zij  —  ging  te  spoedig  met  zijn 
leger  op  marsch,  verrichtte  den  marsch  met  te  veel  overhaasting, 
kwam  te  traag  opdagen  tot  hulp  der  Hollanders  en  Spanjaarden, 
en  liet  dezen  daardoor  te  lang  alleen  den  strijd  volhouden  tegen  het 
Fransche  leger.  Verschillende  beschuldigingen  worden  ingebracht 
tegen  den  Keizerlijken  veldheer:  het  niet  gehoorzamen  aan  be- 
velen van  Willem  III;  het  uitsluitend  zorgen  voor  het  behoud 
van  z  ij  n  e  troepen,  en  vooral  van  z  ij  n  e  bagage,  zonder  aan  de 
ondersteuning  van  zijne  bondgenooten  te  denken ;  het  terugzenden, 
tot  dekking  dier  bagage,  van  drie  regimenten,  die  echter  door 
een  der  onderbevelhebbers,  in  weerwil  van  dien  last,  naar  het 
slagveld  werden  gevoerd ;  het  niet  gehoor  geven  aan  het  voorstel 
van  den  generaal  Sporck  om  met  ruiterij  het  verlaten  kamp  van 


Digitized  by 


Google 


SLAG   VAN   SÉNEFFE   (ll    AUGUSTUS    1674).  87 

Condé  aan  te  vallen ;  —  ziedaar  feiten,  die,  wanneer  zij  waar  zijn, 
het  bewijs  opleveren  van  de  weinige  medewerking  die  Willen»  III 
hier,  bij  Séneffe,  van  de  Keizerlijke  krijgsmacht  ondervond. 

Evenwel  moet  men  voorzichtig  zijn  met  het  aannemen  van  die 
beschuldigingen,  die  mogelijk  voor  een  deel  haar  aanzijn  te  dan- 
ken hebben  aan  de  vroegere  en  latere  handelingen  van  De  Souches, 
en  aan  de  tegen  hem  bestaande  vijandschap,  niet  alleen  bij  de 
Hollandsche  en  Spaansche  krijgsmacht,  maar  ook  bij  zijn  eigen 
onderbevelhebbers,  waarvan  één  —  Sporck  —  zich  soms  uitliet: 
>dat  hij  niet  in  het  Paradijs  zou  willen  zijn,  als  hij  wist  dat  De 
Souches  daar  ook  was."  Bij  die  beschuldigingen  kan  dus  zeer 
goed  partijdige  voorstelling,  overdrijving  hebben  bestaan ;  —  maar 
een  kern  van  waarheid  lag  er  toch  in:  het  Keizerlijke  leger 
verrichtte  den  marsch  te  spoedig,  en  kwam  te  langzaam  terug; 
want  reeds  om  lo  uur  *s  ochtends,  op  het  oogenblik  dat  de 
achterhoede  bij  Séneffe  werd  aangevallen,  had  het  Keizerlijke 
leger  den  marsch  geëindigd  en  stond  het  aan  de  Haine;  en  het 
was  reeds  i  uur  in  den  namiddag,  toen  dat  leger  weer  te  Fay 
kwam,  hoezeer  de  afstand  van  dat  dorp  tot  de  Haine  niet  meer 
is  dan  een  uur  gaans. 

£en  derde  oorzaak  vindt  men  in  de  wijze  waarop  het  gevecht 
bij  Sénefife  werd  gevoerd,  in  de  zwakheid,  dddr  en  te  Saint- 
Nicolasauxbois  door  sommige  gedeelten  van  de  legermacht  der 
bondgenooten  betoond,  en  in  de  buitengewone  dapperheid  van 
Condé*s  soldaten. 

Uit  de  bijzonderheden  die  vermeld  worden  omtrent  den  strijd 
bij  het  dorp  Séneffe,  moet  men  opmaken,  dat  De  Vaudemont 
zijne  ruiterij  daar  op  eene  gebrekkige  wijze  heeft  geplaatst  en 
in  gevecht  gebracht:  zij  is  de  beek  genoeg  nabij  om  verliezen 
te  lijden  door  het  Fransche  artillerievuur;  zij  is  evenwel  te  ver 
van  de  beek  om  den  overgang  aan  Condé's  ruiterij  te  betwisten ; 
ten  minste,  zij  betwist  dien  niet ;  zij  laat  die  ruiterij  ongehinderd 
overtrekken;  zij  wil  daarna  aanvallen,  maar  het  terrein  verhin- 
dert of  bemoeilijkt  dit;  en  daar  men  op  zoo  kleine  ruimte  was 
geplaatst  —  in  het  verslag  van  Willem  III  komt  voor,  dat  de 
troepen  >bij  gebrek  aan  plaatse  zeer  benaauwt  waren,  en  bijnaar 
d*  eene  op  d'  andere  stonden"  -^  worden  door  de  nederlaag  der 
eerste  linie,  ook  de  twee  daarachter  staande  liniën  geslagen  en 
op  de  vlucht  gedreven.  Dit  alles  bewijst,  dat  die  ruiterij  bij 
Séneffe  met  niet  veel  beleid  in  gevecht  is  gebracht. 

Voeg  hierbij  den  heldenmoed  van  Condé's  regimenten,  en  de 
zwakheid,  aanvankelijk  door  sommige  gedeelten  van  de  ruiterij 
der  bondgenooten  betoond,  en  dan  zal  het  duidelijk  zijn,  waar- 
aan de  overwinningen  moeten  worden  toegeschreven,  die  de 
Fransche  veldheer  behaalde  in  het  eerste  gedeelte  van  den 
strijd.  —  En  wanneer  hier  gesproken  wordt  van  zwakheid  van 


Digitized  by 


Google 


88  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

een  gedeelte  der  ruiterij  van  Willem  III,  dan  neemt  dit  niets 
weg 'van  den  roem,  dien  de  soldaten  van  den  Stadhouder  zich, 
over  het  geheel,  door  hun  onbezweken  dapperheid  in  dien  slag 
hebben  verworven;  die  roem  kan  door  niemand  worden  betwist 
of  betwijfeld,  en  de  onverschrokken  legerscharen  van  Condé 
vonden  hier  vijanden  hunner  waardig;  zij  leerden  hier  de  kracht 
kennen  van  die  geduchte  Hollandsche  infanterie,  die  zich  later 
op  zooveel  slagvelden  door  den  sterksten  vijand  deed  ontzien, 
en  wier  waarde  zelfs  door  den  bekenden  Folard,  een  Fransch- 
man,  wordt  erkend. 

Maar  de  roem  dien  men  aan  de  dapperheid  is  verschuldigd, 
wordt  niet  verhoogd  door  het  verzwijgen  of  bewimpelen  van  de 
zwakheid  of  lafhartigheid ;  ook  die  moet  in  het  daglicht  worden 
gesteld;  ook  die  moet  de  berisping  der  geschiedenis  niet  ont- 
gaan, want  juist  door  die  berisping  wordt  de  lof  dien  zij  aan  de 
krijgsdeugd  toezwaait  van  zooveel  te  grooter  waarde.  Bovendien, 
het  beste  leger  heeft  zijne  oogenblikken  van  zwakheid,  de  dap- 
perste krijgsmacht  telt  lafaards  in  hare  rijen:  die  zwakheid,  te 
Séneffe  ook  door  Hollandsche  ruiterij  betoond,  bewijst  dus  niets 
ten  nadeele,  uitgewischt  als  zij  werd  door  latere  uitstekende 
wapenfeiten ;  en  dat  er  vluchtelingen  waren  bij  Willem  IIFs  leger, 
dat  de  Stadhouder  zelfs  een  dier  lafaards  —  een  majoor  der  garde, 
Erik  Dieur  Klouw  —  het  hoofd  voor  de  voeten  deed  leggen, 
dit  vermindert  in  geenen  deele  de  glorie,  die  de  verdedigers  van 
Fay  zich  door  hunne  onsterfelijke  dapperheid  hebben  verworven. 

Ziedaar  de  oorzaken,  waaraan  Condé  zijne  overwinningen  had 
te  danken;  —  die  oorzaken  getuigen  niet  tegen  het  beleid  des 
Stadhouders. 

Maar  wat  in  de  hoogste  mate  voor  zijn  beleid  getuigt,  dat 
is  de  wijze  waarop  hij  die  overwinningen  van  Condé  weet  te 
stuiten,  en  in  nederlagen  te  verkeeren;  dat  is  de  keus  van  de 
stellingen  waarin  hij  zijne  troepen  weet  te  plaatsen.  Uit  alle  op- 
gaven blijkt,  dat  die  stellingen,  door  Willem  III  bij  Saint-Nicolas- 
aux-bois  en  bij  Fay  ingenomen,  eene  groote  sterkte  hadden,  en 
dat  daarbij  op  eene  uitmuntende  wijze  partij  werd  getrokken  van 
de  voordeden  die  het  terrein  opleverde ;  dat  daarbij  het  bezetten 
en  verdedigen  van  dorpen,  boomgaarden,  heggen  en  ravijnen 
plaats  heeft  op  eene  wijze,  zooals  men  het  in  onze  eeuw  niet 
beter  zou  doen,  zooals  men  dit  tevergeefs  zal  zoeken  bij  de 
meeste  veldslagen  van  den  zevenjarigen  oorlog.  Wanneer  de 
veldheer  der  bondgenooten  over  ruimte  van  tijd  had  te  beschik- 
ken gehad  om  die  stelling  uit  te  kiezen  en  te  bezetten,  dan  nog 
zou  men  het  beleid  moeten  bewonderen  waarmede  dit  is  verricht ; 
maar  hoeveel  hooger  moet  die  bewondering  klimmen,  wanneer 
men  opmerkt,   dat  er  weinig   tijd  was  om  die  stellingen  uit  te 


Digitized  by 


Google 


SLAG  VAN   SÉNEFFE   (ll    AUGUSTUS    1674).  89 

kiezen  en  te  bezetten;  dat  dit  op  dat  oogenblik  gedaan  moest 
worden ;  dat  op  dat  oogenblik,  en  te  midden  van  de  verwarring 
door  den  woedenden  aanval  des  vijands  veroorzaakt,  de  bevelen 
daartoe  moesten  worden  gegeven.  Gewis,  de  veldheer  die  in  zulk 
een  toestand  zich  weet  vrij  te  houden  van  misslagen;  die  met 
helderen  blik  dadelijk  het  gunstigste  slagveld  voor  zijn  leger 
weet  te  kiezen,  en  spoedig,  bepaald  en  kort  datgene  weet  voor 
te  schrijven  wat  noodig  is  om  den  vijand  te  weerstaan;  —  zoo 
iemand  is  geen  gewoon  veldheer,  zoo  iemand  verdient  te  worden 
bekroond  met  den  lauwerkrans  van  het  genie. 

Laat  ons  nog  dit  er  bij  opmerken,  dat,  om  het  verdienstelijke 
van  het  uitkiezen  dier  uitmuntende  stellingen  naar  waarde  te 
schatten,  men  wel  moet  in  het  oog  houden,  dat  Willem  III  niet 
dezelfde  hulpmiddelen  tot  zijne  beschikking  had,  die  een  heden- 
daagsch  veldheer  zoude  hebben.  Een  hedendaagsch  veldheer,  in 
den  toestand  geplaatst  waarin  de  Stadhouder  te  Séneffe  verkeerde, 
zou  bij  het  uitkiezen  en  bezetten  van  eene  stelling  met  veel 
minder  bezwaren  hebben  te  kampen  dan  Willem  III  in  1674: 
het  terrein  zou  hem  niet  vreemd  zijn,  al  was  het  voor  de  eerste 
maal  dat  zijn  leger  daar  verscheen,  want  heden  ten  dage  heeft 
men  meestal  uitvoerige  kaarten  van  het  oorlogstooneel,  die  in 
staat  stellen  om  dadelijk  eene  goede  stelling  voor  een  leger  te 
kiezen;  en  hij  wordt  ondersteund  door  een  generalen  staf,  die, 
de  veldheerskunst  tot  zijne  hoofdstudie  gemaakt  hebbende,  de 
bekwaamheid  heeft  om  de  bevelen  en  voorschriften  van  het 
legerhoofd  dadelijk  te  begrijpen,  in  bijzonderheden  uit  te  voeren, 
desnoods  te  verbeteren  en  aan  te  vullen.  In  de  17e  eeuw,  toen 
men  die  hulpmiddelen  niet  kende,  was  de  toestand  des  veldheers 
veel  bezwaarlijker;  en  ook  dit  verhoogt  het  uitstekende  van 
Oranje's  beleid  in  dien  slag  van  Séneffe. 

Wij  zouden  aan  den  roem  van  den  grooten  Stadhouder  tekort- 
doen,  wanneer  wij  zwegen  van  de  persoonlijke  dapperheid,  door 
hem  in  den  strijd  bij  Séneffe  betoond.  £n  niemand  zegge,  dat 
dit  eene  krijgsdeugd  is,  alleen  noodzakelijk  in  den  soldaat,  maar 
in  den  veldheer  overtollig,  zoo  niet  schadelijk.  Dit  is  slechts  in 
het  algemeen  waar;  het  is,  in  het  algemeen,  goed,  dat  de  veld- 
heer blijft  buiten  het  gewoel  van  den  slag,  om  dezen  daardoor 
zooveel  te  beter  te  kunnen  leiden  en  besturen;  —  maar  wel 
degelijk  komen  er  ook  gevallen  voor  waarin  het  voor  den  veld- 
heer plicht  is,  zich  aan  het  hoofd  der  strijdenden  te  stellen  en, 
door  zich  in  persoon  in  het  midden  van  het  gevaar  te  storten, 
den  moed  en  de  geestdrift  zijner  soldaten  ten  hoogsten  top  te 
doen  klimmen.  Zóó  deed  Napoleon  te  Arcole,  zóó  deed  de 
aartshertog  Karel  te  Essling,  zóó  dïeed  de  Oranjevorst  te  Quatre- 
Bras,  zóó  deden  èn  Alexander,  èn  Caesar,  èn  Gustaaf  Adolf,  en 


Digitized  by 


Google 


9©  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

allen  die,  in  ouderen  of  nieuweren  tijd,  op  veldheersroem  kun- 
nen bogen.  De  held  is  als  zoodanig  nog  geen  veldheer;  maar  de 
veldheer,  die  waarlijk  dien  naam  verdient,  moet  een  held  zijn. 

Willem  III  was  een  held,  op  het  slagveld  van  Séneffe  evenals 
op  al  die  menigvuldige  slagvelden  waar  de  oorlogskans  hem 
heeft  gebracht.  Dat  zwakke,  ziekelijke  lichaam  des  Stadhouders 
scheen  te  midden  van  strijd  en  doodsgevaar  eene  ongekende 
sterkte  en  veerkracht  te  verkrijgen ;  en  dat  onbeweeglijke,  onver- 
schillige van  zijn  voorkomen  maakte  dan  plaats  voor  het  vuur 
van  de  hoogste  geestdrift.  Er  is  maar  ééne  stem  over  de  ontem- 
bare dapperheid,  door  den  Oranievorst  in  dien  strijd  van  Séneffe 
ontwikkeld  *,  eene  dapperheid,  die  vermetel  zou  moeten  worden  ge- 
noemd, ware  zij  niet  noodzakelijk  geweest  om  den  moed  op  te 
wekken  van  zijne  soldaten,  verrast  en  in  verwarring  gebracht  door 
Condé's  onverwachten  aanval  en  door  hunne  eerste  nederlagen. 
Alle  verhalen  stellen  Oranje  voor,  onverschrokken  zich  in  het 
midden  van  het  strijdgewoel  werpende,  overal  daarheen  rennende, 
waar  zijne  tegenwoordigheid  werd  vereischt,  door  woord  en  daad 
zijne  troepen  tot  heldenmoed  opwekkende,  en  ieder  oogenblik 
zijn  leven  en  vrijheid  in  het  hoogste  gevaar  brengende.  >Ik  schricke 
nog"  —  zegt  een  ooggetuige,  bij  Sylvius  —  >als  ik  denke  in 
wat  perykel  hem  Zijne  Hoogheyt  gestelt  heeft ;  het  is  een  teeken, 
dat  hem  God  almachtig  sonderling  bewaart;  want  alle  die  omtrent 
hem  geweest  zijn,  zijn  doot  of  gequetst  geweest,  behalve  de  jonge 
Prins  van  Friesland  die,  hoe  jong  hij  is,  nooit  en  heeft  geweken 
van  de  zijde  van  Zijne  Hoogheyt,  en  noch  een  of  twee  anderen 
op  het  hoogste."  De  Souches  zeide,  dat  Willem  III  te  Séneffe 
>het  beleid  van  een  oud  veldheer,  de  dapperheid  van  een  Caesar 
en  de  onverschrokkenheid  van  een  Marius  had  doen  blijken," 
Condé  verhief  den  lof  van  zijn  tegenstander,  en  zeide  dat  deze 
>zich  als  een  beproefd  veldheer  had  gedragen,  behalve  daarin, 
dat  hij  zijn  persoon  te  veel  had  blootgesteld;"  —  een  vreemd 
verwijt  in  den  mond  van  Condé,  die  zelf  als  de  dapperste  sol- 
daat had  meêgestreden,  en  wien  drie  paarden  waren  gedood. 
Beaurain,  eindelijk,  zegt:  »maar  wie  vooral  aan  de  nakomeling- 
schap moet  worden  genoemd,  dat  is  de  Prins  van  Oranje,  en 
zijn  krachtige,  onverschrokkene,  koele  dapperheid.  Bij  de  laatste 
gevechten,  vooral  bij  Fay,  was  hij  bijna  altijd  in  het  heetste  der 
gevaren ;  verscheiden  paarden  werden  onder  hem  gedood ;  Ouwer- 
kerk,  de  bevelhebber  zijner  lijfwacht,  kreeg  eene  zware  hoofd- 
wonde, toen  hij  een  pistoolschot  van  hem  wilde  afweren;  die 
officier  viel  in  handen  van  de  Franschen,  maar  ontkwam  later 
weer  in  het  strijdgewoel.  De  jonge  Prins  .van  Friesland,  twintig 
jaar  oud,  verliet  den  Prins  van  Oranje  niet;  de  Stadhouder  was 
toen  vier  en  twintig;  zoo  jong,  met  weinig  ondervinding,  nog 
nooit  een  grooten  veldslag  hebbende  bijgewoond,  zag  hij  er  niet 


Digitized  by 


Google 


SLAG  VAN   SÉNEFFE   (n    AUGUSTUS    1674).  9I 

tegen  op  om  het  hoofd  te  bieden  aan  den  reeds  overwinnenden 
Prins  van  Condé."  (Mats  Ie  Prince  d'Orange  est  celui  dont  la 
valeuf\  /J  la  fois  active^  intrépide  et  froide^  mérite  surtout  d'^ètre 
transmise  a  la  postérité.  Dans  les  derniers  combats^  et  principalement 
dans  celui  de  Fay^  il  fut  ptesque  toujours  au  fort  du  danger;  il  cut 
plusieurs  che^'aux  tués  sous  lui;  son  capitaine  des  gardes^  D'*  Ouwerkerk^ 
ft'it  grièvement  blessé  a  la  tête^  en  voulant  Ie  garantir  d^un  coup  de 
pistolet;  eet  officier  füt  pris  par  les  Frangais,  et  se  sauva  ensuite  de 
leurs  mains  dans  Ie  tumulte  du  combat.  Le  jeune  Prince  de  Frise^  dgé 
de  ringt  ans^  ne  quitta  pas  le  Prince  d'Orange;  le  Stadhouder  en 
avait  alors  vingt-quatre ;  ^  eet  dge^  avec  peu  d^expérience^  nayant 
point  encore  vu  de  grande  bataille^  il  ne  füt  point  étonné  de  ridée  de 
résister  au  Prince  de  Condé^  déjd  victorieux). 

In  de  jaarboeken  van  onzen  wapenroem,  in  het  verhaal  van 
de  grootsche  feiten  der  Nassausche  helden,  moet  de  slag  bij 
Sénelfe  een  uitstekende  plaats  beslaan  en  naast  Nieuwpoort 
prijken;  Willem  III  is  een  waardige  telg  van  Maurits  geweest 
en  heeft  den  veldheersroem  zijns  voorzaats  geëvenaard.  Te  allen 
tijde  moet  de  herinnering  aan  dien  slag  bij  Séneflfe  onzen  recht- 
matigen  volkstrots  opwekken,  bij  de  herdenking  van  wat  wij 
vroeger  waren,  toen  wij,  kleine  republiek,  tegen  Europa's  mach- 
tigsten  koning  in  het  strijdperk  durfden  treden,  en  onze  Stad- 
houders, in  een  bloedigen,  roemvollen  kamp  Frankrijk's  grootste 
veldheeren  den  palm  der  overwinning  konden  betwisten.  Séneffe 
is  een  dag  van  glorie  en  grootheid  geweest,  die  geen  HoUandsch 
hart  koel  en  onbewogen  kan  laten. 

Men  kent  het  cynische  gezegde  van  Condé,  toen  men  hem 
den  omvang  van  het  verlies  zijns  legers  berichtte:  y^bon;  une 
nuit  de  Paris  réparera  cela''\  Die  woorden,  denkelijk  los  en  on- 
bedacht weg  gesproken,  hebben  den  Franschen  aanvoerder  even- 
wel veel  kwaad  gedaan,  omdat  zij  meestal  worden  voorgesteld 
als  de  beredeneerde,  onbeschaamde  hardvochtigheid  van  iemand 
die,  om  zijn  doel  te  bereiken,  op  tal  van  menschenlevens  vol- 
strekt niet  let.  Dit  is  eene  opmerking  die  men  bij  de  studie 
van  de  geschiedenis  kan  maken,  dat  wreede  daden  soms  nog 
meer  vergeten  en  vergeven  worden  dan  wreede  woorden; 
men  zal  eer  aan  een  Alva  het  ter  dood  brengen  van  zooveel 
duizenden  vergeven  dan  aan  een  Vargas  de  lichtzinnige,  honende 
wijze  waarop  hij  die  doodvonnissen  verdedigde;  en  Barnave,  een 
van  de  minst  berispelijke  karakters  uit  de  eerste  Fransche  om- 
wenteling, staat  evenwel  met  een  zwarte  kool  geteekend,  omdat 
hij  eens,  bij  het  vernemen  van  door  het  volk  gepleegde  moor- 
den, de  noodlottige  woorden  bezigde:  „/^  sang  qui  coule^  est -il 
donc  si  pur?^"" 

Evenals  bij  de  vroegere  en  latere  oorlogsdaden  van  Willem  III, 


Digitized  by 


Google 


92  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

is  hier  bij  het  verhaal  van  den  slag  van  Séneffe  gebruik  gemaakt 
van  de  verschillende  schrijvers  over  dit  wapenfeit;  hunne  opgaven 
zijn  onderling  vergeleken,  getoetst,  en  daaruit  is  afgeleid  wat, 
naar  waarschijnlijkheid,  de  ware  toedracht  der  zaken  is  geweest ; 
vooral  is  daarbij  geraadpleegd  Beaurain,  iemand  die  als  krijgs- 
kundig schrijver  gezag  bezit^  en  die  tevens  vrij  onpartijdig  is. 
Maar  ook  op  Rousset*s  voorstelling  van  den  slag  van  SénefFe 
moet  hier  gelet  worden;  al  kan  niet  ontkend  worden  dat  die 
voorstelling  op  enkele  punten  aan  juistheid  te  wenschen  overlaat, 
en  wel  eenigszins  onbillijk  is  zoowel  ten  aanzien  van  Condé  als 
van  Willem  IIL  Ziehier  wat  voorkomt  in  de  Histoire  de  Louvoss^ 
2'  deel,  blz.  41  en  volgende: 

>  ...Ziehier  hoe  het  in  Augustus  1674  in  De  Nederlanden  met 
de  oorlogszaken  gesteld  was :  het  leger  van  den  Prins  van  Oranje, 
dat  de  coalitie  op  90000  man  had  hopen  te  brengen,  telde  er 
niet  veel  meer  dan  50000,  waarvan  de  helft  uit  Hollandsche 
troepen  bestond;  maar,  hoezeer  dus  veel  minder  dan  men  hoopte, 
was  het  toch  nog  sterker  in  getal  dan  het  leger  van  den  Prins 
van  Condé,  dat,  nadat  Luxembourg  en  Rochefort  zich  daarbij 
hadden  aangesloten,  slechts  ongeveer  40000  man  op  het  slag- 
veld kon  brengen.  Condé  bezette,  een  weinig  ten  noordwesten 
van  Charleroi,  eene  verdedigende  stelling,  die  meesterlijk  was 
gekozen:  het  was  eene  hoogvlakte  {plateau)^  half  met  hout- 
gewas bedekt,  en  aan  drie  zijden  omgeven  door  de  beek  den 
Piéton,  een  kleinen  zijstroom  van  de  Sambre;  de  hoogvlakte 
eindigde  aan  de  zuidzijde,  bij  het  stadje  Fontaine-l'Evêque.  In 
die  stelling  bij  den  Piéton  dekte  Condé  Champagne,  en  kon  hij 
den  bondgenooien  in  de  flank  vallen,  als  zij  de  eene  of  andere 
vesting  van  Fransch- Vlaanderen  of  Henegouwen  wilden  aantasten, 
zooals  Ath,  dat  naar  de  meening  van  Louvois  meer  bijzonder 
werd  bedreigd.  Wat  betreft  een  aanval  op  het  Fransche  leger 
in  die  stelling,  dat  was  een  te  moeielijke  zaak.  »De  Souches 
heeft  aan  Zijne  Hoogheid,  mijn  meesier,  gezegd,"  —  zoo  werd 
aan  graaf  d'Estrades  door  zijn  Hollandse  hen  berichtgever  ge- 
schreven —  >dat  de  stelling,  door  den  Prins  van  Condé  bezet, 
evenveel  geldt  als  vijftienduizend  man,  en  dat  men  er  niet  aan 
denken  moet  om  hem  daar  aan  te  vallen,  maar  moet  trachten 
hem  uit  die  stelling  te  doen  komen. 

Van  den  uitersten  linkervleugel  van  de  Fransche  legerplaats, 
in  de  richting  van  het  westen,  zag  men,  op  eenigen  afstand,  aan 
gene  zijde  van  een  tweede  beek  die  evenwijdig  liep  aan  den 
Piéton,  de  tegenoverliggende  helling  van  een  heuvel,  doorsneden 
met  heggen,  boomgaarden,  groepen  boomen,  en  op  den  top  met 
bosch  bedekt;  rechts,  in  de  laagte,  was  het  dorp  SéneflFe;  vlak 
vooruit  ter  halver  hoogte  van  de  helling,  de  priorij  van  Saint- 
Nicolas-auxbois;  links,  wat  meer  naar  achter,  en  hooger  gelegen, 


Digitized  by 


Google 


SLAG  VAN   SÉNEFFE   (ll    AUGUSTUS    1674).  93 

het  dorp  Fay.  Aan  de  noordzijde  kon  men  duidelijk  de  voor- 
posten van  de  bondgenooten  zien,  die  in  den  omtrek  van  Nivelles 
legerden.  Eenige  dagen  verliepen  zoo,  terwijl  men  niets  deed  dan 
elkander  wederkeerig  observeeren;  en  elke  parlij  wachtte  het 
af,  dat  gebrek  aan  leeftocht  en  aan  paardevoeder  de  andere 
partij  zou  noodzaken  om  elders  nieuwe  hulpmiddelen  te  zoeken. 
Condé  vreesde  het  eerst  te  moeten  opbreken.  Het  tegendeel 
gebeurde. 

Den  II  en  Augustus,  met  het  krieken  van  den  dag,  bespeurde 
de  commandant  van  de  voorposten  op  den  linkervleugel  een 
ongewone  drukte  in  de  legerplaats  van  de  bondgenooten,  en 
kort  daarop  zag  hij  de  hoofden  der  colonnes,  die  in  de  richting 
van  Séneffe  schenen  te  trekken.  Condé,  die  dadelijk  was  gewaar- 
schuwd, kwam  in  haast  aangesneld,  met  zijn  zoon,  en  met  de 
luitenant-generaals  van  het  leger.  Een  buitengewoon  schouwspel 
deed  zich  toen  aan  zijne  oogen  voor.  De  Prins  van  Oranje  had 
zijn  geheele  leger  in  beweging  gesteld,  niet  voor  een  aanval, 
maar  voor  een  marsch.  Onzeker  was  het,  of  hij  op  Binche  wilde 
trekken,  of  stelling  wilde  nemen  onder  het  kanon  van  Mons; 
maar  ddt  was  duidelijk,  dat  hij  naar  het  dal  van  de  Haisne  trok, 
en  daartoe  een  weg  insloeg,  die  ontegenzeggelijk  de  kortste, 
maar  ook  de  gevaarlijkste  was.  Was  dit  onverstand,  verzuim,  of 
versmading  van  het  meest  gewone  beginsel  der  oorlogskunst,  dat 
voorschrift  om  zich  niet  onnoodig  bloot  te  geven?  Was  het  niet 
veeleer  een  honende  uitdaging  ?  Het  had  er  den  schijn  van  toen 
men  een  geheel  leger  op  zorgelooze  wijze,  op  korten  afstand 
voorbij  het  Fransche  kamp  zag  trekken.  En  onder  welke  om- 
standigheden werd  die  flankmarsch  gewaagd?  Met  al  den  nasleep 
der  bagage,  op  een  zeer  doorsneden  terrein,  over  een  slechte 
heirbaan  of  over  dorpswegen.  Het  gevolg  daarvan  was,  dat  de 
colonnes  uitgerekt  werden  en  aan  vasten  samenhang  verloren,  en 
dat  de  voorhoede,  bestaande  uit  de  Duitsche  troepen  van  De 
Souches,  reeds  voorbij  Fay  was  verdwenen,  terwijl  in  het  midden 
de  HoUandsche  massa's  langzaam  vooruitkwamen  op  de  wegen 
die  dat  dorp  verbonden  met  de  priorij  van  Saint-Nicolas,  en  de 
achterhoede  —  waar  de  Spanjaarden  waren  met  bijna  al  de  ruiterij 
en  de  ontzaggelijk  groote  bagage  —  zich  in  SénefFe  ophoopte^ 
of  zelfs  dat  dorp  nog  niet  had  bereikt. 

Getroffen  door  het  zien  van  die  wanorde,  en  ongetwijfeld  ook 
gekrenkt  door  de  zijdelingsche  verwijten  hem  door  Lodewijk  XIV 
en  Louvois  gedaan,  besloot  Condé  den  strijd  te  beginnen,  en  de 
verwatenheid  of  onvoorzichtigheid  van  Willem  van  Oranje  te 
straffen.  Maar  van  het  leveren  van  een  grooten  veldslag  was  nog 
geen  sprake;  men  beoogde  niets  anders  dan  de  achterhoede 
aan  te  vallen,  haar  uiteen  te  slaan,  en  de  bagage  te  nemen..." 

Men   ziet,  dat  Rousset  het  leger  van  Willem  IlI  begroot  op 


Digitized  by 


Google 


94  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

50000  man,  dat  van  Condé  op  40000;  naar  onze  meening  zijn 
andere  cijfers  meer  waarschijnlijk:  Willem  III  een  60000  man, 
Condé  45  k  50000;  maar  altijd  komt  het  daarop  neer,  dat  er, 
wat  de  getalsterkte  betreft,  te  Séneffe  eenige  overmacht  is  ge- 
weest aan  de  zijde  van  de  bondgenooten.  Men  ziet  ook,  dat 
Rousset  zeer  ongunstig  oordeelt  over  den  flankmarsch,  door  de 
bondgenooten  verricht ;  —  de  gronden  voor  het  tegenovergestelde 
gevoelen  zijn  reeds  aangegeven:  dat  die  flankmarsch  niet  ge- 
vaarlijk was;  dat  de  beschikkingen,  door  de  bondgenooten  bij 
dien  marsch  genomen,  zeer  goed  waren;  en  dat,  als  iedereen 
zijn  plicht  had  gedaan,  die  marsch  geen  nadeelige  gevolgen  zou 
hebben  gehad.  Maar  bij  een  leger,  samengesteld  als  dat  der  bond- 
genooten, ware  het  voorzichtig  geweest,  er  niet  zoo  vast  op  te 
vertrouwen,  dat  iedereen  zijn  plicht  zou  doen. 

Over  het  eerste  gedeelte  van  den  slag  van  Séneffe  heeft  Rousset 
niets  nieuws.  Opmerkelijk  alleen  is  het,  dat  hij  wel  het  sneuvelen 
van  Fourilles  vermeldt,  maar  niet  gewaagt  van  het  onrecht,  hem 
door  Condé  in  zijn  blinde  drift  aangedaan.  Die  bijzonderheid  is 
echter,  gelooven  wij,  te  duidelijk  geboekstaafd,  dan  dat  het  ver- 
gund zij  haar  in  twijfel  te  trekken ;  —  dat  doet  Rousset  dan  ook 
niet,  hij  spreekt  er  alleen  niet  van. 

Ziehier  wat  verder  voorkomt  bij  den  Franschen  schrijver  (2"  deel, 
blz.  46  en  volgende): 

>Ora  half  elf  was  de  aanval  op  Séneffe  begonnen;  om  twee 
uur  was  de  priorij  van  Saint-Nicolas  vermeesterd.  In  minder  dan 
vier  uren  tijds  had  Condé  dus  voordeden  behaald,  buiten  alle 
verhouding  met  de  strijdkrachten  die  hij  in  gevecht  had  gebracht 
en  met  de  verliezen  die  hij  had  geleden,  —  de  dood  van  Fourilles 
uitgezonderd  — :  het  vernielen  van  een  vijandelijk  legerkorps,  het 
gevangennemen  van  3000  man  des  vijands,  het  veroveren  van 
een  honderdtal  vaandels  en  standaarden,  van  vijftig  pontons,  van 
de  rijtuigen  van  den  Prins  van  Oranje  en  van  de  generaals  der 
bondgenooten,  van  een  vijftienhonderd  voertuigen  van  allerhanden 
aard,  van  de  krijgskas,  van  de  munitie,  van  de  geheele  bagage, 
kortom  het  nemen  of  vernielen  van  alle  hulpmiddelen  van  den 
vijand. 

Moest  Condé  zijn  onderneming  niet  staken,  nadat  hij  zooveel 
voordeelen  had  behaald,  en  terwijl  hij  aanvankelijk  niet  van  zins 
was  een  grooten  veldslag  te  leveren?  —  Dit  is  een  gewichtige 
vraag,  in  zijn  nadeel  beantwoord  door  de  uitkomst,  door  het 
algemeen  gevoelen  en  door  de  geschiedenis.  Maar  de  uitkomst 
had  ook  in  zijn  voordeel  kunnen  zijn,  en  zonder  twijfel  zouden 
dan  het  algemeen  gevoelen  en  de  geschiedenis  zijn  handeling 
hebben  geprezen.  Maar  men  kan  een  andere  vraag  doen,  van 
meer  gewicht,  van  hooger  beteekenis,  en  waarop  het  antwoord 
in  geenen  deele  afhankelijk  is  van  geluk  of  van  ongeluk. 


Digitized  by 


Google 


SLAG  VAN   SÉNEFFE    (l  I    AUGUSTUS    1674).  95 

Hoe  komt  het  dat  Condé,  tot  op  den  dag  vóór  den  veldslag 
voorzichtig  en  bedachtzaam  tot  schroomvalligheid  toe,  zich  plot- 
seling laat  vervoeren  tot  de  meest  roekelooze  handelingen  ?  Dat 
komt  omdat  hem  —  men  moet  het  erkennen  —  die  zedelijke 
kracht  ontbrak,  die  zelfbeheersching,  die  op  geest  en  karakter 
den  stempel  drukken  van  de  ware  grootheid.  Ais  staatsman  was 
de  driftige  rebel  die  de  wapenen  tegen  zijn  vaderland  voerde,  ver- 
keerd in  den  buigzaamsten  en  meest  gedweeën  hoveling.  Als 
krijgsman  was  de  held  van  den  dertigjarigen  oorlog  de  weife- 
lende, zwartgallige  en  zwaarhoofdige  veldheer  van  den  oorlog  in 
Holland  geworden.  Maar  daar  doet  zich  een  gelegenheid  op, 
onverwacht,  uitlokkend,  de  vijand  schijnt  zich  ten  val  te  willen 
brengen,  en  in  de  hitte  van  den  strijd  herleeft  nu  eensklaps  dat 
vuur,  dat  men  uitgedoofd  waande.  Het  is  alsof  de  Prins  door  de 
stoutheid  van  éénen  dag  de  weifelingen  van  een  ganschen  veld- 
tocht wil  doen  vergeten,  en  daarmede  de  verwijten  beantwoorden 
die  hem  diep  hebben  gegriefd.  Hij  is  overwinnaar,  hij  wil  zijne 
overwinning  tot  het  uiterste  voortzetten.  Turenne  heeft  eenige 
zwakke  oogenblikken  gehad,  maar  nooit  die  uitersten,  nooit  zulk 
een  plotselingen  en  geheelen  ommekeer;  hij  had  meer  zelfbe- 
heersching,  meer  matiging;  daarom  is  hij  de  grootste  onder  de 
groote  legerhoofden  van  zijne  eeuw;  hij  is  het  ideaal  van  een 
krijgsheld.  Het  roemrijk  en  voordeelig  gevecht  bij  Séneffe, 
waarmede  Turenne  zich  tevreden  zou  hebben  gesteld,  bevredigde 
Condé  niet;  hij  wilde  en  waagde  meer;  hij  leverde  den  veld- 
slag van  Séneffe,  die  bloedig  is  geweest  en  onbeslist" 

Ook  Rousset  zegt,  dat  de  voornaamste  strijd  gevoerd  is  bij 
het  dorp  Fay  (2«  deel,  blz.  49). 

>De  wezenlijke  veldslag  werd  in  het  centrum  geleverd,  tusschen 
de  infanterie  van  de  beide  partijen.  De  driften  en  eigenaardig- 
heden van  de  twee  legerhoofden  hadden  zich  medegedeeld  aan 
hunne  soldaten:  de  Franschen  onstuimig  en  vol  vuur,  evenals 
de  Prins  van  Condé;  de  Hollanders  hardnekkig  en  volhardend, 
evenals  de  Prins  van  Oranje.  Het  eene  regiment  wisselde  het 
andere  af,  hetzij  om  Fay  te  bestormen,  hetzij  om  het  te  ver- 
dedigen. Het  werd  avond ;  nog  betwistte  men  elkander  het  bezit 
van  dit  ellendige  dorp,  dat  opgevuld  was  met  dooden  en  gewon- 
den. Het  werd  nacht;  men  streed  zonder  ophouden,  bij  het 
flauwe  licht  der  maan ;  toen  zij  te  middernacht  onderging  achter 
den  boschrijken  heuvel,  streed  men  nog;  er  was  noch  overwin- 
naar noch  overwonnene.  Eindelijk  hield  de  worstelstrijd  op,  dank 
zij  ook  de  duisternis  en  de  vermoeidheid..." 

Onze  opgaven  beweren  —  en  wij  gelooven  op  goeden  grond  — , 
dat  de  bondgenooten  het  slagveld  verlieten,  eerst  eenige  uren  na 
den  aftocht  der  Franschen,  Rousset  daarentegen  dat  de  bondge- 
nooten vroeger  dan  Condé  zijn  afgetrokken. 


Digitized  by 


Google 


96  KRTJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Te  Versailles  werd  de  slag  van  Séneffe  aanvankelijk  voor  een 
overwinning  gehouden;  weldra  kreeg  men  echter  de  overtuiging 
van  het  tegendeel,  vooral  toen  men  bekend  werd  roet  den  om- 
vang der  verliezen  van  het  Fransche  leger.  De  indruk  door  die 
krijgsgebeurtenis  in  Frankrijk  teweeggebracht,  wordt  door  Rousset 
op  de  volgende  wijze  geschetst  (2*  deel,  blz.  51): 

tDit  was  die  bloedige  slag  van  Séneffe,  geduchter  strijd  dan 
elke  andere  tijdens  Lodewijk's  regeering,  de  groote  veldslagen 
van  den  Spaanschen  Successie- oorlog  uitgezonderd.  De  bondge- 
nooten  hadden  10  ^  12000  man  verloren;  maar  hun  onwrikbare 
tegenstand,  gedurende  tien  uren  tijds,  had  den  zedelijken  indruk 
uitgewischt  van  hunne  eerste  nederlagen.  Wat  den  Franschen 
betreft,  bij  hunne  zegeteekenen  van  dien  ochtend  konden  zij  nog 
eenige  honderden  krijgsgevangenen  voegen  en  3  of  4  stukken 
geschut;  maar  werkelijk  overwonnen  hadden  zij  niet,  en  zij  had- 
den overgroote  verliezen  geleden.  Een  buitengewoon  feit  en  dat 
de  hardnekkigheid  van  den  worstelstrijd  bewijst,  is,  dat  het  getal 
dooden  schier  even  groot  was  als  dat  der  gewonden;  de  inten- 
dant Robert  deed  bijna  4000  gewonden  wegdragen  van  het  slag- 
veld en  meer  dan  3000  dooden  begraven. 

Het  Regiment  du  Roi  —  dat  model- regiment  —  had  de  eer 
van  zijn  naam  gehandhaafd,  op  waardige  maar  smartelijke  wijze : 
het  had  500  dooden,  600  gewonden ;  van  de  kapiteins  waren  er 
34  buiten  gevecht  gesteld.  Na  den  naam  van  dat  regiment  prijkten 
de  namen  van  Navarre,  Picardië,  Les  Vaisseaux  en  Les  Fusiliers 
in  die  glorievolle  maar  droeve  opgave.  Du  Metz,  de  bevelhebber 
der  artillerie,  en  19  van  zijne  officieren  waren  gevallen  of  meer 
of  minder  zwaar  gewond  bij  de  6  stukken  geschut  —  naar  het 
schijnt  de  eenige  artillerie  die  door  de  Franschen  bij  dezen  slag 
is  in  werking  gebracht.  Condé  had  het  voorbeeld  gegeven, 
en  zijn  leven  gewaagd,  zeker  meer  dan  het  een  legerhoofd  be- 
taamde; drie  paarden  waren  onder  hem  gedood;  zijn  zoon. 
Monsieur  Ie  Duc^  werd  gewond,  maar  licht.  De  verhouding  van 
de  officieren  die  men  had  verloren  tot  de  soldaten,  was  ook 
grooter  dan  gewoonlijk:  1  officier  op  7  soldaten.  Toen  de  op- 
gewondenheid van  den  strijd  voorbij  was,  werd  Condé  zelf 
droevig  aangedaan  door  dit  alles :  >  De  Intendant"  —  zoo  schreef 
hij  aan  Louvois  —  >zal  u  de  naamlijst  zenden  van  al  de  offi- 
cieren die  de  Koning  heeft  verloren;  dat  getal  is  groot,  wat  mij 
zeer  bedroeft;  maar  waarlijk,  het  vuur  was  ook  hevig  en  hield 
zoo  lang  aan.  De  geheele  Fransche  infanterie  heeft  zich  voor- 
beeldig gedragen;  alleen  de  Zwitsers  maken  hierop  eene  uitzon- 
dering." (14  Augustus).  Werkelijk  hadden  de  Zwitsers  der  garde 
hun  ouden  roem  niet  gehandhaafd.  Eene  batterij  vóór  zich  heb- 
bende, die  genomen  moest  worden  door  een  ravijn  over  te  gaan, 
>  deden  zij  niet  anders,"  —  zegt  de  markies  De  La  Fare  —  »dan 


Digitized  by 


Google 


SLAG   VAN   SÉNEFFE   (ll    AUGUSTUS    1674).  97 

het  hoofd  bukken  {plier  les  épauUs)  wnder  vooruit  te  gaan ;  en 
zij  Heten  zich  doodschieten  als  menschen  die  bang  zijn."  Het  is 
dus  in  het  nadeel  en  niet  in  het  voordeel  geweest  van  hun 
militairen  naam,  wanneer  zij  hier  102  dooden  en  140  gewonden 
hadden." 

Een  oogenblik  breken  wij  die  aanhaling  uit  Rousset  af,  om 
hier  eene  enkele  aanmerking  te  maken  op  dien  blaam,  uitge- 
sproken over  de  Zwitsersche  garde  te  Séneffe;  wij  begrijpen 
dien  blaam  niet,  of,  beter  gezegd,  wij  achten  dien  onverdiend 
en  onbillijk.  Wat  toch  is  het  geval  geweest:  omstreeks  5  uur 
's  namiddags  wil  Condé  twee  bataljons  van  de  Zwitsersche  garde 
een  nieuwen  aanval  laten  doen,  op  het  ravijn  westelijk  van  Fay ; 
maar  ziet  van  dat  voornemen  af,  omdat  die  bataljons  door  hunne 
vroegere  verliezen  bij  Fay  weinig  strijdvaardigheid  meer  hebben ; 
toch  blijven  die  bataljons,  achter  het  ravijn,  nog  uren  lang  stand- 
houden onder  's  vijands  kanonvuur,  om  het  deboucheeren  van 
de  bondgenooten  uit  het  bosch  van  Roeulx  te  beletten.  —  Het 
komt  ons  voor,  dat  hierin  niets  gelegen  is,  wat  den  militairen 
naam  van  de  Zwitsersche  garde  benadeelt;  en  wij  begrijpen  dat 
gezegde  niet,  dat  >zij  zich  lieten  doodschieten  als  menschen  die 
bang  zijn."  Menschen  die  bang  zijn,  laten  zich  niet  doodschieten, 
maar  loopen  weg.  Wij  gelooven  dat  Condé  hier  onrechtvaardig 
is  geweest  ten  aanzien  van  de  brave  Zwitsers;  hij  zal  zijn  kwade 
luim  op  iemand  hebben  willen  uitstorten. 

Wij  gaan  voort  met  de  aanhaling  uit  Rousset: 
>Den  dag  na  een  grooten  veldslag  heeft  een  intendant  een  zeer 
moeilijke  taak !  Weer  moet  men  den  intendant  Robert  dat  recht 
laten  wedervaren,  dat  hij,  toen  Condé  zoo  plotseling  zoo  over- 
groote  verliezen  had  geleden,  geen  oogenblik  verloren  liet  gaan 
om  bijstand  te  verleenen  aan  hen,  wier  lijden  niet  reeds  geëin- 
digd was  door  den  dood.  >Ik  heb  gemeend,"  —  zoo  schreef  hij 
aan  Louvois  —  >dat  het  beter  was  zich  wat  meer  uitgaven  te 
getroosten,  dan  het  aan  iets  te  laten  ontbreken  bij  de  verzorging 
van  de  gewonden.  Ik  heb  meer  dan  230  heelmeesters  verdeeld 
over  drie  dorpen,  waarin  ik  ook  andere  hospitaalbeambten  heb 
geplaatst,  en  menschen  die  moeten  zorgen  voor  de  voeding  van 
de  gewonden."  Louvois,  die  aanvankelijk  aan  Turenne  had  ge- 
schreven—  meenende  de  waarheid  te  zeggen  —  >aan  dooden  en 
gewonden  hebben  wij  meer  dan  100  officieren  verloren,  en  1000  è. 
1200  manschappen":  Louvois,  die  meende  goed  te  hebben  ge- 
zorgd voor  de  gewonde  officieren,  door  op  de  eerste  tijdingen 
•  vier  der  beste  heelmeesters  van  Parijs"  naar  het  leger  te  zen- 
den; Louvois  was  geheel  buiten  zichzelven,  toen  hij  van  den 
intendant  Robert  de  opgave  kreeg  van  de  dooden  en  gewonden. 

WILLEM   IIL    —    II.  7 

Digitized  by  VjOOQIC 


98  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

»De  officieren,"  zoo  schreef  hij  aan  Condé,  » moeten  die  opgave 
verbazend  hebben  vergroot;  want  ware  zij  jubt,  dan  zouden  er 
van  Zijner  Majesteit's  leger  bij  dien  veldslag  meer  dan  7000 
man  buiten  gevecht  zijn  gesteld."  Maar  de  tijd  van  de  passei'o- 
lanterjy  van  de  denkbeeldig  gesneuvelden,  van  de  verdichte  ver- 
liezen, was  geheel  voorbij;  Louvois  moest  weten,  dat  hij  die 
bedriegerijen  had  doen  ophouden.  Toch  moest  de  intendant  Robert 
hem  nogmaals  de  verzekering  geven,  dat  de  opgaven  juist  waren, 
vóórdat  hij  dit  wilde  erkennen. 

Toen  de  bijzonderheden  van  den  veldslag  te  Parijs  bekend 
werden,  bracht  dit  daar  eene  gerechtvaardigde  treurigheid  teweeg, 
waarvan  de  indruk  aldus  wordt  geschetst  door  Madame  De 
Sévigné:  >bij  die  overwinning,"  —  schrijft  zij  aan  Bussy  —  >  heb- 
ben wij  zooveel  verloren,  dat  men,  zonder  het  Te  Deum  en  eenige 
vaandels  die  naar  Notre-Dame  zijn  gebracht,  zou  meenen  dat  wij 
eene  nederlaag  hadden  geleden." 

Nog  eene  bijzonderheid  om  aan  te  toonen  hoe  weinig  de 
Franschen  Séneffe  als  eene  overwinning  kunnen  beschouwen.  £en 
leger  dat  door  den  vijand  is  geslagen,  gaat  niet  dadelijk  na  die 
nederlaag  een  vesting  belegeren  van  dien  overwinnenden  vijand, 
dat  is  zoo  duidelijk  als  dat  tweemaal  twee  vier  is;  —  en  toch, 
reeds  den  23steQ  Augustus  —  dus  pas  twaalf  dagen  na  den 
slag  van  Séneffe  —  schrijft  Vauban  aan  Louvois,  dat  hij  (Vauban) 
vreest  dat  de  bondgenooten  de  eene  of  andere  vesting,  Arras, 
Dourlens  of  Doornik  zullen  belegeren,  of  in  Picardië  stroopen. 

Louvois  betuigt  zijne  verbazing  over  die  vrees:  teen  beleg  is 
eene  onmogelijkheid  voor  den  vijand,  in  den  toestand  waarin  hij 
thans  verkeert ..." 

Maar  een  brief  van  Condé,  de  dagteekening  voerende  van  den 
iQCQ  Augustus,  moest  Louvois  nog  vrij  wat  meer  verbazen.  De 
toon  van  dien  brief  was  niet  meer  die  van  een  overwinnaar.  De 
Minister,  vol  zelfvertrouwen,  had  het  afzenden  van  eenige  troepen 
gelast;  Condé  maakt  daarop  de  volgende  tegenwerpingen:  >ik 
hoop  dat  de  Koning  de  redenen  zal  billijken,  die  ik  heb  gehad 
en  nóg  heb  om  die  troepen  geen  bevel  te  geven  tot  marcheeren ; 
daar  ik  zeker  ben  dat  de  vijand,  hoezeer  hij  een  gevoelig  nadeel 
heeft  geleden,  toch  nog  altijd  bij  machte  is  om  iets  te  onder- 
nemen, zoozeer  overtrof  zijne  sterkte  de  onze;  en  zonder  de 
medewerking  van  die  troepen  zou  ik  misschien  niet  in  staat  zijn 
om  hem  te  beletten  tot  eene  belangrijke  onderneming  over  te 
gaan.  Daarom  verzoek  ik  den  Koning  het  goed  te  vinden,  dat 
ik  die  troepen  bij  mij  houde  totdat  gij  den  brief  gelezen  hebt 
dien  ik  u  schrijf,  en,  hebt  gij  dien  gelezen,  dan  hoop  ik  dat  die 
troepen  bij  mij  zullen  blijven." 

Acht  dagen  na  den  slag  van  Séneffe  was  dus  de  staat  van 
zaken  in   De   Nederlanden   volkomen  dezelfde    als   acht  dagen 


Digitized  by 


Google 


OUDENAARDEN.  99 

voor  dien  slag.  De  Prins  van  Oranje,  vol  geestkracht  en  onver- 
biddelijk, had,  ook  door  schrik  in  te  boezemen,  zijn  leger  weer 
in  orde  gebracht  en  vasten  samenhang  gegeven;  hij  had  een 
majoor  der  garde  doen  onthoofden,  die  zich  bij  dezen  veldslag 
slecht  had  gedragen,  vele  andere  officieren  terechtgesteld  voor 
een  krijgsraad,  en  graaf  Monterey  genoopt  om  18000  man  uit 
de  vestingen  te  trekken  ten  einde  het  leger  weer  op  eene  sterkte 
van  50000  man  te  brengen.  Zich  bewegende  in  de  nabijheid  van 
Condé,  die  in  zijn  legerkamp  bleef,  hoopte  hij  hem  uit  te  lokken 
tot  een  nieuwen  veldslag;  maar  ditmaal  was  Condé  verstandig 
genoeg  om  weerstand  te  bieden  aan  de  verleiding.  Toen  besloot 
Willem  III  over  te  gaan  tot  een  beleg..."  (Rousset,  2»  deel, 
blz.  60 — 61). 


HOOFDSTUK  XIV. 

oudenaarden;    einde   van   den   veldtocht  van    1674   IN  DE 
SPAANSCHE   NEDERLANDEN. 

De  slag  bij  SénefTe  maakte  een  stilstand  in  de  krijgsverrich- 
tingen  noodzakelijk,  daar  beide  partijen  behoefte  hadden  aan  het 
herstellen  van  de  geledene  verliezen.  Bij  de  bondgenooten  wer- 
den de  Spaansche  regimenten,  die  het  meest  hadden  geleden,  in 
bezetting  gelegd  in  de  vestingen  van  Henegouwen,  en  de  troepen^ 
die  daar  waren,  aangetrokken  bij  het  leger;  evenzoo  wilde  men 
doen  met  eene  afdeeling  van  4000  man  Spaansche  ruiterij,  die, 
onder  d'Aguerto,  zich  bij  Leuse  bevond  en  de  Franschen  in 
onrust  hield  over  hunne  nabijliggende  vestingen.  De  Fransche 
maarschalk  d'Humières,  die  te  Rijssel  was  geweest,  wierp  zich, 
op  bevel  van  Louvois,  met  eene  kleine  afdeeling  binnen  Ath  om 
die  vesting  te  beschermen,  die  men  door  den  vijand  bedreigd 
meende.  Het  leger  der  bondgenooten  trok  den  i8en  Augustus 
op  Quiévrain,  tusschen  Mons  en  Valenciennes ;  hier  vereenigde 
zich  d'Aguerto  daarmede.  De  bondgenooten  waren  nu  Frankrijk 
meer  nabij,  en  Willem  UI  drong  er  ten  sterkste  op  aan,  weer 
aanvallend  te  handelen ;  evenwel  moest  hiermede  worden  gewacht 
totdat  de  verlorene  bagage,  ten  minste  gedeeltelijk,  weer  door 
andere  was  vervangen.  Met  kracht  werd  in  de  Brabandsche 
steden  gearbeid  aan  het  bijeenbrengen  van  een  wagentrein,  en 
ter  vervanging  van  de  verloren  krijgskas  werd  uit  Holland  eene 
som  van  f  500  000  toegezonden ;  van  daar  kwam  ook  versterking 
aan  manschappen,  paarden  en  krijgsvoorraad. 


Digitized  by 


Google 


lOO  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Condé,  die  reeds  geruimen  tijd  aan  den  Piéton  doorgebracht 
en  de  levensmiddelen  van  de  omliggende  landstreek  opgeteerd 
had,  besloot  zijn  kamp  te  verlaten  en  tevens  den  bondgenooten 
meer  nabij  te  blijven.  Den  2 2 sten  Augustus  brak  hij  op  van  den 
Piéton  naar  Ham-sur-Heüre,  op  den  rechteroever  der  Sambre; 
den  volgenden  dag  ging  hij  op  Bussières,  tusschen  Thuin  en 
Solre-sur-Sambre.  Uier  bleef  hij  de  bewegingen  van  den  vijand 
afwachten.  Condé's  leger  was  tot  op  een  35  000  man  verminderd; 
dat  van  Willem  III  zou  —  volgens  Beaurain  —  weer  55  000  man 
hebben  bedragen.  Het  gevaar  van  een  inval  in  Frankrijk  bleef 
dus  even  dreigend;  daarom  weigerde  Condé  met  reden,  om  toe 
te  stemmen  in  de  door  Louvois  verlangde  afzending  van  een 
gedeelte  zijns  legers  naar  den  Rijn.  —  Het  was  toen,  dat  Lode- 
wijk  XIV  bevel  gaf,  dat  op  alle  plaatsen  die  minder  dan  honderd 
uur  van  de  grenzen  waren  verwijderd,  de  helft  der  edellieden 
gewapend  moesten  opkomen  om  te  dienen  tot  het  bezetten  van 
de  vestingen ;  —  een  van  de  laatste  voorbeelden  van  het  oproepen 
van  den  zoogenaamden  ban  en  arrière-ban. 

Het  kwam  evenwel  niet  tot  een  inval  in  Frankrijk.  De  aan- 
sporingen van  Willem  III  vonden  geen  ingang  bij  de  andere 
bevelhebbers;  hetzij  dat  zij  het  leger  te  veel  verzwakt  rekenden 
door  de  bij  Séoefïe  ondervonden  verliezen;  hetzij  dat  zij  het 
jaargetijde  te  ver  gevorderd  oordeelden  om  nog  iets  in  Frankrijk 
te  kunnen  ondernemen.  Eene  belegering  werd  nu  voorgeslagen,  en, 
op  aandrang  van  Monterey,  de  keus  bepaald  op  Ath;  alle  be- 
schikkingen daartoe  waren  reeds  genomen,  en  den  7en  September 
zou  eene  afdeeling  van  5000  man  ruiterij  de  berenning  van  die 
vesting  verrichten,  toen,  vóór  dien  datum,  De  Souches  weer 
aankwam  met  bedenkingen  tegen  die  onderneming,  en  eindelijk 
ronduit  weigerde  om  tot  dat  beleg  mee  te  werken. 

Er  bleef  nu  niet  de  minste  twijfel  meer  over,  of  de  Keizerlijke 
veldheer  wilde  in  De  Nederlanden  niets  verrichten,  en  den  tijd 
nutteloos  doen  verloopen.  Om  evenwel  nog  een  glimp  te  geven 
aan  zijn  gedrag  en  die  schandelijke  werkeloosheid  eenigszins  te 
verbergen,  stelde  De  Souches  voor,  om,  in  stede  van  Ath, 
Oudenaarden  te  belegeren;  —  denkelijk  hopende,  dat  dit  voor- 
stel tegenstreving  zou  ontmoeten  bij  de  andere  bevelhebbers,  en 
er  dus  niets  zou  worden  gedaan.  Maar  Oranje,  ongeduldig  om 
toch  iets  te  verrichten,  stemde  dadelijk  toe  in  het  voorstel  van 
den  Keizerlijken  aanvoerder,  en  de  belegering  van  Oudenaarden 
werd  vastgesteld.  —  Er  was  anders  weinig  of  geen  reden  om  de 
belegering  van  die  vesting  te  verkiezen  boven  de  belegering  van 
Ath,  want  beide  plaatsen  waren  nagenoeg  even  sterk,  even  goed 
voorzien,  en  konden  evenzeer  versterking  krijgen  door  d'Humières, 
die  toen   met  eene  troepenafdeeling  te  Doornik  stond;  Ouden- 


Digitized  by 


Google 


OUDENAARDEN.  I O I 

aarden  had  zelfs  ddt  voordeel  boven  Alh,  dat  het  aan  de  noord- 
en zuidzijde  kon  worden  beschermd  door  inundatiën. 

Den  i2en  September  brak  het  leger  der  bondgenooten  op  van 
Quiévrain,  ging  de  Haine  over,  en  kwam  te  Blaton,  tusschen 
Leuse  en  de  vesting  Condé;  den  i3en  kwam  men  nabij  Ath,  den 
i4en  tot  op  slechts  drie  uur  afstands  van  Oudenaarden;  's  nachts 
werd  die  vesting  berend  door  eene  afdeeling  ruiterij,  en  den  i5en 
was  het  geheele  leger  voor  Oudenaarden.  Er  werden  bruggen 
geslagen  over  de  Schelde;  de  Keizerlijken  bleven  op  den  rech- 
teroever, tusschen  het  dorp  Ettikhoven  en  de  abdij  van  Ename ; 
de  Hollanders  en  Spanjaarden  gingen  op  den  linkeroever  over; 
de  eersten  plaatsten  zich  naar  de  zijde  van  het  dorp  Asperen, 
de  laatsten  tusschen  de  abdij  van  Peteghem  en  het  kasteel  van 
Moreghem.  Een  detachement  der  bondgenooten  was  op  Harle- 
beeke  getrokken  om  te  doen  gelooven  dat  men  Kortrijk  wilde 
aanvallen. 

Condé  —  niet  wetende  welke  plaats  de  bondgenooten  wilden 
aanvallen,  maar  het  meest  vreezende  voor  Ath,  Oudenaarden  en 
Kortrijk  —  had  eene  afdeeling  ruiterij  en  dragonders,  onder  De 
Rannes,  naar  eerstgenoemde  vesting  gezonden,  met  last  om  daar 
te  blijven  wanneer  het  bleek  dat  de  bondgenooten  Ath  wilden 
belegeren,  maar  zich  anders  naar  die  plaats  te  begeven  welke 
door  hen  werd  bedreigd.  De  omstreken  van  Ath  werden  door 
de  Franschen  zooveel  mogelijk  verwoest,  leeftocht  en  fourage 
opgehaald,  en  de  stadjes  Lessines,  Chièvres  en  andere  nabij- 
zijnde  plaatsen  in  brand  gestoken.  Het  Fransche  dagblad  van 
dien  tijd,  La  gazette  de  France^  zegt  dat  die  brandstichtingen 
plaats  hadden  op  bevel  van  Condé;  Beaurain  trekt  dit  in  twijfel 
en  oordeelt,  dat  het  verbranden  van  die  plaatsen  denkelijk  moet 
worden  toegeschreven  aan  het  toeval  of  aan  den  moedwil  des 
soldaats,  maar  dat  het  niet  te  gelooven  is  dat  Condé  ooit  zulk 
een  wreed  bevel  heeft  gegeven.  Als  men  zich  herinnert  wat 
Luxembourg  in  Holland  deed  en  Turenne  in  de  Paltz,  dan 
komt  eene  soortgelijke  handeling  van  Condé  minder  ongeloo- 
felijk  voor. 

De  Rannes,  bemerkende  dat  het  niet  op  Ath  was  gemunt 
maar  wel  op  Oudenaarden,  verliet  eerstgenoemde  vesting  en 
wierp  zich  intijds,  met  een  deel  zijner  ruiterij,  binnen  Ouden- 
aarden ;  Vauban  vergezelde  hem.  Die  beide  bevelhebbers  schijnen 
voornamelijk  met  de  taak  der  verdediging  te  zijn  belast,  dewijl 
de  opperbevelhebber  De  Rochepère,  vroeger  een  dapper  officier, 
thans  door  zijn  hooge  jaren  minder  geschikt  was  voor  die  taak. 
De  bezetting  van  Oudenaarden  bestond  toen  uit  2500  man,  ge- 
noegzaam voorzien  van  levensmiddelen  en  krijgsbehoeften.  De 
vesting  was  niet  bijzonder  versterkt,  de  werken  waren  niet  gere- 


Digitized  by 


Google 


102  KRUGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

vêteerd,  eene  hoogte  op  den  rechteroever  domineerde  die  wer- 
ken van  nabij;  —  maar  de  onderwaterzettingen  maakten  een 
goed  gedeelte  van  de  vesting  onaanvalbaar,  en  gaven  daardoor 
gelegenheid  het  overige  krachtdadiger  te  verdedigen;  de  tegen- 
woordigheid van  Vauban,  de  gegronde  hoop  die  men  koesterde 
van  spoedig  Condé  ter  hulp  te  zien  opdagen^  moesten  aanmer- 
kelijk bijdragen  om  het  krachtdadige  van  die  verdediging  te  ver* 
hoogen. 

Dadelijk  bij  de  insluiting  van  de  vesting,  den  i  sen  September,, 
deed  De  Rochepère  met  een  700  man  een  uitval,  die  echter  met 
verlies  werd  teruggeslagen.  De  bondgenooten  gingen  toen  onver- 
wijld over  tot  het  aanleggen  van  eene  circumvallatie-linie,  waar- 
toe een  aantal  arbeiders  waren  bijeengebracht;  er  wordt  vermeld, 
dat  die  arbeid  door  de  Keizerlijken  weer  met  de  meeste  traag- 
heid werd  verricht,  hoezeer  zij  het  grootste  aantal  arbeiders  tot 
hunne  beschikking  hadden.  Eerst  den  1700  's  avonds  werden  de 
loopgraven  geopend ;  op  den  linkeroever  van  de  Schelde  werden 
twee  nadernissen  gemaakt,  door  de  Hollanders  over  den  weg  naar 
Gent,  door  de  Spanjaarden  rechts  daarvan  en  sluitende  aan  de 
onderwaterzetting;  de  Fransche  ingenieurs,  die  na  het  opbreken 
van  het  beleg  de  aanvalswerken  zagen,  zwaaien  hoogen  lof  toe 
aan  de  door  de  Hollanders  gemaakte  loopgraven.  De  aanval  op 
den  rechteroever,  door  de  Keizerlijken,  was  zeer  onregelmatig, 
en  bestond  hoofdzakelijk  in  het  opwerpen  en  in  werking  brengen 
van  eenige  batterijen.  Er  moeten  op  eiken  oever  van  de  Schelde 
drie  batterijen  zijn  geweest,  in  het  geheel  bewapend  met  50  stuk- 
ken zwaar  geschut,  behalve  nog  de  mortieren ;  die  artillerie  was, 
over  water,  van  Gent  gekomen. 

Volgens  sommige  opgaven  werden  de  batterijen  der  belegeraars 
den  tóen  en  i7ea  September  opgeworpen  en  begonnen  zij  dade- 
lijk haar  vuur;  volgens  andere  opgaven  gebeurde  dit  eerst  twee 
dagen  later.  Dit  vuur,  met  hevigheid  aangevangen,  kon  niet  vol- 
doende worden  beantwoord  door  de  minder  sterke  artillerie  van 
de  belegerden;  en  de  aanvalswerken  werden  met  zooveel  nadruk 
voortgezet,  dat  de  Stadhouder  reeds  den  iQcn  een  gedeelte  van 
den  bedekten  weg  deed  bestormen ;  die  storm  werd  echter  afge- 
slagen. In  den  nacht  van  den  iQcn  op  den  2osten  September 
waren  de  loopgraven  tot  op  een  honderd  pas  afstand s  van  de 
palissadeering  van  den  bedekten  weg  gekomen;  er  werd  toen 
bepaald  dat  den  volgenden  nacht  een  algemeene  aanval  op  dien 
bedekten  weg  verricht  zoude  worden.  —  Maar  de  komst  van 
Condé  verhinderde  de  uitvoering  van  dit  voornemen. 

Op  het  eerste  bericht  dat  de  bondgenooten  waren  opgebroken 
van  Quiévrain,  had  de  Fransche  veldheer  zich  ook  in  beweging 
gesteld,  om  den  vijand  meer  nabij  te  komen  en  beter  gade  te 


Digitized  by 


Google 


OUDENAARDEN.  103 

slaan.  Den  1400  September  trok  het  Fransche  leger  van  Bussière 
op  Feignies,  aan  gene  zijde  van  de  Sambre,  voorbij  Maubeuge*^ 
den  i5en  ging  de  niarsch  op  Bavay,  den  i6en  op  Quiévrain» 
Condé  had  toen  de  zekerheid,  dat  de  bondgenooten  voornemena 
waren  om  Oudenaarden  te  belegeren,  en  de  Fransche  veldheer 
besloot  een  veldslag  te  wagen  om  die  vesting  te  hulp  te  komen» 
Vereenigd  met  eene  afdeeling  van  7  k  8000  man,  door  d'Humières 
uit  verschillende  vestingen  van  het  noorden  van  Frankrijk  bijeen- 
gebracht, zou  Condé  eene  legermacht  van  ruim  40000  man 
hebben,  —  volgens  Rousset  50000;  —  de  vijand  mocht  al  iets 
sterker  zijn,  toch  oordeelde  Condé  dat  het  zaak  was  om  slag  te 
leveren :  de  betere  samenstelling  van  het  Fransche  leger  gaf  het 
meer  kansen  op  de  overwinning;  bovendien  zoude  hij,  —  en  dit 
besliste  alles,  —  door  ongehinderd  toe  te  laten  dat  Oudenaarden 
werd  ingenomen,' het  bewijs  leveren  dat  SénefTe  eene  nederlaag 
was  geweest  voor  het  Fransche  leger.  De  eer  der  wapenen  vor- 
derde hier  gebiedend  Oudenaarden  te  hulp  te  komen,  en  de  later 
ontvangen  bevelen  van  het  Fransche  hof  stemden  dan  ook  over- 
een met  die  inzichten  van  Condé. 

Het  Fransche  leger  brak  op  van  Quiévrain,  ging  de  Haine 
over,  en  kwam  den  lyen  te  Peruwelz,  twee  k  drie  uur  ten  noord- 
westen van  de  vesting  Condé.  De  marsch,  herhaaldelijk  plaats 
hebbende  in  de  nabijheid  van  de  vijandelijke  vestingen,  werd 
evenwel  daardoor  weinig  bemoeilijkt,  omdat  de  vijandelijke  be- 
zettingen daartoe  te  zwak  waren.  Den  i8en  ging  de  marsch  op 
Doornik;  den  19611  trok  men  daar  de  Schelde  over,  en  kwam 
men  te  Ëspierre;  dien  dag  had  de  vereeniging  plaats  met  de 
legerafdeeling  van  d'Humières.  Te  Ëspierre  was  men  nog  een 
uur  of  vijf  van  Oudenaarden  verwijderd. 

Den  20sien  September  rukte  het  Fransche  leger  naar  die  ves- 
ting op^  en  daar  Condé  dien  dag  een  veldslag  verwachtte,  waren 
er  bij  dien  marsch  meer  dan  gewone  veiligheidsmaatregelen  ge- 
nomen. Het  leger  was  daarbij  in  drie  colonnen  verdeeld:  de 
rechter  colonne,  onder  Navailles,  volgde  den  weg  van  Doornik 
op  Oudenaarden,  die  langs  den  linkeroever  der  Schelde  liep ;  de 
middelste  colonne,  onder  Luxembourg,  liet  het  dorp  Saint-Genois 
ter  linkerhand  liggen,  en  marcheerde  op  Tighem;  de  linker 
colonne,  door  d'Humières  aangevoerd,  liet  Saint-Genois  rechts 
liggen,  en  marcheerde  op  Otteghem.  Die  colonnen  bestonden  uit 
ruiterij  en  voetvolk,  en  aan  het  hoofd  van  elke  colonne  had  men 
4  stukken  geschut  (4- ponders),  en  wagens  met  munitie  en  ge- 
reedschappen benevens  de  noodige  pioniers.  Bij  elke  colonne 
had  men  een  vrij  sterke  voorhoede,  bestaande  uit  ruiterij  en 
dragonders.  De  wegen,  door  die  drie  colonnen  gevolgd,  waren 
nagenoeg  evenwijdig ;  de  afstand  tusschen  de  beide  uiterste  wegen 
bedroeg  gemiddeld  een  uur  gaans;  aanmerkelijke  terreinhinder- 


Digitized  by 


Google 


104  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

nissen  daartusschen  waren  er  niet.  De  colonnen  hadden  last  om 
halt  te  houden  nagenoeg  halfweg  Oudenaarden,  de  rechter  colonne 
te  Warmaerde,  de  middelste  te  Tighem,  de  linker  te  Otteghem; 
óéiéLr  zouden  zij  nadere  bevelen  ontvangen. 

De  bondgenooten,  voor  Oudenaarden  gelegerd,  hadden  zich 
omgeven  met  eene  verschanste  linie;  maar  volgens  alle  opgaven 
moet  die  linie,  in  haast  opgeworpen,  slechts  eene  geringe  sterkte 
hebben  gehad;  bovendien  was  hare  uitgestrektheid  zeer  groot, 
omstreeks  drie  uren  gaans,  'en  werd  zij  doorsneden  door  de 
Schelde,  over  welke  men  alleen  door  bruggen  beneden  Ouden- 
aarden de  gemeenschap  tusschen  de  verschillende  deelen  kon 
onderhouden.  Bovenwaarts  werd  dit  belet  door  de  onderwater- 
zetting, die  zich  uitstrekte  tot  de  abdij  van  Peteghem,  op  bijna 
een  uur  gaans  van  de  stad.  Het  omliggende  terrein  had,  op  den 
linkeroever  der  Schelde,  domineerende  hoogten,  welke  zeer  nabij 
de  liniën  der  bondgenooten  waren;  ook  daardoor  leverde  de 
verdediging  van  die  zwakke  verschansingen  weinig  gunstige  kan- 
sen op.  Buiten  de  liniën  hadden  de  bondgenooten  de  abdij  van 
Peteghem  bezet  met  eene  kleine  afdeeling,  die  zich  daar  zoo 
goed  mogelijk  ter  verdediging  had  ingericht. 

Toen  dan  ook  de  tijding  inkwam  van  den  opmarsch  van  Condé, 
oordeelde  Willem  III  het  ongeraden  om  binnen  de  liniën  den 
aanval  van  het  Fransche  leger  af  te  wachten;  hij  stelde  daarom 
aan  de  andere  bevelhebbers  voor,  den  vijand  oogenblikkelijk  te 
gemoet  te  rukken,  en  hem  gedurende  den  marsch  aan  te  vallen ; 
of  wel,  wanneer  men  die  handeling  te  stout  oordeelde,  ten  minste 
stelling  te  nemen  op  de  hoogten  buiten  de  liniën,  en  daar  den 
aanval  van  Condé  af  te  wachten.  Maar  ook  hier  ondervond  de 
Stadhouder  weer  de  gewone  tegenwerking  van  De  Souches,  zijn 
kwaden  genius  gedurende  dezen  geheelen  veldtocht.  De  Kei- 
zerlijke aanvoerder  had  weer  honderd  bedenkingen,  zwarigheden 
en  tegenwerpingen;  zoodat  de  dag  van  den  2osten  September 
verliep  zonder  dat  er  aan  het  eene  of  andere  van  de  voorstellen 
des  Stadhouders  eenig  gevolg  werd  gegeven.  Wel  ging  het  Kei- 
zerlijke leger  den  aosteo  op  den  linkeroever  van  de  Schelde  over, 
maar  dat  De  Souches  stellig  voornemens  was  geen  deel  te  nemen 
'  aan  een  veldslag  tegen  Condé,  blijkt  ten  duidelijkste  daaruit,  dat, 
toen  gedurende  den  nacht  de  bondgenooten  hunne  bagage  naar 
Gent  verzonden,  de  Keizerlijke  aanvoerder  ook  het  grootste  ge- 
deelte van  zijn  geschut  en  van  zijne  munitie  derwaarts  deed  ver- 
trekken. 

Condé,  die  bij  het  vooruitrukken  zich  bij  de  voorhoede  op- 
hield, ontdekte  tot  zijn  groote  blijdschap,  dat  de  hoogten  nabij 
Oudenaarden  onbezet  waren  gebleven.  De  Fransche  veldheer  kon 
die  hoogten  niet  dadelijk  in  bezit  nemen,  omdat  hij  nog  maar 
weinig  troepen  bij  zich  had,  en  het  dus  te  vreezen  was  dat  de 


Digitized  by 


Google 


OUDENAARDEN.  105 

overmacht  van  den  vijand  hem  spoedig  weer  van  die  hoogten 
zou  verdrijven.  Hij  bleef  dus  in  de  nabijheid  bedekt  standhouden, 
aan  de  verschillende  colonnen  bevel  zendende  om  den  marsch 
voort  te  zetten.  Langzaamheid  was  toen  echter  onafscheidelijk 
van  eiken  marsch,  en  hoezeer  het  Fransche  leger  zich  met  het 
krieken  van  den  dag  in  beweging  had  gesteld,  was  het  toch  avond 
toen  het  hoofd  der  colonnen  te  Ëlseghem  aankwam,  een  klein 
kwartieruurs  ten  westen  van  de  abdij  van  Peteghem;  men  had 
toen  een  afstand  van  4  uur  afgelegd. 

Om  den  vijand  in  den  waan  te  brengen  dat  de  aanval  ook  op 
den  rechteroever  van  de  Schelde  zou  plaats  hebben,  deed  Condé 
een  brug  slaan  bovenwaarts  van  de  onderwaterzetting,  en  tegen 
den  avond  de  abdij  van  Peteghem  aanvallen.  Die  aanval,  voor- 
bereid door  geschutvuur,  werd  uitgevoerd  door  dragonders  en 
door  andere  troepen.  De  bondgenooten  verdedigden  zich  tot  in 
den  nacht,  en  ontruimden  toen  dien  post:  hierbij  verzuimden  zij 
eenige  vaartuigen  te  vernielen,  die  zich  bij  de  abdij  bevonden. 
Dadelijk  maakte  Condé  daarvan  gebruik  om,  over  de  onder- 
waterzetting, een  zijner  officieren  binnen  Oudenaarden  te  doen 
komen;  deze  berichtte  daar  de  nabijheid  van  den  Franschen 
veldheer  en  zijn  voornemen  om  den  vijand  aan  te  vallen,  en 
bracht  tevens  het  bevel  over,  om,  door  het  openen  der  sluizen 
in  de  stad,  de  bruggen  te  vernielen  van  de  bondgenooten  op 
het  lagere  gedeelte  van  de  rivier.  Dit  geschiedde,  maar  bleef 
zonder  de  verlangde  uitwerking,  hoezeer  men  zware  boomstammen 
de  rivier  deed  afdrijven ;  van  de  drie  bruggen  ondervond  slechts 
ééne  eenige  schade,  die  spoedig  werd  hersteld;  zoodat  de  over- 
gang van  het  Keizerlijke  leger  ongehinderd  kon  voortgaan. 

Na  de  vermeestering  der  abdij  van  Peteghem,  deed  Condé  zijn 
rechtervleugel  daar  aanleunen;  zijne  slagorde  volgde  de  richting 
der  hoogten  tot  het  dorp  Hoeike  waar  de  linkervleugel  aan- 
leunde; door  die  slagorde  der  Franschen  werd  een  goed  ge- 
deelte van  de  verschansingen  der  bondgenooten  op  den  linker- 
oever van  de  Schelde  omgeven.  Het  leger  van  Condé  bracht 
hier  —  iets  ongewoons  —  den  nacht  door  in  een  bivot4ac^  en 
wachtte  daar  den  ochtendstond  af  als  het  oogenblik  voor  den 
aanval  op  de  vijandelijke  liniën. 

Te  laat  zag  men  bij  de  bondgenooten  in,  dat  men  den  tijd 
met  raadplegen  had  verspild,  en  dat  het  gunstige  oogenblik  om 
slag  te  leveren  en  het  beleg  voort  te  zetten,  vervlogen  was: 
Condé *s  leger  gedurende  den  opmarsch  aan  te  vallen  ging  niet 
meer;  de  hoogten  bij  de  liniën  waren  door  den  vijand  bezet; 
den  aanval  afwachten  binnen  die  liniën  was  onraadzaam;  —  er 
bleef  dus  niets  anders  over  dan  het  beleg  op  te  breken,  de 
liniën  te  verlaten,  en  meer  noordwaarts  eene  betere  stelling  te 


Digitized  by 


Google 


I06  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

kiezen.  Nóg  vereischte  die  terugtrekkende  beweging,  in  het  ge- 
zicht van  een  sterken  en  werkzamen  vijand,  eene  groote  mate 
van  beleid,  wilde  men  zich  daarbij  niet  aan  eene  nederlaag 
blootstellen. 

In  den  vroegen  ochtend  van  den  sisten  September  wordt  die 
terugtocht  ondernomen;  en,  met  veel  bekwaamheid  uitgevoerd 
en  begunstigd  door  een  zwaren  nevel,  geschiedt  hij  zonder  eenig 
verlies.  Het  Keizerlijke  leger  neemt  hierbij  de  taak  waar  van 
eene  achterhoede ;  het  plaatst  zich  nabij  den  vijand,  het  bedreigt 
de  linkerflank  en  den  rug  van  Condé's  leger,  en  belet  dit  daar- 
door de  Hollandsche  en  Spaansche  troepen  te  vervolgen,  die 
over  en  nabij  den  weg  van  Gent  terugtrekken,  >  nogal  in  wan- 
orde" —  zegt  Beaurain.  Tegen  den  middag,  toen  de  nevel  op- 
trekt, staat  het  leger  der  bondgenooten  in  slagorde  achter  een 
beekje  dat  langs  het  dorp  Asperen  loopt,  een  paar  uur  ten 
noorden  van  Oudenaarden.  Condé  volgde  den  vijand  derwaarts, 
en  nam  stelling  aan  deze  zijde  van  de  beek,  tegenover  de  bond- 
genooten. Gedurende  den  geheelen  dag  van  den  21  sten,  en  den 
voormiddag  van  den  22stcn  stonden  de  beide  legers  zoo  in 
elkanders  nabijheid;  alles  bepaalde  zich  tot  een  wederzijdsch 
kanonvuur.  Oranje,  die  een  veldslag  wilde,  vond  daarin  de  hard- 
nekkigste tegenkanting  bij  De  Souches,  en  was  genoodzaakt  toe 
te  geven;  en  op  den  middag  van  den  2 asten  had  de  terugtocht 
plaats  op  Gent,  die  door  Condé  niet  in  het  minst  werd  be- 
moeilijkt. 

Zoo  eindigde  die  onderneming  op  Oudenaarden  geheel  in  het 
nadeel  van  de  bondgenooten,  geheel  in  het  voordeel  van  Condé, 
die,  door  zijn  stout  vooruitrukken  tot  hulp  van  die  vesting,  het 
bewijs  gaf  dat  hij  bij  Séneffe  niet  was  geslagen.  Moet  men  even- 
wel, uit  dat  mislukken  van  die  onderneming,  met  Feuquières 
besluiten,  dat  het  belegeren  van  Oudenaarden  bij  den  Stadhouder 
aanduidt  vermetelheid  en  gemis  aan  ondervinding  f  —  verre  van 
daar;  zulk  een  oordeel  is,  gelooven  wij,  geheel  onrechtvaardig. 
Het  was  niet  de  Stadhouder,  die  dat  beleg  van  Oudenaarden  had 
voorgestaan:  hij  had  alleen  zijne  toestemming  daartoe  gegeven, 
omdat  men  niets  anders  wilde  doen,  en  omdat  hij  —  en  terecht!  — 
niet  werkeloos  wilde  blijven.  Die  werkeloosheid  toch  zou  den 
opgeblazen  berichten  der  Franschen  over  hunne  zege  bij  Séneffe 
een  schijn  van  waarheid  hebben  bijgezet;  terwijl  daarentegen 
de  vermeestering  van  Oudenaarden,  zelfs  de  enkele  poging  daar* 
toe,  Europa  het  bewijs  zou  geven,  hoe  weinig  recht  Condé  had 
om  zich  overwinnaar  te  noemen  in  den  strijd  bij  Séneffe.  En 
die  inneming  van  Oudenaarden  was  in  geenen  deele  onmogelijk 
of  onwaarschijnlijk:  wanneer  aan  Oranje's  voorstel  was  gehoor 
gegeven  om  Condé's  leger  aan  te  vallen  gedurende  den  opmarsch, 


Digitized  by 


Google 


EINDE  VAN  DEN  VELDTOCHT  VAN  1674,  ENZ.        I07 

of  om  Stelling  te  nemen  op  de  hoogten  nabij  de  liniën^  dan 
was  het  zeer  goed  mogelijk  geweest  het  vijandelijke  leger  terug 
te  slaan,  en  daarna  de  vesting  te  doen  vallen.  Dat  dit  niet  is 
gebeurd,  waaraan  is  dat  te  wijten?  —  niet  aan  den  Stadhouder; 
maar  aan  de  tegenwerking,  de  ongehoorzaamheid,  men  mag 
bijna  zeggen  het  verraad  van  De  Souches. 

Het  is  uit  de  geschiedenis  bekend,  welk  een  hevige  en  recht- 
matige toorn  Oranje  bezielde  over  dat  onwaardig  gedrag  van  De 
Souches,  en  hoe  hij  met  moeite  weerhouden  werd  om  over  te 
gaan  tot  daden  van  geweld  tegen  dien  aanvoerder.  De  Stadhouder, 
de  Staten-Generaal  en  de  landvoogd  der  Spaansche  Nederlanden 
brachten  hunne  klachten  in  bij  den  Keizer  over  de  handelingen 
van  diens  veldheer ;  die  klachten  hadden  niets  anders  ten  gevolge 
dan  de  terugroeping  van  De  Souches  en  zijne  vervanging  door 
Sporck;  hierbij  bepaalde  het  zich,  en  er  werd  geen  verdere  af- 
keuring uitgesproken  over  verrichtingen,  die  denkelijk  door  de 
Keizerlijke  staatsdienaars  zoo  waren  voorgeschreven. 

Die  terugroeping  van  De  Souches  had  echter  eerst  later  plaats. 
Intusschen  verliet  Oranje,  onwillig  om  langer  samen  werkzaam 
te  zijn  met  dien  aanvoerder,  na  eenige  onderhandelingen  met 
Monterey,  den  6en  October  het  kamp  te  Afflighem,  nabij  Aalst, 
om  naar  Holland  terug  te  keeren.  De  Stadhouder  wilde  in  per- 
soon de  belegering  van  Grave  voortzetten;  —  reeds  vroeger 
waren  een  3000  man  voetvolk  en  3000  ruiters  uit  het  Hollandsche 
leger  derwaarts  gezonden. 


De  krijgsverrichtingen  van  1674  in  de  Spaansche  Nederlanden 
kunnen  gezegd  worden  hiermede  op  te  houden;  er  hebben 
daarna  slechts  onbeduidende  bewegingen  plaats.  De  bondge- 
nooten  waren  den  26sten  September  overgegaan  op  den  rechter- 
oever van  de  Schelde,  trokken  den  3en  October  de  Dender  over 
bij  Aalst,  en  sloegen  een  kamp  op  bij  AfBighem.  Condé's  leger 
had  den  27sten  September  Oudenaarden  verlaten,  en  stond  den 
2en  October  nabij  Ath;  van  daar  trok  het  den  i2en  naar  Door- 
nik, ging  den  1360  de  Schelde  over,  en  verdeelde  zich  toen  in 
winterkwartieren.  Reeds  vroeger  waren  50  eskadrons  en  10  of 
12  bataljons  naar  den  Elzas  gezonden,  om  Turennc  te  verster- 
ken. Aan  de  Hollandsche  zijde  waren  ook  reeds  eenige  regi- 
menten, de  bagage  en  het  zware  geschut  naar  Holland  terugge- 
zonden. De  Spanjaarden  verdeelden  zich  ook  van  lieverlede  over 
hunne  steden,  en  met  het  einde  van  October  was  de  geheele 
macht  der  bondgenooten  uiteen. 

De  Keizerlijke  krijgsmacht,  alles  plunderende  en  verwoestende 
alsof  zij  •  in  het  land  was  van  den  ergsten  vijand,  keerde  terug 
naar  den  rechteroever  van  de  Maas;  zij  maakte  zich  daar  meester 


Digitized  by 


Google 


I08  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

van  Hoey,  en  hernam  Dinant,  waaruit  de  Luikenaars  vroeger  de 
Keizerlijke  bezetting  hadden  verdreven.  Sporck  deed  toen  zijn 
leger  winterkwartieren  betrekken  in  Bergsland,  Gulik  en  op 
Keulsch  grondgebied.  Eene  Hollandsche  troepenafdeeling  van 
een  3  a  4000  raan,  onder  Fariaux,  was  ook  voortgerukt  op  Keulsch 
grondgebied  om  kracht  bij  te  zetten  aan  eenige  geldelijke  vor- 
deringen tegenover  den  Keurvorst;  korten  tijd  bestond  ook  het 
voornemen  om  door  die  afdeeling  van  Fariaux,  in  verband  met 
het  Keizerlijke  leger  en  met  de  Spaansche  troepen  die  in  het 
Luxemburgsche  kantonneerden,  Trier  te  doen  belegeren  *,  —  van 
dat  beleg  kwam  echter  niets,  en  Fariaux  keerde  naar  de  Maas  terug. 

Rousset  schaart  zich  bij  wat  hij  zegt  over  de  onderneming 
tegen  Oudenaarden,  aan  de  zijde  van  hen  die  ongunstig  oor- 
deelen  over  het  beleid  van  Willem  III  bij  deze  gelegenheid. 
Alvorens  mede  te  deelen  wat  de  schrijver  der  Histoire  de  Louvois 
over  dit  onderwerp  zegt,  laten  wij  hier  voorafgaan  wat  die 
schrijver  zegt  over  de  stappen,  toen  door  Louvois  gedaan  om 
vredesonderhandelingen  te  beginnen  met  de  Republiek. 

Ternauwernood  was  de  kruitdamp  van  Séneffe  opgetrokken, 
of  Louvois  maakte  gebruik  van  de  overwinning,  die  Frankrijk  daar 
naar  hij  meende  had  behaald,  om  bij  de  Republiek  —  beter 
gezegd,  bij  Willem  III  —  aan  te  komen  met  voorstellen  tot 
vrede.  Wat  waren,  in  twee  jaren  tijds,  de  rollen  omgekeerd:  in 
den  zomer  van  1672  de  Republiek  aan  Frankrijk  den  vrede  af- 
smeekende,  en  tevergeefs;  in  den  zomer  van  1674  Frankrijk  dien 
vrede  aanbiedende  aan  de  Republiek,  maar  op  zijn  beurt  daar 
niets  ontmoetende  dan  onwil  en  weigering!  Over  de  opening  tot 
vredesonderhandelingen  vindt  men  bij  Rousset  het  volgende 
(2«  deel,  blz.  56—58): 

>  Reeds  den  29sten  Mei  had  hij"  (Louvois)  »aan  graaf  d'Estra- 
des  —  wiens  oude  betrekkingen  met  het  huis  van  Oranje  opnieuw 
waren  aangeknoopt  door  tusschenkomst  van  den  heer  De  Launoy  — 
voorschriften  gezonden,  ten  doel  hebbende  tot  eene  rechtstreeksche 
onderhandeling  te  geraken  tusschen  den  Prins  van  Oranje  en 
Lodewijk  XIV.  De  Prins,  zeide  men,  had  ongetwijfeld  te  veel 
verstand  om  geloof  te  slaan  aan  wat  kwaadwilligen  valschelijk 
verspreidden,  dat  de  Koning  van  Frankrijk  hem  ongenegen  was 
en  hem  verachtte ;  terwijl  de  waarheid  was,  dat  de  Koning  niets 
liever  wenschte  dan  den  Stadhouder  behulpzaam  te  zijn  in  het 
handhaven  van  diens  gezag,  tegen  de  welbekende  ijverzucht  van 
de  Staten-Generaal."  (In  eene  noot  leest  men:  > Alles  wat  te 
Utrecht  gezegd  is  tegen  Zijne  Hoogheid,  geeft  hem  de  over- 
tuiging dat  de  Koning  van  Frankrijk  weinig  met  hem  op 
heeft."  —  Brief  van  den  3osten  April  van  den  correspondent  van 
d'Estrades). 


Digitized  by 


Google 


EINDE  VAN  DEN  VELDTOCHT  VAN  1674,  ENZ.        I09 

>  Hoewel  die  poging  tot  toenadering  geen  weerklank  had  ge- 
vonden, werd  Louvois  daardoor  niet  afgeschrikt.  Ternauwernood 
had  hij  de  eerste  tijding  gekregen  van  den  slag  van  Séneffe,  of, 
er  niet  aan  twijfelende  dat  daardoor  verslagenheid  en  onderlinge 
verdeeldheid  zou  ontstaan  bij  de  bondgenooten,  hervatte  hij 
zijne  poging,  en  stelde  voor  om  den  knoop  door  te  hakken  en 
msLSLT  dadelijk  vrede  te  sluiten  te  Maastricht,  voordat  iemand  er 
iets  van  wist.  *t  Is  waar,  moet  men  den  correspondent  van  d*Es- 
trades  gelooven,  dan  had  de  Prins  van  Oranje  in  het  eerste 
oogenblik  eene  hevige  verbittering  aan  den  dag  gelegd  tegen  de 
Spanjaarden:  >hij  is,*'  —  zeide  die  briefschrijver  —  iten  hoogste 
vertoornd  tegen  dat  vervloekte  ras."  (Brief  van  den  i4en  Augustus 
aan  d'£strades). 

Tot  nu  toe  had  Louvois  slechts  onbepaalde  en  algemeene 
voorstellen  gedaan;  den  iQen  Augustus  kwam  hij  voor  den  dag 
met  iets  stelligst  voor  den  Prins  van  Oranje,  de  erfelijkheid  van 
het  Stadhouderschap  in  het  huis  van  Nassau,  en  de  handhaving 
van  de  buitengewone  macht  thans  uitgeoefend  door  den  Stadhou- 
der; >het  aanzien  van  den  Prins  van  Oranje,"  —  zeide  hij  — 
>dat  thans  alleen  schijnt  te  berusten  op  een  geweldigen  toestand 
van  zaken  die  waarschijnlijk  niet  kan  duren,  zou  dan  een  vasten 
steun  vinden  in  de  vriendschap  van  Zijne  Majesteit.  Wat  Duitsch- 
land  aanging,  daarmede  moest  men  terugkeeren  tot  den  vrede 
van  Westfalen ;  met  de  Spanjaarden,  tot  den  vrede  van  Aken,  — 
behalve  dat  Franche-Comté  aan  Frankrijk  werd  afgestaan;  ein- 
delijk, een  wapenstilstand  van  twee  maanden  om  aan  de  Duit- 
schers  en  Spanjaarden  tijd  te  geven  om  die  voorwaarden  te  over- 
wegen en  aan  te  nemen;  maar  in  ieder  geval  zou  de  vrede 
worden  gesloten  en  geteekend  door  den  Koning  van  Frankrijk 
en  door  den  Prins  van  Oranje,  handelende  voor  de  Staten-Gene- 
raal.  —  Het  is  van  belang  hierbij  op  te  merken,  dat  Louvois 
zich  volstrekt  niet  uitliet  over  de  vorderingen  van  de  Hollanders, 
met  name  over  het  teruggeven  van  Grave  en  Maastricht. 

Maar  de  Prins  van  Oranje  had  zich  reeds  weer  verzoend  met 
de  Spanjaarden,  en  was  besloten  zijne  belangen  niet  af  te  schei- 
den van  die  van  Holland,  en  de  belangen  van  Holland  niet  van 
die  harer  bondgenooten.  Toch,  —  meer  om  de  geheime  en 
wezenlijke  bedoelingen  van  Lodewijk  XIV  te  leeren  kennen,  dan 
om  in  ernst  vredesonderhandelingen  te  beginnen  — ,  stemde  hij 
er  in  toe,  den  griffier  van  de  Provincie  Utrecht,  Pesters,  een 
bloedverwant  en  vriend  van  den  raadpensionaris  Fagel,  naar 
Maastricht  te  zenden,  naar  graaf  d'£strades.  Louvois,  van  zijne 
zijde,  gaf  den  graaf  de  aanbeveling  om  den  Hollandschen  ge- 
machtigde te  laten  spreken,  zijne  voorstellen  aan  te  hooren,  en 
niet  dan  met  de  uiterste  omzichtigheid  'sKonings  laatste  besluit 
kenbaar  te   maken,  daarin  bestaande  om  Grave  terug  te  geven, 


Digitized  by 


Google 


IIO  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

maar  Maastricht  'te  behouden  onder  betaling  van  eene  aanmer- 
kelijke somme  gelds  aan  den  Prins  van  Oranje.  Graaf  d'Estrades 
had  geen  gelegenheid  om  veel  slimheid  aan  den  dag  te  leggen, 
want  Pesters  begon  met  te  verklaren,  dat  hij  alleen  kon  onder- 
handelen op  den  grondslag  van  den  Westfaalschen  en  van  den 
Pyreneeschen    vrede,   daaronder    begrepen   het   herstel   van    de 
heerschappij   van   den  hertog  van  Lotharingen;  toch  gaf  hij  te 
verslaan,   bij   een  tweede  samenkomst,  dat  de  Prins  van  Oranje 
de  Spanjaarden   er  toe  zou  kunnen  overhalen   om  niet  aan  te 
dringen  op  een  geheelen  terugkeer  tot  den  Pyreneeschen  vrede, 
mits  de  koning  van  Frankrijk  hun,  behalve  Franche-Comte,  nog 
Ath  en  Charleroi  in  De  Nederlanden  teruggaf.  Onder  die  voor- 
waarden was  het  onmogelijk  om  tot  een  vergelijk  te  komen;  en 
de  onderhandelingen  werden,  zoo  niet  afgebroken,  ten  minste 
geschorst  door  het  vertrek  van  Pesters,  die  naar  den  Prins  van 
Oranje  ging  om.  zoo  hij  zeide,  nieuwe  voorschriften  te  ontvangen." 
Die  onderhandelingen  leiden  dus  tot  niets;  de  vijandelijkheden 
gaan   voort;  elk  der  wederzijdsche  legerhoofden  wil  het  bewijs 
geven,  dat  hij  de  overwinnaar  is  geweest  te  Séneffe;  de  onder- 
neming op  Oudenaarden   heeft  plaats.   Ziehier  wat  Rousset  van 
die  onderneming  zegt   (Hhtoire  de  Louvoh^  2"  deel,  blz.  61—63): 
>De  Prins  van  Condé  had  zich  gehaast  om  den  maarschalk 
d'Humières,  met  een  troepenkorps  uit  de  vestingen  van  Fransch- 
Vlaanderen  bijeengebracht,   tot   zich  te  trekken.  Na  hunne  ver- 
eeniging  bij   Doornik  was   het  leger  weer  ongeveer  50000  man 
sterk.  Den   21  sten,   's  ochtends,  was  Condé  voornemens  de  cir- 
cumvallatie-linie  van  de  belegeraars  aan  te   vallen;   een  zware 
nevel  deed  dien  aanval  uitstellen  tot  negen  uur;  toen  die  optrok, 
was  de   linie  verlaten.   De  vijand  had  's  nachts  het  beleg  opge- 
broken, met   zooveel  overhaasting,   dat  men  in  zijn  legerplaats 
12000   zakken   met  meel  vond,  veel  gereedschappen,  en  krijgs- 
behoeften.  Maar  de  Prins  van  Oranje  wilde  den  schijn  niet  heb- 
ben van  de  vlucht  te  nemen  voor  den  vijand  dien  hij  zoo  vaak 
had  uitgedaagd.  Vier  en  twintig  uur  lang  bleven  de  twee  legers 
tegenover  elkander  staan,  zonder  slaags  te  raken.  Condé  oor- 
deelde terecht,  dat  het  verstandiger  was  om   zich  tevreden  te 
stellen  met  het  zedelijk  voordeel  dat  noodwendig  moest  voort- 
spruiten uit  het  doen  opbreken  van  het  beleg;  de  ondervinding 
van  Séneffe  had  hem  overtuigd  en  bekeerd.  >Tot  op  den  middag 
van  heden,"  —  zoo  schreef  hij  den  2  2 sten  September  aan  Lou- 
vois  —  > hebben   de  vijand   en  wij  tegenover  elkander  gestaan; 
eene  beek  en  eene  breede  sloot  tusschen  de  beide  legers,  hebben 
ons  wederzijds  verhinderd  in   gevecht  te  komen,  en  alles  heeft 
zich  bepaald  tot  een  aantal  kanonschoten  van  onze  zijde,  terwijl 
wij  zelven  daarbij  geen  gevaar  liepen,  omdat  zij  al  hun  geschut 
en   de  bagage  reeds  vooraf  hadden  teruggezonden  naar  Gent. 


Digitized  by 


Google 


EINDE  VAN  DEN  VELDTOCHT  VAN  1674,  ENZ.       III 

Heden  zijn  zij  afgetrokken  in  die  richting;  De  Souches,  met  het 
Keizerlijke  leger,  maakte  de  achterhoede  uit,  en  heeft  zich  zeer 
goed  van  zijn  taak  gekweten." 

Alle  moeite  die  de  Prins  van  Oranje  zich  gaf  om  aan  dien 
terugtocht  een  krachtig  en  ordelijk  aanzien  te  geven,  nam 
niet  weg,  dat  het  toch  een  terugtocht  was,  dat  wil  zeggen  een 
wezenlijk  nadeel  voor  hem,  en  voor  Frankrijk  >een  voordeel, 
belangrijk  op  zichzelf,  in  den  toestand  waarin  men  verkeerde." 
(Brief  van  Louvois  aan  Condé;  23  September).  Hoe  was  het 
mogelijk,  dat  hij  die  onderneming  op  Oudenaarden  waagde?  Het 
terrein  was  ongunstig  voor  den  belegeraar,  het  was  slecht  ge- 
kozen, het  werd  gedomineerd  door  hoogten,  en  doorsneden  door 
de  Schelde,  die  de  onderlinge  gemeenschap  van  de  kwartieren 
moeilijk  maakte;  Vauban  was  binnen  de  vesting;  en,  wat  alles 
afdeed,  de  hoofden  der  bondgenooten  waren  het  onderling  oneens. 
Tusschen  den  Prins  van  Oranje  en  graaf  Monterey  was  geen 
goede  verstandhouding  meer  mogelijk.  £enige  dagen  later  ging 
dit  groote  leger  uiteen.  De  Spanjaarden  keerden  terug  naar 
hunne  steden ;  de  Duitschers,  naar  hun  land  terugkeerende,  von- 
den eene  gemakkelijke  maar  vrij  onbeteekenende  voldoening  in 
het  ver  meesteren  van  Hoey  en  van  Dinant,  twee  kleine  steden 
aan  de  Maas  gelegen,  tusschen  de  Fransche  grenzen  en  Maas- 
tricht; en  de  Prins  van  Oranje,  die  niet  wilde  terugkomen  in 
Holland  zonder  zelf  een  voordeel  te  hebben  behaald,  vertrok 
naar  Grave,  naar  Rabenhaupt,  zijn  onderbevelhebber,  die  reeds 
meer  dan  twee  maanden  die  vesting  vruchteloos  belegerde." 

Het  gaat  niet  aan,  om,  tegen  de  waarheid  in,  alle  militaire 
handelingen  van  Willem  III  te  willen  roemen  en  als  meesterlijke 
handelingen  voor  te  stellen;  neen,  ook  het  gebrekkige  daarin 
moet  worden  erkend;  en  zeer  zeker,  wanneer  men  alleen  het 
oordeel  volgt  van  de  meeste  Fransche  schrijvers,  dan  moet  ge- 
zegd worden,  dat  het  laatste  gedeelte  van  den  veldtocht  van 
1674  door  den  Stadhouder  gebrekkig  is  geleid.  Maar  is  dat  oor- 
deel van  die  Fransche  schrijvers  juist  en  waar?  —  Het  is  ge- 
oorloofd dit  te  ontkennen,  als  men  let  op  de  volgende  niet  te 
loochenen  feiten :  dat,  na  Séneffe,  Willem  III  een  inval  in  Frank- 
rijk heeft  willen  doen;  dat  hij,  op  aandrang  der  andere  leger- 
hoofden afziende  van  dien  inval,  toen,  in  overeenstemming  met 
Monterey,  Ath  heeft  willen  belegeren ;  dat,  ook  hierin,  De  Souches 
hinderpalen  in  den  weg  heeft  gelegd;  dat,  eerst  toen,  de  Stad- 
houder besloten  heeft  tot  het  beleg  van  Oudenaarden,  omdat  hij 
beter  oordeelde,  ddt  te  doen,  dan  niets  te  doen;  en  dat  de 
Prins  van  Oranje  wel  degelijk  het  voornemen  had  om  Condé  bij 
Oudenaarden  slag  te  leven,  maar  dit  voornemen  weer  is  verijdeld 
door  de  schuld  van  De  Souches.  —  Ziedaar  eene  voorstelling, 


Digitized  by 


Google 


112  KRIJOS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

die  een  gunstig  denkbeeld  geeft  van  de  handelingen  van  Willem  III 
als  legerhoofd,  bij  dit  einde  van  den  veldtocht  van  1674  in  de 
Spaansche  Nederlanden. 

Maar  is  die  voorstelling  ook  misschien  te  partijdig,  te  Hol- 
landsch,  te  Oranjegezin d ?  —  Geenszins;  want  de  feiten  waarop 
die  voorstelling  is  gebouwd,  zijn  hoofdzakelijk  ontleend  aan  het 
werk  van  Beaurain  over  den  veldtocht  van  1674;  en  Beaurain  is, 
met  al  zijn  nauwkeurigheid  en  waarheidsliefde,  toch  altijd  Fransch- 
man,  en  heeft  voornamelijk  gebruik  gemaakt  van  de  papieren  en 
opgaven  van  Condé  zelven;  Beaurain  kan  dus  niet  verdacht 
worden  van  partijdigheid  ten  voordeele  van  het  HoUandsche 
leger  en  van  Willem  III. 


HOOFDSTUK  XV. 

BELEG   VAN  GRAVE. 

Het  beleg  van  Grave  in  1674  heeft  eene  welverdiende  ver- 
maardheid verkregen  en  mag  aan  geen  krijgskundige  vreemd 
zijn  gebleven.  Maar  juist  dit  maakt  de  behandeling  van  dit  beleg 
moeilijk:  er  valt  bijna  niets  nieuws  meer  van  te  zeggen;  het  is 
een  afgemaaid  veld  waarop  weinig  meer  valt  te  lezen.  Bekwame 
schrijvers  hebben,  vooral  in  deze  eeuw,  dat  beleg  zoo  uitvoerig 
en  goed  beschreven,  dat  er  aan  die  beschrijving  bijna  niets  valt 
toe  te  voegen;  en  wij  zullen  ons  dus  dikwijls  moeten  bepalen^ 
met  hier  slechts  kortelijk  die  feiten  te  vermelden,  die  reeds  zoo 
algemeen  bekend  zijn. 

Ééne  aanmerking  —  moeten  wij  zeggen,  een  verwijt?  —  kun- 
nen wij  echter  niet  achterwege  laten  ten  opzichte  van  de  meeste 
schrijvers  die  het  beleg  van  Grave  van  1674  hebben  behandeld; 
het  is:  dat  zij  dat  beleg  te  veel,  te  uitsluitend  uit  het  oogpunt 
der  Franschen  hebben  beschouwd;  dat  zij  te  uitsluitend  hebben 
gebruik  gemaakt  van  de  opgaven  van  de  Fransche  zijde  afkom- 
stig, en  ónze  schrijvers  te  weinig  hebben  geraadpleegd,  of  te 
weinig  hebben  geloofd;  dat  zij  daardoor  de  ontegenzeggelijk 
groote  daden  van  Chamilly  hebben  overdreven  en  nog  grooter 
hebben  gemaakt  dan  zij  werkelijk  geweest  zijn;  en  dat  zij  te 
weinig  recht  hebben  gedaan  —  wij  zullen  niet  zeggen  aan  de 
bekwaamheid,  want  die  is  niet  uitstekend  geweest,  maar  —  aan 
de  buitengewone  dapperheid  van  de  belegeraars. 

't  Is  waar,  wanneer  men  bij  het  behandelen  van  krijgskundige 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   GR  AVE.  1 13 

onderwerpen  voornamelijk  Fransche  schrijvers  raadpleegt  en  volgt, 
dan  is  daarvoor  eene  zeer  verschoonende  reden  aan  te  voeren: 
het  zijn  deskundigen;  zij  stellen  de  gebeurtenissen  begrijpelijk, 
duidelijk,  helder  voor;  zij  oordeelen  met  juistheid  daarover;  zij 
overdrijven  wel,  zij  maken  zich  soms  wel  schuldig  aan  onwaar- 
heid ;  maar  zelfs  die  onwaarheid  weten  zij  waarschijnlijk  te  maken. 

Hoe  verward,  hoe  duister,  hoe  onhandig  zijn  daarentegen  de 
krijgsverhalen  door  onze  schrijvers  gegeven !  wat  een  volslagen 
onkunde  in  krijgszaken,  wat  een  volkomen  gemis  aan  oordeel  is 
op  schier  elke  bladzijde  bij  hen  op  te  merken !  Hoe  is  hun  ver- 
haal opgevuld  met  tegenstrijdigheden  en  onwaarschijnlijkheden; 
hoe  boeken  zij  daarbij  met  den  belachelijksten  ernst  de  beuzel- 
achtigste  bijzonderheden,  en  verzuimen  zij  te  vermelden  wat 
wezenlijk  gewichtig  en  belangrijk  is !  Waarlijk,  wanneer  de  groote 
krijgsdaden  van  Willem  III  dikwijls  zoo  miskend  zijn,  dan  is  dit 
voor  een  groot  gedeelte  te  wijten  aan  de  gebrekkige  en  ellendige 
wijze,  waarop  die  daden  door  den  tijdgenoot  zijn  geboekt. 

Wij  hebben,  zooals  natuurlijk  is,  ook  de  oudere  Hollandsche 
schrijvers  over  het  beleg  van  Grave  van  1674  gelezen;  —  maar 
wat  hebben  wij  er  ons  over  moeten  ergeren,  dat  die  schrijvers 
zoo  verre  beneden  hun  onderwerp  zijn  gebleven! 

Wil  een  onzer  lezers  zich  van  die  waarheid  overtuigen,  hij 
neme,  onder  anderen,  Sylvius  maar  eens  onder  handen,  —  Syl- 
vius,  waarlijk  geen  schrijver  van  vlugschriften,  zooals  de  lijvigheid 
zijner  boekdeelen  ten  volle  getuigt.  Men  zal  daar  ieder  oogen- 
blik  de  vreemdste  tegenspraak  en  de  zonderlingste,  kinderach- 
tigste bijzonderheden  vinden;  maar  wij  tarten  den  bekwaamste 
om  zich  uit  diens  geschriften  een  duidelijk  denkbeeld  te  maken 
van  het  vermaarde  beleg.  Hetzelfde  feit  wordt  daar  op  twee 
verschillende  plaatsen  dikwijls  ook  geheel  verschillend  verhaald, 
en  de  schrijver  denkt  er  niet  in  hei  minst  aan,  die  tegen- 
strijdigheid op  te  helderen.  Zoo,  bij  voorbeeld,  vermeldt  hij  op 
bladzijde  91  het  gevecht  van  Middelweert  —  bij  Mook  —  op 
den  isen  Juli  1674,  en  zegt  dat  de  Franschen  daar  verloren 
>  1 5  gevangenen  waaronder  7  officieren,  en  dat  zij  wel  20  wagens 
met  dood^n  en  gewonden  naar  Grave  voerden";  —  en  een 
twintig  bladzijden  verder  —  zeker  vergetende  wat  op  bladzijde 
91  was  gezegd  — ,  wordt  het  verlies  der  Franschen  begroot  op 
1250  dooden  en  40  gevangenen,  waaronder  9  officieren,  en  dat 
zij  wel  30  wagens  met  dooden  en  gewonden  mede  voerden."  Zoo 
wordt  op  ééne  plaats  gezegd,  >  dat  op  den  1 5en  Juli  de  generaal- 
majoor  Spaan  met  1500  man  Brandenburgsche  ruiterij  in  het 
leger  voor  Grave  kwam";  en  eenige  bladzijden  verder  >dat 
Spaan,  met  3000  Brandenburgers,  den  1 2 en  Augustus  voor  Grave 
aankwam".  Welke  opgave  is  nu  de  ware?  —  ziedaar  de  vraag 

WILLEM  m.  —  IL  8 


Digitized  by 


Google 


114  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BfiSCHOUWINOEN. 

die  zich  hierbij  telkens  voordoet.  Zoo  zal  men  bij  dien  schrijver 
tevergeefs  zoeken  naar  een  geregelde  beschrijving  van  de  aan- 
valswerkzaamheden,  naar  de  juiste  plaatsing  en  bewapening  van 
de  batterijen;  —  maar  wat  men  er  wél  zal  vinden,  dat  zijn  be- 
langrijke bijzonderheden,  in  den  trant  van  deze:  iden  3en 
dito"  (September)  »werd  een  kogel  uit  de  stad  geschoten,  tref- 
fende in  een  van  onze  stukken,  zijnde  een  twaalfponder,  hetwelk 
geladen  stond,  zoodat  hetzelve  daardoor  aangegaan  zijnde,  beide 
de  kogels  in  de  stad  heeft  geschoten." 

Die  weinige  proeven  van  de  krijgskennis  onzer  oudere  Hol- 
landsche  schrijvers  zou  men  met  een  aantal  andere  kunnen  ver- 
meerderen, maar  wij  achten  dit  genoeg  bm  aan  te  wijzen  waaróm 
de  nieuwere  schrijvers  bij  voorkeur  de  opgaven  der  Franschen 
hebben  gevolgd,  en  waaróm  in  het  buitenland  de  kennis  van  het 
beleg  van  Grave  alleen  aan  die  opgaven  is  ontleend.  —  Wij 
zullen  trachten,  in  ons  overzicht  meer  waar,  meer  billijk  te  zijn 
jegens  onze  voorouders. 

Grave  was,  met  Maastricht,  het  eenige  wat  de  Fransche  legers 
in  1674  hadden  overgehouden  van  hunne  veroveringen  in  Hol- 
land. Hadden  die  legers  zich  vroeger  op  de  ondoelmatigste  wijze 
verdeeld  om  een  overgroot  aantal  vestingen  te  bezetten,  thans, 
bepaald  slechts  tot  het  bezit  van  die  twee  versterkte  punten,  had 
men  daar  dan  ook  strijdkrachten  vereenigd,  welke  in  staat  stel- 
den die  punten  hardnekkig  te  betwisten  aan  den  vijand.  Dit  be- 
wees in  1674  de  verdediging  van  Grave,  een  paar  jaar  later  die 
van  Maastricht;  en  mocht  de  eerste  van  die  verdedigingen  niet 
eindigen,  zooals  de  andere,  met  het  aftrekken  van  den  belegeraar, 
men  schrijve  dit  alleen  daaraan  toe,  dat  in  1674  geen  leger  op- 
daagde tot  ontzet  van  Grave,  zooals  dit  Maastricht  in  1676  te 
beurt  viel. 

De  ligging  en  inrichting  van  de  vesting  Grave,  zooals  die  nog 
eenige  jaren  geleden  bestond,  kwamen,  ten  minste  wat  den  linker 
Maasoever  betreft,  vrijwel  overeen  met  wat  die  vesting  in  1674 
was.  In  dat  jaar  was  de  stad  omgeven  door  een  gebastionneerden 
hoofdwal,  vier  geheele  en  twee  halve  bastions  hebbende;  de 
laatste,  die  aan  de  Maas  sloten,  waren  gerevêteerd  ^n  werden 
verbonden  door  een  gemetselde  keel  langs  de  rivier;  de  bastions 
waren  niet  gerevêteerd.  De  hoofdwal  was  omgeven  door  eene 
breede  en  diepe  natte  gracht;  vóór  drie  der  courtinen  had  men 
ravelijnen ;  een  hoornwerk,  vóór  het  front  dat,  naar  de  zijde  van 
Ravestein,  aan  de  Maas  sloot;  een  ravelijn  en  een  hoornwerk 
vóór  het  front  van  de  Brugpoort,  bij  het  hoogere  gedeelte  van 
de  Maaó,  naar  de  zijde  van  Kuyck;  een  derde  hoornwerk  vóór 
het  naar  de  zijde  van  Den  Bosch  uitspringende  bastion.  Die 
buitenwerken  waren  weer  omgeven  door  een  natte  gracht;  daar- 


Digitized  by 


Google 


BELEG  VAN   GR  AVE.  II5 

vóór  had  men  een  bedekten  weg,  glacis,  en  eindelijk  weer  een 
diepe  natte  voorgracht,  gevuld  door  het  water  van  het  riviertje 
de  Raam,  dat  zich  te  Grave  in  de  Maas  werpt. 

Een  schipbrug  voerde  van  de  vesting  naar  den  rechteroever 
van  de  Maas;  en  als  bruggenhoofd  had  men  daar  een  gereve- 
leerde lunet  met  droge  gracht  Op  den  rechteroever  van  de  Maas 
was,  op  een  musketschot  afstands  van  de  rivier,  de  dijk  die  het 
Maas-en-Waalsche  beschermt;  op  den  linkeroever  liet  de  dijk 
die  bovenwaarts  van  Kuyck  komt,  evenals  die  welke  beneden- 
waarts  naar  Ravestein  geleidt,  tusschen  haar  en  de  rivier  eene 
smalle  strook  gronds  over.  Op  veel  grooteren  afstand  van  de 
Maas,  beneden  Grave,  liep  een  zomerdijk  langs  het  dorp  Velp; 
die  zomerdijk  kwam  bij  het  huis  Den  Elft  uit  op  den  weg 
naar  Den  Bosch.  Het  terrein  dat  Grave  omgeeft  is  over  het 
algemeen  open  en  vlak ;  maar  tusschen  den  weg  naar  Den  Bosch 
en  den  dijk  naar  Kuyck  was  het  moerassig  en  daardoor  weinig 
geschikt  voor  belegerings-werkzaamheden. 

Voor  eene  vesting  van  zoo  kleinen  omvang  als  Grave  was  de 
bezetting  in  1674  bijzonder  sterk:  zij  telde  niet  minder  dan  4000 
man.  Zij  was  samengesteld  uit  71  compagnieën  voetvolk,  waar- 
van er  27  behoorden  tot  het  regiment  van  Normandië,  10  tot 
dat  van  Bourgogne,  10  tot  dat  van  Languedoc,  12  tot  Dam- 
pierre,  en  12  tot  Vendóme;  en  uit  9  compagnieën  ruiterij, 
namelijk  6  van  het  regiment  van  Saint-Louis,  en  3  van  dat  van 
Carcado.  De  sterkte  van  het  artillerie-personeel  wordt  weer  niet 
vermeld.  De  bevelhebber  van  de  infanterie  was  de  kolonel  Guiscard, 
van  de  ruiterij  de  Mestre-de-Camp  De  Saint-Louis.  De  Beton  was 
Lieutenant  du  Ros\  zooveel  als  commandant  der  stad ;  onder  hem 
waren  Saint-Just  en  Violaine.  Slechts  twee  ingenieurs  bevonden 
zich  in  de  vesting.  De  Paxis  en  De  Belle-Isle;  de  intendanten 
waren  Des  Madrys,  Hubert  en  Sauvé.  Aan  het  hoofd  der  uitge- 
lezen troepen  die  de  bezetting  uitmaakten,  stond  een  aanvoerder 
hunner  waardig:  Bouton,  markies  van  Chamilly,  een  krijgsman 
die  toen,  op  acht  en  dertigjarigen  leeftijd,  reeds  in  verschillende 
landen  van  Europa  de  wapenen  met  roem  had  gevoerd,  en  zijne 
jaren  met  zijn  heldenfeiten  telde.  Reeds  toen  bezat  de  Fransche 
aanvoerder  een  schitterenden  militairen  naam,  maar  de  verde- 
diging van  Grave  heeft  daarop  de  kroon  gezet;  en  met  het 
volste  recht  wijst  de  nakomeling  op  hem,  als  op  een  ideaal,  dat 
ieder  bevelhebber  eener  vesting  voor  den  geest  moet  zweven. 

De  bewapening  en  uitrusting  van  de  vesting  beantwoordden 
aan  de  sterkte  der  bezetting.  Het  grootste  gedeelte  der  artillerie 
van  de  verlaten  Hollandsche  vestmgen  hadden  de  Franschen 
naar  Grave  overgebracht,  zoodat  zich  daar  niet  minder  dan  450, 


Digitized  by 


Google 


Il6  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

volgens  sommige  opgaven  zelfs  500  vuurmonden  bevonden;  140 
daarvan  kwamen  in  batterij^  op  de  verschillende  werken  van  de 
vesting.  Niet  minder  dan  i  millioen  pond  buskruit  bevond  zich 
in  Grave,  zoodat  er  niet  de  minste  spaarzaamheid  met  de  muni- 
tie behoefde  te  worden  in  acht  genomen.  Evenzoo  was  men 
rijkelijk  voorzien  van  palissaden,  friesche  ruiters,  fascinen,  schans- 
korven en  wat  verder  noodig  is  tot  het  doorstaan  van  een  beleg. 
Van  levensmiddelen  had  men  voorraad  voor  eenige  maanden; 
nog  vóór  het  beleg  had  Chamilly  door  zijne  ruiterij  een  duizend- 
tal stuks  rundvee  uit  de  omliggende  landstreek  doen  ophalen,  en 
kort  vóór  de  insluiting  werd  nog  een  aanzienlijke  voorraad  fou- 
rage  in  de  vesting  gebracht. 

Chamilly  besloot  de  bezetting  niet  in  de  vesting  op  te  sluiten, 
maar  haar  zoo  lang  mogelijk  daarbuiten  te  doen  blijven;  hij 
deed  buiten  de  Brugpoort,  op  een  musketschot  afstands  van  de 
werken,  een  versterkt  kamp  betrekken,  links  leunende  aan  de 
Maas,  rechts  aan  het  moerassig  terrein.  In  die  stelling  wilde  hij 
den  vijand  afwachten,  en  Grave  alleen  beschouwen  als  een  soort 
van  reduit^  dat  zijne  magazijnen  bevatte  en  dat  in  den  uitersten 
nood  tot  wijkplaats  moest  dienen. 

Dit  is  eene  handeling  die  bij  de  verdediging  van  eene  vesting 
altijd  navolging  verdient.  De  bezetting  moet  zich  zoo  lang  mogelijk 
buiten  de  vesting  staande  houden;  zij  moet  zich  daar  zoo  sterk 
mogelijk  verschansen,  in  eene  stelling  die,  aan  de  vesting  ge- 
leund, altijd  een  vrijen  terugtocht  verzekert,  en  dus  zonder  ge- 
vaar is.  Zulk  eene  stelling  is  zeer  voordeelig;  zij  kan  hardnekkig 
worden  betwist  aan  den  vijand;  zoolang  men  haar  behoudt^ 
is  het  beleg  meestal  ondoenlijk:  en  verliest  men  haar,  dan 
heeft  men  toch  tijd  gewonnen,  en  dus  den  duur.  van  de  ver- 
dediging verlengd.  Door  dat  standhouden  buiten  de  vesting  ver- 
mindert het  zelfvertrouwen  van  den  aanvaller,  vermeerdert  de 
moed  des  verdedigers;  het  denkbeeld  van  minderheid,  dat  de 
verdediging  gewoonlijk  aankleeft,  wordt  daardoor  weggenomen; 
de  zedelijke  kracht  van  de  bezetting  wordt  daardoor  verhoogd,  — 
en  dit  is  de  hoofdzaak. 

Eiken  dag  trok  uit  dat  kamp  van  Chamilly  eene  afdeeling  van 
500  man  om  de  wachten  in  de  werken  der  vesting  te  bezetten. 
Vergelijkt  men  die  sterkte  der  wachten  met  de  geheele  sterkte 
der  bezetting,  dan  ziet  men  dat  die  bezetting  niet  afgemat  werd 
door  een  te  drukken  garnizoensdienst.  Dit  is  ook  een  punt  waarop 
de  bevelhebber  van  eene  vesting  wel  mag  letten,  en  waartegen 
te  dikwijls  wordt  gezondigd:  voor  den  veiligheidsdienst  moet 
men  niet  meer  troepen  nemen  dan  noodzakelijk  is;  men  moet 
de  troepen  niet  onnoodig  vermoeien.  Wanneer  men  in  sommige 
handboeken   van   de  versterkingskunst  leest,   dat   bij   het  beleg 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   GRAVE.  II7 

eener  vesting  een  derde  der  bezetting  de  wachten  moet  betrekken, 
een  ander  derde  als  piket  of  soutien  moet  dienen,  en  alleen  het 
laatste  derde  gedeelte  mag  rusten^  —  dan  is  dit  een  voorschrift, 
dat  in  de  meeste  gevallen  verkeerd  en  slecht  is.  Wanneer  gij 
den  soldaat  zoo,  van  de  drie  dagen,  er  twee  onder  de  wapens 
laat  blijven,  en  hem  alleen  den  derden  dag  laat  rusten,  dan  kunt 
gij  er  ook  op  rekenen  dat  uwe  bezetting  spoedig  afgemat,  uit- 
geput en  ontmoedigd  zal  zijn^  en  dat,  komt  het  aan  op  een 
storm  of  op  een  uitval,  gij  er  geen  bijzonder  krachtsbetoon  van 
moet  verwachten.  £r  kunnen  oogenblikken  voorkomen  in  een 
belegd  waarin  het  noodzakelijk  is  om  die  inspanningen  van  de 
troepen  te  vorderen,  —  vorder  ze  dan;  maar  bij  de  meeste  be- 
legeringen, en  gedurende  den  meesten  tijd  van  een  beleg,  zijn 
zij  niet  noodzakelijk ;  en  dèn  is  het  verkeerd  om  zulk  een  groot 
aantal  troepen  te  plaatsen  op  hoofdwal  en  buitenwerken  5  dit 
dient  dan  tot  niets  anders  dan  om  het  vijandelijke  vuur  meer 
trefkans  te  geven  en  de  krachten  van  de  troepen  te  verspillen. 
Veel  beter  is  het  dan,  de  werken  der  stad  slechts  met  dat  aan- 
tal troepen  te  bezetten,  dat  volstrekt  noodig  is,  eene  sterke  af- 
deeling  binnen  de  stad  gereed  te  houden  om  eiken  on  ver  wachten 
stormaanval  te  keer  te  gaan,  en  het  overige  van  de  bezetting  te 
laten  rusten,  totdat  de  tijd  zal  gekomen  zijn  om  te  waken  bij 
eene  wijd  openliggende  bres. 

Behalve  de  wachten  trokken  ook  dagelijks  uit  het  kamp  sterke 
afdeelingen  vrijwilligers  om  te  arbeiden  aan  de  uitbreiding  en 
voltooiing  van  de  vestingwerken.  In  de  vroegere  verhalen  van 
dit  beleg  wordt  die  arbeid  omstandig  beschreven;  hier  worde 
die  maar  met  een  enkel  woord  vermeld. 

Zoowel  op  den  dijk  naar  Kuyck  als  op  dien  naar  Ravestein 
deed  Chamilly,  nog  buiten waarts  van  de  voorgracht,  groote 
wapenplaatsen  aanleggen,  die  den  aanvaller  de  nadering  tot  die 
voorgracht  moesten  verhinderen  en  de  uitvallen  van  den  belegerde 
gemakkelijk  maken;  die  wapenplaatsen  werden  door  eene  soort 
van  loopgraven  verbonden  met  den  bedekten  weg,  en  bovendien 
in  de  dijken  mijngalerijen  gemaakt,  die  zich  uitstrekten  tot  aan 
de  voorgracht.  Op  verschillende  uitspringende  punten  van  het 
glacis  werden  kleine  rédans  of  flêches  opgeworpen  om  daarmede 
den  overgang  van  de  voorgracht  krachtdadig  te  betwisten.  Op 
de  waarschijnlijke  punten  van  aanval  deed  men  boomstammen, 
fascinen  en  puin,  alles  zoo  goed  mogelijk  verbonden,  ingraven 
en  overdekken  met  eene  dunne  laag  aarde,  ten  einde  daardoor 
de  werkzaamheden  van  den  aanvaller  te  bemoeilijken.  De  ruimte 
tusschen  de  Maas  en  het  halve  bastion  dat  naar  de  zijde  van 
Ravestein  aan  die  rivier  sluit,  werd  verdedigd  door  eene  zesvou- 
dige rij  van  palissaden;  en  toen  de  fronten  van  aanval  eenmaal 
bekend   waren,  deed  Chamilly,  bij  de  reeds  bestaande  rij  palis- 


Digitized  by 


Google 


Il8  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

saden,  daar  een  tweede  maken,  op  5  voet  binnenwaarts  van  de 
eerste,  en  daarmede  eene  gang  vormende,  die  van  50  tot  5a 
pas,  afgesloten  werd  door  eene  dwarsrij  van  palissaden;  in  die 
tweede  palissadeering  en  in  de  dwarsrijen  had  men  kleine  deu- 
ren, waardoor  men  van  het  eene  gedeelte  kon  komen  in  het 
andere.  De  borstweringen  der  verschillende  werken  werden  opge- 
maakt, en  vooral  de  batterijen  met  de  meeste  zorg  aangelegd, 
niet  alleen  de  schietgaten  sterk  bekleed,  maar  ook  de  kasten 
(deelen  der  borstwering  tusschen  de  schietgaten)  bijna  on  verniel- 
baar  gemaakt  door  middel  van  ingegraven  en  goed  verankerde 
fascinen.  Eindelijk  werden  er  in  de  walgang  van  de  bastions 
bomvrije  plaatsen  gemaakt,  vooral  tot  berging  van  den  grooten 
voorraad  buskruit,  dien  Chamilly  —  tegen  het  gevoelen  van  zijne 
officieren  —  onverminderd  wilde  behouden,  al  mocht  dan  ook 
daardoor  de  vesting  gevaar  loopen  van  door  eene  ontploffing 
geheel  vernield  te  worden.  (Rousset  heeft  aangaande  dit  buskruit 
eene  andere  lezing,  zooals  men  zal  zien). 

Eerst  in  het  midden  van  den  zomer  vangen  de  eerste  toebe- 
reidselen  aan  tot  de  belegering  van  Grave.  Den  2  2  sten  Juni  wordt 
Ravestein  door  eene  HoUandsche  krijgsmacht  bezet  en  versterkt, 
en  evenzoo  Boxmeer,  den  yen  Juli,  door  eene  afdeeling  Span- 
jaarden. Rabenhaupt  wordt  eindelijk  door  de  Staten  belast  met 
de  taak  om  Grave  te  bemachtigen;  en^  vergezeld  van  den  raad- 
pensionaris Fagel,  gaat  dat  legerhoofd  den  8sten  Juli  van  Den 
Haag  naar  Nijmegen,  om  het  bevel  op  zich  te  nemen  van  de 
daar  verzamelde  krijgsmacht,  toen  samengesteld  uit  een  honderd 
compagnieën  voetvolk  en  eenige  compagnieën  ruiterij.  In  de 
Nieuwe  Mercurius  wordt  gezegd,  dat  van  die  macht  6  com- 
pagnieën infanterie  en  3  compagnieën  ruiterij,  onder  den  overste 
Dutil,  het  kasteel  van  Gennep  bezet  hielden,  en  dat  600  man  voet- 
volk en  2  compagnieën  ruiters  geplaatst  waren  in  de  kasteelen 
van  Wichen  en  Duyckenburg,  —  tusschen  Wichen  en  Nijmegen. 

Rabenhaupt,  den  1300  Juli  te  Nijmegen  gekomen,  verneemt 
daar  dat  de  vijand  te  Kuyck  nog  een  aanzienlijken  voorraad 
fourage  heeft,  en  eenige  vaartuigen  met  wijn ;  zooals  zeer  natuur- 
lijk is,  wil  de  HoUandsche  bevelhebber  beletten  dat  die  voorraad 
in  Grave  wordt  gebracht,  en  tot  dat  einde  doet  hij  het  kleine 
eiland  Middelweert  bezetten,  tegenover  Kuyck :  t  Het  oogmerk  was 
goed,"  zegt  de  schrijver  eener  memorie  over  de  verdediging  van 
Grave  i),  voorkomende  in  den  eersten  jaargang  van  den  Nieuwen 
Spectator,  >het  oogmerk  was  goed,  de  uitvoering  slecht." 

De  macht,   die  afgezonden  werd  tot  bezetting  van  het  eiland 


i)  De  kolonel  der  artillerie  Knoop,  broeder  van  den  schrijver  dezes. 

/Google 


Digitized  by  ^ 


BELEG   VAN  ORAVE.  II9 

Middelweert,  bestond  —  volgens  Sylvius  —  uit  3  compagnieën 
ruiterij  onder  den  overste  Schwartsenburg ;  terwijl  de  infanterie, 
onder  het  bevel  van  den  overste-wachtmeester  Boot  van  het 
regiment  van  Golstein,  1  met  3  kapiteins  en  onderhoorige  officie- 
ren^ te  zamen  eenen  troep  uitmaakte  van  200  zoo  snaphanen  als 
musketten/'  Valkenier  spreekt  van  180  man  infanterie;  Beaurain, 
die  de  bezetting  van  het  eiland  op  een  300  man  stelt,  begrijpt 
daaronder  denkelijk  ook  de  ruiterij,  die  echter  op  den  rechter 
Maasoever  schijnt  te  zijn  gebleven. 

Boot  is  den  15^0  Juli  met  zijn  voetvolk  op  Middelweert  ge- 
komen, en  begint  zich  te  verschansen  op  dit  eiland,  slechts  vier 
morgen  groot;  maar  nauwelijks  is  men  een  anderhalf  uur  bezig 
met  dien  arbeid,  of  daar  daagt  Chamilly  op,  aan  het  hoofd  zijner 
ruiterij  —  4  k  500  paarden  — ,  gevolgd  door  een  300  man  voet- 
volk onder  Guiscard.  In  afwachting  van  de  komst  der  infanterie 
doet  Chamilly  de  ruiterij  afstijgen  en  haar  vuur  openen  op  de 
Hollanders,  ten  einde  dezen  daardoor  te  beletten  met  den  schans- 
arbeid  voort  te  gaan.  Zoodra  Guiscard  aankomt  doet  Chamilly 
de  infanterie  door  de  rivier  heentrekken  naar  het  eiland.  Die 
eerste  aanval  mislukt  echter:  de  Maas,  gewoonlijk  daar  maar  4 
voet  diep  en  doorwaadbaar^  is  nu  door  den  regen  bijzonder 
hoog  geworden,  zoodat  de  Fransche  troepen,  die  de  doorwading 
willen  verrichten,  daar  niet  in  slagen ;  een  twintigtal  hunner  ver- 
drinkt, en  zeven  officieren,  die  het  eiland  bereiken,  worden  daar 
gevangengenomen  door  de  soldaten  van  Boot.  Chamilly,  door 
dien  eersten  tegenspoed  niet  afgeschrikt,  hervat  de  onderneming 
met  de  ruiterij;  hij  gelast  den  infanteristen  om  zich  vast  te  hou- 
den aan  de  manen  der  paarden;  en,  zelf  zich  aan  het  hoofd 
stellende,  werpt  hij  zich  in  de  rivier  en  valt  nogmaals  het  eiland 
aan.  Die  aanval,  met  groote  dapperheid  verricht,  gelukt,  in  weer- 
wil van  de  bezwaren  welke  de  steile  oever  en  het  vuur  van  de 
verdedigers  daaraan  in  den  weg  leggen;  de  Hollanders  worden 
van  het  eiland  verdreven,  met  groot  verlies  aan  dooden  en  ge- 
wonden; maar  ook  aan  de  Franschen  komt  dit  gevecht  op  een 
honderd  man  te  staan.  Rabenhaupt  is  van  Nijmegen  opgerukt 
tot  ondersteuning  der  afdeeling  van  Boot,  maar  te  laat;  hij  kan 
alleen  de  overblijfselen  dier  geslagen  afdeeling  opnemen.  Chamilly 
laat  het  eiland  Middelweert  door  150  man  bezet  houden,  totdat 
de  fourage  —  die  niet  minder  dan  eene  vracht  voor  1600  wagens 
uitmaakte  (?)  —  en  de  vaartuigen  met  wijn,  binnen  Grave  zijn 
gebracht.  Toen  wordt  het  eiland  ontruimd. 

Zoodanig  is  het  verhaal  van  de  Fransche  schrijvers  van  dat 
gevecht  van  Middelweert.  De  verhalen  van  onze  schrijvers  ver- 
schillen alleen  daarin,  dat  volgens  deze  het  eiland  door  de  Hol- 
landers werd  ontruimd,  omdat  men  het  marktschip  van  Venlo 
zag  naderen,  dat  men  meende  dat  door  de  Franschen  zou  worden 


Digitized  by 


Google 


120  KRIJGS-    EN  GESCHlEDlvUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

gebruikt  om  troepen  over  te  zetten  op  het  eiland;  daarom  — 
zeggen  de  Hollandsche  schrijvers  —  verliet  men  toen,  te  scheep 
of  zwemmende,  het  eiland.  Ook  stellen  de  Hollandsche  opgaven 
het  verlies  van  den  vijand  veel  grooter;  Boot  verloor  aan  dooden 
en  gevangenen  maar  een  20  è.  30  man,  maar  hij  en  bijna  al 
zijne  officieren  waren  gewond. 

Zooveel  schijnt  uit  dit  alles  te  blijken,  dat  het  voordeel,  hier 
door  de  Franschen  behaald,  hun  nog  al  duur  is  te  staan  ge- 
komen, en  dat  er  aan  weerszijden  met  dapperheid  is  gestreden. 
Maar  onvoorzichtig  was  het,  die  kleine  afdeeling  van  Boot 
zoo  alleen  bloot  te  stellen  aan  de  aanvallen  van  een  sterken, 
ondernemenden  vijand;  waarom  die  afdeeling  niet  tijdig  onder- 
steund? Waarom  de  troepen  te  Wichen  en  te  Gennep  hiertoe 
niet  gebezigd? 

Chamilly,  al  meer  en  meer  ziende  dat  hij  met  een  beleg  werd 
bedreigd,  besloot  den  dijk  van  het  Maas-en-Waalsche,  op  den 
rechteroever  van  de  Maas,  te  doen  afgraven,  omdat  de  belege- 
raar zich  daarachter  bedekt  kon  plaatsen;  den  23sien  en  24sien 
Juli  doet  hij  daaraan  werken,  door  een  1500  arbeiders.  Raben- 
haupt,  hiervan  onderricht,  zendt  den  24sien  Juli  3  regimenten 
infanterie  met  3  compagnieën  ruiterij,  eenige  kleine  stukken  ge- 
schut en  wagens  met  schoppen,  spaden,  houweelen  enz.  naar 
dien  dijk;  in  den  vroegen  ochtend  van  den  2  5sten  Juli  komt  die 
Hollandsche  afdeeling  daar  aan,  en  verdrijft  de  Franschen.  Chamilly 
tracht  toen  dien  dijk  te  vernielen  door  kanonvuur,  wat  natuurlijk 
weinig  uitwerking  deed,  maar  daarom  nog  niet  was  af  te  beuren, 
omdat  in  Grave  toch  zulk  een  overvloed  van  munitie  was. 

De  Hollandsche  legermacht  begint  Grave  nu  meer  ernstig  te 
bedreigen,  en  den  275100  Juli  brengt  Rabenhaupt  zijn  hoofdkwar- 
tier over  in  het  kasteel  van  Balgoyen.  Een  brug  wordt  over  de 
Maas  geslagen,  beneden  Grave,  bij  het  dorp  Neer-Asselt;  en 
eenige  regimenten,  onder  Hundebeek,  gaan  den  2  7 sten  Juli  over 
op  den  linkeroever,  en  sluiten  zich  aan  bij  de  troepen  die 
Ravestein  reeds  bezet  hielden;  volgens  een  onzer  schrijvers  — 
Sylvius  —  bestond  die  macht  van  Hundebeek  uit  een  gedeelte 
der  bezetting  van  *s  Hertogenbosch.  Een  tweede  brug  werd  boven- 
waarts  van  Grave  geslagen,  bij  het  dorp  Over-Asselt;  en  de 
kolonel  Golslein  ging  daar  met  een  troepenafdeeling  op  den 
linkeroever  over;  wanneer — dit  is  niet  geheel  duidelijk ;  volgens 
Sylvius  zou  dit  eerst  den  8stcn  Augustus  zijn  geschied;  maar  de 
opgaven  van  dien  schrijver  zijn  niet  veel  te  vertrouwen,  en  het 
schijnt  dat  daar  reeds  veel  vroeger  Hollandsche  troepen  zijn 
geweest;  ten  minste  kan  men  dit  eenigszins  opmaken  uit  de 
omstandigheid,   dat  Chamilly  reeds  in   het  laatst   van  Juli  zijn 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   GRAVE.  121 

kamp  buiten  de  Brugpoort  verliet  en  slechtte,  en  zijne  infanlerie 
toen  stelÜDg  deed  nemen  op  het  glacis  naar  de  zijde  van  Den 
Bosch,  waar  de  vesting  nog  niet  was  ingesloten. 

De  Fransche  verhalen  zeggen  ook,  dat  twee  batterijen  op  den 
rechteroever  der  Maas,  achtereenvolgens  tot  zwijgen  werden  ge- 
bracht door  het  vuur  der  vesting,  en  dat  de  brug  over  de  be- 
neden-Maas, te  dicht  bij  Grave  geplaatst,  vernield  werd  door  het 
Fransche  geschut.  Bij  een  van  onze  schrijvers  —  de  Nieuwe 
Mercurius  —  vindt  men  wel  de  opgave,  dat  den  26sten  Juli  het 
eerste  kanonvuur  werd  geopend  op  de  vesting,  maar  van  het 
demonteeren  van  batterijen  en  van  het  vernielen  der  brug  zeggen 
zij  geen  woord;  die  omstandigheden  zijn  dus  twijfelachtig. 

De  macht  van  Hundebeek,  aan  het  lagere  gedeelte  der  rivier, 
had  een  kamp  betrokken  dicht  bij  het  dorp  Velp,  achter  den 
dijk  van  Ravestein,  met  den  linkervleugel  geleund  aan  de  Maas ; 
in  Velp  was  een  voorpost  geplaatst  van  een  60  man,  die  zich 
ophield  in  de  kerk  aan  den  ingang  van  dat  dorp,  als  men  komt 
van  de  zijde  van  Grave.  Die  kerk  was  slechts  een  musketschot 
van  het  Fransche  kamp  verwijderd,  tn  dubbel  zoo  ver  van  dat 
van  Hundebeek.  Chamilly  zag  daarin  de  mogelijkheid  om  zijn 
vijand  afbreuk  te  doen,  en  hem  te  beletten  zich  zoo  nabij  de 
vesting  te  plaatsen. 

Den  29sien  Juli,  op  klaarlichten  dag,  doet  Chamilly  dien  post 
te  Velp  aanvallen.  In  plaats  dat  de  nieuwe  wacht,  500  man 
sterk,  naar  hare  posten  trekt,  krijgt  zij  plotseling  bevel  om  Velp 
aan  te  vallen;  tot  hare  ondersteuning  wordt  zij  daarbij  gevolgd 
door  3  eskadrons  ruiterij.  De  post  des  belegeraars  wordt  onver- 
wachts aangevallen,  de  kerkhofmuur  beklommen,  de  poort  der 
kerk  met  bijlen  opengehouwen,  de  Hollandsche  bevelhebber  en 
eenige  zijner  soldaten  gedood,  en  de  overigen  gevangengenomen. 
Uit  het  kamp  van  Hundebeek  rukken  troepen  op  ter  ondersteu- 
ning; maar  de  Franschen,  beschermd  door  hunne  ruiterij,  ver- 
richten ongehinderd  hun  terugtocht  naar  Grave,  hoewel  eenige 
hunner  officieren,  door  eene  vergissing  achtergebleven  in  den 
kerktoren  van  Velp,  daar  worden  gevangengenomen  door  de 
troepen  van  Hundebeek.  —  Die  uitval  was  gelukt,  niettegen- 
staande op  datzelfde  oogenblik  het  springen  van  eenige  tonnen 
buskruit,  in  het  bastion  naar  de  zijde  van  Den  Bosch,  niet  weinig 
verwarring  en  onheil  in  de  vesting  aanrichtte. 

Dat  gevecht  bij  Velp  wordt  door  onze  schrijvers  eenigszins 
anders  voorgedragen,  en  de  verliezen  van  Chamilly's  troepen 
daarbij  veel  hooger  gesteld.  Volgens  de  Nieuwe  Mercurius  wer- 
den 9  Fransche  officieren  en  20  soldaten  in  de  kerk  van  Velp 
afgesneden,  en  door  de  Hollanders  gedood  of  gevangengenomen ; 
Valkenier  begroot  die  afdeeling  op  een  50  man ;  Sylvius  en  Van 


Digitized  by 


Google 


122  KRIJGS*  EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

den  Bosch  zelfs  op  130  man.  Wat  is  hier  nu  de  waarheid?  — 
Als  waarschijnlijk  kan  men  aannemen,  dat  het  door  Chamilly  in 
dat  gevecht  bij  Velp  behaalde  voordeel  niet  bijzonder  groot  is 
geweest;  maar  ddt  was  een  voordeel,  dat  door  die  aanvallende 
beweging  de  moed  der  bezetting  toenam;  en  dat  weegt  wel  op 
tegen  het  verlies  van  eenige  manschappen. 

Het  eigenlijke  beleg  begint  den  2Qsten  Juli.  Op  den  avond  van 
dien  dag  worden  door  Hundebeek  de  loopgraven  geopend. 

Het  is  een  der  eerste  beginselen  van  de  belegeringskunst,  dat 
de  geheele  insluiting  der  aan  te  vallen  vesting  aan  de  belegering 
moet  voorafgaan.  Dit  beginsel  nu  werd  hier,  bij  het  beleg  van 
Grave,  geheel  verwaarloosd:  aan  de  zijde  van  Den  Bosch  was 
de  vesting  niet  ingesloten,  en  volgens  Beaurain  ook  den  29steD 
Juli  nog  niet  aan  de  boven-Maas,  op  den  linkeroever.  Daar  wordt 
gezegd,  dat  de  belegeraar  de  insluiting  onnoodig  achtte,  omdat 
de  vesting  toch  reeds  genoegzaam  van  alles  was  voorzien;  — 
maar  dit  is  een  verkeerde  redeneering;  want  de  insluiting  moei 
niet  alleen  dienen  om  de  vesting  eiken  toevoer  van  buiten  te 
ontnemen,  maar  ook  om  de  uitvallen  van  de  bezetting  beter 
tegen  te  gaan. 

Ook  de  wijze  van  aanvallen  was  geheel  verkeerd.  De  loop- 
graven van  Hundebeek  bevonden  zich  tusschen  de  Maas  en  den 
dijk  van  Ravestein:  gedeeltelijk  werden  zij  door  dien  dijk  be- 
schermd ;  maar  de  ruimte  tusschen  dien  dijk  en  de  rivier  is  zó6 
gering,  vooral  wanneer  men  de  stad  naderbij  komt,  dat  men  met 
die  loopgraven  niets  anders  omvatte  dan  het  laatste  halve  bas- 
tion aan  de  Maas.  Terecht  maakt  Beaurain  daarop  de  aanmer- 
king :  t  dit  was,  om  zoo  te  zeggen,  een  aanval  in  colonne  op  de 
vesting";  {cétait^  pour  ainsi  dire^  attaquer  une  place  en  colonne). 

De  aanval  van  Hundebeek  werd  ondersteund  door  een  twee- 
den aanval  op  den  rechteroever  van  de  Maas,  gericht  tegen  de 
lunet  die  als  bruggenhoofd  dienst  deed;  de  batterijen  bij  dien 
aanval  richtten  tevens  haar  vuur  op  het  halve  bastion  van  den 
Ravesteinschen  aanval  en  op  de  voorliggende  werken.  Door  dat 
vuur,  en  door  het  vuur  van  een  batterij  van  7  vuurmonden,  op 
den  linker  Maasoever  tusschen  den  Ravesteinschen  dijk  en  de 
rivier  aangelegd  —  die  haar  vuur  tevens  op  het  halve  bastion 
richtte  — ,  gingen  de  loopgraven  van  Hundebeek  snel  vooruit,  en 
reeds  op  den  2en  Augustus  moeten  zij  de  voorgracht  tot  op  een 
pistoolschot  afstands  genaderd  zijn.  Chamilly  —  wordt  gezegd  — 
was  bijzonder  beducht,  dat  de  aanvaller  tot  aan  die  voorgracht 
zou  doordringen,  omdat  die  aanvaller  dan,  den  dijk  doorste- 
kende, het  water,  zoo  van  de  voorgracht  als  van  de  hoofd- 
grachten die  daarmede  in  verband  stonden,  in  de  Maas  kon  doen 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   GRAVE.  I23 

afloopen,  en  de  verdediging  der  vesting  dan  >geen  veertien 
dagen"  meer  kon  worden  voortgezet. 

Die  bewering  is  —  wij  gelooven  met  reden  —  tegengesproken. 
Beaurain  reeds  maakt  de  aanmerking,  dat,  wanneer  die  inrich- 
ting van  de  grachten  werkelijk  zóó  is  geweest,  men  zich  dan 
moet  verwonderen,  dat  door  den  verdediger  geen  ander  middel 
was  aangewend  om  het  water  in  de  voorgracht  op  te  houden. 
Neemt  men  in  aanmerking  de  groote  bekwaamheid  des  verdedi- 
gers en  den  geruimen  tijd  waarover  hij  kon  beschikken  om  zijn 
vesting  in  goed  weerbaren  toestand  te  brengen,  dan  zou  zulk 
een  verzuim  inderdaad  bevreemdend  zijn.  Daarom  ook  oordeelt 
de  schrijver  der  reeds  vroeger  aangehaalde  >  Memorie  van  ver- 
dediging van  Grave":  dat  die  vrees  voor  het  droogloopen  van 
de  grachten  niet  heeft  bestaan  of  denkbeeldig  is  geweest.  Want 
—  zegt  die  schrijver  —  was  er  mogelijkheid  om  de  grachten  te 
doen  droogloopen,  dan  kon  de  belegeraar  dit  op  andere  wijze 
verrichten,  door  verschillende  kolken  en  slooten,  die  met  de 
voorgracht  in  verbinding  stonden,  te  verlengen  tot  aan  de  Maas; 
of  wel,  door  het  riviertje  de  Raam  af  te  tappen,  dat  met  de 
grachten  in  verbinding  was.  Bovendien  —  vervolgt  hij  —  het 
blijkt  nergens  dat  de  belegeraar  later,  toen  hij  de  dijken  in  bezit 
had,  eenige  poging  heeft  gedaan  om  op  die  wijze  het  water  uit 
de  grachten  af  te  leiden.  (Nieuwe  Spectator,  i*  jaargang,  blz. 
238).  —  Wij  gelooven  dat  die  redenen  gegrond  zijn,  en  dat 
men  dus  mét  den  schrijver  dier  memorie  kan  aannemen :  dat  de 
wapenplaatsen,  door  Chamilly  op  de  dijken  vóór  de  voorgrachlen 
aangelegd^  niet  tot  doel  hebben  gehad  het  doorsteken  van  de 
dijken  te  verhinderen,  maar  wél  de  aanvallende  bewegingen  der 
bezettingen  gemakkelijker  te  maken. 

Chamilly  ging  intusschen  den  aanval  aan  de  Ravesteinsche 
zijde  op  de  krachtdadigste  wijze  te  keer.  Eiken  avond  deed  hij 
aan  die  zijde  8  stukken  geschut  op  het  glacis  komen  en  die  ge- 
durende den  ganschen  nacht  onafgebroken  vuren  op  de  nader- 
nissen van  de  Hollanders;  —  alweer  eene  handeling,  die  goed 
aanwendbaar  was,  omdat  men  zulk  een  overvloed  van  munitie 
had,  maar  die  tevens  schijnt  aan  te  toonen,  dat  Chamilly  nogal 
beweegbare  artillerie  had,  iets  wat  wij  zeer  wenschelijk  achten 
in  iedere  vesting.  Naar  onze  inzichten  zal  een  sterke  veldartillerie 
groot  voordeel  aanbrengen  bij  de  verdediging  van  eene  vesting; 
de  artillerie  des  verdedigers  moet  niet  als  vastgenageld  zijn  aan 
dezelfde  plaats,  om  d^r  door  'svijands  artillerie  kleingeschoten 
te  worden ;  maar  men  moet  haar  kunnen  wegnemen  zoodra  zij  te 
veel  lijdt  van  het  vuur  des  belegeraars,  en  spoedig,  bijna  oogen- 
blikkelijk  kunnen  overbrengen  naar  die  gedeelten  der  vesting, 
waar  zij  eene  voordeelige -werking  heeft. 

Aan  de  andere  zijde  van  de  voorgracht  waren  vroeger  uitgra- 


Digitized  by 


Google 


124  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

vingen  gemaakt,  om  aarde  te  verkrijgen  voor  andere  werken; 
de  verdediger  trok  nu  partij  van  die  uitgravingen,  om  daar 
's  nachts  een  30  a  40  infanteristen  te  plaatsen,  wier  hevig  vuur, 
in  verband  met  dat  der  artillerie,  den  aanvaller  gevoelige  ver- 
liezen toebracht. 

Aan  de  zijde  van  Kuyck  was  door  Golstein  een  derde  aanval 
begonnen ;  dddr  had  de  verdediging  bijna  op  dezelfde  wijze  plaats 
als  aan  de  zijde  van  Ravestein.  Behalve  de  bezetting  van  het 
bruggenhoofd,  was  Chamilly's  macht  nu,  bij  de  beide  aanvallen, 
aldus  verdeeld :  De  Beton  verrichtte  de  verdediging  aan  de 
boven- Maas,  met  de  regimenten  van  Vendóme,  Dampierre  en 
Languedoc;  Saint-Just  was  aan  de  beneden-Maas  met  de  regi- 
menten van  Normandië  en  Bourgogne ;  tegen  eiken  aanval  werden 
drie  bataljons  gebezigd,  waarvan  beurtelings  één  belast  was  met 
de  verdediging;  de  overige  kampeerden  in  den  bedekten  weg. 

De  stad  was  door  het  hevige  en  onverpoosde  vuur  van  de 
batterijen  des  belegeraars  bijna  in  puin  geschoten;  de  vesting- 
werken  daarentegen  leden  niet  veel.  Oppervlakkig  beschouwd, 
zou  men  zeggen,  had  de  aanvaller  juist  het  omgekeerde  moeten 
doen:  de  stad  sparen,  en  de  vesting  werken  vernielen.  Maar  dat 
vernielen  van  de  vestingwerken  was,  door  de  goede  inrichting 
der  batterijen  van  den  belegerde  en  door  de  weinige  volmaakt- 
heid der  artillerie  van  den  aanvaller,  zoo  goed  als  onuitvoerbaar; 
en  het  vernielen  van  de  stad,  —  wél  uitvoerbaar  — ,  was  geen 
nuttelooze  wreedheid ;  want  daardoor  ontnam  men  den  vijand 
de  gebouwen,  waarin  hij  zijn  voorraad  kon  bergen  of  zijne 
troepen  verplegen ;  en  wanneer  Chamilly  minder  beleidvolle  maat- 
regelen had  genomen,  en  zijne  troepen  minder  geestkracht  had- 
den betoond,  dan  lijdt  het  geen  twijfel,  of  die  verwoesting  van 
Grave  zou  het  oogenblik  van  de  overgave  even  zeker  hebben 
verhaast,  als  dit  in  1833  ^^'  geval  was  bij  de  overgave  van  de 
Citadel  van  Antwerpen,  door  de  vernieling  van  de  daarin  aan- 
wezige gebouwen.  Een  bombardement  is  een  wreed,  barbaarsch 
middel,  maar  een  middel  dat  sonis  afdoende  is,  vooral  bij  ves- 
tingen van  kleinen  omvang. 

Wij  zullen  ons  hier  niet  ophouden  met  alle  batterijen  te  ver- 
melden, door  den  belegeraar  aangelegd,  of  de  uitwerking  van 
die  batterijen  te  beschrijven,  of  te  zeggen,  hoe  de  belegerde  die 
batterijen  poogde  te  vernielen,  of  gedurig  door  kleine  uitvallen 
den  aanvaller  verliezen  toebracht  en  zijn  arbeid  vertraagde;  — 
behalve  dat  de  opgaven  omtrent  dit  een  en  ander  bij  de  ver- 
schillende schrijvers  te  duister  en  te  onbepaald  zijn,  zoo  zou  dit 
ook  doen  vervallen  in  eene  uitvoerigheid,  die  vermeden  moet 
worden  bij  dit  zoo  dikwijls  beschreven  beleg. 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   GRAVE.  I25 

Alleen  zij  dus  vermeld,  dat  in  den  nacht  van  14 — 15  Augustus 
aan  de  zijde  van  Ravestein  een  groote  uitval  werd  gedaan  door 
een  300  man  infanterie,  ondersteund  door  de  ruiterij,  die  bij  de 
Hampoort  uitviel.  Volgens  de  Fransche  opgaven  had  die  uitval 
de  gunstigste  gevolgen,  bleven  de  troepen  van  Chamilly  eenige 
uren  meester  van  de  aanvalswerken,  verloren  zij  slechts  zeer  wei- 
nigen, deden  den  vijand  een  honderd  man  verliezen  aan  dooden 
en  gewonden,  vernagelden  eenige  stukken  geschut  of  wierpen  die 
in  het  water,  en  lieten  door  500  werkers,  welke  den  uitval  waren 
gevolgd,  de  loopgraven  vernielen  tot  aan  de  eerste  batterij,  en 
den  dijk  gedeeltelijk  slechten.  Bij  dien  uitval  verloor  Dupas,  de 
ongelukkige  bevelhebber  van  Naarden,  op  eene  roemvolle  wijze 
het  leven. 

Er  is  denkelijk  wel  weer  overdrijving  in  die  Fransche  opgaven. 
Onze  schrijvers  erkennen,  dat  de  Hollandsche  troepen,  verrast 
door  den  aanval  en  weinig  strijdvaardig  door  den  sterken  regen, 
'  in  het  eerst  teruggingen ;  maar  dat  spoedig  daarop  de  kolonel 
Lutzow,  ter  ondersteuning  oprukkende,  de  belegerden  weer  ver- 
dreef en  vervolgde  »tot  aan  de  poorten  der  vesting".  —  Dat 
laatste  zal  ook  wel  weer  niet  letterlijk  moeten  worden  opge- 
nomen. —  De  sterke  regen  moet  toentertijd  den  belegeraar 
groote  moeilijkheden  hebben  veroorzaakt;  de  loopgraven,  vol 
modder  en  slijk  staande,  moesten  begaanbaar  worden  gemaakt 
door  middel  van  beddingen. 

Gaandeweg  had  Rabenhaupt's  leger  versterking  gekregen ;  vol- 
gens Sylvius  had  het  midden  Augustus  de  volgende  samenstelling. 

Aan  ruiterij  had  men  daarbij,  de  regimenten  van  Schwartsen- 
burg,  Amama,  Wittgenstein,  Burum,  2  compagnieën  van  dat  van 
Wrangel,  2  compagnieën  uit  Groningen,  6  compagnieën  Span- 
jaarden, en  12  compagnieën  Brandenburgers. 

Aan  voetvolk  had  men  het  regiment  van  Rabenhaupt  van 
12  compagnieën,  dat  van  'Golstein  ook  van  12,  Beaumont  12, 
Nieulant  12,  Dutil  6.  Klooster  12,  Uilenburg  11,  Lutzow  22, 
Lange  n,  Hoorn  6,  Verken  5,  Hundebeek  11,  Stek  6,  Wagen- 
heim  12,  Wijnbergen  9,  het  regiment  van  Hendrik  Casimir  10, 
de  Koerlanders  12,  Holstein-Plön  5,  het  regiment  van  graaf  Frits 
van  Nassau  12;  bovendien  nog  2  compagnieën  uit  Bommel,  en 
2  uit  Sint-Andries :  alles  te  zamen  192  compagnieën  infanterie. 

Wij  merken  op  die  opgave  aan :  dat  ook  bij  de  indeeling  van 
het  leger  van  Willem  III,  kort  vóór  den  slag  van  Séneffe,  voorkomt 
een  regiment  ruiterij  van  Wittgenstein,  en  een  regiment  infanterie  van 
Holstein;  indien  dus  die  regimenten  niet  dubbel  zijn  geweest,  moet 
er  eene  vergissing  zijn  in  de  eene,  of  de  andere  dier  opgaven.  — 
Beaurain  stelt  de  geheele  sterkte  van  Rabenhaupt's  leger  toen  op 
een  16000  man;  —  eene  begrooting  die  nog  al  waarschijnlijk  is. 


Digitized  by 


Google 


126  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Chamilly,  niet  tevreden  met  zijn  vesting  te  betwisten  aan  dat 
leger,  moet  toentertijd,  —  volgens  de  Fransche  verhalen  — ,  het 
ontwerp  gesmeed  hebben  om  zelf  zich  door  verrassing  meester 
te  maken  van  het  sterke  's  Hertogenbosch.  De  Fransche  bevel- 
hebber, —  zeggen  die  verhalen  —  wist,  dat  het  grootste  gedeelte 
der  bezetting  van  Den  Bosch  met  den  bevelhebber  van  die 
vesting,  den  kolonel  Kirkpatrick,  voor  Grave  stond,  en  in  eerst- 
genoemde plaats  slechts  een  zeer  geringe  troepenmacht  was 
achtergebleven;  hij  wist  dat  de  veiligheidsdienst  door  die  bezet- 
ting van  Den  Bosch  op  een  zeer  nalatige  wijze  werd  verricht, 
en  dat  de  burgerij  weinig  gezind  was  om  bij  eene  verschijning 
van  den  vijand  de  bezetting  bijstand  te  bieden. 

Op  dit  alles,  —  dat  Chamilly  was  te  weten  gekomen  door 
een  officier  van  de  HoUandsche  bezetting,  die  vroeger  in  Mun- 
sterschen  krijgsdienst  was  geweest,  en  daar  Chamilly  had  ge- 
kend — ,  bouwde  deze  het  ontwerp  eener  verrassing:  zij  zou 
ondernomen  worden  door  eene  afdeeling  van  5  k  600  man,  zoo 
voetvolk  als  ruiterij,  die  in  stilte  Grave  zou  verlaten  in  den 
nacht  van  15  op  16  Augustus,  en  nog  vóór  den  dag  zich  zou 
meester  maken  van  de  slecht  bewaakte  Hinthamerpoort  te  's  Her- 
togenbosch. Die  afdeeling  achtte  men  sterk  genoeg  om  de  ver- 
rassing te  verrichten;  en  om  later  Den  Bosch  tegen  de  Hollan- 
ders te  verdedigen,  rekende  men  er  op,  dat  van  Condé's  leger 
wel  versterking  daarheen  zou  worden  gezonden. 

Ongelukkig  kreeg  Chamilly  juist  op  den  avond  van  den 
15611  Augustus  het  bericht  dat  eene  ruiterafdeeling,  uit  Maastricht 
opgerukt,  Grave  naderde,  om  de  daar  aanwezige  gijzelaars  over 
te  brengen  naar  eerstgenoemde  vesting;  dit  noodzaakte  den 
Franschen  bevelhebber  af  te  zien  van  die  onderneming  op  Den 
Bosch,  daar  hij  zijne  bezetting  gereed  moest  houden  om  die 
ruiterafdeeling  uit  Maastricht  te  ondersteunen,  en  te  recht  be- 
greep, dat  juist  de  nadering  van  die  ruiterij  den  vijand  opmerk- 
zaam zou  maken  op  het  gevaar  dat  Den  Bosch  bedreigde,  en 
dat  daardoor  eene  latere  poging  tot  verrassing  onraadzaam  zou 
worden. 

Ziedaar  wat  de  Fransche  schrijvers  zeggen  over  dien  aanslag 
op  Den  Bosch  en  wat  tot  dusver  maar  gaaf  als  waarheid  is 
aangenomen.  Wanneer  wij  dat  niet  doen,  dan  is  dit  niet  uit 
zucht  om  anders  te  oordeelen  dan  het  algemeen,  om  iets  nieuws 
te  zeggen;  maar  het  is,  omdat  dit  ontwerp  van  het  verrassen 
van  Den  Bosch  ons  zoo  onwaarschijnlijk  en  ongeloofelijk  voor- 
komt, dat  wij  niet  kunnen  aannemen  dat  het  in  ernst  heeft  bestaan. 

Wij  willen  toestemmen,  dat  Chamilly  door  het  niet  geheel 
insluiten  van  Grave,  in  de  mogelijkheid  was  om  een  gedeelte 
zijner  bezetting  naar  Den  Bosch  te  doen  marcheeren;  wij  willen 


Digitized  by 


Google 


BELEG  VAN  GRAVE.  127 

toestemmen,  dat,  wegens  de  slechte  maatregelen  van  den  be- 
legeraar, die  marsch  in  stilte  en  onbemerkt  had  kunnen  plaats 
hebben ;  wij  willen  toestemmen,  dat  de  verrassing  van  Den  Bosch 
mogelijk  is  geweest,  veel  kansen  had  van  te  zullen  gelukken; 
maar  meer  stemmen  wij  ook  niet  toe;  —  en  als  de  Fransche 
schrijvers  zeggen,  dat  indien  die  verrassing  al  eens  mislukte,  de 
uitgezonden  afdeeling  toch  weer  ongehinderd  binnen  Grave  zou 
kunnen  terugkeeren,  dan  antwoorden  wij  daarop :  dat  het  dwaas- 
heid zou  geweest  zijn  om  op  zoo  iets  te  rekenen,  en  dat  men 
bij  zulk  eene  mislukking  die  afdeeling  verloren  moest  achten. 
Was  het  nu  zaak,  terwijl  men  eene  vesting  had  te  verdedigen 
die  zoo  krachtdadig  werd  aangevallen,  zich  bloot  te  stellen  aan 
het  gevaar  van  5  k  600  man  der  bezetting  te  verliezen,  op  de 
onzekere  kans  van  eene  andere  vijandelijke  vesting  te  verrassen, 
die  men  toch  niet  .zou  kunnen  behouden?  Want  ddt  was  wel  te 
voorzien,  dat,  indien  's  Hertogenbosch  door  de  Franschen  ver- 
rast werd,  aan  de  Hollandsche  zijde  alle  pogingen  zouden  wor- 
den in  het  werk  gesteld  om  het  te  hernemen,  en  dat  men  met 
een  5  k  600  man  bezetting  niet  kon  denken  aan  eene  ernstige 
verdediging  van  die  vesting. 

Maar  Chamilly  vertrouwde  er  op,  dat  Condé  in  dat  geval 
versterking  zou  zenden  naar  Den  Bosch;  —  Chamilly,  —  ant- 
woorden wij  —  moet  genoeg  bekend  zijn  geweest  met  den  toen- 
maligen  toestand  van  zaken  in  de  Spaansche  Nederlanden  om 
te  weten,  dat  het  hoofdleger  der  Franschen  toen  niets  kon  doen 
om  versterking  te  zenden  naar  het  verraste  's  Hertogenbosch. 
Maar  bovendien,  wat  een  tegenstrijdigheid:  vriiwillig  hadden  de 
Franschen  een  aantal  vestingen  verlaten  in  de  Noordelijke  Neder- 
landen, om  hunne  macht  samen  te  trekken  in  Grave  en  Maas- 
tricht; en  nu  zouden  zij  die  macht  weer  verdeelen,  om  weer 
eene  vesting  meester  te  worden ;  zulk  eene  handeling  kon  moeilijk 
opkomen  in  een  verstandig  hoofd!  Dan  was  het  immers  veel 
eenvoudiger,  en  veel  gemakkelijker  geweest  om  bij  voorbeeld 
Nijmegen  of  Schenkenschans  in  bezit  te  blijven  houden,  en  van 
den  beginne  af  aan  dddr  een  gedeelte  van  de  macht  te  laten  die 
toen  in  Grave  of  Maastricht  was. 

Het  kan  zijn,  dat  Chamilly  verstandhouding  heeft  gehad  in 
Den  Bosch;  het  kan  zijn  dat  er  kans  heeft  bestaan  om  die 
slecht  bezette  en  slecht  bewaakte  vesting  te  verrassen;  —  maar 
dat  Chamilly  daar  ernstig  naar  heeft  gestreefd,  en  dat  de  uit- 
voering van  die  verrassing  alleen  verhinderd  is  geworden  door 
eene  toevallige  omstandigheid,  —  dit  kunnen  wij  niet  gelooven, 
dit  is  in  ons  oog  eene  onware  bewering.  Wij  zien  daarin  weer 
de  uitwerking  van  die  gewone  zucht  der  Fransche  schrijvers  om 
de  groote  daden  hunner  landgenooten  door  overdrijving  nóg 
grooter  en   bijna  wonderdadig  te  maken.  Het  klinkt  zeer  goed, 


Digitized  by 


Google 


128  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

het  maakt  indruk,  als  men  zegt :  de  verdediging  der  vesting  werd 
met  zooveel  geestkracht  gevoerd,  dat  de  aangevallen  bezetting, 
te  midden  van  het  beleg,  bijna  eene  groote  vesting  van  den 
vijand  had  vermeesterd ;  —  maar  zoo  iets  kan  den  toets  van 
het  onderzoek  niet  doorstaan;  zoo  iets  is  onwaar;  zoo  iets  is 
ook  onnoodig,  want  ook  zonder  dat  is  de  roem  van  Chamilly 
groot  genoeg. 

De  gebeurtenis  die  volgens  de  Fransche  opgaven  de  verrassing 
van  Den  Bosch  verhinderde,  kan  er  tevens  toe  bijdragen,  ons 
een  ongunstig  denkbeeld  te  geven  van  Rabenhaupt's  bekwaam- 
heid. In  Grave  waren  eenige  gijzelaars,  uit  verschillende  Hol- 
landsche  steden  meegenomen,  om  ten  waarborg  te  strekken  voor 
de  betaling  eener  oorlogsbelasting  van  800000  livres,  opgelegd 
door  de  Fransche  bevelhebbers  bij  hun  vertrek  uit  die  steden. 
De  bevrijding  dier  gijzelaars  zou  de  Hollandsche  steden  ont- 
lasten van  de  betaling  dier  som,  en  daarom  waren  de  Fransche 
bevelhebbers  er  op  bedacht  om  die  gijzelaars  uit  het  bedreigde 
Grave  te  verwijderen  en  over  te  brengen  naar  Maastricht.  Chamilly 
had  aan  Louvois  voorgesteld  om  tot  dat  einde  eene  afdeeling 
ruiterij  van  Maastricht  naar  Grave  af  te  zenden;  de  Fransche 
minister  had  dit  voorstel  goedgekeurd;  en  ten  gevolge  daarvan 
was  de  brigadier  De  Melin  met  600  ruiters  uit  Maastricht  opge- 
rukt, en  kreeg  Chamilly  op  den  avond  van  den  1560  Augustus 
bericht,  dat  die  ruiterij  genaderd  was  tot  op  weinige  uren  van 
Grave,  en  den  volgenden  ochtend  die  vesting  kon  bereiken. 

Het  kwam  er  nu  op  aan,  te  beletten  dat  het  Hollandsche 
leger  die  zwakke  ruiterafdeeling  den  weg  tot  de  stad  afsloot,  of 
haar,  was  zij  tot  daar  doorgedrongen,  het  terugkeeren  verhin- 
derde. De  Melin.  van  de  zijde  van  Den  Bosch  naderende,  met 
de  moerassen  van  de  Peel  aan  zijn  rechterhand,  oordeelde  het 
te  gevaarlijk  om  tot  Grave  voort  te  rukken,  daar  het  grootste 
gedeelte  van  de  Hollandsche  ruiterij  gelegerd  was  aan  het  hoo- 
gere gedeelte  der  Maas,  ten  zuiden  van  Grave;  hij  hield  dus 
halt,  Chamilly  kennis  gevende  van  zijne  aarzeling.  Die  bevel- 
hebber wachtte  vol  ongeduld  op  de  komst  dier  ruiterij,  die  naar 
zijne  berekening  reeds  met  het  aanbreken  van  den  dag  te  Grave 
had  kunnen  zijn ;  het  was  toen  al  9  uur,  en  met  ieder  oogenblik 
vermeerderde  het  gevaar,  dat  Rabenhaupt  de  ruiterij  van  Melin 
zou  aanvallen;  Chamilly  zond  daarom  bevel  aan  Melin  om 
onverwijld  vooruit  te  rukken  tot  aan  de  gerichtsplaats,  op  den 
weg  van  Den  Bosch,  slechts  een  musketschot  afstands  verwijderd 
van  de  vesting.  Alle  maatregelen  werden  genomen  om  de  nade- 
rende ruiterbende  te  beschermen.  Het  grootste  gedeelte  van  de 
bezetting  trok  met  slaande  trom  en  vliegende  vaandels  de  Brug- 
poort  uit,   en   kwam  in  slagorde  op  het  glacis,  alsof  men  voor- 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   GRAVË.  I29 

nemens  was,  dddr  aan  te  vallen  op  de  belegeraars;  de  6  com- 
pagnieën ruiterij  van  Saint-Louis  trokken  naar  het  begin  van 
den  dijk,  dien  de  belegeraar  dwars  door  de  Raam  en  het  moe- 
rassig terrein  had  aangelegd,  en  hielden  daardoor  de  Hollandsche 
ruiterij  in  bedwang,  die  zich  gereed  maakte  om  over  dien  dijk 
De  Melin  te  gemoet  te  gaan;  en  Chamilly  zelf,  aan  het  hoofd 
der  3  compagnieën  ruiterij  van  Carcado,  ging  tot  de  gerichts- 
plaats  vooruit,  gaf  daar  de  gijzelaars  over  aan  De  Melin,  ontving 
van  dezen  eene  aanmerkelijke  somme  gclds  voor  de  soldij  der 
bezetting,  en  bleef  toen  nog  eenige  uren  in  slagorde  buiten  de 
vesting,  daardoor  de  Hollandsche  troepen  in  bedwang  houdende 
en  De  Melin  gelegenheid  gevende  om  ongehinderd  weer  weg  te 
trekken.  Behalve  eene  korte  maar  vruchtelooze  vervolging  door 
de  ruiterij  van  Spaan  werd  aan  de  Hollandsche  zijde  hoegenaamd 
niets  gedaan  om  die  handeling  van  den  vijand  te  beletten,  en 
de  gijzelaars  werden  zonder  moeite  binnen  Maastricht  gebracht. 
Die  gebeurtenis  is  weinig  eervol  voor  de  belegeraars,  vooral 
voor  Rabenhaupt:  niets  te  vernemen  van  de  nadering  van  die 
vijandelijke  ruitermacht,  geen  poging  te  doen  om  haar  tegen  te 
houden,  aan  te  vallen,  en  te  verslaan,  haar  ongehinderd  tot  de 
vesting  te  laten  doordringen,  haar  ongehinderd  te  laten  weg- 
trekken, zich  door  de  bezetting  van  Grave,  zooveel  minder  sterk 
dan  het  Hollandsche  leger,  in  bedwang  te  laten  houden  en  vrees 
te  doen  aanjagen,  —  dit  bewijst  een  gebrek  aan  waakzaamheid, 
een  gemis  aan  beleid,  eene  traagheid,  eene  zwakheid,  die  ten 
zeerste  zijn  te  veroordeelen ;  en  waarlijk,  wanneer  bij  deze  be- 
legering van  Grave  de  dapperheid  der  troepen  meestal  hoogen 
lof  verdient,  zoo  kan  men  hetzelfde  niet  zeggen  van  het  beleid 
des  veldheers;  wil  men  Rabenhaupt's  roem  vermelden,  dan  moet 
men  hem  den  verdediger  van  Groningen  maar  niet  den  aanvaller 
van  Grave  noemen.  De  handelingen  van  dat  legerhoofd  moeten 
dan  ook  het  rechtmatig  misnoegen  van  Willem  III  en  van  de 
Staten  hebben  opgewekt,  en  den  geest  van  het  algemeen  zeer 
tegen  hem  hebben  ingenomen;  men  kan  dit  onder  andere  op- 
maken uit  eene  plaats  in  Sylvius,  waar  gezegd  wordt:  iden 
2osten  Augustus,"  —  dit  is  een  vergissing;  het  moet  zijn,  den 
lóen  — ,  1  hebben  de  Franschen  twee  wagens  met  ostagiers,  met 
een  groote  behendigheid  uit  De  Graaf  naar  Maastricht  gevoerd, 
hetwelk  bij  sommigen  veel  ombragie  heeft  gegeven." 

Door  dat  wegvoeren  van  de  gijzelaars  schijnt  men  aan  de 
Hollandsche  zijde  intusschen  de  overtuiging  te  hebben  gekregen, 
dat  het  toch  goed  is  om  eene  vesting  die  men  belegert  in  te 
sluiten;  en  men  gaat  daartoe  over.  Eene  soort  van  circumvallatie- 
linie  wordt  aangelegd,  die  den  aanval  aan  de  zijde  van  Rave- 
stein   verbindt  met  dien   aan  de  zijde  van  Kuyck;  de  rivier  de 

WILLEM  iii.  —  II.  Q 


Digitized  by 


Google 


130  KRIJG3-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Raam,  die  men  door  eene  andere  bedding  beneden  Grave  in  de 
Maas  deed  uitloopen,  diende  die  linie  tot  gracht.  Dat  afleiden 
van  de  Raam  is  door  de  Fransche  schrijvers  hoogelijk  geprezen, 
en  genoemd:  teen  arbeid^  den  Romeinen  waard".  Het  was  een 
moeilijke,  grootsche  arbeid;  en  in  zoover  kan  men  hem  verge- 
lijken met  de  werken  der  Romeinen;  maar  de  werken  der 
Romeinen  waren  meestal  ook  nuttig;  was  het  afleiden  van  de 
Raam  dit  ook?  —  Wij  gelooven  van  niet;  wij  deelen  ten  volle 
de  meening  van  den  reeds  meermalen  aangehaalden  schrijver 
der  «Memorie  van  verdediging  van  Grave",  die  in  die  afleiding 
van  de  Raam  eene  geheel  onnoodige  krachts verspil! ing  ziet.  Welk 
nut  —  zegt  hij  —  kon  die  arbeid  verschafi'enf  Was  het  alleen 
te  doen  om  de  Raam  af  te  leiden,  dat  kon  korter  geschieden 
door  dat  riviertje  niet  beneden-,  maar  bovenwaarts  van  Grave 
in  de  Maas  te  doen  uitstorten;  en  om  de  circumvallatie-lijn  te 
versterken  was  het  overbodig ;  want  ontzet  was  niet  te  wachten ; 
en  dan  had  men  ook  op  den  rechteroever  van  de  Maas  die  ver- 
sterkingsmiddelen  moeten  aanwenden,  en  dat  deed  men  niet. 

De  aanvalswerkzaaraheden  werden  nu  op  den  rechteroever 
met  de  meeste  kracht  voortgezet,  en  de  brug  door  de  batterijen 
der  Hollanders  vernield;  de  gemeenschap  van  de  bezetting  van 
het  bruggenhoofd  met  de  stad  had  toen  plaats  door  middel  van 
schuiten.  Ook  hier  deed  de  verdediger  herhaaldelijk  kleine  uit- 
vallen om  den  voortgang  van  den  aanval  te  vertragen.  Eene 
batterij  van  vier  24-ponders  van  den  aanvaller  maakte  ein- 
delijk bres  in  het  bruggenhoofd;  en  hoezeer  dit  werk  voorzien 
was  van  eene  binnenverschansing,  oordeelde  de  verdediger  het 
echter  niet  raadzaam  om  in  die  laatste  wijkplaats  een  storm 
af  te  wachten,  maar  ontruimde  het  bruggenhoofd  den  isten  Sep- 
tember. 

Bij  de  Fransche  schrijvers  wordt  gewag  gemaakt  van  een 
bijzonder  verdedigingsmiddel,  van  een  zoogenaamde  drijvende 
schans  {redoute  flottante\  gevormd  door  het  verbinden  van  twee 
vaartuigen.  Die  schans,  aan  een  lang  kabeltouw  vastgemaakt,  liet 
men  dan  bij  donkeren  nacht  de  Maas  afzakken  naar  de  zijde 
van  Ravestein;  een  paar  honderd  man  infanterie,  op  die  vaar- 
tuigen geplaatst,  openden  dan  plotseling  en  van  nabij  een  hevig 
geweervuur  op  de  loopgraven  des  belegeraars,  wat,  in  verband 
met  een  gelijktijdigen  uitval,  den  vijand  veel  verlies  veroorzaakte ; 
door  middel  van  den  kabel  werd  de  schans  daarna  weer  voor 
Grave  gebracht.  De  Fransche  schrijvers  zeggen,  dat  dit  middel 
slechts  tweemaal  werd  aangewend,  en  dat  de  schans  toen  in  den 
grond  werd  geschoten  door  het  geschutvuur  des  vijands;  — 
onze   schrijvers   zwijgen   geheel  en  al  over  die  drijvende  schans, 


Digitized  by 


Google 


BELEG  VAN  GRAVE.  I3I 

zoodat  de  geheele  zaak  twijfelachtig  is.  De  aanwending  van  dit 
verdedigingsmiddel  zoude  ten  minste  vóór  den  isten  September 
plaats  gehad  moeten  hebben,  dat  is:  vóór  de  bemacbtiging  van 
het  bruggenhoofd  door  de  Hollanders. 

Terwijl  de  aanvaller  dus  op  den  rechteroever  van  de  Maas 
vorderingen  maakte,  deed  Chamilly  den  vijand  op  den  linker- 
oever afbreuk  door  krachtige  uitvallen.  De  parallel  aaa  de  zijde 
van  Den  Bosch,  aanvankelijk  sterk  bezet,  was  later  met  minder 
troepen  voorzien,  die  ook  vaak  de  noodige  waakzaamheid  niet  in 
acht  namen,  Chamilly,  daarvan  onderricht,  doet,  zonder  dat  de 
bezetting  van  iets  weet,  op  den  middag  van  den  josten  Augustus 
de  geheele  ruiterij  onder  de  wapens  komen  en  een  honderdtal 
uitgelezen  infanteristen  achter  een  gelijk  aantal  ruiters  te  paard 
stijgen.  Die  macht  trekt  de  Hampoort  uit,  en  stort  zich  in  vollen 
ren  op  de  parallel  van  den  aanvaller;  dddr  gekomen  springen 
de  honderd  infanteristen  van  de  paarden  en  beklimmen  de  borst- 
wering der  loopgraaf,  terwijl  de  ruiterij  daaromheen  rijdt,  om 
den  terugtrekkenden  vijand  neer  te  sabelen.  Die  aanval  gelukt 
volkomen:  de  drie  compagnieën  van  Rademaker,  Van  Campen 
en  Uiterwijk,  die  zich  dddr  in  de  parallel  bevinden,  verrast  door 
dien  plotselingen  aanval,  zijn  niet  in  staat  weerstand  te  bieden 
en  gaan  grootendeels  verloren;  Van  Campen  en  Uiterwijk  wor- 
den doodelijk  gewond,  en  volgens  Beaurain  moeten  hier  de  Hol- 
landers een  200  man  verloren  hebben;  eene  opgave,  die  niet 
zeer  overdreven  schijnt,  wanneer  men  opmerkt  dat  —  volgens 
Sylvius  —  de  Franschen  een  70  gevangenen  meevoerden  naar 
Grave,  en  dat  van  eene  der  Hollandsche  compagnieën  maar  10, 
van  eene  andere  maar  9  man  overbleven. 

Bij  den  Ravesteinschen  aanval  was  men  er  eindelijk  toe  ge- 
komen om  er  zich  niet  toe  te  bepalen,  de  loopgraven  tusschen 
den  dijk  en  de  rivier  te  maken;  den  26sten  Augustus  maakte 
men,  op  een  honderd  pas  afstands  van  de  voorgracht  der  ves- 
ting, een  doorgraving  in  den  dijk  en  breidde  toen  de  parallel 
uit  naar  de  zijde  van  den  weg  van  's  Hertogenbosch.  Vorderingen 
maakte  de  aanval  daar  echter  niet ;  evemin  als  de  aanval  aan  de 
zijde  van  Kuyck;  in  het  begin  van  September,  meer  dan  een 
maand  na  het  openen  van  de  loopgraven,  had  men,  behalve  de 
bemachtiging  van  het  bruggenhoofd,  nog  geen  wezenlijk  voordeel 
behaald  op  de  aangevallen  vesting. 

Toch  behoorden  er  al  de  geestkracht  en  het  beleid  van  den 
verdediger  toe  om  de  ontmoediging  tegen  te  gaan,  teweegge- 
bracht door  de  vernieling  die  het  geschutvuur  van  den  aanvaller 
in  Grave  aanrichtte.  Die  stad  was  nagenoeg  in  puin;  mét  de 
zieken   en  gewonden  had   de   burgerij   de   wijk  genomen  in  de 


Digitized  by 


Google 


132  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

kelders,  en  hield  zich  daar  op  last  van  Chamilly  onledig  met 
door  middel  van  handmolens  het  graan  te  malen  voor  de  be- 
zetting; van  koren  was  men  rijkelijk  voorzien,  en  daarom  deed 
Chamilly  het  rantsoen  brood  verdubbelen,  eene  maatregel  te 
meer  noodzakelijk,  omdat  het  vleesch  schaarsch  begon  te  worden. 
In  het  begin  van  September  waren  er  nog  maar  eenige  weinige 
koeien  voorhanden,  die  men  bespaarde  voor  de  zieken  en  ge- 
wonden; «toen  werd  er  paardevleesch  gegeven  aan  de  bezetting, 
en  ging  Chamilly  zelf  zijn  soldaten  voor  in  het  gebruiken  van 
dit  ongewone  voedsel.  De  ontberingen  en  vermoeienissen  van 
het  beleg  begonnen  ontmoediging  te  doen  ontstaan  onder  de 
bezetting;  en  er  hadden  herhaaldelijk  desertiën  plaats,  waartoe 
de  belegeraar  op  alle  mogelijke  wijzen  aanspoorde. 

Om  die  ontmoediging  tegen  te  gaan,  om  de  geestdrift  zi)ner 
soldaten  op  te  wekken,  daartoe  was  een  man  als  Chamilly  noo- 
dig;  en  vooral  in  ddt  opzicht  verdient  de  Fransche  held  eene 
onbegrensde  bewondering.  De  verschillende  schrijvers  over  dit 
beleg  van  Grave  hebben  uitvoerig  de  middelen  opgenoemd,  door 
den  bevelhebber  aangewend  om  zijne  troepen  te  doen  volharden 
in  de  taak  die  zij  zoo  roemrijk  hadden  begonnen.  Het  is  onnoodig 
om  die  middelen  hier  te  herhalen;  in  zulk  een  toestand  hangt 
alles  af  van  het  karakter  des  aanvoerders:  waar  deze  in  alle 
vermoeienissen  en  ontberingen  zijner  soldaten  deelt,  waar  hij 
altijd  vooraan  is  in  strijd  en  gevaar,  waar  hij  in  de  hachelijkste 
omstandigheden  een  kalm  en  lachend  gelaat  bewaart,  daar  kan 
men  verzekerd  zijn  dat  er  geen  lafheid  of  zwakheid  bij  zijne 
onderhoorigen  zal  plaats  hebben;  en  zoo  was  Chamilly;  en  dit 
was  het  geheim,  waardoor  hij  de  ontmoediging  deed  verdwijnen. 
de  desertie  ophouden,  en  in  zijne  troepen  zulk  een  heldengeest 
opwekte,  dat  zij,  tot  het  laatste  oogenblik  van  het  beleg,  met 
onbezweken  moed  den  vijand  het  hoofd  bleven  bieden.  Het 
maakte  geen  indruk,  dat  Rabenhaupt  op  den  26sten  Augustus 
den  slag  bij  Séneffe  als  een  schitterende  zege  van  de  bondge- 
nooten  deed  vieren  en  daaruit  aanleiding  nam  om  de  vesting 
op  te  eischen;  Chamilly  —  nauwkeurig  onderricht  van  wat  er 
in  de  Spaansche  Nederlanden  voorviel  door  een  ondernemend 
soldaat,  die,  de  Maas  doorzwemmende,  gedurig  de  vesting  in- 
en  uitging,  en  berichten  van  Maastricht  aanbracht  —  Chamilly 
deed  van  zijn  zijde  den  slag  van  Séneffe  vieren  en  sloeg  de 
opeisching  van  Rabenhaupt  op  trotschen  toon  af. 

Bij  de  belegeraars  begon,  omstreeks  het  midden  van  Sep- 
tember, een  nieuwe  aanval  aan  de  zijde  van  Den  Bosch;  en  de 
verdediger  was  verplicht  daartegenover  een  gedeelte  der  troepen 
te  stellen,   die  eerst  op   de    twee    andere    aangevallene    fronten 


Digitized  by 


Google 


BELEG    VAN   GRAVE.  I33 

waren.  Die  aanval  aan  de  Bossche  zijde^  genaderd  tot  aan  een 
breede  kolk  door  de  voorgracht  gevormd,  werd  daar  niet  verder 
voortgezet,  raaar  toen  in  verband  gebracht  met  den  aanval  aan 
de  zijde  van  Ravestein.  Gedurende  een  paar  weken  had  er  nu 
niets  anders  plaats  dan  kleine  uitvallen  en  een  hevig  vuur  uit 
de  vesting.  In  weerwil  daarvan  was  de  belegeraar  genaderd  tot 
op  den  rand  der  voorgracht  en  deed  hij  pogingen  om  die  over 
te  trekken,  maar  vruchteloos;  de  verdediger,  partij  trekkende 
van  de  kleine  redan-vormige  ingravingen  op  het  glacis,  hield 
van  daar  zulk  een  hevig  geweervuur  vol,  dat  het  den  aanvaller 
niet  gelukte  dammen  te  maken  in  die  voorgracht.  Die  ingra- 
vingen waren  zoo  nabij  de  voorgracht,  dat  de  fascinen,  door  den 
aanvaller  in  de  gracht  geworpen,  dikwijls  door  den  verdediger 
met  haken  daaruit  werden  gehaald. 

Van  den  rechteroever  van  de  Maas  hielden  de  batterijen  van 
den  aanvaller  een  hevig  vuur  vol  op  het  gedeelte  der  vesting 
dat  aan  de  rivier  sluit,  en  vooial  op  het  bastion  aan  de  zijde 
van  Ravesiein;  die  batterijen  waren  bewapend  met  geschut  van 
z^aar  kaUber,  33-  en  48-ponders;  en  hoezeer  Fransche  schrijvers 
zeggen,  dat  die  batterijen  gedemonteerd  werden  door  het  geschut 
uit  de  vesting,  zoo  schijnt  dit  toch  niet  juist  en  zijn  andere  om- 
standigheden hiermede  niet  in  overeenstemming  te  brengen.  Inte- 
gendeel, ook  door  Beauiain  wordt  gezegd,  dat  aan  die  zijde  de 
batterijen  van  de  vesting  gedurig  werden  tot  zwijgen  gebracht, 
maar  telkens  weer  in  werking  kwamen  omdat  men  in  de  vesting 
een  groot  aantal  affuiten  had  ter  verwisseling.  Het  geschutvuur 
van  den  aanvaller  werd  ondersteund  door  geweervuur  van  achter 
eene  borstwering  van  schanskorven,  onmiddellijk  aan  den  oever  der 
rivier  opgeworpen.  Het  bastion  aan  de  zijde  van  Ravestein  was 
weldra  in  puin  geschoten,  en  eene  groote,  goed  beklimbare  bres 
daarin  gemaakt;  Chamilly,  voor  een  storm  vreezende,  doet  daar 
telkens  bij  het  invallen  van  den  nacht  een  groot  aantal  friesche 
ruiters  plaatsen,  die  bij  het  aanbreken  van  den  dag  weer  worden 
weggenomen  om  te  beletten  dat  zij  vernield  zouden  worden  door 
het  vijandelijke  kanonvuur. 

Het  moet  toen  geweest  zijn,  dat  Coehoorn,  die  als  kapitein 
der  infanterie  bij  het  leger  aanwezig  was,  een  voorstel  deed  tot 
bestorming  \  an  de  vesting.  Dit  voorstel  bestond  daarin,  dat  men 
door  middel  van  eenige  vlotten  een  bataljon  overzette  van  den 
rechteroever  der  Maas  naar  den  linkeroever,  en  deed  aanvallen 
op  de  bres  van  het  bastion  naar  de  zijde  van  Ravestein.  Dit 
voorstel  werd  echter  niet  aangenomen.  Het  niet  beproeven  van 
die  wijze  van  aanvallen  wordt  afgekeurd  door  sommige  onzer 
schrijvers,  die  van  oordeel  zijn  dat  een  storm,  op  die  wijze  ge- 
daan,  veel  kans  had  van  te  zullen  gelukken.  Wij  zijn  niet  van 


Digitized  by 


Google 


134  KRUGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN, 

dat  gevoelen  en  gelooven  integendeel  dat  het  overzetten  van 
troepen  over  een  rivier,  zelfs  al  zijn  er  aan  de  overzijde  vol- 
strekt geen  vestingwerken,  een  ondoenlijke  zaak  is,  wanneer  op 
den  anderen  oever  een  dappere  vijand  gereed  staat  om  dit  te 
beletten.  Met  allen  eerbied  voor  den  grooten  naam  van  Coe- 
hoorn  gelooven  wij  toch,  dat  de  door  hem  voorgeslagen  storm 
tot  niets  anders  kon  leiden  dan  tot  een  nuttelooze  opoffering  van 
troepen,  en  dat  Rabenhaupt  dus  gelijk  had,  daaraan  zijne  toe- 
stemming te  onthouden.  Op  eene  betere  wijze  droeg  Coehoorn 
bij  tot  den  val  der  vesting  door  de  aanwending  van  de  naar 
hem  genoemde  mortieren,  die  den  belegerde  gevoelige  verliezen 
deden  ondergaan. 

Het  zou  te  uitvoerig  zijn  hier  in  bijzonderheden  te  vermelden, 
hoe  Chamilly  in  het  begin  van  September  's  nachts  eene  vruch- 
telooze  poging  deed  om  den  dam  in  de  Raam  te  doorsteken, 
hoe  Golstein  den  2osten  September  aan  de  boven-Maas  een 
stormaanval  deed  op  het  voorwerk  dat  de  Franschen  daar  op 
den  dijk  hadden;  een  storm,  die  afgeslagen  werd  en  het  leven 
kostte  aan  den  dapperen  Verschoor,  den  vroegeren  bevelhebber 
van  Knodsenburg;  en  hoe  Chamilly  van  zijne  zijde  op  den  avond 
van  den  2 «sten  September  een  uitval  deed  naar  de  zijde  van  Den 
Bosch;  een  uitval,  waarvan  de  Fransche  schrijvers  hoog  opgeven, 
maar  die,  als  men  de  zaak  nauwkeuriger  onderzoekt,  mislukt 
schijnt,  hoezeer  zij  den  belegeraar  verliezen  veroorzaakte,  en, 
onder  anderen,  een  moedig  officier,  den  kapitein  Tengnagel,  daar 
den  dood  deed  vinden.  De  voorgracht  en  de  logementen  op 
den  dijk  waren  de  beletselen  die  den  aanvaller  tegenhielden;  en 
Rabenhaupt,  in  de  kunst  geen  middelen  vindende  om  die  be- 
letselen te  boven  te  komen,  en  wanhopig  over  den  langen  duur 
van  het  beleg,  besloot  tot  zijn  doel  te  geraken  door  geweld  en 
door  opoffering  van  troepen  en  alles  dus  te  laten  aankomen  op 
de  dapperheid  zijner  soldaten. 

Er  waren  dan  ook  redenen  om  te  gelooven,  dat  de  kracht 
des  verdedigers  aan  het  wankelen  zou  zijn  geraakt  en  dat  hij 
moeilijk  een  hevige  bestorming  zou  kunnen  weerstaan.  Het  in- 
wendige van  de  stad  was  verwoest,  en  zelfs  in  den  bedekten 
weg  werd  de  bezetting  geteisterd  door  het  worpgeschut  van  den 
vijand.  Het  getal  gewonden  was  reeds  geklommen  tot  8  k  900, 
en  het  kostte  moeite  daar  berging  voor  te  vinden.  Van  een  goed 
gedeelte  der  burgerij  had  Chamilly  zich  ontlast  door  die  te  doen 
uittrekken  naar  de  zijde  van  Den  Bosch,  en  den  daar  aanwezigen 
Hollandschen  bevelhebber  te  misleiden,  door  de  verzekering,  dat 
het  de  wil  van  Rabenhaupt  was  om  die  weerlooze  menigte  door 
te  laten.  Alle  omstandigheden  overtuigden  den  aanvaller,  van 
den  benarden  toestand  waarin  zich  zijne  tegenpartij  bevond;  — 


Digitized  by 


Google 


BKLEG  VAN   GR  AVE.  I35 

maar  de  aanvaller,  daarop  de  kansen  bouwende  op  de  overwin- 
ning, vergat  bij  die  berekening  den  ontembaren  moed  van  het 
vijandelijk  legerhoofd. 

De  storm  heeft  plaats  op  den  avond  van  den  29sten  Sep- 
tember. Terwijl  de  belegerde  door  schijnbewegingen  bedreigd 
wordt  met  een  storm  aan  de  zijde  van  Kuyck,  en  terwijl  van 
den  rechteroever  der  Maas  de  batterijen  der  Hollanders  onop- 
houdelijk vuren  op  de  vesting,  rukt  's  avonds  tusschen  4  en  5 
uur  het  regiment  van  Tamminga,  gevolgd  door  die  van  Hunde- 
beek  er  Wagenheim,  langs  den  dijk  van  Ravestein  voort  en 
werpt  zich  op  de  logementen  die  de  Franschen  ddir  hebben. 
Het  regiment  van  Bourgogne  is  daar,  maar  tracht  tevergeefs  de 
soldaten  van  Tamminga  tegen  te  houden,  die  met  onstuimige 
dapperheid  de  verschansing  bemachtigen  en  doordringen  tot  de 
tweede  rij  palissaden,  tusschen  de  werken  der  vesting  en  de 
rivier.  Chamilly  is  oogenblik keiijk  naar  de  plaats  van  den  storm 
toegesneld,  en  doet  Guiscard  met  het  regiment  van  Normandië 
van  de  Brugpoorl  oprukken  naar  het  Ravesteinsche  front,  om 
daar  de  verdedigers  te  versterken  5  hijzelf  plaatst  zich  met  200 
man  voetvolk  in  het  naastbij zijnde  hoornwerk  en  doet  de  afge- 
zeten ruiterij  bet  bastion  aan  de  Maas  bezetten. 

Guiscard,  met  het  regiment  van  Normandië  aangekomen  zijnde, 
valt  daarmee  onverwijld  op  de  bestormers  aan.  Deze,  geteisterd 
door  het  geschutvuur  dat  uit  het  bastion  op  hen  is  gericht,  zijn 
toen  bovendien  in  verwarring  geraakt  door  het  springen  van 
eene  mijn,  nog  vóór  de  voorgracht  aangelegd ;  en  toen  Guiscard's 
soldaten  zich  nu  met  den  degen  in  den  vuist  op  hen  werpen, 
worden  zij  op  hunne  beurt  verdreven,  en  verliezen  weer  alles 
wat  zij  hadden  vermeesterd.  Maar  de  dapperheid  der  Hollanders 
deed  niet  onder  voor  die  des  vijands;  niet  ontmoedigd  door  het 
aanvankelijk  mislukken  van  den  storm,  vallen  zij  ten  tweeden 
male  aan,  met  kracht  en  met  goed  gevolg  {avec  vigueur  et  avec 
succes  zijn  de  woorden  die  Beaurain  gebruikt);  zij  bemachtigen 
nogmaals  de  aangevallene  werken,  daarin  begunstigd  doordien 
het  toevallig  springen  van  kruittonnen  en  gevulde  granaten  in 
de  wapenplaatsen  van  het  glacis  verwarring  en  verlies  bij  den 
belegerde  teweegbrengt.  Chamilly  wil  den  vijand  dit  voordeel 
niet  laten ;  hij  doet  Guiscard  ten  tweeden  male  op  de  bestormers 
aanvallen;  ten  tweeden  male  worden  deze  teruggeworpen;  en 
toen  's  avonds  om  8  uur  de  bloedige  kamp  eindigde  hadden  de 
belegerden  niet  het  minste  gedeelte  van  hunne  verschansingen 
verloren. 

Stroomen  bloeds  had  die  strijd,  aan  weerszijden,  gekost:  de 
Fransche  schrijvers  begrooten  de  verliezen  der  Hollanders  op 
meer   dan   600   man,  terwijl   zij   zelven    erkennen,  een  200  man 


Digitized  by 


Google 


136  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

aan  dooden  en  gewonden  te  hebben  verloren,  waaronder  een 
groot  aantal  officieren;  volgens  Sylvius  was  het  verlies  van  Raben- 
haupt's  krijgsmacht  slechts  200  man,  en  de  Nieuwe  Mercurius 
vermindert  dit  tot  op  100.  Zooveel  is  zeker,  dat  hier  tusschen 
de  stadswerken  en  de  rivier  een  vreeselijk  bloedbad  plaats  had, 
en  dat  een  Fransche  schrijver  met  waarheid  zegt,  >dat  nooit  op 
zoo  kleine  ruimte  een  zoo  groot  getal  dappere  strijders  vielen." 

Den  volgenden  dag  had  er  een  wapenstilstand  plaats  van  eenige 
uren  om  beiden  partijen  den  tijd  te  geven  hunne  dooden  te 
begraven;  maar  reeds  den  isten  October  deed  Rabenhaupt  den 
storm  hervatten,  —  met  even  ongelukkigen  uitslag  als  twee  dagen 
vroeger.  Om  1 1  uur  's  ochtends  bestormt  het  regiment  van  Beaumont 
de  Fransche  verschansingen  op  den  dijk  van  Ravestein;  met 
opzet  wordt  dit  werk  slechts  zwak  verdedigd;  de  Hollanders 
bemachtigen  het  en  dringen  door  tot  de  volgende  afsnijding. 
Maar  eensklaps  springt  een  mijn  onder  de  vermeesterde  ver- 
schansing, en  doet  een  aantal  soldaten  van  Rabenhaupt  sneu- 
velen. Gelijktijdig  komt  Chamilly  uit  de  vesting,  valt  aan  op  den 
in  verwarring  zijnden  vijand  en  werpt  hem  weer  terug  naar  zijn 
loopgraven.  Ook  hier  moet  het  verlies  van  de  Hollanders  be- 
langrijk zijn  geweest. 

Chamilly,  de  toenemende  hevigheid  van  den  aanval  opmer- 
kende, oordeelde  het  te  gevaarlijk  om  de  bezetting  nog  langer 
gelegerd  te  houden  in  den  bedekten  weg;  hü  deed  die  bezetting 
toen  teruggaan  in  de  hoornwerken  van  de  aangevallen  fronten, 
en  liet  alleen  kleine  afdeelingen  achter  om  den  bedekten  weg 
bezet  te  houden.  Maar  Rabenhaupt  was  te  zeer  afgeschrikt  door 
de  ondervondene  verliezen  om  den  storm  te  hervatten;  en  ge- 
durende eenige  dagen  bestonden  de  handelingen  van  den  bele- 
geraar in  niets  anders  dan  in  een  bijna  onafgebroken  geschutvuur. 

De  komst  van  den  held  van  SénefFe  werd  vereischt  om  de  zoo 
hardnekkig  verdedigde  vesting  te  doen  vallen.  Willem  III  had 
reeds  vroeger  3000  man  voetvolk  en  evenveel  ruiterij  van  zijn 
leger  afgezonderd  om  de  macht  van  Rabenhaupt  te  versterken; 
zelf  verliet  hij,  den  6en  October,  de  Spaansche  Nederlanden,  met 
graaf  Hendrik  Casimir,  Ouwerkerk,  Bentinck  en  een  klein  ge- 
volg, en  kwam,  den  9^11,  »s  avonds,  in  het  leger  van  Grave  aan ; 
hij  had  dien  dag  17  uren  te  paard  afgelegd,  om  te  ontkomen 
aan  een  Fransche  troepenafdeeling,  uit  Maastricht  afgezonden, 
en  die  op  de  Peel  den  Stadhouder  afwachtte.  —  Sylvius,  die 
deze  bijzonderheid  mededeelt,  maakt  haar  echter  fabelachtig  door 
te  zeggen  » dat  die  troepenafdeeling  4000  ruiters  sterk  was,  ieder 
met  een  infanterist  achter  zich";  —  zoo  weinig  oordeel  is  er 
bij  dien  schrijver. 


Digitized  by  VjOOQIC 


BELEG   VAN    GR  AVE.  I37 

Voor  het  overige  moet  hier  in  het  voorbijgaan  worden  bijge- 
voegd, dat  d'Ëstrades^  de  Fransche  bevelhebber  van  Maastricht, 
ongehinderd  strooptochten  verrichtte  in  de  omstreken  van  de 
vesting,  zijne  ruiterij  lang  te  Tongeren  liet,  overal  brandschat- 
tingen ophaalde,  en  zelfs,  toen  na  den  slag  van  Séneffe  sommige 
gemeenten  en  bezitters  van  heerlijkheden  nalieten  om  die  brand- 
schattingen te  betalen,  op  een  strenge  en  wreede  wijze  te  hunnen 
aanzien  te  werk  ging:  >een  Heer'  —  zegt  Beaurain  —  > dreef 
de  halsstarrigheid  zóó  ver,  dat  hij  zich  mét  de  zijnen  liet  ver- 
branden in  een  toren  van  zijn  kasteel  waarin  hij  de  wijk  had 
genomen;  eerst  toen  de  onderste  verdieping  afbrandde,  vroeg 
hij  kwartier,  en  toen  was  het  te  laat."  (Utj  Seigneur  poussa  rob- 
stination  jusqu'  a  se  laisser  hrüler^  lui  et  ses  gens,  dans  une  tour  de 
son  chdteau  oü  il  sétait  réfugié;  il  ne  demanda  quartier  que  torsque 
Ie  premier  étage  füt  brülé^  et  alors  il  rCétait  plus  temps),  —  Men 
beweert  dat,  in  1 831,  de  Fransche  maarschalk  Gérard,  de  zachte, 
raenschelijke  wijze  opmerkende,  waarop  het  HoUandsche  leger 
in  België  was  te  werk  gegaan  ten  aanzien  van  den  landzaat, 
tegen  officieren  van  dat  leger  zeide :  „V0//5  a\'ez  fait  la  guerre  en 
demoiselles*'' ;  —  de  bevelhebbers  der  legers  van  Lodewijk  XIV 
hebben  zelden  of  nooit  den  roem  van  zulk  een  verwijt  verdiend. 

Nog  op  den  avond  van  den  96x1  October  gaat  Willem  III  de 
loopgraven  rond,  en  wordt  daar  begroet  door  het  vreugdege- 
schreeuw  zijner  soldaten ;  terwijl  de  daartegenover  staande  Fransche 
posten  en  wachten  dit  beantwoorden  met  het  „v/V^  ie  Roi^\  Den 
volgenden  ochtend  neemt  de  Stadhouder  nogmaals  de  aanvals- 
werken  in  oogenschouw ;  hij  was  daarmede  niet  bijzonder  tevreden, 
zooals  blijkt  uit  zijn  bericht  aan  de  Staten,  >dat  hij  de  belegering 
in  zoodanigen  staat  niet  had  gevonden  als  hij  wel  verhoopt  had ; 
maar  dat  hij  evenwel  alles  zou  bijbrengen  om  daar  een  gewenscht 
gevolg  van  te  zien."  Fascinen  en  biesbruggen  worden,  op  zijn 
last,  vervaardigd;  later  van  Nijmegen  veel  smids  en  timmerlieden 
ontboden  >met  vaten,  zakken  om  met  aarde  te  vullen,  balken, 
rijs,  en  andere  materialen  tot  het  stormen  dienstig";  ook  worden 
bij  elke  compagnie  4  tot  15  vrijwilligers  gevraagd  om  granaten 
te  werpen,  en  aan  die  grenadiers  als  toelage  gegeven,  8  stuivers 
de  dagen  dat  zij  niets  doen,  en  9  gulden  de  dagen  dat  zij  gra- 
naten werpen.  —  Een  hevig  geschutvuur  wordt  voortdurend  op 
de  stad  gericht,  en  dient  om  den  storm  voor  te  bereiden  die 
Grave  moet  doen  vallen. 

In  den  nacht  van  11  op  12  October  heeft  die  storm  plaats. 
Terwijl  de  verdedigers  op  andere  punten  door  schijnaanvallen 
worden  beziggehouden,  rukt  Willem  III,  om  11  uur,  in  persoon 
vooruit  aan  het  hoofd  van  3  regimenten  infanterie,  en  valt  daar- 
mee  de  verschansing   aan   die  zich  op  den  dijk  van  Kuyck  be- 


Digitized  by 


Google 


138  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN, 

vindt.  Het  regiment  van  Vendóme  verdedigt  dien  post,  maar  kan 
de  aanvallers  niel  weerstaan,  tot  buitengewone  dapperheid  aan- 
gespoord door  het  voorbeeld  van  hun  koenen  aanvoerder;  de 
verschansing  op  den  dijk  wordt  veroverd,  en  de  Hollanders 
dringen  door  in  den  bedekten  weg.  Maar  Chamilly  komt  aan- 
snellen met  de  twee  regimenten  van  Dampierre  en  van  Lan- 
guedoc;  »de  vijand  heeft  den  bedekten  weg  vermeesterd",  roepen 
hem  de  terugtrekkende  soldaten  van  Vendóme  toe;  » zooveel  te 
beter",  antwoordt  de  held,  >wij  zullen  er  hem  weer  uitwerpen"; 
en  met  den  degen  in  de  vuist  valt  hij  uit  aan  het  hoofd  der 
zijnen.  Op  dat  oogenblik  springen  weer  twee  mijnen  bij  het  door 
de  Hollanders  vermeesterde  werk ;  verwarring  en  schrik  doet  dit 
ontstaan;  en  toen  Chamilly  zich  met  onstuimigheid  op  de  be- 
stormers  stort,  worden  deze  met  verlies  teruggeworpen,  en  de 
verschansing  op  den  dijk  hernomen.  Bij  een  nieuwen  aanval 
maken  de  troepen  van  Willem  III  zich  nogmaals  meester  van 
het  logement  op  den  dijk,  maar  worden  nogmaals  daaruit  ver- 
dreven door  een  uitval  van  de  bezetting;  en  zoo  verloopt  de 
nacht  in  afwisselende  gevechten,  waarin  zoowel  de  eene  als  de 
andere  partij  uitstekende  bewijzen  van  dapperheid  geeft,  beide 
groote  verliezen  lijden,  maar  die  eindelijk  de  Franschen  geheel 
en  al  meester  doen  blijven  van  de  bestormde  punten. 

De  dagen  van  12  en  13  October  verloopen,  zonder  dat  er  iets 
bijzonders  wordt  ondernomen;  maar  in  den  nacht  van  13  op  14 
October  heeft  een  algemeene  storm  plaats,  op  alle  fronten  van 
aanval.  De  aanval  aan  de  zijde  van  Ravestein  mislukt;  en  het 
hevige  geschut-  en  geweervuur  van  de  Franschen  maakt  alle 
pogingen  van  den  aanvaller  om  de  voorgracht  over  te  trekken, 
vruchteloos.  Maar  de  aanval  op  het  daarnaast  liggende  front 
scheen  aanvankelijk  betere  kansen  op  te  leveren:  de  kleine 
redan-vormige  ingravingen  bij  de  saillanten  der  voorgracht  schij- 
nen door  den  verdediger  niet,  of  te  zwak,  bezet  te  zijn  geweest; 
het  gelukt  ten  minste  aan  Coehoorn  om  hier  in  stilte  en  onbe- 
merkt  biesbruggen  in  de  voorgracht  te  plaatsen ;  en  bijna  zonder 
wederstand  trekken  de  regimenten  van  den  Stadhouder  daarover- 
heen, breiden  zich  uit  op  het  glacis,  vallen  aan  op  den  bedekten 
weg,  en  dringen  daar  op  verschillende  punten  binnen.  Maar  ook 
hier  ontmoeten  zij  weer  dien  man,  die,  alleen,  een  leger  waard 
is;  Chamilly  verdedigt  met  leeuwenmoed  den  bedekten  weg,  en 
het  vuur  dat  hij  van  daar  rifcht  op  den  onbedekt  staanden  vijand, 
doet  een  aantal  Hollanders  vallen.  Nu  geeft  de  Fransche  aan- 
voerder bevel  om  uit  te  vallen  aan  eene  kleine  afdeeling  ruiterij, 
die  zich  gewoonlijk  in  den  bedekten  weg  bevond;  de  Fransche 
ruiters  vallen  eensklaps  op  het  glacis  het  HoUandsche  voetvolk 
aan,   en   dit  brengt  zooveel  verwarring  teweeg,  dat  dit  voetvolk 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   GRAVE.  I39 

in  de  grootste  haast  de  wijk  neemt  over  de  biesbruggen;  velen 
worden  neergesabeld  door  Chamilly's  ruiters,  of  vinden  den  dood 
in  de  voorgracht. 

Terwijl  aan  de  noordzijde  der  vesting  de  strijd  zoo  hevig 
woedde,  had  aan  de  zijde  van  de  Brugpoort  het  regiment  van 
Vendóme  na  een  scherp  gevecht  de  verschansing  op  den  dijk 
moeten  afstaan  aan  de  derde  aanvalscolonne  van  den  Stadhouder ; 
de  Hollanders  trokken  toen  de  voorgracht  over,  en  twee  van 
hunne  bataljons  breidden  zich  uit  op  het  glacis  en  poogden  zich 
daar  in  te  graven.  Op  dat  oogenblik  waren  de  aanvallen  op  de 
andere  gedeelten  der  vesting  reeds  afgeslagen;  en  Chamilly,  de 
vorderingen  vernemende  die  de  vijand  bij  de  Brugpoort  maakte, 
haastte  zich  daarheen  te  trekken  met  de  regimenten  van  Dam- 
pierre  en  van  Languedoc.  De  komst  van  die  versterking  en 
vooral  de  tegenwoordigheid  van  den  aanvoerder  herstelde  hier 
weer  alles;  en  de  Hollandsche  troepen,  op  de  nadrukkelijkste 
wijze  aangevallen,  werden  weer  met  groot  verlies  teruggeworpen 
over  de  voorgracht. 

De  strijd  had  den  ganschen  nacht  geduurd,  en  volgens  de 
Fransche  schrijvers  verloor  het  leger  van  den  Stadhouder  in  die 
beide  nachten  van  ii  en  van  13  October  niet  minder  dan  1700 
man  aan  dooden  en  gewonden.  Er  is  denkelijk  overdrijving  in 
die  opgave;  nochtans  moet  die  strijd  veel  gekost  hebben  aan 
het  leger  van  Willem  III.  Maar  ook  van  de  bezetting  waren  een 
groot  aantal  officieren  en  soldaten  gevallen. 

Op  den  i4en  October  diende  een  wapenstilstand  van  eenige 
uren  aan  de  beide  partijen  weer  om  hunne  dooden  te  begraven ; 
ook  de  volgende  dag  verloopt  zonder  strijd ;  maar  in  den  nacht 
van  15  op  16  October  wordt  de  bestorming  hervat.  De  bezetting, 
geschokt  door  de  gevechten  van  de  vorige  dagen,  voert  nu  de 
verdediging  met  minder  geestkracht;  zoowel  aan  de  zijde  van 
Ravestein  als  aan  die  van  Kuyck  worden  de  verschansingen  op 
den  dijk  vermeesterd  door  de  Hollanders;  dezen  trekken  de 
voorgracht  over  en  graven  zich  in  op  den  teen  van  het  glacis. 
Dit  ging  echter  niet  zonder  hevigen  strijd  en  aanmerkelijk  ver- 
lies; telkens  werden  door  de  bezetting  kleine  tegenaanvallen  be- 
proefd, vooral  aan  de  zijde  van  de  Brugpoort,  waar  Saint-Just 
met  veel  dapperheid  de  verdediging  bestuurde.  Hier  vindt  men 
weer  gewag  gemaakt  van  een  aanval  van  een  vijftigtal  Fransche 
cavaleristen  op  de  Hollanders  die  op  het  glacis  waren  doorge- 
drongen ;  die  beweging  had  echter  noodlottige  gevolgen.  Willem  III 
deed  friesche  ruiters  voor  zijne  troepen  plaatsen ;  en  de  Fransche 
cavalerie,  door  dit  beletsel  tegengehouden,  werd  bijna  geheel 
vernield  door  het  geweervuur  van  de  Hollanders.  Over  het  ge- 
heel  kan   men   aannemen,  dat  in  eene  vesting  van  zoo  kleinen 


Digitized  by 


Google 


I40  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

omvang  als  Grave,  en  in  deze  periode  van  het  beleg,  de  aan- 
wending van  ruiterij  bij  de  verdediging  weinig  voordeel  oplevert; 
en  dat,  wanneer  hier  Chamilly  er  soms  wél  voordeel  uit  trekt, 
dit  toe  te  schrijven  is  aan  zijne  groote  bekwaamheid  of  aan  de 
misslagen  van  zijne  vijanden,  maar  volstrekt  niet  beschouwd 
moet  worden  als  eene  handeling,  die  men  moet  opvolgen  als 
gedragsregel  in  een  dergelijken  toestand. 

Chamilly,  die  den  volgenden  nacht  —  van  i6  op  17  Octo- 
ber  —  eene  bestorming  van  den  bedekten  weg  verwachtte,  deed 
tegen  den  avond  een  groot  aantal  kruitzakken  met  granaten  op 
het  glacis  plaatsen,  en  van  die  zakken  naar  den  bedekten  weg 
een  kruitloop  maken ;  om  het  ontvlammen  van  dat  kruit  te  voor- 
komen, verbood  hij  om  uit  den  bedekten  weg  te  vuren.  Zooals 
de  Fransche  bevelhebber  verwachtte,  rukken  werkelijk,  tusschen 
10  en  II  uur  *s  avonds,  twee  stormcolonnen  van  de  zijde  van 
Kuyck  en  Ravestein  voort.  Willem  III  is  in  persoon  daarbij,  en 
stelt  zijn  leven  bloot  met  een  aan  roekeloosheid  grenzenden 
moed.  Maar  toen  de  aanvallers  nabij  den  bedekten  weg  zijn  ge- 
komen, steken  Fransche  officieren  den  kruitloop  aan;  de  plotse- 
linge ontploffing,  de  aan  alle  zijden  heenspnngende  granaten 
verbreken  de  rijen  van  de  bestormers,  en  doen  deze  in  het 
eerste  oogenblik  terugdeinzen.  Oranje  voert  hen  nogmaals  tegen 
de  vesting  aan,  en  bij  herhaling  heeft  de  bestorming  van  den 
bedekten  weg  plaats.  Wij  kunnen  hier  niet  alle  bijzonderheden 
vermelden  van  dien  verwarden  en  bloedigen  strijd,  aan  weers- 
zijden gekenmerkt  door  eene  dapperheid,  die  boven  allen  lof  is 
verheven.  Genoeg  ?[}  het  te  zeggen,  dat  de  Stadhouder  telkens 
zijne  soldaten  ten  aanval  voortstuwde  en  wanhopige  pogingen 
deed  om  de  bekroning  van  den  bedekten  weg  te  verrichten;  hij 
zelf,  te  paard  te  midden  der  strijders,  bracht  bij  herhaling  fas- 
cinen  aan  voor  die  bekroning;  en  nooit  heeft  mogelijk  een 
legerhoofd  zijn  leven  zoo  in  de  waagschaal  gesteld  als  Wil- 
lem III  bij  dien  nachtelijken  strijd  voor  Grave.  Maar  de  tegen- 
stand was  te  groot:  bij  herhaling  drongen  de  Hollanders  door 
de  eerste  rij  der  palissaden  van  den  bedekten  weg  heen,  maar 
werden  telkens  teruggedreven  door  het  hevige  vuur  dat  de 
verdediger  van  achter  de  tweede  rij  op  hen  richtte;  zij  moesten 
teruggaan  en  de  voorgenomene  bekroning  van  den  bedekten 
weg  opgeven.  Chamilly,  die  fascinen  noodig  had  voor  de  her- 
stelling van  zijne  batterijen,  had  aan  de  Fransche  soldaten  eene 
belooning  van  twintig  francs  toegezegd  voor  elke  honderd  fas- 
cinen die  zij  zouden  vermeesteren;  en  het  gelukte  aan  zijne  sol- 
daten om  een  groot  aantal  dier  bekleedingsmiddelen  machtig  te 
worden. 

Eene   poging,   door   de   Hollanders   gelijktijdig   beproefd,   om 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   GRAVE.  I4I 

aan  de  zijde  van  Den  Bosch  de  voorgracht  over  te  trekken,  was 
evenzeer  mislukt. 

»Maar  het  was  moeielijk,"  —  zegt  Beaurain  —  »om  het  den 
Prins  van  Oranje  af  te  winnen  in  moed  en  in  volharding.  In 
weerwil  van  de  herhaalde  nachtelijke  gevechten,  die  hij  aange- 
wakkerd had  door  zijn  bijzijn  en  zijn  voorbeeld ;  in  weerwil  van 
de  vermoeidheid  van  zijne  troepen,  en  van  de  verliezen  die  zij 
hadden  geleden,  wilde  hij  den  bedekten  weg  bij  het  Ravesteinsche 
front  vermeesteren,  en  deed  daarop  nogmaals  een  aanval  om  7  uur 
's  ochtends.  Met  de  grootste  dapperheid  vielen  zijne  colonnes 
aan."  {Mats  il  était  difficik  de  vaincre  Ie  Prince  d'*Orange  en  courage 
et  en  opinidtreié,  Malgré  les  combats  répétés  de  la  nuit^  qi^il  avait 
animés  par  sa  présence  et  son  exemple;  malgré  la  fatigue  de  ses 
troupes  et  les  pertes  qü*  elles  avaient  essuyées^  tl  voulait  etnporter  Ie 
chemin  couvert  de  Ravestein;  il  Ie  fit  réattaquer  tl  sept  heures  du 
matin.  Ses  détachements  y  marchèrent  avec  la  plus  grande  valeur . . .). 
Maar  ook  die  nieuwe  aanval,  in  den  ochtend  van  den  lyen  Oc- 
tober  verricht,  stuit  af  op  den  onwrikbaren  tegenstand  des  ver- 
dedigers. Wél  bemachtigen  de  bestormers  een  gedeelte  van  den 
bedekten  weg,  en  dooden  zij  het  grootste  gedeelte  van  de  daar 
aanwezige  verdedigers;  maar  de  Franschen  houden  stand  achter 
de  traversen,  en  richten  van  daar  en  van  de  overige  werken  een 
hevig  vuur  op  den  vijand.  De  Hollanders  graven  zich  in;  kun- 
nen zij  daarin  slagen,  dan  hebben  zij  een  gewichtig  voordeel 
verkregen,  omdat  zij  van  daar  gezicht  hebben  op  een  aanmer- 
kelijk gedeelte  van  den  bedekten  weg  en  op  de  brug  die  van 
daar  naar  het  hoornwerk  geleidt  Chamilly,  doordrongen  van  het 
belang  om  die  ingraving  te  beletten,  doet  negen  24-ponders,  in 
de  lunet  links  van  het  hoornwerk,  onverpoosd  vuren  op  de 
werkers  van  den  vijand,  en  een  bataljon  van  het  regiment  van 
Bourgogne  houdt  zich  gereed  om  daar  op  aan  te  vallen.  Met 
buitengewone  onverschrokkenheid  zetten  de  Hollanders  den  arbeid 
voort  onder  het  moordende  geschutvuur;  maar  de  pas  begonnen 
ingravifig  is  dra  vernield  door  de  Fransche  artillerie;  en  het 
bataljon  van  Bourgogne,  op  den  vijand  uitvallende,  drijft  dezen 
weer  uit  den  bedekten  weg. 

Nieuwe  aanvallen  eindigen  even  slecht  voor  den  aanvaller;  tot 
pp  het  glacis  zet  de  bezetting  den  strijd  voort;  en  toen,  tegen 
den  middag,  die  strijd  ophoudt,  zijn  Chamilly*s  soldaten  meester 
gebleven  van  den  geheelen  bedekten  weg.  Beaurain  zegt  van  dien 
kamp:  »aan  weerszijden  werden  wonderen  van  dapperheid  ver- 
richt; de  verliezen  waren  overgroot,  vooral  die  der  aanvallers..." 
(„//  s'y  fit  de  part  et  d*autre  des  prodiges  de  valeur;  la  perte  fut 
énorme,^  surtout  pour  les  assiégeans . , .").  Maar  ook  in  Grave  waren, 
op  dat  oogenblik,  bijna  duizend  gewonden,  —  en  gebrek  aan 
geneesmiddelen ;  Chamilly,  door  den  chirurgijn- majoor  onderricht 


Digitized  by 


Google 


142  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

van  die  laatste  omstandigheid,  gelastte  hem  dit  geheim  te  hou- 
den, en  den  lijders  middelen  toe  te  dienen  die  noch  goed  noch 
kwaad  deden. 

Chamilly,  zijne  bezetting  gaandeweg  ziende  verminderen,  be- 
sluit den  bedekten  weg  nu  niet  zoo  ernstig  meer  te  verdedigen, 
maar  daar  alleen  zwakke  detachementen  te  laten,  die  in  last 
hebben  om  bij  een  ernstigen  aanval  terug  te  trekken  op  de 
hoornwerken.  Bij  den  aanvaller  schijnt  men  door  de  ondergane 
verliezen  eenigszins  afgeschrikt  te  zijn  van  groote  stormen.  In 
de  volgende  dagen  worden  door  de  Hollanders,  zoowel  op 
den  boven-  als  op  den  beneden- aan  val,  logementen  gemaakt  op 
de  kruin  van  het  glacis;  zij  werpen  veel  granaten  in  den  be- 
dekten weg  tusschen  de  beide  rijen  palissaden  en  brengen  daar- 
door den  verdediger  verliezen  toe.  Om  die  verliezen  te  vermin- 
deren doet  Chamilly  tegen  de  tweede  rij  palissaden  fascinen 
plaatsen,  waarachter  de  verdedigers  zich  kunnen  nederleggen.  Er 
hebben  gedeeltelijke  aanvallen  op  den  bedekten  weg  plaats;  som- 
mige gelukken,  andere  niet;  totdat  de  verdediger  eindelijk  alleen 
meester  blijft  van  eenige  wapenplaatsen  in  dien  bedekten  weg. 

Veelvuldig  zijn,  zoo  bij  de  eene  als  bij  de  andere  partij,  de 
voorbeelden  van  dapperheid,  die  de  schrijvers  over  dit  beleg 
hebben  geboekt;  maar  het  zou  te  wijdloopig  zijn,  ze  hier  op  te 
noemen.  Toch  kunnen  wij  niet  nalaten  hier  een  feit  te  vermelden, 
dat  men  bij  de  Fransche  schrijvers  vindt:  dat  zes  officieren  van 
Willem  III,  om  den  bedekten  weg  en  de  inrichting  van  de  palis- 
saden te  verkennen,  zich  met  Spartaanschen  heldenmoed,  aan  de 
zijde  van  Kuyck,  in  dien  bedekten  weg  wierpen,  maar  bij  hunne 
roemvolie  onderneming  allen  den  dood  vonden.  —  Onze  jam- 
merlijke geschiedschrijvers  van  dien  tijd  zeggen  niets  van  die 
daad,  die  Griekenland  en  Rome  bekroond  zouden  hebben  met 
den  lauwerkrans  der  onsterfelijkheid. 

Nu  gold  het  den  hoofdwal  der  aangevallen  vesting,  en  de 
Stadhouder  nam  maatregelen  om  die  laatste  wijkplaats  des  vijands 
binnen  te  dringen;  hij  deed  twee  bresbatterijen  opwerpen,  de 
eene  op  den  linkeroever  der  Maas,  tegen  het  bastion  dat  aan 
het  hoogere  gedeelte  van  die  rivier  sluit,  de  andere  op  den 
rechteroever,  tegen  het  linker  halve  bastion  van  het  hoornwerk 
op  hetzelfde  front;  beide  werken  lagen  weldra  in  puin.  De  aan- 
val gold  nu  voornamelijk  het  front  naar  de  zijde  van  Kuyck, 
maar  ook  op  de  overige  deelen  der  vesting  bleef  de  belegeraar 
een  krachtig  geschutvuur  volhouden,  minder  krachtig  beantwoord 
door  het  geschut  van  den  belegerde,  die  gebrek  begon  te  krijgen 
aan    kanonniers.    Toch    wil   de   verdediger   door  alle    mogelijke 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN  GRAVE.  143 

middelen  het  oogenblik  van  den  val  van  Grave  vertragen,  en 
wendt  daartoe  weer  mijnen  aan,  waarvan  er  eene,  vóór  het  hoorn- 
werk bij  de  Brugpoort,  den  21  sten  October  door  den  belegeraar 
wordt  ontdekt  en  onschadelijk  gemaakt.  De  belegeraar,  voor- 
nemens bij  dat  hoornwerk  te  stormen,  had  daartoe  een  aan- 
zienlijken voorraad  fascinen  bijeengebracht  om  te  dienen  tot 
demping  van  de  gracht;  bij  een  uitval,  op  23  October  gedaan, 
worden  die  fascinen  door  de  soldaten  van  Chamilly  in  brand 
gestoken. 

Dit  was  het  laatste  belangrijke  feit  van  dit  beleg.  In  den  avond 
van  den  24sien  October  ontvangt  Chamilly  door  middel  van  zijn 
gewonen  boodschapper  machtiging  van  Lodewijk  XIV  om  zijn 
vesting  over  te  geven  aan  den  vijand,  mits  onder  eervolle  voor- 
waarden. Het  kan  zijn  dat  de  dappere  krijgsman  ongaarne  die 
machtiging  ontving;  maar  wanneer  de  meeste  Fransche  schrijvers 
beweren,  dat  zonder  dien  last  de  verdediging  nog  lang  had 
kunnen  worden  voortgezet  en  de  aanvaller  mogelijk  onverrich- 
terzake  had  moeten  afdeinzen,  dan  is  dit  naar  onze  meening 
niets  dan  ijdele  grootspraak:  de  verdediging  kón  nog  worden 
voortgezet;  de  kamp  op  de  wijdgapende  bressen  kón  nog  bloe- 
dige offers  kosten,  en  nog  verheerlijkt  worden  door  menige  dap- 
pere daad;  maar  toch,  de  verdedigingsmiddelen  waren  bijna  ten 
einde,  en  de  val  der  vesting  —  eenige  dagen  vroeger,  eenige 
dagen  later  —  zeker.  Chamilly  trad  dan  ook,  den  25sten,  met 
den  vijand  in  onderhandeling;  en  na  eenig  verschil,  dat  vooral 
betrekking  had  op  het  meevoeren  van  geschut,  werd  den  2  7steD 
eene  capitulatie  gesloten,  en  den  volgenden  dag  de  vesting  over- 
gegeven. Met  wapens  en  krijgseer  verliet  de  dappere  bezetting 
de  vesting;  en  Chamilly  ontving  van  Willem  III  de  sprekendste 
bewijzen  van  de  hoogachting,  welke  zijne  uitstekende  verdediging 
den  Stadhouder  had  ingeboezemd;  aan  den  Franschen  bevel- 
hebber werd  vergund  om  twee  kleine  stukken  geschut  meê  te 
nemen,  hem  vroeger  geschonken  door  de  stad  Zwolle.  De  Fransche 
bezetting  nam  bovendien,  bij  haren  uittocht  naar  Charleroi,  24 
stukken  geschut  mede,  aan  Frankrijk  toebehoorende  {pux  armes 
de  Franc  e). 

Zoo  eindigde  dit  altijd  merkwaardige  beleg,  waarvan  de  duur 
door  sommige  Fransche  schrijvers  overdreven,  op  vier  maanden 
tijds  wordt  gesteld;  overdreven,  want  hoezeer  de  insluiting  van 
Grave  reeds  op  het  einde  van  Juni  plaats  heeft,  worden  de  loop- 
graven toch  eerst  den  29sten  Juli  geopend ;  eerst  van  dat  oogen- 
blik kan  het  begin  van  het  beleg  worden  gerekend,  en  het  heeft 
dus  niet  langer  dan  drie  maanden  geduurd.  Maareene  verdedi- 
ging van  drie  maanden  tegen  een  aanval  die  zóó  krachtig  werd 
gevoerd,  en   waarbij  de  aanvaller   zooveel  dapperheid  betoonde 


Digitized  by 


Google 


144  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

en  zooveel  soldaten  opofferde,  verdient  met  recht  bewondering; 
en  menige  gewonnen  veldslag  heeft  toentertijd  Frankrijk  niet 
meer  voordeel  aangebracht  of  zijnen  vijanden  niet  meer  verliezen 
dan  die  verdediging  van  Grave. 

Beaurain  begroot  de  verliezen  van  het  HoUandsche  leger  bij 
dit  beleg  op  een  7  k  8000  man.  De  Nieuwe  Mercurius  zegt: 
»men  wil  dat  van  de  onze  wel  5000  zijn  gebleven";  en  Sylvius 
zegt,  dat  dit  verlies  »wel  8000  man  was  aan  dooden  en  gewon- 
den, waaronder  300  officieren  en  daarbij  7  kolonels  en  1 40  kapi- 
teins". Die  opgaven  loopen  dus  niet  veel  uiteen,  en  bewijzen  tot 
hoe  duren  prijs  de  vesting  werd  gekocht.  De  verliezen  van  den 
verdediger  waren  uit  den  aard  der  zaak  veel  kleiner;  Sylvius 
zegt  vrij  onbepaald,  dat  zij  bestonden  in  »36  kapiteins  en  134 
officieren,  behalve  een  groot  aantal  soldaten";  De  Nieuwe  Mer- 
curius zegt:  »2ooo  waren  er  wel,  van  die  van  binnen,  zoo  ge- 
dood als  gewond" ;  en  Beaurain  begroot  het  verlies  der  bezetting 
op  2300  k  2400  man  aan  dooden  en  gewonden.  Die  bezetting 
was,  —  volgens  dien  Franschen  schrijver  — ,  bij  den  uittocht 
nog  maar  iioo  k  1200  man  sterk,  —  wat  niet  geheel  overeen- 
komt met  de  aanvankelijke  sterkte;  Sylvius  zegt,  dat  de  bezet- 
ting, bij  het  uittrekken,  nog  1536  soldaten  sterk  was,  behalve  de 
officieren;  de  ruiterij,  —  denkelijk  begrepen  onder  die  geheele 
sterkte  — ,  telde  280  man,  behalve  de  officieren.  In  de  stad 
vond  men  345  metalen  stukken,  uit  de  HoUandsche  vestingen 
afkomstig,  44  met  's  Konings  wapen,  en  veel  ijzeren  geschut; 
bovendien  was  daar  een  aanmerkelijke  voorraad  munitie,  en 
daaronder  125000  pond  buskruit. 

De  langdurige  wederstand  van  Grave,  en  de  groote  verliezen 
waarmede  de  vermeestering  van  die  vesting  werd  gekocht,  heb- 
ben den  verdediger  eene  wereldvermaardheid  verschaft,  die  ver- 
diend is;  —  maar  wat  niet  geheel  verdiend  is,  dat  is  de  blaam 
die  men  gewoonlijk  werpt  op  de  handelingen  van  den  aanvaller. 

Zeker,  de  aanvaller  heeft  misslagen  begaan,  groote  misslagen; 
en  voor  een  gedeelte  is  het  toe  te  schrijven  aan  zijn  gemis  aan 
bekwaamheid,  dat  Grave  zoo  lang  weerstand  heeft  geboden  en 
zoo  bloedige  offers  heeft  gekost.  Die  misslagen  vielen  bij  het 
verhaal  van  de  belegering  te  duidelijk  in  het  oog,  dan  dat  het 
noodig  zou  zijn  er  hier  over  uit  te  weiden;  wij  bepalen  er  ons 
toe  ze  op  te  sommen,  zooals  de  schrijver  der  » Memorie  over 
de  verdediging  van  Grave"  dit  doet;  mét  hem  noemen  wij  het 
misslagen:  dat  de  vesting  te  laat  werd  ingesloten;  dat  men  te 
weinig  uitbreiding  gaf  aan  de  aanvalswerken  aan  de  zijde  van 
Ravestein  en  Kuyck;  dat  men  de  batterijen  na  elkander  en 
zonder  eenheid  in  werking  bracht;  dat  men  geen  gebruik  maakte 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN  GR  AVE.  I45 

van  mijnen;  dat  men  aan  het  afleiden  van.  de  Raam  een  onnoo- 
digen  arbeid  besteedde;  en  dat  men  den  aanval  op  het  brug- 
genhoofd te  laat  verrichtte,  en  met  te  weinig  kracht.  Dat  zijn 
misslagen,  die  getuigen  tegen  het  beleid  van  Rabenhaupt;  en 
wanneer  voor  dien  veldheer  ooit  een  standbeeld  wordt  opgericht, 
dan  moet  —  dit  is  reeds  vroeger  aangemerkt  —  hem  die  eer 
aangedaan  worden  als  verdediger  van  Groningen,  niet  als  aan- 
valler van  Grave. 

Waren  die  misslagen  niet  begaan,  dan  zou  de  vermeestering 
van  Grave  minder  tijd,  minder  bloed  hebben  gekost;  maar  toch 
zou  zij  altijd  eene  zeer  moeielijke  handeling  zijn  geweest,  en  niet 
dan  ten  koste  van  groote  opofferingen  zijn  ten  einde  gebracht. 

Voor  den  tijd  waarin  zij  plaats  had,  was  de  belegering  van 
Grave  eene  onderneming,  waarvan  de  uitkomst  zeer  onzeker 
was;  en  men  moet,  om  die  belegering  met  juistheid  te  beoor- 
deelen^  zich  wel  herinneren,  dat  de  aanval  toen  op  lange  na 
niet  die  hulpmiddelen  had,  waarover  zij  heden  ten  dage  kan 
beschikken. 

Gezwegen  nog  van  de  overgroote,  bijna  dagelijks  toenemende 
werking  van  de  artillerie ;  ons  slechts  houdende  aan  den  toestand 
zooals  die  was  in  het  midden  van  de  negentiende  eeuw,  dan  was 
toch  een  beleg  van  dien  tijd  geheel  iets  anders  dan  een  beleg 
in  de  zeventiende  eeuw.  Bij  een  hedendaagsch  beleg  toch  zou 
de  aanvaller  door  eene  betere  aanwending  van  de  artillerie,  door 
de  ricochet-schoten  in  staat  zijn  om  de  batterijen  van  de  vesting 
tot  zwijgen  te  brengen  en  de  palissadeeringen  te  vernielen,  in 
1674  niet;  toen  moest  de  aanvaller  de  vesting  naderen,  terwijl 
de  palissadeeringen  van  den  bedekten  weg  ongedeerd  bleven,  en 
het  geschutvuur  van  de  vesting  zijn  volle  kracht  behield. 

Onder  zulke  omstandigheden  is  het  niet  te  verwonderen,  dat 
men  een  geduchten  tegenstand  ondervond  van  eene  talrijke,  dap- 
pere bezetting,  voorzien  van  eene  buitengewoon  sterke  artillerie 
en  van  alles  wat  bij  een  beleg  noodig  is,  en  eene  vesting  ver- 
dedigende die  slechts  op  enkele  gedeelten  kon  worden  aange- 
vallen, en  waar  het  geschut  met  zooveel  zorg  en  met  zooveel 
beleid  in  batterij  was  geplaatst,  dat  het  weinig  of  niets  had  te 
lijden  van  de  rechtstreeksche  schoten,  de  eenige  die  men  toen 
aanwendde.  Had  men  Grave  dadelijk  ingesloten,  had  men  aan 
de  aanvalswerken  meer  uitbreiding  gegeven  en  de  batterijen  beter 
aangewend,  dan  had  men  *s  vijands  uitvallen  beter  kunnen  tegen- 
gaan ;  misschien  had  men  ook,  door  van  mijnen  gebruik  te  maken, 
eenige  vernieling  kunnen  teweegbrengen  in  de  werken  des  ver- 
dedigers; —  maar  in  weerwil  van  dat  alles  zou  de  belegering 
lang  en  bloedig  zijn  gebleven.  Het  vermijden  van  de  opgenoemde 
misslagen  zou  den  duur  der  belegering  iets  verkort,  de  verliezen 
des   aanvallers  iets  verminderd  hebben;  maar  langdurig  zou  de 

WILLEM  III.  —  II.  10 


Digitized  by 


Google 


146  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

belegering  nog  altijd  zijn  gebleven,  aanzienlijk  nog  altijd  de  ver- 
liezen van  den  aanvaller. 

Wat  viel  hier  dus  te  doen  ?  —  Een  van  tweeën :  óf  zich  de 
groote,  onvermijdelijke  verliezen  van  een  beleg  getroosten,  óf  de 
vesting  winnen  door  het  langzame,  geen  verlies  aanbrengende 
middel  van  eene  nauwe  insluiting  en  uithongering. 

Wij  gelooven  dat,  onder  de  omstandigheden  waarin  men  zich 
in  1674  bevond,  dit  laatste  middel  het  verkieslijk ste  zou  zijn  ge- 
weest. Men  had,  evenals  Prins  Maurits  dit  deed  bij  de  belegering 
van  1602,  moeten  beginnen  met  de  stad  te  omgeven  met  eene 
verschanste  linie,  met  dit  onderscheid,  dat  die  linie  minder  had 
moeten  dienen  tegen  den  vijand  van  buiten,  dan  legen  de  ves- 
ting; dit  was  het  eerst  noodig;  later  kon  men  arbeiden  aan  eene 
circumvallatie-linie,  en  was  deze  voltooid,  dan  kon  men  gerust 
elke  poging  tot  ontzet  afwachten,  —  eene  poging  die  bij  de  be- 
staande omstandigheden  niet  waarschijnlijk  was.  Zoo  handelende 
kon  men  de  vesting  doen  vallen  in  denzelfden  tijd  als  nu  door 
het  beleg;  want  nu  reeds  was  er  bij  de  overgave  gebrek  aan 
leeftocht;  en  dat  gebrek  zou  dan  natuurlijk  spoediger  zijn  ont- 
staan, daar  de  bezetting  dan  grootere  sterkte  zou  behouden  heb- 
ben. Men  had  dan  evenzeer  de  vesting  gewonnen,  en  ddt  zonder 
verlies  van  menschenlevens,  zonder  verspilling  van  munitie,  alleen 
ten  koste  van  tijd  en  arbeid.  Daar  waar  de  aanvaller  geen  reden 
heeft  om  zich  te  haasten,  verdient,  zelfs  in  ónzen  tijd,  de  uithon- 
gering van  eene  vesting  de  voorkeur  boven  hare  belegering; 
zooveel  te  meer  moest  dat  waar  zijn  in  de  zeventiende  eeuw, 
toen  bij  een  beleg  de  aanvaller  zooveel  minder  kansen  had  van 
te  slagen  dan  in  onzen  tijd. 

Maar  men  verkoos  een  beleg;  en  die  keus  bracht  noodwendig 
de  groote  verliezen  meê,  die  men  geleden  heeft;  want  —  het 
zij  herhaald  —  het  vermijden  van  de  opgenoemde  misslagen  kon 
die  verliezen  iets  minder  maken,  maar  veel  toch  niet.  De  ves- 
ting was  nu  alleen  te  winnen  ten  koste  van  menschenlevens;  zij 
kon  alleen  worden  gewonnen  door  volhardende,  uitstekende  dap- 
perheid. En  die  dapperheid  ontbreekt  dan  ook  niet  bij  de  be- 
legeraars; daaraan  wordt  te  weinig  recht  gedaan,  te  weinig  lof 
toegezwaaid!  Men  roerat  Chamilly,  en  den  onbezweken  tegen- 
stand door  zijne  bezetting  geboden;  maar  men  waardeert  niet 
genoeg  de  helden,  wier  leeuwenmoed  dien  tegenstand  te  boven 
kwam;  en  toch,  hij  die  met  aandacht  de  bijzonderheden  leest 
van  dit  altijd  merkwaardige  beleg,  zal  tot  de  overtuiging  komen 
dat  zelden  of  nooit  op  een  slagveld  met  meer  hardnekkigheid 
en  zelfopoffering  is  gestreden  dan  hier  voor  Grave  door  den 
Stadhouder  en  door  zijne  dappere  soldaten.  Caesar's  legioenen, 
de  onbezweken  krijgsscharen  van  een  Gustaaf  Adolf,  de  dapperen 
door  Napoleon  aangevoerd  tegen  de  brug  van  Arcole,  de  batal- 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   GR  AVE.  I47 

jons  waarmede  Wellington  de  muren  van  Badajoz  beklom  of 
waarmede  hij  op  het  slagveld  van  Waterloo  zegevierde,  —  zij 
allen  hebben  geen  hooger  aanspraak  op  krijgsroem  dan  de  regi- 
menten van  Willem  III,  die  alleen  door  hunne  volhardende  stout- 
heid den  tegenstand  van  een  Chamilly  konden  overwinnen. 

De  roem  van  den  Franschen  held...  Wie  zal  hem  dien  ont- 
zeggen, wie  zal  dien  verkleinen?  wij,  niet.  Wij  hebben  gezegd, 
dat  er  overdrijving  en  grootspraak  is  in  de  voorstelling,  door  de 
Fransche  schrijvers  van  de  verdediging  gegeven ;  wij  hebben  aan- 
getoond waarom  wij  niet  gelooven  aan  dat  bijna  verrassen  van 
's  Hertogenbosch  of  aan  de  bewering  dat  zonder  den  uitdrukke- 
lijken  last  van  Lodewijk  XIV  de  vermeestering  van  Grave  den- 
kelijk niet  zou  hebben  plaats  gehad;  —  maar  dit  belet  niet,  dat 
wij  de  hoogste  bewondering  koesteren  voor  de  uitstekende  dap- 
perheid en  bekwaamheid  van  Chamilly;  dat  wij  zijn  naam  eer- 
biedigen als  den  naam  van  een  der  beroemdste  aanvoerders  van 
zijn  tijd ;  dat  wij  in  hem  het  ideaal  zien  van  wat  de  bevelhebber 
eener  aangevallen  vesting  moet  zijn.  Vergelijk  eens  de  verdedi- 
ging van  Grave  in  1674  met  die  van  Maastricht  het  jaar  te 
voren,  —  die  dan  toch  nog  niet  slecht  was;  —  en  zie  hoe  on- 
gunstig die  vergelijking  uitvalt  voor  den  Hollandschen  bevel- 
hebber van  laatstgenoemde  vesting;  en  hoe  klaarblijkelijk  men 
daaruit  kan  zien  wat  één  man  kan  doen  en  hoe  bijna  alles  af- 
hangt van  den  bevelhebber. 

Ook  wij  hebben  in  onze  geschiedenis  tal  van  schitterende 
steden- verdedigingen  aan  te  wijzen,  vooral  in  onzen  tachtigjarigen 
oorlog;  en  meer  dan  één  onzer  vestingen,  met  minder  hulpmid- 
delen voorzien  dan  Grave  in  1674,  heeft  langer  tijd  weerstand 
geboden  aan  nog  krachtiger  aanval  dan  die  waarvoor  Chamilly 
heeft  moeten  bukken.  Maar  men  moet  hierbij  wel  in  het  oog 
houden,  hoezeer  de  drijfveeren,  die  in  dien  oorlog  onze  voor- 
ouders aanspoorden  tot  hardnekkigen  wederstand,  verschillend 
waren  van  de  drijfveeren  die  Chamilly  zoo  lang  de  wapens  in 
de  hand  deden  houden. 

Onze  voorouders  streden  niet  enkel  uit  roemzucht  en  vader- 
landsliefde, niet  enkel  voor  hunnen  godsdienst  of  voor  hunne 
vrijheid;  maar  zij  streden  ook  om  te  ontkomen  aan  den  dood, 
aan  de  ergste  onderdrukking,  aan  de  wreedste  mishandelingen. 
Wanneer  de  burger  van  Haarlem  en  Alkmaar  met  leeuwenmoed 
de  wallen  zijner  stad  aan  Alva*s  wreede  horden  betwistte,  wist 
hij  dat  van  het  behoud  dier  stad  zijn  leven  afhing,  het  behoud 
van  have  en  erf,  de  eer  zijner  vrouw  en  dochteren.  De  harde 
nooddwang  die,  in  de  oudheid,  Tyrus,  Carthago,  Numantia  en 
zooveel  andere  steden  tot  wanhopigen  wederstand  aanspoorde; 
die,  in  den  kamp  tusschen  de  Christenheid  en  de  aanhangers 
der  halve  maan,  Rhodus  en  Szigeth  zich  met  bijna  fabelachtige 


Digitized  by 


Google 


148  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

volharding  deden  verweren;  diezelfde  nooddwang  is  voor  een 
gedeelte  de  oorzaak  geweest  van  den  heldenmoed  der  Ripperda's 
en  der  Van  der  Werfs. 

Voor  Chamilly  bestond,  in  1674,  die  krachtige  drangreden 
niet:  hij  had  met  een  vijand  te  doen,  van  wien  niets  dan  men- 
schelijkheid  was  te  wachten;  en  het  einde  van  het  beleg,  de 
overgave  van  Grave,  zou  de  Fransche  bezetting  noch  aan  levens- 
gevaar blootstellen,  noch  denkelijk  zelfs  de  vrijheid  doen  ver- 
liezen; maar  die  bezetting  integendeel  bevrijden  van  de  ver- 
moeienissen, ontberingen  en  gevaren,  onafscheidelijk  van  een 
beleg.  Indien  dus  Chamilly  de  verdediging  zoo  lang  mogelijk 
heeft  voortgezet,  de  overgave  zoo  lang  mogelijk  vertraagd,  dan 
is  dit  enkel  geweest  omdat  hij  zijn  koning  wilde  gehoorzamen, 
zijn  vaderland  dienen;  dan  is  dit  enkel  geweest  om  zijn  solda- 
tenplicht  te  vervullen,  om  zijn  eer  als  krijgsman  te  verhoogen, 
om  roem  te  behalen.  De  heldenmoed  van  Chamilly  is  dus  veel 
minder  de  vrucht  der  noodzakelijkheid  geweest,  veel  meer  het 
gevolg  van  vrijen  wil;  en  ddt  maakt  dien  heldenmoed  nóg  ver- 
dienstelijker, nóg  schitterender.  Laat  ons  dus,  met  waarheid  en 
onpartijdigheid,  den  naam  van  Chamilly  vereeren  als  dien  van 
een  uitstekend  krijgsman;  wij,  Hollanders,  hebben  in  onze  ge- 
schiedenis voorbeelden  genoeg  van  heldengrootheid  om  zonder 
naijver  ook  bij  den  vreemdeling  te  huldigen  wat  groot  is  en 
verheven. 

Wat  Rousset  over  het  beleg  van  Grave  heeft,  bevat  weinig 
meer  dan  het  bekende;  alleen  verdient  overgenomen  te  worden 
wat  de  Fransche  schrijver  zegt  over  de  munitie  in  de  vesting, 
en  over  de  onderscheiding  waarmede  Chamilly  bejegend  werd 
door  Willem  III.  In  het  tweede  deel  van  de  y^Hhtoire  de  Louyois'\ 
blz.  64 — 68,  komt  daarover  het  volgende  voor: 

»Had  men  Grave  kunnen  behouden,  zooals  men  Oudenaarden 
behield,  dan  had  Lodewijk  XIV  niets  beters  kunnen  verlangen; 
maar  Grave  was  te  ver  af,  en  de  tijd  was  verloopen.  O.n  tijdig 
en  met  vrucht  te  kunnen  handelen  had  de  Prins  van  Condé 
reeds  bij  het  begin  van  den  veldtocht  eene  beslissende  overwinning 
op  den  Prins  van  Oranje  behaald  moeten  hebben.  Zonder  dat 
kon  men  aan  de  verdedigers  der  vesting  geen  anderen  eisch 
stellen  dan  de  verdediging  zoo  lang  mogelijk  te  rekken  en  den 
vijand  zooveel  afbreuk  te  doen  als  maar  kon 

De  bezetting  was  vier  duizend  man  sterk,  met  buitengewoon 
groote  verdedigingsmiddelen,  met  te  veel  geschut  en  te  veel 
buskruit. 

Men  weet  op  welk  een  behendige  wijze  Louvois,  vóór  den 
oorlog,   in   Holland   den   krijgsvoorraad  van   de  Hollanders  had 


Digitized  by  VjOOQIC 


BELEG  VAN   GR  AVE.  I49 

doen  opkoopen ;  wat  men  minder  algenaeen  weet,  dat  is  hoe  hij, 
door  een  aardigen  ommekeer  van  zaken,  in  1674  gedrongen 
werd  om  er  op  bedacht  te  zijn,  hun  die  munitiën  weer  te  ver- 
koopen.  Den  29sten  Mei,  lang  voordat  er  sprake  was  van  het 
beleg  van  Grave,  schreef  hij  uit  de  legerplaats  voor  Döle  aan 
den  markies  De  Chamilly:  »die  groote  hoeveelheid  buskruit  die 
gij  hebt,  is  een  lastige  item  in  eene  vesting ;  want  daar  zij  bijna 
geheel  opeengehoopt  is  op  hetzelfde  punt,  zou  er,  kwam  er  een 
ongeluk  te  gebeuren  door  het  springen  van  eene  bom  of  door 
het  een  of  ander  toeval,  in  de  geheele  vesting  geen  huis,  geen 
mensch  overblijven.  Zie  dus  of  er  geen  kans  is,  dat  kruit  voor 
goed  geld  aan  den  vijand  —  dat  is  aan  de  Hollanders,  —  te 
verkoopen,  in  schijn  alsof  gij  den  Koning  daarmede  besteelt;  gij 
zoudt  hun  de  helft  kunnen  verkoopen  van  wat  gij  hebt;  dan 
houdt  gij  nog  volop  over."  Wat  nog  verbazender  is  dan  deze 
uitvinding  van  Louvois,  dat  is  de  onvergelijkelijke  eenvoud, 
waarmede  Chamilly  met  die  handeling  instemde.  »Men  moet  be- 
denken" —  antwoordde  hij  den  Minister  (12  Juni)  —  »dat  wij 
hier  achthonderd  duizend  pond  buskruit  hebben;  volgens  uwe 
bedoelingen  heb  ik  menschen  uitgezonden  om  slechts  de  helft 
van  dat  kruit  aan  de  Hollanders  te  verkoopen,  alsof  ik  daarmee 
den  Koning  besteel."  (Nergens  blijkt  echter,  dat  die  verkoop 
van  buskruit  werkelijk  heeft  plaats  gehad). 

•  Die  heldhaftige  aanvoerder,  die  zich  zoo  kalm  aan  het  gevaar 
blootstelde  van  voor  een  dief  en  verrader  te  worden  gehouden, 
werd  aangebeden  door  zijn  soldaten,  wier  diensten  hij  wist  te 
doen  gelden.  Toen  Rabenhaupt  dan  ook  op  het  einde  van  Juli 
roet  een  12000  man  Grave  kwam  belegeren,  vond  hij  een  zoo 
bekwaam  en  vastberaden  tegenstander,  dat  hij,  na  verlies  van 
veel  volks,  zijne  aanvallen  staakte,  zijn  legerplaats  versterkte,  en 
van  belegeraar  bijna  belegerde  werd 

De  Koning,  voldaan  over  zijne  heldhaftige  verdediging,  zond  hem 
(Chamilly)  ten  laatste,  —  den  i2eD  October  —  last  om  wat  er 
van  zijne  vesting  was  overgebleven,  over  te  geven  aan  den  Prins 
van  Oranje.  Den  26steD  had  de  capitulatie  plaats,  na  een  beleg 
van  93  dagen.  Chamilly  trok  uit,  aan  het  hoofd  van  de  dapperen 
die  hem  waren  overgebleven,  met  slaande  trom,  met  volle  wapen- 
rusting en  bagage;  de  vijand  gaf  hem  vaartuigen  voor  zijn  zieken 
en  gewonden;  hij  kreeg  zelfs  paarden  te  leen,  om  22  Fransche 
kanonnen  en  een  voUedigen  trein  van  koperen  pontons  naar 
Maastricht  te  vervoeren, 

De  persoonlijke  beleefdheid  die  de  Prins  van  Oranje  aan 
Chamilly  bewees  en  aan  diens  staf,  wekte  den  argwaan  op  van 
den  ouden  Letellier  (de  vader  van  Louvois),  door  ondervinding 
wantrouwend.   »Naar  mijne  meening"  —  schreef  hij   aan  graaf 


Digitized  by 


Google 


150  KRIJGS-   EN   GBSCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

d'Estrades  —  »moet  men  daarin  nog  geen  blijk  zien,  dat  hij 
genegen  is  om  's  Konings  gunst  te  herwinnen ;  hij  doet  het  onge- 
twijfeld alleen  in  het  belang  van  zijn  eigen  naam,  en  om  te  doen 
uitkomen  dat  hij  de  dapperen  acht  en  de  deugd  bemint."  Niets 
gegronder  dan  die  onderstelling;  maar  met  dat  scherpe  inzicht 
ging  bij  Letellier  gepaard  een  gevoel  van  spijt  en  verbittering 
tegen  den  Prins  van  Oranje,  die  pas  door  zijne  minachtende 
onverschilligheid  den  vaderlijken  trots  van  Lodewijk  XIV  had 
gekrenkt,  en  afbreuk  had  gedaan  aan  den  roem  van  voorzichtig- 
heid en  beleid  van  diens  ouden  staatsdienaar..." 

Hiermede  wordt  gezinspeeld  op  het  voornemen  om  Willem  III 
tot  vrouw  te  geven  Mademoiselle  De  Blois,  een  dochter  van 
Lodewijk  XIV  bij  La  Vallière,  toen  elf  jaar  oud,  dus  een  huwelijk 
in  de  toekomst.  Den  lóen  October  schrijft  Letellier  aan  d'Estrades, 
dat  wanneer  Pesters  terugkomt  te  Maastricht,  deze  met  omzich- 
tigheid daarover  moet  worden  gepolst: 

(Rousset,  blz.  69)  ...» Antwoordde  de  Prins  ronduit  —  zooals 
Saint-Simon  beweert  —  dat  de  Prinsen  van  Oranje  gewoon  waren 
de  wettige  dochters  van  groote  koningen  te  trouwen,  maar  niet 
hunne  basterden?  —  Waarschijnlijk  is  dat  niet;  officieel  werd 
dat  antwoord  ten  minste  niet  gegeven..." 

Dat  laatste  ontbrak  er  ook  nog  maar  aan.  —  Ook  wij  gelooven 
niet,  dat  Willem  III  op  het  huwelijksvoorstel  geantwoord  heeft 
met  die  woorden  die  Saint-Simon  vermeldt.  Cela  sent  trop  la  pkrase. 
Saint-Simon  is  een  uitmuntend,  soms  een  meesterlijk  schrijver, 
maar  men  moet  hem  niet  onvoorwaardelijk  gelooven;  niet  dat 
hij  opzettelijk  te  kort  doet  aan  de  waarheid,  maar  hij  mist  de 
noodige  scherpzinnigheid  om  deze  te  onderkennen;  hij  teekent 
maar  op  wat  algemeen  geloofd  wordt,  wat  hij  zelf  gelooft.  Toch 
kan  het  zeer  wel  zijn,  dat  aan  Willem  III  werkelijk  de  hand  is 
aangeboden  van  die  onechte  dochter  van  Lodewijk ;  en  het  af- 
wijzen van  dat  aanbod  is  zeer  natuurlijk,  als  men  in  aanmerking 
neemt  het  fiere  karakter  van  den  Stadhouder,  en  de  dwaasheid 
die  er  in  zou  gelegen  zijn  om  den  geest  van  het  Hollandsche 
volk  van  zich  te  vervreemden  door  het  aangaan  van  zulk  een 
verbintenis  met  Frankrijk. 


Digitized  by 


Google 


1675.  15» 


HOOFDSTUK  XVI. 

1675;    MET  HERTOGSCHAP   OVER  GELDERLAND;   WILLEM   III   EN 
LÜUVOIS;  VELDTOCHTEN  DE  SPAANSCHE  NEDERLANDEN,  EN 

IN   düitschland;    dood   van   turenne;    laatste 

KRIJGSVERRICHTINGEN  IN    1675. 

Vergeleken  met  de  zoo  grootsche  wapenfeiten  van  1674,  zijn 
de  krijgsverrichtingen  van  1675  ^^  ^^  Spaansche  Nederlanden 
van  weinig  beduidenis  geweest;  wij  zullen  die  ook  maar  vluchtig 
bespreken ;  voornamelijk  zal  Rousset  daarbij  geraadpleegd  worden. 

De  yyHistoire  de  Louvois^  van  dien  schrijver  heeft  de  groote 
verdienste,  dat  zij  ons  de  inwendige  gesteldheid  van  Frankrijk, 
den  waren  toestand  van  het  Fransche  krijgswezen  tijdens  de 
17e  eeuw  beter  leert  kennen,  juister  doet  beoordeelen.  Zoo  zoude 
men  bij  voorbeeld  stellig  verwachten,  dat  in  een  machtig  rijk 
als  het  Frankrijk  van  Lodewijk  XIV,  in  een  geheel  militairen 
staat,  onder  een  oorlogsminister,  zoo  krachtig  en  bekwaam  als 
Louvois,  het  krijgswezen  zich  in  volmaakte  orde  bevond,  niets 
te  wenschen  overliet.  Wie  dit  meent,  zal  vreemd  opkijken,  als  hij 
de  volgende  plaats  uit  Rousset's  werk  leest  (2' deel,  blz.  126—127); 
en  die  wijze  mannen  bij  ons,  die  dadelijk  van  het  geheele  verval 
van  het  leger  spreken,  als  maar  één  soldaat  zich  moet  behelpen 
met  een  politiemuts  in  plaats  van  met  een  schako,  zullen  het 
moeielijk  kunnen  begrijpen,  hoe  men,  met  zulk  een  krijgswezen 
als  het  Fransche  tijdens  Louvois,  toch  van  Frankrijk  de  eerste 
militaire  mogendheid  van  Europa  heeft  kunnen  maken: 

...»Vele  veldbataljons  {bataillons  de  guerre)  hadden  zich  vol- 
tallig gemaakt  ten  koste  van  de  garnizoen s- compagnieën,  waaruit 
de  officieren  bijna  alle  manschappen  hadden  genomen  die  in 
staat  waren  om  te  dienen.  Die  wijze  van  aanvulling  was  echter 
zóó  gevaarlijk  voor  de  veiligheid  van  de  vestingen,  dat  Vauban 
meende  dit  aan  den  Minister  op  de  krachtigste  wijze  te  moeten 
onder  het  oog  brengen:  »het  gaat  steeds  van  kwaad  tot  erger," 
—  schreef  hij  hem  —  »en  het  maakt  mij  waarlijk  beangst;  want 
als  ik  zie  dat  de  vestingen  bezet  zijn  met  compagnieën,  bestaande 
uit  kinderen  en  uit  zwakke  ongelukkige  wezens,  die  men  met 
geweld  aan  de  hunnen  ontrukt,  of  op  duizenderlei  wijze  tot  zich 
goochelt,  en  die  daar  gecommandeerd  worden  door  officieren, 
meestal  even  jammerlijk  als  de  soldaten,  —  waarlijk,  dan  vrees 
ik  voor  de  Monarchie;  te  meer  omdat  men  op  zulke  soldaten 
weinig  of  niet  kan  vertrouwen,  daar  zij,  in  de  meeste  vestingen, 
wonen  als  de  varkens,  bijna  half  naakt  loopen,  en  schier  sterven 
van  honger;  wat  dan  ook,  naar  het  zeggen  van  de  geestelijken 
en   van   de   dokters  die  hen  verzorgen,  de  voorname  oorzaak  is 


Digitized  by 


Google 


152  KRIJGS-  EN  GESCHIBDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

van  de  ziekten  en  van  de  sterfte  die  onder  hen  heerschen.'*  — 
Louvois  een  misbruik  aanwijzen^  was  genoeg  om  het  hem  in  den 
wortel  te  doen  bestrijden;  jammer,  dat  die  wortel  hier  zeer  vast 
zat,  in  het  eigenbelang  van  sommige  bevelhebbers  van  vestingen: 
die  bevelhebbers  wierven  voor  een  spotprijs  jonge  soldaten  aan^ 
en  deden  die  dan  met  winst  over,  zoodra  zij  eenigszins  geoefend 
waren  om  te  velde  te  kunnen  dienen..." 

Vroeger  is  gezegd,  dat  in  Frankrijk,  in  1674,  de  helft  van  den 
y^arrière-ban''*  was  opgeroepen.  Rousset  beweert,  dat  dit  toen  niets 
geen  nut  had;  omdat,  wat  er  militairs  was  bij  den  adel,  reeds 
diende  bij  leger  of  vloot.  Toch  riep  men  in  1675  ^^k  de  andere 
helft  van  den  y^rrière-bafC'  op,  echter  alleen  als  fiskale  maatregel : 
de  edelen  moesten  niet  zelf  opkomen,  maar  voor  hunne  niet- 
opkomst  eene  belasting  betalen.  Voor  dat  geld  werden  eenige 
compagnieën  Che%*eaux-léger%  opgericht. 

Vóórdat  Rousset  de  krijgsverrichtingen  van  1675  bespreekt, 
weidt  hij  nog  al  uitvoerig  uit  over  de  toenadering  die  toentertijd 
viel  op  te  merken  tusschen  Frankrijk  en  Willem  III,  en  over  de 
verhouding  tusschen  den  Stadhouder  en  de  Staten  der  Ver- 
eeni^de  Nederlanden.  Wat  de  Fransche  schrijver  daarover  zegt, 
vereischt  eenige  toelichting  en  aanvulling  uit  ónze  schrijvers ;  wij 
willen  ons  daarbij  een  oogenblik  ophouden;  de  staatkundige 
handelingen  van  1675  toch  zijn  belangrijker  geweest  dan  de 
krijgskundige;  en  die  krijgskundige  handelingen  hangen  ook  zoo- 
zeer af  van  de  staatkundige,  dat  het  ondoenlijk  is  om  de  laatste 
geheel  voorbij  te  gaan,  wil  men  de  eerste  goed  begrijpen  en 
naar  eisch  waardeeren. 


In  de  zeventiende  eeuw  had  men  in  Europa  niets  dan  Repu- 
blieken en  absolute  monarchieën;  in  de  laatste  oefende  één  per- 
soon een  bijna  onbeperkt  gezag,  weinig  of  niet  begrensd  door 
wetten  of  oude  iraditiën.  Een  Europeesch  vorst,  die  het  maar 
eenigszins  behendig  aanlegde,  kon  toen  even  vrij  met  zijne  onder- 
danen omspringen  en  over  hun  leven  en  hunne  bezittingen  be- 
schikken als  in  oude  tijden  Darius  en  Xerxes  dit  met  hunne 
Perzen  konden  doen;  en  als  dit  in  de  zeventiende  eeuw  op 
minder  wreede  en  barbaarsche  wijze  geschiedde,  dan  heeft  men 
dit  te  danken  aan  de  grootere  uitbreiding  van  verlichting  en  be- 
schaving, en  aan  den  invloed  van  het  Christendom.  In  de  Repu- 
blieken van  het  Europa  der  zeventiende  eeuw  was  het  opper- 
gezag in  handen  van  eenige  mannen;  in  ónze  Republiek  was  hun 
getal  nog  al  groot;  maar  alles  wat  niet  behoorde  tot  die  regee- 
rende  standen,  klassen  of  lichamen,  dat  genoot  maar  een  zeer 
beperkte  mate  van  vrijheid;  en  daar  was  zooveel  overdrijving 
niet  in,  toen,  in  onzen  tijd,  de  zoon  van  een  Friesch  grietman 


Digitized  by 


Google 


HET  HERTOGSCHAP  OVER  GELDERLAND.  153 

tegen  koning  Willem  Illzcide:  >mijn  vader  had  in  zijn  grietenij 
evenveel  te  zeggen  als  de  grootvader  van  Uwe  Majesteit  over 
het  Russische  rijk." 

De  algemeene  burgerlijke  vrijheid,  op  de  wetten  gegrond^  is 
de  vrucht  geweest  van  den  constitutioneelen  regeeringsvorm ;  en 
in  de  zeventiende  eeuw  bestond  die  regeeringsvorm  in  Europa 
nog  niet.  Men  moet  ons  hier  Engeland  niet  voorhouden,  want 
het  is  eerst  na  de  troonsbeklimming  van  Willem  III,  dat  in  Enge- 
land een  begin  gemaakt  werd  met  een  geregelden  constitutio- 
neelen regeeringsvorm ;  vóór  dien  tijd  is  daar  nog  niets  geregeld ; 
vóór  dien  tijd  is  het  nog  een  toestand  van  wording,  van  worste- 
ling en  strijd,  waarbij  nu  eens  de  eene  dan  weder  de  andere 
partij  overwint,  en  dan  ook  hare  overwinning  tot  het  uiterste 
voortzet,  waarbij  nu  eens  de  partij  van  het  Parlement  en  van  het 
volk  zegeviert,  de  Republiek  invoert,  en  Koning  Karel  I  op  het 
schavot  doet  sterven,  dan  weder,  de  Stuarts  de  vrijheidsmannen 
kerkeren  en  dooden,  en  den  triomf  vieren  van  het  absolutisme 
en  van  het  goddelijk  recht  der  vorsten. 

Vóór  den  opstand  tegen  Spanje  bestond  bij  ons,  zooals  men 
weet,  de  eenhoofdige  regeeringsvorm;  onze  vorsten,  uit  het  huis 
van  Bourgondië  of  van  Oostenrijk  regeerden  onder  verschillende 
titels  over  de  verschillende  Nederlandsche  gewesten;  zij  waren 
Graven  van  Holland,  van  Zeeland,  van  Vlaanderen,  Hertogen 
van  Braband  enz.;  zij  hadden  wel  Staten  naast  zich,  en  werden 
wel  eenigszins  gebonden  door  oude  herkomsten  of  privilegieën ; 
maar,  wij  herhalen  het,  met  eenige  behendigheid  oefenden  zij 
inderdaad  een  volstrekt  gezag.  Men  merke  slechts  op  hoe  onder 
anderen  Karel  V  regeert. 

Bij  het  afschudden  van  het  Spaansche  juk  was  er  kans  dat  de 
eenhoofdige  regeering  bij  ons  bleef  bestaan;  het  voornemen  be- 
stond om  Willem  I  tot  Graaf  van  Holland  en  Zeeland  te  ver- 
heffen, en  alleen  de  dood  van  dien  grooten  man  heeft  de  ver- 
wezenlijking van  dat  voornemen  belet,  die  reeds  vrij  ver  gevorderd 
was.  Na  dien  tijd  bleef  de  republikeinsche  regeeringsvorm  ons 
deel:  het  stadhouderschap,  de  Staten  —  die  twee  antagonistische 
instellingen.  De  eenhoofdige  regeeringsvorm  zou  denkelijk  meer 
eenheid  en  kracht  gegeven  hebben  aan  onze  werking  naar  buiten, 
als  mogendheid;  zou  zij  binnenslands  evenveel  vrijheid  hebben 
gegeven?  —  Genoten  wij  toen  dan  vrijheid?  zal  men  vragen; 
ons  antwoord  is:  ja  en  neen;  neen,  wanneer  men  het  vergelijkt 
bij  de  vrijheid  die  wij  thans  genieten;  ja,  wanneer  men  het  ver- 
gelijkt bij  den  toestand  van  de  andere  Europeesche  volkeren  van 
de  zeventiende  eeuw. 

Maar,  wat  hiervan  ook  zij,  of  de  eenhoofdige  regeering  voor 
ons  al  dan  niet  wenschelijk  was,  wij  kwamen  er  niet  toe  dien 
regeeringsvorm  aan  te  nemen,  zelfs  niet  toen  Prins  Maurits  de 


Digitized  by 


Google 


154  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

partij  van  Oldenbarneveld  had  overwonnen,  zelfs  niet  toen  Wil- 
lem II  zijn  coup  d^état  had  verricht.  Maar  in  1675  werd  toch 
een  ernstige  poging  beproefd  om  Willem  III  tot  het  vorstelijk 
gezag  te  verheffen;  en  zeker,  wanneer  die  poging  ooit  kans  had 
van  te  gelukken,  dan  was  het  toen,  daar  het  Hollandsche  volk 
den  heldhaftigen  Stadhouder  te  recht  vereerde  en  vergoodde  als 
den  man  aan  wien  het  in  1672  zijn  redding  te  danken  had  ge- 
had. —  En  toch  is  die  poging  mislukt. 

Is  die  poging  uitgegaan  van  Willem  III  zelf  f  —  Om  die  vraag 
met  ja  te  kunnen  beantwoorden,  ontbreekt  het  aan  stellige  be- 
wijzen; maar  komt  het  alleen  aan  op  zedelijke  overtuiging,  dan 
kan  men  gerustelijk  antwoorden:  ja,  Willem  III  heeft  in  1675  er 
naar  gestreefd  om  Souverein  over  De  Nederlanden  te  worden, 
dit  blijkt  uit  de  menschen  welke  toen  die  poging  beproefden, 
dit  blijkt  uit  het  hevig  misnoegen,  uit  den  toorn,  die  het  mis- 
lukken van  die  poging  bij  den  Stadhouder  opwekte.  —  Maar, 
voorzichtig  en  verstandig  als  Willem  III  —  in  den  regel  —  bij 
staatshandelingen  was,  wist  hij  zich  hier  te  onthouden  van  eiken 
openlijken  stap,  die  zijn  ware  gezindheid  openbaar  zou  hebben 
gemaakt ;  zelf  handelde  hij  niet,  maar  hij  deed  anderen  handelen. 

Onder  die  anderen  was  de  hoofdpersoon,  de  drijver  en  be- 
stuurder van  alles,  de  raadpensionaris  Fagel;  Fagel,  de  vriend 
en  vertrouwde,  de  rechterhand  van  Willem  III.  Wie  eenigszins 
met  onze  geschiedenis  bekend  is,  weet  dat  Fagel  toen  een  schit- 
terende rol  heeft  gespeeld,  en  onder  onze  groote  staatsmannen 
moet  worden  gerekend:  na  het  vermoorden  van  De  Witt,  in 
1672,  werd  Fagel  raadpensionaris  en  bleef  dit  tot  zijn  dood,  in 
1688;  door  zijn  uitstekende  bekwaamheden  was  hij  in  die  zestien 
jaren  tijds,  mét  en  naast  Willem  III,  het  eigenlijke  hoofd  van  de 
Republiek;  en  die  zestien  jaren  zijn  voor  de  Vereenigde  Neder- 
landen een  belangrijk  en  gevaarvol  tijdvak  geweest.  Vóór  1672 
was  Fagel  de  vriend  en  vertrouwde  van  Jan  de  Witt;  na  1672 
is  hij  het  geweest  van  Willem  III.  Die  ommekeer  zou  ten  strengste 
te  veroor deelen  zijn,  ware  zij  het  gevolg  van  eigenbelang  en  eer- 
zucht, het  gevolg  van  die  drijfveer  die  zoo  menig  nieteling  er  toe 
brengt  om  te  verguizen  wat  hij  aanbad,  en  te  aanbidden  wat  hij 
verguisde ;  maar  die  ommekeer  was  bij  Fagel  de  vrucht  der  vaste 
overtuiging,  dat  Willem  III  toen  onmisbaar  was  voor  bet  behoud 
der  Republiek,  en  dat  dus  de  vaderlandsliefde  hem  toen  als  plicht 
voorschreef,  zich  bij  den  Stadhouder  aan  te  sluiten  en  hem  te  steu- 
nen. Die  ommekeer  is  dus  bij  Fagel  geenszins  te  veroordeelen, 
maar  integendeel  te  prijzen ;  op  hem  is  geenszins  van  toepassing 
het  yjte  cynisme  des  apostasiei\  —  de  uitdrukking  door  den  ver- 
maarden Franschen  redenaar  Berryer  eenmaal  gebezigd  ten  aan- 
zien van  zulk  een  ommekeer  in  het  staatkundige. 


Digitized  by 


Google 


HET  HERTOGSCHAP  OVER  GELDERLAND.  I55 

Om  de  Souvereiniteit  van  Willem  III  tot  stand  te  brengen, 
moest  men  beginnen  met  één  der  gewesten,  in  de  hoop  dat  de 
andere  gewesten  dan  dat  voorbeeld  zouden  volgen.  De  keus 
hiertoe  viel  op  Gelderland;  en,  niet  vreemd:  Gelderland,  pas 
weer  ontrukt  aan  de  Fransche  overheersching,  moest  het  als  een 
soort  van  gunst  beschouwen  van  weer  in  de  Unie  te  worden 
opgenomen;  het  was  dus  natuurlijk  dat  het  er  naar  zou  streven 
om  de  minderheid,  uit  zulk  een  toestand  voortspruitende,  eenigs- 
zins  te  laten  opwegen  tegen  een  nauwere  aansluiting  aan  den 
Stadhouder;  die  Stadhouder  was  bovendien  door  de  Algemeene 
Stalen  gemachtigd  om  in  Gelderland  de  regeering  opnieuw  te 
regelen,  en  bezat  dus  ook  daardoor  grooten  invloed  in  dat 
gewest;  een  groot  deel  van  den  Gelderschen  adel  was  zeer 
Oranjegezind ;  en  in  enkele  steden  van  Gelderland  waren  ook 
verwanten  van  Fagel  in  de  regecring,  en  konden  daar  hun 
invloed  doen  gelden.  —  Dit  is  iets  wat  men  bij  het  waardeeren 
en  beoordeelen  van  de  regeeringen  onzer  vroegere  Republiek 
nooit  uit  het  oog  mag  verliezen,  dat  het  zeer  dikwijls  familie- 
regeeringen  waren,  die  elkander  schraagden  en  ondersteunden, 
en  een  taaien  weerstand  boden  aan  alles  wat  vreemd  was. 

Er  waren  dus  redenen  te  over  om  de  poging  tot  het  verwerven 
van  de  Souvereiniteit  in  Gelderland  te  beginnen;  en  de  eerste 
stad  waarmee  men  aanving,  was  Nijmegen.  In  die  srad  had  Fagel 
een  broeder  en  een  zwager  in  de  regeering:  Nikolaas  P'agel  en 
Van  Hoekelura ;  terwijl  een  ander  zijner  verwanten.  Klerk,  secre- 
taris was  der  Staten  van  het  kwartier  van  Nijmegen,  en  door 
zijn  bekwaamheid  daar  veel  invloed  had.  De  vereenigde  werking 
van  die  mannen  maakte  dan  ook,  dat  men  het  daar  oogenblik- 
kelijk  eens  was  om  Willem  III  de  Souvereiniteit  over  Gelderland 
aan  te  bieden.  In  Arnhem  zette  een  Benlinck  de  zaak  op  het 
touw,  evenzeer  met  goed  gevolg.  Ook  in  de  andere  steden  van 
Gelderland  deed  men  de  gilden  en  gemeenten  polsen,  overal 
goedkeuring  en  instemming,  de  zaak  ging  als  van  een  leien 
dakje;  en  nadat  in  het  begin  van  Januari  1675  de  Provisioneele 
regeering  van  Gelderland  was  bijeengekomen,  nam  deze  dan  ook  — 
den  29sien  dier  maand  —  met  eenparigheid  van  stemmen  een 
besluit  om  de  »Hooge  Regeering"  van  Gelderland  en  Zuifen  aan 
den  Prins  van  Oranje  en  aan  diens  » mannelijke  nakomelingen" 
op  te  dragen,  onder  den  titel  van  Hertog  van  Gelder  en 
Graaf  van  Zutfen. 

Toentertijd  was  Willem  III  te  Amerongen  en  te  Dieren,  — 
misschien  ook  op  het  Loo ;  men  weet,  dat  het  Loo  van  zijn  tijd 
dagteekent.  De  Stadhouder  bracht  daar  zijn  tijd  door  met  de 
jacht;  het  heette,  dat  de  staatkunde  hem  daar  natuurlijk  geheel 
en   al   vreemd   was;  dat  hij  er  zich  niet  mee  bemoeide,  er  zelfs 


Digitized  by 


Google 


156  KR1JGS-    EN   GESCHII£DKUXDIGE   BESCHOUWINGEN. 

niet  aan  dacht;  dat  alleen  het  jachtvermaak  hem  dag  aan  dag 
bezighield.  —  Voor  Willem  III  was  de  jacht  het  uitverkoren 
middel  om  zich  af  te  zonderen,  en  in  de  stilte  der  Geldersche 
bosschen  en  heiden  zijn  grootsche  staatsplannen  te  beramen  en 
te  bewerken;  bij  hem  was  de  jacht  wel  een  aangename  uitspan- 
ning, maar  ook  dikwijls  slechts  een  voorwendsel.  Was  de  dag 
jagende  doorgebracht,  dan  volgde  er  meestal  een  gemeenschap- 
pelijke maaltijd,  waarbij  de  jachtgezellen  de  tafelvreugde  ge- 
noten; onze  voorouders  waren  juist  geen  waterdrinkers  of  af- 
schaffers; en  als  bij  zulk  een  gelegenheid  de  beker  lustig  rondging, 
dan  werd  herhaaldelijk  de  gezondheid  gedronken  van  »den  Her- 
tog van  Gelder",  en  die  dronk  met  geestdrift  toegejuicht  door 
de  Geldersche  edelen  en  de  jeugdige  hovelingen  van  den  Stad- 
houder. £ens  zelfs  waagde  men  het  de  gezondheid  te  drinken 
van  den  » Graaf  van  Holland";  —  toen  echter  hield  Willem  III 
zich  alsof  hij  dit  afkeurde;  hij  was  te  staatkundig  om  zoo  open- 
lijk voor  zijn  toeleg  uit  te  komen. 

Toen  de  Geldersche  regeering  op  oföcieele  wijze  Willem  III 
de  Souvereiniteit  over  Gelderland  aanbood,  wilde  de  Stadhouder 
niet  dadelijk  een  beslissend  antwoord  geven,  maar  eerst  het  ge- 
voelen leeren  kennen  van  de  andere  gewesten.  De  vraag,  waarop 
alles  nu  aankwam,  was:  zouden  die  andere  gewesten  het  voor- 
beeld van  Gelderland  volgen;  of  die  handeling  van  Gelderland 
althans  goedkeuren?  —  zoo  niet,  dan  was  het  voor  Willem  III 
een  te  gevaarlijk  spel  om  de  Hertogelijke  kroon  aan  te  nemen. 

In  Utrecht,  waar  Fagel  ook  alweer  een  zijner  verwanten  in  de 
regeering  had,  vond  het  voornemen  van  Gelderland  bijval,  en 
gaven  de  Staten  aan  Willem  III  den  raad  om  de  aangeboden 
kroon  aan  te  nemen.  Maar  in  Holland  mislukte  de  toeleg;  en 
dat  was  beslissend,  want  —  het  is  reeds  vroeger  gezegd  —  Hol- 
land was  toen  om  zoo  te  zeggen  de  Republiek.  Wel  waren  de 
edelen  en  verschillende  Hollandsche  steden  er  voor  om  den 
Prins  aan  te  raden  het  aanbod  van  Gelderland  aan  te  nemen; 
maar  een  aantal  andere  steden  waren  er  tegen,  zeggende,  onder 
andere:  idat  alle  nieuwigheden  gevaarlijk  waren.  De  Prinsen 
van  Oranje  hadden  zich  altoos  met  de  waardigheid  van  Stad- 
houder tevreden  gehouden ;  en  't  was  te  hopen  dat  zij  't  ook  in 
het  vervolg  zouden  doen.  Zijne  Hoogheid  zou  meer  gezag  en 
gunst  bij  't  volk  hebben  als  Stadhouder  dan  als  Souverein.  Het 
opleggen  van  belastingen,  wat  dan  zijn  werk  zou  zijn,  maakte 
de  Staten  min  of  meer  gehaat  bij  de  gemeente.  Men  moest 
hierom  den  Prins  raden,  voor  zijn  eigen  veiligheid  te  zorgen, 
's  volks  gunst  en  achting  te  bewaren,  en  zich  niet  verder  uit  te 
breiden." 

Dit  is  een  vrij  duidelijke  en  ronde  taal,  die  niets  heeft  van 
vleierij.   Onder  de  bestrijders  van   het    Geldersche  hertogschap 


Digitized  by 


Google 


HET  HERTOGSCHAP  OVER  GELDERLAND.  I57 

had  men  steden  als  Haarlem,  Delft,  Leiden,  en  vooral  Amster- 
dam, en  met  zulke  bestrijders  viel  er  moeielijk  meer  aan  te 
denken,  de  zaak  door  te  zetten.  Fagel,  bij  wien  men  zocht  te 
weten  te  komen  wat  het  gevoelen  was  van  den  Prins  zelven, 
antwoordde  voorzichtig,  dat  den  Prins  »de  zaak  onverschillig  was". 

Wat  opmerkelijk  is,  is  wel,  dat  zelfs  het  zoo  Oranjegezinde 
Zeeland  het  aannemen  van  de  Hertogelijke  kroon  aan  Gelder- 
land op  de  krachtigste  wijze  bestreed;  de  taal  in  Zeeland  daar- 
over gevoerd  is  veel  nadrukkelijker  dan  wat  door  de  HoUandsche 
steden  was  gezegd;  die  taal  grenst  aan  het  hartstochtelijke,  aan 
het  heftige: 

iMen  behoorde  vooral  in  acht  te  nemen*'  —  luidde  het  daarin 
onder  andere  —  ihoe  dit  werk  bij  den  gemeenen  man  zou  op- 
genomen worden;  ook  dat  onder  een  eenhoofdige  regeering  de 
koophandel  de  rug  ingereden  werd,  de  wisselbanken  hun  kre- 
diet verliezen,  en  de  Oost-  en  West-Indische  maatschappij  onveilig 
stonden.  Eindelijk  waren  er  ook  groote  zwarigheden  te  voorzien 
in  't  stuk  der  opvolging;  want,  schoon  de  zaken,  onder  't  opper - 
bewind  van  Zijne  Hoogheid,  al  wel  mogten  gaan,  had  men 
nogtans  te  duchten,  dat  de  nazaten,  van  een  andere  inborst 
zijnde,  't  land  zouden  kunnen  storten  in  merkelijke  ongelegenheden. 

Ook  was  de  naam  van  een  oppervorst,  sedert  de  afzwering  des 
konings  van  Spanje,  hatelijk  geworden  bij  de  gemeente;  terwijl 
de  Prins  als  Stadhouder,  hoogelijk  geacht  en  bemind  was,  en 
zelfs,  in  deze  hoedanigheid  de  voornaamste  deelen  der  opper- 
macht uitoefende,  ofschoon  zij  den  Staten  der  bijzondere  ge- 
westen in  eigendom  bleef  toebehooren ;  waarom  men  zulken  voor 
's  Prinsen  beste  vrienden  hield,  die  hem  rieden,  de  aanbieding 
van  Gelderland  af  te  slaan,  en  daarentegen  de  oude  loffelijke 
regeering  dezer  landen  te  handhaven 

Dat  de  bloote  titel  van  Hertog  of  Graaf,  den  Prins  geen 
meer  gezags  geven  kon,  dan  hij  reeds  had;  dal  de  ingezetenen, 
onder  den  zoeten  naam  van  vrijheid,  ook  veel  meer  tot  de 
gemeene  lasten  zouden  willen  opbrengen,  dan  zij,  onder  een 
oppervorst,  zouden  willen  doen;  gelijk  de  vorige  tijden  geleerd 
hadden;  dat  Gelderland  voorgaande,  de  andere  gewesten  zou 
schijnen  te  trekken  om  zich  insgelijks  te  begeven  onder  eene 
eenhoofdige  regeering;  doch  dat  dit  niet  zou  kunnen  geschieden 
zonder  veel  onrust  te  veroorzaken;  dat  het  ook  een  ondank- 
baarheid jegens  God  zijn  zou,  zulk  eene  regeering  te  veranderen, 
die  nu,  door  de  oudheid  en  door  's  Hemels  zegen,  zoo  zeer  be- 
krachtigd was." 

Bij  een  staatsstuk  van  onze  Hollanders  uit  de  zeventiende  eeuw 


Digitized  by 


Google 


158  KRIJGS-   ES  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

is  het  een  gewone  zaak,  de  Heilige  Schrift  te  zien  aanhalen,  of 
daarnaar  te  zien  verwijzen;  dit  had  ook  hier  plaats,  bij  dit  advies 
der  Staten  van  Zeeland;  men  gaf  den  Prins  den  raad,  tde  aan- 
bieding der  hooge  regering  van  Gelderland  af  te  slaan,  naar  het 
loffelijk  voorbeeld  van  Gideon,  wien  Israël,  door  hem  uit  de 
slavernij  der  Midianiten  verlost,  diergelijk  eene  aanbieding  ge- 
daan had." 

Het  was  den  i6en  Februari  1675  dat  de  Staten  van  Zeeland 
hun  advies  aan  Willem  III  inzonden;  maar  de  Stadhouder  had 
het  niet  afgewacht  om  een  besluit  te  nemen:  reeds  wat  er  in  de 
Hollandsche  Statenvergadering  was  gesproken,  maakie  de  aan- 
neming van  de  Geldersche  hertogskroon  onmogelijk.  Den  i5en 
Februari  begaf  de  Prins  zich  naar  Arnhem;  en  weinige  dagen 
later  bedankte  hij  de  Geldersche  Staten  voor  het  gedane  aanbod 
der  Souvereiniteit,  dat  hij  van  de  hand  wees;  hij  nam  echter 
aan,  het  erfelijk  Stadhouderschap  en  het  Kapitein- Generaal-  en 
Admiraalschap  over  Gelderland,  en  bij  de  regeling  van  het  be- 
stuur van  dit  gewest  ontving  zijn  gezag  een  aanmerkelijke  uit- 
breiding. 

Fagel  had  gezegd  van  die  troonsaanbieding,  dat  den  Prins 
»de  zaak  onverschillig  was";  —  hoe  weinig  waarheid  die  woorden 
behelsden,  blijkt  ten  duidelijkste  uit  de  taal,  die,  na  de  beslissing 
van  die  zaak,  door  Willem  III  zelf  werd  gevoerd.  Den  Staten 
van  Utrecht  dank  zeggende  voor  het  geven  van  hun  raad,  voegde 
de  Stadhouder  daarbij,  idat  hij  met  groot  genoegen  had  gezien, 
dat  zijn  voorslag  onder  hen  geen  argwaan  verwekt  had,  gelijk 
in  andere  gewesten,  daar  men  had  voorgegeven,  dat  hij  door 
den  tegenwoordigen  oorlog  niet  dan  zijn  eigen  grootheid  gezocht 
had."  —  De  zijdelingsche  berisping,  in  die  woorden  gelegen  voor 
de  andere  gewesten,  was  echter  niets  in  vergelijking  van  de 
heftige  taal,  door  den  Stadhouder  rechtstreeks  gericht  tot  de 
Staten  van  Zeeland,  die  hij  al  het  gewicht  van  zijn  toorn  dee 
gevoelen;  zijn  schrijven  aan  die  Staten  van  Zeeland  schijn 
ingegeven  door  de  verontwaardiging,  die  aan  den  Latijnschen 
hekeldichter  zijne  zangen  ingaf;  het  is  een  welsprekende,  maar 
heftige  akte  van  beschuldiging  tegen  de  Statenpartij.  —  Men 
oordeele : 

Na  den  Staten  dank  gezegd  te  hebben  voor  hun  raad,  ver- 
volgde de  Stadhouder:  »dat,  onaangezien  zijne  pogingen  altoos 
gestrekt  hadden  om  den  Staat  te  redden  uit  de  rampen,  waarin 
die  sedert  vier  en  twintig  jaar  vervallen  was,  en  bij  zijne  vrijheid 
en  voorrechten  te  bewaren,  hij,  zelfs  uit  de  adviezen  van  eenige 
leden  van  Zeeland,  met  groote  smart  had  vernomen,  dat  men 
andere  gedachten  van  hem  had;  waardoor  ook  in  de  gemeente 
een   argwaan   verwekt  was,  alsof  hij  't  op  het  verkrijgen  van  de 


Digitized  by 


Google 


HET  HERTOGSCHAP  OVER  GELDERLAND.  159 

Souvereiniteit  over  de  landen  toegelegd  had;  en  daardoor  op 
het  wegnemen  van  de  vrijheid,  het  verbannen  van  den  koop- 
handel, het  sloopen  der  Indische  maatschappijen,  het  verzwakken 
van  het  krediet  der  wisselbanken,  en  het  vernietigen  der  schuld- 
brieven loopende  ten  laste  van  de  landen;  —  tot  welke  hate- 
lijke en  boosaardige  vermoedens,  hij,  zijns  wetens,  nimmer 
eenige  reden  gegeven  had. 

Zij,  die  voorheen  't  bewind  der  regeering  in  handen  gehad 
hadden,  hadden  hem  willen  uitsluiten  van  de  waardigheden,  door 
zijne  voorouders,  zeer  ten  dienste  van  de  landen  bekleed;  en 
't  geen  zij  hem  daarvan  nog  als  een  gunst  laten  wilden,  derwijze 
bepaald,  dat  hij  buiten  staat  gesteld  was  om  's  lands  oirbaar  te 
betrachten  naar  behooren.  Men  had  hem  de  voorrechten,  die 
altoos  aan  zijne  bijzondere  goederen  gehecht  geweest  waren,  ge- 
zocht te  benemen.  Alwat  tot  zijne  verkleining  en  verdrukking 
ter  hand  genomen  werd,  doopte  men  vast  met  den  naam  van 
voorstaan  der  vrijheden  en  voorrechten  van  de  lan- 
den; terwijl  de  zoogenaamde  voorstanders  der  voorrechten  en 
vrijheden,  slechts  voorstanders  van  hun  eigen  grootschheid  en 
aanzien  waren,  zich  verheften  boven  hunne  medeburgers,  en  zich, 
op  allerlei  wijzen,  drongen  in  het  bewind,  de  regeering  der  steden 
schikkende  naar  hun  zin,  zonder  veel  acht  te  geven  op  privi- 
legiën. Hij  had  zich  daarentegen,  tot  het  begin  van  den  tegen- 
woordigen  oorlog  toe,  alleenlijk  tot  lijden  en  verdragen  moeten 
schikken;  maar  daarna  getoond,  dat  hij  zijn  goed,  eer  en  leven 
niet  te  waardig  hield  om  't  land  bij  zijne  vrijheid,  voorrechten, 
koophandel,  zeevaart  en  middelen  te  bewaren. 

Wie  kon  vergeten  zijn,  hoezeer  vele  regenten,  toen  't,  in  den 
jare  1672,  aankwam  op  voorstaan  van  de  vrijheid  en  den  gods- 
dienst met  goed  en  bloed,  besloten  en  getracht  hadden,  op  zeer 
schandelijke  voorwaarden,  te  verdragen  met  den  vijand:  en  hoe 
zij,  die  meest  gesnoefd  hadden  van  't  voorstaan  der  vrijheid,  de 
voorbarigsten  waren  geweest  om  een  verdrag  te  sluiten,  waardoor 
godsdienst,  vrijheid,  voorrechten  en  alles  op  eens  verloren  ge- 
weest zouden  zijn  ?  Wien  was  onbekend,  hoe  hij,  zich  verlatende 
op  de  gunst  des  Almagtigen,  deze  schandelijke  onderhandelingen, 
zoo  veel  in  hem  was,  had  tegengesproken  en  belet;  schoon  hij, 
door  't  aanhouden  van  den  oorlog,  in  zijne  eigene  goederen, 
voor  zoo  ver  die  in  andere  landen  gelegen  waren,  meer  leed 
dan  iemand  van  's  lands  ingezetenen?  Elk  wist,  dat  toen  de 
vijand,  daarna  onder  de  voorwaarden  van  den  vrede  wilde  doen 
stellen,  dat  hem  de  opperste  magt  der  landen  zou  afgestaan 
worden,  hij  zich  even  sterk  gekant  had  tegen  zulk  een  vrede! 
't  Was  daarenboven  openbaar,  hoe  hij  in  den  jare  1672,  toen 
de  burgerij,  misnoegd  op  hare  regenten,  die  allen  veranderd 
wilde   hebben,  zijn  best  gedaan  had  om  de  gerezen  onlusten  te 


Digitized  by 


Google 


l6o  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Stillen,  zonder  zich  te  willen  bedienen  van  deze  gelegenheid  om 
meer  gezag  te  verkrijgen,  't  welk  hem  anders  zeer  ligt  te  doen 
geweest  zou  zijn. 

Zou  hij  de  Souvereiniteit  dan  nu  zoeken;  daar  hij  ze  afge- 
slagen had,  toen  ze  hem  aangeboden  werd,  en  geen  meerder 
gezag  begeerd,  toen  hij  't  ligtelijk  verkrijgen  kon  ?  Zoo  hij  door 
't  aannemen  der  Souvereiniteit  van  Gelderland,  de  andere  ge- 
westen had  willen  opwekken  om  hem  dergelijke  opdragt  te 
doen,  kon  hij  ze  immers  aanvaard  hebben,  zonder  de  Staten 
deswege  vooraf  te  raadplegen.  Hij  wenschte  daarom  wel  te  weten, 
welke  daad  hij,  onwetend,  begaan  mogt  hebben,  waardoor  hij 
zulk  een  argwaan  verwekt  had.  De  leden  hadden  hem  dienst  ge- 
daan, met  hem  te  raden  naar  hunne  ware  meening,  en  hun  raad 
met  redenen  te  beklecden;  maar  hij  beklaagde  zich  alleen,  dat 
men  hem  bij  's  lands  goede  ingezetenen  bezwaard  had  met  hate- 
lijke vermoedens.  Immers  had  hij  de  aanbieding  der  Gelderschen, 
zonder  aarzelen  en  eer  hij  den  brief  der  Staten  van  Zeeland 
ontvangen  had,  van  de  hand  gewezen,  onaangezien  hij  tot  het 
tegendeel  geraden  was,  door  zeer  vele  leden  der  andere  gewesten. 
Ook  had  hij  nooit  genegenheid  tot  zulke  waardigheden  gehad; 
en  hij  kon  den  Staten  verzekeren,  dat  zijn  afkeer  daarvan  nim- 
mer veranderen  zou. 

Voorts  twijfelde  hij,  of  't  voorbeeld  van  Gideon  wel  genoeg 
op  hem  paste,  't  Ware  zeker  te  wenschen,  dat  al  't  volk  zich 
zoo  gedroeg,  dat  het  den  naam  van  God's  volk  met  recht 
dragen  mogt.  Maar  men  had  voor  hem  doen  zien,  dat  men  op 
die  erfenis  des  Heeren  zoo  veel  staats  niet  maakte,  toen 
men  kon  goedvinden,  de  drie  gewesten  die  nu  zoo  gelukkiglijk 
tot  het  verbond  teruggebragt  waren,  over  te  geven  aan  een 
vijand  die  een  godsdienst  beleed,  strijdig  met  de  ware  Hervormde ; 
minder  zwarigheid  makende  in  zulk  een  afstand,  dan  men  nu 
argwaan  had  opgevat  tegen  hem,  omdat  Gelderland  hem  de 
waardigheid  van  Hertog  en  Graaf  wilde  opdragen,  onder  beding 
dat  hij  dit  gewest  bij  de  Unie  bewaren  zou.  Uit  zulk  een  gedrag 
mocht  men  veeleer  duchten,  dat  eens  zou  kunnen  bewaarheid 
worden,  't  geen  God's  woord  van  't  huis  Gideon's  getuigde,  dat 
namelijk  de  kinderen  Israëls  niet  dachten  aan  den 
Heere  hunnen  God,  die  ze  gered  had  van  de  hand 
aller  hunne  vijanden  van  rondsomme,  en  dat  zij 
geen  weldadigheid  deden  bij  den  huize  JerubaaTs, 
dat  is  Gideon 's,  voor  al  het  goed  dat  hij  bij  Israël 
gedaan  had;  —  te  meer  omdat  hij  hiervan,  ten  aanzien  van 
de  diensten  zijner  voorouderen,  ook  in  Zeeland  zulke  levende 
blijken  ondervonden  had. 

Doch  hij  hoopte  liever  dat  God  zijne  goede  inzigten  verder 
zegenen  zou;  en  dat  de  kwalijkgezinden,  door  den  tijd,  genezen 


Digitized  by 


Google 


HET  HKRTOGSCHAP  OVER  GELDERLAND,  l6l 

zouden  worden  van  de  verkeerde  indruksels  welke  zij  opgevat 
hadden;  terwijl  de  genegenheid  die  verscheiden  goede  regenten 
en  vele  goede  ingezetenen  hem  toedroegen,  hem  nooit  zou  doen 
verslappen  in  den  ijver  om  den  Staat  wel  te  doen.  Op  alles  had 
hij  zich  wat  breeder  moeten  uitlaten,  omdat  hij  bevonden  had, 
dat  beide,  de  brief  en  het  besluit  der  Staten  van  Zeeland,  met 
de  verschillende  gevoelens  der  leden,  door  den  druk  gemeen 
gemaakt  waren;  en  aan  kwalijkgezinden  gelegenheid  gaven,  om 
't  volk  in  te  boezemen,  dat  zelfs  eenige  regenten  argwaan  tegen 
hem  hadden  opgenomen." 

Die  brief  van  Willem  III  is  in  de  hoogste  mate  merkwaardig 
voor  de  kennis  van  het  karakter  van  dien  held:  meestal  spaar- 
zaam en  omzichtig  met  zijn  woorden,  en  door  zijn  krachtigen 
wil  de  hevige  hartstochten  bedwingende  die  in  hem  woelden,  gaf 
hij  toch  bij  enkele  gelegenheden  aan  zijn  drift  den  vrijen  teugel; 
en  dan  was  zijn  gesproken  of  geschreven  woord  een  alles  over- 
weldigende stroom,  een  vuur  dat  verteerde,  een  knots  die  ver- 
pletterde. Wat  een  gloed,  wat  een  hevigheid,  wat  een  wegsle- 
pende kracht  in  de  taal  van  dezen  brief  aan  de  Zeeuwsche 
Staten;  de  Stadhouder  valt  aan,  zonder  eenige  weerhouding  of 
verbloeming,  op  de  Statenparlij,  op  de  i  kwalijkgezinden",  zooals 
hij  ze  noemt.  Voorstanders  van  'slands  vrijheden  en  privilegiën 
noemt  gij  u,  —  zoo  spreekt  hij  tot  de  tegenpartij  — ,  en  gij  zijt 
niets  anders  dan  voorstanders  van  uw  eigen  grootheid;  vrijheid, 
privilegiën,  godsdienst  —  alles,  in  één  woord  —  waart  gij,  in 
1672,  op  het  punt  prijs  te  geven,  in  plaats  van  die  met  goed  en 
bloed  voor  te  staan,  zooals  het  uw  plicht  was;  gij  zoudt  toen 
met  den  vijand  een  schandelijk  verdrag  hebben  gesloten,  had  ik 
het  niet  belet.  Gij  haalt  het  voorbeeld  van  Gideon  aan,  gij 
spreekt  van  God's  volk,  van  de  erfenis  des  Heeren;  dacht 
gij  aan  dat  alles,  toen  gij  in  1672  Gelderland  en  andere  ge- 
westen wildet  afstaan  aan  een  vijand,  die  een  godsdienst  beleed 
strijdig  met  de  ware  Hervormde?  Het  voorbeeld  van  Gideon  is 
hier  alleen  van  toepassing,  als  men  let  op  den  ondank  van  de 
kinderen  Israël's  ten  aanzien  van  den  huize  Gideon*s.  En  nu  gaat 
gij  mij,  kwaadwillig,  ten  laste  leggen,  dat  ik  naar  de  Souverei- 
niteit  streef;  aan  mij,  die,  in  1672,  die  Souvereiniteit  gemakkelijk 
had  kunnen  meester  worden,  maar  die  haar  toen  niet  heb  ge- 
wild! Nooit  heb  ik  genegenheid  gehad  voor  zulk  eene  waardig- 
heid; en  mijn  afkeer  daarvan  zal  nimmer  veranderen. 

Dat  laatste  herinnert  eenigszins  aan  den  versregel,  die  in  Vol- 
taire's  treurspel  Caesar  in  den  mond  wordt  gelegd: 

*pour  moi,  qui  tiens  Ie  tróne  égal  a  Vicfamic." 
WILLEM  IIL    —  II.  II 


Digitized  by 


Google 


102  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Napoleon,  met  Tal  ma  hierover  sprekende,  zeide,  dat  de  acteur 
duidelijk  moet  doen  uitkomen,  dat  Caesar  zoo  maar  spreekt  ten 
gevalle  van  zijne  Romeinen,  maar  dat  zijne  ware  meening  geheel 
anders  is.  Zoo  is  het  ook  onmogelijk  om  te  gelooven,  dat  Wil- 
lem III  waarheid  sprak  toen  hij  zeide,  afkeerig  te  zijn  en  te 
blijven  van  de  oppermacht:  dal  is  een  gezegde  voor  den  grooten 
hoop,  en  meer  niet ;  dat  zijn  van  die  officieele  leugens  die  daar- 
mede verontschuldigd  kunnen  worden,  dat  zij  eigenlijk  geen  des- 
kundige meer  kunnen  misleiden,  en  even  weinig  beduiden  als 
bij  voorbeeld  de  uitdrukking  »uw  gehoorzame  dienaar",  —  ook 
«ene   uitdrukking  die  niemand  in  letterlijken  zin  moet  opnemen. 

Zoo  zijn  er  meer  opmerkingen  te  maken  omtrent  dien  brief 
van  den  Stadhouder;  bij  voorbeeld  wanneer  hij  van  het  roemvoUe 
Stadhouderlooze  tijdvak  na  den  dood  van  Willem  II,  zegt  idat 
de  Staat  sedert  vieï  en  twintig  jaren  in  rampen  vervallen  was", 
dan  is  dit  een  geheel  valsche  voorstelling  van  onze  geschie- 
denis. —  Wij  hebben  dien  brief  van  Willem  III  krachtig  en  vurig 
genoemd;  wij  zeggen  daarmee  volstrekt  niet,  dat  alles  in  dien 
brief  waar  is. 

Ook  omtrent  de  betuigingen  van  de  Staten  kan  men  soortge- 
lijke opmerkingen  maken.  Als  de  Staten  zeggen:  dat  zij  meenen 
de  beste  vrienden  van  den  Prins  te  zijn,  door  hem  het  aannemen 
van  dat  Geldersche  Hertogschap  af  te  raden;  dat  de  Prins  als 
Souverein  in  een  veel  slechteren  toestand  zal  komen,  want  dat 
hij  dan  de  man  is  die  de  belastingen  oplegt  en  die  zich  daardoor 
hatelijk  maakt  bij  de  gemeente;  dat  de  Staten  wel  zoo  goed 
willen  zijn  om  die  hatelijkheid  op  zich  zelven  te  blijven  laden ;  — 
dan  zijn  dat  betuigingen,  wier  onoprechtheid  te  duidelijk  in  het 
oog  valt,  dan  dat  het  noodig  is  om  daarop  bijzonder  te  moeten 
wijzen. 

Beide  partijen,  zoowel  de  Prins  als  de  Staten,  kwamen  overi- 
gens zonder  veel  bewimpeling  voor  hun  gevoelen  uit:  de  Prins 
voor  de  suprematie  van  het  huis  van  Oranje,  dat  rechtmatige 
aanspraak  heeft  op  den  dank  van  Nederland,  zooals  het  huis 
van  Gideon  op  den  dank  van  Israël ;  de  Staten  voor  hun  opper- 
gezag, dat  zij  zelf  duidelijk  op  den  voorgrond  stellen  door  te 
doen  uitkomen,  dat  Willem  III  wel  »de  voornaamste  deelen  van 
de  oppermagt  uitoefent",  maar  dat  die  oppermacht  toch  »aan 
de  Staten  der  bijzondere  gewesten  in  eigendom  blijft  toebe- 
hooren".  —  Voorts  een  herhaald  beroep  van  de  Staten  op  het 
gevaarlijke  van  nieuwigheden  en  het  veranderen  van  eene  regee- 
ring, » zoo  zeer  bekrachtigd  door  de  Oudheid  en  door  's  Hemels 
zegen",  op  het  hatelijke  van  den  naam  van  i oppervorst",  en  op 
het  zoete  van  het  woord  >  vrijheid".  Het  is  soms,  alsof  men  de 
uitdrukking  der  denkwijze  leest  van  de  Staten  van  het  oude 
Griekenland;  —  met  ddt  onderscheid  evenwel,  dat  dddr  de  vrijheid 


Digitized  by 


Google 


WILLEM  III  EN  LOUVOIS.  163 

het  deel  was  van  alle  burgers  j  hier  alleen  van  de  regeerende 
familiën.  Want  het  is  eene  dwaling  bij  Rousset,  wanneer  hij  zegt, 
dat  het  Hollandsche  volk  afkeerig  was  van  de  aanneming  der 
Souvereiniteit  door  Willem  III:  het  Hollandsche  volk  heeft 
daarin  zeer  weinig  zijn  stem  doen  hooren;  het  was  het  regee- 
rende gedeelte  van  dat  volk,  dat  de  aanneming  van  de  Souve- 
reiniteit heeft  tegengewerkt. 

Maar  die  regenten,  die  Staten,  die  stedenbesturen,  die  waren 
toch  pas  in  1672  door  Willem  III  uit  zijne  aanhangers  samen- 
gesteld, die  daar  zijne  tegenstanders  hadden  vervangen;  hoe 
kwam  het  dan  dat,  nauwelijks  twee  jaar  later,  die  Staten  zijne 
inzichten  zoo  wederstreefden?  —  Om  de  eenvoudige  reden,  dat 
er  in  die  regeeringslichamen  een  krachtige,  taaie,  weinig  ver- 
anderende geest  heerschte,  die  zeer  spoedig  werd  aangenomen, 
ook  door  hen,  die,  bij  het  intreden  in  die  regeeringslichamen 
door  geheel  andere  gevoelens  waren  bezield.  Dat  vasle,  onver- 
anderlijke, voortdurende  maakt  de  kracht  uit  van  zulke  regee- 
ringslichamen; men  denke  slechts  aan  het  Engelsche  Hoogerhuis 
of  de  Roomsch- Katholieke  priesterschap.  Een  vurig  aanhanger 
van  de  Stadhouderlijke  parlij  wordt  in  1672  lid  van  een  der 
regeerings-collegies  in  Holland;  zeer  spoedig  neemt  hij  den  geest 
van  dat  collegie  over;  zeer  spoedig  ziet  hij  in,  welk  een  macht 
hij,  als  lid  van  dat  collegie,  oefent,  wordt  hij  naijverig  op  die 
macht,  vijandig  aan  alles  wat  die  macht  zou  kunnen  verkleinen; 
en  zoo,  ongemerkt  en  op  de  natuurlijkste  wijze,  verandert  een 
Prinsgezinde  zeer  spoedig  in  een  Staatsgezinde. 

Maar  de  Staten  deden  dwaas  —  zal  men  misschien  zeggen  — 
met  Willem  III  eene  Souvereiniteit  te  onthouden,  die  hem  geen 
grootere  macht  gaf,  dan  de  macht  die  hij  reeds  oefende  als  Stad- 
houder. —  Die  bedenking  zou  maar  schijnbaar  gegrond  zijn.  De 
Staten,  Willem  III  eenmaal  aannemende  als  Souverein,  gaven 
voorgoed  de  Souvereiniteit  uit  hunne  handen;  thans,  als  Stad- 
houder, bezat  Willem  III  wel  eene  zeer  groote  macht,  even  groot, 
grooter  misschien,  dan  wanneer  hij  Souverein  ware  geweest;  maar 
het  recht  der  Souvereiniteit  bleef  nu  toch  altijd  bij  de  Staten; 
en  daarom  konden  zij  bij  de  eerste  de  beste  gelegenheid  ook 
de  macht  weer  aan  zich  trekken ;  —  zooals  dan  ook  gebeurd  is, 
dadelijk  na  den  dood  van  den  Stadhouder. 


Rousset,  gewagende  van  die  mislukte  poging  van  Willem  III 
om  zich  met  het  Souvereine  gezag  te  doen  bekleeden,  brengt 
dit  in  verband  met  de  toenadering  die  er  in  het  begin  van  1675 
plaats  had  tusschen  den  Stadhouder  en  Frankrijk  {Hhtoire  de 
Louvoïs^  2*  deel,  blz.  129  en  volgende): 

•  Aan  den  anderen  kant  had  de  Prins  van  Oranje  toen  juist  in 


Digitized  by 


Google 


104  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Holland  door  den  ongunstigen*  uitslag  van  zekere  pogingen  die 
hij  in  het  werk  gesteld  had,  eene  nederlaag  geleden,  die  zijn 
gezag  een  gevoeligen  stoot  toebracht,  en  daardoor  meer  kracht 
gaf  aan  de  Republikeinsche  burgerij,  het  handeldrijvende  en 
meest  naar  vrede  genegen  deel  des  volks,  's  Prinsen  eerzucht 
had  zich  niet  tevreden  gesteld  met  het  erfelijk  Stadhouderschap, 
en  met  de  bevoegdheid  —  zoo  weinig  overeen  te  brengen  met 
's  lands  vrijl^eden  —  om  de  regeeringen  der  steden  te  benoemen ; 
door  de  Staten  van  Gelderland  deed  hij  zich  den  Hertogsiitel 
over  dat  gewest  aanbieden,  in  de  hoop  dat  de  andere  gewesten 
dat  voorbeeld  zouden  volgen,  en  het  dictatorschap,  dat  hem 
verleend  was  wegens  het  buitengewone  gevaar  waarin  de  Repu- 
bliek verkeerde,  zouden  doen  overgaan  in  een  wettige  Souverei- 
niteit.  De  provincie  Utrecht  verklaarde  zich  ten  gunste  van  wat 
de  Stadhouder  heimelijk  wenschte;  maar  in  Holland  en  Zeeland 
deed  dit  zulk  een  hevig  verzet  ontstaan  onder  het  volk,  dat 
zijne  verheffing  bewerkt  en  hem  op  onstuimige  wijze  gesteund 
had,  dat  hij  zich  haastte  om  door  eene  weigering  zijne  Gel- 
dersche  vrienden  te  verloochenen,  die  vol  verslagenheid  zagen, 
dat  zij  voor  niets  hun  naam  in  opspraak  hadden  gebracht. 

Ziet  men  hoe  de  Prins  van  Oranje  terzelfder  tijd  er  naar  streeft 
om  de  verstandhouding  met  d'Estrades  weer  aan  te  knoopen,  en 
welke  voorschriften  hij  daartoe  geeft  aan  Pesters,  dan  zal  men 
in  dat  streven  en  in  den  pas  ondervonden  tegenspoed  wel  iets 
meer  zien  dan  een  geheel  toevallige  gelijktijdigheid.  »De  heer 
Pesters"  —  zoo  waren  zijne  voorschriften  van  15  Februari  — 
»zal  graaf  d'Estrades  onderhouden  over  den  stand  mijner  zaken; 
over  mijne  handelingen  tijdens  den  laatsten  veldtocht,  zoowel  ten 
aanzien  van  den  Keizer  als  van  Spanje;  over  de  moeielijkheden 
waarin  zij  mij  hebben  gebracht,  en  over  het  geduld  dat  ik  heb 
moeten  oefenen  om  alle  bezwaren  te  boven  te  komen.  De  heer 
Pesters  moet  niets  verzuimen  wat  kan  strekken  om  hem  te  over- 
tuigen, dat  ik  oprechtelijk  wensch  weer  dezelfde  verbintenissen 
met  Frankrijk  aan  te  gaan  als  mijn  voorgangers;  en  dat  ik, 
zoodra  ik  dit  met  eere  kan  doen,  de  gelegenheid  niet  zal  laten 
voorbijgaan."  —  Wij  moeten  echter  opmerken,  dat  Graaf  d'Es- 
trades  sterk  twijfelde  aan  de  oprechtheid  van  den  Prins  van 
Oranje:  »Ik  meen  zijn  inborst  te  kennen*'  —  schreef  hij  eenige 
maanden  vroeger  aan  Letellier  —  »want  tot  op  zijn  zeventiende 
jaar,  terwijl  ik  gezant  was,  heeft  hij  altijd  het  grootste  vertrouwen 
in  mij  gesteld.  Ik  kan  u  verzekeren,  mijnheer,  dat  die  Prins  moed 
heeft,  standvastigheid,  eerzucht  en  verstand ;  maar  dat  hij  zeer 
geveinsd  is,  en  zoo  vasthoudend  in  geldzaken,  dat  hij  bijna  door- 
gaat voor  gierig."  (20  November  1674). 

De   oppositie,   in    Holland   met   eiken    dag   meer   te   duchten, 

Digitized  by  VjOOQIC 


WILLEM  III   EN   LOUVOIS.  165 

klaagde  vooral  over  den  ondergang  van  den  handel;  daarom 
kwam  de  Prins  van  Oranje  op  het  denkbeeld  om  aan  Frankrijk 
het  hervatten  van  den  handel  voor  te  slaan  als  een  slap  tot  den 
vrede  tusschen  de  beide  landen.  Louvois  had  hier  niets  op 
tegen,  —  mits,  als  voorwaarde  en  waarborg  van  dit  handelsver- 
drag, werd  aangenomen  de  geheele  staking  van  de  krijgsverrich- 
tingen  op  zee;  en  dit  kwam  weder  niet  overeen  met  's  Prinsen 
belang  als  admiraal.  Voor  het  overige  beantwoordde  Louvois 
's  Prinsen  voorkomendheid  op  zeer  vriendelijke  wijze:  » Zijne 
Majesteit,"  —  zoo  schreef  hij  aan  graaf  d'Éstrades  —  >  vindt 
goed,  dat  als  gij  uw  vriend  antwoordt,  gij  hem  de  verzekering 
geeft,  dat  Zijne  Majesteit  voor  den  Prins  van  Oranje  alle  achting 
heeft,  die  men  zijn  verdienste  verschuldigd  is;  en,  wat  betreft 
Zijner  Majesteit's  vriendschap,  dat  ligt  maar  aan  hem  om  die 
geheel  en  al  te  winnen  en,  door  zijne  belangen  nauw  te  ver- 
binden aan  de  onze,  in  staat  te  worden  gesteld  om  in  zijn  land 
naar  welgevallen  te  handelen;  meld,  dat  gij  gelooft,  dat  zijn 
meester  te  verstandig  is  om  niet  in  te  zien,  dat  zij  die  hem  het 
tegenovergestelde  zeggen,  menschen  zijn  die  spreken  over  zaken 
die  zij  niet  kennen,  of  zeer  zeker  menschen  die  de  waarheid  op- 
offeren aan  hun  belang.  Wat  een  handelsovereenkomst  betreft, 
is  het  Zijner  Majesteit's  verlangen  dat  gij  hem  antwoordt,  dat 
Frankrijk's  handel  zeer  goed  gaat  door  tusschenkomst  van  de 
Engelschen,  en  dat  Zijne  Majesteit  daarom  oordeelt,  dat  het  zou 
zijn  den  vijand  wapenen  in  handen  geven,  als  wij  zulk  een  over- 
eenkomst sloten,  die  niet  gepaard  ging  met  het  geheel  doen  op- 
houden van  den  oorlog  ter  zee;  en  wat  betreft  het  gezegde  van 
den  heer  Pesters,  over  de  goede  gezindheid  van  den  Prins  van 
Oranje  en  van  den  heer  Fagel,  en  dat  hij  overtuigd  is  dat  die 
handelsovereenkomst  het  middel  zou  zijn  om  de  HoUandsche 
steden  voor  den  vrede  te  bewerken  — ,  zoo  is  Zijne  Majesteit 
genoeg  bekend  met  den  geest  van  het  HoUandsche  volk  om 
niet  te  weten,  dat  allen  volkomen  geneigd  zijn  tot  den  vrede, 
en  dat  die  dra  gesloten  zou  zijn,  indien  de  Prins  van  Oranje  en 
de  heer  Fagel  die  gezindheid  slechts  deelden."  (9  en  11  Maart). 
>Toch,  hoezeer  hij  door  dit  ironisch  antwoord  aan  den  Prins 
van  Oranje  toonde  welke  waarde  hij  hechtte  aan  diens  welwil- 
lende betuigingen,  gaf  hij  graaf  d'Estrades,  die  de  hoop  begon 
op  te  geven,  den  2osten  Maart  de  aanbeveling,  zijne  verstandhou- 
ding met  Pesters  en  Launoy  niet  af  te  breken ;  niet  alleen  om 
de  inlichtingen  die  daardoor  te  verkrijgen  waren;  maar  ook  lom 
den  Prins  van  Oranje  niet  geheel  en  al  den  weg  af  te  sluiten 
om  weer  in  's  Konings  gunst  te  komen"  {de  pouvoir  revenir  au  Rot), 
De  onderhandelingen  —  of  liever,  de  besprekingen  —  bleven  dus 
voortgaan,  maar  niet  met  veel  voortvarendheid  of  belangstelling, 
met  de  eenige  uitzondering  wellicht,  dat,  toen  eens  de  HoUandsche 


Digitized  by 


Google 


l66  KRIFGS-  EN  GESCHIED iCUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

gemachtigde  min  of  meer  gezinspeeld  had  op  Maastricht,  Louvois 
oogenblikkelijk  aan  graaf  d'Estrades  verbood,  op  dat  punt  naar 
iets  hoegenaamd  te  luisteren :  » als  de  heer  Pesters,"  —  zoo  schreef 
hij  hem  den  zgstcn  Maart  — » u  nog  eens  spreekt  over  het  terug- 
geven van  Maastricht,  dan  moet  gij  hem  duidelijk  antwoorden, 
dat  als  de  Prins  van  Oranje  geen  vrede  wil  sluiten  voordat  hij 
Maastricht  terug  heeft,  hij  niets  beters  kan  doen  dan  het  maar 
weer  in  te  nemen;  want  dat  Zijne  Majesteit  er  zeer  zeker  nooit 
toe  zal  besluiten  om  die  vesting  terug  te  geven." 

Nooit?  —  Bij  den  Nijmeegschen  vrede  van  1678  is  Maas- 
tricht teruggegeven.  Bij  diplomatieke  handelingen  hebben  de 
woorden  nooit  en  altijd  een  geheel  andere  beteekenis  dan  in 
het  gewone  leven,  bij  de  handelingen  van  fatsoenlijke  menschen. 

Kort  na  het  mislukken  van  die  Geldersche  geschiedenis  wordt 
Willem  III  gevaarlijk  ziek :  hij  krijgt  de  pokken,  de  ziekte  waar- 
aan zijn  vader,  ook  op  jeugdigen  leeftijd  daardoor  getroffen, 
gestorven  was.  De  zoon  bleef  echter  behouden,  deels  ook  dank 
zij  de  trouwe  en  zelfopofferende  zorg  van  zijn  vriend  Benlinck, 
die,  in  weerwil  van  het  besmettelijke  der  ziekte,  dag  en  nacht 
bij  den  Stadhouder  bleef  waken.  Over  die  ziekte  zegt  Rousset: 

»In  dien  tusschentijd"  (tijdens  de  onderhandelingen  tusschen 
d'Estrades  en  Pesters),  iwerd  de  Prins  van  Oranje  plotseling  en 
zeer  gevaarlijk  ziek.  Een  groote  ontroering  bracht  dit  teweeg  in 
geheel  Holland,  maar  vooral  onder  zijne  aanhangers.  De  raad- 
pensionaris Fagel  ontveinsde  zijne  onrust  niet:  «Goede  God,  in 
welk  een  toestand  zouden  wij  allen  geraken,  mijn  waarde  vriend!" 
—  zoo  schreef  hij  den  i8en  April  aan  Pesters  — ,  »als  Zijne 
Hoogheid  ons  kwam  te  ontvallen?  Het  is  zaak  om  in  alle  pro- 
vinciën openbare  gebeden  te  doen,  opdat  het  Gode  moge  be- 
hagen de  harten  te  neigen  tot  het  sluiten  van  een  goed  vredes- 
verdrag." 

De  staatslieden  in  Frankrijk  waren  niet  minder  verrast  en  ge- 
troffen door  dit  nieuws;  de  dood  van  den  Prins  van  Oranje 
beduidde  de  ontbinding  van  de  coalitie,  en  reeds  zijn  ziekte 
werkte  nadeelig  op  haar.  Om  op  alles  voorbereid  te  zijn.  gelastte 
Louvois  aan  graaf  d'Estrades  om  aan  Pesters,  uit  's  Konings 
naam,  betuigingen  van  gelukwensching  over  te  brengen,  als  de 
Prins  van  zijne  ziekte  herstelde;  en,  mocht  hij  er  aan  bezwijken, 
betuigingen  van  rouwbeklag,  gepaard  met  de  nadrukkelijke  be- 
lofte van  den  raadpensionaris  Fagel  in  zijne  rechten  te  helpen 
handhaven,  wanneer  hij  het  welbegrepen  belang  van  zijn  eigen 
land  en  het  belang  van  Frankrijk  wilde  voorstaan.  De  Prins  genas, 
stellig  spoediger  dan  Louvois  het  wel  gewenscht  had;  toch  schreef 
hij  (Louvois)  aan  graaf  d'Estrades  een  brief,  die  een  officieel 
karakter  had,  en  daardoor  nog  meer  waarde  gaf  aan  de  gevoelens 


Digitized  by 


Google 


WILLEM   m   EN  LOUVOIS,  167 

daarin  uitgedrukt:  iDaar  de  Koning  vernomen  heeft,"  —  zoo 
schreef  de  Minister  — ,  »dat  de  Prins  van  Oranje  geheel  en  al 
hersteld  is  van  zijne  ziekte,  zoo  heeft  Zijne  Majesteit  mij  gelast 
u  te  doen  weten,  dat  het  haar  verlangen  is  dat  gij  aan  den  heer 
Pesters  de  betuiging  doet  —  om  die  meê  te  deelen  aan  den 
Heere  Prinse  van  Oranje  —  dat  zij  met  groote  blijdschap  die 
goede  tijding  heeft  vernomen.  De  handelingen  van  den  Prins  in 
de  laatste  jaren  hebben  de  vriendschappelijke  gevoelens  niet  uit- 
gedoofd, die  Zijne  Majesteit  altijd  voor  hem  heeft  gehad;  en 
daarom  was  zij  zeer  bekommerd  bij  de  eerste  berichten  die  zij 
ontving  van  zijn  ziekte^  en  heeft  zij  met  groot  genoegen  zijn 
volkomen  herstel  vernomen.  (Brief  van  25  April  van  Louvois 
aan  d'Estrades)." 

Gedurende  korten  tijd  bestaat  er  nu  een  zeer  goede  verstand- 
houding tusschen  Frankrijk  en  Willem  III:  het  zou  hartverheffend 
en  zielroerend  zijn,  —  wanneer  niet  het  denkbeeld  bovenkwam, 
dat  oprechtheid  en  goede  trouw  bij  dit  alles  ver  te  zoeken  zijn, 
zoowel  aan  den  eenen  kant  als  aan  den  anderen. 

(Rousset,  2'  deel,  blz.  137 — 141):  »De  betuigingen,  door  Lode- 
wijk  XIV  aan  den  Prins  van  Oranje  gedaan  pm  hem  geluk  te 
wenschen  met  het  herstel  van  zijne  gezondheid,  hadden  in  geheel 
Holland  een  grooten  indruk  gemaakt.  De  Prins  beijverde  zich 
om  graaf  d'Estrades  te  antwoorden,  —  den  2eD  Mei  — ,  dat,  daar 
hij  zich  niet  rechtstreeks  durfde  wenden  tot  Zijne  Allerchriste- 
lijkste  Majesteit,  hij  d'Ëstrades  verzocht,  bij  dien  vorst  de  tolk 
te  zijn  van  zijn  dank,  en  hem  te  betuigen,  dat  de  noodlottige 
tijdsomstandigheden  niet  verhinderden,  dat  hij  voor  's  Konings 
persoon  dezelfde  eerbied  en  hoogachting  had,  die  hij  altijd  voor 
hem  had  gekoesterd.  Maar,  wat  van  nog  veel  meer  belang  was 
dan  die  wisseling  van  beleefdheden,  dat  was,  dat  de  raadpen- 
sionaris Fagel  den  21  sten  April  aan  Pesters  de  stellige  opdracht 
zond,  om  van  graaf  d'Estrades  te  vernemen  welke  voorstellen  de 
Staten-Generaal  konden  doen  —  zonder  daarmede  hunne  belangen 
of  hunne  eer  te  krenken  —  om  weer  in  's  Konings  gunst  te 
komen  en  tot  hunne  oude  verbintenissen  met  Frankrijk.  Louvois 
antwoordde  dadelijk,  —  den  isiea  Mei  — ,  met  een  uitvoerig 
schrijven,  dat  men  tot  drie  of  vier  punten  kon  terugbrengen  die, 
in  hoofdzaak,  omvatten  wat  door  Lodewijk  XIV  werd  gevraagd,  — 
of  veeleer  wat  hij  wilde  dat  men  hem  aanbood. 

Van  de  Hollanders,  de  afstand  van  Maastricht  en  van 
het  Over-Maassche,  en  de  vernieuwing  van  de  vroeger  bestaande 
staats-  en  handelsverdragen;  van  de  Spanjaarden,  de  af- 
stand pvan  alle  reeds  gemaakte  veroveringen  en  zelfs  van  die 
welke  nog  gemaakt  zouden  worden  vóór  het  sluiten  van  den 
vrede,  —  zonder   dat  er  eenige  omwisseling  hoegenaamd   zou 


Digitized  by 


Google 


l68  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

plaats  hebben  van  vestingen;  van  Duitschland,  een  geheele 
en  volkomen  terugkeer  tot  den  Westfaalschen  vrede,  het  terug- 
geven van  de  stad  Trier  door  den  Koning,  het  teruggeven  door 
den  Keizer  van  de  50000  kronen  die  men  te  Keulen  in  bezit  had 
genomen,  het  in  vrijheid  stellen  van  Vorst  Wilhelm  von  Fürsten- 
berg;  in  het  algemeene  vredesverdrag,  volstrekt  geen  bepaling 
ten  voordeele  van  den  Hertog  van  Lotharingen,  verbindende  de 
Koning  zich  echter  om  hem  zijne  Staten  terug  te  geven,  maar 
alleen  uit  vrijen  wil,  als  gunst;  —  eindelijk,  zonder  vredescongres 
en  vóór  den  zeer  waarschijn  lij  ken  aanvang  van  de  vijandelijk- 
heden, moesten  Frankrijk  en  de  Staten-Generaal  dadelijk  en 
rechtstreeks  vrede  sluiten;  hetzij  door  bemiddeling  van  graaf 
d'Estrades  en  van  Pesters;  hetzij,  —  als  de  Staten-Generaal 
meer  luister  wilden  bijzetten  aan  die  handeling,  —  door  gezanten, 
wier  eenige  taak  zou  zijn  dit  vredesverdrag  te  onderteekenen. 

Die  voorwaarden,  —  en  vooral,  die  afdoende  handelingen,  — 
kenmerkten  een  minister,  die  meer  de  gewoonte  had  om  snellen 
voortgang  bij  te  zetten  aan  krijgszaken,  dan  om  met  geduld  de 
teêre  draden  te  ontwarren  van  de  diplomatieke  weefsels.  Geen 
wonder  dus,  dat  noch  de  vorm,  noch  de  inhoud  verleidelijk  ge- 
noeg waren  voor  de  Hollandsche  staatslieden  om  hen  er  toe  te 
brengen,  de  akte  van  eerbied  en  onderwerping,  die  Louvois  hun 
zoo  goedwillig  ten  richtsnoer  toezond,  af  te  schrijven  en  te 
onderteekenen.  Er  werd  zelfs  geen  begin  gemaakt  met  onder- 
handelingen; en  het  kwam  niet  tot  eene  goede  verstandhouding, 
ofschoon  men  de  pogingen  daartoe  nog  niet  geheel  opgaf.  Den 
I4ea  Mei  schreef  de  Prins  van  Oranje,  op  het  punt  zijnde  van 
naar  het  leger  te  vertrekken,  nog  aan  Pesters:  ibij  dezen  veld- 
tocht reken  ik  alleen  op  wat  ik  aan  Hollandsche  troepen  bij  mij 
heb,  en  volstrekt  niet  op  wat  de  Spanjaarden  beloven.  Wij  moeten 
zien  dat  wij  met  eere  uit  dien  toestand  van  zaken  komen,  en  er 
ons  nooit  meer  in  begeven.  Ik  heb  u  reeds  gemeld,  dat  zoodra 
de  gelegenheid  zich  daartoe  voordoet,  ik  haar  niet  zal  laten 
voorbijgaan.  Tracht  slechts  goede  vrienden  te  blijven  met  graaf 
d'Estrades.'* 

Louvois,  van  zijn  zijde,  na  den  Prins  van  Oranje  de  geluk* 
wenschingen  van  Lodewijk  XIV  te  hebben  overgebracht,  ver- 
zuimde ook  niet  hem  persoonlijk  zijne  plichtplegingen  te  maken. 
Men  weet  dat  in  1672  een  Fransch  edelman,  de  graat  De  Montbas, 
onder  den  Prins  van  Oranje,  het  Hollandsche  leger  aanvoerde. 
Het  woedende  volk  beschuldigde  hem  toen,  van  door  eene  op- 
zettelijke onachtzaamheid  den  overtocht  van  den  Rijn  gemakkelijk 
te  hebben  gemaakt  voor  de  krijgsmacht  van  Lodewijk  Xiy;  hij 
had  daarop  da  wijk  genomen,  eerst  naar  Utrecht  bij  den  hertog 
De  Luxembourg,  later  naar  Frankrijk,  waarheen  het  hem  vergund 


Digitized  by 


Google 


WILLEM  III   EN  LOUVOIS.  169 

werd  terug  te  keeren.  Dikwijls  zag  men  hem  in  de  anti-chamhre 
van  Louvois;  en,  te  rech,t  of  ten  onrechte,  men  onderstelde  dat 
€r  eene  goede  verstandhouding  tusschea  hen  bestond,  waarover 
de  Prins  van  Oranje  zich,  op  eenigszins  bitteren  toon,  meende 
te  moeten  beklagen,  daar  hij  wist  dat  Montbas  zeer  veel  kwaad 
van  hem  sprak. 

Zoodra  dit  ter  oore  kwam  van  Louvois,  —  die  reeds  te  velde 
was  — ,  beijverde  hij  zich  om,  uit  Charleroi,  aan  graaf  d'Estrades 
te  schrijven:  lOf  de  heer  De  Montbas  elders  met  weinig  eerbied 
spreekt  over  den  persoon  des  Prinsen  van  Oranje  weet  ik  niet; 
maar  daar  kan  ik  u  voor  instaan,  —  na  wat  de  Prins  van  Oranje 
in  den  laatsten  veldtocht  heeft  verricht,  en  na  het  verslag  dat 
ik  den  heer  De  Chamilly  aan  den  Koning  heb  hooren  geven, 
over  den  gang  van  den  aanval  op  Grave  na  's  Prinsen  komst, 
en  over  de  wijze  waarop  hij  daar  zijn  leven  heeft  gewaagd  — , 
dat  ik  alles  behalve  gunstig  zou  denken  over,  en  geen  tweede 
maal  in  gesprek  zou  willen  treden  met  iemand,  die  mij  kwaad 
wilde  spreken  van  hem ;  en,  —  om  over  dit  punt  mijne  meening 
ronduit  te  zeggen  — ,  het  doet  mij  zeer  leed,  den  Prins  van 
Oranje  te  zien  volharden  in  de  jammerlijke  zaak  die  hij  nu  voor- 
staat; want  ik  ben  overtuigd  dat,  hoe  bekwaam  hij  ook  zij,  de 
zwakheid  of  de  kwade  trouw  van  zijne  bondgenooten  hem  in 
ongelegenheid  zal  brengen;  terwijl  het  mij  toeschijnt,  dat  indien 
hij  zijne  belangen  vereenzelvigde  met  die  des  Konings,  de  Koning 
en  de  Prins  van  Oranje,  vereenigd,  iets  groots  zouden  kunnen 
tot  stand  brengen,  dat  èn  Frankrijk  èn  Holland  ten  goede  zou 
komen. 

Het  is  te  hopen,  dat  als  Zijne  Majesteit  het  een  of  ander 
voordeel  behaalt,  dit  den  Prins  van  Oranje  de  oogen  zal  doen 
opengaan,  en  hem  er  toe  zal  brengen  om  gebruik  te  maken  van 
de  gezindheid  waarin  Zijne  Majesteit  schijnt  te  verkeeren  om 
hem  in  gunst  aan  te  nemen  {de  Ie  recevoir  dans  ses  bonnes  gr  aces) 
als  hij  die  spoedig  zoekt;  en  ik  verzeker  u  dat,  is  hij  eenmaal 
weer  in  gunst,  ik  niets  zal  verzuimen  om  de  voortduring  daarvan 
te  verzekeren,  en  dat  ik  den  Prins  van  Oranje  al  die  diensten 
zal  bewijzen,  die  in  mijn  vermogen  zijn"  (24  Mei). 

Zooveel  welwillendheid  verhinderde  echter  niet,  dat  men  zich 
tot  den  strijd  toerustte.  De  vermoeienissen  van  den  laatsten  veld- 
tocht; de  groote  verliezen  toen  door  de  bondgenooten  geleden, 
en  gedurende  den  winter  nog  toegenomen  door  de  desertie  onder 
de  Spaansche  troepen,  die  niet  werden  betaald;  de  onkunde,  of 
zorgeloosheid,  van  de  generaals  en  van  de  legerbeheerders,  die 
alleen  op  het  uiterste  oogenblik  dachten  aan  leeftocht,  wapens 
en  krijgsbehoeften ;  de  oorlogsverklaring  van  Zweden";  (Zweden 
had  zich  ten  voordeele  van  Lodewijk  XIV  verklaard,  en  neutra- 
liseerde  daardoor   den   keurvorst   van    Brandenburg);    1  eindelijk 


Digitized  by 


Google 


lyo  KKIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

de  verandering  die  in  De  Nederlanden  had  plaats  gehad,  waar 
het  Spaansche  Hof  graaf  Montercy  —  in  vijandschap  geraakt  met 
den  PriAs  van  Oranje  —  vervangen  had  door  den  hertog  De 
Villa  Hermosa;  al  die  oorzaken  te  zamen  hadden  de  legers  der 
bondgenooten  lang  in  hunne  winterkwartieren  doen  blijven.  Zulke 
bezwaren  kende  Lodewijk  XIV  niet;  dank  zij  Louvois  werd  het 
leger  steeds  bijtijds  voltallig  gemaakt;  de  talrijke  magazijnen,  ge- 
plaatst op  de  punten  waar  zij  noodig  waren,  hadden  altijd  een 
goeden  voorraad,  sommige  van  wapens  en  buskruit,  andere  van 
meel,  haver  en  ander  paardevoêr;  de  vestingen  warjen  voorzien 
van  leeftocht;  de  » Commissaires  des  guerres''  werden  aange- 
spoord door  de  intendanten,  en  de  intendanten  weer  door  den 
Minister;  in  één  woord,  het  leger  was  altijd  gereed  voor  den 
oorlog.'* 

Wat  hier  over  Montbas  gezegd  wordt,  dat  deze  in  1672  onder 
Willem  III  het  Hollandsche  leger  aanvoerde,  is  niet  geheel  en 
al  juist:  Montbas  was  toen  niet  anders  dan  een  van  de  hoogere 
bevelhebbers  van  dat  leger,  commissaris-generaal  van  de  cavalerie. 

Voor  het  overige  bewijst  deze  aanhaling  uit  Rousset  alweer 
wat  vroeger  is  gezegd,  dat  Lodewijk  XIV  zijn  grooten  tegen- 
stander Willem  III  langen  tijd  niet  anders  heeft  beschouwd  dan 
als  een  soort  van  rebel,  die  alleen  uit  vrees  voor  verdiende  straf, 
in  zijn  opstand  bleef  volharden.  ^Hoe  jammer  van  dien  Prins 
van  Oranje :  een  man  daar  wezenlijk  veel  goeds  en  groots  bij  is, 
maar  die  den  verkeerden  weg  opgaat  door  zijn  dwaas  en  mis- 
dadig verzet  tegen  den  Koning.  Komt  de  Prins  maar  eens  tot 
inkeer  en  berouw,  maakt  hij  maar  wat  spoedig  gebruik  van 
's  Konings  genade,  dan  kan  alles  nog  wel  goed  afloopen  voor 
hem,  en  zal  hij  wel  weer  in  de  gunst  van  Zijne  Majesteit  komen ; 
en  is  het  eenmaal  zoo  ver,  dan  belooft  Louvois  zijne  bescherming 
aan  den  Prins,  en  zal  de  Minister  hem  alle  mogelijke  diensten 
bewijzen." 

Ziedaar,  zoo  wat,  op  welken  toon  de  regeerders  van  Frankrijk 
in  1675  over  Willem  III  spraken  of  schreven;  toen  nog  een 
welwillende  toon,  —  al  is  het  dan  ook  eene  welwillendheid  die 
beleedigt.  Maar  »de  rebel"  kwam  niet  tot  inkeer  en  onderwer- 
ping; en  de  welwillendheid  van  de  Fransche  regeerders  veran- 
derde toen  van  lieverlede  in  krachtigen  haat,  die  er  niet  tegen 
opzag  om  door  sluipmoordenaars  het  leven  van  Frankrijk's  vijand 
te  belagen. 


Vóór  dat  nog  de  krijgsverrichtingen  in  1675  ^^  ^^  Nederlanden 
aanvangen,  maakt  d'Estrades,  met  een  Fransche  troepenafdeeling 
uit  Maastricht,  zich  den  3isien  Maart  meester  van  de  Citadel  der 


Digitized  by 


Google 


VELDTOCHT  IN  DE  SPAANSCHE  NEDERLANDEN,  ENZ.     171 

Stad  Luik:  itot  groote  verbazing  van  de  Luikenaars  en  vanden 
kardinaal  van  Baden;  en  tot  groote  spijt  van  den  Prins  van 
Oranje,  die,  nog  drie  maanden  daarna  (5  Juli),  aan  Fagel  schreef: 
»gij  weet  hoe  dikwijls  ik  naar  Brussel  heb  geschreven,  om  het  in 
bezit  nemen  van  die  sterkte  aan  te  raden;  en  toch  hebben  al 
mijn  raadgevingen  niets  gebaat;  en  de  Spanjaarden  en  Duitschers 
hebben  onze  zaak  geheel  bedorven  door  de  Citadel  van  Luik 
te  laten  wegnemen;  gij  ziet  daar  nu  de  gevolgen  van." (Rousset, 
2*  deel,  blz.  144). 

Het  bisdom  Luik  was  een  onzijdige  staat;  maar  wat  helpt  de 
onzijdigheid,  als  men  haar  niet  weet  te  doen  eerbiedigen?  Zeker, 
het  in  bezit  nemen  van  de  Citadel  van  Luik,  van  de  zijde  der 
Franschen,  was -«en  wederrechtelijke  handeling;  even  wederrech- 
telijk als  bij  voorbeeld  in  de  oude  Grieksche  geschiedenis  het 
bezetten  van  de  Citadel  van  Thebe  —  de  Kadmeïa  —  door 
de  Spartanen;  maar  hadden  de  Franschen  de  Luiksche  Citadel 
niet  l)ezet,  dan  hadden  de  bondgenooten  het  misschien  gedaan; 
soortgelijke  handelingen  zijn  niets  vreemd;  men  moet  ze  veroor- 
deelen,  maar  men  moet  er  zich  niet  over  verwonderen. 

Die  9  kardinaal  van  Baden",  waarvan  hier  gewaagd  wordt  in 
die  plaats  uit  Rousset,  tevens  kanunnik  te  Luik,  was  toen  juist 
naar  die  stad  gegaan  om  daar  de  Duitsche  belangen  te  behar- 
tigen ;  zijn  bagage  was  genomen,  door  de  Fransche  bezetting  van 
Maastricht.  Louvois  gelastte  toen  een  zijner  agenten  te  Luik  om 
daar  te  doen  vaststellen  dat  bij  die  bagage  een  brief  was  ge- 
vonden van  den  Duitschen  keizer ;  die  agent  moest  zulk  een  brief 
maar  opstellen;  en  door  dat  valsche  stuk  hoopte  men  de  Luike- 
naars te  vervreemden  van  Duitschland.  —  Een  heel  eerlijk  mid- 
del, niet  waar,  lezer?  heel  stichtelijk?  —  Maar,  vóór  dat  wij 
daarover  der  zeventiende  eeuw  eene  zedepreek  houden,  dienen 
wij  te  onderzoeken,  of  ook  in  onzen  tijd  de  diplomatie  geheel 
vrij  is  van  zulke  schriftvervalschingen. 

Over  het  leger  waarmede  Lodewijk  XIV  in  persoon  in  1675 
in  De  Nederlanden  wilde  oorlogen,  vindt  men  bij  Rousset  het 
volgende  (2'  deel,  blz.  146): 

« De  samenstelling  van  's  Konings  leger  werd  den  360  Mei  als 
volgt  door  Louvois  vastgesteld,  en  door  Lodewijk  XIV  goedge- 
keurd: 47  bataljons  voetvolk,  ingedeeld  in  7  brigaden,  en  boven- 
dien nog  2  bataljons  fuseliers  tot  begeleiding  en  dekking  van  de 
artillerie;  25  eskadrons,  3  brigaden  uitmakende,  samengesteld  uit 
de  Maison  du  Rot  en  uit  de  Gendarmerie;  100  eskadrons  lichte 
ruiterij,  in  10  brigaden;  bovendien  nog  15  eskadrons  dragonders, 
tot  ééne  brigade  vereenigd.  In  het  geheel  was  dit  eene  macht 
van  meer  dan  60000  man."  (De  samenstelling  van  de  artillerie 
wordt  niet  opgegeven). 


Digitized  by 


Google 


172  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Het  leger  van  Willem  III  was,  zooals  men  zal  zien^  veel  min- 
der sterk;  daar  de  Spanjaarden  slechts  een  kleine  afdeeling  bij 
de  Hollandsche  krijgsmacht  voegden,  en  er  eerst  in  het  laatste 
gedeelte  van  den  veldtocht  Duitsche  troepen  naar  De  Neder- 
landen trokken.  De  Fransche  koning  had  dus  volle  vrijheid,  bij 
zijne  operatiën  in  De  Nederlanden;  toch  heeft  hij  daar  in  1675 
weinig  bijzonders  uitgericht;  hij  heeft  toen  voordeelen  behaald, 
maar  op  lange  na  niet  die  voordeelen,  die  bij  zijne  overmacht 
waren  te  verwachten. 

tLodewijk  XIV  vertrok  den  iien  Mei  uit  Saint  Germain,  aan- 
vaardde het  opperbevel  over  de  troepen,  bijeengetrokken  tusschen 
Ham  en  Cateau-Cambrésis,  en  ging  den  i8en  vooruit  op  Le  Quesnoy; 
hier  hield  hij  de  Spaansche  vestingen  aan  de  Schelde  zeer  in 
onrust,  en  trok  daarna  rechts  af,  den  loop  van  de  Sambre  vol- 
gende. Gedurende  den  marsch  van  's  Konings  leger  hadden  de 
•  maarschalk  Créqui  en  de  markies  De  Rochefort,  de  een  komende 
van  Charleville,  de  ander  van  Philippeville,  hunne  afdeelingen 
den  igen  Mei  vereenigd  onder  de  muren  van  Dinant;  de  stad, 
en  het  kasteel  van  Dinant,  aangevallen  zijnde  op  de  beide  oevers 
van  de  Maas,  capituleerden  den  28sten.  In  de  eerste  dagen  van 
het  beleg  was  Louvois  vooruitgegaan  tot  Florennes,  voorbij  Char- 
leroi, om  een  mondgesprek  te  houden  met  den  maarschalk 
Créqui,  ter  zake  van  de  vesting  Limburg,  tot  welke/  belegering 
Lodewijk,  volgens  zijn  eerste  voornemen,  dadelijk  na  de  inne- 
ming van  Dinant  wilde  overgaan..."  (Rousset,  2*  deel,  blz.  147). 

Van  dat  belegeren  van  Limburg  wordt  echter,  vooreerst,  afge- 
zien ;  en  Créqui  naar  den  Moezel  en  de  Sarre  gezonden,  om  daar 
Turenne  zoo  noodig  te  kunnen  bijstaan,  die  toen  het  hoofd  had 
te  bieden  aan  twee  Duitsche  legers:  het  eene,  het  Keizerlijke 
onder  Monte  Cuculi,  naar  de  zijde  van  Straatsburg;  het  andere 
aan  den  beneden-Rijn,  bij  Bonn  en  Keulen,  onder  den  hertog 
van  Lotharingen.  Het  Koninklijke  leger  valt  nu  het  kleine,  meer 
nabijzijnde,  Hoey  aan. 

•  Terwijl  hij"  (Créqui)  tdien  marsch  deed,  volgde  de  markies 
De  Rochefort  den  rechteroever  van  de  Maas,  en  begon  den 
isten  Juni  de  berenning  van  Hoey,  die  voltooid  werd  op  den 
anderen  oever  door  eene  afdeeling  van  's  Konings  leger.  Gelegerd 
te  Falais"  (een  plaatsje  bij  de  Méhaigne,  een  paar  uur  ten  noord- 
westen van  Hoey),  t  dekte  Lodewijk  een  beleg,  dat  overigens 
geen  vijand  van  buiten  toen  bij  machte  was  om  te  verhinderen. 
De  Prins  van  Oranje  en  de  hertog  De  Villa  Hermosa  werden 
verrast  door  dien  uitval  van  's  Konings  leger;  de  eerste,  nog 
lijdende  aan  de  gevolgen  van  zijne  ziekte,  was  bezig  met  zijn 
leger  bijeen  te  trekken  te  Bergen-op-Zoom;  de  tweede,  die  meer 
goeden   wil   had   dan   macht,  kon,  na  aftrek  van  de  bezettingen 


Digitized  by 


Google 


VELDTOCHT  IN   DE   SPAANSCHE  NEDERLANDEN,   ENZ.  173 

der  vestingen,  ternauwernood  een  6000  man  te  velde  brengen. 
Zich  niet  bekommerende  om  dit  beleg,  nam  Louvois  er  den  tijd 
van  om  aan  graaf  d*Estrades,  in  de  Citadel  van  Luik,  een  bezoek 
te  brengen,  waarvan  de  Luikenaars  de  kosten  moesten  betalen; 
juist  niet  in  geld,  maar  in  koren  en  in  paardevoer,  ten  behoeve 
van  de  bezetting  van  Maastricht.  —  De  verdedigers  van  Hoey 
capituleerden  den  6en  Juni. 

Na  eenig  beraadslagen  nam  Lodewijk  XIV  zijn  voornemen 
weer  op  om  Limburg  te  belegeren,  eene  vrij  sterke  vesting,  en 
de  hoofdstad  van  een  hertogdom  dat  tot  De  Nederlanden  be* 
hoorde.  Limburg  ligt  op  den  rechteroever,  maar  op  eenigen 
afstand,  van  de  Maas,  en  vormt  met  Luik  en  Maastricht  een 
strategischen  driehoek,  die  niet  zonder  belang  was."  (Strate- 
gische driehoek!;  hier  speelt  zeker  den  Franschen  schrijver 
de  strategische  vierhoek  voor  den  geest,  dien  de  Oosten- 
rijkers in  Lombardije  hadden,  en  waarvan  indertijd  zoo  tot  ver- 
velens toe  werd  gewaigd).  iDe  eerste  werkzaamheden  van  het 
beleg  werden  den  gen  Juni  begonnen,  door  den  markies  De 
■Rochefort;  terwijl  *sKonings  leger  een  kamp  betrok  bij  Noy,  aan 
de  Maas^  tusschen  Maastricht  en  Viset." 

Omdat  er  op  dat  oogenblik  minder  vrees  was  voor  den  Rijn, 
werd  Créqui  teruggeroepen: 

»...Hij  haastte  zich  om  zijne  troepen,  zwaar  vermoeid  door 
zeventien  dagen  marcheerens,  aan  de  belegering  van  Limburg  te 
doen  deelnemen,  waarover  Condé  de  leiding  had  aanvaard. 

Den  Prins  van  Oranje  en  den  hertog  De  Villa  Hermosa  was 
het  eindelijk  gelukt,  bij  Leuven  een  35  k  40000  man  bijeen  te 
brengen,  waarmede  zij,  over  Diest,  op  Roermond  trokken,  aan 
de  samenvloeiing  van  Maas  en  Roer.  Toen  hij  tijding  kreeg  van 
die  beweging,  ging  Lodewijk  XIV  op  den  rechteroever  van  de 
Maas  over;  en  nam  den  iQcn  Juni  stelling  te  Neufchateau.  bij 
Dalem,  op  den  weg  van  Roermond  naar  Limburg.  Dienzelfden 
dag  gaf  Condé  de  leiding  van  het  beleg  aan  zijn  zoon  over,  om 
zelf  den  Koning  met  raad  te  kunnen  bijstaan  voor  het  geval  dat 
de  vijand  slag  wilde  leveren  om  de  vesting  te  ontzetten.  Maar 
de  Prins  van  Oranje,  wiens  leger  minstens  een  derde  zwakker 
was  dan  dat  des  Konings,  achtte  het  zelfs  onraadzaam  om  den 
afstand  tusschen  de  beide  legers,  van  12  è  15  mijlen,  te  ver- 
kleinen; en  den  volgenden  dag  —  20  Juni  —  trad  de  graaf  van 
Nassau,  de  bevelhebber  binnen  Limburg,  in  onderhandeling,  na 
eene  verdediging  die  nog  al  krachtig  was  geweest.  Den  2  2sieQ 
nam  eene  Fransche  bezetting  de  vesting  in  bezit,  wier  werken 
dadelijk  weer  werden  opgemaakt...*'  (Rousset,  2*  deel,  blz. 
147—149.) 

Créqui  wordt  daarop  teruggezonden  naar  Trier. 

•  Toen  Lodewijk   XIV    Limburg   had   genomen,  ging  hij  weer 


Digitized  by 


Google 


174  KRIJGS-   EN  GESCHIRDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

op  den  linkeroever  van  de  Maas  over,  en  trok,  over  Tongeren, 
Sint-Truyen  en  Thienen,  naar  de  zijde  van  Leuven  en  Brussel; 
de  Prins  van  Oranje  haastte  zich  toen  om  Roermond  te  verlaten, 
en  bereikte,  met  geforceerde  raarschen,  de  omstreken  van  Mechelen; 
hij  deed  Diest  bezetten,  op  de  rechterflank,  maar  op  een  eerbie- 
digen afstand  van  het  marcheerende  Fransche  leger.  Verscheidene 
dagen  verkeerde  Braband  in  angst.  Zeker  is  het,  dat  Lodewijk  XIV 
voornemens  was,  of  dat  hem  de  raad  gegeven  werd  om  nog  een 
groote  vesting  te  belegeren;  welke,  is  onbekend.  Den  56x1  Juli 
schreef  Louvois,  uit  de  legerplaats  bij  Sint-Truyen,  aan  de  inten- 
danten van  de  meest  nabijzijnde  Fransche  gewesten  en  vestingen, 
€n  legde  hun  de  verplichting  op,  tegen  den  2osten  Juli  eenige 
honderden  karren  gereed  te  hebben  en  8400  boeren,  ingedeeld 
in  afdeelingen  van  100  man,  en  met  de  noodige  gereedschappen 
voor  aardwerken,  zooals  tot  het  opwerpen  van  circumvallatie- 
liniën  •,  hij  nam  de  voorzorg  van  er  bij  te  voegen :  >  gij  kunt  hun 
de  verzekering  geven,  dat  zij  aan  geen  arbeid  zullen  worden 
gezet,  die  binnen  het  bereik  is  van  het  geweer-  of  geschutvuur." 
Zes  dagen  later  werden  de  intendanten  uitgenoodigd  om  voor- 
loopig  die  bevelen  nog  niet  uit  te  voeren.  Het  leger  was  toen 
reeds  weer  in  beweging  om  Charleroi  meer  nabij  te  komen.  Na 
«ene  afdeeling  voetvolk  onder  den  markies  De  la  Trousse  te 
hebben  afgezonden  ter  versterking  van  den  maarschalk  Créqui, 
gaf  Lodewijk  XIV,  den  lyen  Juli,  het  bevel  over  het  leger  aan 
den  Prins  van  Condé  over. 

Hij  kwam  te  Versailles  terug,  opgetogen  wegens  het  feit,  dat 
hij  zelf  geen  belegeringen  had  verricht,  maar  de  belegeraars  had 
gedekt;  opgetogen  wegens  het  feit,  dat  hij  in  het  open  veld  was 
opgetreden,  en  zich  aan  een  veldslag  had  blootgesteld;  vooral 
opgetogen,  omdat  hij  geprezen  werd  door  Turenne,  die,  van  den 
Rijnkant,  aan  Louvois  had  geschreven:  imen  kan  het  niet  luid 
genoeg  zeggen,  wat  een  indruk  het  overal  heeft  gemaakt,  die 
marscli  des  Konings  en  zijn  besluit  om,  na  de  Maas  te  zijn  over- 
gegaan, in  persoon  vooruit  te  rukken  tot  voorbij  Dalem  tot  dek- 
king van  het  beleg  van  Limburg,  terwijl  de  vijand  met  een  zoo 
sterk  leger  in  aantocht  was  om  die  vesting  te  hulp  te  komen. 
Ik  ben  er  zeer  bekommerd  over;  hoewel  die  handeling  van 
Zijne  Majesteit  schitterend  is  en  roemrijk,*'  (Rousset,  2'dee),blz. 
149-151.) 

In  den  regel  is  Turenne  geen  vleier;  hier  echter  heeft  het  er 
wel  wat  van;  want  waarlijk,  het  was  niet  zoo'n  heldenstuk  om 
met  een  leger  van  60000  man  vooruit  te  rukken  tot  Dalem, 
tegen  een  vijand  die  er  maar  35  ^  40000  telde,  en  die  te  Roer- 
mond stond,  nog  een  paar  dagraarschen  van  Dalem  verwijderd. 
Op  zijn  minst  genomen  moet  men  Turenne's  woorden  hier  onjuist 


Digitized  by 


Google 


VELDTOCHT  IN   DE   SPAANSCHE  NEDERLANDEN,   ENZ.  I75 

of  overdreven  noemen.  Rousset  erkent  dit  dan  ook,  daar  hij  in 
«ene  noot  zegt:  >Turenne  schatte  'svijands  macht  sterker  dan 
zij  was.  Hij  schreef  den  3osien  Juni,  toen  hij  van  de  overgave 
van  Limburg  nog  niet  af  wist." 

In  het  voorbijgaan  eene  aanmerking  op  Wagenaar. 

Wij  behooren  volstrekt  niet  tot  hen,  die  uit  de  hoogte  en  met 
geringschatting  op  dien  schrijver  nederzien;  integendeel,  wij  ge- 
looven  dat  hij  in  vele  opzichten  uitmuntende  hoedanigheden 
heeft,  die  aan  zijne  ^  Vader landsche  Historie"  eene  blijvende 
waarde  bijzetten.  Maar  wij  raden  iedereen  af,  onze  k  r  ij  g  s  geschie- 
denis bij  hem  te  bestudeeren;  want  daar  weet  hij  niets  van,  en 
die  behandelt  hij  maar  in  het  voorbijgaan,  oppervlakkig  en  ge- 
brekkig. Onder  andere  hier,  bij  dat  beleg  van  Limburg,  zegt 
Wagenaar:  dat  Willem  III  de  overgave  van  die  vesting  vernam, 
terwijl  hij  tot  haar  ontzet  oprukte,  en  daartoe  »te  Mühlheim  de 
Roer  overtrok."  Nu  is  er  wel  een  Mühlheim  aan  de  Roer  — 
echter  niet  aan  de  Roer  die  bij  Roermond  in  de  Maas  valt;  maar 
wel  aan  de  Roer,  een  rechterzijrivier  van  den  Rijn;  Mühlheim 
ligt  op  den  rechteroever  van  den  Rijn;  en  zeer  zeker  zal 
Willem  III,  om  van  Roermond  op  Limburg  te  trekken,  niet  eerst 
zijn  overgegaan  op  den  rechter  Rijnoever.  Wagenaar  heeft  die 
twee  rivieren  de  Roer  met  elkander  verward  en  daardoor  de 
zaak  onbegrijpelijk  gemaakt ;  —  denkelijk  heeft  hij  ze  zelf  niet 
begrepen. 

Die  veldtocht  van  1675  in  De  Nederlanden  draagt  hetzelfde 
kenmerk  als  meer  andere  veldtochten  van  Willem  III,  namelijk: 
dat  hij  daarbij  de  minderheid  had  in  strijdkrachten.  Het  leger 
van  Lodewijk  XIV  telde  60000  man,  dat  van  de  bondgenooten 
35  k  40000;  en  terwijl  het  eerste  één  en  hetzelfde  leger  was, 
bestond  het  andere  uit  twee  verschillende  legers,  waarvan  het 
Spaansche  altijd  uitermate  gebrekkig  was,  wat  uitrusting  en  ver- 
zorging betreft.  Het  lijdt  dus  niet  den  minsten  twijfel,  dat  er  in 
1675  ^^  De  Nederlanden,  aan  de  Fransche  zijde  eene  groote 
overmacht  was.  Wat  moest  Willem  III  dus  in  dien  toestand 
doen?  —  Groote  voordeelen  behalen?  —  daaraan  viel  niet  te 
denken.  Een  beslissenden  slag  wagen  ?  —  dat  zou  dwaasheid  zijn 
geweest:  de  kansen  waren  te  ongunstig.  Neen,  Willem  III  bleef 
niets  anders  over,  dan  den  vijand  te  beletten  groote  voor- 
deelen te  behalen,  hem  den  tijd  te  laten  doorbrengen  met 
kleine  ondernemingen,  en  op  die  wijze  den  oorlog  te  rekken. 
Dat  was  in  1675  de  taak  van  Willem  III;  en  die  taak  heeft  hij 
toen,  evenals  bij  meer  andere  veldtochten,  op  meesterlijke  wijze 
vervuld:  het  Fransche  leger  heeft  toen  Dinant,  Hoey  en  Limburg 
genomen,  drie  onbeduidende  vestingen,  wier  verlies  weinig  ter 
zake  afdeed;  terwijl  er,  de  sterkte  van  dat  leger  in  aanmerking 
genomen,   gegronde   vrees  bestond  dat  het  groote  Brabandsche 


Digitized  by  VjOOQIC 


176  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Steden  zou  bemachtigen,  en  daardoor  aan  den  oorlog  eene  be- 
slist nadeelige  wending  zou  geven  voor  de  bondgenooten.  Als 
men  dat  in  aanmerking  neemt,  dan  vindt  men  denkelijk  het  nu 
volgende  oordeel  van  Rousset  (2*  deel,  blz.  152)  minder  juist: 

»Wij  mogen  niet  verzwijgen,  dat  de  Prins  van  Oranje  van 
zijne  zijde  zelf —  zeker  niet  uit  ijdelheid,  maar  uit  staatkundigen 
nooddwang  —  aan  zijne  vrienden  eene  lofspraak  in  de  pen  gaf^ 
waartoe  hij  misschien  minder  gerechtigd  was.  »Het  is  noodig,*'^ 
zoo  schreef  hij  aan  Fagel,  »dat  gij  in  alle  HoUandsche  steden 
de  mare  verkondigt,  —  zelfs  moet  gij  er  in  persoon  gaan,  on» 
te  spreken  met  de  burgemeesters  en  pensionarissen  — ,  dat  ik 
mij  beijverd  heb  om  door  een  bijzonder  snellen  marsch  de  steden 
Leuven,  Mechelen  en  Brussel  te  redden,  die  onfeilbaar  verloren 
zouden  zijn  gegaan,  ware  ik  den  vijand  niet  voor  geweest  door 
Diest  te  bezetten;  hierdoor  heb  ik  aan  de  geheel  ontmoedigde 
Brabanders  weer  een  riem  onder  het  hart  gesloken,  en  de  ont- 
werpen onzer  vijanden  verijdeld.  Ik  zend  last  aan  den  heer  Pesters 
om  in  Utrecht,  Gelderland  en  Overijsel  hetzelfde  te  doen  als  gij 
in  Holland;  en  aan  den  Prins  van  Nassau  om  evenzoo  te  han- 
delen in  Friesland  en  Groningen." 


Ifï  ^^75  g^*t  eene  ster  van  de  eerste  grootte  aan  den  krijgs- 
hemel  onder:  Turenne  wordt  te  Saszbach  door  een  kanonskogel 
gedood,  den  27sien  Juli  1675,  "^g  g^^"  maand  na  het  schrijven 
van  dien  brief  aan  Lodewijk  XIV.  Turenne's  dood  vermeldende^ 
voegt  Rousset  er  bij  (2'  deel,  blz.  161): 

» Men  verhaalt  dat  Monte  Cuculi,"  (het  Keizerlijke  legerhoofd, 
de  bekwame  tegenstander  van  Turenne),  »na  zich  een  oogenblik 
bedacht  te  hebben,  op  ernstigen  toon  zeide:  »er  is  vandaag  een 
man  gestorven,  die  het  menschdom  tot  eer  was.*'  Een  verheven 
gezegde,  dat  in  zijn  eenvoud  meer  weegt  dan  al  de  rhetorica 
der  lijkredenen.  Het  is  de  zeggingskracht  van  het  verstand;  — 
ziehier  de  zeggingskracht  van  het  gevoel:  ttoen  onze  veldheer 
gedood  werd,  waren  wij  verweesde  kinderen."  Wie  heeft  dat  ge- 
zegd? Wie  heeft  dien  anderen  kreet  der  smarte  geslaakt:  tde 
wonde  is  te  groot,  en  bloedt  nog"?  —  Men  weet  het  niet;  het 
is  geschreven  door  een  ongenoemde,  aan  een  ongenoemde.  Waartoe 
is  het  noodig  om  die  onkunde  te  doen  ophouden  ?  die  naamlooze 
brief  van  den  2en  Augustus,  is  de  brief  van  allen,  aan  allen ;  het 
is  de  algemeene  klacht  van  het  geheele  leger,  na  zes  dagen  van 
sprakelooze  droefheid  en  verslagenheid." 

Condé  vervangt  Turenne  in  het  opperbevel  aan  den  Rijn,  en 
in  afwachting  van  diens  komst  neemt  Duras  dat  opperbevel  waar. 
Toen  Turenne  gesneuveld  was,  stelde  Lodewijk  XIV  (30  Juli)  in 


Digitized  by 


Google 


DOOD  VAN  TURKNNE.  177 

plaats  van  dien  éénen  maarschalk,  acht  andere  maarschalken 
aan,  namelijk:  Navailles,  d'Estrades,  Schomberg,  Duras,  Vivonne, 
De  la  Feuillade,  Luxembourg  en  Rochefort ;  —  de  kwantiteit 
moest  hier  vergoeden  wat  bij  sommigen  aan  de  kwaliteit  te 
kort  schoot.  De  Franschen,  altijd  uit  op  kwinkslagen,  spraken 
toen  van  Turenne  en  van  zijn  acht  plaatsvervangers  als  van  y^e 
beau  Louis  d*or  changé  en  Louis  de  cinq  sous'*\ 

Wie  in  een  groot  man  altijd  een  ideaal  zoekt,  die  zal  misschien 
wel  wat  aan  te  merken  hebben  op  Turenne:  het  voeren  van  de 
wapenen  tegen  zijn  vaderland,  zijn  veranderen  van  godsdienst, 
het  verwoesten  van  de  Paltz,  en  enkele  onberaden  handelingen 
waartoe  zijn  neiging  voor  de  vrouwen  hem  bracht.  Wie  niet 
naar  idealen  zoekt,  wie  weet  dat  de  grootste  mannen  hunne 
zwakheden  en  ondeugden  hebben  gehad,  wie  overtuigd  is  dat  de 
billijkheid  vordert  om  iemand  te  beoordeelen  naar  den  tijd  waarin 
hij  leeft,  en  zijne  waarde  af  te  meten  naar  de  waarde  zijner  tijd- 
genooten,  —  die  zal  hoog  wegloopen  met  Turenne.  Als  leger- 
hoofd is  het  ontegenzeggelijk,  dat  Turenne  de  grootste  is  geweest 
van  zijn  tijd;  zelfs  Napoleon  erkent  zijne  uitstekendheid ;  — 
Napoleon,  de  bevoegdste  beoordeelaar,  en  stellig  niet  de  toe- 
gevendste. 

»Een  ongeluk  komt  zelden  alleen";  —  in  den  zomer  van  1675 
ondervond  Frankrijk  de  waarheid  van  dit  spreekwoord.  Nog  was 
het  in  rouw  over  het  sneuvelen  van  zijn  grooten  veldheer,  toen 
het  getroffen  werd  door  oorlogsrampen  aan  den  Moezel;  oor- 
logsrampen, die  zelfs  gepaard  gingen  met  oneer.  Roemvol  is 
Turenne's  dood,  schandelijk  de  overgave  van  Trier. 

Créqui  voerde  het  bevel  over  de  Fransche  krijgsmacht  aan 
den  Moezel.  Die  maarschalk,  wiens  karakter  door  zijne  tijdge- 
nooten  zeer  ongunstig  wordt  afgeschilderd,  muntte  ook  niet  uit 
als  legerhoofd,  —  ten  minste  wat  zijne  bekwaamheid  betreft; 
dapperheid  kan  men  hem  volstrekt  niet  ontzeggen.  Den  11  en 
Augustus  1675  heeft  er  te  Konz-Saarbrück,  nabij  Trier,  een  veld- 
slag plaats,  tusschen  het  leger  van  Créqui  en  dat  van  den  hertog 
van  Lotharingen;  —  de  laatste  was  zelf  afwezig;  de  Duitschers 
werden  hier  aangevoerd  door  een  hertog  van  Zeil.  De  strijd  liep 
beslist  nadeelig  af  voor  de  Franschen,  die  hier  geheel  geslagen 
werden:  >het  was  geen  nederlaag,  maar  een  volslagen  vlucht", 
zegt  Rousset  (2*  deel,  blz.  177).  Daarop  wordt  Trier  belegerd, 
waarbinnen  zich  Créqui  had  geworpen ;  den  6en  September  wordt 
die  stad  overgegeven,  —  niet  door  den  bevelhebber,  maar  door 
de  in  opstand  gekomen  Fransche  bezetting.  Het  hoofd  der  mui- 
ters, de  kapitein  Bois-Jourdan,  —  hij  behoorde  nog  wel  tot  het 
beroemde  regiment  van  Navarre!  —  sloot  eigenmachtig  eene 
capitulatie  met  den  vijand ;  nadat  hij  Créqui  tevergeefs,  zelfs  door 


WILLEM  III.  —  II. 


Digitized  by 


Google 


178  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

bedreigingen,  had  willen  dwingen  haar  te  onderteekenen;  > nooit," 
zegt  Voltaire,  >is  een  lafheid  met  zooveel  stoutmoedigheid  ge- 
pleegd." Met  eenige  trouw  gebleven  officieren  nam  Créqui  de 
wijk  binnen  eene  der  kerken  van  Trier,  en  werd  daar  gevangen 
genomen. 

Wat  was  de  straf  van  die  Triersche  muiters,  toen  zij  weer  op 
Fransch  grondgebied  waren  gekomen?  —  Rousset  zegt  hierom- 
trent (2'  deel,  blz.  179): 

>  Zoodra  zij  te  Met z  waren  aangekomen,  gelastte  de  Koning 
aan  den  maarschalk  De  Rochefort,  de  ruiters  en  dragonders" 
(zij  waren  de  ergste  muiters  geweest),  tte  splitsen  in  afdeelingen 
van  twintig  man,  en  van  elke  afdeeling  er  dadelijk  één  te  laten 
ophangen,  die  het  lot  zou  aanwijzen.  Wat  de  officieren  betreft, 
ziehier  wat  Louvois  daarover  schreef  aan  den  intendant  Barillon 
de  Morangis:  >voor  den  krijgsraad  moeten  terechtstaan,  niet 
alleen  die  officieren  van  wie  men  weet  dat  zij  ongehoorzaam 
zijn  geweest  aan  den  maarschalk  De  Créqui  en  tegen  hem  heb- 
ben samengespannen,  maar  ook  de  korpscommandanten  die  in 
gebreke  blijven  het  bewijs  te  leveren,  dat  zij  op  zeer  krachtige 
wijze  zijn  te  werk  gegaan  tegen  de  muiters;  het  moet  een  vaste 
regel  zijn,  dat  een  bevelhebber  die  zich  niet  ernstig  blootstelt 
aan  gevaar  om  eene  muiterij  tegen  te  gaan,  gestraft  moet  worden 
als  had  hij  die  aangestookt ;  want  alleen  zijn  zwakheid  geeft  aan 
de  manschappen  de  stoutheid  om  ddt  te  doen,  wat  zij  niet  zullen 
doen  als  hij  maar  krachtig  zijn  plicht  nakomt.  De  Koning  wil 
van  deze  onderzoekingen  niets  anders  weten,  dan  door  het  von- 
nissen en  streng  straffen  van  de  schuldigen;  en  noch  bloedver- 
wanten, noch  betrekkingen,  noch  vroegere  diensten  zullen  iets 
vermogen  tot  behoud  en  verontschuldiging  van  menschen,  die, 
bij  eene  gelegenheid  als  deze,  zoo  slecht  hun  plicht  hebben 
gedaan." 

Wat  zouden  er  een  muiterijen  bij  leger  of  volk,  opstanden, 
burgeroorlogen,  zelfs  omwentelingen,  zijn  voorkomen  of  onder- 
drukt, waren  er  maar  altijd  eenige  mannen  geweest,  vastbe- 
raden om  het  beginsel  toe  te  passen,  hier  door  Louvois  uitge- 
sproken! 't  Is  waar,  dit  vordert  deugden  die  zeldzamer  zijn  in 
deze  wereld  en  minder  worden  beloond  dan  krijgsmoed;  het 
vordert  burgerlijken  moed,  een  krachtig  plichtgevoel,  en  geheele 
toewijding  aan  de  wet. 

Allereerst  ondervond  dit  Louvois,  op  bedroevende  wijze.  Alleen 
over  drie  officieren  sprak  de  krijgsraad  het  > schuldig"  uit:  over 
Bois-Jourdan,  die  onthoofd  werd,  en  over  twee  andere  officieren, 
die  alleen  met  cassatie  en  geldboete  werden  gestraft..." 

In  weerwil  van  dit  krachtig  schrijven  van  Louvois,  mag  hier 
de  vraag  worden  gesteld :  waar  werd  de  krijgstucht  beter  gehand- 
haafd, bij   de  legers  van  Willem  III,  of  bij  de  Fransche  legers? 


Digitized  by 


Google 


LAATSTE  KRIJGSVERRICHTINGEN   IN    1675.  '  179 

Om  dezen  tijd — 17  September  1675 — stierf  de  oude  hertog 
van  Lotharingen,  die  altijd  met  Frankrijk  overhoop  lag,  en  daar- 
door gedurig  zijn  land  moest  verlaten:  ihij  bracht  zijn  leven 
door  met  zijne  Staten  te  verliezen  en  met  legers  op  de  been  te 
brengen,"  —  zegt  Voltaire  van  hem, 

Aan  den  Rijn,  waar  nu  Condé  stond  tegenover  Monte  CucuH, 
gebeurde  er  verder  niets,  en  dit  hoofdzakelijk  omdat  —  zooals 
Rousset  zegt  (2'  deel,  blz.  188)  —  de  beide  legerhoofden  te  oud 
waren  om  iets  te  ondernemen:  > Monte  Cuculi,  ouder  dan  Condé, 
was  evenals  deze  geteisterd  door  vroegtijdige  kwalen  en  onge- 
makken, ontevreden  over  iedereen,  verdrietig,  wantrouwend,  en 
meer  ernstig  bezorgd  voor  zijne  troepen  dan  Condé  voor  de 
zijne;  daarom  wilde  hij  het  laatste  tijdperk  van  een  waarlijk 
glorievolle  loopbaan  niet  in  gevaar  brengen  door  het  leveren 
van  een  onzekeren  veldslag  en  door  het  bestrijden  van  zulk  een 
geduchten  tegenstander . . ." 

En  omdat  de  legerhoofden  oud  waren  en  naar  rust  verlangden, 
moesten  de  legers  niets  doen!  Wonderlijke  tijden!  Ongetwijfeld 
doet  ook  in  onze  dagen  het  persoonlijk  karakter  van  den  veld- 
heer zijn  invloed  op  den  gang  der  oorlogszaken  gelden;  toch 
zou  zulk  een  langdurige  werkeloosheid  niet  gedoogd  worden. 


Na  het  vertrek  van  Lodewijk  XIV  en  van  Condé  was  Luxem- 
bourg  opperbevelhebber  geworden  over  het  Fransche  leger  in 
De  Nederlanden,  dat  tot  op  een  40  000  man  was  verminderd  door 
het  afzenden  van  verschillende  afdeelingen  naar  Bretagne,  naar 
den  Moezel,  naar  den  Elzas  en  Lotharingen.  Met  die  macht 
was  Luxembourg  niet  in  staat  nieuwe  voordeelen  te  behalen, 
maar  wél  sterk  genoeg  om  dit  den  Prins  van  Oranje  te  beletten. 
Alleen  werd  de  kleine  vesting  Binche,  waar  slechts  een  2  k  300 
man  in  bezetting  was,  door  Willem  III  genomen,  maar  later  weer 
ontruimd.  Luxembourg  liet  bij  zijn  leger  de  krijgstucht  tamelijk 
verslappen  en  werd  daarover  onderhouden  door  Louvois,  die 
aandrong  op  het  nemen  van  straffere  maatregelen :  dit  geschiedde, 
en  bij  eene  wapenschouwing  op  den  1460  October  verklaarde 
Luxembourg  dat  het  Fransche  leger  er  weer  uitmuntend  uitzag. 
Maar  toen  kwam  het  er  niet  meer  op  aan;  de  veldtocht  was 
200  goed  als  geëindigd. 

>De  Prins  van  Oranje,  die  bijna  even  ontevreden  was  over 
den  hertog  De  Villa  Hermosa  als  vroeger  over  graaf  Monterey, 
had  Binche  toen  juist  weer  ontruimd,  —  het  eenige  en  onbe- 
duidende voordeel  door  hem  behaald  — ,  en  keerde  reeds  met 
het  grootste  deel  zijns  legers  naar  Holland  terug,  het  overige 
deel  aan  de  Spanjaarden  latende  om  gedurende  den  winter  hunne 


Digitized  by  VjOO^QIC 


l8o  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

vestingen  te  bezeltep.  Zelfs  de  maarschalk  d'Humières  had  zeker 
voordeel  behaald*,  in  vereeniging  met  den  markies  De  Chamilly, 
den  bevelhebber  van  Oudenaarden,  had  hij,  van  den  6en  tot  den 
Ssten  October,  een  strooptocht  gedaan  in  het  land  van  Waas; 
hij  leed  eenig  verlies  door  het  geschutvuur  van  de  Citadel  van 
Gent,  die  hij  op  korten  afstand  moest  voorbijtrekken,  door  een 
gevecht,  en  door  andere  kleine  schermutselingen;  maar  hij  had 
meer  dan  2000  huizen  en  kasteelen,  en  de  prachtigste  dorpen 
van  de  wereld  verbrand."  (Rousset,  2*  deel,  blz.  193 — 194). 

Men  ziet  dus,  dat  die  verwoesting  van  de  Paltz  in  1674,  geen 
op  zichzelf  staand  feit  is  geweest :  dit  afbranden  van  het  land 
van  Waas  was  eigenlijk  hetzelfde,  alleen  op  wat  kleinere  schaal. 
Beide  feiten  komen  ten  laste  van  Frankrijk;  maar  de  waarheid 
vordert  om  te  erkennen,  dat  de  bondgenooten  ook  wel  eens 
hetzelfde  hebben  gedaan;  —  zoodat,  als  men  alles  nagaat,  de 
eene  partij  de  andere  niet  heel  veel  te  verwijten  had.  Men  zon- 
digde aan  weerszijden. 

Een  Fransch  leger,  dat,  onder  Schomberg,  in  Roussillon  werk- 
zaam was  tegen  de  Spanjaarden,  had  den  29sten  Juli  1675  ^^ 
vesting  Bellegarde  genomen;  daarna  was  echter,  aan  die  zuide- 
lijke grens  van  Frankrijk,  tegen  den  vijand  weinig  of  niets  ver- 
richt, maar  de  macht  van  Schomberg  gedeeltelijk  gebruikt  om 
het  oproerige  Bordeaux  te  straffen,  en  opstanden  te  onderdrukken 
in  Bretagne  en  Guyenne.  Dit  ging  op  geen  zachte  wijze:  tmeer 
dan  twaalfhonderd  huisgezinnen"  —  zegt  Rousset  (blz.  200)  — 
» hadden  de  stad"  (Bordeaux)  >  verlaten,  en  de  handel  was  schier 
verdwenen.  Maar  Guyenne  en  Bretagne  hadden  geen  macht  en 
geen  lust  meer  tot  nieuwe  opstanden." 

Die  oproeren  schijnen  teweeggebracht,  nog  meer  door  den 
zwaren  druk  van  de  belastingen,  dan  door  godsdienstige  vervol- 
gingen. Volgens  sommige  schrijvers  hadden  die  opstandelingen 
van  Bretagne  en  Guyenne  de  bondgenooten  om  hulp  aangezocht, 
en  de  toezegging  daarvan  verkregen.  Rousset  bewaart  daarover 
het  stilzwijgen;  zoodat  het  schijnt,  dat  in  de  papieren  van  Lou- 
vois  niets  voorkomt  over  zulk  eene  verstandhouding  tusschen  de 
bondgenooten  en  de  opstandelingen  in  Frankrijk. 

Wat  moet  nu  het  eindoordeel  zijn  over  het  oorlogsjaar  1675  ï*  — 
Dit :  als  men  de  mindere  sterkte  der  bondgenooten  in  De  Neder- 
landen —  het  voornaamste  looneel  van  den  oorlog  —  in  aan- 
merking neemt,  dan  is  dit  oorlogsjaar  voor  hen  naar  wensch 
afgeloopen;  zij  hebben  daar  kleine  nadeelen  geleden;  maar 
nadeelen,  die  geheel  onbeduidend  waren,  die  geen  beslissenden 
invloed  konden  hebben  op  den  gang  des  oorlogs;  vooral  niet^ 
omdat  zij  ruhnschoots  werden  opgewogen  door  grootere  nadeelen 


Digitized  by 


Google 


LAATSTE  KRIJGSVERRICHTINGEN  IN    1675.  181 

die  Frankrijk,  of  zijne  bondgenooten,  op  andere  punten  onder- 
vonden. Over  het  geheel  komt  het  eigenlijk  daarop  neer:  dat  de 
k rijgsverrichtingen  van  1675  voor  geen  der  beide  partijen  van 
«enigszins  beslissenden  aard  zijn  geweest ;  dat  door  die  krijgsver- 
richtingen  de  sterkteverhouding  der  oorlogvoerenden  niet  merk- 
baar is  veranderd:  dat  geen  van  de  beide  partijen  toen  de  over- 
winning is  nader  gekomen,  of,  wat  het  gevolg  daarvan  zoude 
zijn,  het  einde  van  den  oorlog;  en  dat  dus  dit  einde  alleen  was 
te  wachten  van  de  steeds  toenemende  uitputting  in  krachten, 
zoowel  aan  de  eene  als  aan  de  andere  zijde. 

Die  voorstelling  komt  vrij  wel  overeen  met  wat  Rousset  in  het 
algemeen  zegt  over  de  krijgsgebeurtenissen  van  1675  (2'  deel, 
blz.  201): 

>  Omstreeks  half  Augustus  1675  kon  de  Prins  van  Oranje  met 
zelfvoldoening  neerzien  op  den  gang  der  gebeurtenissen:  Turenne 
gesneuveld;  Monte  Cuculi  in  den  Elzas  doorgedrongen;  Créqui 
geslagen  en  krijgsgevangen;  Trier  hernomen;  Fransche  provin- 
ciën in  opstand,  of  met  opstand  dreigende ;  de  Zweden  geslagen 
door  den  keurvorst  van  Brandenburg;  —  hij  schreef  dan  ook 
aan  Fagel :  >  de  gebeurtenissen  bewijzen  dat  het  beter  is  geweest, 
geen  haast  te  maken  met  het  vrede  sluiten."  —  Den  31  sten  De- 
cember schrijft  Launoy  aan  den  maarschalk  d'Estrades:  >De 
prins  De  Vaudemont  is  bij  Zijne  Hoogheid  namens  den  hertog 
De  Villa  Hermosa,  en  de  markies  De  Grana  namens  den  keizer, 
om  tegen  den  vrede  te  pleiten,  daar  zij  veel  hoop  schijnen  te 
Icoesteren  op  een  voorspoedigen  veldtocht;  de  keurvorst  van 
Brandenburg  wendt  dezelfde  pogingen  aan  door  zijn  resident,  en 
belooft  den  oorlog  zelfs  gedurende  den  winter  voort  te  zetten, 
als  Zijne  Hoogheid  den  vrede  minstens  nog  een  jaar  wil  uit- 
stellen; maar  ik  hoop  dat  de  Fransche  gevolmachtigden,  te 
Nijmegen  gekomen,  zulke  aannemelijke  voorstellen  zullen  doen, 
dat  daardoor  de  kuiperijen  van  den  prins  De  Vaudemont  en 
van  den  markies  De  Grana  geheel  verijdeld  worden."  —  Zoo- 
zeer lag  het  verband  tusschen  de  bondgenooten  na  den  veldtocht 
van  1675  in  duigen;  daarom  ook  spoorde  Louvois  van  zijn  zijde 
den  hertog  De  Luxembourg  aan  om  zóó  te  werk  te  gaan,  dat 
t  daardoor  de  vreemde  mogendheden  niet  aanmatigender  werden 
in  hunne  eischen,  bij  de  vredesonderhandelingen  waarmede  zij 
ons  dezen  winter  bedreigen." 

Er  begint  meer  neiging  te  komen  om  den  oorlog  te  eindigen, 
«n  de  vredesonderhandelingen  te  Nijmegen  vangen  aan;  —  toch 
duurt  het  bijna  drie  jaar,  voordat  die  onderhandelingen  tot  een 
vrede  leiden;  —  en  er  zijn  bij  ons  geschiedschrijvers  geweest, 
die  zelfs  dien  vrede  van  1678  nog  voorbarig  hebben  geacht;  — 
geheel  ten  onrechte,  zooals  dit  later  zal  aangetoond  worden. 


Digitized  by 


Google 


l82  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 


HOOFDSTUK  XVII. 

1676;   CONDÉ  EN  BOUCHAIN;    MAASTRICHT;    DOOD  VAN   DE   RUYTER; 
KRIJGSVERRICHTINGEN   AAN  RIJN   EN   MOEZEL,   ENZ. 

De  onderhandelingen  te  Nijmegen  over  het  sluiten  van  een 
vrede  beginnen^  maar  beginnen  op  een  zeer  trage  wijze:  som- 
mige mogendheden  vragen  om  deel  te  mogen  nemen  aan  het 
vredes-congres ;  een  enkel  gezant  verschijnt  in  de  stad;  anderen 
zenden  hunne  gemachtigden  vooruit  orn  huizen  te  huren  of  toe- 
bereidselen  te  maken  voor  hun  verblijf;  maar  het  jaar  1676 
vangt  aan,  zonder  dat  de  eigenlijke  onderhandelingen  iets  be- 
duiden. 

De  oorlog  blijft  voortwoeden;  en  gedurende  de  wintermaanden, 
terwijl  de  groote  operatiën  nog  blijven  rusten,  is  de  kleine  oorlog 
in  volle  werking;  dat  wil  zeggen:  er  wordt  naar  hartelust  ge- 
roofd en  gebrand.  Al  die  strooptochten,  al  die  plunderingen  te 
vermelden,  is  onnut  en  zou  vervelend  zijn;  genoeg  zij  het  te 
zeggen,  dat  de  eene  partij  de  andere  daarin  niet  veel  toegaf;  en 
dat  het  overgroot  aantal  vestingen  van  dien  tijd  zich  ook  daar- 
door laat  verklaren,  dat  men  die  vele  versterkte  punten  toen 
noodig  had  om  zich  te  vrijwaren  tegen  de  brandschattingen  van 
den  vijand,  of  om  zelf  den  vijand  te  brandschatten. 

In  de  Nederlanden  zou  Frankrijk  in  1676  weer  aanvallend 
optreden;  en  dat  aanvallen  bestond  hoofdzakelijk  in  het  bele- 
geren en  nemen  van  vestingen.  Maar  welke  vestingen  ?  —  Vauban 
raadt  de  belegering  aan  van  Condé,  Bouchain,  Valenciennes  en 
Kamerijk;  om  op  die  wijze  meer  een  1  gesloten  geheel"  (pré  carré) 
van  het  Fransche  vestingstelsel  te  maken;  dan  konden  daaren- 
tegen andere  vestingen  worden  verlaten.  >Het  komt  mij  voor'^ 
—  zoo  schrijft  hij  aan  Louvois,  in  brieven  van  den  21  sten  Sep- 
tember en  van  den  400  October  1675  — ,  ihet  komt  mij  voor, 
dat  de  Koning  te  veel  vooruitspringende  vestingen  heeft;  had  hij 
er  vijf  of  zes  minder  —  ik  heb  bepaalde  vestingen  op  het  oog  -^ 
dan  zou  hij  daardoor  12  k  14000  man  sterker  worden,  en  de 
vijand  minstens  6  k  7000  man  zwakker...  Willen  wij  het  lang 
volhouden  tegen  zooveel  vijanden,  dan  moet  men  er  aan  denken, 
onze  macht  meer  samen  te  trekken."  —  Vauban,  die  zooveel 
vestingen  gebouwd  heeft,  was  toch  geen  vestingbouwer  a  outrance, 

Louvois,  naar  gewoonte  de  aanwending  regelende  van  de 
Fransche  strijdkrachten,  heeft,  den  21  sten  Februari  1676,  daaraaa 
de  volgende  indeeling  gegeven: 


Digitized  by 


Google 


1676.  183 

In  yiaanderen  zou  de  Koning  zelf  als  legerhoofd  optreden,  en 
bij  zich  hebben  den  hertog  van  Orleans  —  zijn  broeder;  5  maar- 
schalken —  Créqui,  Schomberg,  d'Humières,  La  Feuillade  en 
De   Lorge  — ;  3   luitenant-generaals,   7   Maréchaux-de-carap,   en 

19  brigadiers.  Het  leger  in  Vlaanderen  zou  sterk  zijn :  aan  infan- 
terie 53  bataljons,  ieder  van  15  compagnieën;  aan  cavalerie  122 
eskadrons,  ieder  van  4  compagnieën;  en  drie  artillerietreinen,  te 
zamen  bevattende  51  stukken  van  verschillend  kaliber,  en  11 24 
paarden,  onder  bevel  van  den  hertog  De  Lude,  grootmeester 
der  artillerie. 

Voor  het  juiste  begrip  van  de  zaak  is  het  altijd  wenschelijk, 
niet  alleen  het  aantal  bataljons  en  eskadrons  van  een  leger  te 
kennen,  maar  ook  de  getalsterkte  van  dat  leger.  Met  zekerheid 
kan  hier  niets  daarover  worden  gezegd ;  want  de  getalsterkte  van 
het  bataljon,  en  van  het  eskadron,  was  nog  al  afwisselend;  — 
men  kan  alleen  zeggen  wat  waarschijnlijk  is.  Nu  vindt  men  eene 
plaats  in  Rousset,  waar  gezegd  wordt,  dat  bij  de  legers  van 
Lodewijk  XTV  het  bataljon  sterk  was  800  man,  en  het  eskadron 
160.  Neemt  men  ook  voor  1676  die  sterkte  aan,  dan  zou  het 
leger  in  Vlaanderen  toen  sterk  zijn  geweest:  42400  man  infan- 
terie, en  19520  man  cavalerie;  dus  in  het  geheel,  zonder  de 
artillerie  mede  te  rekenen,  bijna  62  000  man.  Het  zij  echter  her- 
haald :  wiskundige  zekerheid  bestaat  hier  niet. 

Aan  de  Maas  zou  de  maarschalk  Rochefort  het  bevel  voeren 
over  14  bataljons  voetvolk  (11 200  man),  en  50  eskadrons  ruiterij 
(8000),  te  zamen  dus  ruim  19000  man.  —  Catinat  was  hier 
werkzaam. 

Tegen  Duitschland  moest  optreden  de  maarschalk  De  Luxem- 
bourg,  met  20  bataljons  (16000  man),  en  100  eskadrons  (ook 
16000  man),  te  zamen  dus  32000  man. 

Over  het  leger  in  Catalonië  zou  de  maarschalk  De  Navailles 
het  bevel  voeren ;  en  over  de  krijgsmacht,  die  in  Sicilië  tot  steun 
moest  dienen  voor  het  opgestane  Messina,  de  maarschalk  De 
Vivonne.  De  sterkte  van  die  beide  legerkorpsen  wordt  niet  ver- 
meld; maar  uit  alles  blijkt,  dat  die  sterkte  niet  groot  is  geweest; 
zoodat  Navailles  en  Vivonne  waarschijnlijk  te  zamen  maar  een 

20  b.  25000  man  hebben  gehad. 

Men  zal  dus  niet  ver  van  de  waarheid  zijn,  als  men  aanneemt, 
dat  Frankrijk  in  1676  een  130000  k  140000  man  heeft  te  velde 
gebracht. 

Wat  die  legermacht  nog  geduchter  maakte,  was  de  spoed 
waarmede  dit  geschiedde;  een  spoed,  verreweg  overtreffende  wat 
dienaangaande  bij  de  bondgenooten  valt  op  te  merken ;  zoodat 
dan  ook  het  Fransche  leger  gewoonlijk  reeds  met  de  een  of 
andere  belegering  is  begonnen,  voordat  nog  het  leger  van  de 
bondgenooten  uit  zijne  winterkwartieren  is  opgebroken.  Die  spoed 


Digitized  by 


Google 


184  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

had  Frankrijk  toen  te  danken  aan  de  voortvarendheid  en  geest- 
kracht van  Louvois,  en  aan  de  verstandige  wijze  waarop  hij 
alles  in  het  Fransche  krijgswezen  geregeld  had. 

Den  24steii  Maart  1676  vertrekt  Louvois  van  Saint-Germain 
naar  Vlaanderen;  hij  is  bekleed  met  eene  onbeperkte  macht,  en 
maakt  daarvan  ruimschoots  gebruik,  zelfs  tegenover  den  Koning. 
Toen  Lodewijk  eens,  op  bedeesde  wijze,  het  voorstel  doet  om 
enkele  minder  goede  compagnieën  bij  de  regimenten  te  velde 
te  vervangen  door  compagnieën  uit  de  vestingen,  keurt  Louvois 
dit  af,  met  deze  woorden  (brief  van  den  6en  April  1676):  »Uwe 
Majesteit  veroorlove  mij  haar  te  zeggen,  dat  de  maatregel  dien 
zij  voorstelt  om  compagnieën  om  te  wisselen  bij  sommige  regi- 
menten, den  dienst  zou  benadeelen,  om  een  aantal  redenen,  te 
lang  om  in  een  brief  uiteen  te  zetten."  —  Daarmee  was  de  zaak 
afgedaan..."  (Rousset,  2*  deel,  blz.  211 — 212). 

Louvois  durfde  toen  nog  zulk  een  stouten  toon  voeren,  omdat 
hij  zeker  was  van  's  Konings  gunst;  wat  later,  toen  dit  veran- 
derde, werd  zijn  toon  veel  meer  onderdanig  en  vleiend. 


Nadat  verschillende  vestingen  in  de  Spaansche  Nederlanden 
door  schijnbewegingen  waren  bedreigd,  en  d'Humières  in  het 
begin  van  April  een  strooptocht  had  gedaan  naar  de  zijde  van 
het  land  van  Waas,  kwam  Créqui  den  17  en  April  voor  Condé 
en  berende  die  vesting;  reeds  den  i8en  werkten  8000  gravers 
aan  de  circumvallatie-linie,  onder  leiding  van  Vauban;  en  den 
2osteii  begon  de  artillerie  aan  het  opwerpen  van  de  eerste  kanen- 
en mortierbatterijen.  De  handeling  was  nu  ver  genoeg  gevorderd 
om  den  Koning  uit  te  noodigen  daaraan  deel  te  nemen;  —  de 
maaltijd  stond  op  tafel;  het  y^Momeigneur^  vous  étes  seryf  deed 
zich  hooren.  —  Lodewijk  XIV,  den  lóen  April  van  Saint-Germain 
vertrokken,  komt  den  21  sten  voor  Condé;  nog  dien  avond  wor- 
den de  loopgraven  geopend;  —  men  heeft  maar  op  zijn  komst 
gewacht,  om  met  de  vertooning  te  beginnen.  In  den  nacht  van 
den  2  5 sten  op  den  26sten  April  worden  alle  buitenwerken,  die 
veel  geleden  hebben  door  het  vuur  van  den  belegeraar,  stor- 
menderhand genomen;  dadelijk  daarop  volgt  de  capitulatie, 
waarbij  Condé  aan  de  Franschen  wordt  overgegeven,  en  de  be- 
zetting —  volgens  onze  opgaven  nog  een  1000  man  sterk  — 
krijgsgevangen  blijft.  De  belegering  had  aan  de  Franschen  ge- 
kost, aan  dooden  en  gewonden,  16  officieren  en  ongeveer  80 
soldaten. 

Den  istcn  Mei  1676  schrijft  Luxembourg  aan  Louvois  om  hem 
geluk  te  wenschen  met  de  aanvankelijk  behaalde  voordeden; 
wat  Rousset  uit  dien  brief  meedeelt,  geeft  een  denkbeeld  van 
den  toon  van  gemeenzame  spotternij  tusschen  die  beide  mannen ; 


Digitized  by 


Google 


CONDÉ  EN  BOUCHAIN.  185 

soms  gepaard^  aan  de  eene  zijde  met  onderdanige  vleitaal,  aan 
de  andere  zijde  met  forsche  uiting  van  gezag: 

>Uit  den  brief,  dien  gij  mij  de  eer  hebt  aangedaan  mij  te 
schrijven,  heb  ik  gezien,  mijnheer,  dat  gij  u  niet  erg  ongerust 
maakt,  dat  de  vijand  Péronne  zal  aanvallen;  uw  toon  is  daar- 
voor te  vroolijk ;  zelfs  zoo  vroolijk  dat  ik  geloof,  dat  gij  zeer  in 
öw  schik  zijt  over  uwe  maatregelen  om  een  van  's  vijands  be- 
langrijkste vestingen  te  belegeren.  Maar  de  wijze  waarop  dit  is 
gebeurd,  moet  u  wel  wat  hebben  gehinderd ;  want  in  plaats  van 
naar  Condé  te  trekken  als  naar  een  afgesproken  tweegevecht, 
€n  den  bevelhebber  dier  vesting  te  laten  weten  dat  hij  op  zijn 
hoede  moest  zijn,  hebt  gij  aan  alle  'zijden  schijnbedreigingen  ge- 
maakt, geschut  in  beweging  gebracht  naar  de  zijde  van  verschil- 
lende vestingen,  en  een  overgroot  aantal  krijgslisten  te  baat  ge- 
nomen; onze  vijanden  hier  zeggen  dan  ook  met  recht,  dat  uw 
tocht  naar  Vlaanderen  niet  de  handeling  is  van  een  ridderlijk 
man,  maar  dat  gij  hen  hebt  overvallen  op  verraderlijke  wijze. 
Ik  troost  mij  daarmee,  dat  de  Koning  buiten  dit  alles  is  gebleven, 
dat  hij  het  aan  u  heeft  overgelaten,  die  lagen  te  bezigen,  en  dat 
Zijne  Majesteit  in  persoon  aan  de  zaken  heeft  deelgenomen, 
alleen  toen  er  gevaar  was  te  braveeren  en  roem  te  verwerven. 

Wat  ik  ook  duidelijk  uit  uw  brief  zie,  dat  is,  dat  gij  niet 
krijgsgevangen  zijt  geweest,  zooals  hier  een  gerucht  wilde;  aan- 
leiding tot  dit  gerucht  gaf  een  schrijven  van  den  heer  De  Mazarin 
aan  den  heer  De  Goudreville,  waarin  gemeld  werd  dat  gij  ge- 
vangen waart  genomen  door  eene  vijandelijke  afdeeling,  en 
ontzet  door  eene  afdeeling  van  Zijner  Majesteit's  leger.  Weinig 
geloof  heb  ik  geslagen  aan  dit  nieuwtje;  want  ik  begrijp  zeer 
goed,  dat,  al  spoort  de  moed  u  aan  om  met  een  zwak  geleide 
op  weg  te  gaan,  het  gezond  verstand  u  zegt,  niet  noodeloos  een 
man  te  moeten  blootstellen,  die  zoo  onmisbaar  is  voor  's  Konings 
dienst,  als  gij;  en  dit  overwegende,  heb  ik  meer  gebouwd  op 
uw  gezond  verstand  dan  op  uw  moed;  ik  weet  dat  gij  uw  moed 
zoo  goed  bewaart  voor  de  groote  gebeurtenissen,  dat  die  soms 
niet  te  vinden  is  bij  de  kleine.  Zoo,  bij  voorbeeld,  herinner  ik 
mij,  dat  gij  te  Gray  bij  mij  niet  hebt  willen  komen  dineeren,  om 
het  kanonvuur;  en  dat  gij  te  Versailles  bang  waart  om  te  ver- 
drinken, eens  toen  de  Koning  zoo  weinig  stuurmanskunst  aan 
den  dag  legde,  en  ons  vaartuig  in  het  kanaal  op  zoo  ruwe  wijze 
tegen  den  wal  bracht."  (Rousset,  2«  deel,  blz.  217 — 218). 

Zoodra  Villa  Hermosa,  de  landvoogd  der  Spaansche  Neder- 
landen, bericht  had  gekregen  van  de  berenning  van  Condé,  be- 
ijverde hij  zich  om  die  vesting  te  hulp  te  komen;  hiertoe  was 
echter  de  Spaansche  legermacht  op  zich  zelve  geheel  onvoldoende, 
want  met  inspanning  van  alle  krachten  gelukte  het  nog  maar  om 


Digitized  by 


Google 


l86  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

eene  legermacht  van  een  13000  man  —  7000  man  voetvolk, 
4500  ruiters  en  1500  dragonders  —  nabij  Mechelen  en  Brussel 
te  vereenigen.  Maar  het  leger  van  de  Republiek  rukte  tot  bijstand 
op,  uit  Noord-Braband,  van  Roosendaal,  waar  Willem  III  om- 
streeks half  April  uit  Den  Haag  was  gekomen.  De  vaart  van 
Brussel  naar  Antwerpen  overtrekkende,  kwam  het  Hollandsche 
leger  den  23stcn  April  te  Grimbergen,  iets  ten  westen  van  Vil- 
voorden, en  was  dus  toen  zoo  goed  als  vereenigd  met  de 
Spaansche  legermacht.  Volgens  opgaven  van  onze  schrijvers  moet 
Willem  III  toen  aan  het  hoofd  hebben  gestaan  van  25000  man 
voetvolk  en  16000  man  ruiterij,  een  leger  van  41000  man  dus. 
Zijn  die  opgaven  juist,  dan  volgt  daaruit  dat  de  legermacht  van 
de  Republiek  in  Spaansch-Braband  toen  28000  man  sterk  was. 
Met  dit  leger  wil  men  het  ontzet  van  Condé  beproeven.  Den 
24sten  April  trekt  men  langs  Brussel;  over  Goesbeek,  ongeveer 
een  uur  gaans  westelijk  van  die  hoofdstad.  Den  26sten  is  men 
bij  de  abdij  van  Chambron,  een  paar  uur  ten  noorden  van 
Mons,  en  nog  ongeveer  een  dagmarsch  verwijderd  van  Condé ;  — 
maar  dien  dag  verneemt  men  de  overgave  van  die  vesting,  — 
of,  om  juister  te  spreken,  men  verneemt  dat  zij  bezig  is  met 
zich  over  te  geven.  Men  staakt  daarop  den  marsch  naar  Condé, 
trekt  op  Mons,  en  legert  zich  bij  de  dorpen  Nimy  en  Espinlon,  — 
of  Espinlieu  — ,  iets  ten  noorden  van  die  vesting. 

Twee  vesting:en  aan  de  Schelde  —  Doornik  en  Condé  —  waren 
nu  in  het  bezit  van  Frankrijk;  maar  bij  het  hoogere  gedeelte 
van  die  rivier  hadden  de  Spanjaarden  nog  verschillende  sterke 
steden:  eerst  Valenciennes,  een  groot  uur  ten  zuiden  van  Condé, 
dan  Bouchain,  op  een  paar  uur  afstands  ten  zuidwesten  van 
Valenciennes;  en  eindelijk,  nog  hooger  op.  Kamerijk.  Het  nemen 
van  die  vestingen  werd,  volgens  Vauban's  oordeel,  gevorderd  in 
het  belang  van  Frankrijk's  verdedigingsstelsel.  Men  besloot  dan 
nu  over  te  gaan  tot  het  belegeren  van  Bouchain;  —  door  de 
grootere  sterkte  van  Valenciennes  schijnt  men  nog  te  hebben 
opgezien  tegen  het  beleg  van  die  vesting,  die  anders  meer  nabij 
was  dan  Condé. 

Den  2eii  Mei  wordt  daarop  Bouchain  berend  door  den  hertog 
van  Orleans,  aan  het  hoofd  van  19  bataljons  en  55  eskadrons, — 
15200  man  voetvolk  en  8800  ruiters,  te  zamen  24000  man.  De 
Koning  zelf,  met  de  hoofdmacht  van  het  Fransche  leger,  neemt 
den  28sten  April  stelling  tusschen  Quiévrain  en  Sebourg;  plaatsjes, 
een  klein  uur  gaans  oostelijk  van  de  Schelde;  het  eerste  iets 
zuidelijker  dan  Condé,  het  tweede  nagenoeg  ten  oosten  van 
Valenciennes.  De  Fransche  legerhoofden  meenden  hier  een  uit- 
muntende stelling  te  hebben  om  het  beleg  van  Bouchain  te 
dekken;  want  die  stelling  sloot  voor  Willem  III  den  rechtstreek- 


Digitized  by  VjOOQIC 


CONDÉ  EN   BOUCHAIN.  187 

schen  weg  af  van  Mons  naar  Valenciennes ;  alleen  door  een 
aanval,  door  een  gewonnen  veldslag  kon  nu  de  Stadhouder  ten 
zuiden  van  de  Haisne,  —  het  riviertje  dat,  van  Mons  komende, 
zich  bij  Condé  in  de  Schelde  werpt,  —  tot  Bouchain  en  tot  de 
Schelde  doordringen. 

Louvois  verkeerde  dan  ook  in  de  meening,  dat  Willem  III 
niet  zou  trachten  Bouchain  te  ontzetten,  maar  eene  afleiding  zou 
geven  door  de  eene  of  andere  vesting  te  belegeren,  die  in  het 
bezit  van  Frankrijk  was.  Die  meening  van  den  minister  blijkt 
uit  brieven  van  den  2eii  en  van  den  4en  Mei  aan  Luxembourg, 
waarin  onder  andere  voorkomt :  » Daar  onze  macht  nog  al  sterk 
is,  heeft  de  Prins  van  Oranje  het  tot  nu  toe  onraadzaam  geoor- 
deeld om  van  achter  de  rivier  de  Haisne  te  voorschijn  te  komen; 
toch  zal  hij  spoedig  een  besluit  moeten  nemen.  Wij  hebben  hier 
nog  115  eskadrons  ruiterij  en  40  bataljons  voetvolk,  wat  meer 
dan  45000  man  uitmaakt;  ongerekend  meer  dan  4000  paarden, 
die  men  in  zes  uren  tijds  tot  zich  kan  trekken,  uit  het  leger  van 
Monsieur''*  (Orleans);  >en  wij  staan  hier  in  eene  stelling,  waar 
een  leger,  zooveel  sterker  dan  het  onze  als  wij  sterker  zijn  dan- 
het  leger  van  den  Prins  van  Oranje,  zich  niet  aan  ons  zou  wagen. 
Hij  heeft  de  keus,  tusschen  het  te  hulp  komen  van  Bouchain 
door  rechtstreekschen  strijd,  en  het  aanvallen  van  een  andere 
vesting.  Binnen  weinige  dagen  zullen  wij  weten  wat  hij  besloten- 
heeft."  (Rousset,  2«  deel,  blz.  218). 

In  het  voorbijgaan  moeten  wij  opmerken,  dat  er  hier  eenige 
tegenstrijdigheid  is  in  de  cijfers  die  Louvois,  of  Rousset,  opgeven 
aangaande  de  sterkte  van  het  Fransche  leger.  De  legers  van 
Lodewijk  XIV  en  van  Orleans  zouden  te  zamen  uitmaken  — 
volgens  deze  laatste  opgave  —  59  bataljons  en  170  eskadrons: 
en  in  eene  vroegere  opgave  is  gezegd,  dat  het  Fransche  leger 
in  Vlaanderen,  in  1676^  zou  zijn:  53  bataljons  en  122  eska- 
drons; —  vooral  wat  de  cavalerie  aangaat  maakt  dit  een  ver- 
schil, dat  nog  al  belangrijk  is.  Nu  is  de  nauwkeurigheid,  wat 
cijfers  betreft,  juist  geen  bijzonder  Fransche  eigenschap ;  —  maar 
het  kan  ook  zijn,  dat  een  deel  van  de  legermacht  waarmede 
Rochefort  aan  de  Maas  stond,  toen  bij  het  hoofdleger  is  aan- 
getrokken. 

Het  leger  van  Willem  III  bleef  tien  h  twaalf  dagen  ten  noor- 
den van  Mons;  en  die  werkeloosheid  wordt  ook  daardoor  ver- 
klaard, dat  het  vele  bezwaren  inhad  om  te  voorzien  in  het  levens- 
onderhoud van  de  troepen.  Het  intendance-wezen  —  om  dat 
woord  van  ónzen  tijd  te  gebruiken  —  was  toen  nog  niet  vol- 
maakt; hier,  bij  deze  gelegenheid,  moest  daarvoor  hoofdzakelijk 
gezorgd  worden   door  Waldeck,  toen  veldmaarschalk  in  dienst 


Digitized  by  VjOOQIC 


aSS  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

•van  de  Republiek,  en  door  Everard  van  Weede,  heer  van  Dijk- 
velt,  toen  gedeputeerde  te  velde.  Die  heeren  hadden  hier  een 
zware  taak,  daar  zij  te  doen  hadden  met  de  drift  en  voort- 
varendheid van  Willem  III  en  weinig  medewerking  ondervonden 
van  de  zijde  der  Spanjaarden;  het  was  —  zegt  de  hoogleeraar 
P.  L.  Muller,  in  zijn  belangrijk  geschiedkundig  werk  yyfVilhelmlIIvon 
Oranien  und  Georg  Friedrich  von  fValdeck'''  — ,  van  de  zijde  der 
Spanjaarden  juist  geen  onwil,  maar  traagheid  en  luiheid ;  —  laten 
wij  billijk  zijn  ten  aanzien  van  de  Spanjaarden  van  dien  tijd,  en 
er  bijvoegen :  het  was  ook  dikwijls  geldgebrek,  en  geld  is  de  zenuw 
van  den  oorlog. 

De  voorzichtige  Waldeck  wilde  den  Stadhouder  overhalen,  af 
te  zien  van  het  ontzet  van  Bouchain,  en  liever  eene  van  's  vijands 
vestingen  aan  te  vallen;  daartoe  scheen  het  te  zullen  komen. 
Den  3611  Mei  krijgt  men  in  het  Fransche  leger  de  tijding,  dat 
er  bij  Iperen  schansgravers  worden  vereenigd,  en  dat  de  bond- 
genooten  van  voornemen  zijn  om  Kortrijk  te  belegeren.  Dadelijk 
daarop  wordt  de  bezetting  van  die  stad  gebracht  tot  eene  sterkte 
van  4500  man;  en  tevens  wordt  d'Humières  met  1000  dragonders 
en  2  compagnieën  Mousquetaires  afgezonden  naar  Saint- Amand, 
een  plaatsje  ten  zuiden  van  de  Schelde,  ongeveer  een  uur  gaans 
westelijk  van  Condé,  naar  de  zijde  van  Doornik.  d'Humières 
moest  hier  den  linkeroever  van  de  Schelde  observeeren,  tusschen 
•Condé  en  Doornik,  en  denkelijk  zich  in  een  van  die  beide  ves- 
tingen werpen,  wanneer  die  door  de  bondgenooten  mocht  worden 
bedreigd. 

Maar  dat  bedreigen  van  Kortrijk  was  niets  anders  dan  een 
krijgslist,  en  diende  alleen  om  de  ware  bedoeling  van  Willem  III 
te  verbergen,  het  ontzetten  van  Bouchain.  De  Stadhouder  be- 
raamde hier  eene  handeling,  die  overtuigend  het  stoute  en  geniale 
van  zijn  veldheerskunst  aantoont.  Hij  wilde  door  eene  kleine 
afdeeling  de  stelling  van  Lodewijk  XIV  tusschen  Quiévrain  en 
Sebourg,  in  front  doen  bedreigen;  terwijl  de  Fransche  koning 
door  die  demonstratie  werd  beziggehouden,  zou  het  leger  van 
de  bondgenooten,  op  den  rechteroever  van  de  Haisne,  van  Mons 
op  Condé  rukken,  een  uur  beneden  laatstgenoemde  vesting  de 
Schelde  overgaan,  en  daarna  over  Valenciennes  naar  Bouchain 
trekken.  Rousset  erkent,  dat  indien  die  onderneming  gelukte  en 
Willem  III  Valenciennes  en  Bouchain  bereikte  terwijl  het  hoofd- 
leger van  de  Franschen  nog  op  den  rechteroever  van  de  Schelde 
was  gebleven,  de  legerafdeeling  van  den  hertog  van  Orleans 
verloren  was. 

Maar  die  onderneming  is  niet  gelukt. 

Den  7  en  Mei  worden  uit  het  leger  van  de  bondgenooten  bij 
Mons  twee  afdeelingen   afgezonden:   de   eene,   onder  den  prins 


Digitized  by 


Google 


CONDÉ  EN   BOUCHAIN.  189' 

De  Vaudemont,  sterk  3000  ruiters  en  1000  raan  voetvolk,  moest 
naar  de  Schelde  trekken,  ora,  beneden  Condé,  zich  te  verzekeren 
van  de  overgangen  van  die  rivier;  de  andere  afdeeling,  onder 
den  hertog  van  Holstein,  sterk  1500  ruiters  en  2  regimenten 
voetvolk,  moest  door  Mons  gaan  en  in  de  richting  van  Quiévrain 
trekken,  om  Lodewijk  XIV  te  doen  gelooven  aan  een  frontaanval 
op  zijne  stelling;  —  die  afdeeling  van  Holstein  keerde,  na  vooruit 
te  zijn  gerukt  >tot  op  een  hoogen  berg  tusschen  Mons  en  Quié- 
vrain", terug  en  sloot  zich  weer  bij  de  hoofdmacht  aan,  in  den 
nacht  van  7  op  8  Mei.  Den  yen  Mei,  's  avonds  om  zeven  uur, 
stelde  Willem  III  zijn  leger  in  beweging,  met  de  meeste  stilte  en 
geheimhouding,  zonder  dat  er  trommen  of  trompetten  werden 
gehoord.  De  marsch  ging  in  de  richting  van  Condé,  langs  den 
noordelijken  of  rechter-oever  van  de  Haisne;  het  leger  vormde 
daarbij  twee  marschcolonnen :  rechts  de  Spaansche  troepen ;  links, 
het  meest  nabij  de  Haisne,  de  troepen  van  de  Republiek;  tus- 
schen die  beide  colonnen  marcheerde  het  geschut  en  de  munitie,, 
benevens  12  vuurmonden,  uit  Mons  meegenomen;  om  sneller  te 
marcheeren  had  men  de  bagage  achtergelaten  te  Mons.  Den 
Ssten  Mei  kwam  het  leger  te  Perwelz  en  Basecles,  twee  dorpen 
die  I  a  2  uur  ten  noorden  en  noordoosten  van  Condé  zijn  ge- 
legen; het  bleef  toen  daar,  omdat  d'Humières  tot  nu  toe  aan 
Vaudemont  belet  had  zich  te  verzekeren  van  overgangen  over 
de  Schelde.  Eene  kleine  afdeeling  Fransche  ruiterij,  onder  De 
Quincy,  die,  van  Ath  komende,  zich  bij  d'Humières  wilde  aan- 
sluiten, werd  met  eenig  verlies  teruggedreven  naar  de  zijde  van  Ath. 
In  de  legerplaats  van  den  Franschen  koning  werd  men  nog 
tijdig  onderricht  van  dien  marsch  van  Willem  III,  en  van  het 
gevaar  dat  daardoor  den  belegeraars  van  Bouchain  bedreigde; 
zonder  te  toeven  besloot  men  nu  terug  te  gaan  op  den  linker- 
oever van  de  Schelde,  en  nog  den  Ssten  Mei  brak  het  Fransche 
leger  op  uit  zijne  stelling  tusschen  Quiévrain  en  Sebourg;  het 
ging  de  Schelde  over,  bij  de  abdij  van  Dénain,  een  klein  uur 
boven  Valenciennes;  het  was  toen  dus  zoo  goed  als  vereenigd 
met  de  legermacht  van  Orleans,  voor  Bouchain.  Ook  de  afdee- 
ling van  d'Huraières,  in  den  nacht  van  8  op  9  Mei  de  Schelde 
verlatende,  sloot  zich  weer  aan  bij  het  hoofdleger.  In  den  och- 
tend van  den  loen  Mei  rukt  het  Fransche  leger  voort  op  Valen- 
ciennes, op  het  bericht  dat  daar  het  vijandelijke  leger  was  ver- 
schenen. Een  veldslag  scheen  toen  nabij. 

Den  9en  Mei  was  Willem  III,  een  uur  beneden  Condé,  de 
Schelde  overgetrokken ;  er  wordt  gezegd,  dat  er,  door  het  breken 
van  bruggen,  wat  oponthoud  plaats  had  bij  het  overtrekken  van 
de  rivier;  zoodat  Villa  Hermosa  eerst  's  nachts  bij  het  leger  op 
den  anderen  oever  kwam.  In  den   ochtend  van  den  loea  Mei 


Digitized  by 


Google 


190  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

bereikte  het  leger  der  bondgenooten  Valenciennes,  en  stelde  zich 
<iaar  in  slagorde  op  het  bericht  van  de  nadering  van  het  Fransche 
leger.  De  stelling  van  de  bondgenooten  sloot  links  op  den  berg 
van  Anzin,  ten  noorden  van  Valenciennes,  aan  het  glacis  dier 
vesting  en  aan  de  Schelde;  de  rechtervleugel  leunde  aan  den 
berg  van  Bouillon  en  het  bosch  van  Vigogne,  een  klein  half  uur 
noordwestelijk  van  Valenciennes;  dat  bosch  van  Vigogne  werd 
bezet  door  3000  man  voetvolk,  en  op  den  berg  van  Bouillon 
kwamen  twee  Spaansche  batterijen.  De  slagorde  van  het  Fransche 
legar  leunde  rechts  aan  de  Schelde,  ter  hoogte  van  het  dorp 
Fontenelle,  een  klein  kwartieruur  gaans  ten  zuiden  van  Valen- 
ciennes; de  linkervleugel  breidde  zich  uit  in  de  richting  van  de 
abdij  van  Vigogne  en  van  de  daar  aanwezige  bosschen,  ook  wel 
genoemd  bosschen  van  Saint-Amand.  Tusschen  de  beide  legers 
was  efifen,  vlakke  grond ;  geen  terreinafscheiding  die  iets  beduidde. 
Een  veldslag  scheen  nu  onvermijdelijk;  de  vraag  was  maar: 
wie  zou  dien  veldslag  beginnen?  wie  zou  aanvallen? 

Willem  lïl,  vurig  naar  den  strijd  hakende,  reed  langs  zijne 
slaglinie,  en  sprak  regiment  voor  regiment  aan,  allen  tot  dapper- 
heid aansporende ;  met  vreugdekreten  en  met  het  omhoog  werpen 
van  de  hoeden  werd  de  Stadhouder  door  de  troepen  begroet. 
Maar,  was  de  geestdrift  van  de  soldaten  groot,  even  groot  was 
de  bedachtzaamheid  van  de  hoogere  bevelhebbers,  en  ook  daar- 
mee had  de  Stadhouder  te  rekenen.  Zijn  gezag  was  niet  onbe- 
perkt; vooral  niet,  omdat  hij  ook  Spaansche  troepen  onder  zijne 
bevelen  had.  Er  werd  een  krijgsraad  gehouden,  om  te  bepalen 
wat  er  moest  worden  gedaan;  en  in  dien  krijgsraad  ondervond 
de  Stadhouder  een  bijna  eenparigen  tegenstand,  toen  hij  voor- 
stelde om  het  leger  van  Lodewijk  XIV  aan  te  vallen ;  bijna  alle 
generaals  vonden  die  handeling  te  gewaagd,  en  wilden  alleen 
's  vijands  aanval  afwachten ;  er  vielen  hevige  woorden  in  dien 
krijgsraad;  de  driftige  Stadhouder  moet  toen  zelfs  krenkende 
uitdrukkingen  hebben  gebezigd  tegen  Waldeck;  maar  toch,  het 
eindigde  daarmede,  dat  hij  moest  toegeven,  dat  de  aanval  niet 
plaats  had,  en  dat  het  leger  der  bondgenooten  's  vijands  aanval 
bleef  afwachten. 

Maar  die  vijand  viel  evenmin  aan.  iDen  loen  Mei,"  zegt 
Rousset  (2*  deel,  blz.  220),  »met  het  krieken  van  den  dag,  kwam 
de  maarschalk  Schomberg  den  Koning  wekken,  om  hem  te 
zeggen,  dat  de  vijand  zich  begon  te  vertoonen  naar  de  zijde  van 
Valenciennes.  Lodewijk  XIV  had  zijn  broeder  beloofd,  hem  te 
laten  waarschuwen  als  er  eenige  schijn  was  van  een  veldslag. 
Terwijl  de  maarschalk  nu  spoorslags  naar  Bouchain  reed,  om 
Monsieur  kennis  te  geven  van  de  heugelijke  gebeurtenis,  steeg  de 


Digitized  by 


Google 


CONDÉ   EN  BOUCHAIN,  I91 

Koning  te  paard,  deed  het  geheele  leger  onder  de  wapens  komen, 
gaf  last  om  op  te  rukken,  en  ging  zelf  vooruit  om  het  terrein 
te  verkennen,  alleen  vergezeld  door  de  Gardes-du-corps^  de  Gens 
d'armes  en  de  Chevaux  légen  van  de  garde.  Gekomen  ter  hoogte 
van  de  hoeve  Heurtebise,  nabij  Valenciennes,  op  een  kanonschot 
afstands,  zag  hij  eerst  13  eskadrons,  die  in  slagorde  stonden  op 
den  teen  van  het  glacis;  men  meende  dat  dit  de  ruiterij  was 
van  de  vesting.  Reeds  stelde  de  maarschalk  De  Lorge  voor  om 
die  aan  te  vallen  met  de  12  eskadrons  van  de  Maison  du  Rof\ 
toen  men  colonnen  voetvolk  en  ruiterij  ontwaarde,  die  zich  bij 
opvolging  in  slagorde  schaarden,  rechts  van  die  ruiterij,  en  eene 
doorloopende  linie  vormden  op  den  berg  van  Anzin,  en  die  ten 
laatste  zich  uitbreidde  tot  aan  den  berg  Bouillon^  in  de  bosschen 
van  Saint- Amand.  Men  moest  dus  wachten.  De  Fransche  troepen 
snelden  aan;  zoodra  zij  aankwamen,  stelde  de  Koning  ze  bij 
opvolging  in  slagorde,  evenwijdig  aan  den  vijand,  den  rechter- 
vleugel geleund  aan  de  Schelde  ter  hoogte  van  Fontenelle,  den 
linkervleugel  aan  de  bosschen  naar  de  zijde  van  de  abdij  van 
Vigogne.  De  maarschalk  Schomberg  was  te  acht  uur  in  het 
kamp  voor  Bouchain ;  om  elf  uur  was  hij  weer  bij  's  Konings 
leger,  met  Monsieur  en  den  maarschalk  Créqui,  gevolgd  door 
20  eskadrons  die  dadelijk  plaats  namen  in  de  slaglinie." 

Het  is  toen  dat  bij  de  Franschen  die  beraadslaging  plaats 
heeft  —  waarvan  wij  vroeger  hebben  gewaagd  —  of  men  slag 
zal  leveren,  ja  dan  neen.  Lodewijk  XIV  is  huiverig  voor  het 
denkbeeld  van  slag  te  leveren;  want  de  mogelijkheid  is  daar, 
dat  Willem  III  overwinnaar  blijft;  en  de  Fransche  koning  deinst 
terug  voor  den  onduldbaren  hoon  van  geslagen  te  worden.  Lou- 
vois,  en  de  meerderheid  van  de  maarschalken,  doorgronden 
*s  Konings  geheime  gedachten;  als  echte  hovelingen  ontraden 
zij  daarom  den  aanval;  en  de  Koning,  den  schijn  aannemende 
alsof  hij  met  weerzin  dien  raad  opvolgt,  ontwijkt  daardoor  den 
gevreesden  veldslag.  Maar  nooit  heeft  hij  het  Louvois  vergeven, 
dat  deze  hem  in  een  toestand  had  gebracht,  waarin  het  der 
wereld  bleek,  dat  Frankrijk's  koning  geen  legerhoofd  was.  Van 
dat  oogenblik  vangt  de  ongunst  aan  van  den  vroeger  zoo  be- 
gunstigden minister. 

Men  besluit,  niet  aan  te  vallen;  maar  zich  te  verdedigen,  als 
de  vijand  aanvalt;  en  daar  bij  het  leger  van  de  bondgenooten 
hetzelfde  besluit  is  genomen,  is  het  natuurlijk  dat  er  geen  veld- 
slag plaats  heeft.    Het  Fransche  leger  neemt  stelling. 

. . .  >  Het  was  middag  geworden,  toen  dat  alles  was  bepaald  en 
uitgevoerd.  De  Koning  liet  drie  kanonschoten  lossen,  als  om 
den  vijand  te  waarschuwen  dat  hij  gereed  was  hem  af  te  wachten ; 
na  een  poos  antwoordde  de  vijand  met  drie  kanonschoten,  maar 
bewoog   zich   niet;   integendeel,   men  zag  hem   bezig  met  zich 


Digitized  by 


Google 


192  KRIJGS-  EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

ZOO  haastig  mogelijk  in  te  graven.  Aanvankelijk  wilde  Lode- 
wijk  XIV  niet,  dat  men  vóór  de  slaglinie  de  minste  aardophooging 
maakte,  die  den  aanval  van  den  Prins  van  Oranje  op  die  slag- 
linie zou  kunnen  verhinderen ;  gedurende  den  ganschen  dag  en  • 
nacht  bleef  het  leger  onder  de  wapens,  gereed  tot  den  strijd ;  en 
het  was  eerst  den  volgenden  ochtend,  om  negen  uur,  toen  het 
voor  allen  klaarblijkelijk  was,  dat  de  Prins  van  Oranje,  verre 
van  te  willen  aanvallen,  zich  maar  al  té  gelukkig  achtte  den 
vorigen  dag  niet  aangevallen  te  zijn,  dat  de  Koning  aan  de 
troepen  vergunde  om  hunne  tenten  op  te  slaan,  en  eenige  ver- 
dedigingswerken te  maken  vóór  de  frontlijn  van  het  kamp.** 
(Rousset,  2*  deel,  blz.  222 — 223). 

Uit  de  opgaven  van  onze  zijde  blijkt  ten  duidelijkste,  dat  het 
niet  de  schuld  van  Willem  III  is  geweest,  wanneer  de  bondge- 
nooten  op  den  loen  Mei  1676  het  Fransche  leger  niet  hebben 
aangevallen. 

Op  zijn  toon  van  gemeenzaamheid  en  van  vleierij,  schrijft 
Luxembourg,  den  19611  Mei  1676,  aan  Louvois  over  deze  ge- 
beurtenis (Rousset,  2*  deel,  blz.  226): 

»Ik  acht  het  veel  roemrijker  voor  Zijne  Majesteit,  den  vijand 
den  veldslag  te  hebben  aangeboden  dien  zij  niet  hebben  durven 
aannemen,  dan  dat  Zijne  Majesteit  een  veldslag  had  gewonnen^ 
dien  zij  hem  hadden  aangeboden  en  hij  niet  bij  machte  zou 
zijn  geweest  te  ontwijken.  Thans  doet  het  mij  overgroot  ge- 
noegen, dat  de  Koning,  een  ganschen  dag  lang,  niet  gewild  heeft 
dat  het  leger  zich  verschanste;  maar,  ware  ik  bij  hem  geweest, 
en  had  ik  schop  noch  spade  gehad,  ik  geloof  dat  ik  met  mijn 
nagels  den  grond  zou  hebben  uitgegraven." 

Die  brief  is  klaarblijkelijk  geschreven  met  de  bedoeling  dat 
de  Koning  dien  zou  lezen;  —  trouwens,  om  vleiers  te  vinden, 
behoeft  men  niet  op  te  klimmen  tot  den  tijd  van  Lodewijk  XIV. 

In  ééne  opgave  van  onze  zijde  —  Hollandsche  Mercu- 
rius  —  komt  voor,  dat  op  den  i2en  Mei  bij  de  bondgenooten 
besloten  werd,  den  volgenden  dag  het  Fransche  leger  aan  te 
vallen  en  slag  te  leveren,  en  tegelijkertijd  eene  afdeeling  van  een 
12000  man  af  te  zenden  om  Bouchain  te  ontzetten;  —  die  op- 
gave staat  op  zichzelve,  en  is  niet  waarschijnlijk.  Trouwens,  de 
overgave  van  Bouchain  verijdelde  de  uitvoering  van  zulk  een 
voornemen,  —  indien  het  dan  al  bestaan  heeft  bij  de  bond- 
genooten. 

Den  2cn  Mei  werd  Bouchain  berend,  een  kleine  maar  vrij 
sterke  vesting,  met  eene  kleine  bezetting.  In  den  nacht  van  den 
6en  Mei  werden  de  loopgraven  geopend ;  den  8sten  begonnen  de 
Fransche  batterijen  een  hevig  vuur,  dat  drie  of  vier  dagen  werd 
voortgezet,   en   waarbij   een   9000  kanonschoten   op   de   vesting 


Digitized  by 


Google 


CONDÉ  EN  BOUCHAIN.  I93 

werden  gelost.  In  den  nacht  van  lo  op  ii  Mei  heeft  de  bestor- 
ming plaats  van  eenige  buitenwerken,  die,  na  eene  goede  ver- 
dediging, genomen  worden.  Den  iien  Mei  wordt  daarop  eene 
capitulatie  gesloten;  en  den  volgenden  dag  trekt  de  Spaansche 
bezetting  uit,  nog  een  500  man  sterk,  en  komt  Bouchain  in  het 
bezit  van  de  Franschen. 

Zoodra  Bouchain  gevallen  is,  vreezen  de  bondgenooten  dat  de 
vijand  nu  Kamerijk  zal  aanvallen ;  en  zenden  daarom  ijlings,  tot 
versterking  van  de  bezetting  dier  vesting,  eene  afdeeling  daarheen 
van  i6co  dragonders,  400  ruiters,  en  1000  man  voetvolk.  Maar 
Kamerijk  wordt  niet  aangevallen;  en  nog  acht  dagen  lang  blijven 
de  legers  van  Lodewijk  XIV  en  van  Willem  III  nabij  Valenciennes 
vlak  tegenover  elkander  staan,  zonder  dat  er  gestreden  wordt.  In 
Müller's  werk  over  Waldeck  wordt  gezegd:  dat  in  die  dagen 
Willem  III  in  de  hoogste  mate  ontevreden  en  opgewonden  is 
geweest;  —  maar  wel  waarschijnlijk  is  het,  dat  ook  de  trots  van 
Lodewijk  XIV  gevoelig  zal  hebben  geleden,  toen  hij  zijn  vroeger 
geminachten  tegenstander  zoo  dagen  en  dagen  lang  als  uittartend 
voor  zich  zag  staan. 

Eindelijk  breekt  het  Fransche  leger  het  eerst  op,  nadat  de 
vestingwerken  van  Bouchain  weer  eenigszins  zijn  hersteld,  daar 
eene  bezetting  van  3000  man  is  achtergelaten,  en  eene  afdeeling 
van  8000  man  is  afgezonden  om  het  leger  van  Luxembourg  te 
versterken.  Den  2osteD  Mei  gaat  het  leger  des  Konings  terug  tot 
nabij  Bouchain;  komt,  in  westelijke  richting  trekkende,  den 
2isten  nabij  Douay;  wendt  zich  toen  weer  noordwaarts,  en  be- 
reikt, over  Orchies,  den  23steii  Mei  Doornik;  hier  gaat  het  over 
op  den  rechteroever  van  de  Schelde,  trekt  naar  de  zijde  van  de 
Dender,  en  komt,  over  Leuse  en  Lessines,  den  27steQ  Mei  tus- 
schen  Geraerdsbergen  en  Ninove.  Hier  was  het  maar  een  dag- 
marsch  verwijderd  van  Brussel,  en  bedreigde  het  tevens  het  land 
van  Aalst. 

De  Stadhouder  was  die  beweging  van  'svijands  leger  gevolgd. 
Den  22sten  Mei  van  Valenciennes  opgebroken,  gaat  Willem  III 
te  Mons  over  de  Haisne,  komt  den  26sien  te  Hal,  breekt  den 
2  7 sten  van  daar  op,  en  komt  den  28sieii  in  het  land  van  Aalst. 
De  Spaansche  generaal  d'Aguerto^  met  de  dragonders  en  8  eska- 
drons ruiterij,  bezette  toen  de  Dender;  de  hoofdmacht  van  de 
bondgenooten  was  samengetrokken  op  den  rechteroever  van  die 
rivier,  tusschen  Aalst  en  Dendermonde;  in  of  bij  de  stad  Aalst 
waren  4  Spaansche  en  6  Hollandsche  regimenten  voetvolk. 

Bij  die  oorlogen  van  vroegeren  tijd  was  men  er  niet  altijd  zoo 
op  uit  om  een  belangrijke  operatie  te  verrichten,  een  strijd  te 
zoeken,  een  veldslag  te  leveren,  eep  beleg  te  verrichten;  dikwijls 

WILLEM  III,  —  II.  13 


Digitized  by 


Google 


194  KRIJGS-  EN  GBSCHIEDKUNDIGB  BESCHOUWINGEN. 

Streefde  men  naar  niets  anders  dan  den  vijand  te  beletten  iets 
belangrijks  te  ondernemen^  of  regelde  men  zijne  bewegingen  zoo, 
dat  men  daardoor  in  eene  landstreek  kwam^  rijk  genoeg  om  het 
leger  eenigen  tijd  te  onderhouden  en  daardoor  den  geldelijken 
last  van  het  oorlogvoeren  wat  te  verminderen.  Zoo  iets  schijnt 
de  voorname  beweegreden  te  zijn  geweest  van  dien  roarsch  van 
het  leger  van  Lodewijk  XIV  naar  de  Dender,  in  het  laatst  van 
Mei  1676. 

...»Behalve  dat  hij"  (Lodewijk  XIV)  » daardoor  rijkelijk  voor- 
zag in  het  levensonderhoud  van  zijne  troepen,  ten  koste  van 
Spanje's  onderdanen,  zoo  hield  hij  ook  daardoor  den  Prins  van 
Oranje  in  bedwang  en  belette  hem  om  Bouchain  of  Condé  aan 
te  vallen;  vestingen  die  wel,  door  met  kracht  daaraan  te  arbei- 
den, weer  stormvrij  waren  gemaakt,  maar  die  toch  nog  niet  be- 
stand waren  tegen  een  geregeld  beleg.  Zelfs  hier,  waar  zijn  geheele 
taak  zich  bepaalde  tot  waarnemen  en  gadeslaan,  vond  Lode- 
wijk XIV,  in  zijn  hoogmoed,  nog  stof  om  over  zichzelven  tevreden 
te  zijn:  »ik  ben  hier'*  —  zoo  schreef  hij  aan  Colbert  —  »op  een 
plaats  waar  ik  geduld  noodig  heb.  Ook  die  verdienste  wil  ik 
hebben^  bij  het  oorlogvoeren;  ik  wil  doen  zien,  dat  ik  mijne 
vijanden  in  verlegenheid  breng,  alleen  door  mijne  aanwezigheid ; 
want  ik  weet,  dat  zij  niets  vuriger  wenschen  dan  dat  ik  maar 
spoedig  naar  Frankrijk  terugkeer."  (Rousset,  2'  deel,  blz.  230). 

De  welgestelde  Vlaamsche  boeren  hielpen  het  Fransche  leger 
er  weer  geheel  bovenop;  het  kwam  weer  bij  van  de  vroegere 
ontberingen.  Dat  leger  was  toen  een  50000  man  sterk.  > Gisteren**, 
—  zoo  schrijft  Louvois  den  yen  Juni  —  »is  het  leger  gemonsterd; 
het  ziet  er  beter  uit  dan  toen  de  veldtocht  begon;  er  is  hier 
zeker  een  32000  man  voetvolk,  de  officieren  niet  meegeteld; 
meer  dan  16000  ruiters  en  1800  dragonders.'* 

In  de  tweede  helft  van  Juni,  toen  het  Fransche  leger  zich  ge- 
noeg had  te  goed  gedaan  aan  de  Dender  en  daar  het  land  bijna 
kaal  had  gegeten,  brak  het  op  van  Ninove  en  kwam  den  21  sten 
weer  nabij  Quiévrain,  de  stelling  nabij  Condé,  die  het  vroeger 
had  bezet.  Lodewijk  XIV  had  voor  dat  jaar  weer  genoeg  van 
den  oorlog,  en  keerde  den  4en  Juli  naar  Versailles  terug;  het 
opperbevel  ging  toen  over  op  den  maarschalk  Schomberg.  Créqui 
had  Rochefort  vervangen,  die  den  23stcn  Mei  te  Nancy  was  ge- 
storven, op  slechts  veertigjarigen  leeftijd.  —  Eenige  dagen  voor 
het  vertrek  van  den  Koning  uit  het  leger  waren  van  daar  7  batal- 
jons en  20  eskadrons  afgezonden  tot  versterking  der  macht  van 
Créqui. 

Toen  het  Fransche  leger  de  Dender  verliet,  was  ook  Willem  III, 
den  igen  Juni,  opgebroken  van  die  rivier;  hij  sloeg  zich  neer  te 
Lombeek,   Ter  Nat  en   Wambeek,  drie  dorpen,  een  paar  uur 


Digitized  by 


Google 


MAASTRICHT.  I95 

gaans  van  Brussel  verwijderd.  Gedurende  die  maand  Juni  hadden 
er  geen  bijzondere  krijgsverrichtingen  plaats;  alleen  op  den  loen 
een  onbeduidend  gevecht  nabij  Kamerijk,  tusschen  Spaansche 
en  Fransche  ruiterij,  waarbij  de  eerste  in  het  voordeel  bleef. 


In  Juli  1676  onderneemt  de  Stadhouder  het  beleg  van  Maas- 
tricht. Er  waren  enkele  redenen  ten  voordeele  van  die  onder- 
neming: de  vesting  Maastricht  was  veel  meer  geïsoleerd,  veel 
meer  afgescheiden  van  Frankrijk,  sedert  de  Franschen  de  Citadel 
van  Luik  en  het  Kasteel  van  Hoey  hadden  verlaten  en  geslecht; 
de  Fransche  opperbevelhebber,  d*£strades,  bevond  zich  op  dat 
oogenblik  niet  te  Maastricht,  maar  was  te  Nijmegen  om  over 
den  vrede  te  onderhandelen.  Intusschen  had  d'Ëstrades  een  zeer 
goeden  plaatsvervanger  in  De  Calvo,  die  door  Rousset  wordt 
genoemd :  >  een  officier  van  een  overgroote  geestkracht".  —  Door 
zijne  verdediging  van  Maastricht  heeft  De  Calvo  dien  lof  ten 
volle  verdiend. 

Aan  de  Fransche  zijde  besloot  men  om,  terwijl  de  bondge- 
nooten  met  Maastricht  bezig  waren,  intusschen  Aire  te  belegeren, 
een  vesting  naar  de  zijde  van  Vlaanderen,  twee  kleine  dagmar- 
schen  westelijk  van  Rijssel.  d'Humières  wordt  belast  met  dat 
beleg,  en  daartoe  een  15000  man  te  zijner  beschikking  gesteld; 
met  de  hoofdmacht,  denkelijk  nog  een  25  k  30000  man,  zal 
Schomberg  te  Quiévrain  blijven,  om  Waldeck  en  Villa  Hermosa 
in  het  oog  te  houden,  die,  na  den  afmarsch  van  Willem  III  naar 
Maastricht,  met  de  overblijvende  macht  van  de  bondgenooten 
stelling  hadden  genomen,  eerst  bij  Genappe,  later  bij  Nivelles. 
Louvois,  den  loen  Juli  met  den  Koning  te  Versailles  terugge- 
komen zijnde,  deed  zich  toen  den  last  geven  om  onverwijld  naar 
Vlaanderen  terug  te  keeren,  ten  einde  den  gang  van  zaken  te 
besturen  bij  dat  beleg  van  Aire;  reeds  den  15611  Juli  was  hij 
weer  te  Condé. 

Aire  was  eene  vesting  die  door  hare  ligging  nog  al  sterkte 
had;  aan  de  rivier  de  Leye  gelegen,  was  zij  over  een  goed  deel 
van  haren  omtrek  omringd  door  moerassigen  grond,  en  alleen 
goed  aanvalbaar  aan  den  noordoostkant ;  hier  had  men  een  bui- 
tenfort, Saint-FraoQois,  een  klein  kwartieruur  gaans  verwijderd 
van  de  vesting.  De  Spaansche  bezetting  was  aanvankelijk  maar 
een  900  man  sterk;  maar  nog  gedurende  de  insluiting  gelukte 
het  aan  een  300  Spanjaarden,  van  Saint-Omer  komende,  zich 
binnen  Aire  te  werpen.  De  vesting  werd  den  1900  Juli  berend; 
den  2  2  sten  werden  de  loopgraven  geopend  tegen  het  fort  Saint- 
FrauQois;  den  23sten  kwamen  de  Fransche  batterijen  in  werking, 
en  teisterden  dat  fort  zoodanig  dat  de  kleine  Spaansche  bezetting 
geen  storm  afwachtte,  maar  op  de  stad  terugging.  Tegen  de  stad 


Digitized  by 


Google 


196  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

zelve  werden  de  loopgraven  den  26sten  Juli  geopend;  en  den 
28sten  een  zoo  hevig  geschutvuur  aangevangen,  dat  daardoor  de 
bestorming,  den  3osteD  op  de  buitenwerken  verricht,  volkomen 
gelukte,  en  de  Spaansche  bevelhebber  in  den  avond  van  den 
31  sten  zijne  vesting  overgaf;  den  isten  Augustus  trok  hij  met 
zijne  bezetting,  nog  1000  man  tellende,  vrij  en  met  wapeneer  uit. 
Ziedaar  wat  onze  schrijvers  over  dat  beleg  van  Aire  zeggen; 
in  de  opgaven  dienaangaande  bij  Rousset  komen  kleine,  maar 
toch  geheel  onbeduidende  verschillen  voor  wat  enkele  datums 
betreft.  Daarin  stemmen  die  opgaven  overeen  met  die  van  onze 
schrijvers,  dat  de  val  van  Aire  verhaast  werd  door  het  geduchte 
geschutvuur  van  den  belegeraar,  gericht  nog  minder  op  de  ves- 
ting werken  dan  op  de  stad  zelve;  het  was  een  bombardement 
zooals  de  Duitschers  dit  in  1870  tegen  vele  Fransche  vestingen 
hebben  aangewend.  Hier,  te  Aire,  bracht  dit  bombardement  de 
burgerij  in  opstand,  en  gedeeltelijk  om  hare  dreigende  houding 
besloot  de  Spaansche  bevelhebber  tot  de  overgave. 

Eene  ernstige  poging  om  Aire  te  ontzetten  was  door  de  bond- 
genooten  niet  gedaan.  Villa  Hermosa  was  den  2isteQ  Juli  van 
Nivelles  op  marsch  gegaan,  over  Brussel  naar  Gent,  waar  hij 
den  24steii  en  25steii  aankwam;  hij  had  toen  bij  zich  een  6000 
man  Hollandsche  infanterie  en  al  de  Spaansche  ruiterij ;  te  zamen 
maakte  dit  een  11  000  man  uit;  en  nu  kon  men  uit  de  Spaansche 
vestingen  nog  wel  een  3  k  4000  daarbij  trekken,  maar  toch  was 
die  macht  te  onbeduidend  om  daarmede  iets  te  ondernemen 
tegen  Schomberg.  De  Fransche  veldheer  had  Quiévrain  verlaten 
en  stelling  genomen  te  Pont-r£spières,  aan  de  Schelde,  een  paar 
uur  beneden  Doornik ;  om  Kortrijk  te  verzekeren  tegen  de  aan- 
slagen van  de  Spanjaarden,  had  Schomberg  de  bezetting  van  die 
vesting  eenigszins  versterkt.  Villa  Hermosa  had  daarop  den 
bijstand  ingeroepen  van  Waldeck,  die  toen  bij  Wavre  stond  met 
nog  een  deel  van  de  macht  der  bondgenooten ;  om  zich  te  ver- 
eenigen trokken  Waldeck  en  Villa  Hermosa  elkander  te  gemoet ; 
maar  voordat  zij  iets  konden  uitwerken  tot  ontzet  van  Aire,  was 
die  vesting  reeds  gevallen. 

Rousset  doet  opmerken,  dat  Louvois,  hoezeer  bekleed  met 
uitgebreide  macht,  nu  toch  tijdens  dat  beleg  van  Aire,  tegen 
den  Koning  een  veel  meer  onderworpen  toon  aanneemt  dan 
vroeger;  de  welgegronde  vrees,  dat  hij  door  het  gebeurde  bij 
Valenciennes,  's  Konings  gunst  zou  hebben  verbeurd,  gaf  daartoe 
aanleiding.  Dat  beleg  van  Aire  deed  ook  bij  Louvois  de  passie 
van  het  bombardeeren  ontwaken ;  een  aanvalsmiddel,  dien  wreeden 
geweldenaar  zoo  overwaardig.  Ziehier  wat  Rousset  zegt  over  die 
beide  zaken  (2'  deel,  blz.  233 — 234): 


Digitized  by 


Google 


MAASTRICHT.  I97 

...»0p  een  oogenblik  dat  hij"  (Louvois)  » bekleed  was  met 
het  gezag,  meer  van  een  koning  dan  van  een  minister,  en  dat 
hij  in  het  leger  en  over  alle  generaals  dat  gezag  krachtiger  kon 
doen  gelden  dan  Lodewijk  XIV  zelf,  zou  men  verwachten  hem 
trotscher  en  despotischer  te  zien  worden.  Het  tegendeel  is  het 
geval:  hij  is  bezadigder  en  minder  gebiedend,  ten  minste  wat 
het  uiterlijke  aangaat...  Waardoor  ontstaat  die  buitengewone 
ommekeer?  Door  hetgeen  op  den  locn  Mei  gebeurde,  door  die 
beraadslaging  te  Heurtebise.  Louvois  heeft  's  Konings  misnoegen 
geraden;  hij  wil  verhinderen  dat  dit  misnoegen  grooter  wordt; 
hij  wil  het,  zoo  mogelijk,  in  de  kiem  verstikken." 

(Blz.  237—238).  >Aire  wordt  den  2isten  Juli  berend,  op  het 
vastgestelde  uur;  den  2 2 sten  schrijft  Louvois  aan  I^tellier"  (zijn 
vader):  >daar  ik  hoop  heb,  dat  die  vesting  het  niet  langer  zal 
kunnen  uithouden  dan  twaalf  of  vijftien  dagen  na  het  openen 
van  de  loopgraven,  en  dat  openen  over  drie  dagen  kan  plaats 
hebben,  verzoek  ik  u,  bij  den  Koning  te  willen  vernemen  wat 
hem  behaagt  dat  ik  na  de  overgave  zal  doen,  en  of  hij  mij  ver- 
gunt om  naar  Versailles  terug  te  keeren.  Mijne  onderwerping 
aan  *s  Konings  wil  ligt  in  den  aard  van  de  zaak ;  maar  ik  kan 
u  zeggen,  dat  ik  te  dien  aanzien  zelfs  geen  wensch  koester,  en 
dat  —  het  verlangen  daargelaten  om  weer  bij  u  te  zijn  —  ik 
mij  blijmoedig  zal  schikken  in  alles  wat  Zijne  Majesteit  hierin 
zal  gelieven  te  bepalen..." 

Niet  lang  was  Lodewijk  XIV  hiertegen  bestand;  hij  begon 
met  geroerd  te  zijn;  en  weldra  gaf  hij  toe.  »Uw  vader"  —  zoo 
schreef  hij  aan  Louvois  ~  » heeft  mij  een  brief  voorgelezen, 
waarin  gij  hem  verzoekt  mij  te  vragen  wat  gij  moet  doen  na  de 
inneming  van  Aire,  en  of  ik  het  goedvind  dat  gij  terugkomt; 
met  de  verzekering  dat  gij  geen  ander  verlangen  hebt  dan  weer 
bij  mij  te  zijn." 

(Hier  schijnt  Letellier  den  brief  van  zijn  zoon  niet  geheel 
juist  aan  den  Koning  te  hebben  voorgelezen;  of  de  Koning 
niet  geheel  juist  te  hebben  verstaan.  Want  Louvois  schrijft  in 
zijn  brief,  over  zijn  verlangen  om  weer  bij  zijn  vader  te  zijn: 
de  woorden  y^Vimpatience  que  f  ai  (Têtre  auprh  de  voui\  zijn  ge- 
richt aan  Letellier,  en  niet  aan  Lodewijk  XIV). 

Wij  vervolgen  's  Konings  brief: 

»Dit  geloof  ik;  en  ook  dat  gij  blijmoedig  zult  doen  wat  ik 
noodig  zal  oordeelen  in  het  belang  van  mijn  dienst.  En  daarom 
—  hoezeer  het  mij  zeer  aangenaam  zou  zijn  u  te  zien,  en  gij 
hier  in  tal  van  belangrijke  zaken  van  nut  zoudt  kunnen  zijn  — 
kan  ik  u  toch  niets  stelligs  zeggen  over  uwe  terugkomst,  voordat 
ik  alle  ondernemingen  ken,  waartoe  men  kan  besluiten.  Aan  alle 
zijden  zijn  er  thans  zooveel  groote  zaken  ondernomen,  waarop 
mijne  aandacht  is  gevestigd  en  die  mij  inwendig  veel  kommer 


Digitized  by 


Google 


I9S  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

baren,  al  is  het  dat  ik  den  schijn  aanneem  van  zeer  kalm  te 
zijn . . .  Tijdingen  aangaande  het  beleg  wacht  ik  wel  met  eenig 
ongeduld,  maar  toch  ook  met  eenige  gerustheid,  daar  ik  een 
gunstige  verwachting  heb  van  uw  beleid,  en  van  de  dapperheid 
van  den  maarschalk  d'Humières  en  van  mijne  legermacht . . .  Doe 
alles  medewerken  om  dit  beleg  tot  een  goed  einde  te  brengen. 
Ik  erken,  dat  wanneer  gij  niet  daar  waart,  ik  in  groote  onrust 
zou  zijn,  daar  ik  al  de  menschen  ken  die  u  omgeven."  (Brieven 
van  den  Koning  aan  Louvois,  van  25,  27  en  29  Juli  1676). 

Lodewijk  XIV  verlangt,  dat  er,  na  de  inneming  van  Aire,  nog 
iets  worde  gedaan;  maar  wat?  —  dat  zegt  hij  niet.  Louvois 
antwoordt,  dat  hij  wel  Valenciennes  of  Kamerijk  zou  willen  be- 
legeren; maar  dat  hij  eerst  dient  af  te  wachten,  hoe  het  afloopt 
met  Maastricht  en  met  Philipsburg;  —  Philipsburg  werd  toen 
door  de  Duitschers  belegerd ;  —  en  dat  hij  bovendien  niet  meer 
genoeg  munitie  heeft  voor  zulk  een  beleg;  de  belegeringen  van 
Condé,  Bouchain  en  Aire  nemen  het  grootste  deel  van  de  munitie 
weg :  500  000  pond  buskruit,  30  000  kogels  en  alles  wat  er  voor- 
handen was  aan  bommen  en  aan  brandkogels.  Ternauwernood 
blijft  er  een  200000  pond  buskruit  over;  en  dit  is  te  weinig  om 
Valenciennes  of  Kamerijk  te  belegeren ;  het  zou  genoeg  zijn  om 
Charlemont  aan  te  vallen.  Wil  de  Koning  dat?  —  Charlemont, 
merken  wij  even  aan,  was  toen  een  kleine  vesting  in  het  zuiden 
van  het  Namensche,  zoo  wat  een  uur  of  drie  westelijk  van  Dinant. 

(Blz.  239 — 240)  ...1  Lodewijk  XIV  is  zeer  verlegen  met  de 
beslissing.  In  zijne  onzekerheid  weet  hij  er  niets  beters  op,  dan 
de  zaak  over  te  laten  aan  Louvois;  onder  de  voorwaarde  alleen, 
dat  Louvois  hem  op  de  hoogte  zal  houden  van  wat  hij  beslist: 
iBlijf  voortgaan" —  zoo  schrijft  hij  hem  den  27sten  Juli  —  »met 
mij  te  melden,  en  aan  alle  belanghebbenden  te  melden  wat  gij 
meent  dat  noodig  is;  en  zend  mij,  zooals  gij  gedaan  hebt, 
afschrift  van  die  brieven;  daardoor  blijf  ik  volkomen  op  de 
hoogte  van  alles,  en  loopen  wij  geen  gevaar  dat  ik  bevelen  geef, 
die  hen,  aan  wie  zij  gericht  worden,  in  het  onzekere  kunnen 
brengen." 

Maar  het  beleg  van  Aire  loopt  ten  einde ;  vooral  de  bommen 
richten  in  de  vesting  een  verwoesting  aan,  die  een  levendigen 
indruk  maakt  op  Louvois ;  van  dat  oogenblik  af  is  het  bombar- 
dement een  aanvalsraiddel  waarmede  hij  dweept.  Den  3osten  Juli 
schrijft  hij  aan  den  Koning:  »de  artillerie  werd  gisteren  266 
goed  bediend,  dat  er  meer  dan  3000  kanonschoten  werden  ge- 
daan, waardoor  het  meerendeel  van  's  vijands  vuurmonden  is 
gedemonteerd,  en  de  vestingwerken  veel  hebben  geleden;  dien 
dag  werden  er  50  k  60  bommen  geworpen;  twee  of  drie  daar- 
van sprongen  te  vroeg;  maar  de  overige  kwamen  in  de  stad  of 
in   de  vestingwerken   terecht;   en  ééne  daarvan  deed  een  klein 


Digitized  by 


Google 


MAASTRICHT.  I99 

kruitmagazijn  in  's  vijands  ravelijn  springen,  alsmede  naeer  dan 
3000  granaten.  Mijnheer  De  Vauban  verzekert,  dat  Uwe  Majes- 
teit er  op  kan  rekenen,  dat,  door  wat  gisteren  en  heden  is  ge- 
daan, de  tegenweer  van  de  vesting  zeven  of  acht  dagen  is  ver- 
kort. Mijnheer  De  Vauban  heeft  een  musketschot  aan  de  hand 
gekregen ;  echter  niets  meer  dan  eene  ontvelling.  Van  negen  uur 
*s  avonds  tot  middernacht  zijn  er  200  bommen  geworpen,  waar- 
van er  meer  dan  190  in  de  stad  zijn  terechtgekomen;  onverge- 
lijkelijk is  de  bekwaamheid  van  den  kapitein  der  bombardiers. 
Daar  nu  in  De  Nederlanden  alleen  groote  steden  overblijven  om 
aan  te  vallen,  geloof  ik  dat  het  voor  Uwe  Majesteit  het  beste  is 
om  twee  compagnieën  bombardiers  te  hebben;  want  twintig 
mortieren,  die  onophoudelijk  werkzaam  zijn,  vernielen  ontwijfel- 
baar een  stad  in  drie  dagen  tijds,  of  dwingen  de  burgerij  om  in 
opstand  te  komen." 

Bij  den  vijand  het  platteland  kaal  eten  en  uitplunderen,  en  de 
steden  verbranden,  —  zoo  begreep  Louvois  het  oorlogvoeren ;  — 
en  ook  vele  zijner  tijdgenooten ;  —  is  het  thans  veel  beter? 

Moet  Maastricht  worden  te  hulp  gekomen? 

Louvois  schijnt  aanvankelijk  daar  niet  sterk  vóór  te  zijn  ge- 
weest; na  over  verschillende  onderwerpen  te  hebben  gesproken, 
zegt  hij,  in  een  brief  van  den  31  sten  Juli  aan  Lodewijk  XIV: 
>om  alles  op  te  noemen  wat  er  gedaan  kan  worden,  moet  ik 
Uwe  Majesteit  nog  zeggen,  dat  men  zou  kunnen  beproeven 
Maastricht  te  ontzetten,  als  het  blijkt  dat  het  beleg  van  die  ves- 
ting lang  kan  duren;  ik  zeg:  lang  kan  duren,  omdat  er  min- 
stens twintig  dagen  noodig  zijn  om  daar  te  komen.  Maar,  be- 
halve dat  het  onzeker  is  of  die  vesting  ons  daartoe  den  tijd  zal 
laten,  moet  er  dan  ook  slag  worden  geleverd,  en  dat  in  eene 
landstreek  waar,  als  de  overwinning  niet  aan  ons  is^  het  leger 
gevaar  loopt  van  geheel  te  niet  te  gaan;  en  dat  eeniglijk  om 
een  vesling  te  behouden,  die,  als  de  oorlog  voortduurt,  voor 
Uwe  Majesteit  altijd  een  lastpost  zal  zijn."  (Blz.  240). 

Lodewijk  XIV  oordeelt  het  beleg  van  Charlemont  te  beden- 
kelijk, omdat  Willem  III  die  vesting  te  hulp  kan  komen ;  hij  wil 
dus  dat  Saint-Guislain  worde  belegerd,  eene  kleine  vesting  tus- 
schen  Mons  en  Condé,  en  toen  eenigermate  een  voorpost  van 
Mons;  ook  kan  het  fort  Linck  —  een  onbeduidende  sterkte 
tusschen  Saint-Omer  en  Grevelingen  —  worden  aangevallen;  na 
daartoe  de  noodige  bevelen  te  hebben  gegeven,  kan  Louvois 
naar  Frankrijk  terugkeeren.  Louvois  laat  het  fort  Linck  aan- 
vallen door  d'Humières,  die  het  na  een  kort  beleg  neemt 
(8  Augustus);  het  beleg  van  Saint-Guislain  acht  Louvois  daaren- 
tegen onraadzaam  en  laat  het  daarom  maar  achterwege;  maar 
ten  opzichte  van  Maastricht  verandert  hij  van  gevoelen :  hij  komt 


Digitized  by 


Google 


200  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

met  Schomberg  overeen,  dat  dete  met  het  leger  zal  oprukken 
tot  ontzet  van  die  vesting.  In  het  begin  van  Augustus  komt 
Louvois  te  Versailles  terug,  waar  hij  door  Lodewijk  XIV  zeer 
goed  wordt  ontvangen;  voor  het  oogenblik  was  de  wrok  van 
den  despoot  gesust,  maar  daarom  niet  verdwenen. 

De  maarschalk  Schomberg,  aan  wien  nu  het  bevel  over  het 
Fransche  leger  in  de  Spaansche  Nederlanden  geheel  werd  over- 
gelaten, was  een  Duitsch  edelman,  die  bij  meer  dan  ééne  mogend- 
heid in  krijgsdienst  was  geweest;  onder  andere  ook  bij  de 
Republiek,  vroeger,  onder  Frederik  Hendrik  en  Willem  II. 
Schomberg  wordt  ergens  genoemd:  »een  der  eerste  legerhoofden 
van  zijne  eeuw";  —  dit  is  overdreven;  want  onder  de  tijdge- 
nooten  van  Schomberg  hebben  behoord  Turenne,  Condé,  Luxem- 
bourg,  Willem  III,  om  niet  hen  te  noemen,  die  vroeger  en  later, 
maar  ook  in  de  17e  eeuw  als  groote  legerhoofden  hebben  ge- 
schitterd; —  toch  had  Schomberg  toen  een  goed  gevestigden 
militairen  naam.  Maar  Schomberg  was  vreemdeling  in  Frankrijk, 
en  Protestant;  —  later,  toen  het  Edikt  van  Nantes  werd  her- 
roepen, verliet  hij  den  Franschen  krijgsdienst,  ging  over  tot 
Willem  III,  en  sneuvelde  in  den  slag  aan  de  Boyne  (1690).  In 
1676  was  hiervan  nog  hoegenaamd  geen  sprake,  en  Schomberg 
bleef  ten  volle  zijn  plicht  jegens  Frankrijk  getrouw;  maar  het 
schijnt  dat  hij  toen  —  denkelijk  wel  omdat  hij  vreemdeling  was 
en  Protestant  —  tegenwerking  heeft  ondervonden  bij  zijne 
onderbevelhebbers;  —  zooals,  een  dertig  jaar  later,  bij  ons. 
Slangenburg  tegenwerking  heeft  ondervonden,  voornamelijk 
omdat  hij  Katholiek  was.  Tegen  Schomberg  bestond  bij  zijn 
eigen  leger  als  het  ware  een  soort  van  kabaal,  en  over  het  ge- 
heel moet  de  krijgstucht  daar  toen  nog  al  te  wenschen  hebben 
overgelaten. 

>Aan  het  hoofd  van  dat  kabaal  stond  de  graaf  van  Auvergne, 
een  neef  van  Turenne;  hij  nam  de  houding  aan  van  een  Souve- 
rein,  omdat  hij  tot  het  huis  van  Bouillon  behoorde ;  en  van  een 
opperbevelhebber,  omdat  de  Koning  hem,  toen  de  militaire 
erfenis  van  zijn  oom  openviel,  de  betrekking  had  gegeven  van 
kolonel- generaal,  eene  betrekking  waaraan  alleen  eer  en  geld  was 
verbonden,  geen  gezag;  hij  was  inderdaad  niets  meer  dan  Marèchal- 
de-camp.  Krachtig  had  Louvois  het  gezag  van  den  maarschalk 
gehandhaafd  tegen  de  kwaadwilligheid  van  diens  staf,  en  vooral 
tegen  de  aanmatigingen  van  den  graaf  van  Auvergne   .... 

Zoolang  Louvois  bij  het  leger  was,  hielden  alle  moeielijkheden 
op;  toen  hij  vertrokken  was,  nam  de  verwarring  weer  een  aan- 
vang. Den  17  en  Augustus  schrijft  hij  aan  den  intendant  Robert: 
^zeg   aan    mijnheer  den  graaf  van  Auvergne,  dat  ik  hier  eenige 


Digitized  by 


Google 


MAASTRICHT.  201 

brieven  heb  gelezen,  die  inhielden,  dat,  toen  mijnheer  de  maar- 
schalk De  Schönberg"  (Schomberg)  » bevolen  had  dat  twee 
ruiters  zouden  worden  opgehangen,  die,  tegen  zijn  bevel,  het 
kamp  hadden  verlaten,  hij  —  mijnheer  de  graaf  van  Auvergne  — 
zich  wat  onbetamelijk  had  uitgelaten  over  die  strengheid;  dat, 
daar  ik  hem  wél  wil,  ik  verplicht  ben  om  hem  te  laten  waar- 
schuwen, dat  hij  zeer  weinig  kan  rekenen  op  de  gunst  van  Zijne 
Majesteit,  wanneer  hij  eene  afkeuring  uitspreekt  over  eene  han- 
deling —  welke  dan  ook  —  van  zijn  opperbevelhebber;  en  dat 
ik  hem  aanraad,  voortaan  zijn  best  te  doen  dat  dergelijke  ver- 
maningen niet  meer  noodig  zijn."  —  Die  vermaning  baatte  niet; 
eenige  dagen  later  achtte  de  graaf  van  Auvergne  zich  gekrenkt, 
omdat  —  en  toch  was  het  zijn  beurt  om  bij  de  achterhoede  te 
zijn  —  de  Maarschalk  hem  had  aangewezen  om  de  bagage  te 
begeleiden.  Hij  bracht  zijne  bezwaren  hierover  in;  Louvois  gaf 
hem  ongelijk ;  toen,  meer  opgewonden  dan  immer,  vroeg  hij  zijn 
ontslag,  en  kreeg  het  dadelijk."  (Rousset,  2'  deel,  blz.  243 — 244). 

Toen  bij  Schomberg's  leger  het  gebrek  aan  orde  toch  aan- 
houdt, wordt  de  veldheer  zelf  daarover  berispt  door  Louvois: 

(Blz.  244 — 245)  ...>De  Koning,"  —  zoo  schreef  hij  hem  den 
24sten  September  —  > heeft  met  groote  verwondering  vernomen 
wat  er  gebeurd  is,  toen  op  uw  last  die  ruiter  van  Gendarme- 
Dauphin  moest  worden  ter  dood  gebracht;  en  Zijne  Majesteit 
is  nog  meer  verwonderd  geweest,  dat  gij  u  na  zulk  een  muiterij 
er  toe  hebt  bepaald  de  zaak  te  laten  onderzoeken,  in  plaats  van 
oogenblikkelijk  alles  wat  er  van  die  compagnie  in  het  kamp 
aanwezig  was,  te  hebben  laten  loten,  en  twee  of  drie  daarvan  te 
hebben  laten  ophangen;  alleen  zulke  straffen  op  heeter  daad 
hebben  uitwerking.  Hoezeer  Zijne  Majesteit  er  niet  aan  twijfelt, 
dat  gij  wel  streng  recht  zult  hebben  gedaan  over  den  gevangen 
genomen  gendarme  en  over  hen  die  men  bevonden  zal  hebben 
dat  het  meest  handdadig  zijn  geweest  aan  die  muiterij,  toch  wil 
Zijne  Majesteit  een  openlijk  blijk  geven,  hoe  zij  verlangt  dat  de 
officieren  zulke  ongeregeldheden  moeten  tegengaan ;  en  de  Koning 
gelast  mij  daarom  u  te  zeggen,  dat  het  zijn  wil  is  dat  gij  mijn- 
heer den  markies  De  La  Fare  zult  laten  schorsen."  (De  markies 
De  La  Fare  was  luitenant  bij  die  compagnie,  en  voerde  het 
bevel  daarover,  bij  de  afwezigheid  van  den  markies  De  La  Trousse, 
den  kapitein-luitenant):  twat  de  twee  kapiteins  van  de  infanterie 
betreft,  en  den  luitenant  van  de  ruiterij,  die  hun  plicht  hebben 
verzaakt  door  die  muiterij  niet  te  beletten,  de  Koning  verlangt 
dat  gij  ze  gevangen  laat  zetten  in  de  naastbijzijnde  vesting  en 
hunne  namen  opgeeft,  opdat  Zijne  Majesteit  tegen  hen  kunne  te 
werk  gaan  zooals  haar  zal  goeddunken.  Zijner  Majesteit  heeft 
het  eenigszins  bevreemd,  dat  gij,  gelast  hebbende  aan  de  offi- 
cieren van  de  gendarmerie  om  op  de  frontlijn  van  het  leger  te 


Digitized  by 


Google 


202  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN, 

kampeeren^  en  ziende  dat  zij  dit  niet  deden,  hen  niet  gedwongen 
hebt  te  gehoorzamen.** 

Iq  de  eerste  dagen  van  Augustus  had  Schomberg  zijne  stelling 
aan  de  Schelde,  bij  Pont-rÉspierre,  verlaten  en  had  zich  bij  Ath 
geplaatst;  half  Augustus  plaatste  hij  zich  aan  den  Piéton,  nabij 
Charleroi;  hier  voegde  zich  den  21  sten  Augustus  de  afdeeling 
van  d'Humières  bij  hem.  Het  Fransche  leger  moet  toen,  volgens 
een  onzer  schrijvers,  45  bataljons  voetvolk  en  130  eskadrons 
ruiterij  hebben  uitgemaakt,  een  groote  30000  man.  Zeer  waar- 
schijnlijk is  het,  dat,  bij  zulke  cijfers  voor  de  bataljons  en  eska- 
drons, het  leger  van  Schomberg  veel  sterker  is  geweest;  —  nu 
moeten  wij  er  bijvoegen,  dat  die  opgave  —  in  de  Hollandsche 
Mercurius  —  ook  niet  uitmunt  door  duidelijkheid;  en  dat  het 
zeer  goed  kan  zijn,  dat  dit  cijfer  van  30000  man  alleen  betrek- 
king heeft  op  de  sterkte  van  de  infanterie,  en  geenszins  op  de 
geheele  sterkte  van  het  leger. 

Schomberg  wil  nu  Maastricht  ontzetten.  Wat  was  er  om  hem 
daarbij  tegen  te  houden?  —  Eene  Hollandsche  en  Spaansche 
legermacht,  onder  Waldeck  en  Villa  Hermosa.  Uit  sommige 
omstandigheden  moet  men  opmaken,  dat  er  tusschen  die  beide 
bevelhebbers  juist  niet  de  grootste  overeenstemming  heeft  bestaan; 
zoo  wordt  onder  andere  in  het  bij  herhaling  aangehaalde  werk 
van  Muller  over  Waldeck  en  Willem  UI  gezegd :  dat  hij  (Waldeck) 
wel  gewild  had,  dat  hij  zelf  het  beleg  van  Maastricht  had  be- 
stuurd en  dat  dit  beleg  gedekt  werd  door  Willem  III,  >die  beter 
wist  om  te  gaan  met  de  steeds  lastiger  wordende  Spanjaarden". 
De  Stadhouder  had  bepaald  dat  daar  waar  Villa  Hermosa  en 
Waldeck  bijeen  waren,  de  Spanjaard  het  opperbevel  zou  bezitten, 
en  dit  schijnt  Waldeck  niet  bijzonder  te  hebben  aangestaan ;  ten 
minste  in  zijne  brieven  van  dien  tijd  aan  Willem  III,  komt  meer 
dan  eens  voor:  «Zooals  Uwe  Hoogheid  bevolen  heeft,  gehoor- 
zaam ik  de  bevelen  van  den  hertog  De  Villa  Hermosa";  ofwel: 
>als  de  hertog  De  Villa  Hermosa  dien  marsch  beveelt,  dan  kan 
ik  niet  anders  doen  dan  gehoorzamen";  en  soortgelijke  uitdruk- 
kingen die  niet  vrij  zijn  van  spijtigheid.  Het  valt  dan  ook  op, 
dat  Waldeck  er  naar  streeft  om  steeds  zoo  ver  mogelijk  van 
Villa  Hermosa  te  blijven;  het  is  bijna  als  bij  de  boschkat  en  de 
schildpad,  uit  Bilderdijk's  >Ondergang  der  eerste  wereld": 

» gelijk  de  boschkat  aan  de  schildpad  yastgesloteo, 
uit  iogeschapen  vrees  haar  keten  rekt  en  spant." 

Of  Villa  Hermosa  nu  juist  een  uitstekend  legerhoofd  was,  is 
zeer  twijfelachtig;   maar  niet  twijfelachtig  was  het,  dat  Waldeck 


Digitized  by 


Google 


MAASTRICHT.  203 

volstrekt  geen  aanspraak  kon  maken  op  den  naam  van  goed 
yeldheer:  hij  wist  niet  uit  zichzelf  te  handelen,  hij  moest  geleid 
worden.  Gedurig  is  hij  er  op  uit  om  aan  Willem  III  «schrifte- 
lijke en  bepaalde  bevelen"  te  vragen;  en  of  deze  al  antwoordt: 
dat  Waldeck  zelf  moet  weten  wat  hij  te  doen  heeft,  dat  hij  op 
de  plaats  der  handeling  is  en  dus  beter  kan  oordeelen  over  den 
waren  stand  van  zaken  dan  de  Stadhouder,  vóór  Maastricht;  — 
dat  helpt  niet;  Waldeck  laat  niet  af,  voor  hij  van  Willem  III 
voorschriften  krijgt,  die  —  zooals  zeer  natuurlijk  is  —  soms 
minder  goed  worden  doordien  zich  intusschen  omstandigheden 
voordoen,  die  moeilijk  waren  te  voorzien. 

Bij  zijn  beperkte  strategische  inzichten  wil  Waldeck  alle  punten 
die  bedreigd  kunnen  worden,  voorzien  van  eene  sterke  bezetting ; 
Willem  III  is  tegen  die  versnippering  van  het  leger;  onder 
andere  schrijft  hij  den  yen  Augustus  aan  Waldeck:  ...>maar  ik 
geloof  niet,  dat  gij  uwe  troepen  zoo  moet  verdeelen,  en  infan- 
terie werpen  in  Leuven,  Vilvoorden  en  Mechelen;  integendeel, 
gij  moet  alles  bijeenhouden,  anders  zijt  gij  noch  voor  het  een, 
noch  voor  het  ander  in  staat*'  (het  een,  en  het  ander:  het 
dekken  van  het  beleg  van  Maastricht,  en  het  beschermen  van 
de  vestingen  in  de  Spaansche  Nederlanden).  Wil  men  weten  hoe 
Waldeck  dacht  over  het  oorlogvoeren  in  de  Spaansche  Neder- 
landen, men  leze  wat  hij  daarover  den  25steii  Augustus  1676 
schrijft  aan  Heemskerk,  toen  onzen  gezant  in  Spanje.  (Wat  hier 
volgt  is,  evenals  de  vroegere  aanhalingen,  te  vinden  in  het  tweede 
deel  van  Muller 's  werk): 

tOm  met  vrucht  in  dit  land  werkzaam  te  zijn,  moet  Iperen, 
wil  het  zich  verdedigen,  6  è.  7000  man  hebben;  te  Dixmude 
moet  2000  man  zijn;  dan  moet  men  Nieuwpoort,  Oostende, 
Brugge,  Dam  me  en  Gent  voorzien;  minstens  6000  man  is  hier 
noodig  als  voorloopige  bezetting.  Bij  een  oorlog  in  De  Neder- 
landen moeten  er  troepen  zijn  te  Brussel,  Mechelen,  Antwerpen, 
Namen  en  Luxemburg;  aan  het  Madridsche  hof  is  men  er  vol- 
doende van  op  de  hoogte  hoe  groot  die  bezettingen  moeten 
zijn.  In  Kamerijk  is,  op  zijn  minst,  5000  man  noodig;  te  Valen- 
ciennes  evenveel,  en  in  Mons  niet  minder;  en  zonder  twee  sterke 
legers  —  waarvan  het  eene,  als  de  operatiën  het  toelaten,  ge- 
bruik kan  maken  van  de  bezettingen  der  naburige  vestingen  — 
kan  men  den  vijand  geen  kwaad  doen;  en  die  legers  moeten 
minstens  30000  man  zijn,  willen  zij  een  groot  beleg  onder- 
nemen, zooals  dit  noodig  is  als  men  den  oorlog  ten  einde  wil 
brengen." 

Men  ziet  het,  Waldeck  was  nog  al  ruim  in  zijne  eischen;  hij 
doet  denken  aan  onze  hedendaagsche  krijgskundigen,  die,  in 
hunne  beschouwingen  over  de  landsverdediging,  ieder  versterkt 
punt  al  dadelijk,  dubbel  en  dwars,  willen  voorzien  van  de  noodige 


Digitized  by 


Google 


204  KR1JGS-  EN  GESCHIEDKU.^n>IGE   BESCHOUWINGEN. 

bezetting;  en  dan  na  aftrek  van  al  die  bezettingen  zien  dat  er 
bitter  weinig  overblijft  voor  het  leger  te  velde.  Zou  het  niet  beter 
zijn,  de  legermacht  meer  bijeen  te  houden,  om  haar  te  kunnen 
gebruiken  waar  zij  noodig  is? 

Na  die  uitweiding  keeren  wij  tot  ons  onderwerp  terug. 

Eerst  toen  Aire  belegerd  wordt,  trekt  alleen  Villa  Hermosa 
naar  Vlaanderen ;  en  eerst  later,  toen  hij  ziet  dat  hij,  alleen,  niets 
vermag  tegen  het  Fransche  leger,  wordt  Waldeck  te  hulp  ge- 
roepen. Toen  Aire  gevallen  is,  keert  Waldeck  dadelijk  terug 
naar  de  zijde  van  Brussel;  Villa  Hermosa  blijft  in  Vlaanderen. 
Den  i8en  Augustus,  toen  hij  bericht  krijgt  dat  het  Fransche 
leger  naar  de  zijde  van  Charleroi  trekt,  breekt  Waldeck  op  van 
Brussel  en  trekt  op  Tongeren,  om  Maastricht  meer  nabij  te 
komen.  Villa  Hermosa  wil  nu  evenzoo  zich  aansluiten  bij  Wil- 
lem III;  maar  eerst  den  19611  Augustus  breekt  daartoe  de  Spaansche 
landvoogd  op,  van  Gent;  nog  vermindert  hij  zijne  macht  roet 
een  1500  man,  ter  versterking  van  de  bezetting  van  Namen;  men 
vreesde  dat  die  vesting  door  de  Franschen  zou  worden  aangevallen. 

Schomberg  breekt  den  2  2  sten  Augustus  op  van  den  Piéton  en 
trekt  op  Gerablours;  een  paar  dagen  later  wordt  de  roarsch 
voortgezet  op  Tongeren;  Waldeck  gaat  terug  voor  het  veel 
sterkere  Fransche  leger.  Den  26stcn  Augustus  komt  Schomberg 
nabij  Tongeren,  en  laat  nu  een  algemeen  salvo  doen  door  al 
zijn  geschut  —  32  stukken  — ;  om  daardoor  den  verdedigers 
van  Maastricht  aan  te  kondigen  dat  het  ontzet  nabij  is. 

Wij  moeten  thans  gewagen  van  dat  beleg  van  Maastricht  in 
1676;  —  maar  wij  willen  daarbij  oprecht  te  werk  gaan  met  onze 
lezers ;  en  wij  zullen  hun  zeggen,  dat  de  gang  van  zaken  bij  dat 
beleg  ons  niet  duidelijk  is,  en  dus  de  voorstelling  die  wij  daar- 
van zullen  geven  natuurlijk  ook  niet  duidelijk  zal  zijn.  Bij  onze 
schrijvers  vindt  men  bijzonderheden  genoeg  aangaande  dit 
beleg,  —  onder  andere  in  het  tweede  deel  van  Müller's  werk 
over  Waldeck,  in  de  daar  voorkomende  brieven  van  Willem  III  — ; 
maar  het  geheel  blijft  onduidelijk,  vooral  wat  aangaat  de  inrich- 
ting van  de  veslingwerken.  Wij  zullen  mededeelen  wat  wij  er 
van  begrijpen. 

Nadat  Maastricht  door  het  beleg  van  1673  in  de  macht  van 
Lodewijk  XIV  was  gekomen,  hadden  de  Franschen  meer  uitbrei- 
ding gegeven  aan  de  vesting,  door  het  bouwen  van  zeven  ge- 
detacheerde bastions:  Koning,  Koningin,  Dauphin,  Monmouth, 
Condé,  Turenne  en  Créqui.  Waar  bevonden  zich  die  zeven 
buitenwerken?  —  Het  is  moeilijk  dit  met  juistheid  te  zeggen; 
wij  hebben  geen  plan  kunnen  machtig  worden  van  de  vesting 
van  dien  tijd;  de  kennis  van  de  —  thans  gesloopte  —  vesting- 


Digitized  by 


Google 


MAASTRICHT.  205 

werken  baat  weinig  voor  de  kennis  van  dien  vroegeren  tijd; 
want  de  zoogenaamde  t  Bossche  fronten"  van  Maastricht  waren 
eerst  na  1815  aangelegd,  en  hebben  de  vesting  dus  aan  die  zijde 
geheel  anders  gemaakt  dan  zij  was  in  de  17e  eeuw;  en  juist 
aan  die  zijde  is  in  1676  het  front  van  aanval  geweest.  Wij  kun- 
nen dus  niet  zeggen  op  welke  afstanden  die  zeven  buitenwerken 
waren  verwijderd  van  den  hoofdwal,  en  op  welke  wijze  zij  daar- 
mede in  verband  stonden ;  —  en  dat  zijn  toch  hoofdpunten,  als  het 
er  op  aankomt  den  gang  van  zaken  bij  een  beleg  te  beoordeelen. 
Over  de  Fransche  bezetting  vindt  men  bij  onze  schrijvers,  dat 
die  bestond  uit  4500  man  voetvolk,  2000  ruiters  en  500  dra- 
gonders ;  t  behalven  de  grenadiers,  en  die  geene,  welcke  bij  't  ge- 
schut hoorden"  (HoUandsche  Mercurius).  Of  die  opgave 
nu  geheel  juist  en  nauwkeurig  is,  of  die  bezetting  iets  meer  of 
iets  minder  sterk  is  geweest,  doet  er  weinig  toe  af;  want  zeker 
is  het,  dat  die  bezetting  een  voldoende  sterkte  had  voor  hare 
taak;  ook,  dat  Maastricht  goed  voorzien  was  van  alles  wat  tot 
eene  goede  verdediging  werd  vereischt;  ook,  dat  het  een  uit- 
muntend bevelhebber  had  in  De  Calvo;  hij  was  het,  die,  meer 
bouwende  op  zijne  dapperheid  dan  op  zijne  kunde,  tegen  zijne 
ingenieurs  zeide:  tzegt  ons  wat  wij  doen  moeten;  wij  zullen 
het  doen". 

Welke  waren  nu  de  strijdkrachten  van  den  belegeraar? 

Willem  III,  den  4en  Juli  opgebroken  zijnde  van  Nivelles  met  6000 
man  voetvolk  en  25  eskadrons  ruiterij,  kwam,  over  Thienen  en 
Tongeren,  den  7cn  voor  Maastricht.  Nagenoeg  gelijktijdig  kwamen 
voor  die  vesting  aan,  Spaansche  troepen  uit  Roermond,  onder 
Louvignies ;  troepen  van  den  vorst-bisschop  van  Osnabrug,  in  de 
eerste  dagen  van  Juli  op  den  linkeroever  van  den  Rijn  gekomen ; 
ook  »eenige  troepen  van  den  keurvorst  van  Brandenburg,  van 
den  vorst  van  Neuburg,  en  andere  bondgenooten" ;  voorts  troe- 
pen, door  den  Rijngraaf  aangevoerd,  en  die  getrokken  waren  uit 
de  bezettmgen  van  Den  Bosch,  Breda,  Bergen- op-Zoom,  en  andere 
vestingen.  Wat  nu  de  sterkte  was  van  elk  dier  afdeelingen  in 
het  bijzonder,  wordt  niet  opgegeven;  maar  voor  de  geheele 
sterkte  wordt  vermeld  het  cijfer  van  24  k  26000  man.  Later  — 
zoo  wordt  gezegd  —  zijn  ook  nog  gekomen  de  regimenten  van 
La  Leek,  Brederode,  Kirkpatrick  en  Cassiopijn;  zoodat  het  ge- 
heele leger  voor  Maastricht  denkelijk  tusschen  de  25000  en 
30000  man  zal  hebben  geteld. 

Dadelijk  na  de  berenning  werden  aan  de  verschillende  regi- 
menten hunne  kwartieren  toegewezen;  Willem  III  nam  het  zijne 
aan  de  Smeermaas,  aan  de  noordzijde  van  Maastricht;  aan  de 
zuidzijde,  bij  den  Sint-Pietersberg,  kwam  Louvignies;  die  Spaansche 
generaal  kreeg  ook  het  bevel  over  de  Osnabrugsche  troepen, 


Digitized  by 


Google 


2o6  KRTJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

die  hunne  kwartieren  meer  noordelijk  schijnen  te  hebben  gehad^ 
zoo  wat  ter  hoogte  van  de  Tongersche  en  Brusselsche  poort. 
Dadelijk  werd  er  begonnen  aan  een  e  circumvallatie-linie,  waartoe 
men  een  aantal  schansgravers  had  ontboden,  zoo  uit  het  Namensche 
en  het  Luxemburgsche,  als  uit  de  Meijerij  van  Den  Bosch  en  uit 
de  Baronnie  van  Breda ;  boven  en  beneden  Maastricht  kwam  een 
schipbrug  over  de  Maas. 

Bij  het  leger  van  den  Stadhouder  waren  drie  regimenten  Engel- 
schen,  die  het  verzoek  deden  om  bij  deze  belegering  bijeen  te 
blijven,  en  als  een  Engelsche  krijgsmacht  op  zichzelve  te  han- 
delen, ten  einde  de  eer,  of  de  oneer,  van  hunne  wapenfeiten 
ook  geheel  alleen  te  dragen.  De  Stadhouder,  die  er  zeer  naar 
streefde  om  zich  aanhangers  te  verwerven  in  Engeland,  en  die 
ook  de  dapperheid  van  die  regimenten  kende,  stond  het  verzoek 
toe,  en  plaatste  die  Engelschen  in  kwartier  naast  zijne  garde,  naar 
de  zijde  van  de  Boschpoort.  Fenwick,  de  oudste  der  drie  kolo- 
nels, kreeg  het  bevel  over  die  regimenten,  wier  geheele  sterkte 
een  2600  man  bedroeg,  daarbij  niet  meegeteld  de  overcomplete 
officieren  en  de  vrijwilligers.  —  Fenwick  is  voor  Maastricht  in 
1676  een  dapper  en  eervol  krijgsman  geweest;  —  in  later  jaren 
is  er  een  vlek  op  zijn  naam  gekomen  door  het  deelnemen  aan 
eene  samenzwering,  die  het  toelegde  op  het  vermoorden  van 
Willem  III,  toen  Koning  van  Groot-Brittanje ;  Fenwick  heeft 
toen  zijn  leven  op  het  schavot  geëindigd. 

Het  beginnen  van  het  beleg  werd  vertraagd,  doordat  het  be- 
legeringsgeschut  eerst  den  lyen  Juli  aankwam;  dat  geschut  moest 
grootendeels  van  de  zijde  van  Roermond  met  schepen  komen, 
en  gedurende  eenige  dagen  was  daartoe  te  weinig  water  in  de 
Maas;  van  Namen,  over  het  hoogere  gedeelte  van  de  rivier, 
ontving  men,  iets  vroeger,  6  vuurmonden  en  anderen  krijgsvoor- 
raad.  In  de  eerste  dagen  na  de  berenning,  en  voordat  nog  de 
circumvallatie-linie  was  voltooid,  hadden  er  herhaaldelijk  kleine 
gevechten  plaats  met  de  bezetting  van  Maastricht,  die  uit  de 
omliggende  landstreek  het  slachtvee  ophaalde.  Bij  een  van  die 
gevechten  sneuvelde  de  Engelsche  majoor  Archer,  die  genoemd 
wordt  »een  persoon  van  groote  kennisse  in  de  fortificatiën" ;  — 
en  aan  personen  van  dat  slag  schijnen  de  belegeraars  toen  juist 
geen  overvloed  te  hebben  gehad. 

Eindelijk,  17  Juli,  komt  het  belegeringsgeschut  aan;  en  nog 
dien  dag  wordt  bevel  gegeven  om  vier  batterijen  te  bouwen, 
eene  voor  14,  eene  voor  8,  eene  voor  6,  en  eene  voor  4  vuur- 
monden. Maar,  welke  vuurmonden?  wat  moesten  zij  uitwerken? 
waar  kwamen  die  batterijen?  —  Onze  schrijvers  schijnen  van 
oordeel,  dat  het  daaarop  niet  aankomt,  zij  geven  ons  daaromtrent 
ten   minste   geen  licht.  In  den  nacht  van  den  i9en  Juli  werden 


Digitized  by 


Google 


MAASTRICHT.  207 

de  loopgraven  geopend,  door  het  regiment  Gardes,  de  regi- 
menten Beaumont  en  Clooster  en  eenige  Engelsche  vrijwilligers; 
in  den  ochtend  van  den  2osteii  waren  die  loopgraven  genoegzaam 
gevorderd  om  dekking  te  verschaffen;  —  in  een  schrijven  van 
Willem  UI  aan  Waldeck  van  den  19611  Juli  komt  voor,  dat  de 
loopgraven  geopend  waren  den  nacht  te  voren  (?),  tusschen  de 
Boschpoort  en  het  hoornwerk  Hoog  Frankrijk ;  op  welken  afstand 
van  de  werken  der  vesting,  wordt  niet  gezegd. 

Later  deed  men  uit  Maastricht  tegen  deze  nadernissen  een 
uitval,  die  afgeslagen  werd  door  het  regiment  van  Mannemaker. 
Willem  III  ontzag  zich  weer  niet,  was  tweemaal  daags  in  de 
loopgraven,  en  kreeg  zelfs  een  geweerkogel,  doch  die  alleen  door 
de  kleêren  ging,  in  den  arm,  iets  boven  den  elleboog. 

Ziedaar  bijzonderheden  die  men  bij  onze  schrijvers  vindt  en 
die  zeker  hare  waarde  hebben,  in  zoover  men  daaruit  kan  aflei- 
den welke  troepen  toen  hebben  gestreden  en  welke  dapperheid 
toen  werd  betoond;  maar  wetenschappelijke  waarde  hebben  zij 
niet:  zij  maken  niet  duidelijk  hoe  het  eigenlijk  bij  dit  beleg 
is  toegegaan.  Later  blijkt  het,  dat  de  aanvalswerken  gericht 
waren  tegen  het  bastion  Dauphin,  een  bastion  dat  zich,  naar  wij 
vermoeden^  bevonden  zal  hebben  zoo  wat  tusschen  het  latere 
fort  Koning  Willem  en  de  Boschpoort.  Maar  op  welken 
afstand  van  het  bastion  Dauphin  werden  de  loopgraven  geopend  ? 
Niemand  die  dit  zegt. 

Den  22sten  Juli  openen  de  batterijen  van  den  belegeraar  haar 
vuur,  en  zetten  dit  voort  tot  den  298tcn;  daardoor  wordt  een 
bres  geschoten  in  het  bastion  Dauphin;  en  daar  de  loopgraven 
dit  bastion  ook  genoeg  nabij  zijn  gekomen,  doet  Willem  III  den 
3osien  dit  werk  bestormen.  Die  bestorming  geschiedt  op  klaar- 
lichten dag,  om  4  uur  des  namiddags ;  bij  deze  belegering  is  dit 
meer  geschied.  Rousset  noemt  dit  eene  handeling  strijdig  met 
alle  gewoonte  (contre  tout  usagé)\  dat  die  handeling  echter  niet 
verkeerd  was,  blijkt  daaruit  dat,  een  jaar  later,  bij  de  bestorming 
van  Valenciennes,  de  Franschen,  op  raad  van  Vauban,  dezelfde 
handeling  en  met  goed  gevolg  hebben  aangewend.  Bij  eene  be- 
storming op  klaarlichten  dag  —  zoo  verdedigde  de  groote  Franschc 
ingenieur  zijn  raad  —  lijdt  men  misschien  wat  meer  van  's  vijands 
vuur;  maar  men  verrast  den  vijand  meer,  die  op  klaarlichten  dag 
geen  bestorming  verwacht;  bovendien  gaat  op  klaarlichten  dag 
alles  meer  ordelijk,  meer  geregeld,  en  iedereen  doet  meer  zijn 
plicht  omdat  hij  weet  dat  hij  wordt  gezien;  terwijl  daarentegen 
de  nachtelijke  duisternis  niet  alleen  aanleiding  geeft  tot  wanorde, 
maar  ook  den  lafaard  een  gunstige  gelegenheid  aanbiedt  om  zich 
aan  den  strijd  te  onttrekken.  —  Zóó  oordeelde  Vauban  in  1677; 
en  zóó  handelde  Willem  III  in  1676. 


Digitized  by 


Google 


2o8  KRIJGS-  EN  GBSCHIKDKUNDIGK  BBSCHOUWINGEN. 

Die  storm  van  den  3osten  juU  mislukt  echter,  en  zeker  niet 
door  gebrek  aan  dapperheid.  De  Engelsche  regimenten  hadden 
de  eervolle  onderscheiding  ontvangen  om  het  bastion  Dauphin 
te  bestormen;  de  Stadhouder  kwam  vóór  dien  tijd  in  de  kwar- 
tieren van  de  regimenten,  moedigde  hen  aan  tot  dapperheid,  en 
deed  aan  elke  compagnie  een  os  en  twee  schapen  uitdeelen;  — 
de  Engelsche  soldaat  is  de  dapperste  soldaat  van  de  wereld^  — 
maar  hij  moet  zijn  maag  goed  hebben  gevuld.  Voorafgegaan 
door  twee  sergeanten  t  Po  wel  en  Pinder  genoemd,  zijnde  brave 
karels",  dringen  de  Engelschen  door  de  bres  in  het  bastion  en 
verdrijven  na  een  woedend  gevecht  de  zich  dapper  verdedigende 
Franschen.  Maar  nu  was  het  bastion  Dauphin  aan  de  keel  open. 
en  een  der  facen,  naar  den  hoofdwal  van  Maastricht  gekeerd» 
had  men,  met  opzet,  een  borstwering  gegeven  van  slechts  ge- 
ringe dikte.  Zoodra  het  bastion  hun  dus  ontweldigd  was,  richtten 
de  Franschen  uit  nabijzijnde  werken  een  zoo  moorddadig  vuur 
daarop,  dat  de  Engelschen,  die  zich  niet  zoo  spoedig  konden 
ingraven,  daardoor  groote  verliezen  leden.  Toch  hielden  zij  vijf 
kwartier  stand;  toen  wilde  de  Stadhouder  hen  laten  aflossen  door 
zijne  garde;  maar  bij  die  aflossing  schijnt  er  eenige  verwarring 
te  zijn  ontstaan,  vermeerderd  door  het  ontvlammen  van  buskruit 
in  eene  der  HoUandsche  batterijen,  en  dat  deed  denken  dat  de 
vijand  een  mijn  liet  springen;  zooveel  is  ten  minste  zeker,  dat 
de  Franschen,  met  kracht  weer  aanvallende,  èn  de  Engelschen, 
èn  de  garde  van  Willem  III  overhoop  wierpen  en  het  bastion 
hernamen.  In  den  ochtend  van  den  31  sten  Juli  werd  de  bestor- 
ming hervat  door  de  garde  en  door  eenige  andere  regimenten; 
maar  ook  die  storm  werd  afgeslagen.  Er  wordt  gezegd,  dat  de 
bondgenooten  bij  deze  gevechten  ruim  150  dooden  en  400  ge- 
wonden  hebben  verloren,  maar  volgens  Sylvius  is  dat  verlies 
denkelijk  grooter  geweest. 

Na  dien  storm  vingen  het  kanonvuur  en  de  schansarbeid  tegen 
het  bastion  weer  aan,  natuurlijk  beantwoord  door  een  hevig 
kanonvuur  van  den  belegerde,  die  's  nachts  pikkaarsen  op  de 
wallen  plaatste  om  zich  voor  verrassingen  te  vrijwaren.  De  be- 
legeraar wilde  het  bastion  ondermijnen;  maar  toen  door  een 
uitval  van  de  Franschen  in  den  nacht  van  2  op  3  Augustus  die 
mijnarbeid  voor  een  deel  was  vernield,  besloot  Willem  III  den 
4eQ  Augustus  nogmaals  een  storm  te  beproeven.  Nogmaals  zou- 
den de  garde  en  de  Engelsche  regimenten  dien  storm  verrichten ; 
de  garde  links,  de  Engelschen  rechts. 

Wij  achten  het  belangrijk  genoeg  om  —  uit  de  HoUandsche 
Mercurius  —  over  te  nemen  de  wijze  waarop  de  storm- 
colonnen  waren  samengesteld  en  ingedeeld.  Bij  de  Engelschen 
had  men: 


Digitized  by 


Google 


MAASTRICHT.  209 

•  eerst  2  sarjaDten  met  10  snaphanen^  gevolgt  van  12  grana- 
diers^  onder  een  sarjant;  toen  noch  24  granadiers,  onder  2  sar- 
janten^  welcke  oock  door  een  bequaem  persoon  geleyt  souden 
worden;  hier  na  30  snaphanen  onder  een  luitenant  en  2  sar- 
janten,  gevolgt  van  een  capitein  luitenant  vendrig^  2  sarjanten 
en  50  snaphanen;  toen  weder  een  sarjant  met  12  man  met  halve 
piecken,  gevolgt  van  een  capitein  luitenant  vendrig,  sarjant  en 
28  man,  met  schoppen  en  spaden;  hier  na  56  man,  onder  een 
sorgvuldig  bevelhebber  en  2  sarjanten,  die  alle  noodige  dingen 
souden  aenbrengen,  en  in  geval  van  geluck  een  logement  in 
't  midden  van  't  bastion  maken,  oock  sorgh  dragen  om  de 
minen  op  te  soecken.  De  guarde  was  in  deselve  beschickingh 
geregelt,  en  wiert  door  den  Baron  Sparre,  en  de  Engelse  door 
den  Capitein  Barnwel,  outste  capitein  in  't  regiment  van  den 
CoUonel  Fenwick  ten  storm  aangevoert.  Bovendien  waren  noch 
twee  troepen  van  een  diergelijck  getal,  en  verdeelt  als  de  eerste, 
geordonneert ;  de  eene  uyt  de  regimenten  van  den  Rhijngrave, 
Cassiopijn  en  Tamminga  om  die  van  de  guarde,  en  de  andere 
uyt  die  van  den  Stadthouder  van  Vrieslandt,  Hofwegen  en 
Lavergne  om  de  Engelsse  te  ondersteunen.  De  regimenten  ruy- 
ters  van  Eppe,  de  heer  van  Brederode,  en  Laguette,  hadden 
mede  bevel  om  haer  op  't  pleyn  te  houden  en  te  beletten  dat 
de  Franse  ruyterye  uit  de  stadt  ons  volck  inviel../' 

De  twee  stormcolonnen  der  Hollanders  en  Engelschen  snelden 
met  buitengewone  dapperheid  naar  het  bastion  Dauphin;  hier 
vonden  zij  de  bres  afgesloten  met  friesche  ruiters,  onderling  ver- 
bonden door  ijzeren  kettingen;  en  daarachter  de  verdedigers, 
een  hevig  geweervuur  op  de  bestormers  richtende  en  onophou- 
delijk handgranaten  in  hun  midden  werpende.  Ook  uit  de  naast- 
bijliggende  werken  van  Maastricht  werd  een  moorddadig  vuur 
gericht  op  de  stormcolonnes.  Toch  —  vooral  aangevuurd  door 
de  dapperheid  van  den  Engelschman  Barnwcll,  die  hier  een 
roemrijken  dood  vond  —  gelukte  het  aan  de  soldaten  van  Wil- 
lem III  de  friesche  ruiters  uit  den  weg  te  ruimen  en  zich  na  een 
hevigen  strijd  meester  te  maken  van  het  bastion.  De  Engelschen 
bleven  daar  toen  als  bezetting.  Hun  aanvoerder  onderzocht 
dadelijk  de  mijngangen  van  het  bastion ;  daar  geen  gemeenschap 
naar  de  stadszijde  ontdekkende,  meende  hij  gewaarborgd  te  zijn 
tegen  eiken  onderaardschen  aanval  van  den  kant  der  Franschen. 

Die  meening  was  echter  ongegrond ;  toen  's  nachts  vele  der 
Engelsche  schildwachten,  door  den  vermoeienden  strijd  uitgeput, 
sliepen  of  hunne  posten  hadden  verlaten,  deed  de  belegerde  een 
paar  mijnen  springen,  die  verwoesting  en  schrik  brachten  onder 
de  bondgenooten.  De  soldaten  van  De  Calvo,  gedeeltelijk  met 
zeisen  gewapend,  drongen  toen  weer  in  het  bastion,  en  doodden 
een  aantal  huimer  vijanden,  half  bedolven  onder  de  aarde,  door 

WILLEM  ra.  —  II.  14 

Digitized  by  VjOOQIC 


2  (O  KRIfGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

de  mijneo  opgeworpea ;  het  bastion  was  voor  het  oogenblik  weer 
in  de  macht  der  Franschen.  Maar  de  Rhijngraaf,  een  nieuwe 
stormcolonne  doende  oprukken  onder  den  graaf  van  Solms, 
maakte  zich  opnieuw  meester  van  het  bastion  Dauphin^  dat  toen 
voorgoed  in  de  macht  der  bondgenooten  bleef.  Duur  werd  dit 
voordeel  door  hen  betaald;  want  volgens  onze  opgaven  hadden 
die  gevechten  van  4  en  5  Augustus  aan  de  beide  partijen  twel 
1000  man*'  gekost  aan  dooden  en  gewonden;  en  het  ligt  in  den 
aard  van  de  zaak,  dat  van  die  1000  man  het  verlies  van  de 
bondgenooten  wel  het  grootste  deel  zal  hebben  uitgemaakt. 

Ook  op  andere  punten  werd  Maastricht  toen  aangevallen, 
echter  niet  ernstig.  Tegen  Wijck  deed  de  graaf  van  Hoome  — 
andere  opgaven  zeggen,  de  prins-bisschop  van  Osnabrug  —  slechts 
schijnaanvallen ;  en  alles  bepaalde  zich  daar  hoofdzakelijk  tot 
kleine  gevechten,  als  de  troepen  van  De  Calvo  daar  uitvallen 
deden.  Aan  de  zijde  van  Sint*Pieter,  wordt  gezegd,  dat  Louvignies 
met  zijne  loopgraven  de  vesting  naderde,  daarmede  zelfs  een 
buiten-bastion  al  voorbij  was,  en  begon  aan  het  opwerpen  van 
drie  batterijen;  maar  dat  hij  in  dien  arbeid  verhinderd  werd 
door  het  water  van  het  riviertje  de  Jeeker,  dat  de  Franschen 
hadden  afgedamd.  Hoe  het  met  die  onderwaterzetting  eigenlijk 
gesteld  was,  is  niet  duidelijk;  maar  zooveel  is  zeker,  dat  die 
aanval  van  Louvignies  nooit  ver  genoeg  gevorderd  is  om  daar- 
door Maastricht  in  gevaar  te  brengen. 

In  eene  landstreek  in  Duitschland,  waar  men  de  velden  zegende 
om  van  den  hemel  een  rijken  oogst  af  te  bidden,  zeide  een 
geestelijke,  toen  hij  op  een  schralen  akker  kwam:  thier  zullen 
wij  maar  niet  bidden ;  want  zoolang  de  grond  niet  gemest  wordt, 
helpt  het  toch  niet."  Het  gebed  is  goed,  wanneer  men  eerst,  zoo 
goed  mogelijk,  alle  menschelijke  middelen  heeft  aangewend ;  zoo 
niet,  dan  is  het  ijdel.  Dat  begrepen  onze  Staten-Generaal  niet, 
toen  zij  in  1676  een  biddag  uitschreven  voor  het  welslagen  van 
het  beleg  van  Maastricht:  zij  hadden  eerst  moeten  zorgen  dat 
er,  om  dat  beleg  te  leiden,  bij  het  Hollandsche  leger  bekwame 
ingenieurs  waren,  opgewassen  tegen  de  leerlingen  van  Vauban. 
Dat  was  toen  niet  het  geval;  Coehoorn  was  nog  maar  een  ge- 
woon kapitein  van  de  infanterie;  hij  telde  nog  niet  meê,  waar 
het  gold  vestingen  aan  te  vallen  of  te  verdedigen;  bij  het  beleg 
van  Grave  in  1674  had  hij  eens  zijn  stem  doen  hooren;  maar 
niemand  had  naar  hem  geluisterd;  het  was  zijn  tijd  nog  niet: 
de  knoeiers  waren  nog  aan  het  roer. 

Maar,  bij  gemis  van  eene  bekwame  leiding  bij  dit  beleg,  wilde 
Willem  III  evenals  voor  Grave  de  dapperheid  daarvoor  in  de 
plaats  stellen;   en  hoewel  de  Staten  den  Prins  lieten  aanmanen 


Digitized  by 


Google 


BdAASTRICHT.  211 

om  zijn  leven  minder  te  wagen,  zoo  zal  die  aanmaning  wel  even 
weinig  uitwerking  hebben  gehad  als  de  doodelijke  wonde  die  de 
Rhijngraaf  op  den  1560  Augustus  kreeg,  op  den  Stadhouder  uit- 
werkte; Sylvius  zegt  van  dit  ongeval,  den  onderbevelhebber 
overkomen:  >dit  hield  evenwel  Sijn  Hoogheyt  niet  terugge,  om 
alle  plichten  van  een  dapper  veldheer,  in  alle  gelegentheden 
waar  te  nemen,  wel  stoutmoediglijk,  evenwel  niet  roekelooslijk".  — 
Maar  ook  de  dapperheid  vermag  niet  alles. 

Na  de  inneming  van  het  bastion  Dauphin  gaat  de  belegeraar 
nog  eenige  dagen  vooruit  met  zijne  nadernissen,  totdat  hij  aan 
<ien  bedekten  weg  komt  van  een  hoornwerk,  nog  vóór  den  ouden 
hoofdwal  van  Maastricht.  In  die  dagen  gebeurt  er  weinig  bijzon- 
ders ;  de  belegeraars  werpen  eenige  nieuwe  batterijen  op,  ook  in 
het  bastion  Dauphin;  en  slaan  den  óen  Augustus  een  uitval  af^ 
dien  de  Franschen  hadden  laten  voorafgaan  door  het  springen 
van  een  mijn.  Den  yen  heeft  de  zorgeloosheid  van  de  Engelsche 
schildwachten  weer  ten  gevolge,  dat  de  uitvallende  Franschen 
aanvankelijk  eenig  voordeel  behalen;  maar  spoedig  worden  zij 
weer  teruggedreven,  en  een  bom,  door  de  onzen  in  het  hoorn- 
werk geworpen,  doet  daar  een  aantal  van  's  vijands  granaten 
springen.  Ook  den  8sten  Augustus  heeft  er  een  hevige  uitval 
plaats,  die  dapper  wordt  afgeslagen  door  de  garde  van  Willem  III ; 
de  garde  verliest  daarbij  drie  harer  kapiteins. 

Zoo  was  men,  eiken  voet  gronds  met  bloed  koopende,  zoo 
ver  gevorderd  dat  men  den  bedekten  weg  van  het  hoornwerk 
kon  bestormen.  Den  iiea  Augustus,  's  nachts  tusschen  11  en  12 
uur,  heeft  die  bestorming  plaats:  aan  de  linkerzijde  door  den 
Rhijngraaf  met  de  regimenten  van  Stirum,  Dutel  en  Slangenburg; 
aan  de  rechterzijde  door  den  graaf  van  Hoome  roet  de  twee 
bataljons  van  Walenburg,  het  regiment  van  Van  Leeuwen,  en 
«enige  grenadiers  en  werkers  uit  andere  regimenten ;  beide  afdee- 
lingen  hebben  ieder  bovendien  nóg  een  regiment  als  reserve.  Op 
de  linkerzijde  gelukt  de  aanval ;  en  niettegenstaande  den  hevigen 
wederstand  van  de  Franschen,  hun  geducht  vuur,  en  het  springen 
van  eenige  mijnen  wordt  daar  de  bekroning  van  den  bedekten 
weg  verricht.  De  rechteraanval  daarentegen  mislukt;  en  eerst 
toen  die  herhaald  wordt  in  den  nacht  van  12  op  13  Augustus, 
wordt,  na  hevigen  strijd,  ook  daar  de  bekroning  van  den  be- 
dekten weg  verricht.  Dddr  hebben  toen  herhaalde  uitvallen  van 
de  Franschen  plaats,  door  den  belegeraar  afgeslagen ;  het  is  daar 
«en  gedurige  strijd;  en  het  is  ook  daar  dat  de  Rhijngraaf,  in  den 
nacht  van  14  op  15  Augustus,  door  den  kogel  werd  getroffen, 
die  drie  weken  later  een  einde  maakte  aan  zijn  leven. 

Aan   dien   dapperen   onderbevelhebber  schijnt  de  Stadhouder 


Digitized  by 


Google 


212  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

veel  te  hebben  verloren;  de  Holland sche  Mercurius  zegt 
daarvan:  >dit  verlies  was  gevoelijck  aan  Sijn  Hoogheyt,  vermits 
hij  veel  dingen  op  hem  hebbende  vertrout,  wits  desrelfs  wonde 
nu  in  persoon  wel  diende  op  alles  acht  te  slaen ;  gelijck  hij  sich 
dan  nacht  en  dagh  in  de  nadernissen  onthielt^  en  zelfs  wel 
't  ampt  van  een  slecht  zoldaet  waernam,  sich  oock  vernoegende 
met  een  stuk  kaes  en  broot,  terwijl  hij  daer  was;  doch  dit  ge- 
schiedde niet  alles  zonder  gevaer,  dewijl  veel  krijghslieden  nevens 
sijn  zijde  gedoot  en  gewont  wierden;  invoegen  den  Gen.  Lou- 
vigny  in  de  plaets  van  den  Rijngrave  wiert  gestelt,  om  Sijn 
Hoogheyt  van  dit  gevaer  te  bevrijden." 

Den  i4en  Augustus  wordt  het  hoornwerk  bestormd,  om  zich 
daar  in  te  graven;  maar  die  bestorming  mislukt;  —  onze  op- 
gaven, als  het  ware  om  te  troosten  over  dien  tegenspoed,  voegen 
er  bij,  dat  de  vijand  groote  verliezen  had  geleden:  »wel  400 
Switzers,  behalvens  de  Franse";  —  maar  dat  ook  onze  verliezen 
aanzienlijk  moeten  zijn  geweest,  blijkt  uit  de  woorden  die  onmid- 
dellijk volgen:  >hoe  wel  de  onse  oock  niet  mis  gingen." 

Wat  er,  na  die  mislukte  bestorming  van  den  14611  Augustus, 
tot  den  26sten  Augustus  is  voorgevallen,  zeggen  onze  schrijvers 
niet;  en  dit  geeft  wel  eenigen  grond  aan  de  Fransche  opgaven, 
die  beweren,  dat  de  tegenstand  bij  het  hoornwerk  zóó  groot  is 
geweest,  dat  de  belegeraar  in  de  laatste  dagen  van  het  beleg 
niet  de  minste  vorderingen  heeft  kunnen  maken.  Den  26sten  Augus- 
tus, toen  men  reeds  tijding  heeft  dat  Schomberg's  leger  nabij  is, 
wordt,  op  den  middag,  nog  een  storm  op  het  hoornwerk  ver- 
richt; die  storm  wordt  gedaan  door  het  infanterie- regiment  van 
Tamminga  en  door  een  regiment  dragonders ;  andere  regimenten 
staan  gereed  om  hen  te  ondersteunen ;  maar  toen  de  eerste  aan- 
vallers worden  afgeslagen,  ziet  men  af  van  verdere  ondernemingen 
en  staakt  den  strijd.  Fransche  opgaven  —  onder  anderen  ook 
Rousset  —  zeggen,  dat  bij  die  laatste  gelegenheid  de  storm- 
colonne  bijna  geheel  was  samengesteld  uit  officieren,  die  daar 
grootendeels  den  dood  vonden;  onze  schrijvers  zwijgen  van  die 
omstandigheid,  die  daarom  dan  ook  geen  onvoorwaardelijk  geloof 
verdient. 

Den  26sten  Augustus  wordt  in  het  leger  der  bondgenooten 
een  krijgsraad  gehouden,  waaraan  ook  Waldeck  en  Villa  Her- 
mosa  deelnemen.  In  dien  krijgsraad  wordt  besloten,  het  beleg 
van  Maastricht  op  te  breken;  een  verstandig  besluit,  zoowel  om 
den  tegenstand  dien  men  nog  had  te  wachten  van  de  vesting  als 
om  het  gevaar  dat  van  de  zijde  van  Schomberg  dreigde.  Het 
leger  was  door  het  beleg  te  veel  verzwakt  om  aan  dien  dubbelen 
vijand  het  hoofd  te  kunnen  bieden;  wel  hoopte  men  nog  altijd 
op  de  komst  van  Munstersche  en  Luneburgsche  troepen;  maar 
daar  had  men  al  zoo  lang  op  gehoopt,  en  die  troepen  kwamen 


Digitized  by 


Google 


MAASTRICHT.  2I3 

maar  niet.  Men  moest  dus,  hoe  noode  dan  ook,  de  onderaeming 
opgeven. 

Den  27sten  Augustus  wordt  het  beleg  opgebroken,  en  neemt 
het  leger  stelling  bij  Lanaken.  Het  belegeringspark,  de  leeftocht, 
de  zieken  en  gewonden  worden  ingescheept  op  50  vaartuigen, 
om  de  Maas  af  te  zakken  naar  Grave.  Volgens  Fransche  opgaven 
konden  die  vaartuigen,  door  den  lagen  stand  van  de  rivier,  niet 
verder  komen  dan  Stokhem,  en  zijn  zij  grootendeels  in  handen 
gevallen  van  de  bezetting  van  Maastricht.  In  een  schrijven  van 
Dijkveld  —  toen  gedeputeerde  te  velde  —  wordt  ook  gewaagd 
van  dien  lagen  waterstand,  maar  niet  van  het  verlies  van  dat 
materieel. 

Dat  mislukte  beleg  van  Maastricht  kan,  zeer  zeker,  voor  Wil- 
lem III  met  eene  nederlaag  gelijkgesteld  worden;  en  vrij  een- 
parig is  het  gevoelen,  dat  die  nederlaag  voor  een  goed  deel  is 
te  wijten  aan  de  weinige  bekwaamheid  waarmede  dat  beleg 
werd  bestuurd.  Louvois  laat  zich  daarover  zeer  ongunstig  uit; 
in  een  brief  van  dien  Minister  aan  Vauban,  van  den  yen  Sep- 
tember 1676,  komt  onder  andere  voor:  tik  heb  het  plan  gezien 
van  de  aanvallen,  die  Mijnheer  de  Prins  van  Oranje  op  Maas- 
tricht heeft  laten  doen,  en  die  bestuurd  zijn  geworden  door  een 
HoUandsch  ingenieur,  Yvoy,  die  de  vestingwerken  van  Genève 
heeft  gemaakt.  Een  schooljongen,  die  een  maand  lang  de  mathesis 
heeft  bestudeerd,  begaat  niet  zulke  domheden  (dneries)  als  men 
begaan  heeft  bij  de  leiding  van  die  aanvallen;  duidelijk  toont 
dit  aan,  dat  hij,  die  met  de  leiding  belast  is  geweest,  uit  over- 
grooten  angst  alle  bezonnenheid  is  kwijtgeraakt.  Om  u  maar 
één  ding  te  zeggen:  hij  heeft  het  hoornwerk  willen  nemen,  en 
zich  bepaald  tot  het  omvatten  van  slechts  één  saillant  van  den 
bedekten  weg;  en,  ten  einde  het  nemen  te  vermijden  van  een 
gemetselde  redoute,  een  weinig  links  van  de  aanvaUwerken,  heeft 
hij  zich  gewaagd  binnen  een  inspringend  gedeelte  van  de  ves- 
ting, waar  hij  aan  alle  zijden  dwarswallen  heeft  moeten  maken 
om  zich  te  dekken;  hij  heeft  dan  ook  12000  man  verloren, 
zonder  dat  hij  een  stap  is  vooruitgekomen  sinds  den  1460  Augus- 
tus, toen  hij  de  bekroning  van  den  bedekten  weg  heeft  verricht. 
Ik  heb  gemeend  dat  die  korte  schets  der  handelingen  van  het 
hoofd  der  Hollandsche  ingenieurs  u  niet  ongevallig  zou  zijn." 
<Rousset,  2'  deel,  blz.  249). 

Dit  oordeel  is  niet  zeer  vleiend  voor  dien  mijnheer  Yvoy; 
moeilijk  valt  het  te  zeggen,  of  die  kritiek  van  Louvois  gegrond 
is;  maar  zooveel  is  zeker,  dat  het  beleid,  of  de  bekwaamheid, 
van  den  belegeraar  van  Maastricht  in  liSyó,  algemeen  wordt 
afgekeurd.  —  Wat  het  cijfer  van  de  verliezen  aangaat,  daar  is 


Digitized  by 


Google 


214  KRUGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

denkelijk  wel  overdrijving  in  wat  Louvois  daarover  opgeeft; 
maar  aanzienlijk  moeten  die  verliezen  toch  zijn  geweest;  dit 
blijkt,  onder  andere,  uit  de  omstandigheid,  bij  onze  schrijvers 
voorkomende,  dat  Willem  UI  de  drie  Ëngelsche  regimenten  en 
negen  regimenten  HoUandschc  infianterie  van  het  leger  terug- 
zond, omdat  zij  door  het  beleg  van  Maastricht  te  veel  hadden 
geleden. 

Niet  onbelangrijk  is  het,  hier  eenige  uittreksels  te  laten  volgen 
van  de  brieven,  door  Willem  III  aan  Waldeck  geschreven,  tijdens 
dat  beleg  van  Maastricht.  In  die  brieven  zal  men  tevergeefs  een 
geregeld  verhaal  zoeken  van  dat  beleg;  men  vindt  daarin  slechts 
korte  opgaven  over  de  handelingen  op  sommige  dagen,  —  waarbij 
veel  is  overgeslagen,  —  vooral  de  ondervondene  tegenspoeden; 
ook  zijn  die  opgaven  niet  in  alle  opzichten  nauwkeurig ;  —  toch 
werpen  die  brieven  eenig  licht  over  den  staat  van  zaken  bij  het 
leger  des  Stadhouders,  tijdens  het  streed  voor  de  muren  van 
Maastricht  Men  moet  in  die  brieven  geen  volledige  verklaring 
zoeken  van  het  beleg;  maar  zij  maken  een  belangrijke  getuigenis 
uit  in  een  vrij  duistere  zaak. 

Den  17  en  Juli  schrijft  de  Stadhouder  van  voor  Maastricht  aan 
Waldeck: 

...»het  grootste  deel  van  onze  artillerie  is  aangekomen,  het 
overige  komt  heden,  of  morgen  ochtend;  daarom  hebben  wij 
besloten  om  dezen  nacht  te  arbeiden  aan  het  opwerpen  van  bat- 
terijen; en  zijn  die  af,  dan  zullen  wij  de  loopgraven  openen. 
Onze  liniën  maken  nu  een  gesloten  geheel  uit  {ms  lignes  sont  fer- 
mees)  en  men  werkt  er  aan  om  ze  te  vergrooten.  Ik  doe  wat  ik 
kan,  maar  wordt  zeer  slecht  gesteund,  en  dlvoy's  ziekte  komt 
mij  zeer  ongelegen..." 

Dus,  bij  het  begin  van  het  beleg  was  d'Yvoy  ziek,  —  die 
ziekte  schijnt  echter  slechts  kort  te  hebben  geduurd;  op  het 
laatst  van  het  beleg  is  hij  gewond  en  daardoor  tijdelijk  buiten 
gevecht;  houdt  men  die  omstandigheden  in  het  oog,  dan  is  het 
duidelijk  dat  niet  alle  misslagen  in  de  leiding  van  het  beleg  aan 
d'Yvoy  moeten  worden  geweten. 

Den  iQcn  Juli  schrijft  Willem- III  aan  Waldeck: 

» Heden  nacht  hebben  wij  de  loopgraven  geopend,  tusschen  de 
Boschpoort  en  het  hoornwerk  dat  »Hoch  Franckrijck"  heet ;  wij 
werken  aan  drie  batterijen,  waarvan  eene  dezen  nacht  af  zal  zijn; 
mijn  garde-regiment,  dat  de  loopgraven  geopend  heeft,  heeft 
goed  gewerkt  en  maar  2  of  3  man  verloren.  De  aanval  van  den 
Heere  Hertog  van  Osnabrug  is  rechts,  maar  verbonden  aan  den 
onzen  door  eene  loopgraaf;  ook  daar  hebben  zij  maar  2  of  5 
soldaten  verloren,  benevens  den  majoor  van  het  regiment  van 
Beaumont,  die  door  een  kanonskogel  is  gedood.  Het  geschut  uit 


Digitized  by  VjOOQIC 


MAASTRICHT.  215 

de  vesting  schiet  geweldig,  en  is  zeer  lastig  geweest  voor  de 
ruiterij,  die  in  den  rug  de  arbeid  dekte,  en  toch  nog  al  op  een 
afstand  stond;  mijn  regiment  heeft  weinig  geleden.  Tot  op  dit 
oogenblik  —  i  uur  's  namiddags  —  bespeurt  men  geen  schijn 
van  uitval  bij  de  belegerden;  wat  ieder  een  zeer  verwondert, 
omdat  als  zij  het  nu,  of  binnen  een  paar  dagen,  niet  doen,  het 
hun  later  zeer  bezwaarlijk  zal  zijn . .  .'* 

Deze  brieven  van  Willem  111  zijn  klaarblijkelijk  in  haast  ge- 
schreven, of  gedicteerd;  vandaar  noodwendig  hier  en  daar  iets 
dat  onduidelijk  of  onjuist  is;  de  uitdrukkingen  > heden  nacht"  en 
>  dezen  nacht"  bij  voorbeeld,  laten  soms  in  twijfel  welke  nacht 
eigenlijk  wordt  bedoeld,  de  nacht  die  voorbijgegaan  is,  of  de 
nacht  die  nog  moet  komen;  vandaar  denkelijk  dat  Willem  III 
het  openen  van  de  loopgraven  24  uur  vroeger  stelt  dan  alle 
andere  opgaven.  In  zijn  vorigen  brief  zegt  de  Stadhouder,  dat 
men  eerst  de  batterijen  zal  opwerpen  en  dan  de  loopgraven 
openen;  uit  den  tweeden  brief  blijkt,  dat  men  in  omgekeerde 
tijdsorde  is  te  werk  gegaan;  ook  wordt  daar  gesproken  van 
drie  batterijen;  andere  opgaven  gewagen  van  vier.  —  De 
prins-bisschop  van  Osnabrug  had  zijn  hoofdkwartier  op  den 
Lichtenberg,  een  kasteel  ten  zuiden  van  Maastricht,  aan  de 
Maas,  op  den  Sint-Pietersberg ;  zijne  troepen,  onder  bevel  van 
Louvignies,  schijnen  echter  op  den  linkeroever  van  de  Jeeker 
werkzaam  te  zijn  geweest,  en  hun  aanval  stond  in  verband  met 
dien  van  Willem  III. 

Den  21  sten  Juli  schrijft  Willem  III: 

«Gisteren  heb  ik  u  niet  geschreven,  daar  er  niets  gebeurd  is, 
de  moeite  waard  om  u  te  melden.  Wat  ter  wereld  ik  ook  heb 
gedaan,  toch  zijn  onze  batterijen  nog  niet  klaar,  behalven,  dezen 
ochtend,  eene  van  12  stukken;  maar  ik  heb  haar  niet  laten 
vuren,  omdat  wij  morgen  ochtend  30  stukken  in  batterij  zullen 
hebben,  en  men  van  oordeel  is,  dat  het  beter  is  ze,  alle  te  gelijk, 
het  vuur  te  laten  openen.  Onze  liniën,  en  de  verschansingen  óm 
de  kwartieren  daarbuiten,  hebben  nu  de  verlangde  afmetingen; 
te  weten,  de  gracht  heeft  15  voet"  (4^5  el)  >  breedte  en  12 
voet"  (3^4  el)  > diepte;  nu  wordt  gewerkt  aan  de  gemeen- 
schapslijn tusschen  de  beide  aanvallen ;  en  ik  laat  een  groot  fort 
aanleggen  op  de  hoogte  die  men  >de  Prinsenberg"  noemt. 

Gij  kunt  niet  gelooven,  hoe  slecht  ik  word  bijgestaan.  Ik  doe 
al  het  mogelijke  om  daar  in  te  verhelpen,  maar  het  lukt  mij 
niet..." 

Waar  was  >de  Prinsenberg"?  —  Bij  het  beleg  van  1632  had 
de  kolonel  Prinsen  zijn  kwartier  op  den  Sint-Pietersberg;  zou 
men  daarom  aan  dien  berg  den  naam  van  Prinsenberg  hebben 
gegeven,  en  Willem  III,  bij  vergissing,  Prinsenberg  hebben  ge- 
schreven? —  Zeer  waarschijnlijk  is  dit  niet.  Meer  waarschijnlijk 


Digitized  by 


Google 


2l6  KRTJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

is  het,  dat  men  den  Donsberg,  naar  de  zijde  van  Tongeren,  toen 
Prinsenberg  noemde^  omdat^  bij  het  beleg  van  1632,  daar  het 
kwartier  was  van  Frederik  Hendrik. 

Wanneer  Willem  III  hier  zoo  uitweidt  over  verschanste  liniën, 
over  de  breedte  en  diepte  van  de  grachten  en  over  het  aanleggen 
van  forten,  dan  moet  men  hier  de  werking  zien  van  Waldeck's 
invloed,  die  in  zijne  antwoorden  aan  den  Stadhouder  gedurig 
terugkomt  op  het  verbeteren  van  de  circumvallatie-linie,  en  er 
aan  herinnert  dat  het  de  sterkte  van  die  linie  was  die  Frederik 
Hendrik  in  staat  stelde  om  het  beleg  van  Maastricht  tot  een 
goed  einde  te  brengen,  in  weerwil  van  de  nabijheid  van  twee 
sterke  vijandelijke  legers.  Waldeck  vergeet  daarbij,  dat  de  wer- 
king der  vuurwapens  en  de  sterkte  der  artillerie,  in  1632  oneindig 
minder  waren  dan  in  1676;  zoodat  de  verschanste  liniën  in  1676 
op  lange  na  niet  meer  die  beteekenis  hadden  als  een  halve  eeuw 
te  voren.  Maurits  voor  Geertrui denberg,  Spinola  voor  Breda, 
Frederik  Hendrik  voor  Den  Bosch  en  Maastricht  maakten  zich 
onaanvalbaar  door  hunne  verschanste  liniën;  —  maar  in  later 
tijd  bleek  dat  die  liniën  geen  krachtig  aanvallenden  vijand  konden 
tegenhouden.  Waldeck's  krijgskennis  was  verouderd ;  hij  ging  niet 
met  den  tijd  meê. 

Den  24sten  Juli  schrijft  Willem  III: 

»Onze  werken  zijn  dezen  nacht  niet  zoo  gevorderd  als  ik  ge- 
wenscht  had,  daar  de  heer  De  Louvigny  heeft  goed  gevonden 
om  niet  te  doen  wat  besloten  was,  maar  iets  anders^  waardoor 
wij  een  nacht  hebben  verloren.  Ik  weet  niet  wat  ik  van  hem 
moet  zeggen,  hij  doet  wat  hij  kan  om  alles  te  vertragen  .     .     • 

Het  is  ons  ook  ondoenlijk  geweest  om  eene  batterij  van  8  stuk- 
ken af  te  maken,  die  hier  nabij  is  en  ons  van  veel  nut  zal  zijn ; 
zonder  missen  zal  zij  echter  van  avond  af  zijn,  en  zal  zij  mor- 
gen, met  het  krieken  van  den  dag,  kunnen  vuren.  Daar  wordt 
nu  met  kracht  gewerkt  aan  de  liniën  naar  de  zijde  van  Wijck; 
en  de  graaf  van  Hoorne,  die  daar  het  bestuur  heeft,  heeft  mij 
verzekerd  dat  zij  spoedig  af  zullen  zijn." 

Willem  III  is  bij  dit  beleg  ontevreden  over  zijn  onderbevel- 
hebbers en  over  zijne  ingenieurs;  die  ontevredenheid  ontstond 
ook  daaruit,  dat  de  Stadhouder  wel  inzag  dat  de  zaken  verkeerd 
werden  bestuurd,  maar  niet  in  slaat  was  om  met  gezag  de  beste 
handelingen  voor  te  schrijven,  daar  hij  zelf  te  weinig  kennis  had 
van  de  belegeringskunst.  —  In  het  dagboek  van  Constantijn 
Huygens,  den  secretaris  van  Willem  III,  komt  ook  die  uitdruk- 
king van  misnoegen  over  Louvignies  voor,  met  bijvoeging  van 
nog  deze  woorden  des  Stadhouders:  »hij  handelt  uit  onkunde^ 
of  uit  boos  opzet,  —  ik  vrees  het  laatste;  iedereen  valt  dit  in 
het  oog." 


Digitized  by 


Google 


MAASTRICHT.  217 

In  den  brief  van  den  24steD  Juli  's  avonds,  of  van  den  2 5 sten 
's  ochtends  —  dit  is  twijfelachtig  —  schrijft  de  Stadhouder: 

...>deze  nacht  is  men  vrij  wel  gevorderd,  en  onze  batterij 
vuurt.  Ik  moet  u  melden,  dat  ik  gisteren  avond  een  kleine  wonde 
aan  den  arm  heb  gekregen  {un  petit  coup  au  hra%)\  ik  schrijf  het 
u,  om  u  niet  ongerust  te  maken,  want  bet  is  haast  niets." 

en  den  25sten  Juli:  ...>ik  hoop  dat  wij  overmorgen  het  ravelijn 
zullen  kunnen  bestormen."  —  >  het  ravelijn"  is  het  bastion  Dauphin ; 
de  bestorming  had  echter  eerst  den  3osten  Juli  plaats,  en  niet 
den  27sten  zooals  de  Stadhouder  hoopte. 

Dien  dag,  den  27Sten,  hoopt  Willem  III  den  28sten  den  storm 
te  verrichten;  hij  ziet  de  zaken  nog  al  gunstig  in: 

»ons  werk  is  dezen  nacht  zeer  goed  gevorderd,  en  ik  hoop 
dat  wij  morgen  het  gedetacheerde  ravelijn  zullen  kunnen  bestor- 
men ;  gelukt  die  bestorming,  dan  zal  ons  dit  zeer  voordeelig  zijn. 
Het  kanon  van  de  vesting  heeft^  sinds  gisteren  morgen,  alleen 
geschoten  uit  kleine  stukken  van  3  en  van  6  ^ ;  wij  kunnen  niet 
begrijpen,  waarom ;  want  zeer  zeker  kan  al  hun  geschut  nog  niet 
gedemonteerd  zijn." 

In  het  dagboek  van  Huygens  komt  voor,  dat  den  2  7 sten  de 
loopgraven  genaderd  waren  tot  ongeveer  120  pas  van  het  bas- 
tion Dauphin;  in  dat  dagboek  wordt  het  verminderen  van  het 
vuur  der  vesting  daaraan  toegeschreven,  dat  de  meeste  kanon- 
niers der  Franschen  gesneuveld  waren;  —  het  is  echter  slechts 
een  >men  zegt". 

Den  29sten  Juli  schrijft  de  Stadhouder: 

...>onze  nadernissen  zijn  deze  nacht  goed  gevorderd;  wij  zijn 
nog  maar  60  pas  verwijderd  van  het  gedetacheerde  bastion,  dat 
wij  deze  nacht  zullen  bestormen ;  kunnen  wij  daar  een  logement 
maken,  dan  geloof  ik  dat  het  overige  vrij  spoedig  zal  afloopen, 
want  van  daar  zal  men  zeker  de  contrescarpe  ^  re\'er%  kunnen 
zien.  Wij  beginnen  nog  al  verliezen  te  lijden;  weinig  dooden, 
maar  veel  gewonden,  en  —  ongeloofelijk  —  door  schoten  die 
niet  door  en  door  zijn  gegaan.  Aan  de  kant  van  Wijck  is  de 
circumvallalie  af,  —  zooals  de  Graaf  van  Hoorne  mij  verzekert, 
want  in  de  laatste  twee  dagen  heb  ik  zelf  het  niet  kunnen  gaan 
zien,  daar  mijn  arm  mij  het  paardrijden  wat  lastig  maakt;  maar 
dat  is  nu  over,  en  morgen  zal  ik  daar  gaan  zien..." 

In  den  brief  van  den  isten  Augustus  —  twee  dagen  na  de 
mislukte  bestorming  van  het  bastion  Dauphin  —  komt  voor: 

> gisteren  heb  ik  u  niet  geschreven,  omdat  er,  de  nacht  na  de 
bestorming  van  het  gedetacheerde  Bastion,  niets  gedaan  is  dan 
werken  aan  de  communicatie-linie  lusschen  de  nadernissen  van 
den  Heere  Bisschop"  (van  Osnabrug)  >en  de  mijne,  die  nog  niet 
de  noodige  afmetingen  had;  en  de  vorige  nacht  is  men  met 
sappeeren  bij  de  60  pas  gevorderd;  en  op  25  pas  van  den  voet 


Digitized  by 


Google 


2l8  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

van  het  bastion  eene  mijngalerij  begonnen  {attaiché  Ie  mineur) 
waaraan  den  ganschen  dag  wordt  gewerkt;  met  dat  al  geloof  ik 
niet,  dat  men  er  staat  op  kan  maken  om  de  stad  binnen  veer- 
tien dagen  tijds  te  nemen." 

Twee  dagen  later  —  in  den  brief  van  3  Augustus  —  wordt 
de  stand  van  zaken  niet  veel  gunstiger  geschetst. 

...>Voor  het  overige  gaan  de  aanvallen  volstrekt  niet  zoo 
vooruit,  als  ik  zou  wenschen.  De  mijngalerij^  die  zoo  als  ik  u 
eergisteren  schreef  begonnen  is,  is  vernield  (enfoncée)  door  bommen 
en  fougassen  van  den  vijand;  de  vorige  nacht  heeft  zich  dit 
herhaald,  en  de  vijand  heeft  een  vrij  groote  uitval  gedaan ;  maar 
de  Ëngelschen  hebben  hem  krachtig  teruggeworpen,  zonder  iets 
te  wijken.  De  vijand  heeft  veel  verloren,  wij  hebben  veel  dooden 
zien  liggen;  de  onzen  hebben  haast  geen  verlies  geleden.  Daar 
de  infanterie  van  den  Heere  Ginckel  heden  was  aangekomen, 
zal  men  van  nacht  een  nieuwen  aanval  beginnen  naar  de  zijde 
van  Sint  Pieter;  dit  zal  dan  de  aanval  zijn  van  den  Heere  Hertog 
van  Osnabrug,  en  het  zal  zeker  eene  groote  afleiding  geven.'* 

In  den  brief  van  5  Augustus  wordt  eindelijk  de  inneming  van 
het  bastion  Dauphin  gemeld: 

>Daar  onze  mijn  niet  klaar  kon  komen,  hebbende  de  vijand 
haar  vernield  in  twee  opvolgende  nachten,  zoo  hebben  wij  gis- 
teren avond  het  bastion  Dauphin  bestormd ;  na  een  hevig  gevecht 
en  nadat  de  vijand  drie  mijnen  had  laten  springen,  hebben  onze 
troepen  het  werk  genomen,  zich  daar  gehandhaafd  en  zich  inge- 
graven {^fait  un  logement).  De  dapperheid  van  onze  infanterie  gaat 
alle  denkbeeld  te  boven.  Gij  kunt  wel  begrijpen,  dat  het  niet 
gegaan  is  zonder  een  groot  verlies,  zoo  aan  officieren  als  aan 
soldaten;  zeker  heeft  de  vijand  ook  verliezen  geleden;  van  de 
officieren  is  onder  anderen  door  een  kanonschot  gesneuveld  de 
kleine  Suerius  en  de  arme  Heer  De  la  Guette;  wat  mij  bijzonder 
leed  doet,  daar  hij  een  zeer  goed  officier  was  en  een  fatsoenlijk 
man  {/tonnest  homme)^ 

Willem  III  is  zeer  streng  in  zijne  eischen  van  militairen  plicht, 
en  nooit  mild  in  het  roemen  van  zijne  troepen;  wanneer  hij  er 
dus  over  spreekt  zooals  hier  in  dien  brief  van  5  Augustus,  dan 
kan  men  verzekerd  zijn,  dat  de  infanterie  bij  die  bestorming  met 
zeer  groote  dapperheid  heeft  gestreden. 

De  volgende  brief  —  van  7  Augustus  —  bevat  minder  lof- 
spraak : 

...» Gisteren  ochtend  om  8  uur  heeft  de  vijand  een  uitval  ge- 
daan; en  daar  de  Ëngelschen,  die  de  wacht  in  de  loopgraven 
hadden,  zich  lieten  overvallen,  was  de  vijand  weer  meester  van 
het  bastion  Dauphin ;  maar  hij  werd  er  dadelijk  weer  uitgeworpen* 
Gisteren  avond  liet  de  vijand  een  mijn  springen  in  de  keel  van 
dat  bastion,  waar  de  onzen  een  logement  hadden  gemaakt;  dit 


Digitized  by 


Google 


MAASTRICHT.  219 

heeft  veel  schade  aangerigt,  maar  niet  belet  dat  deze  nacht  het 
logement  is  hersteld,  en  regts  en  links  aan  eene  goede  loopgraaf 
is  begonnen.  Onze  Kapitein  van  de  Mineurs  verdient  de  galg, 
daar  hij  mij  verzekerd  had  van  alle  mijnovens  te  hebben  ge- 
vonden; had  hij  zijn  plicht  gedaan,  dan  had  hij  die  mijn  van 
den  vijand  gemakkelijk  kunnen  opblazen.  Ik  hoop  dat  wij  over 
een  paar  dagen,  de  bedekte  weg  {la  contrescarpé)  zullen  kunnen 
aanvallen." 

>Onze  Kapitein  van  de  Mineurs  verdient  de  galg";  —  bij  Wil- 
lem III  was  zulk  eene  uitdrukking  soms  meer  dan  eene  ijdele 
bedreiging;  hier  echter  blijkt  niet  dat  er  uitvoering  aan  is  ge- 
geven. In  het  dagboek  van  Huygens  komt  voor,  dat  den  21  sten 
Augustus  de  Kapitein  der  Mineurs  Jacobi  een  schot  kreeg  door 
en  door  het  lichaam ;  het  was  dezelfde  —  wordt  er  bijgevoegd  — 
>wiende  Prins,  de  vorige  dag,  stokslagen  wilde  geven."  Natuurlijk 
dat  het  thans  onmogelijk  is  om  iets  met  zekerheid  te  zeggen, 
over  de  schuld,  of  onschuld,  van  dien  kapitein  Jacobi;  het  kan 
zeer  goed  zijn,  dat  hij  geboet  heeft  voor  de  fouten  van  hooger 
geplaatsten;  want  het  was  toen,  zooals  het  altijd  geweest  is,  en 
altijd  zijn  zal: 

»de  tout  temps 
les  petits  ont  pda  des  sottises  des  grands." 

Bij  Huygens  worden  genoemd,  onder  de  gesneuvelde  Hol- 
landsche  officieren  op  den  6en  Augustus  en  de  twee  volgende 
dagen:  de  kapitein  Eysinga  >een  dapper  man",  en  de  kapiteins 
Meeteren  en  Rantzau.  Verder  wordt  door  dien  secretaris  van  den 
Stadhouder  gezegd,  dat  op  den  6en  een  tamboer  uit  de  vesting 
kwam,  de  Chamade  slaande;  —  de  Chamade^  het  Engelsche />^r/?y, 
het  Hollandsche  woord  is  ons  niet  bekend;  een  signaal  om  te 
parlementeeren,  juist  niet  altijd  voor  eene  capitulatie,  maar  om 
het  een  en  ander  te  bespreken ;  —  een  Hollandsch  officier.  Pijper, 
werd  afgezonden  om  te  weten  wat  die  Fransche  tamboer  te  zeg- 
gen had;  en  toen  dit  was  afgeloopen,  vroeg  Pijper,  bij  het  weg- 
gaan aan  den  tamboer,  »wat  de  heer  De  Calvo  deed"?  De  tam- 
boer antwoordde:  >goed  eten,  en  goed  drinken,  en  zich  gereed 
houden  om  goed  te  vechten".  >Zeg  aan  den  heer  De  Calvo," 
hernam  Pijper,  »dat  gij  den  broeder  van  mevrouw  Van  der  Poll 
hebt  gesproken,  en  dat  die  het  zeer  kwalijk  neemt  dat  de  heer 
De  Calvo  zoo  dikwijls  bij  zijne  zuster  heeft  geslapen." 

Natuurlijk,  krijgskundig  belang  heeft  deze  aanhaling  uit  het 
dagboek  van  Huygens  niet;  maar  zij  dient  om  eenig  denkbeeld 
te  geven  van  de  zeden  van  dien  tijd,  en  van  den  geest  waarin 
dat  dagboek  is  geschreven. 

De  brief  van  den  Ssten  Augustus  toont  dat  de  Stadhouder  toen 
goede  verwachting  heeft  van  het  beleg: 


Digitized  by 


Google 


220  KRIJGS-   ES  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

...•De  afgeloopen  nacht  hebben  wij  eene  communicatie-linie, 
links  van  het  bastion  Dauphin,  nagenoeg  voltooid;  de  vijand 
heeft  ons  daarbij  tamelijk  ongemoeid  gelaten ;  maar  dezen  ochtend, 
om  zes  uur,  heeft  hij  een  uitval  gedaan  met  300  man ;  maar  daar 
de  onzen  op  hunne  hoede  waren,  heeft  de  vijand  geen  ander 
voordeel  behaald  dan  het  binnendringen  in  een  klein  logement 
in  de  keel  van  het  bastion,  wat  gemakkelijk  viel  omdat  het 
moeijelijk  verdedigd  kon  worden.  De  Garde,  die  in  de  loopgraaf 
was,  heeft  zeer  goed  gevochten;  ik  heb  het  ongeluk  gehad  drie 
kapiteins  te  verliezen,  maar  slechts  luttel  soldaten.  Ook  het  regi- 
ment van  La  Vergne,  dat  aan  de  aanval  rechts  was,  heeft  zich 
zeer  goed  gehouden ;  de  Kolonel  kreeg,  dezen  nacht,  eene  wonde 
aan  het  hoofd.  Heden,  omstreeks  de  middag,  is  een  kruidmagazijn, 
of  een  mijn  gesprongen  in  de  saillant  van  het  hoornwerk;  zelfs 
kanonnen  zijn  vernield,  en  de  borstwering  verwoest;  en  gisteren 
heeft  een  onzer  bommen  in  hetzelfde  werk  een  magazijn  van 
den  vijand  vernield.  Gij  ziet  dat  de  goede  God  ons  begunstigt; 
en  ik  hoop  dat  hij  ons  spoedig  meester  zal  maken  van  's  vijands 
werk." 

Dijkveld,  toen  gedeputeerde  te  velde,  heeft  minder  illusiën ;  op 
denzelfden  dag,  8  Augustus,  schrijft  hij  aan  Waldeck  —  zijn 
vriend,  voor  zoover  in  die  hoogere  kringen  sprake  kan  zijn  van 
vriendschap : 

>  Zijne  Hoogheid  vermoeit  zich  te  veel,  en  waagt  zich  te  veel ; 
de  heer  Rhijngraaf  is  nacht  en  dag  in  de  weer,  en  ontziet  zich 
volstrekt  niet;  en  toch  gaan  de  zaken  niet  zoo  als  Zijne  Hoog- 
heid het  wel  zou  wenschen.  De  artilleristen  voldoen  niet  genoeg, 
vooral  sinds  het  ongeluk  dat  den  majoor  Keppelfox  is  over- 
komen." (wat  dit  geweest  is,  hebben  wij  niet  ontdekt).  >lk  weet 
niet  of  het  komt  omdat  er  te  weinig  officiers  en  manschappen 
zijn,  of  omdat  die  er  zijn  hun  zaken  niet  goed  verstaan. 

Zijne  Hoogheid  klaagt  er  over,  dat  men,  door  verkeerde  maat- 
regelen of  door  het  slecht  leiden  der  nadernissen,  verscheiden 
dagen  tijds  heeft  verloren ;  de  eene  wijt  dit  aan  de  onkunde  van 
de  Ingenieurs,  de  andere  aan  de  stijfhoofdigheid  van  hen  die  te 
veel  ingenomen  zijn  met  hunne  eigene  meening." 

Dus,  ook  volgens  Dijkveld,  werd  het  beleg  slecht  geleid;  — 
daaromtrent  zijn  de  meeningen  tamelijk  eenstemmig.  Maar  wiens 
schuld  was  het?  de  schuld  van  de  ingenieurs,  van  de  artillerie, 
of  van  hen  die  bevelen  gaven  aan  ingenieurs  en  artillerie?  op 
wie  doelt  Dijkveld,  wanneer  hij  spreekt  >van  de  stijfhoofdigheid 
van  hen  die  te  veel  ingenomen  zijn  met  hunne  eigene  meening" 
(ropiniastreté  de  ceux  qui  ayment  trop  leurs  propres  sentimenn)?  op 
Louvignies,  op  Hoorne  wiens  beleid  ook  misprezen  is,  of  op 
den  Rhijngraaf,  want  ook  die  dappere  krijgsman  is  den  blaam  der 
beoordeelaars  niet  geheel   ontgaan?  —  Misschien  had  Dijkveld, 


Digitized  by 


Google 


MAASTRICHT.  221 

met  die  woorden,  Willem  III  zelf  op  het  oog.  —  Dijkveld  toch 
was  wel  de  dme  damnée  van  Willem  III,  een  ijverig  en  onver- 
moeid voorstander  van  den  Stadhouder,  die  niets  ontzag  waar 
het  gold  diens  belangen  te  behartigen;  maar  Dijkveld  was  tevens 
een  bekwaam  man,  gewoon  aan  de  behandeling  van  groote  aan- 
gelegenheden, en  die  een  helderen  blik  had  in  staats-  en  krijgs- 
zaken.  Het  kon  Dijkveld  dus  niet  ontgaan,  dat  Willem  III,  hoe 
groot  veldheer  ook,  in  de  belegeringskunst  niet  gelijk  stond  met 
zijn  roemrijke  voorouders,  met  Maurits,  met  Frederik  Hendrik, 
den  >stedenwinnaar". 

In  de  laatste  brieven  van  den  Stadhouder  die  wij  hier  laten 
volgen,  komen  reeds  donkere  voorstellingen,  bijna  noodkreten 
voor ;  het  is  haast  alsof  men  dat  bulletin  leest  waarin  Napo- 
leon voor  het  eerst  den  tegenspoed  van  den  Russischen  veldtocht 
erkent.  Op  een  enkele  plaats  uit  de  Stadhouder  nog  de  hoop 
dat  Maastricht  spoedig  zal  bezwijken,  maar  weldra  is  het  ontwij- 
felbaar, dat  hij  zelf  wanhoopt  aan  de  goede  uitkomst  van  het  beleg. 

Den  loen  Augustus: 

> Gisteren  zijn  wij  dag  en  nacht  bezig  geweest,  met  onze  loop- 
graven weer  in  orde  te  brengen,  en  alles  voor  te  bereiden  tot 
de  bestorming  van  den  bedekten  weg,  aanstaande  nacht;  daarvan 
zal  hoofdzakelijk  de  uitkomst  van  het  beleg  afhangen.  God  geve 
het  beste..." 

den  i2en  Augustus: 

>Ik  had  gemeend  dat  men  —  zooals  ik  u  meldde  —  reeds  de 
nacht  vóór  de  voorgaande  den  bedekten  weg  zou  hebben  be- 
stormd; maar  daar  eerst  gisteren  avond  al  het  noodige  klaar 
was  voor  den  storm,  heeft  die  eerst  den  afgeloopen  nacht  plaats 
gehad,  door  zes  regimenten,  bij  elke  nadernis,  die  aanvankelijk 
den  bedekten  weg  hebben  genomen,  zonder  veel  tegenstand. 
Maar  toen  men  zich  begon  in  te  graven,  heeft  de  vijand,  bij 
den  aanval  van  den  Rhijngraaf,  drie  mijnen  laten  springen,  die 
echter  geen  groote  schade  hebben  aangericht;  in  weerwil  daar- 
van heeft  de  Rhijngraaf  een  goede  loopgraaf  gemaakt,  rechts  en 
links  van  de  contrescarpe  van  het  hoornwerk  van  de  Boschpoort, 
tot  tegen  de  palissadeering.  Maar  de  Graaf  van  Hoorne  heeft 
het  ongeluk  gehad  dat  zijne  werkers  op  den  loop  zijn  gegaan, 
en  hij  zijn  logement  niet  heeft  kunnen  maken ;  hij  zal  dus  heden 
avond  op  nieuw  moeten  stormen,  wat  ons  veel  volk  kost.  Op 
dit  oogenblik  hebben  wij  geen  een  regiment,  dat  400  man  sterk 
is;  daarom  moet  men,  na  het  beleg,  niet  meer  rekenen  op  deze 
infanterie.  Ik  heb  het  nu  zoo  druk,  dat  ik  u  onmogelijk  mijn 
meening  kan  zeggen  over  deze  aangelegenheid;  in  den  eerstvol- 
genden  brief  zal  ik  dit  doen..." 

den  1360  Augustus: 

...»Den  afgeloopen  nacht  is  de  Graaf  van  Hoorne  niet  geluk- 


Digitized  by 


Google 


222  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

kiger  geweest  dan  den  vorigen;  hij  is  begonnen  aan  het  maken 
van  een  logement,  maar  toen  de  dag  aanbrak  hebben  onze 
troepen  het  verlaten,  en  is  de  vijand  er  ingekomen  die  het  om- 
geworpen of  verbrami  heeft;  wij  hebben  zeer  groot  verlies*  ge- 
leden; de  regimenten  worden  zóó  zwak,  dat  ik  niet  weet  hoe 
men  voortaan  goede  stormcolonnes  zal  verkrijgen...  Daar  Ivoy 
eergisteren  door  een  steen  werd  gewond  die  hem  belet  om  te 
gaan,  en  de  meeste  van  onze  Ingenieurs  niet  meer  in  staat  zijn 
om  dienst  te  doen,  ben  ik  genoodzaakt  Top  hier  te  houden.** 
(Dopff,  de  latere  kwartiermeester-generaal  uit  den  Successie-oorlog). 

den  i5en  Augustus: 

...>den  afgeloopen  nacht  hebben  wij  gewerkt  aan  eene  com- 
municatie-linie tusschen  de  logementen  bij  de  aanvallen  van  den 
Graaf  van  HoDrne  en  van  den  Rhijngraaf,  en  aan  het  opmaken 
van  onze  loopgraven;  maar  daar  zoowel  het  een  als  het  ander 
werk  nog  al  omvang  heeft,  hebben  wij  het  niet  af  kunnen 
maken ;  dit  zullen  wij  heden  nacht  doen.  De  Heer  Rhijngraaf  is, 
met  het  krieken  van  den  dag,  gewond  onder  den  linkerschouder ; 
de  wonde  is  echter  niet  gevaarlijk,  maar  zal  hem  beletten  van  ge- 
durende het  overige  van  het  beleg,  dienst  te  doen;  wat  mij  bijzonder 
ongelegen  komt,  daar  ik  niemand  heb  om  hem  te  vervangen. 

P.  S.  Wij  werpen  drie  batterijen  op,  die  overmorgen  af  moeten 
zijn:  eene  in  het  bastion  Dauphin  en  de  andere  op  zij,  zeer 
digt  bij;  in  één  dag  zullen  zij  de  reeds  begonnen  bres  kunnen 
voltooijen;  en  dan  geloof  ik  dat  de  Heer  De  Calvo  er  aan  zal 
denken  om  op  Wijck  terug  te  trekken." 

en,  eindelijk,  den  lóea  Augustus: 

>Zoo  als  ik  u  gisteren  schreef  hebben  wij  dezen  nacht  niets 
anders  gedaan  dan  onze  werken  weer  in  orde  te  brengen  —  wat 
geen  kleinigheid  was  — ,  en  een  logement  gemaakt  bij  de  palis- 
sadeering van  den  tweeden  bedekten  weg  van  het  ravelijn;  bij 
de  nadernis  van  den  Rhijngraaf  zal  men  voortgaan  met  zich  uit 
te  breiden  langs  het  hoornwerk  (/'ö«  cmtinuera  è  couler  Ie  long 
de  Vouvrage  d  corne);  ik  hoop  dan  ook  dat  men  overmorgen 
rechts  het  ravelijn  zal  kunnen  bestormen,  en  dat  men  links  nabij 
den  muur  zal  zijn"  (welke  muur  ?  de  muur  van  den  hoofd  wal  P) ; 
>roaar  onze  Ingenieurs  zijn  het  er  niet  eens  over,  of  men  het 
hoornwerk  moet  bestormen,  of  het  ter  zijde  laten  liggen;  wat 
mij  aangaat,  ik  geloof  dat  men  Maastricht  nog  eer  zal  ingenomen 
hebben  dan  dit  werk."  —  Wij  hebben  reeds  gezien  dat  Louvois 
het  in  den  belegeraar  als  een  misslag  gispt,  dat  deze  met  zijne 
loopgraven  vooruit  is  gegaan,  zonder  het  nemen  >van  een  ge- 
metselde redoute,  een  weinig  links  van  de  aanvalswerken" ;  —  die 
>  gemetselde  redoute"  schijnt  nog  iets  anders  te  zijn  geweest,  dan  het 
hoornwerk  dat  Willem  III  van  oordeel  was  maar  niet  te  bestormen. 

Ziedaar  wat  in  de  brieven  van  Willem  III  voorkomt  over  het 


Digitized  by 


Google 


MAASTRICHT.  223 

beleg  van  Maastricht  in  1676;  na  16  Augustus,  niets  meer;  mis- 
schien omdat  er  niets  meer  van  valt  te  zeggen,  en  de  Franschen 
gelijk  hebben  met  hunne  bewering,  dat  in  de  laatste  veertien 
dagen  de  aanvalswerken  niets  zijn  vooruitgekomen.  Ook  in  het 
dagboek  van  Huygens  vindt  men  weinig  of  niets  wat  tot  ophel- 
dering van  den  gang  van  zaken  bij  dit  beleg  kan  dienen;  wél 
wordt  daarin  met  afkeuring  gesproken  van  de  weinige  bekwaam- 
heid van  verschillende  bevelhebbers,  van  Louvignies,  van  Hoorne, 
zelfs  van  den  Rhijngraaf;  maar  de  aanteekeningen  van  Huygens 
hebben  geen  groote  waarde,  daar  hij  die  meestal  bouwde  op  de 
weinig  betrouwbare  praatjes  van  het  hoofdkwartier  eens  legers. 
Wat  men  in  dat  dagboek  van  Huygens  het  meest  als  waar  kan 
aannemen,  dat  zijn  de  opgaven  omtrent  gesneuvelde  of  gewonde 
ofhcieren,  want  daaromtrent  kan  hij  zekerheid  hebben  gehad. 
Den  II en  Augustus  —  zegt  dat  dagboek  —  was  de  storm  van 
den  graaf  van  Hoorne  mislukt,  omdat  van  de  twee  ingenieurs, 
de  eene  —  Van  Beeck" —  sneuvelde,  en  de  andere  —  Aimont  — 
gewond  werd,  en  de  werkers  daarop  de  vlucht  namen ;  dien  dag 
sneuvelde  ook  de  kapitein  Ingelby  van  het  regiment  van  Walen- 
burg,  en  werd  Slangenburg  —  de  latere  overwinnaar  van  Eekeren  — 
gewond.  Den  I2en  sneuvelde  de  kapitein  Linden  van  de  Gardes, 
en  werden  Ittersum  en  Balfour  gewond,  —  de  laatste  een  neef 
van  Huygens;  den  volgenden  dag  sneuvelt  Hofweylen;  en  den 
i4ea  doodt  een  kanonskogel  den  kolonel  Dolman;  —  de  laatste 
had  bij  het  begin  van  het  beleg  het  regiment  gekregen  van  den 
kolonel  Widdrington,  die  gesneuveld  was;  en  daarop  een  duel 
gehad  met  den  luitenant  kolonel  van  dat  regiment,  die  meende 
de  opvolger  van  Widdrington  te  moeten  zijn. 

De  algemeene  indruk  die  het  lezen  van  déze  brieven  van  den 
Stadhouder  maakt,  is,  dat  men  geen  gunstige  verwachting  kan 
hebben  van  den  afloop  van  het  beleg.  Wél  tracht  Willem  III  op 
enkele  plaatsen  een  minder  ongunstige  voorstelling  te  geven ;  — 
onder  andere  door  te  zeggen  dat  de  wonde  die  de  Rhijngraaf 
had  bekomen  niet  gevaarlijk  is,  —  eene  wonde  waaraan  die 
dappere  officier  drie  weken  later  stierf;  —  maar  toch  erkent  de 
Stadhouder  op  meer  dan  ééne  plaats  dat  er  groote  verliezen  zijn 
geleden,  en  maakt  daardoor  de  Fransche  opgaven  omtrent  den 
omvang  dier  verliezen  eenigszins  waarschijnlijk.  Nu  zou  dat  ver- 
lies, hoe  smartelijk  ook,  minder  ter  zake  hebben  afgedaan,  had 
men  —  evenals  bij  het  beleg  van  Grave  in  1674  —  alleen  te 
doen  gehad  met  de  vijandelijke  vesting;  maar  hier  had  men 
ook  te  doen  met  een  vijandelijk  leger,  dat  tot  ontzet  van 
Maastricht  oprukte,  en  men  was  nu  te  zwak  om  dat  leger  het 
hoofd  te  bieden.  De  onderneming  moest  dus  worden  opgegeven ; 
het  opbreken  van  het  beleg  was  een  verstandige  handeling. 


Digitized  by 


Google 


224  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Maar  was  het  dan  wel  verstandig  om  het  beleg  te  beginnen  ?  — 
Jawel,  maar  men  had  dat  beleg  op  bekwame  wijze  moeten  lei- 
den; dit  'schijnt  veel  te  wenschen  te  hebben  overgelaten;  daar- 
over zijn  de  meeningen  tamelijk  eenstemmig.  Aan  wien  moet 
men  hier  de  schuld  geven  ?  aan  de  artillerie ;  aan  de  ingenieurs ; 
aan  Louvignies,  Hoorne  of  den  Rhijngraaf?  —  misschien  wel  aan 
allen  wat;  maar  de  billijkheid  vordert,  de  schuld  voornamelijk 
te  doen  rusten  op  Willem  III  zelf:  hij,  als  opperbevelhebber, 
draagt  de  verantwoordelijkheid  voor  het  verkeerd  beleid  van 
zijne  onderhebbenden ;  evenals  bij  de  belegeringen  die  de  Engel- 
schen  deden  in  het  Spaansche  Schiereiland,  Wellington  verant- 
woordelijk is  voor  de  schromelijke  onkunde  van  zijne  ingenieurs^ 
die  duizenden  soldaten  nutteloos  heeft  doen  sneuvelen.  Een 
legerhoofd  dat  eene  vijandelijke  vesting  belegert,  kan  niet  vol- 
staan met  die  belegering  geheel  en  al  aan  zijne  ingenieurs  over 
te  laten,  -7  zooals  men  aan  een  geneesheer  geheel  en  al  de  be- 
handeling van  een  zieke  overlaat;  —  integendeel,  het  legerhoofd 
moet  over  de  handelingen  der  ingenieurs  het  toezicht  houden, 
die  handelingen  beoordeelen,  die  veranderen  en  verbeteren  als 
hij  het  noodig  oordeelt;  —  naar  het  schijnt  heeft  Willem  III  dat 
in  1676  voor  Maastricht  niet  gedaan;  wèl  heeft  hij  daar,  zooals 
gewoonlijk,  een  onvolprezen  dapperheid  en  geestkracht  aan  den 
dag  gelegd ;  maar  die  hoedanigheden,  die  bij  een  veldslag  meestal 
van  een  beslissenden  invloed  zijn,  zijn  niet  voldoende  om  bij 
een  beleg  tot  een  goede  uitkomst  te  geraken;  daartoe  wordt 
ook  nog  gevorderd  eene  kennis  van  den  vestingoorlog,  die  Wil- 
lem III  niet  in  genoegzame  mate  schijnt  te  hebben  bezeten,  — 
evenmin  als  Wellington  die  bezat. 

Nog  den  28steii  Augustus  bleef  het  leger  van  de  bondgenooten 
te  Lanaken  standhouden,  als  het  ware  om  den  vijand  uit  te 
dagen  tot  een  veldslag ;  maar  Schomberg,  die  zijn  doel,  het  ont- 
zetten van  Maastricht^  volkomen  bereikt  had,  zag  geen  reden  om 
slag  te  leveren,  en  bleef  daarom  rustig  in  zijne  legerplaats  op 
den  Sint-Pietersberg,  ten  zuiden  van  de  vesting.  Willem  III, 
daartoe  ook  gedwongen  door  gebrek  aan  leeftocht,  verliet  daarop 
den  29sten  Augustus  Lanaken,  en  trok  over  Diepenbeek  naar 
Sint-Truyen,  Den  isten  September  brak  het  leger  van  de  bond- 
genooten weer  op  van  Sint-Truyen  en  plaatste  zich  aan  de  Jeeker, 
bij  Waremme ;  hier  echter  bleef  het  slechts  een  paar  dagen,  trok 
meer  naar  de  zijde  van  de  Méhaigne,  en  kwam  den  gen  Sep- 
tember te  Gemblours.  Schomberg,  van  Maastricht  naar  Waremme 
opgebroken,  vond  de  Jeeker  reeds  verlaten  door  de  bondgenooten. 
Den  8sten  September  verliet  de  Fransche  veldheer  Waremme  en 
rukte  op  Gemblours,  waar  het  leger  der  bondgenooten  hem  den 
weg   naar   Charleroi   scheen   te  willen  afsluiten:   werkelijk   wa«^ 


Digitized  by 


Google 


MAASTRICHT.  22$ 

Willem  UI  voornemens  hier  slag  te  leveren,  om  het  vijandelijke 
heir  den  terugkeer  naar  Frankrijk  te  beletten;  maar  de  andere 
bevelhebbers  vonden  die  handeling  te  gewaagd;  de  terugtocht 
naar  Wavre  werd  daarop  aangevangen;  en  alles  bepaalde  zich 
tot  een  klein  ruitergevecht,  waarbij  elke  der  beide  partijen  zich 
de  overwinning  toeschreef;  —  dit  had  plaats  op  den  loen  September. 

Willem  III,  ziende  dat  er  dit  jaar  geen  bijzondere  krijgsver- 
richtingen  meer  zouden  voorvallen  in  de  Nederlanden,  verliet 
daarop  het  leger  en  gaf  het  bevel  over  aan  Waldeck ;  deze  moest, 
zoodra  er  schijn  was  van  het  leveren  van  een  veldslag,  den 
Stadhouder  waarschuwen,  die  dan  dadelijk  terug  zou  komen  om 
het  leger  aan  te  voeren.  Maar  er  had  geen  veldslag  meer  plaats, 
en  de  Stadhouder  bleef  dus  in  Holland;  het  leger  der  bondge- 
nooten  hield  gedurende  September  stand  in  de  nabijheid  van 
Wavre,  en  ging  daarna  uiteen.  Het  regelen  van  de  winterkwar- 
tieren was  aan  Waldeck  overgelaten;  een  lastige  en  ondankbare 
taak,  daar  ieder  deel  des  legers  gaarne  de  beste  kwartieren  had, 
en  ieder  deel  des  lands  gaarne  zooveel  mogelijk  verschoond  was 
van  inkwartiering.  Schomberg  hield  nog  geruimen  tijd  stand  te 
Gemblours,  om  de  konvooien  met  leeftocht  en  munitie  te  dek- 
ken, die  voor  Maastricht  bestemd  waren;  daarna  ging  hij  terug 
op  Philippeville.  Er  gebeurde  niets  bijzonders  meer ;  de  veldtocht 
van  1676  in  de  Nederlanden  was  geëindigd. 

In  Müller's  werk  over  Waldeck  (2*  deel,  blz.  321)  komen  nog 
bijzonderheden  voor,  die  aantoonen  hoe  het  leger  der  Republiek 
door  het  beleg  van  Maastricht  verzwakt  was.  Toen  Waldeck  in 
September  het  bevel  over  het  leger  op  zich  nam,  was  er  een 
regiment  Schotten  —  van  sir  Alexander  Colyear,  —  dat  nog  maar 
290  man  sterk  was ;  hel  getal  zieken  was  groot ;  den  26sten  Sep- 
tember zendt  Waldeck  er  750  uit  het  leger  weg,  den  28sten  nog 
300;  ook  verschillende  bevelhebbers,  —  's  Gravenmoer,  Obdam, 
Brederode  en  Thouars  moesten  wegens  ziekte  naar  Holland 
terugkeeren;  de  28  regimenten  voetvolk  van  het  leger  maakten 
te  zamen  maar  een  12000  man  uit,  de  19  regimenten  ruiterij 
4500  paarden.  Bij  die  legermacht  van  de  Republiek  sloten  zich 
een  klein  aantal  Spanjaarden  aan,  en  de  troepen  van  den  vorst- 
bisschop  van  Osnabrug;  dit  alles  te  zamen  maakte  eene  macht 
uit,  verreweg  minder  sterk  dan  het  leger  van  Schomberg,  dat 
toen  een  40000  man  telde.  Geen  wonder  dus,  dat  de  bondge- 
nooten  na  het  beleg  van  Maastricht  moesten  afzien  van  groote 
krijgshandelingen. 

Toch  moeten  —  volgens  Rousset  —  die  krijgshandelingen  na  het 
ontzet  van  Maastricht  van  meer  belang  zijn  geweest  dan  men  uit  de 
opgaven  van  onze  schrijvers  zou  besluiten;  hij  zegt  daarvan  (blz. 
247—248): 

WILLEM   in.   —   II.  15 

Digitized  by  VjOOQIC 


226  KRIJGS-   EN  GBSCHISDKUNDIGE  BESCHOUU'INGEN. 

>De  moed  van  den  Stadhouder  was  koelbloedig  en  onwrikbaar; 
terwijl  men  meende  dat  hij  in  vollen  aftocht  was  naar  Holland^ 
was  hij  het  juist^  die  er  op  bedacht  was  om  het  Fransche  leger 
den  aftocht  te  beletten.  De  maarschalk  Schomberg  ontmoette 
hem  tweemaal  op  zijn  weg:  bij  het  défilé  van  » Cinq-étoiles"  aan 
de  Méhaigne,  en  voorwaarts  van  Gemblours;  tweemaal  wist  hij 
hem  te  ontgaan,  óf  door  misleiding,  óf  door  spoediger  eene  sterke 
stelling  te  bezetten.  De  eerste  maal  liet  hij  door  zijn  rechter- 
vleugel den  schijn  aannemen,  alsof  hij  zich  met  geweld  een  weg 
wilde  banen-,  onder  dekking  daarvan  werden  spoedig  bruggen 
geslagen  over  de  Méhaigne,  gingen  centrum  en  linkervleugel  de 
rivier  over,  en  kwam  op  den  anderen  oever  het  geschut  in  bat- 
terij, dat  nu  ook  den  rivierovergang  van  den  rechtervleugel  be- 
schermde; dit  geschiedde  zonder  overhaasting,  zonder  wanorde; 
de  bruggen  werden  weer  afgebroken,  en  de  marsch  voortgezet. 
Alleen  te  Gemblours  had  een  ernstig  gevecht  plaats:  de  ruiterij 
van  de  voorhoede,  onder  den  graaf  De  Montal,  maakte  door 
een  krachtigen  aanval  den  weg  vrij,  dien  de  Hollanders  reeds 
hadden  bezet. 

Van  dat  oogenblik  af  gaf  de  Prins  van  Oranje  de  hoop  op 
van  voordeel  te  behalen  op  een  zoo  bekwaam  en  stout  tegen- 
stander; aan  den  graaf  Van  Waldeck  liet  hij  het  over  om  zijne 
troepen,  uitgeput  van  vermoeienis,  weer  terug  te  geleiden;  en 
somber  kwam  hij  in  Holland  terug,  dat  hij  niet  kon  wijzen  op 
overwinningen,  als  troost  voor  de  tegenspoeden  door  de  vloot 
geleden  en  voor  het  onherstelbaar  verlies  van  De  Ruyter." 


De  Ruyter,  »die  schoonste  flonkerster  in  HoUand's  praalge- 
steente",  was  in  den  zeeslag  bij  Syracuse,  op  de  kust  van  Sicilië, 
tegen  de  Fransche  vloot  van  Duquesne,  den  2 asten  April  1676, 
doodelijk  gewond  en  acht  dagen  later  gestorven.  Een  groot  ver- 
lies voorzeker;  —  maar  bij  den  hoogen  leeftijd  van  De  Ruyter 
heeft  de  vijandelijke  kogel  niets  anders  gedaan  dan  zijn  dood 
verhaast;  het  was  een  glorievolle  dood,  een  waardige  bekroning 
van  een  glorievol  leven.  De  Ruyter  is  de  populairste  man  in 
onze  geschiedenis;  een  karakter  zonder  smet  of  vlek;  een 
onsterfelijke  roem  omgeeft  zijn  naam.  Als  zeeheld,  als  vloot- 
voogd, is  hij  de  grootste  van  ouderen  en  nieuweren  tijd;  de 
Franschman  Duquesne,  de  Engelschman  Nelson,  kunnen  mét 
hem  worden  genoemd,  maar  staan  niet  boven  hem.  Het  schip 
dat  De  Ruyter's  lijk  naar  het  vaderland  overbracht,  zou,  had 
het  in  eene  Fransche  haven  moeten  binnenvallen,  daar  met  eer- 
bewijzingen  zijn  ontvangen;  Lodewijk  XIV  heeft,  toen  hij  dit 
gelastte  en  dus  een  vijand  huldigde,  hierin  op  een  waardige,  op 
een  echt  koninklijke  wijze  gehandeld. 


Digitized  by 


Google 


KRIJGS VERRICHTINGEN   AAN  RIJN  EN  MOEZEL,   ENZ,  227 

De  krijgs verrichtingen  van  1676  aan  den  Rijn  hebben  niet  in 
rechtstreeksch  verband  gestaan  met  de  krijgsverrichtingen  in  De 
Nederlanden,  met  de  wapenfeiten  van  Willem  III;  toch  is  het 
goed  ook  4ie  oorlogsvoering  aan  den  Rijn  hier  eenigszins  in 
bijzonderheden  te  bespreken,  omdat  men  daardoor  Luxembourg 
nader  leert  kennen,  het  legerhoofd  dat  zulk  een  groote  rol  ver- 
vult in  de  oorlogen  van  den  Stadhouder.  Men  mag  Luxembourg 
als  mensch  verachten  en  verfoeien,  ontegenzeggelijk  echter  is 
het  dat  hij  als  legerhoofd  uitstekend  was.  Die  uitstekendheid 
blijkt  evenwel  nog  niet  bij  dezen  veldtocht;  —  en  daaruit  kan 
men  al  weer  leeren,  dat  het  verkeerd  is  om  de  waarde  van  een 
legerhoofd  te  schatten  naar  wat  hij  bij  den  aanvang  van  zijn 
loopbaan  is.  Bij  zijn  eersten  veldslag  is  Frederik  de  groote  wel 
op  de  vlucht  gegaan;  —  toch  zal  niemand  hem  heldengeest  be- 
twisten. 

Luxembourg,  in  1676  aan  het  hoofd  van  het  Fransche  leger 
aan  den  Rijn,  had  tegenover  zich  een  Keizerlijk  leger  onder 
Prins  Karel  van  Lotharingen.  Lodewijk  XIV  had  tevergeefs 
pogingen  aangewend  om  dien  Prins  van  Lotharingen  voor  Frankrijk 
ie  winnen;  ook  aan  hem,  evenals  vroeger  aan  Willem  III,  was 
het  aanbod  gedaan  om  schoonzoon  te  worden  van  den  Fran- 
schen  Koning,  om  eene  van  diens  basterd-dochters  te  trouwen; 
>maar,"  —  zegt  Rousset  (blz.  252)  —  >met  dit  onderscheid,  dat 
de  Prins  van  Oranje,  reeds  een  oud  tegenstander  van  Lodewijk  XIV, 
het  zóó  ver  had  gebracht,  dat  men,  ten  minste  in  het  openbaar, 
niet  anders  dan  met  een  zeker  ontzag  van  hem  sprak;  terwijl 
men  daarentegen  op  zeer  vrijen  toon  sprak  over  Prins  Karel, 
die  een  nieuweling  was  in  de  legeraanvoering."  —  In  de  brief- 
wisseling tusschen  Louvois  en  Luxembourg  wordt  op  spottenden 
en  minachtenden  toon  over  dien  Prins  van  Latharingen  ge- 
sproken ;  —  ten  onrechte,  want  hij  had  wel  degelijk  zijne  waarde 
als  legerhoofd. 

In  1676  gold  het  hier  hoofdzakelijk  Philipsburg,  de  vesting  op 
den  rechteroever  van  den  boven-Rijn,  die  in  het  bezit  was  van 
de  Franschen,  en  die  de  Duitschers  hun  wilden  ontnemen.  Reeds 
het  jaar  te  voren  was  Philipsburg  eenigszins  geblokkeerd  ge- 
worden door  de  bondgenooten ;  toch  niet  zóó,  of  de  bezetting 
haalde  overal  levensmiddelen  op.  Luxembourg  vraagt  wat  de 
Koning  beveelt,  als  Philipsburg  wordt  belegerd  of  ingesloten;  — 
op  die  vraag  komt  geen  bepaald  antwoord. 

In  April  1676  beginnen  de  operaliën  aan  den  Rijn.  Luxem- 
bourg trekt  zijne  macht  bijeen  te  Schelestadt;  de  hertog  van 
Lotharingen  trekt  op  naar  de  zijde  van  Straatsburg,  in  schijn 
om   Saverne  en  Hagenau  te  bedreigen,  inderdaad  om  het  beleg 


Digitized  by 


Google 


228  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

van  Philipsburg  te  dekken  en  het  belegeringspark  te  beschermen 
dat  hij  gedurende  den  winter  te  Straatsburg  had  bijeengebracht: 

...>Toen  de  vaartuigen  die  het  konvooi  uitmaakten  den  Rijn 
waren  afgezakt,  ging  de  hertog  van  Lotharingen  terug  achter  de 
Lauter,  tusschen  Lauterburg  en  Weissemburg,  gedekt  door  eene 
verschanste  linie  die  de  rivier  tot  gracht  had."  (P.ousset,  2'  deel, 
blz.  255 — 256). 

Philipsburg  lag  op  den  rechteroever  van  den  Rijn  en  was  ter- 
nauwernood daarvan  gescheiden  door  een  smalle  strook  gronds, 
die  bij  het  wassen  van  het  water  dikwijls  onderliep;  voor  het 
overige  was  de  vesting  bijna  geheel  omgeven  door  moeras.  Op 
den  linkeroever  was  een  fort,  tot  dekking  van  eene  brug  die  de 
gemeenschap  onderhield  met  de  werken  op  den  anderen  oever. 
De  Prins  van  Baden,  die,  onder  den  hertog  van  Lotharingen, 
belast  was  met  het  beleg,  opende  den  loen  Mei  allereerst  de 
loopgraven  tegen  het  fort.  Na  een  beleg  van  negen  dagen  waren 
de  borstweringen  vernield  door  het  geschutvuur,  en  capituleerden 
de  verdedigers,  aftrekkende  naar  de  vesting.  Na  dit  eerste  voor- 
deel vernielden  de  belegeraars  de  brug,  dewijl  het  vuur  van  den 
rechteroever  hen  belette  daarvan  gebruik  te  maken,  en  begonnen 
aan  het  slaan  van  een  andere  brug,  buiten  het  bereik  van  het 
kanonvuur  der  vesting.  >Die  werkzaamheden;  het  bezwaar  dat 
de  belegeringsarbeid  boven  en  beneden  de  vesting  aanvankelijk 
opleverde  wegens  de  beperktheid  van  het  terrein;  de  worsteling, 
èn  tegen  den  last  van  het  water,  èn  tegen  de  herhaalde  uitvallen, 
op  bekwame  wijze  verricht  door  Du  Fay"  (den  Franschen  be- 
velhebber in  Philipsburg) ;  >  al  die  oorzaken  te  zamen  vertraagden 
het  openen  der  loopgraven  meer  dan  een  maand;  tot  22  Juni.** 

Luxembourg  weet  niet  wat  te  doen;  gedurig  schrijft  hij  aan 
den  Koning  en  aan  Louvois  om  bevelen  te  vragen;  in  geen 
zijner  veldtochten  heeft  hij  meer  geschreven  en  minder  gehan- 
deld. Madame  de  Sévigné  schrijft  dan  ook,  den  iien  Augustus 
1676:  > Luxembourg  overstelpt  ons  met  koeriers.  Och,  die  sukkel 
van  een  Turenne :  die  zond  nooit  koeriers ;  hij  won  een  veldslag 
en  dat  hoorde  men  dan  door  de  brievenpost."  —  De  bevelen, 
die  Louvois  aan  Luxembourg  zendt,  zijn  van  een  zeer  raadsel- 
achtigen    aard;   zij   hebben   wel  wat   van   een    Grieksch  orakel. 

>  Het  is  van  het  hoogste  belang,"  —  zoo  schreef  hem  Louvois 
den  25sten  Mei, —  >Philipsburg  te  behouden;  en  Zijne  Majesteit 
keurt  het  goed  dat  gij  het  te  hulp  komt,  versterkt  als  gij  zijt 
door  al  de  troepen  die  de  Koning  te  uwer  beschikking  stelt; 
maar  de  Koning  gelast  mij  u  altijd  daarop  bedacht  te  maken, 
dat  een  verloren  veldslag  onze  zaken  veel  meer  zou  verergeren, 
dan  een  gewonnen  veldslag  ze  zou  kunnen  verbeteren;  en  hij 
verwacht  dat  gij  niets  zult  ondernemen  dan  na  rijp  beraad  en  met 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN   AAN   RIJN   EN   MOEZEL,   ENZ.  229 

de  waarschijnlijkheid  van  te  slagen."  (Rousset,  blz.  256 — 257). 

Dat  zijn  bevelen  van  ^het  jaar  nul".  Doet  Luxembourg  niets 
om  Philipsburg  te  ontzetten^  dan  handelt  hij  tegen  's  Konings 
voorschriften;  want  daar  staat  duidelijk  in,  dat  hij  de  vesting  te 
hulp  moet  komen.  Rukt  hij  op  tot  ontzet  van  Philipsburg  en 
slaat  hij  den  vijand,  dan  is  het  goed;  maar  wordt  hij  zelf  ge- 
slagen, dan  heeft  hij  weer  gehandeld  tegen  's  Konings  voor- 
schriften, want  die  bepalen  dat  hij  niets  moet  ondernemen,  tenzij 
met  waarschijnlijkheid  van  ^e  overwinnen.  Aan  zulke  voorschriften 
heeft  men  niets ;  —  maar  waarom  ook  heeft  Luxembourg  die  voor- 
schriften gevraagd?  Een  legerhoofd  moet  zelf  weten  hoe  te  han- 
delen, en  de  verantwoordelijkheid  voor  zijne  handelingen  dragen. 

Den  i6eQ  Mei  wordt  van  het  hoofdleger  van  Lodewijk  XIV 
uit  Vlaanderen  eene  versterking  van  8000  man  naar  Luxembourg's 
leger  afgezonden;  —  bij  dat  laatste  is  weer  veel  desertie;  ten 
deele  ook  door  de  schuld  van  Luxembourg,  die,  in  stede  van 
de  krijgstucht  te  handhaven,  van  tijd  tot  tijd  zijn  toevlucht  neemt 
tot  bijzondere  handelingen. 

Luxembourg  aan  Louvois,  19  Mei:  ȣr  is  weer  een  vreeselijke 
desertie  bij  de  troepen  die  in  Lotharingen  en  Franche-Comté 
waren;  het  regiment  Koninklijke  dragonders  heeft  52  deserteurs." 
—  29  Mei :  >  de  desertie  houdt  aan ;  den  voorgaanden  nacht  zijn 
80  Engelschen  overgeloopen  naar  Bitche.  Veel  Fransche  deser- 
teurs worden  ons  teruggebracht;  allen  rekenen  zij  op  de  dood- 
straf; maar  ik  geloof  niet  dat  zulk  een  straf  de  zaak  verbetert; 
ik  wil  een  ander  middel  beproeven,  dat,  naar  men  meent,  meer 
zal  uitwerken:  het  zal  zijn,  den  een  of  ander  den  neus  te  laten 
afsnijden  en  op  de  wang  te  brandmerken  met  de  leliën;  dat  zal 
misschien  beter  werken ;  ik  hoop  het,  want  wij  hebben  het  noodig." 
(Rousset,  blz.  257). 

De  hertog  van  Lotharingen  wil  beletten  dat  die  8000  man  uit 
Vlaanderen  zich  met  Luxembourg  vereenigen;  hij  breekt  op  van 
achter  de  Lauter,  naar  de  engten  bij  Saverne;  maar  die  zijn  reeds 
bezet  door  de  Franschen;  de  Hertog  valt  op  die  engten  aan, 
maar  wordt  afgeslagen.  Bij  dat  gevecht  sneuvelt,  aan  de  Fransche 
zijde,  graaf  Hamilton.  -^ 

Door  de  vereeniging  met  die  8000  man  is  Luxembourg's  leger 
nu  meer  dan  40  000  man  sterk.  De  hertog  van  Lotharingen,  met 
zwakkere  macht,  gaat  terug,  eerst  op  de  Lauter,  daarna  op  Lan- 
dau,  eindelijk  op  Philipsburg  zelf;  hij  ontruimt  zijne  magazijnen 
te  Lauterburg  en  Weissemburg.  Zijne  stelling  bij  Philipsburg: 

...>op  den  linkeroever  van  den  Rijn,  nabij  het  fort  dat  de 
Keizerlijken  in  het  begin  van  het  beleg  hadden  genomen,  was 
een  vlakte,  » Klein  Holland"  genaamd,  op  regelmatige  wijze,  in 
den  vorm  van  een  halven  cirkel,  door  de  rivier  omgeven.  Daar 
was  het  dat   de  hertog  van   Lotharingen   nu  voorgoed  stelling 


Digitized  by 


Google 


230  KRTJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

nam ;  achter  zich  had  hij  de  brug,  die  de  markgraaf  van  Baden 
over  den  Rijn  had  geslagen;  zijne  beide  vleugels  leunden  aan 
de  twee  uiteinden  van  den  boog,  door  de  rivier  gevormd;  en 
vóór  hem  werd  de  koorde  van  dien  boog  afgesloten  door  een 
verschanste  linie,  van  afstand  tot  afstand  op  regelmatige  wijze 
voorzien  van  opene  gedeelten,  waar  zes  eskadrons  in  front  tegelijk 
doorheen  konden  trekken."  (Rousset,  blz,  258). 

Luxembourg  weifelt;  hij  schrijft  aan  Louvois,  dat  hij  naar  de 
Lauter  zal  oprukken;  Lauterburg  denkt  hij  te  nemen,  maar 
Weissemburg  komt  hem  onaanvalbaar  voor;  hij  hoopt  Philips- 
burg  eindelijk  te  ontzetten,  hoewel  dit  moeilijk  zal  gaan.  Den 
i6en  Juni  antwoordt  Louvois,  uit  het  kamp  van  Neder-Asselt, 
met  een  langen  brief,  die  dus  eindigt  (Rousset,  blz.  259): 

»uit  al  het  voorgaande  zult  gij  opmaken,  Mijnheer,  dat  de 
Koning  het  in  het  belang  van  zijn  dienst  acht,  dat  gij  Philips- 
burg  te  hulp  komt,  als  er  waarschijnlijkheid  is  van  daarin  te 
slagen ;  dat  gij  Lauterburg  neemt,  als  dat  te  doen  is ;  en  dat  gij, 
indien  dit  niet  kan,  den  vijand  krachtig  genoeg  bestookt  om  te 
maken,  dat  het  nemen  van  Philipsburg  hem  zoo  goed  als  zijn 
leger  kost ;  dat  gij  den  bevelhebber  van  Philipsburg  kennis  geeft, 
dat  gij  niets  zult  verzuimen  om  hem  te  hulp  te  komen;  en  dat 
gij  hem  verbiedt  te  capituleeren,  anders  dan  in  de  uiterste  nood- 
zakelijkheid. De  bezwaren  die  gij  inziet  zouden  u  in  verlegenheid 
mogen  brengen,  als  de  Koning  u  verantwoordelijk  stelde  voor 
het  verlies  van  Philipsburg,  zonder  dat  gij  het  te  hulp  waart  ge- 
komen; maar  Zijne  Majesteit  schrijft  u  niets  anders  voor,  dan 
wat  gij  denkt  dat  te  doen  is,  en  gelast  u  alleen  te  zorgen  dat 
de  vijand  verplicht  zij  zijn  leger  nagenoeg  op  te  offeren,  wil  hi} 
Philipsburg  innemen,  en  met  het  leger  dat  gij  aanvoert  kunt  gi) 
zoo  iets  gemakkelijk  doen,  en  Zijne  Majesteit  zal  overtuigd  zijn, 
dat  wat  niet  door  u  is  gedaan,  ook  niet  te  doen  was." 

Luxembourg  blijft  aarzelen,  en  laat  den  tijd  verloopen  zonder 
een  besluit  te  nemen;  den  iQen  Juli  schijnt  hij  echter  voornemens 
slag  te  leveren  om  Philipsburg  te  ontzetten ;  dien  dag  schrijft  hij 
aan  Louvois  (Rousset,  blz.  260): 

•  Rijpelijk  overweeg  ik  wat  gij  mij  schrijft;  maar,  na  dit  te 
hebben  gedaan,  kom  ik  tot  het  besluit,  dat,  zonder  veldslag, 
Philipsburg  vroeg  of  laat  genomen  wordt,  en  dat  een  gewonnen 
veldslag  het  kan  behouden.  Het  is  dus  zeker,  dat,  als  wij  niets 
doen,  Philipsburg  verloren  gaat;  en  hoewel  de  uitkomst  van  eeiv 
veldslag  onzeker  is,  hoopt  men  toch  dien  te  winnen,  als  men 
dien  levert." 

Den  23sten  Juli  schrijft  hij  nog  eens  in  denzelfden  geest,  maar 
toch  iets  minder  bepaald;  hij  klaagt  er  over,  dat  de  Koning 
hem  niet  op  stellige  wijze  zijn  wil  kenbaar  maakt;  hij  vraagt, 
waaraan   de   Koning  meer  hecht,   aan   Philipsburg,   of  aan   het 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN  AAN  RIJN  EN  MOEZEL,   ENZ.  23 1 

leger;  hij  wenscht,  dat  de  Koning  bevelen  geve.  >Doet  Zijne 
Majesteit  dat,  dan  zal  zij  gehoorzaamd  worden;  en  doet  zij  het 
niet,  en  laat  zij  ten  tweeden  male  de  zaak  in  het  onzekere,  dan 
zal  ik  mij  gereed  maken  om  den  vijand  aan  te  vallen;  tenzij  ik 
zie  dat  dit  volstrekt  onmogelijk  is.'' 

Loavois  is  toen  nog  in  Vlaanderen ;  maar  zijn  vader,  Letellier, 
opent  die  twee  brieven  van  Luxembourg,  en  verwacht  nu  ieder 
oogenblik  het  bericht  van  een  veldslag.  In  stede  daarvan  krijgt 
hij,  drie  dagen  later,  een  brief  van  Luxembourg  van  den  26sten 
Juli,  waarin  deze  voorstelt  om,  in  plaats  van  slag  te  leveren,  het 
beleg  te  slaan  voor  Straatsburg:  >a1s  ik  u  mijne  meening  mag 
zeggen,  dan  wil  ik  liever  overgaan  tot  die  handeling  dan  tot 
het  slag  leveren,  omdat  ik  het  beter  vind  dat  de  Koning  meester 
is  van  Straatsburg  dan  van  Philipsburg,  en  dat  alles  wat  wij 
kunnen  beproeven  om  Philipsburg  te  ontzetten,  toch  altijd  iets 
onzekers  blijft."  (Rousset,  blz.  260 — 261), 

Dat  voorstel  vindt  volstrekt  geen  goedkeuring.  Letellier  ant- 
woordt onverwijld  (28  Juli):  ide  Koning  gelast  mij  om  u  te  be- 
richten, dat  de  ruil  van  Straatsburg  voor  Philipsburg  zeer  goed 
zou  zijn;  maar  dat  men  zich  vroeger  daartoe  had  moeten  voor- 
bereiden op  die  onderneming,  en  reeds  gedurende  den  winter 
alles  had  moeten  gereed  maken  wat  noodig  is  voor  zulk  eene 
verovering;  en  daar  nu  die  toebereidselen  er  niet  zijn,  en  het 
beleg  van  Philipsburg  reeds  zoo  ver  is  gevorderd,  acht  Zijne 
Majesteit  zulk  een  diversie  onraadzaam."  En  Louvois  schrijft  den 
31  sten  Juli:  >Als  Zijne  Majesteit  zich  nog  eens  de  brieven  wil 
laten  lezen,  die  ik  van  den  Heer  De  Luxembourg  heb  ontvangen, 
tijdens  de  Koning  bij  Ninove  was,  dan  zal  Zijne  Majesteit  zien, 
dat  alles  waar  hij  nu  tegen  opziet,  hem  toentertijd  niet  het 
minste  bezwaar  opleverde;  alleen  Weissemburg  achtte  hij  onaan- 
valbaar."  (Rousset,  blz.  261). 

Nu  verkondigt  Luxembourg  weer,  dat  hij  slag  zal  leveren, 
(Rousset,  blz.  261 — 264): 

»De  teerling  is  geworpen;  de  Maarschalk,  besloten  tot  den 
strijd,  heeft  zijn  levendigheid  weer  teruggekregen;  zijn  taal  is 
koit  en  bondig,  de  taal  van  een  man  van  de  daad.  Intusschen 
bereidt  iedereen  zich  voor,  op  de  ontmoeting,  die  wij  niet  ver 
verwijderd  achten;  de  geheele  infanterie  maakt  hare  wapens  ge- 
reed, en  de  ruiterij  bereidt  zich  voor  tot  alles  wat  zij  te  doen 
heeft.  Nooit  heb  ik  zooveel  geestdrift  in  een  leger  gezien;  het 
zal  niet  lang  duren,  hoop  ik,  of  wij  zullen  daarvan  gebruik 
maken;  de  6e  of  7e  van  de  maand  zal  niet  verstrijken,  of 
's  Konings  leger  zal  een  groot  voordeel  hebben  behaald."  —  Het 
was  op  I  Augustus  dat  Luxembourg  dit  schreef,  niet  aan  Louvois 
alleen,  maar  ook  aan  den  aartsbisschop  van  Rheims  en  aan  het 
geheele  hof.   Men  stelle  zich  de  gemoedsgesteldheid  voor  van 


Digitized  by 


Google 


232  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

hen  die  door  al  die  weifelingen  in  spanning  werden  gehouden ; 
de  ontroering,  het  ziekelijk  ongeduld,  zoo  juist  geschetst  door 
madame  De  Sévigné:  »tien,  twaalf  dagen  lang  ons  in  zulk  een 
geweldige  onrust  te  laten  verkeeren,  dat  is,  dunkt  mij,  even  goed 
alsof  men  ons  op  een  klein  vuurtje  blakerde." 

Daar  komt  een  bericht,  gedagteekend  van  den  i2en,  uit  het 
kamp  bij  Landau:  »Ik  ben  Philipsburg  niet  te  hulp  gekomen, 
noch  door  eene  krachtige  poging,  noch  door  een  minder  krach- 
tige. Ik  hoop  dat  Zijne  Majesteit  mij  dit  niet  zal  toerekenen  als 
een  misslag,  wanneer  gij  haar  wel  wilt  zeggen  wat  ik  heb  ge- 
daan, naar  het  verslag  dat  ik  u  zal  geven."  —  Dan  volgt  er 
eene  lange  uitlegging,  van^vijfcien  bladzijden.  Men  had  vaartuigen 
met  ontplofbare  middelen  den  Rijn  laten  afzakken;  men  had 
eene  soort  van  machine  infernale  gemaakt,  en  die  gericht  tegen 
de  brug  van  de  Keizerlijken;  —  maar  ziet,  men  was  gestuit  op 
een  stevig  staketsel  in  den  stroom,  dat  de  hertog  van  Lotha- 
ringen had  laten  maken  zonder  dat  men  daar  iets  van  wist;  en 
de  machine  infernale^  met  wat  er  bij  behoorde,  was  dus  gespron- 
gen zonder  eenig  kwaad  te  doen.  Men  was  tegen  den  vijand 
opgerukt,  in  de  meening  dat  men,  door  berichten  en  door  kaar- 
ten, zijne  stelling  goed  kende ;  maar  die  berichten  en  die  kaarten 
waren  zoo  weinig  betrouwbaar,  dat,  toen  men  in  *t  gezicht  kwam 
van  's  vijands  kamp,  men  op  den  rechtervleugel  belemmerd  werd 
door  een  bosch,  waarvan  niemand  had  gehoord  en  dat,  ware 
men  verder  voortgerukt,  noodwendig  de  eenheid  van  de  slaglinie 
zou  hebben  verbroken.  Toen  had  men  twee  dagen  doorgebracht 
met  te  beraadslagen  hoe  men  om  dat  bosch  heen  zou  kunnen 
gaan;  maar  alle  generaals  waren  van  meening,  dat  die  omtrek- 
king noodwendig  eene  nederlaag  zou  veroorzaken.  Daarop  was 
men  afgetrokken. 

De  tegenstand  die  Philipsburg  bleef  bieden  was  wanhopige 
dapperheid,  een  roemrijk  zieltogen.  Lodewijk  XIV  scheen  zich 
daarin  te  schikken;  maar  zelfs  de  hovelingen,  zoo  gewoon  om 
hun  gezicht  te  plooien  naar  dat  van  den  gebieder,  bleven  niet 
altijd  koelbloedig;  zij  konden  er  geen  vrede  mee  hebben,  een 
stad,  sedert  twee  en  dertig  jaar  Fransch,  een  der  eerste  verove- 
ringen van  deze  regeering,  weer  te  zien  vallen  in  handen  van  de 
Duitschers.  Tot  staving  van  dat  eervol  patriottisch  leedwezen 
diene  deze  anekdote,  door  madame  De  Sévigné  verhaald :  » dezer 
dagen,  's  ochtends,  zei  de  Koning:  »  lik  geloof  werkelijk  dat  wij 
Philipsburg  niet  te  hulp  kunnen  komen ;  niettemin  blijf  ik  toch 
Koning  van  Frankrijk.""  De  heer  De  Montausier  antwoordde: 
»  >  dat  is  zoo,  Sire ;  zelfs  zoudt  gij  nog  zeer  goed  Koning  van 
Frankrijk  zijn,  als  men  u  Metz  weer  had  ontnomen,  Toul  en 
Verdun,  Franche-Comté,  en  veel  andere  gewesten  die  de  Koningen, 
uwe  voorouders,  ook  niet  hebben  bezeten." " 


Digitized  by 


Google 


KRUGSVERRICHTINGEN   AAN   RIJN   EN   MOEZEL,  ENZ.  233 

Iedereen  beet  zich  op  de  lippen,  (brief  van  den  sen  Augustus 
1676).  Bij  allen  ging  dezelfde  gedachte  om,  maar  alleen  Mon- 
tausier  had  den  moed  of  de  vrijheid  deze  uit  te  spreken.  Ook 
is  het  madame  De  Sévigné,  die  er  ons  over  inlicht  hoe  er  toen 
over  Luxembourg  werd  gesproken.  >Voor  het  overige"  —  zoo 
schreef  zij  den  i9en  Augustus  aan  hare  dochter  —  tweet  gij 
reeds,  hoe,  zonder  pijn  of  leed,  die  Duitsche  berg  een  muis  heeft 
gebaard.  Éen  van  onze  vrienden  meldt  mij,  dat  hij  niet  weet, 
hoe  hij  omtrent  dit  punt  mijn  verstand  en  het  uwe  zal  kunnen 
bevredigen;  dat  wij  op  een  verduiveld  bosch  gestuit  zijn,  dat  op 
de  kaart  niet  voorkomt  en  dat  ons  zoozeer  heeft  schaakmat  ge- 
zet, zoodat  wij  alleen  vlak  voor  den  vijand  ons  in  slagorde  kon- 
den scharen;  en  dat  wij  daarom  gedwongen  zijn  geworden  om 
den  loen  weer  af  te  trekken,  en  Philipsburg  prijs  te  geven  aan 
het  geweld  van  de  Duitschers.  Zoo'n  bosch,  —  Turenne  zou  het 
nooit  hebben  kunnen  verzinnen;  en  daarom  begrijpen  wij  hoe 
langer  hoe  meer,  dat  het  maar  goed  is  dat  wij  hem  kwijt  zijn." 

Luxembourg  hoort  hoe  zijne  handelingen  aan  het  hof  worden 
gegispt  en  bespot;  in  een  brief  van  dertien  bladzijden,  aan 
Louvois,  verdedigt  hij  zich  daartegen.  Onder  andere  wederlegt  hij 
de  beschuldiging  van  grootspraak:  hij  had  maar  aan  een  zijner 
vrienden  geschreven,  dat  hij  groot  vertrouwen  stelde  in  de  dap- 
perheid der  troepen,  meer  niet;  »en  als  het  canaille  daarop  wat 
heeft  aan  te  merken,  dan  bewijst  dit  alleen,  dat  het  mij  afgunstig 
is."  (Rousset,  blz.  265). 

Den  9en  September  capituleert  Philipsburg,  na  een  beleg  van 
bijna  drie  maanden;  den  lyen  wordt  de  vesting  aan  de  bondge- 
nooten  ingeruimd,  en  trekt  Dufay  met  de  bezetting  naar  Frankrijk; 
»wat  hém  betrof,  hij  had  gedaan  wat  de  maarschalk  De  Luxem- 
bourg niet  had  gedaan:  hij  had  het  belegeringskorps  geheel 
ontredderd,  en  gaf  het  een  geheel  ontredderde  vesting  over." 
(blz.  266). 

Luxembourg  is  eerst  teruggegaan  op  Schelestadt;  trekt  daarya 
op  Brisach  en  gaat  hier  den  Rijn  over,  in  de  hoop  van  Freiburg 
te  verrassen ;  dit  mislukt.  De  hertog  van  Lotharingen  trekt  voor- 
uit tot  Offenburg,  bedreigt  den  Elzas,  verbrandt  Sainte-Marie-aux- 
Mines,  en  dwingt  daardoor  Luxembourg  weer  op  den  linkeroever 
van  den  Rijn  terug  te  keeren. 

Louvois  wil  een  deel  van  Luxembourg's  legermacht  elders  ge- 
bruiken {faire  un  detachement) ;  en  vraagt  dezen,  hoeveel  bataljons 
«n  eskadrons  hij  noodig  acht  voor  het  beveiligen  van  de  grens- 
plaatsen  tegen  *s  vijands  aanslagen.  Luxembourg  houdt  zich  alsof 
hij  die  vraag  slecht  begrijpt;  en  in  plaats  van  daarop  te  ant- 
woorden vraagt  hij  op  zijn  beurt  waarvoor  die  te  detacheeren 
afdeeling  moet  dienen;  weet  hij  dit,  dan  zal  hij  de  sterkte  van 


Digitized  by 


Google 


234  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

die  afdeeling  daarnaar  regelen.  Dit  geeft  aanleiding  tot  eene  niets 
afdoende  briefwisseling;  totdat  eindelijk,  den  23sten  September, 
Louvois  op  onbewimpelde  wijze,  's  Konings  ongenoegen  te  kennen 
geeft  aan   Luxembourg.  In  dien  brief  komt  onder  andere  voor: 

...«Gij  hebt  het  zóó  ver  gebracht,  dat,  door  altijd  te  ant- 
woorden met  algemeenheden,  de  tijd  verloopen  is  om  iets  te  kun- 
nen doen ;  en  hoezeer  ik  u  duidelijk  genoeg  den  weg  had  gewezen 
om  dat  verwijt  te  voorkomen,  hebt  gij  toch  zóó  gehandeld,  dat 
Zijne  Majesteit  u  met  grond  zal  kunnen  verwijten,  dat  gij  het 
schoonste  Fransche  leger  dat  ooit  in  Duitschland  is  opgetreden, 
gedurende  den  ganschen  veldtocht  voor  hem  geheel  en  al  onnut 
hebt  gemaakt..."  (blz.  267). 

Luxembourg  speelt  de  rol  van  dwarsdrijver,  en  ontwijkt  ieder 
stellig  antwoord ;  onder  andere  toen  Louvois  hem  raadpleegt  over 
het  behouden  of  slechten  der  vestingwerken  van  Saverne  en  van 
Hagenau:  tgij  antwoordt"  —  zoo  schrijft  hem  Louvois  den 
8sten  October  —  »zoo  wat  in  orakeltaal  ten  aanzien  van  het 
slechten  van  Hagenau;  en  wat  Saverne  aangaat,  zijt  gij  nóg 
minder  bepaald."  (blz.  268).  Zijdelings  komt  er  in  een  der  brie- 
ven van  Louvois  zelfs  eene  bedreiging  voor;  het  betreft  een 
generaal  De  La  Motte  van  Luxembourg's  leger,  over  wien  men 
ontevreden  is;  Louvois  schrijft  aan  Luxembourg —  16  October  — 
dat  hij  volstrekt  niet  De  La  Motte  op  het  oog  heeft,  maar,  in 
het  algemeen,  daaraan  moet  herinneren,  >dat  iemand  die,  in  de 
tegenwoordige  omstandigheden,  bekwaam  is  voor  's  Konings  dienst, 
en  die,  uit  gril  of  luim,  zich  daaraan  wil  onttrekken,  er  op  moet 
rekenen  van  een  jaar  of  twee,  drie,  in  de  Bastille  te  zullen  wonen . . ." 
(blz.  268). 

Luxembourg  eindigt  zijn  jammerlijken  veldtocht  met  het  in 
bezit  nemen  van  de  stad  en  het  kasteel  van  Mont-Béliard,  toe- 
behoorende  aan  een  vorst  uit  het  Wurtembergsche  huis,  en  die 
nog  een  neef  was  van  Luxembourg.  Bij  die  gelegenheid  is  er  in 
de  brieven  tusschen  Louvois  en  Luxembourg  weer  de  toon  van 
de  vroegere  gemeenzaamheid:  >het  verlangen  van  Zijne  Majesteit" 
—  zoo  schreef  hem  Louvois  den  8sten  November  —  tis,  dat  gij 
met  de  troepen  die  gij  daarvoor  noodig  oordeelt,  naar  Mont- 
Béliard  trekt,  om  het  aan  Mijnheer  uw  neef  te  ontnemen;  zorg 
maar,  gij  met  uw  groot  vernuft,  dat  uw  neef,  door  zijn  gunstig 
uiterlijk,  u  niet  overhaalt  om  's  Konings  bevelen  onuitgevoerd 
te  laten."  —  >Wij  zijn  aan  het  onderhandelen"  —  antwoordt 
Luxembourg,  17  November  — ,  >om  dit  den  Heeren  van  Mont- 
Béliard  aan  't  verstand  te  brengen ;  dit  aan  het  verstand  te  brengen 
van  den  Prins  of  van  de  Prinses  zou  wat  moeilijk  vallen;  want 
veel  verstand  heeft  geen  van  beide."  (blz.  269). 

Créqui  had  ook  niets  gedaan ;  maar  deze  had  ook  geen  last 
om  iets  te  doen :  niets  anders,  dan  de  Duitsche  troepen  bij  Trier 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGBN   AAN  RIJN   EN  MOEZEL,   ENZ,  235 

in  het  oog  te  houden.  Alleen  wordt  het  kasteel  van  Bouillon  — 
den  vorst-bisschop  van  Luik  toebehoorende  —  door  de  Franschen 
bezet^  maar  zonder  eenigen  tegenstand :  de  bevelhebber,  de  graaf 
van  Poitiers,  was  reeds  lang  omgekocht  door  Louvois,  maar  had 
gevorderd  dat,  om  zijn  fatsoen  te  bewaren,  de  Fransche  troepen 
zouden  verschijnen  voor  het  kasteel  van  Bouillon;  dan  zou  hij 
het  dadelijk  overgeven: 

(blz.  270 — 271).  »De  onderhandelingen  met  den  bevelhebber 
van  Bouillon  waren  begonnen  sedert  het  jaar  1674.  Den  isten 
Januari  1675  schreef  Louvois  aan  Servigni,  's  Konings  bevel- 
hebber in  het  kasteel  van  Sedan:  thet  verlangen  van  Zijne 
Majesteit  is,  dat  gij  zooveel  mogelijk  voortgaat  met  gemeenschap 
te  onderhouden  met  den  gouverneur  van  Bouillon;  en  daar  zijn 
vrouw,  naar  men  beweert,  veel  invloed  op  hem  heeft,  moet  gij 
trachten  haar  te  doen  begrijpen,  dat,  wanneer  zij  haar  man  weet 
over  te  halen  om  eene  Fransche  bezetting  in  zijne  vesting  op  te 
nemen.  Zijne  Majesteit  haar  eene  gratificatie  zal  geven  van  vijf  èt 
zesduizend  kronen.  In  het  kort.  Zijne  Majesteit  laat  het  aan  u 
over,  om  hem  te  verlokken  door  alles  wat  naar  uwe  meening 
het  krachtigst  op  hem  werkt.  De  Koning  machtigt  u  om  hem 
een  gouverneurschap  in  Frankrijk  toe  te  zeggen,  als  hij  dat  van 
Bouillon  mocht  kwijtraken  door  het  opnemen  van  eene  Fransche 
bezetting  in  die  vesting.,."  In  een  schrijven  van  den  4en  Januari 
bericht  de  maarschalk  De  Rochefort  aan  Louvois,  dat  de  graaf 
en  de  gravin  van  Poitiers,  om  zich  over  te  geven,  een  geregeld 
beleg  verlangen;  t beiden  stellen  daarin  een  punt  van  eer  {tm 
point  d^honneur)'^  voor  het  overige  zijn  zij  ons  toegedaan,  en 
zorgen  zij  dat  de  vesting  verwaarloosd  blijft,  en  zonder  munitie 
en  leeftocht.  De  graaf  van  Poitiers  is  arm,  en  vraagt  van  den 
Koning  geldelijken  bijstand  voor  zijn  levensonderhoud." 

Un  point  d'konneur!  vreemde  begrippen  van  eer  en  eerlijkheid 
had  men  toen,  en  dat  nog  wel  bij  een  man  van  ouden  adel,  die 

»sans  respect  pour-'une  race  ancienne, 
pour  Ie  sang  des  Poitiers,  noble  depuis  mille  ans" 

(V.  HuGO.  Le  roi  s'amuse). 

zijn  riddereer  te  grabbelen  gooit,  en  voor  geld  de  rol  van  ver- 
rader op  zich  neemt.  Zoo  iets  was  toen  geen  ongewone  hande- 
ling; en  in  dat  opzicht  staan  wij  thans  zeer  zeker  hooger  dan 
de  zeventiende  eeuw.  Niet,  dat  er  ook  in  onzen  tijd  geen  men- 
schen  worden  gevonden,  die  voor  geld  hun  trouw  breken  en 
hun  plicht  met  voeten  treden;  maar  zulke  menschen  worden 
thans  door  de  algemeene  verachting  getroffen  en  buiten  den  kring 
der  fatsoenlijke  maatschappij  gestooten,  terwijl  In  de  zeventiende 
eeuw  zulk  een  graaf  van  Poitiers,  niettegenstaande  zijn  onteerend 


Digitized  by 


Google 


236  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

verraad,  denkelijk  toch  met  opgeheven  hoofde  in  de  hoogere 
kringen  zal  zijn  verschenen,  en  daar  ontvangen  alsof  er  niets 
ware  gebeurd. 

Naar  de  zijde  van  Catalonië  had  Navailles  in  1676  zoo  goed 
als  niets  gedaan;  Louvois  had  hem  verboden  Puycerda  te  be- 
legeren ;  hij  moest  alleen  de  Spanjaarden  in  het  oog  houden,  en 
een  deel  van  zijne  macht  werd  naar  Sicilië  gezonden;  ook  de 
Spanjaarden  deden  dit;  en  vandaar  dat  er,  naar  de  zijde  van 
Catalonië,  toen  niets  gebeurde. 

In  Sicilië,  waar  reeds  in  1674  de  stad  Messina  tegen  de  Span- 
jaarden in  opstand  was  gekomen,  was^  in  het  begin  van  1675, 
eene  Fransche  scheepsmacht  verschenen,  en,  in  December  1675, 
de  vloot  van  De  Ruyter.  Den  Ssteo  Januari  1676  heeft  er  nabij 
de  Liparische  eilanden  een  onbesliste  zeeslag  plaats  tusschen  de 
bijna  even  sterke  vloten  van  De  Ruyter  en  Duquesne.  Den 
2  2 sten  April  heeft  er  een  tweede  zeeslag  plaats  bij  Catana,  ook 
onbeslist,  maar  De  Ruyter,  zwaar  gewond,  sterft  den  29sten  April 
te  Syracusa.  Eindelijk,  den  2en  Juni,  wordt  de  Hollandsche  en 
Spaansche  vloot  bij  Palermo  geslagen  door  de  Fransche  scheeps- 
macht, onder  Duquesne  en  Vivonne. 

Na  verschillende  krijgsverrichtingen  in  Sicilië  besluit  Lode- 
wijk  XIV  eindelijk  om  het  eiland  te  verlaten,  Messina  te  ont- 
ruimen; dit  geschiedt  in  het  voorjaar  van  1678;  Messina  komt 
toen  weer  onder  het  Spaansche  gezag,  en  alles  keert  weer  tot 
het  oude  terug.  Wat  der  Fransche  staatkunde  —  toen,  en  bij  meer 
andere  gelegenheden  —  ontbroken  heeft,  dat  is  het  volhouden, 
het  doorzetten ;  V esprit  de  suife^  zooals  de  Franschen  dat  noemen. 


HOOFDSTUK  XVIII. 

1677;   BELEG   VAN   VALENCIENNES,    KAMERTJK    ETT   SAINT-OMER; 
VELDSLAG   VAN   CASSEL;    CHARLEROI;    KRIJGSVERRICH- 
TINGEN  AAN   DEN   RIJN,   EN   IN   CATALONIË. 

*doe,  vredezon,  van  's  hemels  trans 
uw  luister  op  ons  nederdalen; 
wij  smachten  naar  uw  lieve  stralen 
en  zielverkwikb'ren  uchlendglans." 

Zoo  zong  Van  der  Hoop,  kort  na  den  tiendaagschen  veldtocht 
van  1831;  —  maar  die  >  vredezon"  is  toen  nog  eenigen  tijd  uit- 


Digitized  by 


Google 


i677.  237 

gebleven.  Evenzoo  ging  het  in  1677:  de  oorlog  tegen  Frankrijk 
had  nu  reeds  vijf  jaar  geduurd,  het  werd  tijd  dat  daaraan  een 
einde  kwam ;  alle  landen  verlangden  naar  den  vrede,  om  zich  te 
herstellen  en  geheele  uitputting  te  voorkomen;  de  onderhande- 
laars waren  te  Nijmegen  nu  al  zoo  lang  bezig,  dat  men  mocht 
hopen  dat  zij  het  eindelijk  eens  zouden  worden,  en  dat  er  in 
1677  niet  meer  zou  worden  gevochten.  IJdele  hoop!  Wél  was  de 
vrede  wenschelijk,  om  niet  te  zeggen  noodig;  >maer  men  bevont" 
—  voegt  er  de  Hollandsche  Mercurius  op  zeer  wijsgee- 
rigen  toon  bij  —  imaer  men  bevont  (buyten  dat  de  secrete 
veeren  en  raderen,  waerdoor  dickmael  het  groot  orlogie  van 
rijcken  en  landen  om-gedreven  wert,  niet  klaer  van  buyten  gesien 
konnen  werden)  dat  een  vlam  lichter  te  ontsteken  als  te  doven 
was,  en  dat  soo  veel  klingen,  niet  alleen  door  de  gemeene  maar 
ook  particuliere  intresten  uit  de  scheede  geruckt,  eer  daeruyt, 
als  in  ie  krijgen  -waren." 

In  groote  trekken  was  de  staatkundige  toestand  van  Europa 
toen  zóó:  de  volkeren  leden  veel  door  den  oorlog,  en  ver- 
langden dus,  natuurlijk,  zeer  sterk  naar  den  vrede;  maar  de 
volkeren  hadden  toen,  in  dat  opzicht,  nog  veel  minder  te  zeggen 
dan  in  onze  dagen ;  het  waren  de  regeeringen  die  over  vrede  of 
oorlog  beschikten ;  en  de  regeeringen  waren  toen  meestal  vorsten 
wier  macht  vrij  onbeperkt  was.  Frankrijk  had  door  den  oorlog 
nog  al  veel  geleden  niettegenstaande  zijne  overwinningen;  het 
wilde  dus  wel  vrede ;  maar  het  wilde  bij  dien  vrede  de  vruchten 
van  zijne  overwinningen  zooveel  mogelijk  behouden.  Spanje  had, 
in  de  Zuidelijke  Nederlanden,  groote  verliezen  ondergaan;  toch 
wilde  het  den  vrede  niet,  omdat  het  bij  den  vrede  voorgoed  aan 
Frankrijk  zou  moeten  aïfstaan  wat  dit  rijk  had  veroverd,  —  of 
ten  minste  een  deel  dier  veroveringen;  Spanje  wilde  al  het  ver- 
lorene terug  hebben,  en  daarom  den  oorlog  voortzetten ;  het  was 
geheel  onmachtig  om  dien  oorlog  te  voeren,  maar  het  rekende 
op  de  legers  en  vloten  van  onze  Republiek.  Met  de  Duitsche 
vorsten  was  het  nagenoeg  evenzoo  gesteld:  ook  dezen  wilden 
oorlogvoeren,  maar  oorlogvoeren  met  de  strijdkrachten,  vooral 
met  het  geld  van  de  Republiek;  zelven  wilden  zij  liefst  zoo 
weinig  mogelijk  doen. 

Geen  wonder  dus,  dat  de  Republiek  zeer  sterk  naar  den  vrede 
verlangde;  zij  had  weinig  rechtstreeksch  belang  meer  bij  den 
oorlog;  zij  voerde  dien  in  het  belang  van  de  bondgenooten,  die 
hoofdzakelijk  op  hdre  krachten  bouwden,  en  zelven  voor  inspan- 
ningen terugdeinsden.  Niet  vreemd  dus,  dat  in  Holland  de  drang 
naar  vrede  al  sterker  en  sterker  werd.  Tegen  dien  drang  kantte 
zich  Willem  III :  die  wilde  geen  vrede ;  een  vrede  was  —  in  zijn 
oog  —  niets  anders  dan  een  wapenstilstand,  ten  voordeele  van 
Lodewijk  XIV,  niet  alleen  omdat  deze  daardoor  den  tijd  verkreeg 


Digitized  by 


Google 


238  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

om  zijne  krachten  te  herstellen^  maar  ook  omdat  daardoor  het 
bondgenootschap  tegen  Frankrijk  uiteenging,  en  Europa  dan 
meer  gevaar  liep  onder  de  heerschappij  van  den  Franschen 
monarch  te  komen.  Om  dat  gevaar  af  te  wenden,  moest  men  — 
meende  de  Stadhouder  —  den  oorlog  blijven  voortzetten,  hoe 
ongunstig  de  kansen  ook  waren.  Die  meening  van  den  Stad- 
houder kan  op  goede  gronden  worden  bestreden ;  maar  men  kan 
als  zeker  aannemen,  dat  hij  die  meening  te  goeder  trouw  en 
met  overtuiging  aankleefde^  en  dat  hij  daarbij  niet  dacht  aan 
zijn  bijzonder  belang,  maar  alleen  aan  het  belang  van  het  algemeen. 
Van  een  beslissenden  invloed  moest  toen  de  gedragslijn  zijn 
van  Engeland.  Bleef  het  Britsche  rijk  zich  aan  den  strijd  ont- 
trekken, dan  zou  Frankrijk  denkelijk  te  krachtig  zijn  voor  zijne 
vijanden;  sloot  Engeland  zich  daarentegen  bij  de  bondgenooten 
aan,  dan  zouden  deze  de  overmacht  aan  hunne  zijde  hebben. 
En  Willem  III,  èn  Lodewijk  XIV  lieten  het  dan  ook  niet  ont- 
breken aan  pogingen  om  Engeland  voor  zich  te  winnen.  De 
Prins  van  Oranje  had  vóór  zich  een  sterk  gedeelte  van  het  Engelsche 
volk  en  een  sterken  aanhang  in  het  Parlement;  daardoor  dwong 
hij  zijn  beide  ooms  —  Koning  Karel  II  en  den  hertog  van 
York,  den  lateren  Jakobus  II  —  om  hem  ten  minste  uiterlijk 
die  vriendschap  te  doen  blijken  waarop  hij  als  bloedverwant 
aanspraak  had;  daardoor  gelukte  het  hem  zich  in  het  huwelijk 
te  verbinden  —  15  November  1677  —  met  Maria,  de  oudste 
dochter  van  den  hertog  van  York.  Maar  oprecht  gemeend  was 
die  vriendschap  niet,  van  de  beide  ooms  voor  hun  neef;  integen- 
deel, zij  waren  geheel  en  al  verknocht  aan  de  belangen  van 
Frankrijk;  zij  wilden  evenzeer  als  Lodewijk  XIV  absolute  vor- 
sten zijn  over  Engeland^  en  wenschten  vurig  om  hun  land  terug 
te  brengen  tot  den  Katholieken  godsdienst,  dien  zij  zelven,  min 
of  meer  in  het  geheim,  aankleefden.  Karel  II  stond  in  soldij  van 
Lodewijk  XIV;  —  die  beide  laatste  Stuarts  zijn  ellendige  koningen 
geweest,  mannen  zonder  waardigheid  of  eer.  Om  het  Fransche 
goud  te  verdienen,  volgde  Karel  de  Fransche  staatkunde;  maar 
daarbij  moest  hij  toch  ook  altijd  het  oog  gevestigd  houden  op 
zijn  Parlement,  dat  eene  dreigende  stem  deed  hooren  als  de 
Koning  te  ver  ging  in  zijn  slaafsche  aanhankelijkheid  jegens  den 
Franschen  vorst.  Dat  ontzien  van  den  volksgeest  in  Engeland  is 
ook  van  invloed  geweest  op  de  oorlogshandelingen  van  Lode- 
wijk XIV:  de  krijgsverrichtingen  in  de  Nederlanden  worden 
soms  minder  krachtig  voortgezet  door  de  Fransche  legers^  uit 
vrees  dat  men,  dddr  te  groote  voordeden  behalende,  Engeland 
zal  dwingen  om  zich  bij  de  vijanden  van  Frankrijk  aan  te  sluiten. 

De  volkshaat  tusschen  Frankrijk  en  Engeland,  die  thans  God- 
dank !  is  uitgedelgd,  was  in  de  zeventiende  eeuw  nog  zeer  levendig; 


Digitized  by 


Google 


1677.  239 

men  vindt  daarvan  een  blijk  in  de  volgende  plaats  uit  Rousset 
(2*  deel,  blz.  276—278),  waar  gewaagd  wordt  van  wat  Louvois 
deed,  vóór  den  aanvang  van  den  veldtocht  van  1677,  ten  aan- 
zien van  het  Fransche  leger  en  van  de  bij  dat  leger  aanwezige 
Engelsche  troepen: 

...»Hij"  (Louvois),  t gelastte  de  oprichting  van  een  regiment 
dragonders  van  17  compagnieën,  dat,  tot  den  vrede,  onderhouden 
moest  worden  door  de  gewestelijke  Staten  van  Languedoc,  in 
plaats  van  de  militie  die  zij  vroeger  verplicht  waren  te  leveren. 
In  Roussillon  gaf  hij  machtiging  om  een  regiment  op  te  richten 
van  400  man,  aangeworven  en  betaald  ten  koste  van  dat  gewest. 
De  Zwitsersche  officieren  spoorde  hij  aan  om  veel  rekruten  uit 
de  kantons  te  doen  komen;  maar  veel  minder  spoorde  hij  de 
Engelsche  officieren  daartoe  aan.  tHet  moet  u  niet  verwonderen," 
—  zoo  schreef  hij  den  2en  November  1676  aan  Courtin,  den 
Franschen  gezant  te  Londen  — ,  >dat  gij  niets  hoort  over  rekruten 
voor  het  regiment  van  Monmouth:  Zijne  Majesteit  wil  er  geen 
geven  aan  dat  regiment,  dat  teruggebracht  zal  worden  op  zoo- 
veel compagnieën  als  het  honderdtallen  manschappen  heeft;  de 
Koning  wil  de  sterkte  verminderen  van  een  korps  waarbij  zoo 
weinig  krijgstucht  bestaat,  dat  het  door  zijn  slecht  voorbeeld  het 
geheele  leger  kwaad  doet."  Men  trachtte  daar  de  krijgstucht  te 
herstellen,  door  er,  als  luitenant-kolonel,  bij  te  plaatsen  een  Ier 
van  hooge  afkomst,  Mac-Carthy,  een  neef  van  den  hertog  van 
Ormond.  tChurchiir*  —  de  latere  Marlborough  —  »was  ook 
voorgedragen  voor  een  bevelhebbersplaats ;  maar  hij  boezemde 
Louvois  geen  vertrouwen  in:  »de  heer  Churchill  is  te  veel  ver- 
slaafd aan  het  vermaak"  —  schreef  hij  den  23steii  November  aan 
Courtin  — ,  >om  de  betrekking  goed  te  kunnen  waarnemen,  die 
men  hem  wil  geven;  daartoe  wordt  iemand  gevorderd,  die  het 
regiment  Royal-Anglais  als  een  hoofdzaak  beschouwt,  als  zijn 
minnares;  zonder  dat,  wordt  het  nooit  goed."  —  Churchill  zelf 
hielp  den  minister  uit  de  verlegenheid,  door  niet  langer  in  Fran- 
schen dienst  te  willen  blijven." 

t  Reeds  sinds  lang  zag  Louvois  in  de  Engelsche  regimenten 
hulptroepen  die  meer  gevaar  dan  nut  aanbrachten;  maar  Lode- 
wijk  XIV  wilde  ze  behouden,  om  daardoor  blijk  te  geven  van 
zijn  goede  verstandhouding  met  Karel  IL  In  Januari  van  het 
vorige  jaar,  toen  Louvois  aan  den  hertog  De  Charost  berichtte, 
dat  er  spoedig  een  aantal  ruiters  uit  Engeland  te  Calais  zou 
komen,  beval  hij  hem  nadrukkelijk  ze  te  huisvesten  in  de  be- 
nedenstad, en  tijdens  hun  verblijf  de  meest  mogelijke  voorzorgen 
te  nemen  voor  de  veiligheid  van  die  stad  (29  Januari  1676). 
Want,  werkelijk,  in  ieder  van  die  ruiters  woonde  de  aangeboren 
haat  van  iederen  Engelschman  jegens  Frankrijk..." 

Nog  al  opmerkelijk,  dat  Marlborough,  die  Frankrijk  op  den 


Digitized  by 


Google 


240  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

rand  van  den  ondergang  heeft  gebracht,  door  Louvois  niet 
waardig  werd  gekeurd  om  bij  Frankrijk's  leger  aan  het  hoofd 
van  een  regiment  te  staan,  en  dat,  later,  Lodewijk  XIV  door  de 
smadelijke  wijze  waarop  hij  Prins  Eugenius  van  Savoye  bejegende, 
dezen  heeft  gedwongen  zich  te  scharen  in  de  rijen  van  Frank- 
rijk's  vijanden,  en  daardoor  van  hem,  ten  koste  van  Frankrijk, 
een  groot  legerhoofd  heeft  gemaakt.  Heeft  men  te  doen  met 
menschen  die  pas  hun  loopbaan  intreden,  dan  vergist  men  zich 
soms  in  het  schatten  van  hunne  waarde;  uitstekend heid  wordt 
niet  zoo  dadelijk  erkend  en  gehuldigd. 

Bij  den  veldtocht  dien  de  Franschen  in  1677  in  De  Neder- 
landen wilden  voeren,  zouden  de  belegeringen  weer  een  hoofdrol 
spelen;  en  dus  zou,  mét  Louvois,  Vauban  hier  de  groote  man 
zijn:  dat  was  toen  de  hoogepriester  in  den  vestingoorlog.  De 
minister,  die  vroeg  in  het  jaar  den  veldtocht  wil  beginnen,  ont- 
biedt den  grooten  vestingbouwkundige  tegen  den  156x1  Februari 
te  Parijs;  maar  deze  antwoordt  op  knorrigen  toon: 

»Men  moet  er  niet  op  rekenen,  dat  ik  vroeger  dan  den  176^ 
of  i8en  van  deze  maand*'  (Februari)  >te  Parijs  zal  zijn,  hoe  ik 
mij  ook  inspanne.  Voor  het  overige  zal  het  voor  mij  een  bijzon- 
der genoegelijke  zaak  zijn,  in  het  kamp  te  komen  met  paarden 
die  evenzeer  uitgeput  zullen  zijn  als  ik  zelf;  en  dat,  op  het 
oogenblik  als  de  geweldige  vermoeienissen  van  een  beleg  be- 
ginnen. Het  is  nog  al  zeer  vreemd,  dat  de  heele  wereld  weet 
wat  gij  wilt  ondernemen,  en  dat  ik  de  eenige  ben  voor  wien  dit 
een  geheim  blijft;  denkelijk  ben  ik  bij  die  handelingen  een  ge- 
heel onnut  wezen,  en  is  daarbij  mijn  raad  volstrekt  niet  in  leL 
God  zij  geloofd !  ik  zal  mijn  plicht  doen ;  maar  ik  zal  er  mij  wel 
voor  wachten  om  daarbij  zooveel  voor  mijn  rekening  te  nemen 
als  ik  gedaan  heb  bij  de  vroegere  belegeringen.  Daarvoor  sta  ik 
u  borg."  (Rousset,  2*  deel,  blz.  276). 

Vauban  doet  zich  hier  kennen  als  een  echte  grognard:  zelfs- 
aan  de  hoogste  staatsmacht  maakt  hij  zijn  misnoegen  kenbaar, 
en  dat  op  de  duidelijkste  wijze,  op  den  meest  gemeenzamen  toon. 
Maar  in  hem  zag  men  dit  over  het  hoofd;  men  liet  hem  prut- 
telen; men  wist  toch  dat  hij  er  niets  kwaads  mede  bedoelde, 
dat  hij  een  man  was  van  plichtsbetrachting,  van  toewijding,  van 
trouw  en  eerlijkheid.  Het  moet  gerekend  worden  tot  de  goede 
zijden  van  de  regeering  van  Lodewijk  XIV,  dat  zij  een  man  als 
Vauban  zoo  op  prijs  heeft  weten  te  stellen,  zoo  naar  waarde 
weten  te  schatten. 

Over  de  toebereidselen  bij  de  Fransche  artillerie  —  het  hoofd- 
wapen  bij  een  beleg  —  vindt  men  bij  Rousset  ook  eenige  bijzon- 
derheden.  Aan  het  hoofd  van  dat  wapen  stond  toen  een  groot- 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN  VALENCIENNES.  24I 

meester,  de  hertog  De  Lude;  maar  die  betrekking  van  groot- 
meester der  artillene  werd  toen  gegeven  aan  een  der  aanzienlijken 
des  lands,  aan  een  lid  van  den  hoogen  Franschen  adel,  al  mocht 
ook  zijne  artillerie-kennis  niet  zoo  buitengewoon  zijn ;  vandaar  dan 
ook,  dat  de  artillerie-officier,  die  in  rang  onmiddellijk  op  den 
grootmeester  volgde  en  meesttijds  een  man  was  van  kunde,  als 
het  eigenlijke  hoofd  van  dat  wapen  kon  worden  beschouwd ;  dit  was 
toen  de  generaal  Du  Metz,  wiens  verdienste  zeer  geprezen  wordt. 

>Louvois  had  een  tweede  compagnie  bombardiers  opgericht; 
beide  compagnieën  waren  te  Rijssel ;  Du  Metz  had  last  om  daar- 
mede, drie-  of  viermaal  's  weeks^  schietoefeningen  te  houden. 
Bovendien  moest  hij,  vóór  i  Februari,  gereed  hebben:  het  dek 
voor  drie  bruggen  te  Rijssel,  en  drie  te  Doornik;  40  kanonnen 
van  33  en  van  24  pond;  10  van  16  pond;  affuiten  naar  even- 
redigheid, 40  stukken  veldgeschut,  30  mortieren  van  12  duim; 
300  holle  kogels,  voor  de  kanons  van  33  en  van  24  pond;  2000 
brandkogels;  3000  buizen  voor  bommen;  40000  buizen  voor 
granaten;  60000  stuks  gereedschappen;  40000  zandzakken.  (Brief 
van  Louvois  aan  Du  Metz  van  21  November)"  (Rousset,  blz. 
275).  —  Bij  de  groote  uitbreiding  die  de  artillerie  thans  *heeft 
verkregen  komen  deze  cijfers  ons  nu  natuurlijk  onbeduidend 
voor;  tóen  waren  zij  dat  niet. 

Aan  de  Spaansche  zijde  wist  men  met  vrij  groote  waarschijn- 
lijkheid dat  Saint-Omer,  Valenciennes  of  Kamerijk  zouden  wor- 
den aangevallen;  van  eene  verrassende  belegering  door  de  Fran- 
schen was  dus  toen  geen  sprake,  maar  Louvois  wilde  de  verrassing 
nu  daarin  doen  bestaan  dat  het  beleg  ongewoon  vroeg  zou  be- 
ginnen. De  maarschalk  d'Humières  had  dan  ook  bevel,  zijne 
troepen  zoodanig  gereed  te  houden,  dat  Valenciennes  en  Saint- 
Omer  op  den  isten  Maart  gelijktijdig  konden  worden  berend; 
want  het  aanvankelijk  voornemen  was  die  beide  vestingen  ge- 
lijktijdig te  belegeren.  Het  ongunstige  jaargetijde  dwong  echter 
van  dat  voornemen  af  te  zien  en  het  beleg  van  Saint-Omer  later 
aan  te  vangen.  —  Die  reden,  die  men  hier  bij  Rousset  vindt 
aangegeven,  kan  wel  goed  zijn,  maar  zij  is  toch  eenigszins  ondui- 
delijk :  waarom  werd  wegens  het  slechte  weer  wel  het  beleg  van 
Saint-Omer  uitgesteld,  en  daarentegen  niet  dat  van  Valenciennes  ? 


Den  isteo  Maart  komt  Louvois  voor  Valenciennes,  dat  berend 
wordt:  >het  is  het  afschuwelijkste  weer  dat  men  bedenken  kan" 
—  schreef  hij  aan  den  Koning  —  »en  ik  vrees  zeer  dat  Uwe 
Majesteit  de  reis  niet  zóó  zal  kunnen  doen  als  zij  voornemens 
was."  Denzelfden  dag  vertrok  Lodewijk  XIV  van  Saint-Germain ; 
den  4en  Maart  kwam  hij  bij  het  leger,  bijna  alleen;  zijn  bagage 
was  onderweg  gebleven,  evenals  de  rijtuigen  der  hovelingen.  Den 

WILLEM  m.  —  n.  16 


Digitized  by 


Google 


242  KRIJGS-  EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

eersten  nacht  sliep  hij,  geheel  gekleed^  in  zijn  koets;  aan  weers- 
zijden waren,  bij  de  portieren,  groote  vuren  aangelegd.  Het 
Koninklijke  leger  was  even  sterk  als  ten  vorigen  jare:  het  telde 
53  bataljons  en  130  eskadrons.  De  Koning  was  vergezeld  van 
Monsieur  (Orleans),  en  van  de  maarschalken  d'Humières,  De  La 
Feuillade,  Schomberg,  De  Lorge  en  Luxembourg. 

Neemt  men  de  gewone  sterkte  aan  voor  de  bataljons  en  eska- 
drons —  800  man,  en  160  paarden  — ,  dan  telde  dus  dit  Fransche 
leger  42  400  man  infanterie,  en  20  800  ruiters  of  dragonders,  dus 
in  het  geheel,  de  artillerie  niet  meegerekend,  een  63000  man. 

Men  had  een  sterk  leger,  en  Valenciennes,  dat  men  belegerde, 
was  een  vesting  van  grooten  omtrek;  vandaar,  dus,  dat  de  cir- 
cumvallatie-linie  eene  groote  uitbreiding  verkreeg,  eene  lengte 
van  verscheidene  uren  gaans,  en  dat  het  negen  dagen  duurde 
eer  die  linie  was  voltooid.  Den  Qca  Maart,  *s  avonds,  werden  de 
loopgraven  geopend  naar  de  zijde  van  Anzin,  tegen  de  noord- 
westelijke fronten;  op  welken  afstand,  wordt  niet  gezegd.  Op- 
gaven van  onze  zijde  houden  in,  dat  de  arbeiders  bij  de  opening 
van  de  loopgraven  beschermd  werden  door  6  bataljons  en  6 
eskadrons;  die  arbeiders^  3000  in  getal,  waren  getrokken  uit  de 
verschillende  korpsen  van  het  leger.  De  loopgraven  waren  op 
den  linkeroever  van  de  Schelde;  maar  op  den  rechteroever 
schijnen  ook  eenige  nadernissen  te  zijn  gemaakt,  bij  wijze  van 
afleiding  voor  den  hoofdaanval. 

Valenciennes  was  een  groote,  goed  versterkte  stad,  die  voor 
een  klein  gedeelte,  ten  noorden  en  ten  zuiden,  door  inundatiën 
was  gedekt;  de  Fransche  loopgraven,  op  den  linkeroever  van  de 
Schelde,  strekten  zich  uit  van  de  eene  inundatie  tot  de  andere^ 
en  waren  dus  daardoor  beter  verzekerd  tegen  uitvallen.  De 
hoofdaanval  der  Franschen  was  gericht  tegen  een  kroonwerk, 
vóór  de  poort  van  Anzin;  evenzeer  vóór  als  achter  dat  kroon- 
werk bevonden  zich  nog  een  paar  ravelijnen,  zoodat,  strikt 
genomen,  de  belegeraar  zich  meester  moest  maken  van  drie  ver- 
sterkte liniën,  alvorens  den  hoofd  wal  van  Valenciennes  te  be- 
reiken. Of  nu  die  versterkte  liniën  goed  in  orde  waren,  schijnt 
twijfelachtig;  de  wallen  waren  zonder  bekleedingsmuren ;  de 
grachten  waren  nat,  ten  minste  voor  een  deel.  De  bezetting  be- 
stond uit  2000  man  voetvolk  —  Spanjaarden,  Walen  en  Ita- 
lianen — ,  en  1000  ruiters  of  dragonders,  behalve  nog  eenige 
gewapende  burgers;  het  getal  dier  laatsten  schijnt  echter  niet 
groot  te  zijn  geweest;  en  men  kan  wel  aannemen,  dat,  voor 
eene  vesting  van  zoo  grooten  omvang,  de  bezetting  niet  sterk 
genoeg  was.  De  bevelhebber  was  de  markies  van  Rijsburg,  die 
echter  reeds  in  de  eerste  dagen  van  het  beleg  werd  gewond  en 
daardoor  de  verdediging  niet  langer  kon  besturen.  Wie  zijn  op- 
volger was,  is  niet  duidelijk. 


Digitized  by 


Google 


BELEG  VAN  VALENCIENNES.  243 

Den  i2en  Maart  komen  de  batterijen  van  de  belegeraars  in 
werking;  30  kanonnen  van  zwaar  kaliber  openen  hun  vuur  op 
de  vestingwerken ;  30  mortieren  werpen  bommen^  ook  in  de  stad. 
in  weerwil  van  sneeuw  en  regen  gaan  de  loopgraven  vooruit  en 
bereiken^  den  i6en  Maart,  den  teen  van  het  glacis;  hier  wordt 
•eene  parallel  gemaakt  van  bijna  900  meters  lengte.  Uitvallen 
<loet  de  belegerde  niet;  over  het  geheel  is  de  verdediging  zwak. 

Die  flauwe  tegenstand,  en  de  geringe  sterkte  der  bezetting, 
waarvan  men  door  overloopers  onderricht  is,  doen  Vauban  be- 
sluiten hier  af  te  wijken  van  de  langzame  en  stelselmatige  wijze 
van  handelen,  die  anders  het  kenmerk  is  van  de  door  hem  be- 
stuurde belegeringen.  Hij  stelt  den  Koning  voor,  het  hoornwerk 
te  laten  bestormen,  al  is  de  daarvóór  liggende  bedekte  weg  nog 
niet  genomen;  •maar,"  —  voegt  Rousset  er  bij  —  »om  het 
welslagen  van  zijn  stouten  aanval  te  verzekeren,  wilde  hij,  evenals 
de  Piins  van  Oranje  bij  het  laatste  beleg  van  Maastricht,  de 
bestorming  overdag  doen,  en  niet  's  nachts,  zooals  dit  gewoonlijk 
geschiedde."  De  andere  hoogere  bevelhebbers  zijn  meest  allen 
tegen  dat  voorstel;  maar  Vauban  weet  zijne  meening  door  te 
drijven  bij  Lodewijk  XIV. 

Den  i6en  Maart,  's  nachts,  worden  in  de  parallel  tegenover 
het  hoornwerk  twee  sterke  stormcolonnes  samengetrokken,  te 
zamen  een  4000  man  uitmakende.  Aan  de  spits  van  die  colonnes 
komen  de  twee  compagnieën  Mousquetaires ;  bij  de  eene  de 
Mousquetaires  noirs^  bij  de  andere  de  Mousquetaires  gris^  beide  aldus 
genoemd  naar  de  kleur  hunner  paarden.  Over  de  beide  afdee- 
lingen  werd  ook  verdeeld  de  compagnie  grenadiers  van  de 
Maison  du  Rot;  de  BJotorts  genaamd,  naar  den  naam  van  hun 
bevelhebber,  en  samengesteld  uit  de  beste  soldaten  van  dit  deel 
van  het  Fransche  leger.  Zoowel  de  Mousquetaires  als  de  Riotorts 
vochten  nu  eens  te  paard,  dan  weder  te  voet;  en,  infanterie  of 
cavalerie,  altijd  waren  het  uitstekende  soldaten,  keurtroepen. 

Den  geheelen  nacht  worden  bommen  geworpen  door  de  raor- 
tierbatterijen.  Den  17 en,  met  het  aanbreken  van  den  dag,  houdt 
dit  bombardement  van  lieverlede  op;  ook  het  kanonvuur  zwijgt 
meer  en  meer ;  totdat  om  8  uur  's  ochtends  negen  kanonschoten 
het  sein  geven  tot  den  storm.  De  4000  man  snellen  vooruit, 
vermeesteren  den  bedekten  weg,  beklimmen  het  hoornwerk  en 
nemen  het  in  een  oogenblik  en  bijna  zonder  verlies.  Hoezeer 
dat  hoornwerk  en  de  bedekte  weg  vrij  sterk  bezet  waren  door 
de  Spanjaarden,  was  de  wederstand  hier  toch  geheel  onbeduidend, 
denkelijk  ook  ten  gevolge  van  het  verrassende  van  den  aanval: 
dat  morgenuur  beschouwde  men  als  een  tijd  om  te  bekomen 
van  de  nachtelijke  vermoeienis;  men  dacht  dan  aan  geen  strijd. 

De   Mousquetaires  —  jeugdige  edellieden  —  vervolgen,  zonder 


Digitized  by 


Google 


244  KimOS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

bevel  daartoe,  de  terugtrekkende  bezetting;  de  Riotortt  —  oude 
soldaten  —  willen  de  Mousquetaires  niet  aan  hun  lot  overlaten, 
en  gaan  meê.  Den  ontmoedigden  vijand  steeds  op  den  voet  vol- 
gende, komen  die  compagnieën  van  het  eene  vestingwerk  in  het 
andere;  de  vijand  heeft  den  tijd  niet  om  barrières  te  sluiten  of 
bruggen  op  te  halen;  en  de  bestormers,  eindelijk  man  voor  man 
eene  smalle  loopbrug  overgaande,  bereiken  een  niet  gesloten 
kleine  poort,  dringen  daar  binnen,  en  breiden  zich  uit  op  den 
hoofdwal  van  Valenciennes.  De  compagnieën  der  bezetting,  die 
hier  hadden  moeten  zijn,  waren  grootendeels,  geen  aanval  ver- 
wachtende, binnen  de  stad  teruggekeerd.  Eer  zij  kunnen  terug- 
komen heeft  het  klein  aantal  bestormers  zich  in  de  nabijzijnde 
straten  genesteld,  het  geschut  op  den  wal  tegen  de  stad  gekeerd^ 
en  de  poort  van  Anzin  vermeesterd.  De  hoofdmacht  der  bestor- 
mers dringt  door  die  poort  naar  binnen,  en  Valenciennes  onder- 
werpt zich  zonder  verderen  tegenstand.  De  aanvallers  hadden 
slechts  een  40  man  verloren,  aan  dooden  en  gewonden.  —  Het 
was  een  schitterend  en  buitengewoon  wapenfeit,  maar  ontegen- 
zeggelijk was  de  verdediging  zeer  zwak. 

Omdat  Valenciennes  stormenderhand  was  genomen,  meenden 
de  overwinnnaars  recht  te  hebben  op  het  uitplunderen  van  de 
stad.  Louvois  belette  dit  echter ;  —  de  Spaansche  bezetting  werd 
krijgsgevangen,  en  hare  paarden  werden  aan  de  Mousquetaires 
gegeven,  ter  belooning  van  hunne  dapperheid.  De  graaf  d'Aligny, 
toen  wachtmeester  (tnaréchal  des  logis)  bij  de  eerste  compagnie 
Mousquetaires^  deelt .  in  zijne  gedenkschriften  hieromtrent  de  vol- 
gende bijzonderheid  mede,  die  het  eigenaardige  doet  uitkomen 
van  het  toenmalige  Fransche  krijgswezen: 

>De  heer  De  Louvois  was  in  de  stad  gekomen  om  alles  te 
regelen;  en  de  ruiterij  (de  Spaansche)  nog  te  paard  ziende  op 
de  groote  markt,  zeide  hij  haar,  op  ruwen  toon:  »heeren,  stijgt 
af".  En  daar  onze  compagnie  in  slagorde  tegenover  hen  stond, 
zei  de  heer  De  Louvois  tot  ons :  heeren  Mousquetaires^  de  Koning 
schenkt  u  die  paarden,  opdat  gij  niet  te  voet  zoudt  terugkeeren 
naar  het  kamp."  De  kolonel  van  de  dragonders  —  zijn  naam 
was  Vieu  —  kwam  bij  den  heer  De  Louvois,  om  hem  te  ver- 
zoeken dat  de  officieren  hunne  paarden  mochten  behouden; 
maar  de  minister  gebood  hem  op  dreigenden  toon,  onverwijld 
af  te  stijgen ;  en  daar  hij  zag  dat  ik  het  vaandel  droeg,  zeide  hij 
mij:  » mijnheer  d*Aligny,  wilt  gij  te  voet  naar  het  kamp  terug- 
keeren?"  Ik  antwoordde  hem,  dat  ik  mijn  paarden  liet  halen; 
waarop  hij  mij  zeide:  >ik  wil  dat  gij  het  paard  zult  nemen  van 
dien  kolonel";  —  zeker,  het  schoonste  paard  en  het  schoonste 
harnachement  van  het  garnizoen.  Ik  oordeelde  dat  ik  dit  niet 
kon  weigeren."  (Rousset,  blz.  289). 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAK  KAMERIJK.  245 

Dus,  de  soldaten  als  9 mijne  heercn"  aangesproken;  —  dit  is 
oiioder  vreemd  bij  de  Mousquetaires^  allen  edellieden,  die  op 
•grooten  voet  den  krijgsdienst  waarnemen,  en  die,  als  zij  te  voet 
gevochten  hadden,  later  hunne  paarden  deden  brengen;  maar 
«des  te  vreemder  is  het  ten  opzichte  van  de  Spaansche  dragon- 
ders, gewone  ruiters.  Ook  blijkt  hieruit,  dat  het  zoo  goed  als 
een  gebruik  was,  dat  een  krijgsgevangen  officier  zijn  paard  be- 
hield ;  en  dat  het  als  iets  bijzonders  wordt  vermeld,  dat  Louvois, 
op  ruwen  toon  {fort  brusquement)  den  Spaanschen  dragonders  het 
afstijgen  gelastte,  en  zelfs  hun  kolonel  door  bedreigingen  dwong 
•om  onverwijld  zijn  paard  af  te  geven. 


Ternauwernood  was  Valenciennes  gevallen,  of  aan  de  Fransche 
:zijde  ging  men  over  tot  nieuwe  belegeringen,  —  tot  twee  tegelijk : 
het  beleg  van  Kamerijk  en  dat  van  Saint-Omer.  Er  moet  bij  de 
Franschen  wel  de  overtuiging  hebben  bestaan  van  hunne  groote 
overmacht  en  van  de  onmogelijkheid  voor  den  vijand  om  iets 
ernstigs  te  ondernemen,  dat  zij  het  waagden  om  gelijktijdig  twee 
vestingen  aan  te  vallen,  die  15  k  20  uren  gaans  —  minstens  drie 
dagmarschen  —  van  elkander  waren  verwijderd.  De  Koning,  met 
<le  hoofdmacht  van  het  leger,  trok  naar  Kamerijk;  zijn  broeder, 
de  hertog  van  Orleans,  rukte  op  Saint-Omer  met  20  bataljons  en 
30  eskadrons,  denkelijk  dus  met  een  20000  man. 

Voor  de  duidelijkheid  zal  dat  beleg  van  Kamerijk  eerst  geheel 
vermeld  worden,  hoezeer  nog  gedurende  dat  beleg,  het  beleg 
van  Saint-Omer  is  begonnen  en  de  veldslag  van  Cassel  heeft 
plaats  gehad. 

Kamerijk  was  toen  eene  groote,  goed  bevestigde  stad;  welker 
vermeestering  ook  daarom  voor  de  Franschen  waarde  had,  omdat 
zij  daardoor  meester  zouden  zijn  van  een  aanmerkelijk  deel  van 
de  Schelde,  waar  zij  nu  reeds  Bouchain,  Valenciennes,  Condé  en 
Doornik  hadden;  het  hooger  gelegen  Kamerijk  was  een  schakel 
clie  nog  ontbrak  aan  die  keten  van  vestingen.  De  stad,  door- 
sneden door  de  Schelde,  lag  grootendeels  op  den  rechteroever 
van  dien  stroom;  daar  had  men  ook  het  kasteel,  of  citadel,  aan 
'de  noordoostzijde  van  de  stad  en  onmiddellijk  daar  aansluitende. 
De  bevelhebber  was  Don  Pedro  de  Zabala.  De  juiste  sterkte  van 
(de  bezetting  wordt  niet  genoemd;  maar  ónze  opgaven  zeggen, 
^at  het  een  vrij  goed  garnizoen  was,  bestaande  uit  1400  paarden 
en  de  regimenten  voetvolk  van  Vaudemont,  Molenbergh  en  Tilly, 
«een  lersch  regiment,  en  twee  oude  Spaansche  regimenten.  De 
regimenten  Molenbergh  en  Tilly  behoorden  denkelijk  lot  het 
ileger  van  de  Republiek,  misschien  ook  dat  van  Vaudemont. 

Bij  de  verdediging  van  Kamerijk  moet  men  eene  onderscheiding 


Digitized  by 


Google 


246  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

maken  tusschen   de   verdediging  van  de  stad,  en  die  van  de 
citadel;  de  eerste  is  zwak  geweest;  de  tweede  zeer  goed. 

Den  22steii  Maart  komt  Lodewijk  XIV  voor  Kamerijk,  en 
wordt  die  stad  berend.  Dadelijk  begint  men  te  arbeiden  aan  de 
liniën;  de  contrevallatie-linie  wordt  aangelegd  door  de  troepen; 
de  circumvallatie-linie  door  8000  boeren  uit  Picardië,  die  zeer 
ijverig  waren  met  dien  arbeid  omdat  zij  niets  liever  wenschten 
dan  verlost  te  worden  van  eene  vijandelijke  vesting,  die  hen 
blootstelde  aan  onophoudelijke  strooptochten.  Toen  de  liniën 
waren  voltooid,  werden,  den  28sten  Maart,  de  loopgraven  ge- 
opend tegenover  de  poort  van  Notre-Dame,  het  noordwestelijk 
gedeelte  van  de  stad,  op  den  rechteroever  van  de  Schelde;  de 
Fransche  loopgraven  sloten,  rechts,  aan  die  rivier;  op  den  lin- 
keroever werd,  ook  in  den  nacht  van  den  28steii  Maart,  een 
batterij  opgeworpen  om  de  buitenwerken  en  den  hoofdwal  van 
Kamerijk  d  revers  te  nemen. 

Onze  opgaven  zeggen,  dat  de  Fransche  werkers  bij  het  openen 
van  de  loopgraven  beschermd  werden  door  3  Hataljons  en  eenige 
eskadrons,  en  dat  de  Koning  zelf  daarbij  tegenwoordig  was.  Ii> 
een  brief  aan  Courtin,  den  Franschen  gezant  te  Londen,  schrijft 
Louvois,  dat  hij,  den  avond  van  het  openen  der  loopgraven 
Lodewijk  XIV  moetende  spreken,  vernam,  dat  de  Koning,  te 
paard,  met  Vauban  geheel  vooraan  was  bij  de  werkers,  en  dat 
hij  (Louvois)  het  niet  raadzaam  achtte  zoo  nabij  de  vesting  te 
komen.  Dit  heeft  wel  wat  van  eene  behendige  vleierij:  onze 
Koning  is  zóó  dapper,  dat  hij  zich  op  plaatsen  waagt,  die  voor 
mij  te  gevaarlijk  zijn. 

Den  3osien  Maart  opent  de  batterij  aan  de  overzijde  van  de 
Schelde  haar  vuur  op  de  vesting;  zij  was  bewapend  met  10  stuk- 
ken. Op  den  anderen  oever  begint  evenzoo  haar  vuur,  den 
31  sten  Maart,  eene  batterij  van  6  stukken,  en  den  isten  April 
eene  andere  van  7  vuurmonden;  de  eerste  van  die  twee  batte- 
rijen was  op  300,  de  tweede  op  slechts  100  pas  afstands  van 
den  bedekten  weg.  Dat  men  op  zoo  korte  afstanden  de  batterijen 
heeft  kunnen  opwerpen,  bewijst  dat  het  geschutvuur  uit  de  ves- 
ting alles  behalve  krachtig  is  geweest. 

Nog  in  een  ander  opzicht  blijkt  het  flauwe  van  de  verdediging. 
In  den  nacht  van  den  isten  April  wordt  de  bedekte  weg  be- 
stormd; maar  dit  was  eigenlijk  enf oneer  une  porte  ouverte:  men 
vond  niemand  in  dien  bedekten  weg,  en  kon  zich  daar  onge- 
hinderd ingraven.  Reeds  den  360  April  begint  de  stad  te  onder- 
handelen nopens  eene  overgave;  en  op  den  middag  van  den 
5en  trekken  de  Fransche  troepen  daar  binnen.  Onze  schrijvers 
deelen  de  gesloten  capitulatie  in  haar  geheel  mede ;  als  men  die 
leest  ziet  men,  dat,  in  het  stellen  der  voorwaarden  van  de  over- 


Digitized  by 


Google 


BELEG  VAN  KAMSRIJK.  247 

gave,  de  Katholieke  geestelijkheid  van  Kamerijk  den  boventoon 
heeft  gevoerd-,  misschien  is  ook  het  zwakke  van  de  verdediging 
der  stad  voor  een  deel  aan  den  invloed  dier  geestelijkheid  te 
wijten  geweest.  De  geheele  belegering  van  de  stad  had  aan  de 
Franschen  nog  geen  50  man  gekost,  aan  dooden  en  gewonden. 

De  bezetting  was  teruggetrokken  naar  de  citadel.  Reeds  vroeger 
hadden  de  belegeraars  van  gevangenen  vernomen,  dat  de  Spaansche 
bevelhebber  het  voornemen  had  om  al  zijn  ruiterij  binnen  de 
citadel  te  doen  teruggaan,  na  de  paarden  te  hebben  gedood^  op 
10  na  per  compagnie.  »Dat  besluit"  —  schrijft  Louvois  —  izal 
denkelijk  de  verdediging  van  de  citadel  een  dag  of  vier,  vijf 
bekorten;  want,  zijn  daar  zooveel  menschen  opeengehoopt,  dan 
zullen  die  denkelijk  van  oordeel  zijn  om  zich  over  te  geven, 
zoodra  het  eenmaal  bommen  regent.''  Die  profetie  van  Louvois 
is  niet  bewaarheid  geworden,  —  In  datzelfde  schrijven  beweert 
de  Fransche  minister  verder,  dat  als  hier  te  Kamerijk  een  zoo 
sterk  korps  ruiterij  te  niet  gaat,  en  wanneer  te  Saint-Omer  het- 
zelfde gebeurt,  de  Spaansche  landvoogd  Villa  Hermosa,  als  hij 
al  zijn  ruiterij  bijeenschraapt,  toch  niet  meer  dan  een  1000  of 
1200  ruiters  of  dragonders  zal  kunnen  te  velde  brengen. 

In  den  nacht  van  den  sen  April  worden  de  loopgraven  ge- 
opend; niettegenstaande  een  vrij  goed  gelukten  uitval  van  de 
belegerden,  gaat  de  belegeraar  echter  vooruit;  en  den  11  en  April, 
's  avonds,  bestormt  en  vermeestert  hij  den  bedekten  weg  en 
enkele  buitenwerken.  Dit  voordeel  was  echter  vrij  duur  gekocht: 
de  Franschen  verloren  bij  dien  storm  een  50  man  aan  dooden 
en  260  aan  gewonden ;  de  tegenstand  was  dus  krachtig  geweest. 
Den  i2en  April  maakt  de  belegeraar  in  den  bedekten  weg  drie 
bresbatterijen;  een  vierde  batterij,  voor  3  stukken,  wordt  in  de 
droge  gracht  zelve  opgeworpen ;  zij  was  bestemd  om  in  den 
voet  van  een  der  bastions  een  bres  te  maken,  groot  genoeg  om 
daar  een  mijn  te  kunnen  aanleggen  (loger  Ie  mineur).  Den  14611  April 
ondervonden  de  Franschen  een  niet  onbelangrijken  tegenspoed. 
Tegen  den  zin  van  Vauban  werd  toen,  op  klaarlichten  dag,  een 
ravelijn  aan  de  linkerzijde  van  den  aanval  bestormd;  men  was 
verlekkerd  geworden  door  wat  te  Valenciennes  was  gebeurd;  — 
maar  hier  ging  het  geheel  anders.  De  Franschen,  die  het  ravelijn 
waren  binnengedrongen,  werden  door  de  Spanjaarden  daar  weer 
uitgeworpen,  en  leden  een  aanmerkelijk  verlies:  25  hunner  offi- 
cieren werden  gedood  of  gewond;  50  soldaten  sneuvelden,  en 
200  werden  gewond. 

Toch  was  het  einde  van  de  verdediging  spoedig  te  voorzien; 
vooral  toen  aan  de  verdedigers  werd  meegedeeld  dat  Willem  III 
te  Cassel  was  geslagen  en  er  dus  geen  hoop  meer  was  op  ontzet. 
Bij  de  Fransche  bevelhebbers  bestond  toen  verschil  van  meening 


Digitized  by 


Google 


248  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

over  de  voorvraarden  die  men  bij  de  overgave  aan  de  bezetting 
moest  opleggen.  De  Quincy,  een  Brabandsch  edelman  die  vroeger 
in  Spaanschen  krijgsdienst  was  geweest  maar  nu  bij  het  Fransche 
leger  den  rang  bekleedde  van  Maréchal-de-camp^  was  van  oordeel 
dat  de  vijandelijke  bezetting  krijgsgevangen  moest  blijven.  Vauban 
daarentegen  wil  haar  vrijen  aftocht  gunnen:  «dringt  men  aan 
op  de  krijgsgevangenschap,  dan  duurt  de  verdediging  vijf  of  zes, 
mogelijk  tien  dagen  langer,  en  kost  ons  een  grooter  verlies  van 
een  7  k  800  man.  De  Koning  moet  zuinig  zijn  met  zijne  troepen; 
later  heeft  hij  ze  noodig,  aan  de  Duitsche  grenzen;  en  ik  voeg 
er  bij,  dat  hij  veel  meer  waarde  moet  hechten  aan  het  behoud 
van  honderd  zijner  onderdanen  dan  aan  het  verlies  van  duizend 
vijanden.  Bij  alles  wat  ik  daar  zeg  voeg  ik  nog  dit,  —  met  de 
aangeboren  vrijmoedigheid  waarmee  God  mij  heeft  bedeeld  — , 
dat  ik  het  niet  bijzonder  aangenaam  zou  vinden  om  belegerd 
te  worden  in  eene  vesting,  waar  men  mij,  bij  wijze  van  représaille^ 
krijgsgevangen  zou  kunnen  maken;  een  lot,  voor  mij  allerminst 
wenschelijk,  om  redenen  die  gij  even  goed  kent  als  ik.'' 

Welke  waren  die  redenen?  Voor  iedereen  zal  de  krijgsgevan- 
genschap wel  iets  zijn,  dat  juist  niet  wenschelijk  is;  waarom  voor 
Vauban  meer  dan  voor  anderen?  —  Uit  zijne  woorden  kan  men 
opmaken,  dat  het  toen  voor  de  bezetting  van  een  belegerde 
vesting,  mits  zij  zich  maar  niet  te  lang  verdedigde,  bijna  een 
soort  van  recht  was  om  vrijen  aftocht  te  bedingen. 

Lodewijk  XIV  schonk  zijne  goedkeuring  aan  de  meening  van 
Vauban;  en  nadat,  in  den  nacht  van  15  op  16  April,  het  vroeger 
bestormde  ravelijn  genomen  was  met  een  verlies  van  slechts 
15  man  aan  dooden  en  gewonden,  werd,  den  i6en  April  *s  och- 
tends, de  Spaansche  bevelhebber  opgeëischt  om  zich  over  te 
geven ;  —  deze  weigert,  en  antwoordt  dat  hij  in  de  eerste  dagen 
van  geen  overgave  wil  hooren.  Maar  op  den  middag  laten  de 
Franschen  de  mijn  springen,  in  een  der  bastions  aangelegd; 
eene  der  facen  van  dat  werk  wordt  daardoor  vernield  over  eene 
lengte  van  bijna  20  meters.  De  citadel  wordt  daarop  hard  ge- 
teisterd :  tegen  een  ander  bastion  hadden  reeds  in  den  nacht  van 
den  isen  op  den  i6en  April  twee  batterijen  met  12  kanonnen 
het  vuur  geopend,  en  dit  voortgezet  tot  den  i6en  's  avonds;  in 
dien  tijd  hadden  die  batterijen  5000  kanonschoten  gedaan,  met 
dat  gevolg,  dat  de  saillant  van  het  bastion  den  i6eQ  om  twee 
uur  des  namiddags  instortte,  met  eene  lengte  van  ongeveer 
20  meters  op  elke  face.  Op  die  gapende  bres  werd  toen  zonder 
tusschenpoozen  het  vuur  gericht  van  13  of  14  kanonnen  van 
den  belegeraar;  en  in  den  nacht  van  den  i6ea  op  den  lycn, 
werden  door  de  Franschen  steenmortieren  in  batterij  gebracht 
om    de    bres    te  be werpen.   Rousset  merkt  hierbij   op,  dat  de 


Digitized  by 


Google 


BELEG  VAN  SAINT-OMER.  249 

steenmortieren  reeds  in  het  jaar  1672  door  Vauban  waren  uit- 
gevonden. 

Don  Pedro  de  Zabala  begreep  toen,  dat  het  einde  der  ver- 
dediging daar  was;  den  i7en  April,  's  ochtends  om  negen  uur, 
opende  hij  onderhandelingen  tot  de  overgave,  die  door  Lode- 
wijk  XIV  op  welwillende  wijze  werden  ontvangen.  >  De  Koning," 
—  zoo  schrijft  Louvois  den  i8en  April  aan  Courtin  —  » heeft 
hem  een  zeer  eervolle  capitulatie  toegestaan,  ten  gevolge  waarvan 
hij*'  (Zabala)  «heden  middag  uittrekt  naar  Brussel,  en  aan  Zijne 
Majesteit  eene  vesting  ter  hand  stelt,  die  het  koninkrijk  ontzet- 
tend veel  kwaad  heeft  gedaan,  die  veiligheid  zal  verschaffen  aan 
meer  dan  een  millioen  van  zijne  onderdanen,  en  die  niet  ge- 
nomen is  kunnen  worden  door  twee  der  grootste  veldheeren" 
(d'Harcourt  en  Turenne),  »die  ooit  's  Konings  legers  hebben 
aangevoerd." — In  de  Hollandsche  Mercurius  komt  voor, 
dat  de  bezetting  bij  het  verlaten  van  de  citadel  nog  ruim  2000 
man  sterk  was,  waaronder  600  •  dragonders  en  Croaten".  Ook 
wordt  daaV  genoemd,  onder  de  officieren  die  over  de  capitulatie 
onderhandelden,  >de  kolonel  Buys",  denkelijk  van  een  der  regi- 
menten van  de  Republiek. 

Zeer  dikwijls  in  den  loop  van  dezen  oorlog  hebben  de  Span- 
jaarden hunne  Nederlandsche  vestingen  slecht  verdedigd;  groo- 
tendeels was  dit  daaraan  te  wijten,  dat  de  werken  dier  vestingen 
in  een  slechten  toestand  verkeerden;  dat  er  in  die  vestingen 
geen  voldoende  krijgsmacht  was  of  geen  voldoende  bewapening 
en  uitrusting,  en  vooral  ook  daaraan,  dat  de  bevelhebbers  van 
die  vestingen  vaak  menschen  waren  zonder  kennis  of  geestkracht, 
geheel  ongeschikt  voor  hunne  taak.  De  verdediging  van  de  citadel 
van  Kamerijk  vormt  echter  een  eervolle  uitzondering:  die  ver- 
dediging is  goed  geweest. 


Monsieur^  de  broeder  des  Konings,  was  voor  Saint-Omer  ver- 
schenen; maar  het  duurde  eenige  dagen  alvorens  hij  het  beleg 
van  die  vesting  begon.  Men  bepaalde  zich  aanvankelijk  tot  een 
berenning,  tot  het  opwerpen  van  een  circumvallatie-linie,  tot  het 
a&laan  van  een  tiitval  der  bezetting,  en  tot  het  vermeesteren 
van  een  buitenfort  aan  de  noordoostzijde  van  de  vesting.  Saint- 
Omer  ontleende  eene  vrij  groote  sterkte  aan  een  tamelijk  uitge- 
strekt moeras  —  of  meer,  hoe  men  het  noemen  wil  — ,  dat  zich 
langs  de  rivier  de  Aa  uitbreidde,  en  een  groot  deel  van  de  ves- 
ling  ontoegankelijk  maakte.  De  Hollandsche  Mercurius  be- 
weert zelfs,  dat  in  dat  moeras  of  meer  drijvende  eilandjes  waren, 
weiden  waarop  soms  runderen  graasden;  om  het  afdrijven  van 
die  eilandjes  te  beletten,  maakte  men  ze  met  touwen  vast  aan 
den  wal;  —  het  komt  overeen  met  de  drijvende  eilandjes  op 


Digitized  by 


Google 


250  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

het  meer  van  Mexico,  zooals  de  Spaansche  schrijvers  over  Ferdi- 
nand  Cortez  die  vermelden.  —  De  vestingwerken  van  Saint-Omer 
waren,  overigens,  van  een  gewone  sterkte ;  bezetting  en  bewape- 
ning schijnen  voldoende  te  zijn  geweest. 

Nog  niet  lang  was  het  Fransche  leger  voor  Saint-Omer,  toen 
zich  de  mare  verspreidde  dat  Willem  III  met  een  leger  tot  ontzet 
oprukte.  Volgens  Rousset  moeten  toen  de  raadslieden  van  Monsieur 
—  hijzelf  was  slechts  legerhoofd  in  naam  —  aanvankelijk  het 
hoofd  zijn  kwijtgeraakt,  maar  door  Louvois  weer  tot  bezinning 
zijn  gebracht;  de  Minister  schreef  den  31  sten  Maart  aan  den 
maarschalk  d'Humières,  die  bij  den  hertog  van  Orleans  was: 
» Zijne  Majesteit  bespeurt  dat  gij  van  meening  zijt,  dat  als  de 
Spaansche  en  HoUandsche  legers  naderen  om  Saint-Omer  te 
ontzetten,  aan  Monsieur  niets  anders  overblijft  dan  terug  te  trek- 
ken, tenzij  hij  spoedig  ondersteund  worde  door  de  infanterie,  die 
de  Koning  hem  zal  toezenden,  en  door  ruiterij  uit  de  vestingen 
in  Fransch  Vlaanderen.  Daarom  gelast  Zijne  Majesteit  mij,  u  te 
melden  dat,  hoezeer  de  Koning  niet  verlangt  dat  Monsieur  zich 
zal  blootstellen  aan  een  nederlaag,  het  hem  evenwel  zeer  veel 
leed  zou  doen,  indien  Monsieur  genoodzaakt  werd  tot  zulk  een 
terugtocht;  en  dat,  om  te  voorkomen  dat  hij  hiertoe  wordt  ge- 
noodzaakt, de  Koning  den^heer  De  Chamlay  heeft  afgezonden, 
met  eene  opgave  van  de  dragonders  die  Monsieur  gemachtigd  is 
bij  zich  aan  te  trekken  tot  versterking  van  zijn  leger.  Indien 
Mijnheer  de  Prins  van  Oranje,  Saint-Omer  te  hulp  wil  komen, 
zult  gij  daar,  vier  en  twintig  uur  vóór  zijn  komst,  een  goed  ge- 
zelschap bijeen  zien." 

>Denzelfden  dag"  —  vervolgt  Rousset  —  tzond  Lodewijk  XIV 
8  bataljons  en  10  veldstukken  naar  zijn  broeder.  Den  volgenden 
dag  vertrok  Louvois  naar  Rijssel,  van  waar  hij  bevelen  uitvaar- 
digde voor  de  ruiterij  van  alle  Vlaamsche  vestingen.  Den  3en  April 
schreef  hij  aan  Courtin:  >hier  zijn  27  eskadrons  ruiters  of  dra- 
gonders gekomen;  heden  komen  er  nog  4;  en  in  de  vestingen 
tusschen  hier  en  Aire  zijn  er  nog  20,  gereed  om  op  mijn  eerste 
bevel  op  marsch  te  gaan;  zoodat  als  Mijnheer  de  Prins  van 
Oranje  tegen  Monsieur  oprukt,  hij  20  000  man  voetvolk  en  1 5  000 
paarden  zal  vinden."  Den  6en  was  Louvois  terug  bij  den  Koning, 
vóór  de  citadel  van  Kamerijk;  dadelijk  vertrokken  9  andere 
bataljons  uit  het  Koninklijke  leger,  om  zich  bij  Monsieur  te 
voegen;  ook  de  maarschalk  De  Luxembourg  snelde  daarheen, 
met  de  twee  compagnieën  Mousquetaires,  Binnen  weinige  dagen 
zou  Monsieur  38  bataljons  en  80  eskadrons  onder  zijne  bevelen 
hebben;  men  besloot  dat  hij  den  Prins  van  Oranje  niet  binnen 
zijne  liniën  zou  afwachten ;  om  die  liniën  te  verzekeren  tegen  de 
aanslagen  van  de  bezetting  van  Saint-Omer  bleef  daar  een  klein 


Digitized  by 


Google 


BELEG  VAN   SAINT-OMER.  25 1 

aantal  geregelde  troepen,  waarbij  de  militie  uit  het  land  van 
Boulogne  zich  voegde;  met  het  overige  trok  Monsieur  den  vijand 
te  gemoet,  naar  de  vlakte  van  Cassel. 

Willem  III  werd  door  binnenlandsche  aangelegenheden  ver- 
hinderd vroeger  naar  de  Spaansche  Nederlanden  te  vertrekken; 
hij  had  zich  moeten  moeien  met  geschillen  in  Groningen;  ook 
was  hij  herhaaldelijk  op  reis  geweest  naar  de  zijde  van  Kleef 
en  van  Wezel,  om  eene  samenkomt  te  hebben  met  den  keurvorst 
van  Brandenburg;  —  van  die  samenkomst  kwam  echter  niets, 
doordien  de  Keurvorst  telkens  ziek  werd.  Den  8«ten  Maart  was 
de  Stadhouder  weer  in  Den  Haag  gekomen ;  toen  kwam  het  be- 
richt dat  Valenciennes  werd  aangevallen;  maar  niemand  had 
gedacht  dat  die  vesting  zoo  spoedig  zou  bezwijken.  Intusschen 
deed  Willem  III  onverwijld  de  infanterie  uit  Holland  te  water 
naar  Bergen-op-Zoom  vervoeren ;  de  ruiterij  trok  over  land  naar 
Roozendaal.  Na  nog  een  vergeefsche  reis  naar  Gelderland  om  den 
keurvorst  van  Brandenburg  te  ontmoeten,  vertrok  de  Stadhouder 
den  2osten  Maart  van  Den  Haag  naar  Breda,  en  rukte  van  daar 
met  het  leger  van  de  Republiek  op  Antwerpen,  waar  hij  eene 
samenkomst  had  met  Villa  Hermosa,  den  Spaanschen  landvoogd 
over  de  Nederlanden.  Men  wist  toen  reeds  dat  Valenciennes  was 
gevallen;  maar,  vernemende  dat  ook  Kamerijk  en  Saint-Omer 
werden  belegerd,  wilde  Willem  III  het  ontzet  van  die  vestingen 
beproeven;  allereerst  werd  Saint-Omer  daartoe  uitgekozen,  als 
de  meest  nabijzijnde.  Het  Hollandsche  leger  rukte  daarop  naar 
Vlaanderen;  algemeen  wordt  de  sterkte  van  dat  leger  op  een 
30000  man  geschat.  Volgens  Waldeck's  levensbeschrijving  zou 
dat  leger  uitsluitend  hebben  bestaan  uit  troepen  van  de  Repu- 
bliek; andere  opgaven  zeggen  dat  er  toch  ook  een ige  Spaansche 
troepen  bij  zijn  geweest,  hoewel  in  geringen  getale.  De  hulp- 
troepen van  de  Duitsche  vorsten  —  Brandenburg,  Munster,  Zeil, 
Wolfenbüttel  enz.  —  waren  nog  niet  te  velde. 

Een  veldslag  werd  voorzien;  en  de  «Hoog  Mogenden"  ver- 
zuimden dan  ook  niet  om  een  >algemeenen  vast-  en  bededag", 
in  de  eerste  dagen  van  April,  uit  te  schrijven:  in  gevaarvolle 
tijden  was  men  toen  gewoon  's  Hemels  bescherming  in  te  roepen ; 
maar  men  was  tevens  verstandig  genoeg  om  de  zorg  voor  de 
stoffelijke  middelen  niet  uit  het  oog  te  verliezen;  het  y^aide  toi^ 
Ie  ciel  t*aidera'*  was  het  richtsnoer  onzer  voorouders.  In  die  aan- 
schrijving van  de  Staten-Generaal  wordt  vooral  aangedrongen 
om  's  Hemels  zegen  af  te  bidden  voor  Willem  III:  »en  dat  Godt 
de  Heere  tot  dien  eynde  hooggemelde  Sijn  Hoogheyt,  aen  wiens 
conservatie  den  Staet  deser  landen  soo  hooghlijck  is  gelegen, 
voor  alle  gevaer  en  onheyl  wille  beschutten,  beschermen  ende 


Digitized  by 


Google 


252  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

bewaren,  ook  den  selven  hoe  langer  soo  meer  begaven  met  den 
geest  der  wijsheydt,  voorsichtigheyt,  dapperheyt  ende  kloeckmoe- 
digheyt,  in  alle  het  geene  Sijn  Hoogheydt  ten  dienste  ende  wel- 
wesen  van  ons  algemeene  lieve  Vaderlandt  ende  van  onse  hooge 
Geallieerde,  in  ende  geduurende  de  aenstaende  campagne,  met 
de  waepenen  van  den  Staet  te  lande^  ende  de  navale  macht  te 
water,  sal  komen  aen  te  vangen  ende  t'  ondernemen,  of  doen 
aenvangen  en  ondernemen,  alles  tot  grootmaeckinge  van  Godes 
Heyligen  name,  voortplantinge  van  de  ware  Christelijcke  Gere- 
formeerde Religie,  conservatie  van  onse  so  diergekochte  vrijheyt, 
ende  onser  aller  zielen  zaligheyt." 

Niemand  die  toen  de  spotzucht  zóöver  dreef  om  hardop  te 
vragen,  welk  een  rechtstreeksch  verband  er  toch  bestond  tus- 
schen  de  uitkomst  van  den  slag  van  Cassel  en  >  onser  aller 
zielen  zaligheyt." 

Den  4eo  April  staat  het  Hollandsche  leger  nabij  Brugge,  naar 
de  zijde  van  Oostende;  Willem  III  had  zijn  hoofdkwartier  te 
Varssenaere,  een  dorp  op  ongeveer  een  uur  afstands  van  Brugge. 
Van  daar  wordt  de  marsch  gericht  op  Iperen ;  en  vervolgens  op 
Cassel,  —  of  Mont-Cassel,  zooals  die  plaats,  op  een  hoogte  ge- 
legen, door  de  Fransche  schrijvers  genoemd  wordt.  Cassel  ligt 
een  dagmarsch  —  ongeveer  4  uur  gaans  —  van  Saint-Omer. 
Den  9en  April,  *s  avonds^  komt  het  Hollandsche  leger  te  Maria- 
Capel,  een  dorp  nabij  Cassel;  den  volgenden  dag  wil  de  Stad- 
houder den  marsch  voortzetten  naar  Lebac,  een  dorp  slechts 
een  half  uur  gaans  van  Saint-Omer  verwijderd,  en  van  waar  men, 
over  het  moeras  bij  de  Aa,  gemakkelijk  die  vesting  te  hulp  kan 
komen  en  hare  belegering  dus  zoo  goed  als  onuitvoerbaar  maken. 
De  Stadhouder  krijgt  wel  bericht,  dat  hij  op  zijn  marsch  naar 
Lebac  het  Fransche  leger  zal  ontmoeten,  noaar  dit  verandert 
niets  in  zijn  besluit:  hij  wil  zich  door  dat  leger  heenslaan. 

De  dag  van  den  loen  April  was  voor  dien  veldslag  bestemd; 
maar  bij  den  opmarsch  van  Maria-Capel  —  of  van  Cassel  — 
-ondervond  men  zooveel  belemmering  en  oponthoud  door  het 
moeielijke  terrein,  door  heggen  en  slooten,  dat  het  te  laat  werd 
om  nog  dien  dag  den  vijand  aan  te  vallen;  had  men  het  ge- 
daan, men  had  meer  kans  op  overwinning  gehad;  want  de  9 
laatste  bataljons,  door  Lodewijk  XIV  van  de  hoofdmacht  afge- 
zonden, kwamen  eerst  in  den  nacht  van  den  loen  op  den  ijen  April 
bij  het  leger  van  Monsieur  aan.  Maar  er  werd  den  loen  niet 
aangevallen;  en  de  macht  van  Willem  III  legerde  zich  aan  den 
oever  van  eene  beek,  de  Peene,  tegenover  en  op  korten  a&tand 
van  het  Fransche  leger. 

De  Stadhouder  deed,  voor  den  aanval  van  den  volgenden  dag, 
>onverwijld  bruggen  slaan  over  de  Peene,  en  won  bij  gidsen  en 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   SAINT-OMER.  253 

andere  deskundigen  inlichtingen  in  aangaande  de  landstreek;  — 
allen  verklaarden  hem  eenparig  dat,  was  hij  eenmaal  de  beek 
over,  er  geen  terrein  afscheiding  meer  was  die  belette  om  het 
Fransche  leger  te  naderen.  Toch  ondervond  men  den  volgenden 
dag,  dat  die  verklaringen  onjuist  waren:  de  Peene  had  twee 
armen;  of,  als  men  wil,  er  waren  twee  beken  tusschen  de  beide 
legers,  zoodat,  toen  het  leger  der  Republiek  den  iien  de  eene 
beek  over  was,  het  tot  zijn  verbazing  nog  een  tweede  beek  tus- 
schen zich  en  den  vijand  vond. 

Zóó  staat  in  het  legerbericht  van  Willem  III  en  in  andere 
opgaven  van  onze  zijde.  —  Enkele  aanmerkingen  hierop. 

Vooreerst,  dat  die  tweede  beek  nog  al  zeer  onbeduidend  moet 
zijn  geweest,  want  zoowel  het  eene  als  het  andere  leger  zijn 
haar  o  vergetrokken,  zonder  dat  men  vermeld  vindt  dat  dit  met 
eenige  bijzondere  zwarigheden  ging  gepaard.  Ten  tweede,  dat 
het  ons  zeer  onwaarschijnlijk  voorkomt,  dat  al  die  gidsen  of 
berichtgevers  het  bestaan  van  die  tweede  beek  hebben  verzwegen. 
Meer  waarschijnlijk  is  het,  dat  men  die  berichtgevers  niet  goed 
heeft  verstaan,  misschien  niet  goed  heeft  willen  verstaan.  In 
zijn  onstuimig  verlangen  naar  een  veldslag  cijferde  Willem  III 
liefst  alle  zwarigheden  weg.  Eindelijk,  ten  derde,  moet  hier  ge- 
wezen worden  op  het  groote  verschil  in  de  terreinkennis  tijdens 
de  hedendaagsche  oorlogen  en  die  van  de  zeventiende  eeuw.  Bij 
een  oorlog  heden  ten  dage  —  ten  minste  bij  een  oorlog  in  het 
beschaafde  Europa  —  heeft  men  nauwkeurige  kaarten,  die  het 
terrein  tol  in  bijzonderheden  doen 'kennen,  en  dus  vergissingen, 
zooals  die  waarover  Willem  III  klaagt,  onmogelijk  maken.  In  de 
zeventiende  eeuw  miste  men  die  hulpmiddelen. 

Daar  dit  onderwerp  hier  toch  ter  sprake  gekomen  is,  moet 
eene  bijzonderheid  worden  aangehaald  die  bij  Rousset  voorkomt 
(2*  deel,  blz.  301),  en  die  aantoont  hoe  gebrekkig  toen  zelfs  de 
legerhoofden  van  kaarten  waren  voorzien.  Louvois  schrijft  den 
1300  April  aan  Luxembourg  om  hem  geluk  te  wenscheii  met  de 
overwinning  van  Cassel,  en  zegt  verder  in  dien  brief:  »gij  hebt 
de  bagage  geplunderd  van  Mijnheer  den  Prins  van  Oranje;  zijn 
zilverwerk  of  zijn  tafelgoed  vraag  ik  u  niet;  maar  ik  vraag  u 
zijn  kaarten ;  heb  de  goedheid  die  zorgvuldig  te  verbergen,  opdat 
gij  niet  genoodzaakt  wordt  ze  aan  iemand  ten  geschenke  te 
geven."  —  >Zijn  kaarten";  —  dat  Louvois  daarom  vraagt, 
duidt  aan,  dat  men  in  het  Fransche  hoofdkwartier  die  kaarten 
niet  had.  Dat  die  kaarten  van  Willem  III  trouwens  nog  veel 
te  wenschen  overlieten,  bewijst  zijne  gebrekkige  kennis  van  het 
terrein  waarop  is  gestreden. 


De   iie  April   1677   is  een  van  die  dagen  geweest,  toen  niet 

Digitized  by  VjOOQIC 


254  KRIJGS-  £N  G1ESCHI£DKUNDIGB  BESCHOUWINGEN. 

zeldzaam  in  oaze  geschiedenis,  waarbij  Frankrijk's  leger  met  dat 
der  Republiek  om  den  prijs  der  zege  heeft  gedongen;  het  wis- 
selend krijgsgeluk  is  dien  dag  aan  Frankrijk's  zijde  geweest;  te 
Cassel  heeft  het  oranje  vaandel  moeten  onderdoen  voor  de  lelie- 
vaan; maar...  eerst  na  eervoUen  strijd. 

Over  de  sterkte  van  de  wederzijdsche  legers  te  Cassel  zijn  de 
opgaven  eenigszins  uiteenloopend.  Door  Bosscha,  en  in  andere 
opgaven,  wordt  beweerd  dat  de  beide  legers  nagenoeg  gelijke 
sterkte  hadden,  elk  een  30  000  man ;  Muller  daarentegen^  m  zijn 
pnihelm  III  von  Oranten  und  Georg  FrUdrich  von  IValdeck^  zegt, 
dat  het  Fransche  leger  een  derde  sterker  was  dan  het  Hollandsche ; 
die  opgave  van  Muller  komt  ons  als  de  meest  juiste  voor.  Willem  UI 
begroot  het  leger  van  Orleans  op  39  bataljons  en  100  eskadrons; 
hij  zwijgt  daarentegen  over  de  sterkte  van  zijn  eigen  leger.  Om- 
gekeerd zwijgen  de  Fransche  opgaven  over  de  sterkte  van  hun 
eigen  leger,  maar  zeggen,  dat  Willem  III  een  30000  man  aan- 
voerde. Het  is  een  vreemde  eigenaardigheid  van  de  krijgsbe- 
richten  van  dien  tijd,  dat  men  daarin  meestal  wel  's  vijands 
sterkte  vermeldt,  die  men  niet  kent ;  maar  niet,  de  eigene  sterkte, 
die  men  wel  kent. 

Het  slagveld  leverde  geen  bijzondere  voor-  of  nadeelen  op. 
£r  was,  zooals  reeds  gezegd  is,  een  beek  tusschen  de  beide 
legers,  en  daardoor  kon  dus  de  aanvaller  eenig  bezwaar  onder- 
vinden ;  maar  uit  het  beloop  van  den  strijd  kan  men  niet  opmaken^ 
dat  dit  bezwaar  van  eenigszins  gewichtigen  aard  is  geweest.  Over 
het  geheel  genomen  kan  men  de  landstreek  eene  vlakte  noemen^ 
met  heggen  en  slooten  doorsneden,  en  hier  en  daar  kleine  hoogten 
vertoonende,  waarop  meestal  een  molen  stond.  Het  Fransche  leger 
was  in  slagorde  geschaard,  op  twee  liniën,  met  eene  reserve;  de 
rechtervleugel  leunde  aan  de  hoogte  van  Aplinghen,  de  linker 
aan  den  molen  van  Balenberghe;  —  op  onze  oude  kaarten  staan 
die  beide  plaatsen  niet.  Voorwaarts  van  den  Franschen  linker- 
vleugel had  men  de  abdij  van  Peene,  vlak  aan  de  beek,  maar 
aan  de  Fransche  zijde.  d'Humières  voerde  den  rechtervleugel 
aan,  Luxembourg  den  linker,  en  in  het  centrum  was  Monsieur 
met  den  generaal  Du  Plessis.  Bij  het  Hollandsche  leger,  tegen- 
over dat  des  vijands  in  slagorde  geschaard,  werd  de  rechter- 
vleugel aangevoerd  door  den  graaf  van  Hoorne,  de  linker  door 
den  graaf  van  Nassau-Saarbruck ;  Willem  III  en  Waldeck  waren 
in  het  centrum;  —  juister  gezegd,  de  Stadhouder  was  overal. 

De  legers  zijn  over  de  geheele  uitgebreidheid  van  de  slaglinie 
met  elkander  in  gevecht  gekomen;  zoodat  die  slag  van  Cassel 
gerangschikt  moet  worden  onder  de  dusgenoemde  evenwijdige 
veldslagen.  Toch  schijnt  men  uit  de  Fransche  opgaven  te  moeten 
opmaken  dat  Willem  III  het  voornemen  heeft  gehad  om  voor- 
namelijk met  zijn  rechtervleugel  aanvallend  te  werk  te  gaan,  en 


Digitized  by 


Google 


VELDSLAG  VAN  CASSEL.  255 

daartoe  dit  gedeelte  van  zijne  slaglinie  versterkte  met  een  goed 
deel  van  de  ruiterij  van  zijn  linkervleugel.  Wij  moeten  hier  echter 
bijvoegen,  dat  deze  bijzonderheid  niet  voorkomt  in  het  legerbe- 
richt  van  den  Stadhouder  en  in  andere  opgaven  van  onze  zijde. 
Toch  is  het  zeer  goed  mogelijk,  dat  die  Fransche  opgave  juist  is. 

Vroeg  in  den  morgen,  de  dag  was  nauwlijks  aangebroken, 
begon  de  strijd.  £en  regiment  Hollandsche  dragonders  van  den 
rechtervleugel  ging  de  beek  over,  en  verdreef  een  kleine  Fransche 
afdeeling  uit  de  abdij  van  Peene.  Van  's  vijands  zijde  deed  men 
toen  pogingen  om  die  abdij  te  hernemen;  en  daartoe  rukte  het 
regiment  van  Anjou  op  (voetvolk),  met  4  stukken  geschut,  en 
gevolgd  door  een  regiment  ruiterij.  De  dragonders  van  den  Stad- 
houder werden  daarop  versterkt  door  infanterie;  er  werd  een 
vrij  hevig  gevecht  gevoerd  om  het  bezit  van  de  abdij;  het  ein- 
digde daarmede,  dat  de  Hollandsche  troepen  dat  gebouw  ont- 
ruimden, na  het  eerst  in  brand  te  hebben  gestoken,  waardoor  ook 
de  Fransche  troepen  gedwongen  werden  van  daar  af  te  houden. 

Dat  gevecht  om  de  abdij  van  Peene  was  evenwel  slechts 
een  voorspel;  de  eigenlijke  veldslag  begon  pas  om  tien  uur 
's  ochtends. 

Op  den  Franschen  linkervleugel  werd  Luxembourg  aangevallen 
door  de  Hollandsche  ruiterij,  die,  de  beek  o  vergetrokken  zijnde, 
zich  in  een  langdurig  gevecht  met  den  vijand  wikkelde.  De  kan- 
sen bij  dien  strijd  bleven  lang  afwisselend;  en  indien  het  zeker 
is,  dat  Luxembourg  hier  niet  werd  overhoop  geworpen,  zoo  is 
het  even  zeker  dat  hij  de  grootste  inspanning  en  al  zijn  geest- 
kracht noodig  had  om  den  vijand  tegen  te  houden.  Ook  in  het 
centrum  streed  het  Hollandsche  leger  niet  zonder  voordeel.  Na 
een  heng  kanonvuur  was  de  Fransche  infanterie  daar  aanvallend 
opgetreden;  zij  trok  de  beek  over  en  drong  aanvankelijk  de 
Hollandsche  troepen  eenigszins  terug,  toen  plotseling,  door  ruiterij 
die  de  Stadhouder  van  zijn  rechtervleugel  aanbracht,  die  Fransche 
infanterie  in  de  flank  werd  gevallen  en  in  verwarring  op  de  beek 
teruggeworpen.  Monsieur  rukte  toen  vooruit  mei  zijn  tweede  linie, 
om  in  het  centrum  het  gevecht  wat  te  herstellen;  en  spoedig 
werd  hij  daarin  begunstigd  door  de  beslissende  voordeelen,  die 
de  Fransche  rechtervleugel  toen  had  behaald. 

Volgens  de  Fransche  opgaven  moeten  hunne  legerhoofden  ge- 
zien of  bespeurd  hebben,  dat  Willem  III  eene  sterke  afdeeling 
ruiterij  van  zijn  linkervleugel  naar  zijn  rechtervleugel  had  afge- 
zonden, en  moet  toen  de  maarschalk  d'Humières  den  hertog 
van  Orleans  hebben  overgehaald  om  dadelijk  aan  te  vallen  op 
den  verzwakten  linkervleugel  des  vijands:  >hij  deed  zich  door 
Monsieur  het  bevel  geven  om  dien  verzwakten  vleugel  aan  te 
vallen,"  —  zegt  Rousset;  eene  uitdrukking  die  een  juist  denk- 


Digitized  by 


Google 


256  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

beeld  geeft  van  de  wijze  waarop  toen  bij  het  Fransche  leger  het 
opperbevel  werd  gevoerd. 

d'Humières  trekt  de  beek  over^  met  den  rechtervleugel  van 
de  Fransche  slaglinie.  De  twee  compagnieën  Mousquetaires  zijn 
voorop;  en  aan  de  overzijde  van  de  beek  heggen  vindende  die 
door  Hollandsche  infanterie  bezet  zijn,  stijgt  die  Fransche  keur- 
bende van  hare  paarden  om  als  voetvolk  werkzaam  te  zijn.  Die 
Hollandsche  infanterie  achter  de  heggen  bestond  uit  twee  batal- 
jons, maar  Willem  III,  het  gevaar  inziende  dat  daar  dreigde, 
deed  ijlings  drie  andere  bataljons  oprukken  om  den  twee  voor- 
sten tot  ruggesteun  te  dienen.  Het  baatte  niet.  De  Mousquetaires, 
met  de  gewone  onverschrokkenheid  aanvallende,  ondervonden 
—  volgens  de  Fransche  opgaven  —  aanvankelijk  nog  al  tegen- 
stand, zoodat  een  veertigtal  dier  jeugdige  Fransche  edellieden 
door  het  geweervuur  der  Hollanders  werd  neergeschoten.  Onze 
opgaven  omtrent  de  verdediging  zijn  geenszins  zoo  gunstig,  maar 
houden  in,  dat  die  twee  bataljons  zonder  gevecht  zijn  terugge- 
gaan. Willem  III,  die  de  zaken  niet  bewimpelt,  maar  dikwijls  de 
hardste  woorden  gebruikt,  zegt  in  zijn  legerbericht  van  die 
bataljons:  zij  » quitteerden  haer  post  infamelijck,  soodra  den 
vijant  op  haer  aenquamen". 

Die  twee  vluchtende  bataljons  storten  zich  op  de  drie  bataljons 
die  daarachter  staan;  ook  deze  komen  in  verwarring,  ook  deze 
gaan  terug.  De  heggen  op  den  linkervleugel  van  de  Hollandsche 
slaglinie  gaan  verloren,  en  worden  bezet  door  het  voetvolk  van 
d'Humières.  Ook  zijn  ruiterij  is  nu,  in  haar  geheel,  de  beek 
over;  en  de  Mousquetaires,  weer  te  paard  stijgende,  sluiten  zich 
daarbij  aan.  Nu  hebben  hier  ruitergevechten  plaats,  waarbij  de 
Hollandsche  ruiterij  wél  zeer  goed  haar  plicht  doet,  maar  toch 
niet  in  staat  is  om  voortdurend  den  vijand  tegen  te  houden.  De 
ruiterij  van  d'Humières  valt  nu  ook  in  de  flank  aan  op  het 
Hollandsche  centrum;  en  dit,  in  front  aangetast  door  het  voet- 
volk van  Monsieur,  wordt  gedwongen  terug  te  gaan;  en  die 
voordeelen  van  zijne  wapenbroeders  opmerkende,  dringt  Luxem- 
bourg  nu  ook  door  met  den  linkervleugel,  en  drijft  ook  hij  den 
vijand  terug. 

De  strijd  was  beslist;  voor  Willem  III  viel  er  niet  aan  te 
denken  om  dien  langer  vol  te  houden;  de  terugtocht  was  eene 
noodzakelijkheid.  Die  terugtocht  werd  op  zeer  goede  wijze  be*» 
schermd  door  de  Hollandsche  ruiterij;  en  het  is  ijdele  groot- 
spraak wanneer  in  de  Fransche  opgaven  gezegd  wordt,  dat  het 
geheele  leger  van  Willem  ITI  verloren  zou  zijn  geweest,  indien 
niet  de  Fransche  ruiterij  zich  bezig  had  gehouden  met  het  plun- 
deren van  de  bagage  der  Hollanders.  De  waarheid  is,  dat  het 
Hollandsche  leger  in  orde  terugtrok,  en  zonder  door  den  vijand 


Digitized  by 


Google 


VELDSLAG  VAN  CASSEL.  257 

ernstig  te  worden  vervolgd.  Nassau-Saarbruck  trok,  met  eene 
sterke  ruiterafdeeling,  ten  zuiden  van  Cassel  terug ;  Willem  UI  en 
Waldeck,  met  het  overige  des  legers,  ten  noorden  van  die  stad; 
een  klein  uur  verder,  te  Steen  voort,  vereenigden  zich  die  beide 
afdeelingen;  en  nog  dien  avond  werd  de  marsch  voortgezet  tot 
Poperingen,  een  kleinen  dagmarsch  van  Cassel  verwijderd.  Den 
i2en  April  trok  men  Iperen  door,  en  legerde  men  zich  in  de 
dorpen  op  den  weg  naar  Brugge;  nog  den  volgenden  dag  was 
de  Stadhouder  te  Iperen.  Van  eene  krachtige  vervolging  door 
den  vijand  is  hier  schijn  noch  schaduw. 

De  slag  van  Cassel  was  een  nederlaag  voor  ons;  —  maar  een 
nederlaag  die  niets  beslissends  had,  en  geen  ander  gevolg  dan 
dat  de  vesting,  die  men  wilde  ontzetten,  nu  moest  bezwijken. 
Volgens  de  Fransche  opgaven  heeft  het  leger  van  den  Stad- 
houder hier  verloren  een  3000  man  aan  dooden,  4  k  5000  aan 
gewonden,  2500  aan  gevangenen,  40  vaandels,  14  standaarden, 
al  het  geschut,  de  munitie  en  den  levensvoorraad;  denkelijk  zal 
in  die  opgave  wel  de  noodige  overdrijving  zijn ;  maar  met  zeker- 
heid kan  men  niets  daarvan  zeggen,  dewijl  er  van  onze  zijde 
geen  opgaven  voorkomen  van  de  verliezen.  Alleen  blijkt  uit  ééne 
plaats  m  Waldeck's  brieven,  dat  het  geschut  van  het  HoUandsche 
leger  te  Cassel  heeft  bestaan  uit  acht  veldstukken.  —  Hun  eigen 
verliezen  begrooten  de  Franschen  op  een  1200  dooden  en  een 
2000  gewonden. 

De  persoonlijke  dapperheid  van  Willem  UI,  ook  in  dezen 
strijd,  wordt  in  verschillende  opgaven  gehuldigd ;  overal  was  hij 
waar  de  kamp  het  hevigst  was,  en  het  harnas  dat  hij  droeg 
werd  tot  tweemaal  toe  getroffen  door  vijandelijke  kogels.  Trou- 
wens^ het  is  haast  overtollig  om  te  gewagen  van  de  dapperheid 
des  Stadhouders:  die  heeft  zich  nooit  verloochend,  noch  bij  zijne 
menigvuldige  veldslagen  en  belegeringen,  noch  bij  andere  ge- 
varen; ontegenzeggelijk  was  het  een  heldennatuur.  Indien  men 
aan  Willem  in  te  dezen  aanzien  een  verwijt  kan  doen,  dan  is 
het  dat  hij  te  veel  moed  had;  hij  waagde  zich  vaak  op  roeke- 
looze  wijze;  hij  speelde  met  zijn  leven;  —  en  bij  een  veldslag 
had  zijn  leven  nog  te  meer  waarde,  omdat  hij  niet  gewoon  was 
zijne  ontwerpen  mede  te  deelen  aan  zijn  onderbevelhebbers,  en 
dus  de  dood  van  den  veldheer  de  geheele  werking  van  het  leger 
had  kunnen  verlammen.  Men  vindt  die  bijzonderheid  in  eene 
levensschets  van  Coehoom,  door  diens  zoon;  daarin  wordt  van 
Willem  III  gezegd  (blz.  29 — 30): 

«Nooit  heeft  een  vorst  zooveel  uitstekende  hoedanigheden 
vereenigd.  Maar  hij  had  één  gebrek,  als  men  het  zoo  noemen 
mag;  en  dat  grootendeels  de  oorzaak  is  geweest  van  de  slechte 
uitkomst  van  de  meeste  door  hem  geleverde  veldslagen;  dat  is: 

wiLLRM  Til.  —  n.  17 

Digitized  by  VjOOQIC 


2$S  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

dat,  als  hij  zijne  beschikkingen  had  genomen^  hij  die  nooit  aan 
iemand  mededeelde;  zoodat,  daar  alle  bevelen  rechtstreeks  van 
hem  moesten  komen,  de  generaals  nooit  tijdig  genoeg  wisten 
wat  zij  moesten  doen;  hetgeen  ten  gevolge  had,  vooral  wanneer 
er  eene  verkeerde  beweging  werd  gedaan,  of  wanneer  er  eenige 
verwarring  ontstond,  dat  die  veldslagen  gewoonlijk  óf  verloren 
werden,  óf  onbeslist  bleven." 

Of  dit  verwijt,  door  Coehoorn's  zoon  tegen  Willem  III  inge- 
bracht, al  dan  niet  gegrond  is,  valt  moeilijk  te  zeggen.  Zooveel 
is  zeker,  dat  indien  de  Stadhouder  t  e  dapper  was,  dit  niet  anders 
is  geweest  dan  de  overdrijving  van  eene  deugd;  dat  die  groote 
dapperheid  bij  Willem  III  voortsproot,  eensdeels  uit  plichtbesef, 
om,  door  zijn  voorbeeld,  ook  de  dapperheid  van  zijne  soldaten 
ten  hoogsten  top  te  Voeren,  en  anderdeels,  uit  een  vast  en  onwan- 
kelbaar geloof  aan  een  Goddelijk  albestuur,  dat  's  menschen  lot 
naar  onveranderlijke  wetten  regelt.  Zulk  een  geloof — men  moge 
het  fatalisme  noemen  —  kweekt  ontegenzeggelijk  heldengeest. 

Behalve  door  zijn  voorbeeld  wist  Willem  III  ook  door  onver- 
biddelijke strengheid  zijne  soldaten  tot  moed  en  plichtsbetrach- 
ting te  brengen.  Dit  ondervonden  ook  nu  de  korpsen  die  zich 
te  Cassel  zwak  hadden  gedragen.  Het  regiment  mariniers  van 
Walenburg  had  zich  drie  jaren  vroeger  te  Séneffe  uitstekend  ge- 
kweten; maar  het  had  bij  dien  veldslag  ook  zooveel  verloren, 
dat  het  daarna  grootendeels  bestond  uit  nieuw  aangeworven  sol- 
daten; dit,  en  de  omstandigheid  dat  Walenburg,  om  andere 
dienstverrichtingen,  te  Cassel  niet  bij  zijn  regiment  was,  wordt 
opgegeven  als  verklaring  en  eenigszins  ter  verontschuldiging  van 
de  lafhartigheid,  door  dit  korps  aan  den  dag  gelegd.  De  krijgs- 
tucht eischte  hare  verzoenende  offers:  van  elk  der  negen  com- 
pagnieën van  het  regiment  moest  één  soldaat  door  het  lot  worden 
aangewezen  om  den  dood  te  ondergaan,  en  toen  die  negen  man 
waren  opgehangen,  werd  aan  het  regiment  het  vaandel  over  het 
hoofd  gezwaaid,  en  was  het  daarmee  in  eere  hersteld;  —  gereha^ 
biliteerd^  zooals  men  zou  zeggen  in  het  Hollandsch  van  onze 
dagen,  dat  zoo  streeft  naar  het  gebruiken  van  basterd woorden. 

Het  Hollandsche  leger  sloeg  zich  toen  heer  achter  de  vaart 
van  Brugge  naar  Gent,  het  hoofdkwartier  te  Eecloo.  Op  het 
ingezonden  verslag  van  de  geleden  nederlaag  ontving  de  Stad- 
houder van  de  Staten- Generaal  ten  antwoord :  dat  zij  dit  bericht 
met  leedwezen  hadden  vernomen,  dat  zij  echter  hoopten  dat 
Zijne  Hoogheid  zich  door  dien  tegenspoed  niet  zou  laten  ont- 
moedigen, maar  voort  zou  blijven  gaan  met  te  ijveren  voor  het 
algemeen  belang,  en  dat  zij  hem  verzochten  zijn  leven  wat 
mmder  te  wagen,  daar  de  welvaart  van  den  Staat  en  van  alle 
goede  ingezetenen  zoozeer  daarvan  afhing.  —  Het  zou  een  geheel 


Digitized  by 


Google 


VELDSLAG   VAN  CASSEL.  259 

verkeerde  toepassing  icijn  van  de  oude  geschiedenis,  hier  te  ge- 
wagen van  den  Romeinschen  Senaat,  die,  na  de  nederlaag  bij 
Cannae,  Terentius  Varro  dank  zegt,  dat  hij  niet  heeft  gewanhoopt 
aan  het  behoud  van  de  Republiek;  want  die  slag  van  Cassel 
komt  in  geen  vergelijking  met  Cannae;  onze  Republiek  liep  in 
1677  niet  het  minste  gevaar;  en  Willem  III  was  geen  Varro. 
Maar  wat  verstand  en  waardigheid  betreft,  verdient  toch  ook  die 
taal  der  Staten- Generaal  in  1677  hoogen  lof. 

Of  de  slag  bij  Cassel  invloed  gehad  heeft  op  de  verdediging 
van  de  citadel  van  Kamerijk,  is  twijfelachtig;  want  hoezeer  de 
Franschen  natuurlijk  niet  verzuimden  om  aan  de  bezetting  dier 
sterkte  de  nederlaag  van  Willem  III  mede  te  deelen,  zoo  bleef 
die  bezetting  zich  toch  ook  na  dien  tijd  goed  verdedigen.  Meer 
is  die  invloed  merkbaar  bij  de  verdediging  van  Saint-Omer:  hier 
schijnt  de  bezetting,  overtuigd  dat  zij  nu  geen  ontzet  meer  had 
te  wachten,  de  overgave  te  hebben  verhaast  om  een  vrijen  af- 
tocht te  kunnen  bedingen;  de  burgerij  van  Saint-Omer  was  zeer 
geneigd  om  de  verdediging  te  blijven  voortzetten,  waaraan  zij 
«en  werkzaam  aandeel  nam.  De  duur  van  het  beleg  zou  misschien 
korter  zijn  geweest,  en  de  verliezen  van  den  belegeraar  minder 
groot,  indien  de  Fransche  ingenieurs  bij  de  leiding  van  de  aan- 
valswerkzaamheden  op  bekwamere  wijze  hadden  gehandeld :  door 
Vauban  is  een  afkeurend  oordeel  over  die  leiding  uitgesproken. 

Ziehier  in  het  kort  den  gang  van  zaken  bij  dat  beleg  van 
Saint- Omer. 

Den  4en  April  worden  de  loopgraven  geopend;  daarna  onder- 
vindt men  vertraging,  door  den  regen,  door  het  moeielijke  terrein, 
maar  vooral  door  de  nadering  van  Willem  III.  Eerst  den  15 en  April, 
*s  avonds,  worden  de  batterijen  bewapend,  en  begint  de  belegeraar 
zijn  vuur.  Den  ivSen  wordt  de  bedekte  weg  bestormd,  maar  met 
weinig  beleid,  zoodat  dan  ook  die  storm  mislukt  en  den  Fran- 
schen op  gevoelige  verliezen  komt  te  staan:  men  meende  den 
bedekten  weg  tot  op  een  50  pas  te  zijn  genaderd,  en  men  was 
-er  nog  200  pas  van  verwijderd;  het  gevolg  van  die  vergissing 
was  dan  ook,  dat  de  stormcolonnen,  te  zware  verliezen  lijdende, 
halverwege  standhielden  en  zich  ingroeven  op  een  100  pas  afstands 
van  den  bedekten  weg.  Dit  voordeel  spoorde  echter  de  verdedi- 
gers niet  aan  tot  een  verderen  krachtigen  tegenstand;  en  reeds 
in  den  volgenden  nacht  wordt  de  bedekte  weg  zonder  veel 
moeite  genomen.  Toen  den  igen  April  de  Fransche  bresbatterijen 
bijna  gereed  zijn,  treden  de  verdedigers  in  onderhandeling  en 
geven  den  22sten  Saint-Omer  over.  De  bezetting  verwierf  vrijen 
uittocht;  zij  was  nog  sterk  15  è.  1600  man  voetvolk  en  500  rui- 
ters. iDaer  was"  —  zegt  de  Hollandsche  Mercurius  —  imeer 
krijgsvolck  binnen  geweest,  maer  onder  de  militie  waren  eenige 
officiers,  die  haer   fortuyn  beter   bij   Vranckrijck    als   Spangien 


Digitized  by 


Google 


36o  RKIJGS-  EN  GBSCHIEDKUNDIGB  BESCHOUWINGEN. 

voortaen  oordeelende  te  sullen  vinden,  haer  in  dienst  bij  de 
Fransse  begaven ;  en  dcse  debaucheerden  noch  verscheyde  andere^ 
nevens  haer  soldaten".  —  Bij  het  krijgswezen  van  dien  tijd  was 
de  voornaamste  drijfveer  van  de  officieren  het  maken  van  for- 
tuin ;  aan  de  vaderlandsliefde  werd  daarbij  minder  plaats  ingeruimd. 

Frankrijk  had  nu  in  die  eerste  maanden  van  1677  drie  ves- 
tingen vermeesterd  en  een  veldslag  gewonnen ;  en  Lodewijk  XIV 
oordeelde  dus,  dat  hij  voor  dat  jaar  weer  oorlogsroem  genoeg 
had,  en  dat  hij  nu  weer  te  Versailles  op  zijn  lauweren  kon 
rusten.  Twee  bedenkingen  hoofdzakelijk  schijnen  den  Franschen 
koning  bewogen  te  hebben  om  in  de  Nederlanden  de  groote 
krijgs verrichtingen  voorloopig  te  staken.  De  eerste  bedenking 
was,  dat,  indien  men  nu  belangrijke  voordeelen  had  behaald^ 
dit  ook  daaraan  was  toe  te  schrijven,  dat  het  leger  van  Willem  III 
in  getalsterkte  zoo  zwak  was;  de  Duitsche  troepen  waren  nog 
niet  op  het  oorlogstooneel  verschenen:  zij  hadden  gewoonlijk 
looden  schoenen  bij  den  opmarsch,  gevleugelde  voeten  bij  het 
naar  huis  keeren;  —  waren  eenmaal  die  troepen  in  de  Neder- 
landen gekomen,  was  eenmaal  het  leger  des  Stadhouders  in  sterkte 
het  Fransche  nabije  dan  was  het  niet  zoo  waarschijnlijk  dat  het 
krijgsgeluk  aan  de  zijde  van  Frankrijk  zou  blijven.  De  tweede 
bedenking  was,  dat  indien  Frankrijk  te  veel  voordeelen  behaalde 
in  de  Nederlanden,  dit  in  Engeland  den  volksgeest  zou  opwekken 
en  de  Koning  daar  gedwongen  zou  worden  zich  tegen  Lodewijk  XIV 
te  verklaren. 

Hoe  dit  zij,  —  na  nog  een  veertien  dagen  te  Condé  te  hebben 
doorgebracht,  te  midden  der  kwartieren  van  het  leger,  trok  de 
Koning  den  2osten  Mei  dat  leger  samen  in  een  kamp,  ongeveer 
een  uur  gaans  van  die  vesting,  te  Thulin  nabij  de  Haisne;  de 
ruiterij  deed  hare  paarden  in  de  wei.  Spoedig  had  er,  wel  geen 
ontbinding,  maar  toch  eene  groote  vermindering  van  het  leger 
plaats.  De  Gardes-du-corps,  de  Gendarmes  en  de  Chevaux-légers 
van  de  garde,  werden  afgezonden  om  Créqui  te  versterken,  die 
het  bevel  voerde  over  de  Fransche  legermacht  bij  den  Rijn  en 
de  Vogesen;  Schomberg  moest,  met  eene  afdeeling  van  4000  man 
voetvolk  en  5000  ruiters,  werkzaam  zijn  bij  de  Maas ;  de  troepen 
die  uit  de  bezettingen  van  de  vestingen  waren  genomen,  keerden 
daarheen  terug;  d'Humières  kreeg  weer  zijn  gewoon  bevelheb- 
berschap aan  de  grenzen  van  Vlaanderen;  en  het  hoofdieger, 
nog  45  bataljons  en  92  eskadrons  —  denkelijk  dus  een  50000 
man  —  kwam  onder  het  bevel  van  Luxembourg,  aan  wien  tot 
voorschrift  werd  gegeven,  verdedigenderwijze  te  handelen.  Toen 
dat  alles  was  geregeld,  vertrok  de  Fransche  koning  naar  Ver- 
sailles, waar  hij  den  31  sten  Mei  terugkwam. 


Digitized  by 


Google 


VELDSLAG  VAN   CASSEL.  2.6 1. 

Had  Luxembourg  last  zich  te  bepalen  tot  de  verdediging^  ook 
Willem  III  was  vooreerst  tot  werkeloosheid  gedoemd^  eensdeels^ 
omdat  hij  de  te  Cassel  geleden  verliezen  weer  moest  aanvullen, 
en  anderdeels,  omdat  hij  de  komst  van  de  Duitsche  troepen 
moest  afwachten.  Vandaar  dan  ook,  dat  er  nu  eenige  maanden 
voorbijgaan,  waarin  geen  krijgsverrichtingcn  voorvallen,  die  ver- 
melding verdienen.  In  dien  tijd  doet  de  onachtzame  wijze  waarop 
Luxembourg  het  gezag  waarneemt,  bij  het  Fransche  leger  de 
krijgstucht  weer  vervallen,  op  eene  wijze  die  door  Rousset  (2*  deel, 
blz.  328 — 331)  aldus  wordt  geschetst: 

...»Men  wist  —  in  1677  evenals  in  1676,  in  Vlaanderen  even- 
zeer als  aan  den  Rijn  —  dat  Luxembourg  er  zich  nooit  veel  aan 
gelegen  had  laten  liggen  om  de  orde  te  handhaven  en  de  troe- 
pen te  verzorgen;  vandaar  dan  ook,  evenals  altijd,  verslapping 
van  de  krijgstucht,  nalatigheid  en  vaak  kwade  trouw  van  de 
officieren  in  het  betalen  van  de  soldij,  en  onverwijld  desertiën. 
Al  dadelijk,  op  éénen  dag,  namen  25  ruiters  en  17  dragonders 
de  vlucht  naar  Saint- Ghislain"  (eene  Spaansche  vesting,  nabij 
Mons);  ^in  veertien  dagen  tijds  verloor  het  regiment  Dauphin 
50  man.  Naar  gewoonte  hield  Luxembourg  zich  nog  meer  ver- 
toornd over  die  ordeloosheid,  dan  Louvois  zelf:  >ik  kan  niet 
nalaten"  —  zoo  schreef  hij  hem  den  1300  Juni  —  »u  den  toorn 
te  vermelden  waarin  ik  den  geheelen  dag  heb  verkeerd,  over  de 
bandeloosheid  van  het  leger  in  den  afgeloopen  nacht.  Ik  weet 
niet  wat  geest  er  gevaren  is  in  de  troepen,  en  of  ruiters  en  sol- 
daten zich  inbeelden  dat  zij  straffeloos  alles  kunnen  doen;  maar, 
wat  daarvan  zij,  nadat  er  appèl  was  gehouden  over  de  soldaten, 
en  nadat  voor  den  nacht  de  geweren  in  de  kapiteins-tenten  ge- 
borgen waren,  zijn  zij  toch  uit  het  kamp  gegaan,  de  ruiters  en 
dragonders  evenzoo.  Zij  hebben  huizen  uitgeplundcrd  die  Sauve- 
garden  hadden;  zij  hebben  eene  menigte  runderen  en  schapen 
in  het  kamp  gebracht.  Drie  ruiters,  die  vleesch  meebrachten  en 
door  den  provoost-geweldige  zijn  aangehouden,  heb  ik  oogenr 
blikkelijk  laten  ophangen;  en  de  waarde  van  het  gestolene  zal 
ik  laten  afhouden  van  de  traktementen  van  alle  officieren  van 
het  leger,  zoowel  van  de  cavalerie  als  van  de  infanterie,  want 
ik  geloof  dat  allen  er  schuld  aan  hebben.  Men  brengt  mij  daar 
zeven  of  acht  krijgsgevangenen  van  Brussel;  zij  zeggen  dat  zij 
vandaag  meer  dan  zestig  deserteurs  hebben  gezien,  van  cavalerie 
en  infanterie.  Sommigen  zeggen:  >wij  zijn  uitgegaan  om  wat  op 
te  halen,  en  toen  heeft  men  ons  in  hechtenis  willen  nemen; 
daarom  willen  wij  op  den  loop  gaan."  Ruiters  van  Locmaria 
voerden  weer  een  andere  taal ;  zij  zeiden :  i  den  geheelen  vorigen 
veldtocht  hebben  wij  oorlog  gevoerd ;  evenzoo  nog  den  geheelen 
winter;  aanstaand  voorjaar  zal  de  Koning  Mons  willen  nemen, 


Digitized  by 


Google 


202  KRIJGS-   EN  GESCHISDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

op  dezelfde  wijze  als  hij  Valenciennes  genomen  heeft;  wij  zullen 
afgebeuld  worden  als  honden,  en  geen  geld  krijgen;  dan  gaaD 
wij  het  liever  elders  zoeken."  Die  laatste  woorden  hebben  mij 
onaangenaam  getroffen  \  ik  heb  iets  gezegd  om  ze  te  weerleggen ; 
maar  zóó  hebben  die  gevangenen  gesproken.  Wat  de  desertie 
aangaat,  men  heeft  soms  tijden  waarin  die  zeer  groot  is;  in  het 
jaar  dat  Franche-Comté  werd  veroverd,  zei  men  mij,  toen  ik  in 
de  legerplaats  kwam  van  Tille-sur-Haisne,  dat  men  daar  in  drie 
maanden  tijds  een  600  man  had  verloren;  later  ging  dat  over: 
en  als  men  bij  ondervinding  weet  hoe  het  toegaat  in  de  legers, 
dan  verwondert  men  zich  niet  over  zulke  kuren  (ces  boutades-ld),^* 

Een  >kuur"  waarover  men  zich  wél  mocht  verwonderen,  en 
waarover  Louvois  zich  des  te  meer  verwonderde  omdat  de 
Maarschalk  hem  er  niets  van  had  gemeld,  was,  dat  toen  de 
provoost-geweldige  eens  het  front  van  het  kamp  voorbijging, 
eenige  ruiters  hunne  vuurwapens  namen  en  op  hem  schoten. 
Louvois  vorderde  van  den  Maarschalk,  dat  hij  dit  misdrijf  ten 
strengste  zou  doen  straffen:  >ik  verzoek  u"  —  zeide  hij  —  leen 
middel  uit  te  denken,  opdat  zoo  iets  voortaan  niet  meer  plaats 
vinde.  Gij  moet  zien  te  beletten,  dat  de  in  het  leger  begonnen 
desertie  voortgang  hebbe ;  herhaalde  monsteringen  zullen  u  doen 
zien,  of  de  rapporten  waar  zijn,  die  gij  van  de  officieren  krijgt; 
door  het  veel  uitzenden  van  patrouilles  zult  gij  het  middel  heb- 
ben om  voorbeelden  te  stellen ;  en  als  gij  de  officieren  noodzaakt 
om  ruiters  en  soldaten  te  geven  wat  hun  rechtmatig  toekomt, 
dan  zult  gij  de  desertie  wel  doen  ophouden.  Wél  is  Zijne  Majes- 
teit overtuigd,  dat  de  veranderlijke  zin  van  den  soldaat  veel  aan- 
deel heeft  aan  de  desertie;  maar,  zonder  te  onderzoeken  of  de 
bevelhebbers  der  compagnieën  reeds  voorschotten  hebben  ge- 
geven aan  de  hunnen,  wordt  u  door  den  Koning  ten  sterkste 
aanbevolen,  goed  toe  te  zien,  dat  de  officieren  aan  hunne  ruiters, 
dragonders  en  soldaten  het  geld  uitbetalen  dat  Zijne  Majesteit 
daarvoor  gegeven  heeft,  zonder  te  dulden  dat  zij  iets  afhouden, 
onder  welk  voorwendsel  ook.  De  heer  d'Estrades  schrijft  uit 
Nijmegen,  dat  daar  reeds  2000  Fransche  deserteurs  zijn  doorge- 
komen, waaronder  veel  sergeanten  en  zelfs  17  officieren,  eerste 
en  tweede  luitenants;  zij  verzekeren  dat  de  Koning  goed  betaalt, 
maar  dat  de  officieren  het  geld  onder  zich  houden,  en  als  zi) 
daarom  vragen,  hen  onthalen  op  eene  macht  van  stokslagen. 
Zijne  Majesteit  is  niet  gewoon  om,  wanneer  zij  eenmaal  iets  heeft 
bepaald,  later  datzelfde  weer  te  moeten  herhalen."  (Brieven  van 
Louvois  aan  Luxembourg  van  3,  10,  17  en  28  Juni  1677). 

Wat  dunkt  u,  lezer;  geeft  u  dat  een  schitterend  denkbeeld 
van  de  samenstelling  van  het  toenmalige  Fransche  leger?  Alleen 
door  Nijmegen  2000  Fransche  overloopers;  en  daaronder  17 
officieren!  —  Nu  is  het  waar,  dat  bij  een  uit  vrijwilligers  samen- 


Digitized  by 


Google 


VELDSLAG  VAN   CASSEL.  263 

gesteld  leger  de  desertie  meestal  groot  is:  het  Engelsche  leger 
telt  ieder  jaar,  in  tijd  van  vollen  vrede,  eenige  duizenden  deserteurs. 

>Maar"  —  vervolgt  Rousset  —  >drie  maanden  later  had  Lou- 
vois  nog  een  strenger  afkeuring  uit  te  spreken ;  niet  meer  alleen 
over  den  maarschalk  De  Luxembourg,  maar  over  een  geheelen 
krijgsraad,  geroepen  om  de  wet  toe  te  passen  op  overtredingen 
van  de  krijgstucht:  >de  Koning"  —  berichtte  hij  den  Maar- 
schalk —  > heeft  kennis  genomen  van  het  vonnis  dat  door  de 
generaals  van  de  ruiterij  is  geveld  over  een  kapitein  van  het 
regiment  van  Grignan,  en  over  twee  ruiters  van  zijn  compagnie. 
Niet  zonder  verontwaardiging  heeft  Zijne  Majesteit  gezien,  dat 
een  krijgsraad,  samengesteld  uit  een  luitenant-generaal'*  (de  rang, 
het  meest  overeenkomende  met  wat  in  den  Franschen  tekst  staat : 
mestre  de  camp  général)^  »en  uit  brigade-generaals  van  de  ruiterij, 
van  oordeel  is  geweest,  dat  ruiters  die  opzettelijk  een  verbod 
hebben  overtreden  waarop  gij  de  doodstraf  hadt  gesteld,  alleen 
gestraft  moeten  worden  met  het  vastsluiten  aan  een  paal;  en  dat 
de  kapitein,  die  in  strijd  met  uwe  bevelen  die  overtreding  van 
zijne  ruiters  heeft  toegelaten,  er  met  veertien  dagen  provoost 
afkomt.  Zijne  Majesteit  zou  allen  die  tot  deze  uitspraak  mede- 
werkten, hebben  geschorst,  had  zij  het  niet  gelaten  om  den  heer 
De  la  Cardonnière"  (de  luitenant- generaal) ;  >uit  goedheid,  en  ter  . 
wille  van  zijne  langdurige  diensten,  wil  zij  hem  die  vernedering 
besparen ;  maar,  om  hen  die  dit  vonnis  geveld  hebben,  te  leeren 
hoe  zij  een  ander  maal  gediend  wil  zijn,  gelast  Zijne  Majesteit 
dat  gij  ze  allen  bijeen  doet  komen,  hun  *s  Konings  ongenoegen 
betuigt  over  wat  zij  hierin  hebben  gedaan,  en  hun  zegt,  dat  het 
vonnis  dat  zij  velden  hem  zeer  doet  twijfelen,  of  zij  wel  de  ge- 
schiktheid hebben  om  de  plichten  van  hunne  betrekking  goed 
te  vervullen.  De  Koning  gelast  aan  den  heer  Le  Peletier  om  op 
de  bezoldigingen  van  hen  die  deel  uitmaakten  van  dien  krijgs- 
raad, twee  duizend  livres  af  te  houden,  en  die  te  verdeelen  onder 
de  kerken  van  het  land  van  Aalst,  die  schade  mochten  hebben 
geleden  door  de  aanwezigheid  van  het  leger  aldaar."  (Brief  van 
Louvois  aan  Luxembourg  van  den  24sten  September.  —  De 
schuldige  kapitein  werd  gestraft  met  cassatie  en  gevangenzetting 
te  Oudenaarden). 

Dus :  het  vonnis  van  een  krijgsraad  veranderd,  en  de  leden  van 
dien  krijgsraad  gestraft,  niet  alleen  met  de  betuiging  van  's  Konings 
ongenoegen,  maar  ook  met  eene  geldboete!  Dit  bewijst  niet,  dat 
die  krijgsraden  toen  veel  rechterlijke  onafhankelijkheid  bezaten. 
Nu  is  het  ook  wat  erg,  dat,  waar  Luxembourg  de  doodstraf 
stelt  op  eene  overtreding,  een  krijgsraad  voor  die  overtreding 
een  veel  mindere  straf  bepaalt.  Waarom  nsim  Luxembourg  zijn 
toevlucht  tot  een  krijgsraad?  Waarom  niet  zelf  eigenmachtig 
gestrafc  ? 


Digitized  by 


Google 


264  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN, 

Het  gebeurde  met  Pain-et-Vin,  in  1673,  getuigt  dat  ook  bij 
ons  de  krijgsraden  niet  onafhankelijk  waren. 

Willem  III  was  intusschen  bezig  met  zijn  leger  weer  aan  te 
vullen,  de  Spanjaarden  uit  hunne  traagheid  op  te  wekken,  de 
kleine  Duitsche  vorsten  door  geldelijke  beloften  aan  te  sporen 
om  hunne  troepen  te  doen  oprukken,  en,  door  de  bedreiging 
dat  de  Republiek  anders  vrede  zou  sluiten,  den  Keizer  er  toe 
te  brengen  om  eene  legermacht  af  te  zenden  naar  de  Neder- 
landen. Door  al  die  middelen  hoopte  de  Stadhouder  spoedig  als 
aanvaller  te  kunnen  optreden;  Louvois,  verblind  door  de  be- 
haalde voordeelen,  uitte  zich  op  minachtenden  toon  over  Frank- 
rijk's  tegenstander;  —  zoo  schreef  hij,  den  6cn  Juni,  aan  Luxem- 
bourg : 

...»Gij  zult  altijd  wel  bij  machte  zijn  om  de  buitensporige 
plannen  van  Mijnheer  den  Prins  van  Oranje  te  verijdelen;  hij 
gaat  voort,  zegt  men,  om  zich  met  alle  geweld  ten  tweeden 
male  te  willen  laten  slaan,  hoewel  als  men  in  zijn  eigen  leger 
spreekt  van  het  te  gemoet  gaan  van  den  vijand,  openlijk  wordt 
gezegd:  >wij  zullen  ons  ten  tweeden  male  laten  slaan,  in  een 
landstreek  waar  wij  er  minder  goed  zullen  afkomen  dan  te  Cassel." 

Zou  Louvois  in  ernst  zulke  vertelseltjes  hebben  geloofd? 


Maar  alvorens  de  aanvallende  handeling  te  vermelden,  waartoe 
Willem  III  nu  overging,  is  het  noodig  met  een  enkel  woord  de 
krijgsverrichtingen  aan  de  Duitsche  grenzen  te  bespreken. 

Wij  herinneren  er  aan,  dat  in  1676  de  vesting  Philipsburg,  op 
den  rechter  Rijnoever,  door  de  Duitschers  werd  vermeesterd. 
Daardoor,  en  doordat  Straatsburg,  toen  nog  een  vrije  rijksstad, 
al  meer  en  meer  de  onzijdigheid  begon  uit  het  oog  te  verliezen, 
en  vrijen  doortocht  vergunde  aan  Frankrijk's  vijanden,  werd  hier 
het  oorlogstooneel  overgebracht  van  den  Rijn  naar  de  zijde  van 
de  Vogesen.  De  Ëlzas  en  de  noordelijk  liggende  landstreek  tus- 
schen  Rijn,  Sarre  en.  Moezel  stonden  nu  bloot  aan  de  invallen 
van  de  Duitsche  legers;  de  verdediging  zou  daar  moeilijk  vallen 
en  ongunstige  kansen  opleveren;  en  daarom  besloot  Louvois 
zijn  gewoon  hulpmiddel  aan  te  wenden,  de  verwoesting:  kon 
men  de  hulpbronnen  van  het  land  niet  voor  zich  behouden, 
men  wilde  die  ten  minste  aan  den  vijand  ontnemen.  Men  vindt 
bij  Rousset,  over  die  verwoestingen,  het  volgende  (2*  deel,  blz. 
315—316): 

...» Reeds  in  het  laatst  van  het  vorige  jaar  had  Louvois  gelast 
om  de  vestingwerken  van  Hagenau,  Zabern  en  Mont-Béliard  te 
slechten,  punten,  die  men  goed  kon  behouden  zoolang  men 
Philipsburg  had,   en   Straatsburg  onzijdig  was,  maar  punten  die 


Digitized  by  VjOOQIC 


KRIJGSVERRICHTINGBN  AAN   DEN  RIJN.  265 

geslecht  moesten  worden  vóórdat  zij,  —  wat  niet  was  te  beletten  — 
in  handen  vielen  van  een  vijand,  die,  door  die  plaatsen,  altijd 
toegang  had  tot  den  Ëlzas.  Alleen  de  citadel  van  Zabern  werd 
niet  geslecht  maar  versterkt,  omdat  z^  een  hoofdtoegang  afsloot 
van  den  Elzas  naar  Lotharingen.  Er  werd  bevel  gegeven  om  de 
geheele  landstreek  tusschen  den  Rijn  en  de  Sarre,  en  het  geheele 
<lal  van  de  Sarre  tot  aan  den  Moezel  te  verwoesten.  De  baron 
De  Montclar,  met  die  taak  belast,  voerde  haar  gedurende  den 
winter  uit,  met  de  grootst  mogelijke  strengheid;  hij  vergenoegde 
er  zich  niet  mede,  de  wallen  van  Hagenau  te  doen  springen,  maar 
hij  deed  ook  de  stad  grootendeels  afbranden,  om  den  Duitschers 
te  beletten  daar  hunne  hospitalen  of  magazijnen  te  vestigen; 
evenzoo  verbrandde  hij  de  stad  Tweebruggen,  na  evenwel  alvorens 
des  Hertogs  bibliotheek  te  hebben  laten  inpakken  en  overbrengen 
naar  Ch^lons;  hij  verbrandde  of  verwoestte  kasteelen^  toebehoo- 
rende  aan  de  gravin  van  Hanau,  van  het  Paltzische  huis;  en 
dat,  hoezeer  die  goede  Duitsche  vorstin^  in  een  smeekschrift  dat 
zij  tot  Lodewijk  XIV  richtte,  verzekerde  dat  die  kasteelen  niet 
de  minste  sterkte  hadden,  >zóó  weinig,  dat  zij  zonder  slag  of 
stoot  waren  te  nemen,  desnoods  met  geen  andere  wapens  dan 
gebraden  appels." 

Men  oorloogde  toen  zooals  de  Bocht" Bozouks  in  onze  dagen, 
zooals  sommigen,  bij  ons,  hadden  gewild  dat  Van  Swieten  in 
Atsjin  hadde  geoorloogd;  —  het  is  een  onvergankelijke  eer  voor 
hem,  dat  hij  dit  toen  niet  heeft  gewild. 

Aan  de  Fransche  zijde  werd  hier  het  bevel  gevoerd  door  den 
maarschalk  De  Créqui,  die  zijn  hoofdkwartier  te  Nancy  had,  en 
het  voorschrift  kreeg  om  elke  belangrijke  ontmoeting  te  ver- 
mijden. Den  i6cn  April  schrijft  Louvois  hem:  ...ilk  twijfel  er 
niet  aan,  of  gij  verlangt  dat  's  Konings  bevelen  u  meer  vrijheid 
mochten  laten;  maar  men  moet  zijn  Meester  dienen,  zooals  die 
het  begeert;  en  om  tal  van  redenen  die  ik  niet  noodig  heb  u 
hier  op  te  noemen,  is  het  in  uw  belang  u  te  voegen  naar  Zijner 
Majesteit's  inzichten."  —  Dit  laatste  zinspeelt  bedektelijk  op  de 
nederlaag  die  Créqui  had  geleden,  het  jaar  te  voren,  bij  Konz- 
Saarbruck.  Madame  De  Sévigné  zegt  het  duidelijker,  in  een  brief 
aan  hare  dochter:  > Créqui  zou  niet  gaarne  een  veldslag  ver- 
liezen; want  één  en  één  is  twee." 

Créqui  schrijft,  dat  het  vijandelijke  leger  veel  sterker  is,  en  dat 
hij  daarom  verdedigenderwijze  te  werk  moet  gaan.  >Dit  is  niet 
zoo,"  —  antwoordt  Louvois  den  25sten  Mei  —  >want  gij  hebt 
24  bataljons  en  90  eskadrons,  elk  van  4  compagnieën;  gij  hebt 
dus  60  compagnieën  meer  dan  Turenne  ooit  heeft  gehad',  en 
toen  was  het  Keizerlijke  leger  vereenigd  met  het  rijksleger,  en 
met  de  Luneburgsche  en  Munstersche  troepen,  terwijl  het  thans 


Digitized  by 


Google 


266  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNUIGE  BESCHOUWINGEN. 

verminderd  is,  met  twee  regimenten  die  in  Bohemen  hebben 
overwinterd,  en  met  de  afdeeling  die  naar  Freiburg  is  getrokken.'* 
De  vijand  heeft  dus  geen  overmacht;  —  toch  moet  Créqui  ver- 
dedigend blijven  handelen. 

Die  redeneering  van  Louvois  zou  ddn  alleen  iets  bewijzen,  als 
>  het  Keizerlijke  leger"  een  vaste,  onveranderlijke  grootheid  was ; 
nu  echter  niet.  Bovendien:  Wat  Turenne  kon,  kon  daarom  niet 
iedereen.  >  Waarom  is  nu  het  Fransche  leger  driemaal  honderd 
duizend  man  sterker  dan  tijdens  Napoleon  P"  —  i  Omdat  Napoleon, 
alleen,  driemaal  honderd  duizend  man  gold,"  —  was  het  ant- 
woord dat  Thiers  gaf,  toen  die  vraag  werd  gedaan  in  eene  zit- 
ting van  de  Fransche  Kamer. 

Nog  den  isten  Juni  geeft  Louvois  tot  voorschrift  aan  Créqui 
om  zonder  noodzakelijkheid  geen  slag  te  leveren;  hij  mag  dit 
alleen  doen,  als  het  noodig  is  om  eene  vesting  te  behouden,  of 
om  den  vijand  te  beletten  Frankrijk  binnen  te  dringen. 

Het  Keizerlijke  leger  gaat  den  i3en  April,  te  Straatsburg,  op 
den  linkeroever  van  den  Rijn  over.  Aan  het  hoofd  van  dat  leger 
stond  weer  de  hertog  van  Lotharingen;  die  uit  zijne  staten  ver- 
dreven vorst  had  op  zijn  vaandels  laten  zetten:  aut  nunc^  aut 
nunquam  (nu,  of  nooit);  —  het  is  nunquam  geweest.  De  Hertog 
laat  eenige  Duitsche  rijkstroepen  onder  den  Prins  van  Saksen- 
Eisenach  in  den  Elzas  achter,  en  trekt  naar  de  zijde  van  Lotha- 
ringen. Montclar,  met  een  deel  der  macht  van  Créqui,  houdt  de 
zuidelijke  passen  van  de  Vogesen  bezet,  naar  de  zijde  van 
Zabern  en  Schelestadt;  de  Hertog  trekt  daarom  meer  noordelijk 
het  gebergte  in,  naar  de  zijde  van  Weissemburg,  bereikt  over 
Bitche  het  dal  van  de  Sarre,  en  bemachtigt  Saarbrück.  Van 
Saarbrück  trekt  de  Keizerlijke  veldheer  in  de  richting  van  Nancy; 
maar  wordt  tegengehouden  bij  de  rivier  de  Seille,  door  Créqui, 
die  daar  stelling  genomen  heeft  te  Vic,  een  plaatsje,  ongeveer 
een  dagmarsch  oostelijk  van  Nancy.  De  Hertog  gaat  daarop 
langs  den  rechteroever  van  de  Seille  stroomafwaarts,  om  de  stel- 
ling van  Créqui  te  omtrekken,  maar  op  den  linkeroever  blijft 
deze  zijn  tegenstander  volgen;  beiden  naderen  dus  Metz,  waar 
de  Seille  zich  in  den  Moezel  stort.  Door  versterkingen  uit  Vlaan- 
deren is  Créqui  toen  —  begin  van  Juni  —  aan  het  hoofd  van 
32  bataljons  en  iio  eskadrons;  denkelijk  dus  een  40000  man. 

Het  gelukt  aan  de  Keizerlijken  de  Seille  over  te  trekken  en 
den  15611  Juni  de  stelling  van  Créqui  te  bereiken;  maar  toen 
vindt  de  Hertog  die  stelling  te  sterk  om  haar  aan  te  vallen;  hij 
gaat  weer  achter  de  Seille  terug,  en  trekt  later  noordwaarts  naar 
de  zijde  van  Trier.  Créqui  volgt  die  beweging,  trekt  op  Metz^ 
en  maakt  zich  meester  van  een  konvooi,  dat  bestemd  was  voor 
het  Duitsche  leger.  Half  Juli  gaat  de  Hertog  den  Moezel  over^ 


Digitized  by 


Google 


CHARLEROI.  267 

nabij  Trier;  volgens  Rousset  was  dat  niet  uit  eigen  inzicht:  ...>Hij 
trok  naar  de  Maas,  zijns  ondanks  daartoe  gedreven  door  de 
herhaalde  bevelen  van  den  Keizer,  die  op  zijne  beurt  de  aan- 
sporingen gehoorzaamde  van  den  Prins  van  Oranje;  want  de 
vertoornde  Stadhouder  dreigde  het  Weener  hof,  dat  hij  de  partij 
in  Holland  die  vrede  wilde,  zou  laten  zegevieren,  wanneer  niet 
de  geheele  legermacht  van  de  coalitie  onder  zijne  bevelen  werd 
gesteld  om  in  de  Nederlanden  de  overwinnaars  van  Cassel  te 
overstelpen  door  overmacht."  (Rousset,  blz.  325 — 326). 

Intusschen  wordt  Créqui  ziek ;  maar  Louvois,  altijd  gevat,  weet 
spoedig  een  middel  te  vinden  om  die  ziekte  te  doen  ophouden ; 
hij  zendt  —  27  Juli  —  Schomberg  om  het  opperbevel  over  te 
nemen;  en  nooit  bewerkte  een  heelmeester  rasser  genezing.  > Zie- 
hier hoe  de  zaken  staan,  mijne  dochter,"  —  schrijft  madame  De 
Sévigné  — ;  ide  naam  van  Schomberg  alleen  is  een  onfeilbaar 
middel  geweest  om  den  maarschalk  Créqui  te  -genezen ;  hij  zal 
niet  meer  den  zieke  spelen;  en  wij  zullen  zien,  hoe  hij  het  met 
de  Duitschers  vindt."  —  Schomberg,  zijn  ambtgenoot  hersteld 
ziende,  keerde  dadelijk  terug. 

Maar  indien  Willem  III  gerekend  heeft  op  eene  krachtige 
medewerking  van  het  Keizerlijke  leger  in  de  Nederlanden,  dan 
heeft  hij  zich  teleurgesteld  gezien:  dat  leger  deed  nog  veel 
minder  dan  het  Keizerlijke  leger  in  1674,  dat  ten  minste  nog 
een  poos  vereenigd  is  geweest  met  de  legermacht  van  den  Stad- 
houder, dat  ten  minste  te  Séneffe  heeft  gestreden.  De  hertog 
van  Lotharingen  daarentegen  doet  in  de  Nederlanden  niets. 
Hoewel  hij  reeds  den  1460  Juli  nabij  Trier  den  Moezel  overge- 
gaan is,  wordt  het  toch  2  Augustus  eer  hij  te  Mouzon  aan  de 
Maas  komt.  Créqui  is  hem  gevolgd,  om  hem  het  overgaan  van 
de  Maas  te  beletten.  De  Hertog  steekt  daarop,  den  3611  Augustus, 
Mouzon  in  brand,  en  keert  terug  naar  den  Moezel,  naar  Trier. 
Sukkelwerk  is  het  woord  dat  bij  zulk  een  wijze  van  oorlogvoeren 
moet  gebezigd  worden. 


Verstoken  van  den  bijstand  van  het  Keizerlijke  leger,  en 
overgelaten  aan  eigen  krachten,  wilde  de  Stadhouder  evenwel 
niet  rusten  voordat  hij  in  de  Nederlanden  de  aanvankelijk 
ondervonden  nadeelen  door  het  een  of  ander  wapenfeit  had 
hersteld.  De  sterkte  van  de  beide  partijen  was  eenigszins  meer 
gelijk  geworden  door  de  komst  van  troepen  van  Munster,  Osna- 
brück  en  Zeil;  en  men  zal  niet  ver  van  de  waarheid  zijn,  wan- 
neer men  elk  der  beide  vijandelijke  legers  in  de  Nederlanden  in 
dien  tijd  op  ongeveer  50000  man  stelt.  Zekerheid  bestaat  er 
echter  niet  omtrent  dit  cijfer;  en  ééne  Fransche  opgave  zegt 
zelfs,  dat  Luxembourg  6000  man  sterker  was  dan  Willem  III. 


Digitized  by 


Google 


268  KRirGS'  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Het  nemen  van  Charleroi  was  weer  het  doei  dat  de  Stad- 
houder zich  voorstelde;  maar  uit  Rousset  blijkt,  dat  men  langen 
tijd  aan  Fransche  zijde  gedacht  heeft,  dat  er  geen  ernstig  voor- 
nemen bestond  om  die  vesting  aan  te  vallen. 

Rousset  zegt  daaromtrent  (2*  deel,  blz.  333 — r337): 

•  Algemeen  was  de  mare  verbreid,  dat  de  Prins  van  Oranje 
opzettelijk  Charleroi  had  uitgekozen,  om  daar  in  eens  weerwraak 
te  nemen  voor  alle  ondervondene  nadeden,  van  het  eerste  af 
dat  hii  in  1672  voor  diezelfde  vesting  had  geleden.  Louvois 
schreef  dan  ook,  den  2 7 sten  Juni,  aan  den  maarschalk  De  Luxem- 
bourg:  tals  Mijnheer  de  Prins  van  Oranje  lust  heeft  om  Char- 
leroi aan  te  vallen,  dan  kunt  gij  hem  daarbij  helpen  met  48  - 
bataljons  en  106  eskadrons;  is  u  dit  niet  genoeg,  heb  dan  de 
goedheid  het  mij  te  melden,  opdat  ik  er  tijdig  voor  zorge  om 
in  het  aanstaande  jaar  meer  te  velde  te  brengen;  want,  wat  dit 
jaar  aangaat,  krijgt  gij  niets  meer,  al  moest  gij  ook  in  zoo  kwade 
luim  blijven  als  in  uw  twee  laatste  brieven."  Een  maand  later, 
den  25sten  Juli,  schreef  Louvois  op  denzelfden  toon  aan  Courtin : 
>het  is  gewaagd  om  de  uitkomst  van  een  veldtocht  te  willen 
voorspellen,  vooral  voor  iemand  die  daarin  zoo  weinig  onder- 
vinding heeft  als  ik"  {ironie^  dit  behoeft  niet  gezegd  te  worden); 
•  maar  ik  geloof  niet,  dat  iemand  het  zal  tegenspreken,  dat  ge« 
durende  den  ganschen  oorlog  de  kans  nooit  gunstiger  gestaan 
heeft  dan  thans.  Mijnheer  de  Prins  van  Oranje  zal  er  toe  moeten 
besluiten  om  niets  te  doen,  of  om  een  vesting  aan  te  vallen, 
waar  hij  eene  bezetting  zal  vinden,  een  derde  sterker  dan  noodig 
is  voor  de  verdediging,  en  dat  beleg  voort  te  zetten  onder  het 
oog  van  een  leger,  dat,  vier  dagen  na  het  begin  van  het  beleg, 
6000  man  sterker  zal  zijn  dan  het  zijne,  en  samengesteld  uit  de 
beste  troepen  van  Europa,  terwijl  het  zijne  uit  de  slechtste  bestaat." 

Voordat  Courtin  dit  bericht  van  Louvois  had  ontvangen,  schreef 
hij  zijnerzijds:  »alle  brieven  uit  het  leger  van  den  Prins  van 
Oranje,  eergisteren  ontvangen,  spreken  van  het  beleg  van  Char- 
leroi; dat  schijnt  mij  een  moeilijke  en  belangrijke  onderneming 
toe ;  doet  die  Prins  dat,  dan  geloof  ik  dat  ook  gij  een  rit  naar 
de  grenzen  zult  doen,  die  den  Spanjaarden  duur  te  staan  kan 
komen."  Maar  Louvois  geloofde  reeds  niet  meer,  dat  Charleroi 
werd  bedreigd:  »wat  men  naar  Engeland  heeft  geschreven"  — 
zoo  antwoordde  hij  Courtin  —  >over  de  plannen  van  Mijnheer 
den  Prins  van  Oranje  aangaande  Charleroi,  komt  vrij  wel  overeen 
met  de  berichten  die  wij  kregen  van  de  correspondenten  die  wij 
in  het  leger  van  Zijne  Hoogheid  wel  wat  duur  betalen;  maar 
van  diezelfde  berichtgevers  hebben  wij  later  gehoord,  dat,  naar 
het  schijnt  den  igen  der  vorige  maand"  (Juli),  >dat  plan  is 
opgegeven.  Zelfs  knappere  menschen  dan  de  raadgevers  van 
Mijnheer   den  Prins   van  Oranje   zouden  zeer  verlegen  zijn  met 


Digitized  by 


Google 


CHARLEROI.  269 

de  zaak ;  en  met  een  enkel  woord  kan  ik  u  zeggen,  dat  zij  óf  niets 
zullen  doen,  6f  eene  dwaasheid  die  hun  zal  rouwen.'*  (i  Augustus). 
Ddt  zeide  Louvois  den  isten  Augustus;  hetzelfde  zeide  hij  den 
2en^  hoewel  hem,  in  dien  tusschentijd  van  één  dag,  opnieuw  het 
beleg  van  Charleroi  als  zeker  was  aangekondigd.  «Gisteren"  — 
zoo  schreef  hij  aan  Luxembourg  -^  >  ontving  ik  yan  den  man  van 
wien  ik  u  soms  heb  gesproken,  een  brief,  gedagteekend  Brussel 
den  29sten  Juli,  's  avonds;  hij  had  's  middags  het  leger  ver- 
laten. Het  beleg  van  Charleroi  scheen  bepaald ;  zelfs  geloofde  hij, 
dat  er  den  daaropvolgenden  nacht  ruiterij  zou  worden  afgezonden 
om  het  te  berennen.  Over  acht  dagen,  zoo  beloofc  hij  mij,  zal 
hij  mij  schrijven  wat  er  is  gebeurd,  en  dadelijk  zal  ik  u  dat 
melden;  wat  ik  u  nu  schrijf,  is  eigenlijk  maar  om  u  te  laten 
lachen;  want  het  is  mij  duidelijk  dat  het  niets  beteekent."  Dit 
zeide  hij  nog  den  300  Augustus,  zelfs  aan  den  opperbevelhebber 
van  Charleroi,  graaf  Montal:  >de  brieven  uit  Brussel  melden^ 
dat  Mijnheer  de  Prins  van  Oranje  gezegd  heeft,  dat  hij  Charleroi 
wilde  belegeren,  en  het  in  zes  dagen  tijds  door  een  bombarde- 
ment zou  nemen.  De  Koning  heeft  hartelijk  gelachen  toen  hij 
dit  hoorde,  en  mij  gelast  u  dat  nieuws  meê  te  deelen,  en  te 
vragen  wat  gij  er  van  zegt."  Vier  dagen  later,  den  yen  Augustus^ 
met  het  aanbreken  van  den  dag,  bracht  een  renbode  van  den 
maarschalk  De  Luxembourg  de  tijding,  dat  Charleroi  den  vorigen 
dag  door  den  Prins  van  Oranje  was  berend  geworden. 

De  Stadhouder  was,  na  zijn  leger  bijeengetrokken  te  hebben 
tusschen  Dendermonde  en  Aalst,  langs  het  dal  van  de  Dender 
hooger  op  getrokken  tot  Geraardsbergen,  waar  hij  lang  genoeg 
standhield  om  den  maarschalk  De  Luxembourg  te  doen  vreezen 
voor  een  aanval  op  Ath,  of  op  Oudenaarden;  van  daar  rukte 
hij  den  2en  Augustus  op  naar  Enghien  en  Nivelles,  den  seo 
naderde  hij  Charleroi  tot  op  anderhalf  uur  afstands,  en  deed 
het  den  volgenden  ochtend  insluiten.  De  Prins  van  Oranje  had 
dus  Louvois  en  Luxembourg  half  verrast;  —  maar  Louvois 
en  Luxembourg  waren  van  die  menschen  bij  wie  de  verrassing 
niet  lang  duurt,  en  niet  gevaarlijk  is.  Den  yen  Augustus  schreet 
Louvois  uit  Parijs  aan  Saint-Pouenge,  die  toen  als  intendant 
werkzaam  was  bij  den  maarschalk  De  Luxembourg:  i dezen 
ochtend  heb  ik  hier  den  koerier  ontvangen,  door  den  Heer  De 
Luxembourg  afgezonden,  en  daardoor  vernomen,  dat  er  niet  meer 
aan  valt  te  twijfelen  of  Charleroi  is  berend.  Ik  ben  toen  in  mijn 
rijtuig  gestapt,  om  daarvan  bericht  te  geven  aan  Zijne  Majesteit^ 
die,  overwegende  dat  het  zou  kunnen  gebeuren,  dat  Prins  Karel" 
(van  Lotharingen)  izich  vereenigde  met  Mijnheer  den  Prins  van 
Oranje  om  het  beleg  van  Charleroi  te  dekken,  het  noodig  oor- 
deelde dat  het  leger  van  Mijnheer  den  maarschalk  De  Créqui 


Digitized  by 


Google 


270  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

zich  vereenigde  met  dat  van  Mijnheer  De  Luxembourg,  en  mij 
gelastte  mij  tot  gezegden  Heer  De  Luxembourg  te  wenden,  om 
te  trachten  de  zaken  tusschen  Mijnheer  De  Luxembourg  en 
Mijnheer  den  maarschalk  De  Créqui  zóó  te  regelen,  dat  's  Konings 
dienst  niet  benadeeld  mogt  worden  door  de  moeilijkheden  die 
in  zulke  gevallen  te  dikwijls  voorkomen;"  —  tegelijkertijd  schreef 
hij  aan  den  maarschalk  De  Créqui,  dat  hij  zich  gereed  moest 
houden  tot  oprukken,  op  het  eerste  bevel. 

Maar  Créqui  heeft  den  hertog  van  Lotharingen  reeds  belet 
zich  met  Willem  III  te  vereenigen:  ...iLouvois  was  dus  al  aan- 
stonds ontheven  van  het  voornaamste  en  moeilijkste  gedeelte 
zijner  zending;  daar  de  loop  der  gebeurtenissen  hem  onthief  van 
de  taak  om  overeenstemming  te  verkrijgen  tusschen  twee  men- 
schen  als  de  maarschalken  Luxembourg  en  Créqui,  beiden  zoo 
naijverig  op  het  gezag,  zoo  ras  in  drift  ontstoken,  zoo  weinig 
gezind  tot  wederzijdsche  inschikkelijkheid.  Den  loen  Augustus 
kwam  hij  in  de  legerplaats  van  Walcourt,  eenige  uren  ten  zuiden 
van  Charleroi ;  daar  had  de  maarschalk  De  Luxembourg  stelling 
genomen  met  47  bataljons  en  107  eskadrons."  (Rousset,  blz.  337 
«n  338). 

Met  de  belegering  van  Charleroi  was  het  toen  nog  zeer  weinig 
gevorderd;  de  loopgraven  waren  nog  niet  geopend,  de  liniën 
waren  nog  niet  voltooid,  en  bovendien  gebrekkig  aangelegd. 
Volgens  de  Fransche  opgaven  moeten  de  Hollandsche  ingenieurs 
bij  die  onderneming  tegen  Charleroi  al  even  weinig  hebben  ge- 
schitterd als  het  jaar  te  voren  bij  het  beleg  van  Maastricht; 
Louvois  spreekt  met  groote  minachting  over  hen;  maar  ook  in 
iWaldeck's  Leven"  vindt  men  hen  voorgesteld  als  weinig 
bekwaam.  Er  zal  dus  wel  eenige  waarheid  zijn  in  de  beschuldi- 
ging; wij  hebben  ten  minste  bij  onze  schrijvers  niets  gevonden 
om  haar  te  wederleggen.  —  Bij  Rousset  (blz.  337 — 342)  vindt 
men  dienaangaande  en  betreffende  het  opbreken  van  het  beleg 
nog  het  volgende: 

..,»De  contravallatie-linie  was  zóó  ver  van  de  vesting,  dat 
Montal  de  vertooning  maakte  van  zijne  ruiterij  ter  fourageering 
uit  te  zenden  alsof  er  geen  vijand  in  den  omtrek  was.  's  Vijands 
voorposten  werden  herhaaldelijk  overvallen  en  opgelicht;  zelfs 
werd  de  bevelhebber  van  de  Hollandsche  artillerie  gevangen  ge- 
nomen terwijl  hij  bezig  was  de  plaatsing  te  bepalen  van  zijne 
batterijen.  Die  voordeelen  gaven  zelfvertrouwen  aan  de  bezetting, 
die  bovendien  sterk  en  goed  samengesteld  was;  er  waren  in 
Charleroi  84  compagnieën  voetvolk,  8  compagnieën  Chevaux-légers^ 
en  I  compagnie  dragonders.  Daar  de  Prins  van  Oranje,  den  5 en 
nabij  de  vesting  gekomen,  bovendien  verzuimd  had  die  dadelijk 
te  doen  insluiten,  waren  er  dienzelfden  avond  nog  de  twee  com- 


Digitized  by 


Google 


CHARLEROI.  27 1 

pagnieén  Mousquetaires  binnengekomen,  met  hunne  onafscheide- 
lijke krijgsmakkers,  de  Grenadiers  te  paard,  want  sinds  de  inneming 
van  Vaienciennes  was  er  een  ware  broederschap  ontstaan  tusschen 
die  jeugdige  edellieden  en  die  geringe  maar  dappere  soldaten; 
men  had  er  in  toegestemd  om  hen  bijeen  te  laten.  Het  eerste 
wat  Louvois  te  doen  had  toen  hij  te  Walcourt  kwam,  was  aan 
Montal  te  schrijven;  vooreerst  om  hem  te  verbieden  zichzelf  te 
wagen,  daar  het  behoud  van  Charleroi  afhing  van  zijn  behoud; 
vervolgens  om  aan  de  bezetting  buitengewone  voordeden  toe  te 
kennen  (>  gelast  den  Heer  De  Pressigny  om  aan  ieder  soldaat 
36  ons  brood  per  dag  te  doen  geven,  zijn  gewone  soldij,  en  een 
half  pond  of  drie  vierendeel  vleesch";  —  het  oude  Fransche 
pond  was  bijna  een  halve  kilo);  en  vooral  om  hem  aan  te  be- 
velen de  Mousquetaires  alleen  bij  beslissende  gelegenheden  te 
doen  optreden,  daar  die  uitgelezen  jongelingschap  in  dezen  veld- 
tocht, te  Vaienciennes  en  te  Cassel,  reeds  ruimschoots  hare  ver- 
plichtingen jegens  het  vaderland  was  nagekomen. 

Werd  de  klacht  geuit,  dat  de  toegangen  naar  Charleroi  niet 
reeds  vroeger  waren  afgesloten,  dan  antwoordde  de  Prins  van 
Oranje  op  onverschilligen  toon,  dat  hoe  meer  troepen  er  in  de 
vesting  waren,  hoe  meer  er  krijgsgevangen  zouden  worden.  Alles 
kondigde  aan  dat  een  beslissende  veldslag  nabij  was;  lang  te 
voren  had  de  Prins  van  Oranje  zelf  dien  veldslag  aangekondigd, 
zeggende,  dat  als  Luxembourg  de  door  hem  belegerde  vesting 
naderde,  hij  den  vijand  zes  uur  ver  te  gemoet  zou  trekken.  In 
Engeland,  waar  het  volk  algemeen  met  hartstochtelijke  belang- 
stelling de  gebeurtenissen  in  Vlaanderen  gadesloeg,  had  die  ver- 
zekering zooveel  weerklank  gevonden,  dat,  op  de  eerste  tijding 
van  de  onderneming  tegen  Charleroi,  tal  van  jongelieden  van  de 
hoogste  standen  zich  ijlings  inscheepten  om  het  beleg  en  den 
veldslag  bij  te  wonen;  maar  de  grooie  menigte  dier  vrijwilligers 
snelde  naar  den  Prins  van  Oranje,  terwijl  in  het  leger  van 
Luxembourg  bijna  niemand  hunner  kwam  dan  de  Hertog  van 
Monmouth." 

De  bondgenooten  hadden  Charleroi  op  de  beide  oevers  van 
de  Sambre  ingesloten;  Willem  III  legerde  zich  te  Montigny-sur- 
Sambre^  op  den  linkeroever  der  rivier,  beneden  de  vesting;  aan- 
vankelijk stond  ook  Villa  Hermosa  op  dien  oever,  bij  den 
Piéton,  om  bij  die  kleine  rivier  den  vijand  tegen  te  houden  als 
die  tot  ontzet  mocht  oprukken;  nog  voorbij  den  Piéton  was 
bezet  het  dorp  Monceau,  ook  op  den  linkeroever  van  de  Sambre ; 
op  den  rechteroever  liep  de  kring  van  insluiting  over  Marchienne, 
Montigny-le-Teigneux  en  Mont-sur-Marchienne,  tot  aan  het  lagere 
gedeelte  der  rivier  tegenover  Montigny-sur-Sambre.  Den  yen  Augus- 
tus kwamen  in  de  legerplaats  der  bondgenooten  hunne  zware 
kanonnen  aan  en   4   mortieren.   Wat  de  liniën  betreft,  nog  den 


Digitized  by 


Google 


272  KRIJGS-  EN  GESCHIBDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

9eii  en  toen  Augustus  werd  daaraan  gewerkt;  maar  het  is  niet 
zeker  of  zij^  toen  zelfs,  voltooid  waren.  Montal,  de  Fransche  be- 
velhebber, een  even  bekwaam  aU  dapper  aanvoerder,  had  intas- 
schen  gezorgd  om  —  zooals  de  Hollandsche  Mercurius  dit  uit- 
drukt —  ide  vrouwen  en  kinderen  ende  onnut  huysraet"  uit 
Charleroi  te  verwijderen. 

Den  II  en  Augustus  brak  het  leger  van  Luxembourg  op  van 
Walcourt,  en  kwam  te  Gerpinnes,  ook  op  den  rechteroever  van 
de  Sambre,  maar  veel  meer  nabij  die  rivier,  en  slechts  een  uur 
gaans  ten  zuidoosten  van  Charleroi;  Louvois  had  die  beweging 
aanbevolen,  om  de  gemeenschap  van  het  leger  der  bondgenoote» 
met  de  vesting  Namen  ten  minste  op  den  rechteroever  van  de 
Sambre  te  beletten.  De  maarschalk  d'Humières  had  uit  de  ves- 
tingen van  Fransch  Vlaanderen  een  9  k  10  000  man  samenge» 
trokken;  Louvois  zond  hem  den  i2ea  Augustus  het  bevel  om 
met  die  afdeeling  stelling  te  nemen  te  Braine-le-Comte,  6  k  S 
uur  ten  noordwesten  van  Charleroi,  om  de  gemeenschap  van  het 
leger  der  bondgenooten  met  Brussel  te  belemmeren.  >Is  dat  ge- 
daan" —  zoo  schreef  Louvois  aan  den  Koning  —  idan  is  er 
alle  reden  om  te  gelooven,  dat  het  brood  duur  zal  worden  in 
de  legerplaats  van  Mijnheer  den  Prins  van  Oranje,  en  dat  zijne 
batterijen  geen  geweldig  vuur  zullen  geven." 

Zoo  ver  kwam  het  echter  niet. 

Toen  het  Fransche  leger  zoo  nabij  Charleroi  was  gekomen, 
zag  de  Stadhouder  in,  dat  het  onmogelijk  was  die  vesting  met 
goed  gevolg  te  belegeren  alvorens  dat  leger  terug  te  werpen; 
daarom  ging  hij  met  de  hoofdmacht  op  den  rechteroever  van 
de  Sambre  over;  en,  tot  insluiting  van  Charleroi  8  k  10 000  man 
voetvolk  en  4000  man  ruiterij  achterlatende,  trok  hij  den  1 2en  Augus- 
tus met  het  overige  tegen  Gerpinnes  op,  als  om  den  vijand  slag 
te  leveren.  Luxembourg  schaarde  ook  zijn  leger  in  slagorde;  — 
toch  kwam  het  niet  tot  een  strijd.  De  Spaansche  bevelhebbers, 
vooral  Villa  Hermosa,  drongen  er  sterk  op  aan  om  het  Fransche 
leger  aan  te  vallen;  maar  ditmaal  was  het  de  Stadhouder  die 
de  voorzichtigste  partij  koos;  hij  toonde  het  groote  gevaar  aan 
van  slag  te  leveren  terwijl  men  in  den  rug  de  Sambre  had  en 
de  sterke  bezetting  van  Charleroi,  en  terwijl  het  leger  van 
Luxembourg  zeer  overmachtig  was  en  eene  sterke  stelling  be- 
zette. Er  werd  dan  ook  besloten  af  te  zien  èn  van  den  strijd^ 
èn  dan  ook  van  het  beleg. 

Algemeen  schrijft  men  het  aan  de  voorzichtigheid  van  Willem  III 
toe,  dat  er  geen  slag  is  geleverd  en  het  beleg  is  opgebroken; 
hijzelf  bericht  dit  aan  de  Staten,  en  men  kan  op  zijne  waarheids- 
liefde vertrouwen.  Toch  is  er  één  getuige  daarmede  in  strijd; 
Huygens  zegt  in  zijn  ijoumaal",  dat  de  Stadhouder  gezind  was 


Digitized  by 


Google 


CHARLEROI.  273 

om  slag  te  leveren,  maar  door  de  vertoogen  van  zijne  onderbe* 
velhebbers  daarvan  had  afgezien;  hij  zou  die  vertoogen  zelfs 
met  misnoegen  aangehoord,  en  de  weinig  vriendelijke  woorden 
gebezigd  hebben:  >dat  het  met  onwillige  honden  quaedt  hasen 
te  vangen  was."  —  Huygens  is  echter  een  weinig  betrouwbaar 
getuige. 

In  den  vroegen  ochtend  van  den  13  en  Augustus  ging  de 
hoofdmacht  der  bondgenooten  achter  de  Sambre  terug;  dien 
dag  werd  de  bagage  en  het  belegeringsgeschut  naar  Brussel  afge- 
zonden, en  den  14611  Augustus  het  beleg  opgebroken.  Des  Stad- 
houders leger  kwam  toen  bij  Fleurus  en  Sombreffe. 

Dat  terugtrekken,  in  de  onmiddellijke  nabijheid,  als  het  ware 
onder  het  oog  van  een  overmachtigen  vijand^  was  een  hachelijke 
handeling,  die,  om  te  gelukken,  met  zorg  en  bekwaamheid  moest 
worden  uitgevoerd;  dat  zij  gelukte,  wordt  van  Fransche  zijde 
aan  eene  bijzondere  omstandigheid  toegeschreven :  den  14^0  Augus- 
tus ging  Luxembourg  van  Gerpinnes  op  marsch  naar  Oignies,  een 
abdij  onmiddellijk  aan  de  Sambre  gelegen,  op  den  rechteroever, 
bijna  halfweg  Charleroi  en  Namen;  ware  Luxembourg  niet  op 
marsch  gegaan,  ware  hij  dien  dag  te  Gerpinnes  gebleven,  dan 
had  hij  de  terugtrekkende  bondgenooten  kunnen  aanvallen  en 
hun  groote  verliezen  toebrengen.  —  De  gewone,  maar  zoo  weinig 
afdoende  redeneering:  was  d^t  niet  gebeurd,  dan  zou  ddt  wel 
gebeurd  zijn.  Ook  Rousset  doet  aan  zulk  een  redeneering  mee: 

1  Aanvankelijk  had  het  Fransche  leger,  den  13611,  uit  de  leger- 
plaats van  Gerpinnes  moeten  opbreken  naar  de  abdij  van  Oig- 
nies, aan  de  Sambre;  maar  daar  de  verwachting  dat  er  slag 
geleverd  zou  worden,  den  Maarschalk  bewoog  om  tot  den  vol- 
genden dag  in  zijne  stelling  te  blijven,  ving  die  marsch  aan  in 
den  ochtend  van  den  1400;  toen  deed  zich  iets  voor,  waardoor 
iedereen  spijt  had  dat  de  beweging  reeds  was  begonnen.  Ziehier 
wat  Louvois  den  Koning  schreef,  uit  het  kamp  van  Gerpinnes, 
den  14C11,  om  half  twee:  i volgens  wat  ik  de  eer  had  Uwe 
Majesteit  te  melden  dat  Mijnheer  De  Luxembourg  voornemens 
was  dezen  ochtend  op  marsch  te  gaan,  heeft  het  leger  zich 
omstreeks  acht  uur  in  beweging  gesteld.  £en  half  uur  later  be- 
richtte men  Mijnheer  De  Luxembourg,  dat  men  uit  een  bosch, 
van  waar  men  gezicht  had  op  het  kamp  van  Mijnheer  De  Villa 
Hermosa,  op  de  hoogte  van  Couillet'*  (Couillet,  een  dorp  op 
den  rechteroever  van  de  Sambre,  ongeveer  een  half  uur  beneden 
Charleroi)  «bespeurde  dat  de  vijand  zijne  tenten  afbrak  en  te 
paard  steeg.  £en  uur  later  kwam  men  hem  zeggen,  dat  die 
macht  de  Sambre  overging,  dat  men  in  de  geheele  Hollandsche 
legerplaats  geen  tent  meer  zag,  maar  wel  eene  sterke  colonne, 
op  marsch  naar  de  bosschen  bij  Thiméon ;"  (Thiméon,  ongeveer 

WILLEM  IIT.  —  II.  18 


Digitized  by 


Google 


274  KRIJGS-   EN  GESCHIBDKUNDIGB  BESCHOUWINGEN. 

2  uur  ten  noordwesten  van  Charleroi,  nabij  den  Piéton).  >Over 
een  paar  uur  zullen  wij  iets  meer  stelligs  weten;  maar  nu  reeds 
heeft  dit  zóó  veel  van  het  opbreken  van  een  beleg,  dat  ik  ge- 
meend heb  dezen  koerier  te  moeten  afzenden,  om  Uwe  Majesteit 
dit  nieuws  te  berichten." 

» Werkelijk  was  't  het  opbreken  van  het  beleg.  De  Engelsche 
vrijwilligers  die  tot  den  Prins  van  Oranje  waren  gesneld  om  te 
leeren  hoe  men  veldslagen  wint,  of  ten  minste  vestingen  neemt, 
moesten  zich  dus  vergenoegen  met  eene  les  in  de  kunst  van  met 
overhaasting  terug  te  trekken.  Het  gelukkig  gesternte  van  Mijn- 
heer den  Prins  van  Oranje  heeft  gewild  dat  Mijnheer  De  Luxem- 
bourg  dien  dag  is  op  marsch  gegaan;  want  ware  het  leger  te 
Gerpinnes  geweest,  dan  had  het  hem  minstens  4  k  5000  man 
gekost." 

Die  woorden  zijn  van  Louvois,  die  den  isen  Augustus  nog 
aan  den  Koning  schrijft:  ...» Mijnheer  de  Prins  van  Oranje  heeft 
zijn  verstand  weer  teruggekregen  en  heeft  van  zelf  zijne  dwaze 
onderneming  gestaakt"  £n,  denzelfden  dag,  aan  den  hertog  De 
Charost:  ...>ik  verzoek  u  den  hier  nevensgaanden  brief  spoedig 
te  zenden  aan  den  Heer  Courtin;  hij  zal  daaruit  zien  welk  een 
misselijk  figuur  de  vijand  gemaakt  heeft."  {La  cacade  que  les 
ennemis  viennent  de  faire). 

Denkelijk  is  er  wel  eenige  overdrijving  in  die  Fransche  voor- 
stelling van  het  gebeurde  bij  Charleroi;  zoo  spreken  onze  op* 
gaven  onder  andere  met  geen  enkel  woord  van  het  oplichten 
van  veldwachten  en  van  het  gevangen  nemen  van  den  bevelhebber 
der  Hollandsche  artillerie,  door  de  bezetting  van  Charleroi. 
Ontegenzeggelijk  is  het  echter,  dat  de  mislukte  onderneming 
tegen  Charleroi  voor  de  Franschen  een  triomf  is  geweest,  voor 
Willem  III  eene  nederlaag,  of  op  zijn  minst  genomen  een  ge- 
voelige tegenspoed.  Maar  wanneer  Louvois  zich  zoo  uitbundig 
verheft  op  dat  voordeel,  en  op  zoo  krenkenden  toon  van  zijn 
vijand  spreekt,  dan  is  er  onder  die  schijnbare  minachting  inder- 
daad haat  en  vrees  verborgen;  men  hecht,  aan  de  Fransche 
zijde,  zooveel  belang  aan  alles  wat  Willem  III  onderneemt,  dat 
men  eiken  tegenspoed  die  hij  ondervindt,  overdrijft. 

Dat  men  in  Frankrijk,  niettegenstaande  dien  tegenspoed  van 
Charleroi,  Willem  III  niet  geringschatte,  blijkt  ten  duidelijkste 
uit  eene  poging,  eene  groote  maand  later  door  Louvois  aange- 
wend om  den  Stadhouder  te  bewegen  de  zaak  der  bondgenooten 
te  verlaten  en  zich  bij  Lodewijk  XIV  aan  te  sluiten.  Dienaan- 
gaande vindt  men  bij  Rousset  (2*"  deel,  blz.  346 — 349)  het  volgende : 

•  Het  was  bekend  dat  de  tweedracht  onder  de  bondgenooten 
nog  nooit  zoo  groot  was  geweest;  hun  beraadslaging  sloeg  vaak 
over  tot  beleedigende  woorden.  Sinds  de  maarschalk  d'Ëstrades 


Digitized  by 


Google 


CHARLEROI.  275 

benoemd  was  als  gevolmachtigde  te  Nijmegen,  ontving  hij  van 
De  Pomponne"  (de  Fransche  minister  van  buitenlandsche  zaken) 
salie  openbare  en  geheime  voorschriften  betreffende  de  algemeene 
onderhandelingen  in  het  congres  en  de  bijzondere  onderhande- 
lingen met  de  omgeving  van  den  Prins  van  Oranje.  Toch  oor- 
deelde Louvois,  na  de  overwinning  die  hij  in  zeker  opzicht  op 
den  Stadhouder  had  behaald,  dat  het  nu  eene  gunstige  gelegen- 
heid was  voor  eene  uitsluitend  persoonlijke  toenadering;  den 
23sten  September  schreef  hij  aan  den  maarschalk  d'Estrades: 
>Gij  zult  van  den  Heer  De  Pomponne  vernomen  hebben,  dat 
Zijne  Majesteit  goedvindt  dat  gij  Mijnheer  den  Prins  van  Oranje 
laat  weten,  dat  indien  hij  eenige  lust  heeft  om  wraak  te  nemen 
op  de  Spanjaarden,  zijne  laatste  verkeerde  handelingen  tot  nu 
toe  nog  geenszins  uit  's  Konings  hart  de  welwillendheid  hebben 
weggenomen,  die  Zijne  Majesteit  hem  toedroeg  als  aan  een  harer 
aanhangers;  daarom  heb  ik  u  hierover  niets  te  schrijven,  dan 
alleen  dat  Mijnheer  de  Prins  van  Oranje  zijn  geld  zeer  slecht 
besteedt,  als  hij  daarmee  de  menschen  betaalt,  die  hem  berichten 
dat  de  Koning  hem  haat;  Zijne  Majesteit  laat  zich  zoo  niet 
doorgronden  door  briefschrijvers  als  die  welke  met  Mijnheer  den 
Prins  van  Oranje  in  betrekking  staan,  en  die  waarschijnlijk  goed 
betaald  worden  door  de  Spanjaarden  om  hem  zulke  zaken  te 
melden.  Wat  den  dienaars  van  Zijne  Majesteit  aangaat,  die  doen 
niets  anders  dan  wat  hun  wordt  gelast;  en  hunne  bijzondere  ge- 
zbdheid  (al  was  die  zöo  als  men  haar  aan  Mijnheer  den  Prins 
van  Oranje  afschildert^  waaromtrent  hij  even  slecht  onderricht  is 
als  omtrent  het  overige)  zou  niets  ter  zake  afdoen,  omdat  die 
zich  altijd  regelt  naar  de  gezindheid  des  meesters;  en  wat  mij 
betreft  kan  ik  u  verzekeren,  dat  niemand  ter  wereld  mij  iets 
heeft  kunnen  hooren  zeggen,  wat  eenigen  grond  kan  geven  tot 
wat  uw  vriend  u  meldt,  't  Is  waar,  soms  komt  de  gedachte  bij 
mij  op,  dat  Mijnheer  de  Prins  van  Oranje  een  grboten  afkeer 
moet  hebben  van  den  Koning,  om  de  schandelijke  taal  te  ge- 
doogen  die  aan  het  Spaansche  hof  tegen  hem  wordt  gevoerd, 
en  die  de  gezanten  van  den  katholieken  Koning  in  alle  landen 
van  Europa  verbreiden;  soms  ook  beklaag  ik  hem,  dat  hij  nie- 
mand bij  zich  heeft,  genoeg  met  hem  bevriend  om  hem  te 
waarschuwen  dat  zijn  naam  noodwendig  in  aanzien  moet  dalen 
bij  de  partij  die  thans  de  zijne  is,  niemand  om,  toen  hij  besloot 
op  te  rukken  tegen  Charleroi,  hem  onder  het  oog  te  brengen 
dat  die  onderneming  hem  waarschijnlijk  op  grooter  verlies  zou 
komen  te  staan,  dan  in  werkelijkheid  het  geval  geweest  is.  De 
Spanjaarden  zeggen  dat  hij,  door  terug  te  trekken,  zijn  naam 
heeft  onteerd,  en  voegen  hem  deswege  duizend  benamingen  toe, 
die  het  onnoodig  is  hier  te  herhalen.  Ik  wenschte  hem  te  laten 
waarschuwen,  dat  het  voortzetten  van  dezen  oorlog  voor  hem 


Digitized  by 


Google 


276  KRIJGS-  SN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

niets  anders  ten  gevolge  kan  hebben  dan  het  verdwijnen  van  de 
gunstige  gezindheid  die  Zijne  Majesteit  voor  hem  had;  hij  zal 
zijn  naam  geheel  en  al  verliezen  ten  bate  van  menschen  die  de 
eerste  de  beste  gelegenheid  zullen  aangrijpen  om  zich  van  hem 
te  ontdoen,  en  die  er  geen  gewetensbezwaar  in  zullen  vinden 
om  elke  gelegenheid,  hoe  dan  ook,  daartoe  te  baat  te  nemen."  — 
Maar  op  het  oogenblik  waarop  de  trots  van  den  Prins  van  Oranje 
het  ergst  was  gekrenkt,  was  hij  het  allerminst  gezind  om  de 
hand  te  kussen  die  Lodewijk  XIV  hem  toereikte,  evenmin  als 
om  Louvois  aan  te  nemen  als  leidsman,  als  den  man  die  borg 
zou  blijven  voor  het  goed  gedrag  van  den  Prius." 

Louvois,  naar  Parijs  teruggekeerd  zijnde,  zond  —  op  het  laatst 
van  Augustus  —  aan  Luxembourg  bevel  om  het  land  van  Waas 
te  verwoesten,  en  het  kanaal  van  Brussel  te  vernielen.  Zoo  was 
de  oorlogsvoering  van  dien  tijd:  de  verwoesting  van  de  Paltz  is 
geen  feit  dat  op  zichzelf  staat.  Luxembourg  stelt  zijn  leger  in 
beweging,  maar  krijgt  weer  tegenbevel,  ten  gevolge  van  de  drei- 
gende houding  van  Willem  III. 

>De  Prins  van  Oranje,  die  eerst  teruggegaan  was  op  Brussel, 
had  gebruik  gemaakt  van  het  wegtrekken  van  het  Fransche  leger 
om  opnieuw  rond  te  dolen  in  den  omtrek  van  Charleroi;  maar 
daar  hij  het  niet  waagde  die  vesting  nogmaals  aan  te  vallen,  had 
hij  zijne  woede  gekoeld  op  het  stadje  Binche,  reeds  tweemaal 
door  hem  genomen,  telkens  bij  wijze  van  schadeloosstelling:  na 
het  mislukte  beleg  van  Charleroi  in  1672,  en  na  het  mislukte 
beleg  van  Oudenaarden  in  1674.  Maar  in  1677  scheen  hij  zich 
niet  te  willen  vergenoegen  met  dit  enkele  voordeel;  een  van  die 
niet-belangelooze  vrienden  ten  minste,  die,  volgens  het  gezegde 
van  Louvois,  •bij  het  Hollandsche  leger  den  Koning  dienden", 
gaf  er  kennis  van  dat  er  sterk  sprake  van  was  om  Dinant,  aan 
de  Maas,  te  belegeren."  (Rousset,  blz.  344.) 

Om  dat  te  voorkomen  besluiten  de  Franschen  Dixmude  te 
belegeren.  De  maarschalk  d'Humières  zal  dit  doen,  met  de  17 
bataljons  die  hij  uit  zijne  vestingen  trekt,  en  met  eene  versterking 
van  10  bataljons  en  26  eskadrons  van  Luxembourg's  leger. 
d*Humières  oordeelt  dat  hij  nog  geen  infanterie  genoeg  beeft; 
en  Louvois  gelast  daarop  aan  Luxembourg  om  nog  8  bataljons 
aan  d'Humières  af  te  zenden,  ten  van  de  beste"  {et  des  meilleurs). 
Dit  wekt  een  hevig  misnoegen  op  bij  Luxembourg.  Ëvenzoo  is 
er  ongenoegen  tusschen  Vauban  en  Louvois  over  de  voorge- 
nomen verwoesting  van  het  land  van  Waas,  die  Vauban  afkeurt, 
vooral  omdat  de  bondgenooten  van  hunne  zijde  bij  machte  zijn 
Picardië  en  andere  Fransche  gewesten  te  verwoesten.  iMaar," 
—  zegt  Rousset  (blz.  347)  —  tmet  het  knorrige  maar  ronde  en 
eerlijke  karakter  van  Vauban  was  het  geheel  anders  gesteld  dan 


Digitized  by 


Google 


CHARLEROI.  277 

met  het  valsche  en  haatdragende  karakter  van  Luxembourg;  de 
kwade  luim  bij  Vauban  was  voorbijgaande  en  liet  geen  sporen 
achter," 

Van  dat  beleg  van  Dinant  en  van  Dixmude  komt  echter  niets ; 
evenmin  van  het  verwoesten  van  het  land  van  Waas»  Dat  laatste 
wordt  door  onze  opgaven  niet  zoo  geheel  en  al  toegestemd; 
volgens  die  opgaven  moeten  er  toen  wel  eenige  strooperijen 
hebben  plaats  gehad  in  het  land  van  Waas,  en  in  den  omtrek 
van  C^nt.  Ook  wordt  er,  van  onze  zijde,  nog  al  ophef  gemaakt 
van  een  mislukten  aanval  van  de  Franschen,  den  locn  September, 
op  eene  schans  aan  de  Brusselsche  Vaart,  tusschen  Brussel  en 
Vilvoorden,  bij  eene  plaats  die  onze  schrijvers  noemen  ide  drie 
gaten",  —  denkelijk  wat  thans  heet  „/«  trots  fontaine^'*.  Die 
schans  was  in  het  eerste  oogenblik  door  slechts  30  HoUandsche 
soldaten  bezet,  onder  ijoncker  Walter  Carpentier,  Engels  edelman 
en  capiteyn  van  een  compagnie  te  voet";  maar  nog  tijdig  kwamen 
er  versterkingen  van  de  regimenten  van  Stirum  en  van  Slangen- 
burg, zoodat  de  bezetting  een  260  man  bedroeg.  De  aanval  van 
de  Franschen,  denkelijk  in  verband  staande  met  de  voorgenomen 
verwoesting  van  de  Brusselsche  Vaart,  werd  verricht  door  eene 
sterke  afdeeling,  door  Luxembourg  in  persoon  bestuurd ;  hoezeer 
met  groote  dapperheid  doordringende  itot  aan  de  derde  palis- 
sade", werden  de  bestormers  toch  teruggeworpen  met  een  verlies 
van  3  k  400  man  aan  dooden  en  gewonden.  Onder  de  Hol- 
landsche  officieren  die  zich  hier  hebben  onderscheiden,  worden 
genoemd  de  kapiteins  Rhade-Heeckeren  en  Vonck  van  Linden, 
en  vooral  de  dappere  Brit  die  hier  het  bevel  voerde.  Carpentier 
werd  door  den  Stadhouder  bevorderd  tot  bevelhebber  van  de 
Ommerschans;  en  van  de  hertogin  De  Villa  Hermosa,  de  vrouw 
van  den  Spaanschen  landvoogd,  ontving  hij  een  roos  met 
diamanten.  —  Van  Fransche  zijde  wordt  dit  gevecht  met  stil- 
zwijgen voorbijgegaan. 

De  laatste  krijgsverrichting  van  het  jaar  1677  in  de  Neder- 
landen was  het  beleg  van  Saint-Ghislain,  eene  vesting  tusschen 
Mons  en  Condé.  Louvois  had  voor  dat  beleg  20  bataljons  en 
22  eskadrons  bestemd,  onder  d'Humières;  20  andere  bataljons 
stonden  gereed  tusschen  Condé,  Valenciennes  en  Le  Quesnoy, 
om  d'Humières  te  versterken,  als  de  bondgenooten  tot  ontzet 
mochten  oprukken.  Den  isten  December  wordt  Saint-Ghislain 
berend.  Willem  III  was  toen  reeds  naar  Engeland  vertrokken; 
Waldeck,  die  hem  als  opperbevelhebber  had  vervangen,  trok 
spoedig  het  leger  bijeen  en  vereenigde  zich  met  eene  Spd,ansche 
afdeeling  onder  Villa  Hermosa.  Beide  bevelhebbers  rukten  den 
8sten  December  van  Brussel  op,  kwamen  den  loen  te  Mons, 
maar  hoorden  daar  dat  het  reeds  te  laat  was.  Den  loen  December 


Digitized  by 


Google       — 


278  KRUGS-  EN  GESCHIEDKUNOIOE  BESCHOUWINGEN. 

had  Saint-Ghislain  zich  overgegeven,  nadat  den  nacht  te  voren 
de  buitenwerken  waren  genomen  en  daarop  de  hoofdwal  met 
een  storm  werd  bedreigd.  Het  beleg  had  aan  de  Franschen  maar 
een  120  man  gekost,  aan  dooden  en  gewonden;  Waldeck  noemt 
de  overgave  «schandelijk";  —  en  die  benaming  schijnt  wel  ver- 
diend; want  in  een  brief  van  den  3osteD  November  aan  Barillon, 
toen  Fransch  gezant  te  Londen,  noemt  Louvois  den  Spaanschen 
bevelhebber  van  Saint-Ghislain  >een  van  de  ellendigste  kerels, 
die  er  bij  zijne  natie  te  vinden  zijn".  Daar  die  brief  vóór  het 
beleg  werd  geschreven,  blijkt  er  uit,  dat  de  Franschen  wisten 
met  wien  zij  te  doen  hadden. 

Vauban  had  het  beleg  van  Saint-Ghislain  bestuurd;  den  lyea 
November  had  Louvois  over  hem  geschreven  aan  d*Huroières, 
en  daarbij  bewoordingen  gebruikt,  die  aantoonen  in  hoe  hooge 
achting  de  groote  vestingbouwkundige  bij  zijne  regeering  werd 
gehouden:  «Zijne  Majesteit  vindt  het  goed,  dat  Mijnheer  De 
Vauban  u  zal  vergezellen^  maar  zij  beveelt  u  nadrukkelijk  aan 
voor  hem  te  zorgen,  en  niet  te  gedoogen  dat  hij  de  werkzaam- 
heden in  de  loopgraven  op  zich  neme;  die  moeten  bestuurd 
worden  door  den  Ridder  De  Mont-Givrault,  met  de  ingenieurs 
die  Mijnheer  De  Vauban  onder  zijne  bevelen  zal  stellen.  Te  goed 
weet  gij  het,  welk  een  verdriet  het  Zijne  Majesteit  zou  aandoen, 
indien  genoemden  Heer  De  Vauban  iets  kwaads  overkwam,  dan 
dat  het  noodig  zou  zijn  u  aan  te  bevelen,  voor  zijn  leven  te 
zorgen,  en  uw  gezag  te  gebruiken  om  hem  te  beletten  van  zich 
aan  gevaren  bloot  te  stellen."  (Rousset,  blz.  357). 

Zeer  zeker  behooren  wij  niet  tot  de  bewonderaars  van  het 
regeeringsstelsel  van  Lodewijk  XIV,  —  het  meest  onbeperkte 
despotisme;  maar  de  waarheid  vordert  de  erkenning,  dat  die 
regeering  —  vooral  in  haar  eerste  helft  —  meer  dan  eens  een 
verstandig  despotisme  is  geweest;  onder  andere  was  zij  dat 
ontegenzeggelijk  in  die  hulde,  toegezwaaid  aan  een  man  van  uit- 
stekende verdiensten  en  begaafdheden,  als  Vauban. 

Een  krijtend  contrast  met  dat  verstand  dat  dikwijls  doorstraalt 
in  de  handelingen  van  den  Franschen  despoot,  maakt  het  domme 
en  onzinnige  van  de  ellendige  regeering  die  toenmaals  op  de 
Spaansche  Monarchie  drukte:  dat  was  ook  despotisme,  —  maar 
zonder  verstand.  Een  enkel  voorbeeld  uit  vele.  In  Maart  1677 
komt  uit  Madrid  een  koninklijke  afkondiging,  die  in  de  steden 
der  Spaansche  Nederlanden  onder  trompetgeschal  moet  worden 
voorgelezen.  Wat  houdt  die  afkondiging  in?  —  Dat  aan  zede- 
lijkheid en  godsdienst  de  hand  moet  worden  gehouden,  om  daar- 
door 's  Hemels  zegen  over  de  wapenen  van  Spanje  te  verwerven.  — 
Schijnvroomheid !  Begin  met  geld  en  soldaten  te  zenden,  en  schrijf 
d^n  het  gebed  voor;  het  werken  moet  met  het  bidden  gepaard 
gaan.  De  Staten-Generaal  schreven  in  dien  tijd  ook  biddagen  voor, 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGSN   AAN   DEN  RIJN  EN   IN  CATALONIË.     279 

om  van  den  Hemel  overwinningen  af  te  smeeken  voor  de  Repu- 
bliek', maar  zij  zorgden  tevens,  dat  het  leger  en  de  vloot  der 
Republiek  in  staat  waren  om  die  overwinningen  te  behalen. 

Voor  het  overige,  wanneer  wij  hier  de  regeering  van  Lode- 
wijk  XIV  huldigen  om  het  verstand  dat  zij  soms  doet  blijken, 
dan  neemt  dit  niets  weg  van  de  verontwaardiging  die  zij  opwekt  — 
vooral  bij  het  oorlogvoeren  —  door  handelingen,  strijdig  met  alle 
beginselen  van  recht  en  menschelijkheid.  Bij  den  weerloozen  land- 
zaat werd  geroofd,  gebrand,  gemoord,  zonder  eenig  mededoogen ; 
maar  ook  tegen  'svijands  geregelde  legermacht,  tegen  krijgsge- 
vangenen ging  men  op  wreede  en  wederrechtelijke  wijze  te  werk. 
Louvois  had  te  dien  aanzien  een  voorschrift  gegeven;  en  nu 
schrijft  hij,  den  Ss^en  Juni  1677,  aan  SaintPouenge,  intendant  bij 
het  leger  in  de  Nederlanden,  dat  dit  voorschrift  alleen  moet 
gelden  voor  de  bezettingen  van  de  vijandelijke  vestingen:  9 het 
reglement  dat  gemaakt  is  ten  aanzien  van  de  patrouilles  {les 
partii)  moet  alleen  toegepast  worden  op  de  patrouilles  uit  de 
vestingen,  en  niet  op  die  van  'svijands  leger,  waaromtrent  niets 
is  vastgesteld;  dat  wil  zeggen  {c'ezt  H  dire\  dat  als  men  een 
patrouille  oplicht  uit  de  Spaansche  bezettingen^  en  zij  is  aan 
infanterie  minder  sterk  dan  19  man,  en  aan  ruiterij  of  dragon- 
ders minder  dan  15,  dan  kan  men  zè  naar  de  galeien  zenden.'* 
(Rousset,  2*  deel,  blz.  333). 

Dat  yyC^eit  d.  dire''  is  nog  al  vermakelijk!  Dus,  als  uit  eene 
Spaansche  vesting  eene  patrouille,  eene  kleine  afdeeling,  wordt 
uitgezonden  van  18  infanteristen,  of  van  14  ruiters  of  dragonders, 
en  die  patrouille  wordt  gevangen  genomen,  dan  kan  die  geheele 
patrouille  naar  de  galeien  worden  gezonden!  Met  welk  recht?  — 
alleen  met  het  recht  van  den  sterkste,  het  geweld. 


Met  een  enkel  woord  worde  hier  nog  gewaagd  van  de  krijgs- 
verrichtingen  der  Fransche  legers  aan  de  zijde  van  den  Rijn  en 
aan  de  zijde  van  de  Pyreneën. 

Het  Keizerlijke  leger  onder  den  hertog  van  Lotharingen  was 
van  Mouzon  aan  de  Maas  teruggegaan  naar  den  Moezel;  — 
terloops  zij  hierbij  aangemerkt,  dat  door  de  iHollandsche  Mer- 
curius"  ten  onrechte  wordt  gezegd,  dat  dit  verlaten  van  de  Maas 
door  de  Keizerlijken  eerst  plaats  had  na  dat  de  onderneming 
tegen  Charleroi  was  opgegeven:  reeds  den  3^0  Augustus  werd 
Mouzon  in  brand  gestoken  en  begon  de  hertog  van  Lotharingen 
zijn  terugmarsch,  en  eerst  den  1300  Augustus  zag  Willem  III  af 
van  het  belegeren  van  Charleroi  —  Na  den  aftocht  van  de 
Duitschers  stelt  Créqui  voor  om  naar  de  zijde  van  den  Opper- 
Ëlzas  op  den  rechteroever  van  den  Rijn  over  te  gaan;  dit  was 
nog  in  Augustus ;  —  aanvankelijk  oordeelt  Louvois  die  handeling 


Digitized  by 


Google 


28o  KRIJGS-   BN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

te  gewaagd,  maar  later,  vernemende  dat  het  leger  van  den  hertog 
van  Lotharingen  in  een  vrij  ongeredderden  toestand  verkeerde, 
geeft  hij  Créqui  weer  vrijheid  om  naar  eigene  inzichten  te  handelen. 

In  den  Opper-£lzas  stond  een  Duitsche  troepenmacht  onder 
den  Prins  van  Saksen- Eisenach,  tegenover  eene  Fransche  onder 
Montclar.  Op  de  nadering  van  Créqui  trekt  Saksen  Ëisenach 
terug  op  het  Brisgausche  —  de  landstreek  op  den  rechteroever 
van  den  Rijn,  waar  die  stroom,  Zwitserland  verlatende,  bij  Bazel 
een  elleboog  maakt.  In  den  nacht  van  7 — 8  September  gaat  de 
Duitsche  bevelhebber  op  den  rechteroever  van  den  Rijn  terug, 
met  zooveel  overhaasting,  dat  de  brug,  die  hij  achter  zich  in 
brand  gestoken  heeft,  slechts  gedeeltelijk  verbrandt  en  gedeeltelijk 
in  handen  valt  van  Montclar.  De  ruiterij  van  dien  Franschen 
aanvoerder  gaat  daarop  te  Brisach  den  Rijn  over,  ten  einde  het 
slaan  van  eene  brug  te  Rheinau  te  dekken,  nagenoeg  halfweg 
Brisach  en  Straatsburg.  Den  21  sten  September  gaat  Créqui  daar 
den  Rijn  over,  met  4000  paarden  en  5000  man  voetvolk,  ver- 
eenigt  zich  met  de  ruiterij  van  Montclar,  trekt  snel  op  Wilstett, 
op  den  rechteroever  van  de  Kintzig;  en  drijft  Saksen-Eisenach, 
met  verlies  en  in  wanorde,  terug  op  Kehl,  tegenover  Straatsburg. 

Ma^r  de  hertog  van  Lotharingen  is  zuidwaarts  getrokken  om 
zijn  onderbevelhebber  bijstand  te  bieden,  en  komt  den  isten  October 
te  Straatsburg.  Créqui,  dien  opmarsch  vernemende,  keert  den 
istcn  October  naar  den  linkeroever  van  den  Rijn  terug;  plaatst 
zich  eerst  te  Wangen,  een  dagmarsch  ten  noordwesten  van  Straats- 
burg, en  gaat  later  nog  iets  verder  terug,  op  Zabern,  Den  yen 
October  heeft  er  nog  een  onbeslist  ruitergevecht  plaats;  maar 
spoedig  daarop  betrekken  beide  partijen  de  winterkwartieren: 
de  hertog  van  Lotharingen,  in  de  Paltz ;  Créqui,  in  den  Opper-Elzas. 

Den  29sten  October  wordt  Créqui  door  Louvois  gemachtigd 
om  nog  iets  te  ondernemen  tegen  de  vesting  Freiburg,  op  den 
rechteroever  van  den  Rijn,  4  of  5  uur  ten  oosten  van  Brisach. 
Die  onderneming  gelukt  volkomen.  In  drie  dagen  tijds  zijn  de 
Fransche  troepen  uit  de  winterkwartieren  bijeengetrokken;  en 
terwijl  De  Rannes,  met  een  klein  gedeelte,  Saarbrück  bedreigt, 
gaat  de  hoofdmacht  den  Rijn  over  te  Brisach.  Den  9en  November 
wordt  Freiburg  berend;  den  loen  komt  het  belegeringspark  daar- 
voor; den  iien  begint  het  geschutvuur;  den  i5cn  zijn  de  bres- 
batterijen voltooid;  den  i6en  capituleert  de  vesting  en  geeft  zich 
den  volgenden  dag  over.  De  hertog  van  Lotharingen  had  toen 
zijne  troepen  nog  niet  vereenigd  uit  de  winterkwartieren. 

Hiermede  eindigde  de  veldtocht  aldaar. 

Naar  de  zijde  van  de  Pyreneën  stond  Navailles  aan  het  hoofd 
van  het  Fransche  leger;  deze  wil  Puycerda  belegeren,  eene  ves- 
ting in  het  noorden  van   Catalonië;   maar  Louvois  weigert  dit. 


Digitized  by 


Google 


1678.   —  VRBDESONDERHANDKLINGEN,  281 

Navailles,  aan  het  hoofd  van  8000  man,  doet  daarop  een  inval 
in  het  Lampourdansche,  het  meest  noordoostelijk  gedeelte  van 
Catalonië;  Monterey,  toen  Onderkoning  van  Catalonië,  trekt  hem 
te  gemoet  met  een  Spaansch  leger  van  15  è,  16030  man.  Navailles 
gaat  daarop  terug.  Den  3en  Juli  heeft  er  een  gevecht  plaats  tus- 
schen  de  beide  legers,  bij  den  bergpas  van  Bagnols,  ten  noorden 
van  de  vesting  Gerona;  beide  partijen  schrijven  «ich  hier  de 
overwinning  toe.  Verder  gebeurt  hier  niets;  —  een  weinig  be- 
duidende veldtocht. 

»Laat  anderen  groot  worden  door  den  oorlog,  gij,  gelukkig 
Oostenrijk,  wordt  groot  door  het  huwelijk";  —  die  woorden, 
slaande  op  de  groote  landaanwinning  die  het  Oostenrijksche  vor- 
stenhuis door  zijne  huwelijken  heeft  verkregen,  gelden  ook  Wil- 
lem III  in  1677.  Dat  jaar  was,  wat  de  krijgsbedrijven  aangaat, 
voor  hem  zeer  nadeelig  geweest;  maar  dat  nadeel  werd  ruim- 
schoots opgewogen  door  de  groote  vermeerdering  van  macht 
die  zijn  huwelijk  hem  schonk.  Den  i9eii  October  te  Londen  ge- 
komen, trouwde  hij  den  15611  November  met  Maria,  de  oudste 
dochter  van  den  hertog  van  York,  den  lateren  Jakobus  II.  Door 
dit  huwelijk  had  de  Stadhouder  vasten  voet  verkregen  in  Enge- 
land, eenigen  invloed  verworven  op  de  £ngelsche  staatkunde; 
en  het  Ëngelsche  volk  begon  naar  hem  op  te  zien  als  naar  zijn 
aanstaand  hoofd,  als  naar  den  kampvechter  die  het  vrij  zou 
maken  van  dwingelandij  en  gewetensdwang. 


HOOFDSTUK  XIX. 

1678;  vredesonderhandelingen;  begin  van   den  veldtocht; 

beleg  van  gent  en  iperen ;  nijmeegsche  vrede;  slag 

van  saint-denis  ;  krijgsverrichtingen  bij  den  rijn. 

Het  jaar  1678  was  aangebroken,  het  zevende  jaar  van  den 
oorlog  die  in  1672  was  begonnen;  het  zou  ook  het  laatste  jaar 
zijn  van  dien  krijg.  Toch  was  het  sluiten  van  den  vrede  nog 
langen  tijd  zeer  onzeker,  en  het  kostte  zeer  veel  moeite  eer  men 
200  ver  kwam.  Dét  men  in  1678  te  Nijmegen  vrede  heeft  ge- 
sloten, is  grootendeels  te  danken  aan  het  staatsbeleid  van  Bever- 
ningh;  aan  hem  komt  grootendeels  de  eer  van  die  handeling 
toe,  —  de  oneer,  volgens  sommigen ;  —  wij  houden  het  met  de 
eerste  meening;  want  de  Nijmeegsche  vrede  was  nuttig,  en 
noodig,  en  eerlijk. 


Digitized  by 


Google 


2^2  KRIJGS-  EM  OBSCHIEDKUNOIGE  BESCHOUWINGEN. 

De  langdurige  onderhandelingen,  te  Nijmegen  gevoerd,  hadden 
de  overtuiging  gegeven,  dat  de  Republiek  bij  het  sluiten  van 
een  vrede  niet  het  minste  nadeel  zou  moeten  ondervinden,  niets 
zou  moeten  afstaan  van  haar  grondgebied  en  van  hare  bezit- 
tingen; —  en  als  men  in  aanmerking  neemt  dat  het  in  1672  op 
haar  geheelen  ondergang  was  toegelegd,  dan  is  het  zeer  duidelijk 
dat  zulk  een  vrede  voor  de  Republiek  eene  gewenschte  uitkomst 
moest  zijn.  Maar  voor  de  bondgenooten  van  de  Republiek,  voor 
Spanje  en  voor  sommige  Duitsche  vorsten  zou  de  vrede  nadeelen 
opleveren;  zij  zouden  daarbij  aan  Frankrijk  vestingen  en  grond- 
gebied moeten  afstaan;  —  ongetwijfeld;  maar  die  vestingen  en 
dat  grondgebied  waren  reeds  in  de  macht  van  Frankrijk;  en 
nóg  meer  bovendien,  dat  Frankrijk  aanbood  terug  te  geven.  De 
kans  om  door  kracht  van  wapenen,  door  het  voortzetten  van 
den  oorlog,  te  herwinnen  wat  men  aan  Frankrijk  had  verloren, 
werd  van  jaar  tot  jaar  kleiner;  verre  van  te  slagen  in  het  her- 
nemen van  de  door  Frankrijk  gemaakte  veroveringen,  zag  men 
integendeel  Frankrijk  met  ieder  jaar  nieuwe  veroveringen  maken. 
Het  gezond  verstand  bracht  dus  mede  om  maar  vrede  te  sluiten, 
en  een  oorlog  te  eindigen  die  met  ieder  jaar  in  nadeeliger  toe- 
stand bracht. 

Maar  Spanje  en  de  Duitsche  vorsten  wilden  van  dien  vrede 
niet  weten,  en  maanden  de  Republiek  aan,  om  mét  hen  den 
oorlog  te  blijven  voortzetten  tegen  Lodewijk  XIV:  »wij  zijn  u 
in  1672  te  hulp  gekomen;  gij  zijt  verplicht  thans  ook  ons  bij 
te  blijven."  —  Daar  zou  misschien  eenige  grond  zijn  geweest 
voor  die  aanmaning,  wanneer  èn  Spanje  èn  de  Duitsche  vorsten 
eenigszins  hunne  krachten  hadden  ingespannen  om  den  oorlog 
te  yoeren;  maar  dit  deden  zij  niet,  of  bijna  niet;  en  de  last  van 
den  oorlog  kwam  grootendeels  alleen  op  de  Republiek  neer.  Bij 
Spanje  was  het  uitputting,  onmacht ;  het  was  schier  zonder  hulp- 
middelen, ten  gevolge  van  een  langdurig  wanbestuur.  Bij  de 
Duitsche  vorsten  was  het  geldzucht,  egoïstische  berekening;  zij 
trokken  maar  substdiën  van  de  Republiek,  deden  hunne  troepen 
zoo  laat  mogelijk  te  velde  komen,  zoo  spoedig  mogelijk  huis- 
waarts keeren,  zoo  weinig  mogelijk  verrichten ;  de  keurvorst  van 
Brandenburg,  >de  groote  Keurvorst",  was  er  maar  op  uit  om 
door  den  oorlog  zijne  staten  uit  te  breiden,  en  zeer  zeker  be- 
hoorde hij  niet  tot  de  verliezers,  maar  tot  de  winners;  —  en  dat 
alles  door  de  middelen  van  de  Republiek,  die  hier  un  métier  de 
dupe  uitoefende.  Het  werd  tijd,  dat  daar  eens  een  einde  aan  kwam. 

De  Republiek  had  het  recht  om  tegen  die  bondgenooten  te 
zeggen:  igij  hebt  mij  in  1672  geholpen;  Spanje,  vol  ijver; 
Duitschland,  op  zeer  twijfelachtige  wijze.  Tot  loon  voor  die  hulp 
heb  ik  u  krachtig  bijgestaan  tegen  Lodewijk  XIV,  evenzeer  uw 
vijand  als  den  mijne ;  jaren  achtereen  heb  ik  mij  daarvoor  groote 


Digitized  by 


Google 


1678.  —   VREDESONDERHANDELINGEN,  283 

opofTeringen  getroost,  terwijl  gij  zeer  weinig  hebt  gedaan:  mijn 
vloot  is  op  de  zeeën  werkzaam  geweest;  mijn  leger  heeft  de 
Spaansche  Nederlanden  verdedigd;  mijn  geld  heeft  de  Duitsche 
troepen  in  beweging  gebracht  De  oorlog  wordt  grootendeels 
alleen  op  mijne  kosten  gevoerd;  bijgevolg  heb  ik  ook  wel  het 
recht  om  eene  beslissende  stem  uit  te  brengen,  als  het  er  op 
aankomt  om  dien  oorlog  te  eindigen." 

Ziedaar  hoe  men  in  Holland  toen  de  zaken  inzag;  in  de  Repu- 
bliek wilde  men  algemeen  den  vrede;  —  maar  daar  was  één 
man  die  den  vrede  niet  wilde;  en  die  eene  man  was  zóó  krach- 
tig, zóó  veelvermogend,  dat  hij  het  kon  wagen  den  wil  van  een 
geheel  volk  te  keer  te  gaan,  dat  hij,  vroeg  men  hem  wat  hij 
daaraan  tegenover  kon  stellen,  zonder  grootspraak  met  de  Medea 
kon  antwoorden: 

»Moi: 
Moi,  dis-je,  et  c  est  assez." 

CORNEILLE. 

Willem  III  wilde  toen  geen  vrede;  en  uit  zijn  oogpunt  had 
hij  volkomen  gelijk. 

Dat  de  Stadhouder  den  oorlog  wilde  voortzetten,  was  niet, — 
zooals  men  heeft  beweerd  —  uit  liefde  tot  den  oorlog,  uit  zucht 
om  zijne  veldheerskunde  uit  te  breiden;  ook  niet,  omdat  de 
oorlog  voordeeliger  was  voor  zijne  bijzondere  belangen ;  —  edeler 
drijfveeren  deden  hem  hier  handelen.  De  Stadhouder  was,  reeds 
toen,  de  kampvechter  voor  Europa's  vrijheid  tegen  de  dwinge- 
landij van  Lodewijk  XIV;  d^t  te  zijn,  is  de  taak  geweest  van 
geheel  zijn  leven,  als  staatsman  en  als  legerhoofd;  het  was  een 
edel  en  groot  doel  dat  hij  beoogde,  een  doel  waaraan  hij  al 
zijne  krachten  en  vermogens  heeft  gewijd,  en  waardoor  hij  zijn 
naam  met  een  onsterfelijken  roem  heeft  omgeven.  Nu  redeneerde 
Willem  III  in  1678  zoo:  teen  vrede  met  Frankrijk  zal  maar 
kort  duren;  Frankrijk  zal  spoedig  weer  overgaan  tot  het  maken 
van  veroveringen;  zulk  een  vrede  zal  niets  meer  zijn  dan  een 
wapenstilstand;  op  dit  oogenblik  hebben  wij  een  sterk  bondge- 
nootschap tegen  Lodewijk  XIV;  sluiten  wij  vrede,  dan  valt  dat 
bondgenootschap  uiteen  en  zal  later  moeilijk  weer  zijn  samen  te 
stellen;  d^n  zullen  dus  de  kansen  van  den  oorlog  meer  in  het 
voordeel  zijn  van  Frankrijk;  en  bijgevolg  is  het  voor  Europa's 
vrijheid  verkieslijk  thans  geen  vrede  te  sluiten,  maar  den  oorlog 
voort  te  zetten." 

Zeker,  tegenover  die  redeneering  kan  men  het  volgende  stel- 
len: »het  voortzetten  van  den  oorlog  heeft  tot  dusver  alleen  ge- 
diend om  Frankrijk  machtiger  en  Europa  zwakker  te  maken; 
de  bondgenooten  worden  al  meer  en  meer  uitgeput;  het  is  dus 
hoog  noodig  dat  zij  eenige  jaren  vrede  genieten,  om  weer  tot 


Digitized  by 


Google 


284  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

krachten  te  komen  en  de  worsteling  tegen  Frankrijk  met  gun- 
stiger kansen  te  kunnen  hervatten ;  het  gemeenschappelijk  belang, 
de  noodzakelijkheid  zullen  dan^  even  goed  als  thans,  een  bond* 
genootschap  doen  ontstaan." 

Die  redeneering  was,  naar  onze  meening,  gegronder  dan  de 
redeneering  welke  wij  den  Stadhouder  laten  houden ;  of  de  Stad- 
houder de  zaken  hier  volkomen  juist  inzag,  kan  dus  betwijfeld 
worden :  hij  nam  zijn  eigen  geestkracht  te  veel  als  maatstaf  voor 
de  geestkracht  van  anderen.  Maar,  ddt  is  de  vraag  niet,  of 
Willem  III  zich  hier  vergiste,  ja  dan  neen :  h  ij  was  ten  volle  over- 
tuigd, dat  het  sluiten  van  den  vrede  toen  een  verderfelijke  han- 
deling was;  en  daarom  handelde  hij  goed,  toen  hij,  zijne  overtui- 
ging volgende,  met  alle  kracht  het  sluiten  van  den  vrede  tegenhield. 

Willem  III  kon  bij  zijn  streven  naar  het  voortzetten  van  den 
oorlog  rekenen  op  de  medewerking  van  Spanje  en  van  de 
Duitsche  vorsten,  maar  nog  meer  dan  op  deze  had  hij  toen  het 
oog  gevestigd  op  Engeland:  kon  hij  Engeland  bewegen,  zich 
aan  te  sluiten  bij  de  bondgenooten,  dan  zouden  daardoor  de 
kansen  van  den  oorlog  tegen  Frankrijk  veel  gunstiger  worden. 
Nu  waren  destijds  de  staatkundige  verhoudingen  in  het  Britsche 
Rijk  van  een  vreemden  en  ingewikkelden  aard. 

Koning  van  Engeland  was  toen  nog  Karel  II;  eenige  jaren 
later,  na  zijn  dood,  was  het  zijn  broeder  Jakobus  II;  >oud  ijzer 
om  oud  lood",  zooals  het  spreekwoord  zegt:  die  beide  Stuarts 
zijn  in  even  hooge  mate  plichtvergeten,  gewetenlooze  koningen 
geweest ;  het  eenige  verschil  tusschen  hen  was,  dat  Karel  II  meer 
geest  had,  meer  aangeboren  goedhartigheid ;  —  maar  zijne  traag- 
heid, zijne  uitspattingen,  zijn  cynisme,  gaven  het  aanzijn  aan 
even  schandelijke  dwingelandij,  als  de  domme  ongevoeligheid 
van  Jakobus  dit  deed.  Beide  vorsten  streefden  naar  het  absolute 
gezag,  waren  der  vrijheid  vijandig,  en  droegen  dus  onze  Repu- 
bliek natuurlijk  geen  goed  hart  toe;  beiden  —  hoewel  koningen 
van  een  protestantsch  rijk  —  waren  de  katholieke  kerkleer 
toegedaan,  —  Karel  in  hét  geheim.  Jakobus  openlijk;  beiden 
stonden  in  soldij  van  Lodewijk  XIV,  dongen  naar  de  gunst  van 
den  Franschen  koning,  en  lieten  zich  door  dezen  voorschrijven 
hoe  te  handelen.  Het  meest  gewone  eergevoel  was  dien  beiden 
Engelschen  koningen  vreemd;  zij  gaven  de  grootheid  en  waar- 
digheid van  hun  land  geheel  prijs,  alleen  om  maar  Frankrijk's 
onderstandsgelden  te  kunnen  trekken.  Voor  een  wreed  dwinge- 
land, maar  die  de  eer  van  zijn  land  handhaaft,  kan  men  nog 
eenige  achting,  nog  eenige  sympathie  hebben;  voor  zulke  niete- 
lingen,  niet. 

Het  is  duidelijk  dat,  met  zulke  koningen,  Lodewijk  XIV 
weinig  vrees  behoefde  te  koesteren,   dat  Engeland  zich  tegen 


Digitized  by 


Google 


1678.   —   VREDESONDERHANDELINGEN.  285 

zijne  veroveringszucht  zou  verzetten;  de  Fransche  staatkunde 
moest  maar  zorgen,  dat  die  koningen  hunne  macht  bleven  be- 
houden; zij  moest  maar  zorgen,  dat  het  £ngelsche  volk  niet 
meesprak.  Het  Ëngelsche  volk  was  Frankrijk  vijandig;  het  had 
een  afkeer  van  het  ellendig  despotisme  der  Stuarts ;  en  het  hield 
het  oog  hoopvol  op  Willem  III  gevestigd,  die,  getrouwd  zijnde 
met  een  dochter  uit  het  huis  der  Stuarts,  volgens  alle  waarschijn- 
lijkheid bestemd  was  om,  door  erfopvolging,  op  den  Britschen 
troon  te  komen.  De  staatkunde  van  den  Stadhouder  hield  reeds 
toen  het  oog  gevestigd  op  Engeland;  reeds  toen  stond  hij  daar 
in  nauwe  verbinding  met  de  vrijheidsgezinde  partij,  en  bezat  hij 
daar  een  machtigen  invloed.  Het  Ëngelsche  Parlement,  denkelijk 
ook  de  ingevingen  van  den  Stadhouder  opvolgende,  deed  soms 
zijn  stem  krachtig  hooren  en  maande  den  Koning  dan  aan,  zich 
tegen  Frankrijk's  veroveringszucht  te  verzetten,  als  die  wat  al  te 
onbeschaamd  te  werk  ging.  Voor  het  oogenblik  zwichtte  Karel 
dan  soms  voor  den  storm;  hij  nam  dan  den  schijn  aan,  alsof 
hij  zich  krachtig  wilde  doen  gelden  tegenover  Frankrijk;  hij 
stelde  wapeningen  voor,  hij  vroeg  daarvoor  geld;  —  komedie- 
vertooning  en  meer  niet,  daar  het  nooit  ernstig  in  zijne  bedoe- 
ling lag  om  Frankrijk  te  beoorlogen ;  en  eene  komedie-vertooning, 
die  ook  daarom  te  gemakkelijker  was,  omdat  het  Parlement 
meestal  een  weigerend  antwoord  gaf  op  die  voorstellen  tot 
wapening  en  op  die  aanvragen  om  geld.  Die  weigeringen  van 
het  Parlement  waren  eensdeels  daaraan  toe  te  schrijven,  dat  het 
vreesde  dat  de  middelen  door  den  Koning  gevraagd,  misschien 
minder  zouden  dienen  tegen  Frankrijk,  dan  wel  tegen  de  vrijheid 
van  Engeland  zelf;  en  anderdeels,  dat  tal  van  parlementsleden 
evenzeer  in  Fransche  soldij  stonden  als  de  Koning  zelf.  In  het 
Engeland  van  die  dagen  behoorde  de  staatkundige  eerlijkheid 
tot  de  uitzonderingen. 

Was  Willem  III  de  groote  voorstander  van  den  oorlog,  de 
voorstanders  van  den  vrede  —  en  die  maakten  de  overgroote 
meerderheid  uit  in  de  Republiek  —  werden  vooral  vertegen- 
woordigd door  Hieronymus  van  Beverningh,  een  van  de  Hol- 
landsche  onderhandelaars  te  Nijmegen.  (Terloops  gezegd:  de 
naam  van  dezen  staatsman  wordt  verschillend  gespeld,  Beverningh 
of  Bevemingk ;  wat  de  ware  spelling  is,  weten  wij  niet ;  het  is 
een  onbegonnen  werk  dit  te  onderzoeken,  want  in  dien  tijd  ver- 
oorloofde men  zich  de  meest  mogelijke  vrijheid  met  het  spellen 
van  eigennamen ;  getuige,  om  maar  één  voorbeeld  aan  te  halen, 
Dijckvelt,  wiens  naam  op  allerlei  wijzen  gespeld  wordt;  men 
was,  naar  het  schijnt,  toen  de  meening  toegedaan,  dat  het  er 
weinig  op  aankwam,  hoe  de  naam  werd  geschreven,  als  het 
maar  duidelijk  was,  welke  persoon  werd  bedoeld). 


Digitized  by 


Google 


286  KRIJGS-  SN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Beverniogh  was  een  staatsman  van  uitstekende  hoedanigheden ; 
hij  was  eerlijk;  —  en  dat  zegt  zeer  veel  in  dien  tijd,  toen  een 
Franschman  zeide^  dat  er  onder  de  Hollandsche  Regenten  maar 
vier  onomkoopbaar  waren:  de  beide  De  Witten,  Van  Beuningen 
en  Beverningh.  Natuurlijk  behoeft  men  aan  die  machtspreuk  van 
den  Franschman  niet  onvoorwaardelijk  geloof  te  slaan;  maar  zij 
legt  toch  een  eervol  getuigenis  af  voor  hen  die  hij  noemt.  Voor 
onderhandelingen  was  Beverningh  in  hooge  mate  geschikt;  — 
maar  hij  ging  daarbij  zijn  eigen  gang,  hij  stoorde  zich  weinig 
aan  voorschriften,  en  hooghartig  weigerde  hij  om  zich  uitvoerig 
te  verantwoorden;  —  er  was  een  tintje  van  Bismarck  in  hem. 
£r  was  in  hem  niets  stijfs,  niets  plechtigs ;  integendeel,  hij  ofiferde 
soms  aan  den  wijn  god,  en  liet  zich  dan  op  de  meest  openhartige 
en  gemoedelijke  wijze  uit  over  de  staatszaken ;  of,  beter  gezegd, 
hij  nam  soms  den  schijn  aan  van  dronkenschap,  om  woorden  te 
uiten  die  hij  nuchter  moeilijk  had  kunnen  zeggen.  In  één  woord : 
een  eerlijk  en  uitstekend  staatsman;  maar  niet  volgzaam,  niet 
ondergeschikt;  en,  bijwijlen,  >een  rare  Chinees". 

De  staatkunde  heeft,  —  dit  behoeft  nauwelijks  gezegd  te  wor- 
den—  een  overwegenden  invloed  op  de  wijze  van  oorlogvoeren; 
en  Clausewitz  gaat  zelfs  zóó  ver,  van  in  zijn  werk  >Over  den 
oorlog"  te  beweren,  idat  de  oorlog  ook  is  een  voortzetting 
van  de  diplomatieke  handelingen  door  middel  van  de  kracht 
der  wapenen."  De  staatkundige  toestand  regelt  dan  ook  de  wijze 
waarop  door  Frankrijk  de  krijgsverrichtingen  in  1678  moeten 
worden  gevoerd:  Frankrijk  wil  vrede;  het  wil  de  bondgenooten 
dwingen  om  de  vredes-voorwaarden  aan  te  nemen,  die  het  voor- 
schrijft; het  wil  daarom  zijne  wapenmacht  zoo  krachtig  aan- 
wenden, dat  de  bondgenooten  daardoor  geheel  worden  ontmoe- 
digd; —  maar  bij  die  aanwending  van  zijne  wapenmacht  mag 
het  evenwel  niet  te  vér  gaan,  want  dan  zou  het  gevolg  kunnen 
zijn  dat  Engeland  zich  bij  de  bondgenooten  aansloot,  wat  natuurlijk 
de  hoop  op  vrede  zou  verijdelen,  en  voor  Frankrijk  de  kansen 
van  den  oorlog  ongunstiger  maken.  In  één  woord,  de  wijze 
waarop  in  1678  door  Frankrijk  de  oorlog  moest  worden  gevoerd 
—  en  gevoerd  is  —  kan  nagenoeg  in  dit  voorschrift  worden 
uitgedrukt:  de  bondgenooten  krachtig  aanvallen,  om  hen  daar- 
door tot  den  vrede  te  dwingen;  maar  ophouden  met  dien  krach- 
tigen  aanval,  zoodra  men  bemerkt  dat  daardoor  het  gevaar  ont- 
staat van  Engeland  als  vijand  te  zien  optreden. 

In  1678  wilde  Frankrijk  den  vrede;  —  want  bij  al  den  uiter- 
lijken  schijn  van  macht  en  grootheid,  waren  daar  toen  reeds 
teekenen  merkbaar  van  zwakheid  en  verval;  niet  alleen  in  de 
finantién,  maar  zelfs  in  het  krijgs wezen.  Als  een  blijk  daarvan 


Digitized  by 


Google 


1678.  —   VREDESONDERHANDELINGEN,  287 

wordt   hier  aangehaald   wat  bij  Rousset  voorkomt  (2*  deel^  blz. 
477—481): 

•Den  isten  Januari  1678  had  Lodewijk  XIV  279610  man 
onder  de  wapens;  aldus  verdeeld:  het  voetvolk  219250  man; 
de  Maison  du  Roi  en  de  Gendarmerie  3420;  de  lichte  ruiterij 
47100;  de  dragonders  9840.  Hiervan  waren  100  000  man  voet- 
volk en  16370  ruiters  bestemd  om  de  vestingen  te  bezetten; 
voor  de  legers  te  velde  bleven  er  dus  o /er  119  250  man  voet- 
volk en  43990  ruiters.  Met  zulke  geduchte  strijdkrachten,  de 
talrijkste  waarover  hij  nog  had  beschikt,  maakte  Lodewijk  XIV 
zich  gereed  om,  ten  zevenden  male,  den  kamp  te  vervolgen,  die 
in  1672  voor  het  eerst  aanving.  Wat  moest  dit  Europa  verbazen; 
wat  moest  dit  haren  staatsmannen  te  denken  geven!  De  oorlog, 
in  stede  van  Frankrijk's  hulpmiddelen  uit  te  putten,  scheen  ze 
te  vermeerderen ;  met  eiken  nieuwen  veldtocht  verscheen  Frankrijk 
sterker  dan  te  voren  op  het  slagveld. 

Zóó  was  de  schijn;  —  maar,  goed  bezien,  was  de  werkelijk- 
heid anders.  Frankrijk  had  behoefte  aan  vrede;  de  reusachtige 
en  om  zoo  te  zeggen  onnatuurlijke  inspanningen  die  het  zich 
getroostte  om  den  bondgenooten  het  hoofd  te  bieden,  konden 
niet  lang  worden  volgehouden  zonder  de  bronnen  zelve  van  het 
volksleven  te  doen  opdrogen.  Met  den  rijkdom  aan  menschen,  is 
het  evenzoo  gelegen  als  met  den  rijkdom  aan  geld:  het  is  ge- 
vaarlijk het  kapitaal  aan  te  spreken. 

Het  heette,  dat  al  die  soldaten  vrijwillig  in  dienst  waren  ge- 
treden; bij. hoe  weinigen  was  dit  de  waarheid!  In  Januari  1677 
schreef  Louvois  aan  De  la  Reynic,  den  y^Limtenant  de  Polici^ : 
» 's  Konings  wil  is  het,  de  schurkerijen  niet  te  gedoogen  die  te 
Parijs  plaats  hebben  bij  de  wervingen  voor  het  leger;  en  Zijne 
Majesteit  vindt  goed,  dat  al  degenen  die  om  dat  vergrijp  ge- 
vangen zitten,  of  later  gevangen  worden  gezet,  gestraft  worden 
met  al  de  strengheid  der  ordonnantiën  tegen  zulke  misdrijven."  — 
In  December  van  hetzelfde  jaar  schreef  Louvois  aan  den  inten- 
dant d'Oppède:  >het  is  een  zeer  slechte  verontschuldiging  voor 
een  soldaat,  zijne  desertie  daarmede  te  willen  verklaren,  dat  men 
hem  met  geweld  heeft  gedwongen  om  soldaat  te  worden;  wilde 
men  zulke  uitvluchten  voor  goede  munt  aannemen,  dan  bleef 
er  niet  één  soldaat  in  's  Konings  legers ;  want  er  is  er  bijna  geen 
een,  die  zich  niet  verbeeldt  een  geldig  bezwaar  te  kunnen  aan- 
voeren tegen  zijn  aanwerving."  —  De  officieren  die  zich  ver- 
laagden tot  die  t  schurkerijen",  —  laten  wij  het  liever,  mét  Louvois 
zelf,  >  misdrijven"  noemen  — ,  waren  natuurlijk  niet  zeer  nauw- 
gezet en  niet  zeer  mild,  waar  het  betrof  het  onderhoud  van  de 
ongelukkigen,  die  zij  door  geweld  of  bedrog  hadden  aangeworven, 
't  Is  waar,  zulk  een  verzuim  werd  streng  gestraft  door  den 
Minister;  maar  hoe  nauwlettend,  hoe  goed  ingelicht,  hoe  werk- 


Digitized  by 


Google 


288  KRUGfi-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

zaaro  hij  ook  was^  toch  kon  het  oog  van  den  meester  niet  alles 
zien;  menig  misbruik  ontging  no^  aan  zijn  blik;  misschien  niet 
bij  het  leger  te  velde  waar  alles  in  helder  daglicht  kwam,  maar 
toch  zeker  wel  in  het  halfdonker  van  de  garnizoensplaatsen. 

Wij  hebben  gezien  dat,  na  de  inneming  van  Saint-Ghislain,  de 
baron  De  Quincy  door  Louvois  benoemd  werd  tot  bevelhebber 
over  de  ruiterij  in  de  vestingen  aan  de  grenzen  van  Henegouwen ; 
men  weet  ook  wie  die  man  was :  achterdochtig,  eenzelvig,  driftig, 
streng,  overal  het  kwade  ziende  waar  het  was,  soms  waar  het 
niet  was  en  het  altijd  overdrijvende,  zoodat  men  zijn  oordeel 
nooit  als  volkomen  onwaar,  en  ook  nooit  als  volkomen  waar 
kon  beschouwen.  Ziehier  het  verslag  dat  hij  aan  Louvois  inzond, 
den  isten  Januari  1678,  toen  hij  ternauwernood  eenige  dagen 
zijne  betrekking  had  aanvaard:  iDe  bevelhebbers  van  de  ves- 
tingen hebben  bij  's  Konings  troepen,  vooral  bij  de  ruiterij,  met 
twee  machtige  vijanden  te  kampen :  met  de  traagheid,  of  liever 
gemakzucht,  en  vooral  met  het  eigenbelang  van  de  kapiteins; 
want  de  gunstigste  kansen  zullen  zij  laten  voorbijgaan,  om  zich 
maar  niet  bloot  te  stellen  aan  het  gevaar  van  een  enkel  paard 
te  verliezen  van  hunne  compagnie.  Oveial  wordt  's  Konings  geld 
op  eene  schandelijke  wijze  gestolen;  overal  worden  handen  vol 
daarvan  verdobbeld,  en  zijne  ruiterij  blijft  zonder  paarden  en 
zonder  kleêren;  het  is  droevig  om  te  zien  in  hoe  erge  mate  zij 
wordt  verwaarloosd.  Ten  aanhoore  van  geheel  Frankrijk  zal  ik 
volhouden,  dat,  wat  ik  te  Saint-Guillain  heb  gezien,  den  naam 
van  ruiterij  niet  verdient;  het  zijn  ellendige  schooiers,  zonder 
wapens,  zonder  laarzen,  zonder  kleêren,  met  paarden  die  niets 
meer  waard  zijn;  en  de  sterkste  compagnie  bestaat  uit  twintig 
man.  De  intendanten  die  Uwe  Excellentie  anders  berichten,  zijn 
geen  goede  dienaars  van  den  Koning,  maar  stelen  zijn  goed  en 
zelfs  zijne  eer.  £en  vierde  gedeelte  van  de  compagnie  bestaat 
uit  een  rommelzoo  van  bedienden  {une  infection  de  domestiques)  met 
de  paarden  van  hunne  heer  en."  —  Klaarblijkelijk  was  de  toorn 
van  den  Baron  De  Quincy  oprecht,  en  ongetwijfeld  in  enkele 
opzichten  gegrond;  maar,  was  die  toch  niet  overdreven?..." 

Men  zou  op  die  vraag  van  Rousset  kunnen  antwoorden:  al 
is  maar  de  helft  waar,  van  wat  De  Quincy  daar  gezegd  heeft, 
dan  is  dit  al  meer  dan  genoeg  om  de  misbruiken  bij  het 
toenmalige  Fransche  legerbeheer  te  doen  blijken,  en  de  waar- 
heid te  bevestigen  van  de  spreuk:  het  is  alles  geen  goud  wat 
er  blinkt. 

Louvois  —  want  hij  is  het,  die  weer  den  gang  der  krijgsver- 
richtingen  regelt  —  wil  Gent  belegeren.  De  inneming  van  die 
groote  stad,  vroeger  zóó  machtig  dat  zij  legers  te  velde  bracht 
en  koningen  bestreed,  zou  natuurlijk  een  grooten  indruk  maken ; 


Digitized  by 


Google 


1678.   —    VREDESONDERHANDELINGEN.  289 

en  bij  den  aanzienlijken  omvang  van  Frankrijk's  strijdkrachten 
^n  den  gebrekkigen  toestand  der  Spaansche  zou  die  inneming 
zeer  goed  uitvoerbaar  zijn.  De  groote  zaak  hierbij,  zooals  bij 
alle  belegeringen  van  dien  tijd,  was  weer,  het  voornemen  geheim 
te  houden,  en  daardoor  den  vijand  te  verhinderen  de  noodige 
verdedigingsmiddelen  binnen  Gent  te  vereenigen.  De  inneming 
van  Saint-Guislain,  op  het  einde  van  1677,  deed  denken,  dat  het 
in  1678  Mons  zou  gelden;  dit  werkte  dus  mede  om  den  vijand 
te  misleiden  ten  aanzien  van  Gent.  Wat  het  voornemen  van  een 
beleg  het  eerst  verraadt,  dat  is  het  bijeenbrengen  van  den  noo- 
digen  leeftocht  voor  het  leger;  en  ook  te  dien  aanzien  bad 
Louvois  maatregelen  beraamd. 

...» Reeds  den  7en  December  1677  schreef  Louvois  aan  Saint- 
Pouenge"  (een  intendant):  »gij  hebt  gezien  hoeveel  moeite  het 
heeft  gekost  om  de  troepen  die  Saint- Ghislain  moesten  insluiten, 
te  voorzien  van  brood,  zonder  dat  het  bakken  van  dat  brood 
het  voornemen  verraadde ;  en  daar  de  Koning  verlangend  is  om 
dat  bezwaar  bij  de  eerste  onderneming  aanstaande  jaar  te  doen 
vervallen,  verzoek  ik  u  om  met  den  aannemer  {Ie  munitionnairé) 
Bertier  te  overleggen  wat  men  te  dien  aanzien  het  best  kan  doen. 
Naar  mijn  oordeel  is  er  niets  anders  op,  dan  het  brood  zoo 
hard  te  doen  bakken  dat  het  een  paar  maanden  goed  kan 
blijven,  het  te  doen  bakken  in  de  citadel  van  Doornik  en  in 
die  van  Rijssel,  het  in  tonnen  of  kisten  te  doen,  die  te  water 
worden  vervoerd  vijf  of  zes  dagen  voor  men  het  noodig  heeft, 
en  zonder  dat  iemand  in  de  stad  weet  wat  in  die  kisten  of  ton- 
nen is.  Men  zou  er  op  kunnen  zetten,  dat  het  schoenen  zijn;  of 
zandzakken;  of  wat  gij  anders  het  best  oordeelt.  80000  of 
100 000  rations  zou,  dunkt  mij,  gecoeg  zijn."  —  In  het  geheim 
toebereidselen  die  Gent  golden ;  openlijk  toebereidselen  om  Mons 
en  andere  vestingen  te  bedreigen.  Te  Saint-Ghislain  deed  Louvois 
twintig  bakovecs  bouwen;  te  Condé  hetzelfde  aantal;  in  beide 
plaatsen,  en  te  Charleville  en  Metz,  werd  koren  bijeengebracht, 
oorlogsmunitie,  kanonskogels,  bommen  en  zware  vuurmonden.'' 
(Rousset,  blz.  482—483). 

Bij  de  geheele  onbeduidendheid  van  de  Spaansche  krijgsmacht, 
was  het  grootste  gedeelte  van  de  Hollandsche  troepen  achter- 
gebleven m  de  Zuidelijke  Nederlanden,  in  winterkwartieren.  Om 
die  troepen  te  vermoeien  werden  reeds  vroeg  in  het  jaar  door 
de  Franschen  allerlei  deroonstratiën  gedaan,  alsof  men  een  aanval 
of  beleg  beoogde :  d'Humières  moet,  om  de  tien  of  vijftien  dagen, 
een  beweging  verrichten  naar  de  zijde  van  Mons,  Halle  of  Brussel ; 
en  alle  intendanten  in  de  grensplaatsen  moeten,  twee-  of  driemaal, 
een  15000  schansgravers  en  een  1700  karren  bijeenbrengen. 
>Een  meer  scherpziend  man  en  minder  door  vrees  bevangen 
dan   Villa  Hermosa"  —  zeide  Louvois  —  >zou  zich  niet  laten 

wrLLEM  iir.  —  IL  19 

Digitized  by  VjOOQIC 


290  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

misleiden  door  zulk  goochelspel;  maar  zoo  als  de  zaken  staan, 
is  het  minste  voldoende  om  hem  alles  te  doen  gelooven  wat 
men  maar  wil."  (Rousset,  blz.  484). 

Slechts  drie  menschen  kenden  het  voornemen  om  Gent  te  be- 
legeren :  Lodewijk  XIV,  Louvois  en  Le  Pelctier,  de  intendant  in 
Vlaanderen.  Zelfs  d'Humières  wordt  daarmede  eerst  in  het  begin 
van  Februari  in  kennis  gesteld :  Louvois  zendt  hem  den  4en  Februari 
een  uitvoerig  programma,  waarin  voor  de  drie  volgende  weken, 
dag  voor  dag,  de  bewegingen  en  handelingen  worden  voorge- 
schreven van  een  honderd  duizend  menschen,  »te  beginnen  met 
den  Koning,  die  er  in  bewilligt,  zijne  rol  daarin  te  vervullen, 
niet  slechts  bij  de  grootsche  ontknooping,  maar  ook  bij  de  ver- 
moeiende drukte  van  de  toebereidselen.  Na  den  Koning  volgen 
de  prinsen  en  de  maarschalken;  ja,  wat  meer  zegt,  zelfs  de 
Koningin  en  madame  De  Montespan  en  de  hofdames  en  de 
hovelingen..."  (blz.  488). 

Rousset  schijnt  hier  het  veelomvattende  genie  van  Louvois  te 
te  wonderen.  Wij  merken  hier  aan,  dat  zulke  alles  regelende 
-voorschriften  wel  de  ijdelheid  streelen  van  hem  die  ze  uitvaar- 
digt, en  ook  zijne  werkzaamheid  en  studie  bewijzen,  maar  tevens 
het  groote  nadeel  hebben,  van  de  ondergeschikten  veel  te  veel 
te  binden  in  hunne  handelingen,  daardoor  vaak  tijd  en  inspan- 
ningen doen  verspillen,  en,  bij  onvoorziene  omstandigheden  — 
die  toch  zoo  lichtelijk  kunnen  voorkomen  —  groot  kwaad  kunnen 
stichten.  Hij  die  aan  het  hoofd  gesteld  is  van  staat  of  leger, 
bewijst  veel  meer  zijn  genie,  wanneer  hij  er  zich  toe  bepaalt, 
aan  zijne  ondergeschikten  duidelijk  en  helder  te  maken  welk  doel 
hij  wil  bereiken,  en  hun  in  groote  trekken  mede  te  deelen  welke 
gang  van  zaken  daarbij  moet  worden  gevolgd,  maar  hen  geheel 
vrij  te  laten  wat  de  bijzonderheden  betreft.  Alles  tot  in  kleinig- 
heden te  willen  regelen,  is  meestal  een  bewijs  dat  het  ontbreekt 
aan  een  ruimen  blik. 


Den  ven  Februari  vertrekt  Lodewijk  XIV  van  Saint-Germain, 
met  de  Koningin  en  met  het  hof.  De  reis  gaat  eerst  naar  Lotha- 
ringen, om  de  tegenpartij  te  misleiden;  en  om  dezelfde  reden 
blijft  Louvois  nog  eenige  dagen  te  Parijs,  zoo  het  heet  voor 
familiezaken;  den  i6en  Februari  vertrekt  hij  van  daar  naar  Bar- 
le-Duc.  Wil  men  weten  hoe  een  Fransch  koning  toen  ten  oorlog 
trok,  men  leze  wat  bij  Rousset  daarover  voorkomt  (2*  deel,  blz. 
487-488):  '  ,        , 

•  Gedurende  dien  tijd  zette  Lodewijk  XIV  met  inspannmg  zijne 
reis  voort,  over  wegen  die  zeer  slecht  waren;  tot  groot  onge- 
noegen en  verveling  van  de  dames  en  van  de  hovelingen: 
koetsen   die  in   de   modder  bleven    steken,   slechte   maaltijden, 


Digitized  by 


Google 


BEGIN  VAN  DEN  VELDTOCHT.  29 1 

ellendige  slaapplaatsen,  ongesteldheden,  ongemakken,  en  dan 
nog  de  steeds  toenemende  prikkel  van  een  onbevredigde  nieuws- 
gierigheid.. ."  >Saint-Pouenge  aan  Louvois,  9  Februari,  Provins: 
»de  Koning  is  gisteren  gekomen  omstreeks  vier  uur  des  namid- 
dags; hij  was  eerst  om  tien  uur  's  ochtends  op  reis  gegaan.  De 
wegen  zijn  zoo  ellendig  slecht,  dat  de  meeste  hofrijtuigen  groote 
moeite  hebben  gehad  om  het  tot  hier  te  brengen.  De  koetsen 
der  hofdames  blijven  soms  in  de  modder  steken..."  13  Februari, 
Fère  Champenoise:  «Madame  De  Montespan  heeft  den  vorigen 
nacht  weer  de  koorts  gehad ;  zelfs  zegt  men,  dat  zij  ze  nóg  had, 
van  ochtend  om  tien  uur,  toen  zij  van  Sezanne  is  vertrokken; 
nu  is  zij  beter."  -^15  Februari,  Vitry:  »uit  de  brieven  die  ik 
u  gisteren  heb  geschreven,  zult  gij  gezien  hebben,  dat  de  gezond- 
heid van  Madame  De  Montespan  veel  beter  was;  vandaag  heeft 
zij  gemedicineerd,  en  dit  doet  haar  goed..."  18  Februari,  Com- 
mercy:  » Madame  De  Montespan  is  heel  wel,  en  heeft  vandaag 
gereisd  in  de  koets  van  de  Koningin." 

Dus,  de  twee  koninginnen  —  de  titulaire  en  de  effec- 
tieve —  in  hetzelfde  rijtuig;  Sarah  en  Hagar  een  geheelen 
dag  tegenover  elkander;  —  of  Abraham  ook  in  datzelfde 
rijtuig  was,  wordt  niet  gezegd.  Een  wonderlijk  huishouden!  En 
Louvois  die,  onder  de  staatszaken,  gedurig  berichten  krijgt  hoe 
of  's  Konings  bijzit  het  maakt,  hoe  het  met  hare  gezondheid  is : 
yfille  a  pris  aujourtPhui  médecini'' ;  —  hoe  belangrijk !  Die  betrek- 
king van  fftaitresse  eens  konings  was  toen  als  het  ware  eene 
of&cieele  betrekking,  waarvoor  men  openlijk  uitkwam.  Nog  een 
kleine  eeuw  later,  toen  George  II  van  Engeland  bij  het  sterfbed 
van  zijn  vrouw  was  en  deze  hem  aanmaande  om  te  hertrouwen, 
antwoordde  hij,  alsof  het  de  natuurlijkste  zaak  van  de  wereld 
was:  yynon;  faurai  des  maitre5ses'\  Alle  fatsoen  en  waardigheid 
werd  toen  in  die  hoogere  kringen  met  voeten  getreden;  en  nie- 
mand die  zich  daarover  verwonderde  of  ergerde. 
•  Kousset  gaat  dus  voort,  met  de  beschrijving  van  de  reis  des 
Franschen  konings,  en  van  de  bewegingen  der  Fransche  legers, 
met  het  doel  om  Gent  te  berennen. 

...>Na  twee  weken  kwam  men,  den  2 2 sten  Februari,  teMetz; 
daar  vond  men,  eindelijk,  groot  nieuws  en  groote  krijgsvertoo- 
ning:  van  Maas  tot  Rijn,  overal  waren  de  troepen  in  beweging. 
Aan  den  Rijn  trok  de  maarschalk  Créqui  zijn  macht  samen  te 
Freyburg  en  te  Brisach.  Te  Metz  hield  de  Koning  eene  wapen- 
schouwing  over  sterke  afdeelingen  voetvolk  en  ruiterij,  en  deed 
die  noordwaarts 'trekken.  Den  25steD  kwamen  die  afdeelingen  in 
het  gezicht  van  Luxembourg.  Den  26sten  trok  graaf  Calvo  uit 
Maastricht  met  6  stukken  geschut,  een  pontontrein,  4000  man 
voetvolk  en  1500  paarden;  9  andere  eskadrons  rukten  op  van 
Dinant,  om  zich  bij  hem  te  voegen.  Maar  reeds  was  Lodewijk  XIV 


Digitized  by 


Google 


29^  KRUOS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

niet  meer  te  Met£;  men  zocht  hem  in  het  noordoosten,  en  hij 
trok  naar  het  noordwesten.  Toen  hij  den  2  7  sten  te  Stenay  kwam, 
verdeelde  hij  zijn  stoet  in  tweeën:  de  Koningin,  de  dames,  de 
hovelingen,  met  hunne  koetsen,  moesten  met  kleine  dagreizen, 
over  Kamerijk  en  Arras,  naar  Rijssel  gaan;  te  paard  sloegen  de 
Koning  en  de  officieren  een  anderen  weg  in ;  den  zSstca  legden 
zij,  zonder  oponthoud,  veertien  uren  af.  Den  2ezi  Maart  waren 
zij  te  Saint- Amand,  voorbij  Valenciennes :  » Zijne  Majesteit"  — 
—  meldde  Saint-Pouenge  —  >is  uitermate  vermoeid;  hier  komende 
heeft  zij  erkend,  van  nog  nooit  zooveel  te  hebben  geleden." 
Maar  reeds  den  dag  te  voren  was  Gent  ingesloten;  noch  de 
Koning,  noch  de  officieren  dachten  toen  meer  aan  de  moeite 
die  het  hun  gekost  had  om  eerst  tot  naar  Metz  te  trekken  en 
eindelijk  weer  in  Vlaanderen  te  komen. 

Alles  werkte  in  goed  onderling  verband.  Den  2  7  sten  en  den 
28sten  Februari  kwamen  er  ieder  oogenblik  koeriers  te  Brussel: 
Luxemburg  was  berend;  Iperen,  Mons,  Namen  waren  berend! 
Naar  wien  moest  men  luisteren?  Wien  moest  men  gelooven? 
Allen  schenen  gelijk  te  hebben.  Te  Halie,  ten  zuiden  van  Brussel, 
hoorde  men  duidelijk  kanonschoten  naar  den  kant  van  Namen 
en  van  Mons.  Ëenige  eskadrons  Fransche  ruiterij  vormden  daar 
als  het  ware  een  scherm,  en  hunne  ondiepe  liniën  trokken  het 
vuur  van  de  vesting  tot  zich;  achter  dit  scherm  trokken  de 
troepen  snel  voorbij,  die  van  alle  grensplaatsen  op  Gent  rukten; 
was  de  laatste  man  voorbij,  dan  trokken  die  eskadrons  zich  te 
zamen  en  verdwenen  op  hunne  beurt.  Ieder  soldaat  had  brood 
of  beschuit  bij  zich,  en  ieder  ruiter  bovendien  haver  voor  vijf  dagen. 

Louvois  bestuurde  in  persoon  die  meesterlijke  bewegingen ;  den 
28sten  Februari  was  hij  te  Oudenaarden  gekomen,  het  punt  waar 
alles  te  zamen  kwam.  Dien  dag  zond  de  Gouverneur  van  Gent 
zijne  ruiterij  weg,  om  Iperen  te  hulp  te  komen ;  voor  zijn  eigene 
verdediging  bleef  hem  niets  meer  over  dan  500  man;  maar  hij 
meende  geen  ernstig  gevaar  te  loopenl  Den  isten  Maart  schreeC 
Louvois  uit  Oudenaarden  aan  den  kanselier  Letellier:  >het  ge- 
heele  land  door  was  ieder  zóó  overtuigd  dat  Namen  en  Mons 
belegerd  zouden  worden,  dat  men  aan  deze  zijde  niet  de  minste 
aandacht  heeft  geschonken.  Gisteren,  om  negen  uur  's  ochtends, 
kwam  ik  te  Doornik;  en  over  den  geheelen  weg  hoorde  ik  het 
kanon  van  Mons,  dat  vuurde  op  de  troepen  die  het  insloten. 
Met  het  vallen  van  den  avond  ben  ik  hier  gekomen,  waar  ik  de 
troepen  zag  uitrukken  om  Gent  te  berennen,  zonder  dat  iemand 
hoegenaamd  daar  gedachte  op  had.  Uit  een  briefje,  dat  ik  zoo* 
even  heb  ontvangen  en  dat  gedagteekend  is  van  gisteren  om 
twee  uur,  blijkt  dat  de  ruiterij  van  Gent  toen  te  paard  steeg  om 
Iperen  te  hulp  te  komen,  en  dat  de  bezetting  van  stad  en  kas- 
teel maar  500  man  voetvolk  bedraagt.  Heden  zullen  er  12000 


Digitized  by 


Google 


BELEG  VAN  GENT  EN  IPEREN.  293 

paarden  rondom  de  stad  zijn;  morgen  48  bataljons;  de  19  andere 
zullen  overmorgen,  voor  den  middag,  aankomen.  Van  avond 
komen  er  7000  schansgravers  in  het  kamp;  en,  komen  er  vóór 
aanstaanden  nacht  geen  hulptroepen  in  de  stad,  dan  kunt  gij  er 
op  rekenen  dat  Gent  tusschen  nu  en  aanstaanden  Zaterdiag  in 
'sKonings  macht  zal  zijn."  (Rousset,  blz.  488—490). 

Nu?  welke  dag  was  nu?  —  Wij  weten  het  niet;  maar  ddt 
•weten  wij,  dat  Louvois  een  weinig  gebluft  heeft,  toen  hij  aan 
zijn  vader  schreef,  dat  Gent  «tusschen  nu  en  aanstaanden  Zater- 
dag" in  's  Konings  macht  zou  zijn:  Nu  was  den  isten  Maart; 
en  Gent  is  pas  overgegaan  den  9eii;  en  het  kasteel  nog  een  paar 
dagen  later.  Maar  dit  klein  weinigje  grootspraak  is  licht  te  ver- 
geven, daar  waar  met  zoo  overgroote  bekwaamheid  en  veerkracht 
is  gehandeld. 


Het  lot  van  Gent  kon  toen  geen  oogenblik  meer  twijfelachtig 
zijn;  want  al  had  die  stad  sterke  vestingwerken,  en  al  was  zij 
voldoende  uitgerust  —  wat  toen  bij  de  vestingen  der  Spanjaarden 
nog  altijd  eene  twijfelachtige  zaak  was  —  zoo  ontbrak  haar  toch 
het  voorname,  het  onmisbare  bestanddeel  van  eene  goede  ver- 
dediging: »de  mênnekes",  zooals  Daendels  dat  noemde.  Met 
eene  bezetting  van  slechts  500  soldaten  eene  krachtige  verdedi- 
ging vol  te  houden  van  eene  vesting  van  zoo  grooten  omvang 
als  Gent,  dat  was  te  dwaas  om  er  van  te  spreken ;  en  het  komt 
ons  voor,  dat  Don  Francisco  Pardo,  de  Spaansche  bevelhebber, 
alles  heeft  gedaan  wat  hij  kon,  door  de  stad  tot  den  9en  Maart 
aan  den  vijand  te  betwisten,  en  het  kasteel  tot  den  i2en. 

Men  deed  wel  eene  poging  om  verdedigers  voor  Gent  te  ver- 
krijgen, door  van  de  burgerij  een  aantal  mannen  te  wapenen  en 
bij  de  bezetting  te  voegen,  eene  handeling  die  men  in  dien  tijd 
in  de  Spaansche  Nederlanden  meer  te  baat  nam.  «Keurlingen", 
worden  die  gewapende  burgers  genoemd ;  een  naam  die  nog  niet 
bepaalt  of  zij  vrijwilligers  waren  of  niet;  maar  een  naam,  die 
men  volstrekt  niet  moet  verwarren  met  keurtroepen^  keur- 
soldaten; integendeel,  het  waren,  ten  minste  hier  te  Gent,  zeer 
slechte  soldaten,  troepen  zonder  militaire  waarde;  zoodat,  hoe- 
zeer er  een  2000  keurlingen  werden  aangenomen,  die  toevoeging 
de  kleine  bezetting  weinig  heeft  gebaat.  Aanvankelijk  zouden  die 
keurlingen  een  soldij  ontvangen  van  15  è,  18  stuiver  daags;  later 
werd  zelfs  12  schellingen  beloofd  aan  ieder  keurling  die  24  uur 
in  de  buitenwerken  bleef;  en  de  stedelijke  regeering  liet  zelfs 
eens  met  trompetgeschal  afkondigen,  dat  ieder  keurling  die  24 
uur  wilde  doorbrengen  in  een  der  meest  aangevallen  buiten- 
werken, >voor  vier  jaar  vrij  zou  zijn  van  wacht,  accijns  en  alle 
andere  stadslasten".   Maar  het  een  hielp  al  even  weinig  als  het 


Digitized  by 


Google 


^94  KRÜGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

ander:  toen  de  Franschen  zich  gereed  maakten  om  een  buiten- 
werk te  bestormen,  gingen  de  keurlingen  er  uit,  zonder  eenigen 
wederstand.  Met  geld  alleen  maakt  men  geen  soldaten. 

Wij  ontleenen  die  bijzonderheden  aan  opgaven  van  ónze  zijde, 
voorkomende  in  de  HoUandsche  Mercurius;  maar  ook  uit 
wat  Rousset  daarover  zegt,  kan  men  zeer  duidelijk  opmaken  hoe 
weinig  ernstig  dat  beleg  is  geweest :  het  roemrijke,  het  groote  is 
hier  de  voorbereiding  tot  het  beleg  —  niet  het  beleg  zelve. 

Den  3eQ  Maart  zijn  84  eskadrons  en  67  bataljons  van  het 
Fransche  leger  rondom  Gent  vereenigd;  61  andere  eskadrons 
zijn  te  Oudenaarden  als  reserve,  en  kunnen  binnen  6  uren  tijds 
bij  de  hoofdmacht  zijn.  Den  4en  Maart  komt  Lodewijk  XIV 
voor  Gent;  daar  zijn  ook  de  maarschalken  d'Humières,  Luxem- 
bourg,  Schomberg  en  De  Lorge.  In  den  avond  van  den  500 
opent  Vauban  de  loopgraven  tusschen  de  Lys  en  de  Schelde; 
in  den  nacht  van  8  op  9  Maart  worden  de  buitenwerken  ge- 
nomen, zonder  veel  tegenstand;  den  volgenden  ochtend  geeft 
de  stad  zich  over.  Den  i2eD  Maart  capituleert  het  kasteel;  de 
bezetting,  nog  een  1000  man  tellende,  trok  met  wapens  en 
geweer  uit  naar  Antwerpen.  Dit  geheele  beleg  kostte  aan  de 
Franschen  nog  geen  40  man  aan  dooden;  en  nog  geen  100 
man  waren  in  de  hospitalen.  —  Dat  laatste  cijfer  zegt  evenwel 
niet  veel;  want  de  hospitalen  waren  toen  zoo  jammerlijk  slecht, 
dat  de  soldaat  er  noode  heen  ging ;  zoodat,  hoewel  er  toen  nog 
geen  100  Fransche  soldaten  in  de  hospitalen  waren,  het  Fransche 
leger  toch  zeer   goed  meer  dan  100  zieken  kan  gehad  hebben. 

Toen  Gent  gevallen  was,  begon  men  met  reden  beducht  te 
worden  voor  onze  vestingen  in  Staats- Vlaanderen ;  zij  werden 
daarom  van  sterkere  bezettingen  voorzien,  dijken  werden  door- 
gestoken, en  meer  andere  maatregelen  van  verdediging  daar  ge- 
nomen. Willem  III  had  intusschen  met  de  hoofdmacht  van  het 
HoUandsche  leger  stelling  genomen  bij  de  Schelde,  tusschen 
Antwerpen  en  Boom,  gereed  om  van  daar  hetzij  Brussel,  hetzij 
Staats-Vlaanderen  te  hulp  te  komen.  Maar  het  gold  toen  Iperen; 
en  nauw  was  te  Gent  alles  afgeloopen,  of  10  000  man  ruiterij, 
onder  De  Latrousse,  werden  afgezonden  om  eerstgenoemde  ves- 
ting te  berennen;  als  schijnbewegingen  werden  twee  andere  rui- 
terafdeelingen  afgezonden,  om  Brugge  en  Dixmude  te  bedreigen. 
Om  den  Stadhouder  te  beletten  Iperen  te  hulp  te  komen,  bleef 
d'Humières  bij  Gent,  met  27  bataljons  en  40  eskadrons;  met  de 
hoofdmacht  brak  Lodewijk  XIV  den  1360  Maart  van  Gent  op 
en  kwam,  voor  zijn  persoon,  den  i5en  voor  Iperen;  het  Fransche 
voetvolk  verscheen  eerst  den  i6en  voor  die  vesting,  en  was  — 
zeggen  onze  opgaven  —  >zeer  vermoeid  door  de  slechte  wegen". 


Digitized  by 


Google 


BELEG  VAN  GENT  BN  IPEREN.  295 

De  slechte  wegen  moeten  oorzaak  van  die  vermoeienis  zijn  ge- 
weest^ want  de  afstand  van  Gent  tot  Iperen  bedraagt  maar  12  k 
14  uren  gaans;  dezen  afstand  in  vier  dagmarschen  af  te  leggen 
kan  anders  niet  vermoeiend  zijn. 

Iperen  was  toen  een  vrij  sterke  vesting;  gedeeltelijk,  vooral 
aan  de  zuidzijde,  door  inundatiën  gedekt;  met  eene  citadel  aan 
de  oostzijde;  en  met  eene  bezetting  van  een  3000  man^  onder 
den  markies  De  Conflans.  Het  beleg  van  Iperen  heeft  toen  maar 
kort  geduurd ;  maar  de  verdedigers  moeten  daarbij  nog  al  geest- 
kracht hebben  betoond;  en  men  beweert  zelfs  dat,  na  de  over- 
gave^ Lodewijk  XIV  aan  Conflans  zou  hebben  gezegd^  dat  geen 
vesting  in  de  Spaansche  Nederlanden  zich  zoo  goed  had  ver- 
dedigd. Is  zoo  iets  gezegd,  dan  moet  men  daarin  meer  de 
Fransche  wellevendheid  zien  dan  eene  juiste  waardeering  van 
het  gebeurde. 

Den  i8en  Maart  werden  de  Fransche  loopgraven  geopend  tegen 
de  Citadel;  —  de  liniën  van  insluiting  van  Iperen  waren  toen 
nog  wel  niet  voltooid,  maar  dit  kon  weinig  kwaad  omdat  er 
toch  weinig  was  te  vreezen  van  den  vijand  van  buiten.  Daar  de 
grond  door  zware  regens  doorweekt  was,  werden  de  werkzaam- 
heden van  den  aanval  bemoeilijkt;  men  zag  zich  genoodzaakt 
den  weg  van  het  belegeringspark  naar  de  batterijen  met  planken 
te  bevloeren,  en  den  bodem  van  de  loopgraven  met  fascinen  te 
bedekken  omdat  er  zooveel  water  op  stond.  Tegen  de  Citadel 
maakte  men  twee  nadernissen,  en  aan  elke  daarvan  werkten 
600  arbeiders;  op  twee  plaatsen  werden  die  nadernissen  ver- 
bonden door  loopgraven,  die  dus  eenigermate  parallellen  vorm- 
den. Zoolang  de  belegeraar  zijne  batterijen  nog  niet  had  bewapend, 
leed  hij  gevoelige  verliezen  door  het  geschutvuur  uit  de  Citadel ; 
ook  werden  zijne  aanvalswerken  vertraagd  door  een  uitval  dien 
de  Spanjaarden  deden  in  den  nacht  van  20  Maart.  Maar  het  be* 
legeringsgeschut  —  22  zware  kanonnen  en  12  mortieren  —  kwam 
aan,  werd  in  batterij  gebracht,  en  opende  den  21  sten  het  vuur, 
vooral  op  de  Citadel,  waarin  veel  verwoesting  werd  aangericht. 
Om  de  krachten  van  den  verdediger  te  verdeden,  werden  den 
23sten  ook  loopgraven  gemaakt  tegen  de  stad,  aan  weerszijden 
van  de  Iperlee;  begunstigd  door  bedekt  terrein  kon  men  die 
nadernissen  reeds  op  korten  afstand  beginnen.  De  loopgraven 
waren  nu  zoo  nabij  de  vesting  gekomen,  dat  men  reeds  in  den 
nacht  van  24  op  25  Maart  overging  tot  de  bestorming  van  den 
bedekten  weg.  Het  gelukte  aan  de  Franschen  den  bedekten  weg 
te  vermeesteren,  aan  de  stadszijde  met  weinig  moeite,  aan  de 
zijde  van  de  Citadel  daarentegen  eerst  na  een  ernstigen  tegen- 
stand en  ten  koste  van  groote  verliezen:  van  de  Compagnie 
grenadiers  te  paard  sneuvelde  Riotort,  de  aanvoerder,  met  22 
zijner  soldaten.  Den   25sten   trad  Conflans  daarop  in  onderhan- 


Digitized  by 


Google 


296  KRIjGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

deling  en  gaf  den  26steQ  de  vesting  over,  vrijen  uittocht  bedin- 
gende voor  de  bezetting.  Volgens  Roiisset  telde  die  bezetting 
toen  nog  1600  man,  en  bovendien  600  gewonden ;  onze  opgaven 
stellen  hare  geheele  sterkte  bij  de  overgave  op  nagenoeg  3000 
man,  —  denkelijk  een  te  hoog  cijfer. 

Men  ziet  dus  dat  dit  beleg  van  Iperen  maar  kort  heeft  ge- 
duurd. Men  kan  de  verdediging  goed  noemen,  maar  hooger  lof 
heeft  zij  ook  niet  verdiend. 


Maar  het  innemen  van  Gent  en  Iperen  bracht  in  Engeland  de 
gemoederen  in  beweging;  men  vreesde  daar,  dat  de  geheele 
verovering  van  de  Spaansche  Nederlanden  spoedig  zou  volgen; 
en  in  het  Parlement  deden  zich  stemmen  hooren,  die  er  op  aan- 
drongen om  zich  bij  de  bondgenooten  aan  te  sluiten  en  Frankrijk 
den  oorlog  te  verklaren.  Nu  had  Lodewijk  XIV  wel  de  zeker- 
heid, dat  er  van  zulk  eene  oorlogsverklaring  niets  zou  komen, 
zoolang  Karel  II  dit  maar  met  eenige  mogelijkheid  kon  tegen- 
houden ;  maar  de  Fransche  koning  mocht  zijn  koninklijken  broeder 
van  Engeland  de  taak  dan  toch  ook  niet  al  te  moeilijk  maken; 
en  daarom  was  het  geraden,  de  krijgsverrichtingen  voor  het 
oogenblik  te  staken  en  de  houding  aan  te  nemen  alsof  men  van 
verdere  veroveringen  wilde  afzien.  De  Koning  kwam  den  7 en  April 
terug  te  Saint-Germain ;  en  den  9^11  zond  hij  eene  verklaring  naar 
Nijmegen,  naar  de  vredes-on derhandelaars,  dat  hij  tot  10  Mei 
wilde  wachten  alvorens  in  Vlaanderen  de  vijandelijkheden  te 
hervatten.  Het  was  zooveel  als  had  hij  tegen  de  bondgenooten 
gezegd :  >  maak  nu  gebruik  van  dien  tijd  om  den  vrede  te  sluiten 
dien  ik  u  aanbied."  Een  deel  van  het  Fransche  leger  keerde 
naar  Frankrijk  terug. 

Een  eigenlijke  wapenstilstand  was  het  echter  niet;  en  de  kleine 
oorlog  —  toen  voornamelijk  rooven  en  branden  —  bleef  zijn  gang 
gaan.  De  Fransche  bezetting  van  Maastricht  had  onder  andere 
den  last,  overal  brandschattingen  uit  te  schrijven;  maar  naar 
het  oordeel  van  Louvois  deed  zij  dit  niet  genoeg:  »Als  dat  zoo 
voortgaat,"  —  schreef  hij  op  ruwen  toon  aan  De  Calvo  —  »dan 
zal  ik  genoodzaakt  zijn  het  ter  kennis  te  brengen  van  den  Koning; 
en  het  is  onmogelijk  dat  het  niet  de  verontwaardiging  opwekt 
van  Zijne  Majesteit,  als  zij  ziet  wat  te  dien  aanzien  gebeurt;  zorg 
toch  dat  gij  u  anders  gedraagt.  Dikwijls  meldt  men  mij,  dat  er 
in  het  een  of  ander  dorp  is  gebrand ;  maar  ddt  is  het  niet  wat 
gij  moet  doen  om  de  brandschatting  te  doen  slagen :  het  geheele 
dorp  moet  afgebrand  worden ;  en  als  het  volk  ziet  dat  het  dien 
weg  opgaat,  dan  zult  gij  zien  dat  uwe  bevelen  geheel  anders 
uitgevoerd  worden,  dan  zij  tot  nu  toe  uitgevoerd  zijn.  De  Koning 


Digitized  by 


Google 


NIJMBEGSCHE  VRBDE.  297 

is  er  hoogelijk  over  verontwaardigd,  dat  de  ruiterafdeelingen  die 
gij  uitzendt,  het  tot  gewoonte  aannemen  om  geslagen  te  wor- 
den." —  Calvo,  misschien  geprikkeld  door  die  verwijten,  doet 
in  den  nacht  van  3  op  4  Mei  het  stadje  Leeuwe,  aan  de  Geete, 
verrassen;  en  toen  die  verrassing  gelukt  was,  werd  het  geheele 
platteland  van  Braband,  tot  aan  Leuven,  op  meêdoogenlooze 
wijze  gebrandschat. 

De  wreede  wijze  waarop  bij  die  oorlogen  de  brandschattin^en 
werden  aangewend,  was  dus  niet  het  gevolg  van  iets  toevalligs^ 
van  de  woestheid  van  den  soldaat,  van  de  onverbiddelijkheid 
van  den  eenen  of  anderen  aanvoerder;  neen,  die  wreedheid  was 
een  stelsel,  het  was  iets  dat  door  Louvois  uitdrukkelijk  bevolen 
werd:  >als  het  dorp  de  brandschatting  niet  opbrengt,  verbrand 
dan  niet  een  enkel  huis,  brand  het  geheele  dorp  af."  Is  het 
wonder  dat  die  man  door  den  tijdgenoot  werd  beschouwd  als 
een  gevleesde  duivel,  dat  nog  de  late  nakomelingschap  zijn 
naam  vloekt! 

Bij  die  verrassing  van  Leeuwe  vindt  men:  dat  de  Franschen, 
om  de  natte  grachten  van  die  vesting  over  te  komen,  van 
Maastricht  op  wagens  hadden  meegevoerd  >2o  kleyne  schuytjes, 
die  onder  niet  als  van  stroo  en  biesen,  en  ter  zijden  niet  als 
van  licht  hout  gemaeckt  wierden,  zijnde  gedeckt  van  gewascht 
lijwaet." 

Bijna  terzelfdertijd  behaalden  de  Franschen  in  Catalonië  een 
voordeel :  —  een  voordeel  dat  echter  niet  veel  beduidde,  en  dat 
het  Engelsche  volk  niet  in  onrust  behoefde  te  brengen. 

Het  Fransche  leger  aan  de  Pyreneën,  onder  het  bevel  van 
den  maarschalk  De  Navailles,  was  versterkt  geworden  door  de 
troepen  die  uit  Messina  waren  teruggeroepen;  daardoor  waren 
de  Franschen  bij  machte  om  aanvallend  te  werk  te  gaan,  en 
het  beleg  te  slaan  voor  Puycerda,  eene  kleine  vesting  aan  de 
Sègre,  in  het  noordwestelijk  gedeelte  van  Catalonië.  Van  dat 
beleg  zegt  Rousset  (blz.  501)  het  volgende: 

>Den  29sten  April,  nog  vóór  het  dag  was,  kwam  de  voorhoede 
voor  Puycerda;  zóó  onbezorgd  was  de  bevelhebber  aldaar,  dat 
hij  dien  geheelen  nacht  gedanst  had  op  het  bruiloftsfeest  van 
een  der  officieren  van  zijn  staf,  en  dat  hij  ternauwernood  een  uur 
had  geslapen^  toen  men  hem  haastig  kwam  wekken:  zijn  vesting 
was  berend." 

Maar  die  Spaansche  bevelhebber  van  Puycerda,  Don  Sanche 
De  Mirande,  verdedigt  zich  zeer  dapper: 

>Don  Sanche  capituleerde  den  28sten  Mei,  na  een  beleg  van 
eene  maand;  het  was  de  langdurigste  en  de  beste  verdediging, 
door  den  bevelhebber  eener  Spaansche  vesting  gedaan  tijdens 
de  regeering  van  Karel  II."  (Blz.  502). 


Digitized  by 


Google 


298  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Was  dat  de  beste^  dan  kan  men  daaruit  opmaken  hoe  de 
slechtste  was.  —  Puycerda  werd  door  de  Franschen  weer 
verlaten,  na  verwoesting  der  vestingwerken ;  die  belegering  had 
dus  weinig  nut.  In  het  algemeen  vraagt  men  zich  bij  vele  van 
de  oorlogshandelingen  uit  die  dagen  onwillekeurig  af:  waartoe 
heeft  het  eigenlijk  gediend?  —  Bij  een  oorlog  naar  beslissende 
uitkomsten  te  streven,  dat  lag  niet  in  den  geest  dier  tijden. 

Tot  10  Mei  had  Lodewijk  XIV  beloofd,  de  krijgsverrichtingen 
in  Vlaanderen  te  staken;  die  dag  brak  aan,  zonder  dat  het  nog 
vrede  was;  en  den  i6en  Mei  verscheen  de  Fransche  koning  dan 
ook  weer  in  Vlaanderen;  hij  had  bij  Kortrijk  eene  macht  ver- 
eenigd  van  50  bataljons  en  100  eskadrons,  met  60  veldstukken, 
10  stukken  van  zwaar  kaliber,  en  30  koperen  pontons.  Bovendien 
had  men  bij  Duinkerken  nog  4  bataljons  en  6  eskadrons;  bij 
Marville  10  bataljons  en  16  eskadrons;  en  bij  Saint-Guislain 
6  bataljons  en  12  eskadrons.  In  het  geheel  kon  Frankrijk  toen 
dus  aan  de  Nederlandsche  grenzen  in  werking  brengen  70  batal- 
jons en  134  eskadrons;  56000  man  voetvolk  en  ruim  21000 
ruiters,  te  zamen  77000  man,  —  als  men  de  gewone  sterkte 
mag  aannemen:  voor  het  bataljon  800  man,  voor  het  eskadron 
160  paarden. 

Den  II en  Mei  schrijft  Louvois  aan  Barillon,  den  Franschen 
gezant  te  Londen:  ...>Ik  moet  mij  zeer  vergissen  wanneer  gij 
niet,  tusschen  nu  en  het  einde  van  de  maand,  hoort  dat  Mijnheer 
de  Prins  van  Oranje  benauwde  oogenblikken  heeft  doorgebracht 
{aura  passé  de  mauvais  quarts  d'^heuré)!^  Acht  dagen  later,  den 
iQeo,  schreef  hij  aan  den  kanselier  Letellier:  » vandaag  heb  ik 
den  Koning  een  nieuwe  wijze  laten  zien  om  met  koperen  pon- 
tons een  brug  te  slaan.  Die  brug,  breed  63  voet"  (ongeveer 
20  meter)  »werd  geslagen  over  de  vaart  naar  Brugge,  die  eene 
breedte  heeft  van  16  toises"  (ruim  31  meter);  >een  bataljon  van 
800  man  ging  er  over,  niet  in  de  pas;  van  avond  zal  men  er 
een  eskadron  ruiterij  over  laten  gaan,  om  te  zien  of  de  brug 
het  gewicht  der  paarden  kan  dragen.  Het  is  een  van  de  uit- 
nemendste  uitvindingen  die  ooit  zijn  gedaan;  maar  denkelijk 
zullen  de  heeren  Hollanders  ons  beletten  er  zoo  spoedig  gebruik 
van  te  maken."  (Rousset,  blz.  503). 

>Dat  laatste  doelt  op  het  vooruitzicht  op  vrede.  Den  i8en  Mei 
zond  Lodewijk  XIV,  uit  de  legerplaats  bij  Deinze  —  een  uur  of 
drie  zuidwestelijk  van  Gent  —  eene  verklaring  af  aan  de  Staten- 
Generaal,  die  deze  zoo  voldoende  voorkwam  dat  zij  besloten 
Beverningh  naar  den  Franschen  koning  af  te  zenden,  om  met 
hem  over  de  voorwaarden  van  den  vrede  te  spreken.  Beverningh 
kwam  den  31  sten  Mei  in  de  Fransche  legerplaats  te  Wetteren  — 
tusschen   Gent   en   Dendermonde   — ,   werd   met   buitengewone 


Digitized  by 


Google 


NIJMEEGSCHE   VREDE.  299 

eerbewijzen  ontvangen,  had  een  langdurig  onderhoud  met  den 
Koning,  en  ontving  van  dezen  ten  geschenke  twee  portretten 
van  zichzelven,  met  diamanten  omzet,  en  een  gouden  keten  voor 
zijn  secretaris  Huift;  —  de  Secretaris  mocht  de  gouden  keten 
aannemen,  maar  Beverningh  zelf  weigerde  de  geschenken  des 
Konings:  de  gezant  was  een  man  die  zich  wist  te  doen  ontzien. 
Lodewijk,  zeer  ingenomen  met  den  HoUandschen  staatsman, 
meende  nu  de  zaken  geheel  en  al  geschikt;  hij  keerde  naar 
Saint-Germain  terug,  Beverningh  naar  Den  Haag. 

Vóór  dat  het  vrede  was  wilde  Louvois  er  echter  nog  van  halen 
wat  er  slechts  van  te  halen  was.  Sommige  vestingen  —  Charleroi, 
Oudenaarden,  Kortrijk  —  zouden  waarschijnlijk  teruggegeven 
moeten  worden,  en  daarom  kregen  de  bevelhebbers  van  die  ves- 
tingen last,  de  vestingwerken  aldaar  zooveel  mogelijk  te  vernielen : 
voordeel  voor  Frankrijk  was  dit  wel  niet,  maar  het  was  nadeel 
voor  Spanje,  en  dat  kwam  op  hetzelfde  neer.  Die  vernieling  moest 
echter  in  stilte  geschieden,  ongemerkt',  aan  Montal,  die  te  Char- 
leroi is,  schrijft  Louvois:  t vooral  moet  gij  de  zaken  zóó  regelen, 
dat  men  niet  kan  zeggen,  dat  de  Koning  het  u  bevolen  heeft"; 
en  aan  Chamilly,  te  Oudenaarden:  »maar  gij  moet  het  zóó  doen, 
dat  niemand  wete  dat  het  opzettelijk  is  gedaan."  —  In  dien  man 
was  geen  ridderlijkheid,  hier  zelfs  geen  eerlijkheid. 

Na  het  vertrek  van  den  Koning  was  het  opperbevel  over  het 
Fransche  leger  opgedragen  aan  Luxembourg;  en  deze  stond  in 
de  omstreken  van  Brussel,  toen  hij  den  28sten  Juni  last  kreeg 
om  terug  te  gaan  op  de  Fransche  grenzen;  —  de  wind  waaide 
toen  uit  den  hoek  van  vrede.  —  Luxembourg  moest  echter  40 
eskadrons  achterlaten  om  Mons  in  te  sluiten;  en  bovendien  van 
zijn  leger  15  bataljons  en  29  eskadrons,  onder  Schomberg,  naar 
de  Maas  afzenden. 

Maar  den  300  Juli  krijgt  Luxembourg  tegenbevel;  —  de  wind 
waaide  teen  weer  uit  den  hoek  van  oorlog.  Toen  men  meende 
dat  men  het  te  Nijmegen  reeds  zoo  goed  als  eens  was  over  de 
voorwaarden  van  den  vrede,  kwamen  de  Fransche  onderhande- 
laars onverwachts  met  eene  nieuwe  vordering  voor  den  dag,  die 
weer  alles  scheen  onderste  boven  te  werpen:  zij  vorderden,  dat 
alvorens  Maastricht  en  andere  vestingen  in  de  Nederlanden  aan 
Spanje  of  aan  de  Republiek  werden  teruggegeven.  Zweden  — 
de  bondgenoot  van  Frankrijk  —  eene  vergoeding  moest  ontvangen 
voor  wat  het  in  den  oorlog  had  verloren. 

Het  scheen  alsof  die  onbillijke  eisch  van  Frankrijk  nu  de 
Nijmeegsche  onderhandelingen  voorgoed  zou  doen  afspringen. 
Willem  III,  niets  liever  verlangende  dan  dat,  weet  nu  Engeland 
in  het  spel  te  brengen;  den  26sten  Juli  sluit  dit  Rijk  met  de 
Staten-Generaal  een  aanvallend  en  verdedigend  verbond,  waarin 


Digitized  by 


Google 


300  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

overeengekomen  wordt,  dat  Engeland  en  de  Republiek  Lode- 
wijk  XIV  den  oorlog  zullen  aandoen,  als  hij  niet  vóór  den 
iiea  Augustus  van  zijne  onbillijke  eischen  heeft  afgezien.  Karel  II 
maakt  nu  eene  vertooning  alsof  het  hem  ernst  is,  en  103  com- 
pagnieën Engelsch  voetvolk,  onder  het  bevel  van  den  hertog  van 
Monmouth,  gaan  scheep  naar  Vlaanderen.  Nog  in  den  nacht  van 
den  26sten  Juli  verlaat  Willem  III  Den  Haag,  om  het  bevel  over 
het  leger  weer  op  zich  te  nemen,  dat  in  de  nabijheid  van  Brussel 
stond ;  de  Stadhouder  is  voornemens  met  dat  leger  Mons  te  hulp 
te  komen,  waar  ook  Hollandsche  regimenten  in  bezetting  lagen, 
en  dat  toen  reeds  eenigen  tijd  geblokkeerd  was. 

Alles  ademt  nu  weer  oorlog.  Luxembourg's  leger,  dat  opgerukt 
is  om  de  insluiting  van  Mons  te  dekken,  wordt  versterkt;  «zoo- 
dat" —  schrijft  Louvois  den  Qcn  Juli  aan  dat  legerhoofd  —  »gij 
Mijnheer  den  Prins  van  Oranje  het  genoegen  kunt  verschaffen, 
als  hij  u  nabij  wil  komen,  van  54  bataljons  bijeen  te  zien.  Ik 
beken  dat  het  zeer  aangenaam  zou  zijn  dezen  oorlog  te  eindigen 
met  het  slaan  van  Mijnheer  den  Prins  van  Oranje ;  maar,  hoezeer 
ik  dit  ook  wensch  voor  den  roem  van  'sKonings  wapenen  en 
voor  uw  roem  in  het  bijzonder,  kan  ik  toch  niet  gelooven  dat 
hij  zoo  onzinnig  zal  zijn  om  zich  aan  die  nederlaag  bloot  te 
stellen."  (Blz.  510). 

Volgens  Louvois  dus  lijdt  het  geen  twijfel  of  Willem  III  wordt 
geslagen  indien  hij  aanvalt,  maar  hij  zal  niet  zoo  onzinnig  zijn 
om  aan  te  vallen.  —  De  uitkomst  heeft  de  woorden  van  den 
Franschen  minister  gelogenstraft;  de  uitkomst  heeft  doen  blijken, 
dat  Willem  III  aangevallen  heeft  en  niet  geslagen  is;  en  dat 
dus  die  aanval  geen  » onzinnige"  daad  was. 

Den  25stea  Juli  krijgt  Luxembourg  van  Louvois  stellige  mach- 
tiging om  slag  te  leveren;  de  Minister  schrijft  hem:  »als  Mijn- 
heer de  Prins  van  Oranje,  met  de  31  bataljons  die  hij  op  zijn 
hoogst  bijeen  kan  schrapen,  een  konvooi  van  wagens  binnen 
Mons  wil  brengen,  dan  verwacht  de  Koning  bericht  van  u  te 
krijgen,  dat  gij  hem  duchtig  zult  hebben  geslagen,  en  dat  die 
aderlating  groot  genoeg  zal  zijn  om  uit  het  lichaam  der  Hol- 
landsche Republiek  al  die  scherpe  stoffen  te  verwijderen,  welke 
zich  thans  nog  tegen  den  vrede  verzetten."  £n  nog  den  2eD  Augustus 
schrijft  hem  Louvois:  t Zijne  Majesteit  zou  het  dienstiger  achten, 
dat  gij  den  aanval  niet  afwacht,  maar  den  vijand  te  gemoet 
gaat."  (Rousset,  blz.  510—511). 

Maar  de  Fransche  onderhandelaars  te  Nijmegen  —  de  be- 
kwaamste staatkundige  goochelaars  van  die  dagen  —  gaan  in 
eens  door  den  wind;  den  6en  Augustus  zenden  zij  eene  ver- 
klaring in,  waarbij  zij  afzien  van  de  voldoening,  vroeger  voor 
Zweden  geëischt;  misschien  hebben  de  Franschen  toen  wel  gê- 


Digitized  by 


Google 


SLAG  VAN  SAINT-DENIS.  30I 

dacht:  blijven  wij  dien  eisch  volhouden^  dan  zal  Karel  II  het 
misschien  niet  langer  kunnen  beletten  dat  Engeland  ons  den 
oorlog  aandoet;  dus  is  het  beter,  dat  wij  water  in  onzen  wijn 
doen.  —  Door  die  verklaring  van  den  6en  Augustus  was  er  nu 
geen  reden  meer  om  den  vrede  te  beletten;  en  den  loen  Augustus, 
's  avonds,  heeft  te  Nijmegen  dan  ook  de  onder teekening  plaats 
van  den  vrede  tusschen  Frankrijk  en  de  Republiek. 


Toch  wordt  er,  tusschen  de  legers  van  Frankrijk  en  van  de 
Republiek  nog  een  bloedige  veldslag  geleverd,  te  Saint-Denis 
nabij  Mons,  den  1400  Augustus,  vier  dagen  nadat  de  vrede 
te  Nijmegen  was  geteekend. 

Rousset  spreekt  hierover  zeer  uitvoerig,  en  zeer  ongunstig  ten 
aanzien  van  Willem  III  (blz.  511 — 512): 

»De  vrede  tusschen  Frankrijk  en  Holland  werd  te  Nijmegen 
geteekend,  den  loen  Augustus,  om  elf  uur  's  avonds,  slechts  één 
uur  voor  den  afloop  van  den  bepaalden  termijn  der  onderhan- 
delingen. Dadelijk  werden  koeriers  afgezonden,  langs  alle  wegen, 
naar  alle  hoofdsteden,  en  naar  alle  legermachten.  De  koerier, 
die  naar  het  leger  ging  van  den  maarschalk  De  Luxembourg  — 
de  markies  d'Estrades  —  kwam  daar  aan,  den  i4en  tusschen 
acht  en  negen  uur  's  ochtends,  zijn  weg  genomen  hebbende  over 
Venlo,  Roermond,  Maastricht,  Luik  en  Dinant.  De  koerier,  die 
naar  het  leger  van  den  Prins  van  Oranje  vertrok  en  die  een 
veel  korteren  weg  volgde,  over  Antwerpen,  Mechelen  en.  Brussel, 
wanneer  is  die  aangekomen,  welken  dag,  welk  uur?  —  Dat  is 
men  nooit  te  weten  gekomen.  Aan  wien  moet  de  menschheid 
rekenschap  vragen  wegens  het  noodeloos  vergoten  bloed,  aan 
dien  koerier,  of  aan  den  Prins  van  Oranje?  —  nog  weet  zij  dit 
niet.  Maar  is  bij  dat  betreurenswaardig  feit  dat  de  slag  van 
Saint-Denis  heet,  aan  den  kant  der  bondgenooten  alles  geheim- 
zinnig en  duister,  aan  de  Fransche  zijde  is  alles  duidelijk  en  bekend.'* 

Mons  was  eng  ingesloten  door  22  bataljons  en  32  eskadrons, 
in  twee  legerplaatsen  gesplitst,  onder  graaf  Montal  en  baron  De 
Quincy.  Men  wist  dat  de  Prins  van  Oranje  aan  den  hertog  De 
Villa  Hermosa  stellig  beloofd  had,  de  stad  te  ontzetten.  Hij 
rukte  op;  langzaam  ging  de  maarschalk  De  Luxembourg  voor 
hem  terug,  hem  van  nabij  in  het  oog  houdende  en  hem  den 
weg  versperrende.  Het  blokkadekorps  niet  meegerekend,  telde 
het  Fransche  leger  50000  man;  dat  der  bondgenooten  45000." 

Over  de  sterkte  van  het  leger  van  Willem  III  zijn  de  opgaven 
eenigszins  uiteenloopend:  volgens  De  Quincy  moet  die  slechts 
35000  man  zijn  geweest;  de  opgaven  van  onze  zijde  <Hol- 
landsche  Mercurius)  maken  het  echter  waarschijnlijk,  dat 


Digitized  by  VjOOQIC 


302  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Rousset  gelijk  heeft  met  die  sterkte  op  45000  man  te  stellen. 
Wij  voegen  er  echter  bij,  dat  een  van  de  laatste  schrijvers  over 
deze  krijgsgebeurtenis,  Dr.  Muller,  niet  alleen  aan  het  leger  van 
Willem  III  maar  ook  aan  dat  van  Luxembourg  een  mindere 
sterkte  toekent  dan  Rousset. 

Ten  onrechte  zegt  Bosscha  (Neerland's  heldendaden), 
dat  de  Engelsche  hulptroepen,  onder  den  hertog  van  Monmouth, 
aan  den  slag  van  Saint-Denis  hebben  deelgenomen;  Monmouth 
zelf,  ja:  die  kwam  aan,  op  het  oogenblik  dat  de  slag  zou  aan- 
vangen; maar  het  door  koning  Karel  II  afgezonden  hulpkorps 
voegde  zich  eerst  eenige  dagen  later  —  toen  het  niets  meer  kon 
baten  —  bij  het  leger  van  den  Stadhouder.  Die  vergissing  van 
Bosscha  laat  zich  daardoor  verklaren,  dat  werkelijk  Engelsche 
regimenten  aan  den  strijd  bij  Saint-Denis  hebben  deelgenomen 
en  zich  daar  zeer  hebben  onderscheiden;  —  maar  dit  waren 
Engelsche  regimenten  die  in  soldij  van  de  Republiek  stonden, 
die  tot  het  leger  van  de  Republiek  behoorden;  het  waren  wel 
Engelsche  troepen,  maar  geen  troepen  van  Engeland. 

Den  II en  Augustus,  om  11  uur  's  avonds,  schrijft  Luxembourg, 
uit  de  legerplaats  bij  Soignies,  aan  Louvois:  » morgen  breek  ik 
op,  om  eene  legerplaats  te  betrekken  op  de  heide  van  Casteau, 
met  den  rechtervleugel  te  Saint-Denis  en  den  linker  achter  de 
Masnuys."  (Daar  waren  twee  dorpen  Masnuy :  Masnuy-Saint-Pierre 
en  Masnuy-Saint-Jean.  —  De  abdij  van  Saint-Denis  was  een  groot 
uur  ten  noordoosten  van  Mons).  »Die  stelling  is  zóó  sterk,  dat 
de  Prins  van  Oranje  dwaas  zou  doen,  ons  daar  aan  te  vallen; 
zij  dekt  Mons  geheel  en  al  aan  die  zijde;  en  door  de  bruggen 
over  te  trekken  die  ik  tusschen  Obourg  en  Nimy  heb  laten 
slaan,  kan  ik  overal  spoediger  zijn  dan  de  vijand.  Nog  heb  ik 
daar  het  voordeel,  dat,  als,  tegen  alle  waarschijnlijkheid,  de 
vijand  ons  daar  kwam  aanvallen,  de  troepen  van  De  Montal  en 
De  Quincy  zich  in  minder  dan  twee  uren  tijds  bij  mij  zouden 
voegen." 

Voor  de  duidelijkheid  merken  wij  hier  op:  dat  de  legers  van 
Willem  III  en  van  Luxembourg  toen  ten  noorden  van  de  rivier 
de  Haisne  waren,  op  den  rechteroever;  Mons  echter,  vlak  bij 
die  rivier,  ligt  op  den  linkeroever;  evenzoo  was  de  macht  van 
Montal  en  De  Quincy,  die  Mons  ingesloten  hield,  op  den  linker- 
oever van  de  Haisne;  en  de  bruggen  over  de  Haisne  tusschen 
Obourg  en  Nimy,  waarvan  Luxembourg  gewaagt,  waren  achter 
den  rechtervleugel  van  de  stelling  op  de  heide  van  Casteau,  op 
nog  geen  uur  afstands  van  Mons;  die  bruggen  verzekerden  dus 
de  rechtstreeksche  gemeenschap  tusschen  Luxemboürg's  leger  op 
den  rechteroever  van  de  Haisne,  en  het  blokkadekorps  op  den 
linkeroever. 


Digitized  by 


Google 


SLAG  VAN  SAINT-DENIS.  303 

Den  i2en  Augustus  bezet  het  Fransche  leger  die  stelling  op 
de  heide  van  Casteau;  links  heeft  het  kleine  bosschen;  achter 
de  stelling  en  op  den  rechtervleugel  het  bosch  van  Mons;  vóór 
het  front  een  eng  dal  met  steile  wanden,  waardoor  een  beek 
stroomde,  die,  een  half  uur  meer  zuidelijk,  te  Obourg,  tusschen 
Nimy  en  Havré,  in  de  Haisne  uitliep.  De  helling  aan  de  over- 
zijde van  het  dal  was  met  bosch  bezet;  op  slechts  twee  punten, 
tegenover  de  twee  uiteinden  van  de  heide,  was  de  overgang  van 
het  dal  —  betrekkelijk  —  goed  te  verrichten :  dddr  waren  hetzij 
ravijnen,  hetzij  smalle  wegen  die  in  de  rots  waren  uitgehouwen. 
Aan  weerszijden  van  die  twee  défilés  had  men  gebouwen,  die 
zich  amphitheatersgewijze  verhieven:  voor  den  linkervleugel  der 
Franschen,  het  dorp  Casteau,  eerst  de  molen  aan  de  beek,  dan 
de  kerk  op  de  helling,  en  eindelijk  het  kasteel  boven  op  de 
hoogte:  op  dezelfde  wijze  had  men,  voor  den  rechtervleugel,  de 
groote  gebouwen  die  de  abdij  van  Saint-Denis  uitmaakten. 

In  die  abdij  had  Luxembourg  zijn  hoofdkwartier;  —  wel  wat 
vreemd,  dat  het  leger  zijn  hoofdkwartier  neemt  buiten  en  vóór 
de  stelling;  —  het  is  alsof  Wellington  bij  Waterloo  zijn  hoofd- 
kwartier had  genomen  te  Hougomont  of  te  La  Haie  Sainte.  Het 
wordt  daarmee  verdedigd,  dat  Luxembourg  te  Saint-Denis  meer 
nabij  Montal  was;  —  de  ware  reden  zal  wel  geweest  zijn,  dat 
hij  in  die  abdij  beter  gehuisvest  was,  en  dat  men  toch  niet  ge- 
loofde dat  Willem  III  zou  aanvallen.  —  2  bataljons  waren  be- 
stemd tot  dekking  van  Saint-Denis;  2  andere  bataljons  stonden 
evenzoo  vooruit^  naar  de  zijde  van  Casteau;  die  4  bataljons 
stonden  dus  vóór  de  slaglinie.  Om  de  gemeenschap  te  verzekeren 
met  de  macht  die  Mons  blokkeerde,  waren  wegen  gemaakt  in 
het  bosch  van  Mons,  en  —  zooals  reeds  gezegd  is  —  bruggen 
geslagen  over  de  Haisne. 

In  een  brief  van  den  1360  Augustus  aan  Louvois  beschrijft 
Luxembourg  die  stelling,  en  voegt  er  dan  bij:  »gij  ziet  duidelijk, 
dat  ik  bij  machte  ben  om  Montal  en  De  Quincy  te  hulp  te 
komen;  en,  daar  het  onwaarschijnlijk  is  dat  Mijnheer  de  Prins 
van  Oranje  de  door  ons  bezette  stelling  aanvalt,  dat  indien  er 
dus  iets  mocht  gebeuren,  het  zou  moeten  zijn  bij  de  stellingen 
van  die  heeren.  Ik  denk,  dat  al  die  zorg  vrij  overtollig  is,  want 
men  meldt  ons  uit  Philippeville,  dat  daar  een  koerier  van  Nijmegen 
is  doorgekomen  met  de  tijding  van  het  teekenen  van  den  vrede. 
Dat  belet  niet,  dat  Mijnheer  de  Prins  van  Oranje  heden  zijne 
troepen  voortdurend  in  beweging  gebracht  heeft;  men  zegt,  dat 
hij  ook  morgen  op  marsch  zal  gaan;  waarom,  weet  ik  niet,  als 
het  waar  is  dat  de  vrede  is  gesloten,  tenzij  Mijnheer  de  Prins 
van  Oranje  uit  ijdelheid  wil  zeggen,  dat  hij  nabij  's  Konings 
leger  stond  en  alleen  door  den  vrede  verhinderd  werd  iets  te 
ondernemen."  (Rousset,  blz.  514). 


Digitized  by  VjOOQIC 


304  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Den  i4ea  Augustus,  met  het  krieken  van  den  dag,  doet 
Luxembourg  in  persoon  eene  verkenning  naar  de  zijde  van 
Soignies,  waar  Willem  III  den  vorigen  dag  was  aangekomen.  De 
Fransche  maarschalk  ziet  het  leger  der  bondgenooten  in  be- 
weging; niet  rechtstreeks  op  zijn  stelling  naar  de  zijde  van 
Casteau  afkomende^  maar  die  stelling  rechts  latende  liggen,  be- 
wegen zich  de  bondgenooten  in  de  richting  van  Ville-sur-Haisne; 
alsof  het  hun  voornemen  ware,  bovenwaarts  van  Havré  de  Haisne 
over  te  gaan,  en,  over  de  vlakte  van  Binche,  het  blokkade- korps 
voor  Mons  aan  te  vallen. 

Toen  krijgt  Luxembourg  bericht  van  den  vrede  (Rousset,  blz. 
515— 516): 

I Luxembourg  kwam  om  negen  uur  in  het  hoofdkwartier  terug; 
juist  was  daar  de  markies  d'Estrades  aangekomen,  met  de  offi- 
cieele  tijding  van  den  vrede.  Verwonderd  was  de  Maarschalk 
daarover  niet;  want  reeds  den  dag  te  voren  liep  het  gerucht 
daarvan  door  het  leger;  maar  toen  verzamelde  hij  zijne  gene- 
raals en  raadpleegde  hen  over  de  vraag,  of  hij  den  vijand  dat 
groote  nieuws  moest  mededeelen  ?  De  meeningen  daarover  liepen 
uiteen;  toch  werd  een  brief  geschreven";  (in  een  noot:  >die 
brief  was  niet  gericht  aan  den  Prins  van  Oranje,  maar  aan  den 
Prins  De  Vaudemont,  toen  in  Spaanschen  dienst,  een  oud  vriend 
van  Luxembourg");  >en  de  trompetter  die  de  brief  moest  over- 
brengen was  reeds  te  paard,  toen  Luxembourg  in  eens  van 
meening  veranderde.  Laat  ons  hooren  wat  Charalay  —  een  ge- 
loofwaardig getuige  en  die  een  gewichtig  aandeel  heeft  gehad  in 
deze  handeling  —  hierover  zegt: 

f  De  brief  werd  geschreven;  maar  bij  nadere  overweging  be- 
greep Luxembourg,  dat  het  weinig  voegzaam  zou  zijn  om  het 
eerst  zulk  een  stap  te  doen ;  en  dat  het  bovendien  tot  niets  zou 
dienen,  daar  Mijnheer  de  Prins  van  Oranje,  die  het  vredesverdrag 
had  ontvangen,  het  hem  niet  had  meegedeeld,  en  waarschijnlijk 
voornemens  was  een  veldslag  te  leveren,  die,  gunstig  afloopende, 
den  reeds  gesloten  vrede  weer  kon  verbreken.  Daarom  oordeelde 
Luxembourg  het  raadzaam,  den  vijand  niets  te  laten  weten,  en 
het  vredesverdrag  in  zijn  schrijflessenaar  te  bergen."  (In  een  noot: 
>het  was  niet  het  verdrag;  maar  alleen  de  tijding  daarvan"). 

Rousset  vervolgt:  >Toen  de  maarschalk  De  Luxembourg  moest 
kiezen  tusschen  den  eisch  der  menschelijkheid  en .  de  eischen 
van  volkstrots  en  krijgseer,  gaf  hij  de  voorkeur  aan  de  laatste; 
moet  men  hem  daarover  laken?  Niemand  van  zijne  tijdgenooten 
zou  het  in  de  gedachten  zijn  gekomen  hem  daarover  hard  te  vallen. 

Sommigen  hebben  hier  een  ongunstig  oordeel  over  hem  uit- 
gesproken, echter  niet  deswege;  —  maar  wel  wegens  de  omstan- 
digheid dat  hij  zich  heeft  laten  verrassen.  Heeft  hij  zich  inderdaad 
laten  verrassen,  zooals  het  algemeen  gevoelen  wil?  of  wel,  is  die 


Digitized  by 


Google 


SLAG   VAN   SAINT-DKNIS.  305 

beweerde  verrassing  niets  anders  geweest  dan  een  dier  kwaad- 
willige verzinsels,  die  het  algemeen  goedgeloovig  aanneemt,  zon- 
der zich  de  moeite  te  geven  de  juistheid  daarvan  te  beoordeelen 
en  den  oorsprong  op  te  zoeken  ?  De  maarschalk  De  Luxembourg 
wist  ten  volle  wie  de  Prins  van  Oranje  was ;  hij  kende  diens  ge- 
veinsd, hardnekkige  onmeêdoogend  karakter;  hij  wist,  dat  hij 
zich  altijd  verzet  had  tegen  den  vrede,  die  hem  verbitteren 
moest ;  hij  twijfelde  er  niet  aan,  of  de  Prins  wilde  toch  den  kamp 
voortzetten ;  —  ziedaar  wat  Chamlay  met  nadruk  verzekert.  Hoe 
is  dan  Luxembourg  verrast  kunnen  worden  door  een  aanval  dien 
hij  verwachtte  en  waarop  hij  zich  reeds  verscheiden  dagen  had 
voorbereid?  En  toch  is  dit  algemeen  verbreid  gevoelen  niet  geheel 
zonder  grond:  het  is  niet  waar,  dat  de  aanval  door  de  bondge- 
nooten  den  maarschalk  De  Luxembourg  heeft  verrast ;  maar  wel 
waar  is  het,  dat  hij  het  juiste  punt  van  dien  aanval  niet  dadelijk 
heeft  opgemerkt;  wel  waar  is  het,  dat  hijzelf  de  helft  van  zijne 
legermacht  heeft  verwijderd  van  het  werkelijke  slagveld,  en  dat, 
toen  hij  die  helft  had  teruggeroepen,  het  te  laat  was  om  eene 
beslissende  overwinning  te  behalen.  Maar  nog  meer  waar  is  het, 
dat  de  Prins  van  Oranje,  na  binnen  eeniger  uren  tijds  driemaal 
van  aanvalsplan  te  zijn  veranderd,  eindelijk  den  slag  heeft  aan- 
gevangen tegen  alle  regelen  van  de  krijgskunst  in;  en  dat  >de 
dwaasheid"  zelve  van  een  aanval  die  niet  de  minste  kans  van 
slagen  had,  altijd  de  beste  verontschuldiging  zal  zijn  voor  de 
aarzelingen  van  den  maarschalk  De  Luxembourg." 

Hierop  valt  het  een  en  ander  aan  te  merken. 

Wij  willen  die  ongunstige  karakterschets  van  Willem  III  daar- 
laten, want  hierop  is  de  persoonlijke  zienswijze  van  invloed;  en 
misschien  is  die  schets  ook  niet  in  alles  onwaar. 

Maar  waarom  die  brief  aan  Vaudemont  niet  afgezonden  }  — 
Tot  die  afzending  was  besloten,  denkelijk  ten  gevolge  van  het 
gevoelen  der  meerderheid  van  de  geraadpleegde  generaals ;  waarom 
dat  besluit  niet  uitgevoerd?  Dat  Luxembourg  misschien  onwillig 
was  om  aan  Willem  III  zelf  te  schrijven,  dat  laat  zich  nog 
eenigszins  hooren;  maar  waarom  niet  aan  Vaudemont,  die  een 
vriend  van  Luxembourg  was?  Zulk  een  schrijven,  meer  ver- 
trouwelijk dan  officieel  —  want  ware  het  officieel,  dan  moest 
Luxembourg  schrijven  aan  den  vijandelijken  opperbevelheb- 
ber —  zou  immers  volstrekt  niet  te  kort  hebben  gedaan  aan 
de  > voegzaamheid"  {bienséance)\  en,  al  deed  dit  zelfs  eenigszins 
daaraan  te  kort,  moest  men  dan  daarop  letten,  nu  het  eenige 
duizenden  menschenlevens  gold?  Maar  —  zegt  Chamlay  —  Luxem- 
bourg wist  dat  zulk  een  stap  tot  niets  zou  leiden,  omdat  Willem  III 
de  tijding  van  den  vrede  had  ontvangen;  —  dat  laatste  is  eene 
gewaagde  bewering,  die  op  niets  berust:  dat  Willem  III  bericht 

WILLEM  III.   —  II.  20 


Digitized  by 


Google 


3o6     .  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

had  vaa  het  sluiten  van  den  vrede,  was  mogelijk,  zelfs  waar- 
schijnlijk; maar  zekerheid  had  men  daaromtrent  niet;  en  het 
was  dus  wel  de  moeite  waard  geweest,  eene  poging  te  doen  om 
die  zekerheid  te  verkrijgen. 

Onze  meening  is,  dat  indien  er  schuld  bestaan  heeft  in  het 
leveren  van  den  slag  van  Saint-Denis  na  het  sluiten  van  den 
vrede,  die  schuld  zeer  zeker  niet  minder  drukt  op  Luxembourg 
dan  op  Willem  IIL  De  Fransche  veldheer  zal  geprikkeld  zijn 
geweest  door  de  aansporing  van  Louvois:  >ik  beken  dat  het 
zeer  aangenaam  zou  zijn,  dezen  oorlog  te  eindigen  met  het  slaan 
van  Mijnheer  den  Prins  van  Oranje". 

En  nu  de  wijze  waarop  de  slag  werd  geleverd;  —  de  aan- 
vallen die  Rousset  dienaangaande  richt  op  het  beleid  van  Wil- 
lem III,  raken  kant  noch  wal. 

Willem  III  heeft  >  binnen  den  tijd  van  eenige  uren  driemaal 
zijn  aanvalsplan  veranderd";  —  waar  haalt  men  dat  vandaan? 
Willem  III  heeft  binnen  eenige  uren  tijds  de  Fransche  stelling 
op  drie  verschillende  punten  aangevallen  of  bedreigd;  maar 
daaruit  volgt  nog  volstrekt  niet,  dat  hij  driemaal  zijn  aanvals- 
plan heeft  veranderd:  het  kan  zeer  goed  zijn,  dat  die  eerste 
aanvallen  of  bedreigingen  niets  anders  zijn  geweest  dan  demon- 
stratiën  om  den  vijafid  te  misleiden  aangaande  het  ware  punt 
van  aanval;  en  hebben  zij  ddt  doel  gehad,  dan  hebben  zij  vol- 
komen aan  het  doel  beantwoord;  want  het  is  een  feit,  dat 
Luxembourg  de  helft  van  zijn  leger  van  het  slagveld  heeft  ver- 
wijderd, omdat  hij  vreesde  dat  de  bondgenooten  van  de  zijde 
van  Binche  zouden  opdagen,  om  Montal  en  De  Quincy  aan  te 
vallen.  Verkeerd  is  het  dus  om  te  zeggen,  dat  Willem  III  i  tegen 
alle  regels  van  de  krijgskunst"  heeft  gehandeld,  en  dat  zijn  aanval 
een  «dwaasheid"  is  geweest;  —  de  uitkomst  logenstraft  die  be- 
wering; want,  met  mindere  macht  heeft  de  Stadhouder  hier  een 
sterkeren  vijand  aangevallen,  en  een  strijd  gevoerd,  die  misschien 
geen  overwinning  is  geweest,  maar  dan  toch  op  zijn  minst  een 
onbesliste  strijd  is  gebleven. 

Willem  III,  in  vier  achtereenvolgende  dagmarschen  van  nabij 
Brussel  opgerukt  zijnde,  was  den  vierden  dag,  den  i4en  Augustus, 
's  ochtends  vroeg  van  Soignies  op  marsch  gegaan  naar  de  Haisne ; 
ter  hoogte  van  Saint-Denis  gekomen,  maakte  de  Stadhouder  halt 
en  kwam  in  slagorde  tegenover  de  stelling  der  Franschen ;  maar 
vanwege  het  houtgewas  zagen  deze  het  leger  der  bondgenooten 
niet.  Terwijl  nu  eene  kleine  afdeeling  tot  nabij  Obourg  oprukte 
en  daar  eene  aanvallende  houding  aannam  om  den  vijand  te 
doen  gelooven  dat  de  Stadhouder  de  Haisne  wilde  overgaan  en 
aan  de  zuidzijde  van  die  rivier  Mons  te  hulp  komen,  werd  intus- 
schen  Luxembourg's  stelling  rechtstreeks  aangevallen ;  eerst  door 


Digitized  by 


Google 


SLAG    VAN  SAINT-DENIS.  307 

-den  linkervleugel  der  bondgenooten,  bij  Saint-Denis;  later  door 
liun  rechtervleugel,  bij  Casteau.  In  de  ruimte  tusschen  Saint-Denis 
■en  Casteau  kwam  de  Hollandsche  artillerie,  onder  den  graaf  van 
Hoorne,  in  batterij ;  en  richtte,  over  het  ravijn,  haar  vuur  op  de 
artillerie  en  de  andere  wapens  van  de  Franschen. 

Omstreeks  12  uur  wordt  de  abdij  van  Saint-Denis  aangevallen 
door  Hollandsche  infanterie  en  afgestegen  dragonders;  met  zijn 
gewone  heldhaftigheid  is  Willem  III  weer  bij  de  voorste  aan- 
vallers, den  zijnen  herhaaldelijk  toeroepende:  „d  mos\  ^  moC ;  — 
bij  het  groot  aantal  vreemde  officieren  die  de  Stadhouder  bij 
zijn  leger  had,  was  het  noodig  de  Fransche  taal  te  bezigen  om 
zich  te  doen  verstaan.  —  Tusschen  2  en  3  uur  *s  namiddags  zijn 
de  Hollanders  geheel  en  al  meester  van  de  gebouwen  die  de 
abdij  van  Saint-Denis  uitmaken.  Hier  hebben  toen  aan  de  Fransche 
zijde  gestreden,  behalve  de  twee  bataljons  die  er  reeds  stonden, 
»het  detachement  Fransche  en  Zwitsersche  garde,  dat  bij  hem" 
<Luxembourg)  »in  dienst  was"  (blz.  517).  Hoe  sterk  was  dat 
detachement?  —  dat  zegt  Rousset  niet. 

Luxembourg  denkt  nog  altijd,  dat  Willem  III  zijn  rechtervleugel 
wil  omtrekken  (blz.  517):  ...> overtuigd  dat  die  aanval"  (de 
aanval  op  Saint-Denis)  i  niets  anders  was  dan  eene  schijnbe- 
weging van  den  Prins  van  Oranje  om  den  marsch  te  verbergen 
van  zijn  leger  naar  de  Haisne,  verlengde  Luxemboiirg  zijn  rech- 
tervleugel in  de  richting  van  Obourg;  door  2  bataljons  van 
Navarre  en  2  bataljons  van  de  Koningin  deed  hij  den  zoom  van 
het  bosch  van  Mons  bezetten,  dat  zich  uitbreidde  langs  het 
lagere  gedeelte  van  de  beek..." 

Tusschen  2  en  3  uur  begint  ook  bij  Casteau  het  gevecht; 
maar  daar  hij  geen  vijandelijke  macht  bemerkt  tusschen  dat 
dorp  en  de  abdij  van  Saint-Denis,  blijft  Luxembourg  van  meening, 
dat  het  ook  bij  Casteau  maar  een  schijnaanval  is  (blz.  517): 
•  die  nieuwe  diversie  op  zijn  uitersten  linkervleugel  overtuigde 
den  Maarschalk  al  meer  en  meer,  dat  het  wezenlijke  gevaar  te 
duchten  was  op  zijn  rechtervleugel,  zelfs  nóg  verder,  bij  de 
Haisne,  bij  de  stelling  van  Montal.  Hoe  kon  men  onderstellen, 
dat  het  een  leger  van  45000  man  in  de  gedachte  kon  komen 
om  door  twee  zeer  ver  van  elkander  verwijderde  nauwe  dé&lés 
op  te  rukken  tegen  eene  stelling  als  de  zijne?  »Ik  oordeelde" 
—  schreef  hij  aan  Louvois,  vier  dagen  na  den  slag,  —  »dat  er 
zoo  weinig  reden  was  om  ons  op  die  punten  aan  te  vallen,  dat 
dit,  naar  ik  meende,  slechts  diende  om  ons  bezig  te  houden,  en 
dat  het  overige  van  's  vijands  leger,  dat  ik  door  het  bosch  niet 
kon  zien,  denkelijk  voortrukte  in  de  richting  tusschen  Obourg 
en  Havré,  om  een  aanval  te  doen  op  de  stelling  van  Montal; 
dit   kwam   mij   veel  waarschijnlijker   voor,   dan   wat  ik  hen  zag 


Digitized  by 


Google 


3o8  KRIJGS-   EN    GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

doen.  Ik  liet  de  geheele  tweede  linie  de  Haisne  overtrekken^ 
tot  verzekering  van  die  stelling  van  Montal,  waar  ik  een  aanvai 
vreesde." 

Tusschen  Saint-Denis  en  Casteau  blijft  nu  alleen  de  eerste  linie 
van  het  Fransche  leger.  De  ruiterij,  hier  bijna  onnut,  blijft  deels 
werkeloos  achter  op  de  heidevlakte;  deels  komt  zij  in  het  cen- 
trum, achter  het  minst  toegankelijke  gedeelte  van  het  ravijn^ 
tusschen  Saint-Denis  en  Casteau,  waar  niet  gevochten  wordt; 
de  infanterie  daarentegen  komt  al  meer  en  meer  tegenover 
Saint-Denis  en  Casteau.  Men  had  hier  dus  in  de  Fransche  slag- 
linie de  infanterie  op  de  beide  vleugels  en  de  ruiterij  in  het 
centrum;  —  het  tegenovergestelde  van  een  gewone  slaglinie  van 
die  tijden. 

Over  den  strijd  bij  Saint-Denis  zegt  Rousset  (blz.  518 — 520) 
het  volgende: 

...»Maar  die  infanterie  van  de  eerste  linie  was  de  keur  des 
legers :  6  bataljons  van  de  Gardes  frangahes^  2  van  de  Zwitsersche 
garde,  4  van  het  regiment  van  den  Koning,  3  van  Na  var  re,  3 
van  de  Koningin,  en  die  2  bataljons  van  Feuquières^  die  dapper 
het  vuurgevecht  aanhielden,  geheel  onbedekt  stand  blijvende 
houden  bij  de  beek,  tegenover  een  sterken  vijand  die  beschermd 
werd  door  de  gebouwen  van  de  abdij.  Herhaaldelijk  daalden 
de  Hollanders  door  de  engte  in  het  ravijn  neder;  ten  laatste, 
stout  geworden  door  hunne  overmacht,  gaan  twee  van  hunne 
bataljons  links  van  de  abdij  vooruit,  trekken  de  beek  door,  en 
beginnen  de  hoogten  te  beklimmen  die  door  de  Franschen  zijr» 
bezet.  De  luitenant-generaal  hertog  De  Villeroy  voerde  het  bevel 
over  den  rechtervleugel  van  het  leger;  hij  ziet  het  gevaar;  hi> 
roept  het  bataljon  gardes  tot  zich;  de  gardes  snellen  toe  en 
houden  aanvankelijk  den  vijand  tegen  door  een  plongeerend 
vuur;  toen  dalen  eenige  compagnieën,  het  musket  op  den  schou- 
der, de  degen  in  de  hand,  naar  de  Hollanders  af,  werpen  hen 
van  de  helling  van  het  ravijn,  en  doen  hen  teruggaan  tot  achter 
de  beek. 

Die  poging  om  de  stelling  te  bestormen,  werd  niet  herhaald; 
de  aanvoerders  der  bondgenooten  bepaalden  er  zich  toe  geschut 
in  batterij  te  brengen  en  veel  voetvolk  te  deployeeren  op  de 
hoogten,  tegenover  den  rechtervleugel  der  Franschen.  De  hertog 
De  Villeroy,  die  last  had  om  zich  te  bepalen  tot  de  verdediging^ 
nam  dezelfde  beschikkingen;  Dumetz,  de  bevelhebber  der  artil- 
lerie, bracht  30  stukken  geschut  in  batterij,  op  den  uitersten 
rand  van  het  plateau.  Toen  had  er,  gedurende  zes  uren,  van 
de  eene  zijde  van  het  smalle  dal  naar  de  andere  zijde,  een  wis- 
seling plaats  van  geweer-  en  kanonskogels.  Het  vuur  van  de 
Fransche  artillerie,  die  sterker  was  en  beter  bediend,  richtte 
groote   verwoestingen   aan   in   de    rijen    van    de   bondgenooten; 


Digitized  by 


Google 


SLAG   VAN   SAINT-DENIS.  309 

«naar  het  kostte  den  Franschen  groote  offers;  al  de  kapiteins  van 
het  eerste  bataljon  der  gardes  werden  getroffen,  op  twee  na; 
zelfs  de  ruiterij  werd  geteisterd,  en  kon  de  slagen  die  haar  troffen, 
niet  vergelden.  Zij  die  het  gevecht  volhielden  op  den  bodem  van 
het  ravijn,  aan  de  oevers  der  beek,  werden  even  weinig  gespaard ; 
de  hertog  De  Villeroy  was  genoodzaakt  een  bataljon  van  de 
gardes  in  het  ravijn  te  doen  afdalen,  om  daar  een  van  de  batal- 
jons van  Feuquières  af  te  lossen,  waarvan  drie  vierde  deel  ge- 
vallen was.  Aan  die  zijde  bepaalde  het  zich  dus  tot  eene  slach- 
ting, zonder  dat  er  gemanoeuvreerd  werd;  —  bij  Casteau  was 
het  eenigszins  anders." 

Charles  De  Sévigné  —  de  vrij  onbeduidende  zoon  van  eene 
rijk  begaafde  moeder  —  was  hier  bij  de  Fransche  ruiterij,  en 
<ieed  zijn  plicht  als  dapper  officier.  In  de  brieven  van  madame 
De  Sévigné  wordt  dan  ook  Saint-Denis  vermeld,  zonder  dat  daar 
-echter  belangrijke  bijzonderheden  voorkomen  over  dien  veldslag. 

Bij  Casteau  was  het  ook  weer  Willem  III,  die  den  eersten  aan- 
vallers den  weg  wees,  en  die  met  on  bezweken  dapperheid  den 
strijd  bestuurde.  De  troepen  waren  den  veldheer  waardig;  en  in 
het  bijzonder  wordt  met  hoogen  lof  gewaagd  van  de  Hollandsche 
<5arde,  aangevoerd  door  een  graaf  van  Solms;  van  Engelsche 
en  Schotsche  regimenten;  en  van  een  regiment  onder  Roque- 
Servières,  geheel  bestaande  uit  Fransche  protestanten,  die  hun 
vaderland  hadden  moeten  verlaten  om  de  dweepzieke  dwinge- 
landij van  Lodewijk  XIV  te  ontgaan.  Een  enkel  feit  moge  over- 
tuigend doen  blijken,  hoe  dapper  hier  het  Hollandsche  leger 
heeft  gestreden:  Willem  III,  die  niet  gewoon  is  zijne  troepen 
uitbundig  te  prijzen;  die  integendeel,  dikwijls  in  de  sterkste  be- 
woordingen, ieder  plichtverzuim  brandmerkt,  —  zegt  hier,  in  zijn 
verslag  aan  de  Staten-Generaal :  >wij  vinden  ons  onder  des 
geobligeert,  dat  getuygenisse  te  geven  aan  de  infanterye  van 
<ien  Staet,  dat  deselve  in  dese  occasie  heeft  betoont  een  vigeur 
■die  onvergelijckelijk  is,  en  actiën  gedaen,  boven  alles  dat  men 
van  de  selve  soude  hebben  konnen  verwachten..." 

Rousset  (blz.  520)  zegt  het  volgende,  over  het  begin  van  den 
•strijd  bij  Casteau: 

»Het  vuur,  dat  daar  eerst  omstreeks  drie  uur  begon,  was  dra 
■even  hevig  geworden  als  te  Saint-Denis.  Een  luitenant-generaal 
—  Colbert  De  Maulevrier  —  door  Luxembourg  afgezonden, 
vond  daar  den  Maréchal-de-camp  De  Rosen;  met  niets  anders 
onder  zijne  bevelen  dan  het  derde  bataljon  van  de  Koningin, 
het  derde  van  Navarre,  en  de  dragonders  van  Fimarcon,  kampte 
deze  daar,  met  onwrikbare  geestkracht,  tegen  een  tienmaal  ster- 
keren vijand.  Na  vrijwillig  kerk  en  kasteel  te  hebben  verlaten, 
had   hij   zijne  twee  bataljons  geplaatst  rechts  en  links  van  de 


Digitized  by 


Google 


310  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

molen,  terwijl  de  dragonders,  als  infanterie  werkzaam,  zich  hand- 
haafden in  de  laatste  huizen  en  omheiningen  van  het  dorp.  De 
Maulevrier  doorzag,  met  den  eersten  blik,  den  waren  stand  vai> 
zaken:  d^r  was  de  Prins  van  Oranje  en  de  hoofdmacht  van- 
zijn  leger,  die  men  tevergeefs  bij  de  Haisne  zocht;  dddr  moest 
de  veldslag  worden  gewonnen.  Luxembourg,  onverwijld  hierva» 
onderricht,  deed  wat  hij  nog  aan  infanterie  had  —  twee  bataljons 
van  de  Gardes  frangaises^  de  Zwitsersche  garde  en  de  brigade 
des  Konings  —  met  versnelden  pas  daarheen  trekken.  Adju- 
danten renden  spoorslags  door  het  bosch  van  Mons,  om  den 
graaf  van  Auvergne  met  de  infanterie  van  de  tweede  linie  te 
doen  terugkomen..." 

Rousset  zegt,  dat  Willem  III,  misschien  onderricht  van  de 
voorzorgen  die  Luxembourg  had  genomen  om  Montal  te  hulp 
te  komen,  den  overtocht  van  de  Haisne  nu  te  gevaarlijk  achtte, 
en  daarom  nu  besloten  was  om  door  de  engte  van  Saint-Denis 
aan  te  vallen,  het  bosch  van  Mons  te  vermeesteren,  en  Luxem-^ 
bourg's  leger  in  noordwestelijke  richting  terug  te  dringen;  was 
dat  gedaan,  dan  zouden  de  bondgenooten  over  Niray  —  ten 
noorden  van  Mons,  aan  de  Haisne  —  het  blokkade-korps  aan- 
vallen.  Maar  —  vervolgt  de  Fransche  schrijver  —  bij  Saint-Denis 
vond  men  het  terrein  te  moeilijk,  en  den  tegenstand  te  sterk; 
torn  al  die  redenen  zag  hij  spoedig  af  van  zijn  tweede  aanvals- 
plan, dat  minder  goed  was  dan  het  eerste  en  alleen  ddn  kans 
had  van  te  gelukken,  als  de  aanval  snel  en  hevig  was"  (blz.  521)^ 
Daarom  trekt  Willem  III,  terwijl  de  linkervleugel  van  de  bond- 
genooten nu  bij  Saint-Denis  den  strijd  blijft  voortzetten  en  zelfs 
een  kleine  afdeeling  zendt  naar  de  zijde  van  Obourg,  om  den 
vijand  ook  daar  te  verontrusten,  zijn  centrum  bij  zijn  rechter- 
vleugel op  Theussies  te  zamen,  —  Theussies,  een  dorp  ter 
hoogte  van  Casteau,  oostelijk,  en  op  korten  afstand  — ,  om  nu- 
met  zijn  hoofdmacht  den  Franschen  linkervleugel  te  Casteau  aan 
te  vallen. 

Louvignies  —  een  Spaansch  generaal  —  stelt  aan  den  Stad- 
houder voor,  met  10  a  12000  man  ruiterij  de  beek  op  een 
hooger  gedeelte  over  te  trekken,  door  de  ruimte  tusschen  de 
beide  dorpen  Masnuy  —  achter  den  Franschen  linkervleugel  — 
op  de  heide  door  te  dringen;  en,  na  die  omtrekkende  beweging,. 
d2  Franschen  aan  te  vallen  in  de  linkerflank  en  in  den  rug, 
terwijl  de  Stadhouder  zelf  hen  in  front  aantast,  (blz.  522):  iWas 
misschien  de  Hollandsche  Stadhouder,  de  opperbevelhebber  van 
het  leger  der  bondgenooten,  beschroomd  voor  eene  handeling,, 
die  een  generaal  van  den  koning  van  Spanje  tot  schitterende 
eer  kon  verstrekken?  —  Dat  weet  men  niet;  maar  hij  bracht  er 
tegen  in,  dat  de  dag  reeds  te  vér  gevorderd  was  en  de  omweg 


Digitized  by 


Google 


SLAG    VAN  SAINT-DENIS.  3II 

voor  de  ruiterij  te  groot  zou  zijn ;  kortom,  hij  wees  het  voorstel 
van  Louvignies  af,  en  hield  halsstarrig  zijn  rechtstreekschen  aanval 
vol  op  den  Franschen  linkervleugel,  door  het  enkele  défilé  van 
Casteau.  Dit  derde  aanvalsplan,  het  slechtste  van  de  drie,  kon 
in  geen  geval  tot  eene  meer  beslissende  uitkomst  leiden  dan  de 
beweging  die  de  Spaansche  generaal  voorsloeg;  want,  zelfs  als 
het  Fransche  leger  werd  geslagen,  dan  zou  het  op  Mons  terug- 
gedrongen en  niet  daarvan  verwijderd  worden;  en  bovendien 
was  dit  aanvalsplan  oneindig  moeilijker  uit  te  voeren.  Eigenlijk 
was  het  even  onuitvoerbaar  om  op  de  heide  te  deboucheeren 
door  de  engte  van  Casteau  als  door  de  engte  van  Saint-Denis; 
maar  de  vorstelijke  opperbevelhebber  had  het  zóó  bepaald." 

Die  afkeurende  kritiek  over  het  krijgsbeleid  van  Willem  III 
is  van  Rousset;  zij  is  niet  de  onze;  integendeel. 

Dat  Willem  III  dat  aanvalsplan  van  Louvignies  niet  kon  op- 
volgen, is  zeer  duidelijk.  Het  was  reeds  drie  uur  in  den  namid- 
dag; —  hoe  laat  zou  het  zijn,  eer  die  lo  êi  12000  man  ruiterij 
de  beek  hooger  op  waren  getrokken,  de  beek  daar  waren  over- 
gegaan, tusschen  Masnuy-Saint-Pierre  en  Masnuy-Saint-Jean  waren 
doorgedrongen,  en  dan  op  de  heide  waren  gedeboucheerd  ?  — 
Hoe  laat,  is  moeilijk  te  zeggen;  maar  de  waarschijnlijkheid  is 
er  voor^  dat  die  cavalerie  zou  gekomen  zijn  als  mosterd  na  den 
maaltijd,  als  het  te  laat  was,  als  de  strijd  reeds  tot  eene  beslis- 
sing was  gekomen;  of  dat  die  cavalerie  onverrichterzake  zou 
zijn  teruggekeerd;  hetzij  doordat  zij  zou  gestuit  zijn  op  te  moeilijk 
terrein,  —  cavalerie  kan  niet  overal  doorheen  — ,  hetzij  dat  zij 
tegengehouden  zou  zijn  door  infanterie,  die  de  Franschen  konden 
hebben  geplaatst  in  de  boschjes,  waarlangs  de  weg  liep  van  de 
Hollandsche  cavalerie.  Maar,  zelfs  aannemende  dat  die  cavalerie 
tijdig  kon  aanvallen  in  de  linkerflank  der  Franschen,  is  het  dan 
zeker  dat  zij  daar  overwint  ?  £n  als  zij  daar  eens  geslagen  wordt^ 
of  als  Willem  III  te  Casteau  in  dien  tusschentijd  eens  geslagen 
wordt,  wat  dan?  —  Dan  waren  de  nadeelige  gevolgen  niet  te 
overzien,  omdat  die  cavalerie  dan  geheel  en  al  afgescheiden  was 
van  de  hoofdmacht  des  legers.  Zulk  eene  omtrekking  op  een 
wijden  kring  kan  een  sterker  leger  ondernemen  tegen  een  zwak- 
ker, —  en  zelfs  ddn  is  die  handeling  meestal  nog  verkeerd;  — 
maar  zulk  eene  omtrekking  te  willen  doen,  als  men  met  35000 
man  —  of  laat  het  45  000  man  zijn  —  staat  tegenover  60  000  man 
van  den  vijand,-  dat  is  eene  vermetelheid,  eene  dwaasheid;  ten 
minste,  wanneer  men  niet  heeft  te  beschikken  over  oneindig 
beter  troepen  dan  de  vijand.  —  en  was  dat  hier  het  geval? 

Zooals  Willem  III  bij  Saint-Denis  is  te  werk  gegaan,  waren  er 
kansen  op  de  overwinning;  —  al  is  het  dan  ook,  dat  die  over- 
winning zou  zijn   gebleven  zonder  beslissende  gevolgen,  zonder 


Digitized  by 


Google 


31  a  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

andere  gevolgen  dan  het  deblokkecren  van  Mons;  —  en  werd 
men  geslagen,  dan  kon  dat  minder  kwaads  omdat  Willem  III 
zijn  geheele  macht  bijeen  had  gehouden  bij  Saint-Denis  en  Cas- 
teau.  Een  nederlaag  zou  een  nederlaag  zijn  geweest,  —  en  niets 
meer:  volstrekt  geen  beslissend  nadeel. 

Volgens  ónze  opgaven  is  Casteau  door  ons  genomen;  vol- 
gens de  Fransche  opgaven  hadden  de  troepen  van  Luxembourg 
het  dorp  grootendeels  ontruimd;  —  de  waarschijnlijkheid  is 
hier  meer  aan.  onze  zijde. 

Bij  Rousset  (blz.  523 — 525)  komt  het  volgende  sterk  gekleurde 
verhaal  voor  omtrent  hetgeen  de  Franschen  willen  doen  om  Casteau 
te  hernemen: 

>De  bondgenooten  hadden  zich  stevig  genesteld  in  het  dorp; 
de  huizen,  ter  halver  hoogte  van  de  helling,  waren  vol  muske- 
tiers ;  wat  hooger  waS  de  kerk,  bezet  met  Spaansche  dragonders ; 
rechts  en  links  stonden  geheele  bataljons;  nóg  hooger  was  het 
kasteel,  omgeven  met  versterkte  posten,  en  bezet  door  een  keur- 
korps, het  regiment  van  RoqueServières,  geheel  samengesteld, 
van  den  kolonel  tot  den  minsten  soldaat,  uit  Fransche  protes- 
tanten in  dienst  van  den  Prins  van  Oranje;  boven  op  de  berg- 
vlakte had  men  de  artillerie,  en  daarachter  sterke  massa's  voet- 
volk en  ruiterij,  maar  die  doof  het  houtgewas  verhinderd  waren 
zich  in  slagorde  te  ontwikkelen.  Tegenover  de  bondgenooten,  in 
het  dal,  stonden,  geleund  aan  de  molen,  de  twee  bataljons  van 
de  Koningin  en  van  Navarre,  die  uit  het  dorp  waren  terugge- 
trokken, maar  die,  spoedig  versterkt  door  twee  bataljons  van  de 
Gardes  fran^aises^  de  uitgangen  van  de  ravijnen  en  holle  wegen 
standvastig  bleven  betwisten  aan  den  vijand;  wat  meer  vooruit, 
in  de  lagere  omheiningen,  waren  de  dragonders  van  Fimarcon ; 
op  de  heide,  door  de  rookwolken  van  het  geschut  dat  de  onver- 
moeide Dumetz  daar  reeds  had  gebracht,  zag  men  de  vier  batal- 
jons van  het  regiment  van  den  Koning  en  de  twee  van  de  Zwit- 
sersche  garde,  met  den  grootsten  spoed  aanrukken. 

De  Prins  van  Oranje  wil  aanvallen,  vóór  dat  die  versterking 
aankomt.  Twee  Engelsche  regimenten  rukken  op  van  nabij  de 
kerk,  en  vallen  op  de  dragonders  aan,  die  van  de  eene  heg  op 
de  andere  terugtrekken.  De  Engelschen  deboucheeren,  scharen 
zich  in  slagorde  onder  het  vuur  des  vijands  en  trekken  de  beek 
over;  maar  een  bataljon  des  Konings,  zich  van  de  helling  meer 
afwerpende  dan  afdalende,  valt  als  een  ordelooze  massa  op  hen, 
en  houdt  hen  staande;  en  een  eskadron  van  het  regiment  van 
Varennes,  van  den  linkervleugel,  op  den  bodem  van  het  ravijn 
gekomen  —  men  weet  niet  hoe  — ,  valt  hun  op  hetzelfde  oogen- 
blik  in  de  flank,  werpt  hen  overhoop,  en  jaagt  hen  op  de  vlucht. 
Evenals  te  Saint-Denis  oordeelen  de  bondgenooten  het  onraadzaam 


Digitized  by 


Google 


SLAG   VAN   SAINT-DENIS.  3 13 

om  de  poging  te  vernieuwen;  en  Maulevrier  van  zijn  kant,  acht 
zich  niet  sterk  genoeg  ona  aan  te  vallen;  hij  wacht.  Evenals  te 
Saint-Denis  is  het  een  wederzijdsche  wisseling  van  onophoudelijk 
geschut-  en  geweervuur,  zonder  te  manoeuvreeren. 

Om  zes  uur  deboucheert  eindelijk  de  infanterie  van  de  tweede 
linie  uit  het  bosch  van  Mons;  bij  de  Haisne  gaat  alles  goed.  De 
maarschalk  De  Luxembourg  is  toch  nog  niet  geheel  gerust,  want 
naar  die  zijde  hoort  hij  kanonvuur:  het  is  de  uiterste  linker- 
vleugel van  den  Prins  van  Oranje,  die  den  schijn  aanneemt  van 
de  rivier  te  willen  overtrekken,  maar  spoedig  teruggaat  ten  ge- 
volge van  het  vuur  van  Montal's  zwaar  geschut.  Om  tegen  alle 
gevaar  beveiligd  te  zijn  houdt  de  Maarschalk,  van  de  oprukkende 
tweede  linie,  drie  bataljons  Zwitsers  tegen,  en  doet  die  stelling 
nemen  nog  voorbij  den  rechtervleugel,  die  zich  reeds  uitbreidde 
naar  Obourg;  de  andere  bataljons  van  de  tweede  linie  snellen 
naar  Casteau.  Twee  bataljons  van  den  Elzas  komen  het  eerst 
daar;  en  dadelijk  geeft  Maulevrier  toen  het  teeken  ten  aanval. 
De  colonnes  worden  geformeerd ;  maar  op  het  oogenblik  dat  zij 
de  engte  binnendringen,  moeten  zij  zich  weer  splitsen;  ieder 
soldaat,  als  het  ware  aan  zichzelf  overgelaten,  moet  zijn  eigen 
weg  zoeken  en  vinden,  zich  een  weg  banen;  de  officieren  kunnen 
niets  anders  doen  dan  het  voorbeeld  geven;  orde,  bevel  is  er 
niet  meer;  ieder  gaat  zijn  gang,  al  naar  zijn  oordeel  en  zijn 
moed.  De  bataljons,  die  nog  op  den  bodem  van  het  ravijn 
blijven  en  door  hun  vuur  die  bèstormers  moeten  steunen,  slaan 
met  levendige  ontroering  de  langzame  en  moeilijke  vordering 
van  den  aanval  gade . . ." 

Eindelijk  komen  een  40  k  50  man  van  de  Gardes  frarifaises  en 
van  de  Zwitsersche  garde  boven  op  de  hoogte,  en  vereenigen 
zich  tot  een  peloton;  spoedig  sluit  zich  een  tweede  peloton 
daarbij  aan.  Een  sterk  gekleurd  tafereel  van  den  gevaarlijken 
toestand  waarin  die  voorste  bestormende  afdeelingen  hebben 
verkeerd,  geeft  Luxembourg  in  zijn  eerste  verslag  van  den 
i8en  Augustus  over  Saint-Denis:  achter  zich  een  dal  met  steile 
wanden,  beklommen  over  moeielijke  voetpaden,  waar  slechts  één 
man  tegelijk  kon  gaan;  vóór  zich  de  geheele  vijandelijke  slag;- 
linie;  rechts  een  zware  heg,  bezaaid  met  's  vijands  voetvolk 
{yfarcie  d'infanterie  ennemié''*);  en  links  een  kerk,  een  kasteel  en 
ook  een  heg,  evenwijdig  aan  de  andere;  en  dat  alles  ook  vol 
infanterie  van  den  vijand.  Uit  die  beschrijving  kunt  gij  opmaken, 
—  zegt  de  Fransche  veldheer  — ,  dat  die  eerste  bèstormers  be- 
kneld waren  »in  een  ongemakkelijk  wafelijzer"  {dans  une  gaufre 
fort  incotnniodé). 

Die  beschrijving  draagt  evenals  die  van  Rousset  alle  blijken 
van  schromelijke  overdrijving. 


Digitized  by 


Google 


314  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN, 

Dc  aanval  van  de  Franschen  op  de  stelling  der  bondgenooteD 
bij  Casteau  was  een  aanval  op  een  bedekt  boschachtig  terrein^ 
waarbij  men  natuurlijk  niet  in  geslotene  orde  kan  blijven,  maar 
waarbij  men,  juist  omdat  het  terrein  bedekt  is,  minder  te  lijden 
heeft  van  's  vijands  vuur  en  meer  onbemerkt  vooruit  kan  gaan ;. 
het  is  eigenlijk  een  boschgevecht,  en  bij  een  boschgevecht  staan 
de  kansen  voor  beide  partijen  gelijk,  als  de  aanvaller  eenmaal 
het  bosch  binnengedrongen  is,  —  en  dat  was  met  de  Franschen 
het  geval.  Die  aanval  op  Casteau  was  volstrekt  niet  een  aanval 
op  een  onbegroeid  ravijn,  waarbij  men  geheel  en  al  blootstaat 
aan  het  gezicht  en  aan  het  vuur  des  vijands;  —  zooals  bij 
voorbeeld  de  aanval  op  den  Kuhgrund  in  den  slag  van 
Kunersdorf  (1759). 

Bovendien,  als  Luxembourg  spreekt  van  steile  voetpaden,  waar- 
over maar  één  man  tegelijk  kon  gaan  — ,  hoe  komt  dit  dan 
overeen  met  wat  Rousset  vroeger  bij  het  begin  van  het  gevecht 
heeft  gezegd,  dat  de  PVansche  troepen  bij  den  molen  in  het  dal 
de  uitgangen  afgesloten  hielden  van  de  ravijnen  en  holle 
wegen  (l' issue  des  ravines  et  des  chemins  creux)?  Hoe  komt  dit 
dan  overeen  met  de  omstandigheid,  dat  er  een  eskadron  ruiterij 
van  het  regiment  van  Varennes  in  het  dal  in  gevecht  is  ge- 
weest, dat,  later,  een  ander  eskadron,  onder  d'Esclain-Villiers, 
aan  de  andere  zijde  van  het  dal  is  werkzaam  geweest? 
Steile  voetpaden,  waar  maar  één  man  in  front  kan  gaan,  en 
waarover  toch  eskadrons  ruiterij  aidalen  en  opklimmen!  Rousset 
zelf  gevoelt  dat -dit  wat  vreemd  luidt;  en  daarom  zegt  hij,  dat 
het  eerste  eskadron  in  het  dal  was  gekomen  imen  weet  niet 
hoe"  {on  ne  sait  commenf).  De  Fransche  schrijver  voorkomt  zijnen 
lezers,  die  anders  zelve  hun  verwondering  en  twijfel  aangaande 
deze  gebeurtenis  zouden  hebben  geuit. 

Uit  het  voorgaande  kan  men  gerust  besluiten,  dat  de  engte 
bij  Casteau  niet  zóó  moeilijk  was  door  te  trekken  dat  daardoor 
de  aanval  van  Willem  III  volstrekt  geen  kans  had  van  te  zullen 
gelukken ;  met  de  engte  van  Saint  Denis  was  het  evenzoo.  Die 
stelling  van  Luxembourg  was  sterk,  dat  lijdt  geen  twijfel;  maar 
die  sterkte  wordt  overdreven  voorgesteld,  zoowel  door  de  Hol- 
landsche  als  door  de  Fransche  opgaven,  aan  beide  zijden  om 
zeer  goed  te  begrijpen  redenen:  door  de  Hollanders,  om  daar- 
door den  roem  van  dapperheid  van  het  Hollandsche  leger  te 
verhoogen,  door  de  Franschen,  om  daardoor  het  veldheersbeleid 
van  Luxembourg  van  blaam  te  zuiveren:  was  toch  die  stelling 
zóó  buitengewoon  sterk,  dan  was  het  te  vergeven  dat  men  daar 
geen  aanval  wachtte. 

Na  den  moeielijken  toestand  vermeld  te  hebben  van  die  „Gardes 
frangaises''''  en  Zwitsersche  garde  die  het  eerst  op  de  hoogte  zijn 


Digitized  by 


Google 


''     "slag   van   SAINT-DENIS.  31S 

gekomen,  zegt  Rousset  (blz.  525 — 529)  van  het  verdere  beloop 
van  den  strijd: 

iMaar  zij  hebben  den  weg  gebaand  en  aangewezen*,  het  ge- 
vaar dat  zij  trotseeren  verdubbelt  den  strijdlust  van  hunne  wapen- 
broeders; de  hindernissen  worden  uit  den  weg  geruimd  of  over- 
geklommen;  de  paden  verbreed;  de  twee  bataljons  van  den 
Elzas,  die  nog  altijd  vooraan  zijn,  deboucheeren  en  openen  hun 
vuur;  bijna  gelijktijdig  snelt  het  eerste  bataljon  des  Konings  uit 
een  weg  die  het  heeft  ontdekt,  en  plaatst  zich  rechts  van  de 
bataljons  van  den  Elzas,  nabij  een  heg  waarachter  een  onzicht- 
bare vijand  van  zeer  nabij  op  dat  bataljon  vuurt;  maar  toen, 
dadelijk  daarop,  twee  bataljons  van  de  Gardes  franfaises  zich  aan 
de  andere  zijde  van  de  heg  vertoonen,  houdt  dit  moorddadig 
vuur  spoedig  op;  nog  meer  rechts  komt  een  bataljon  van  het 
regiment  y^Lyonnais^''  uit  de  struiken,  en  vermeestert  drie  stukken 
kanon,  die  het  dadelijk  aanwendt  tegen  's  vijands  diepe  massa*s. 

Terwijl  de  bevelhebbers  van  die  zes  eerste  bataljons  hunne 
slaglinie  ordenen,  trekt  een  eskadron  van  het  regiment  van  Til- 
ladet,  onder  den  ridder  d'Esclain-Viiliers,  snel  door  de  tusschen- 
ruimten  van  de  bataljons,  komt  voorwaarts  in  slagorde  en  char- 
geert; twee  eskadrons  van  de  garde  van  den  Spaanschen  koning 
rijden  het  te  gemoet,  maar  worden  overhoop  geworpen ;  in  vollen 
ren  doorbreken  de  Chevaux4éger$  nog  twee  liniën  voetvolk,  en 
komen,  na  gedane  charge,  langs  denzelfden  weg  terug;  jammer 
dat  hun  stoute  aanvoerder,  de  ridder  d'Esclain-Villiers,  doodelijk 
gewond  is  gevallen.  De  bondgenooten,  geschokt  zijnde,  gaan 
eenigszins  achteruit;  maar  de  kleine  opene  ruimte  waarvan  de 
Franschen  meester  zijn,  heeft  maar  een  5  k  600  pas  breedte; 
gedurig  komen  nieuwe  bataljons  aan,  hoopen  zich  opeen  op  die 
kleine  ruimte,  en  dringen  de  eerste  bataljons  vooruit;  voor  deze 
gaat  de  vijand  langzamerhand  terug,  zonder  evenwel  in  wanorde 
te  komen. 

Ten  gevolge  van  die  beweging  is  men  het  dorp,  de  kerk,  en 
zelfs  het  kasteel  voorbijgekomen ;  de  troepen  die  de  Prins  van 
Oranje  daar  had  geplaatst  bij  het  begin  van  het  gevecht,  hebben 
geen  tijd  gehad  om  terug  te  trekken,  en  kunnen  niet  meer  wor- 
den ondersteund.  De  graaf  van  Auvergne,  die  als  ouder  luitenant- 
generaal  dan  Maulevrier,  het  opperbevel  heeft  overgenomen,  voert 
toen  in  persoon  vier  bataljons  aan  om  de  kerk  aan  te  vallen; 
een  bataljon  gardes  van  den  Prins  van  Oranje  gaat  geheel  ver- 
loren; en  in  de  kerk  zelve  delven  de  Spaansche  dragonders  het 
onderspit.  De  Franschen,  verbitterd  over  wat  zij  het  verraad 
noemen  van  de  Hollanders  die  hen  hebben  aanbevallen  na  ge- 
sloten vrede,  doen  alles  over  de  kling  springen.  Terwijl  dus  het 
dorp  wordt  genomen,  trekt  de  markies  d'Huxelles,  met  het  regi- 
ment Dauphin,  naar  het  kasteel ;  Roque-Servières  heeft  zich  daar 


Digitized  by 


Google 


3l6  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

verschanst  als  in  een  citadel ;  en  uren  lang  doet  zijn  onverpoosd 
geweervuur  een  aantal  soldalen  van  Luxembourg  vallen,  wier 
kameraden  hun  wraak  zweren.  Die  worsteling  van  Franschen 
tegen  Franschen,  aan  weerszijden  bezield  door  godsdiensthaat,  is 
bijna  de  laatste  episode  geweest  van  den  veldslag,  en  zeker  de 
bloedigste  en  verbitterdste.  Roque-Servières  en  de  zijnen  wis*en 
in  welk  een  toestand  zij  verkeerden;  zij  wisten  dat  zij  afgesneden 
waren  van  de  hunnen,  en  als  het  ware  verloren  te  midden  van 
het  Fransche  leger.  Wanhopig  verdedigden  zij  zich ;  toen  eindelijk 
de  gebouwen  op  het  voorplein  in  brand  waren  gestoken,  deden 
de  protestanten  die  niet  in  de  vlammen  omgekomen  waren,  een 
uitval  en  snelden  vrijwillig  den  kogels  en  den  pieken  te  gemoet ; 
ternauwernood  werden  enkelen  gespaard.  Roque  Servières  sneu- 
velde, met  acht  van  zijn  kapiteins. 

De  strijd  werd  voortgezet  op  dat  enge  slagveld,  waar  de 
wederzijdsche  infanterie,  dicht  opeengehoopt,  op  korten  afstand 
een  moorddadig  vuur  op  elkander  richtte.  Toen  zag  men  de 
Fransche  ruiterij,  langen  tijd  onbeweeglijk  op  de  heide  van  Cas- 
teau,  het  dal  doortrekken  en  in  schuinsche  richting  de  tegenover- 
liggende helling  beklimmen,  om  's  vijands  flank  te  omtrekken ; 
het  moeielijke  terrein  hield  haar  op,  en  slechts  enkele  eskadrons 
kwamen  tijdig  genoeg  om  een  laatste  charge  te  verrichten,  in 
verband  met  een  aanval  door  de  Zwitsersche  garde.  De  bond- 
genooten  gingen  weer  terug  voor  dien  aanval;  maar  niets  was  in 
staat  hen  in  wanorde  te  brengen.  Bij  dien  laatsten  strijd  leed 
het  Fransche  leger  gevoelige  verliezen;  twee,  vooral:  De  Saint- 
George,  kolonel  van  het  regiment  van  den  Koning,  en  De 
Fimarcon,  kolonel  van  de  Dragonders,  de  beste  officier  van  dat 
wapen,  werden  doodelijk  gewond.  Spoedig  viel  daarop  de  nacht 
in;  de  gezichteinder,  donker  door  de  bosschen,  werd  al  kleiner 
en  kleiner;  en  het  geschut,  vurende  op  duistere  massa's,  verspilde 
aan  weerszijden  zijn  kogels  aan  de  boomen.  Van  lieverlede  ver- 
flauwde het  vuur,  en  hield  toen  geheel  op;  evenals  de  slag  van 
Séneffe  eindigde  de  slag  van  Sainl-Denis,  na  hardnekkige  wor- 
steling, zonder  eene  beslissing.  Te  midden  der  duisternis  zag 
men  slechts  één  lichtend  punt,  aan  het  uiteinde  van  het  slagveld : 
het  kasteel,  door  de  Franschen  in  brand  gestoken. 

Bij  het  schijnsel  van  dien  brand  verlieten  de  Fransche  troepen 
de  hoogten  van  Casteau,  zonder  bij  dien  aftocht  verontrust  te 
worden;  *s nachts  trokken  zij,  dwars  over  de  heide  en  door  het 
bosch  van  Mons,  achter  de  Haisne  terug,  voorwaarts  van  de 
legerplaats  van  D^  Montal.  De  maarschalk  De  Luxembourg  wist 
niet,  of  de  Prins  van  Oranje,  die  noch  overwinnaar  noch  over- 
wonnen was,  den  volgenden  dag  niet  een  nieuwen  aanval  zou 
beproeven,  en  ditmaal  waarschijnlijk  op  de  om  Mons  opgeworpen 
liniën..." 


Digitized  by  VjOOQIC 


SLAG    VAN   SAINT-DENIS.  317 

Dus:  hoewel  volgens  de  Fransche  voorstelling  van  den  strijd 
bij  Casteau,  die  strijd  eene  overwinning  is  geweest,  zoo  verlaat 
Luxembourg  nog  dienzelfden  nacht  het  slagveld,  ontruimt 
zijn  sterke  stelling,  en  gaat  terug  op  Mons ;  —  had  Luxembourg 
een  nederlaag  geleden,  zou  hij  dan  wel  anders  hebben  gehan- 
deld? —  Dat  Luxembourg  vooral  vreesde  voor  een  aanval  op 
de  troepen  die  Mons  blokkeerden,  zooals  gezegd  wordt,  en  dat 
hij  daarom  terugtrok,  houdt  geen  steek ;  want,  waarom  was  zulk 
een  aanval  meer  te  vreezen  uA  den  slag  van  Saint-Denis,  dan 
vóór  dien  slag?  Waarom  dan  niet  dadelijk  het  geheele  Fransche 
leger  in  de  onmiddellijke  nabijheid  van  Mons  vereenigd?  —  Het 
antwoord  op  die  vragen  doet  zien,  dat  die  slag  van  Saint-Denis 
voor  de  Franschen  veeleer  eene  nederlaag  is  geweest  dan  eene 
overwinning;  —  Rousset  komt  die  meening  eenigszins  nabij,  als 
hij  zegt:  ...ide  Prins  van  Oranje,  die  noch  overwinnaar  noch 
overwonnen  was"  (/e  Prince  d*Orange  qui  rCétait  ni  vainqueur  ni 
yaincü). 

Uit  de  opgaven  van  onze  zijde  weet  men,  dat  Willem  III,  die 
zeer  dikwijls  de  dapperheid  tot  op  de  grens  der  roekeloosheid 
doordreef,  bij  dien  strijd  bij  Casteau  in  groot  gevaar  heeft  ver- 
keerd:  door  zijn  drift  vervoerd  was  de  Stadhouder  in  eens  vlak 
bij  de  Fransche  ruiterij;  en  een  Fransch  officier  —  denkelijk 
d'Esclain-Villiers  —  zette  hem  reeds  het  pistool  op  de  borst, 
maar  werd  nog  tijdig  doodgeschoten  door  Ouwerkerk,  het  latere 
legerhoofd  uit  den  Spaanschen  Successie-oorlog. 

Over  de  verliezen  van  de  beide  partijen  in  den  slag  van  Saint- 
Denis  zegt  Rousset  (blz.  529):  ..•»De  verliezen  van  de  bondge- 
nooten  bedroegen  ongeveer  3  a  4000  man ;  die  van  het  Fransche 
leger  zijn  met  juistheid  bekend:  940  dooden  en  1560  gewonden; 
de  zes  bataljons  gardes  hadden  verloren  35  officieren  en  625 
soldaten".  Dijkvelt,  die  als  gedeputeerde  te  velde  bij  het  Hol- 
landsche  leger  was,  zegt,  in  een  brief  van  den  15 en  Augustus, 
dat  men  tgist"  dat  wij  hebben  verloren  5  è,  600  dooden,  en 
ruim  zooveel  gewonden;  —  maar  dit  is  een  onbepaalde  opgave, 
waarop  weinig  valt  te  bouwen.  Het  waarschijnlijkste  is,  dat  de 
verliezen  van  de  beide  partijen  elkander  niet  veel  hebben  ont- 
loopen.  Hierbij  valt  echter  op  te  merken,  dat,  aan  de  Fransche 
zijde,  die  verliezen  de  beste  regimenten  hebben  getioffen;  de 
strijd  is  hoofdzakelijk  gevoerd  door  Luxembourg's  eerste  linie; 
en  die  infanterie  van  de  eerste  linie,  —  zegt  Rousset  —  was  de 
keur  des  legers  (/V///^  de  rarméé).  Men  moet  dus  de  grootte  van 
Luxembourg's  verliezen  niet  enkel  afmeten  naar  het  cijfer  van 
hen  die  gevallen  zijn;  maar  ook  daarop  letten,  dat  de  kern  van 
zijn  leger  ten  gevolge  van  die  verliezen  bijna  alle  strijdvaardig- 
heid had  verloren.  Het  was  even  alsof  bij  een  van  Napoleon's 


Digitized  by 


Google 


3l8  KRIJGS-   KN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

veldslagen  de  verliezen  alleen  waren  geleden   door  zijne   oude 
garde. 

Den  i5en  Augustus  gaat  het  HoUandsche  leger  vooruit,  en 
vindt  Luxembourg's  stelling  verlaten;  dit  was  blijkbaar  in  haast 
en  met  verwarring  geschied;  want  dooden,  gewonden,  tenten  en 
leeftocht  waren  achtergelaten.  De  Stadhouder  wil  nu  verder  op- 
rukken, toen  hem  tegen  den  middag,  in  een  bijzonderen  brief 
van  den  raadpensionaris  Fagel,  bericht  wordt  dat  de  vrede  is 
gesloten.  Aanvankelijk  schijnt  Willem  III  geen  acht  te  hebben 
willen  slaan  op  dat  bericht,  dat  niet  ofhcieel  was ;  —  ten  minste 
kan  men  dit  opmaken  uit  den  volgenden  vertrouwelijken  brief 
waarmede  hij  het  schrijven  van  den  Raadpensionaris  beantwoordt : 

fin  't  leger  tot  St.  Denis  den  15  Augustus  1678. 
Mijn  Heer! 
U.  W.  sal  uyt  mijne  publique  missive  aen  den  Staet  vernemen 
't  geen   in   't  furieus  gevecht   van  gisteren  is  voorgevallen.  Hoe 
het  sal  worden  opgenomen  bij  ons  volck  en  weet  ick  niet,  maar 
ick   kan   U.  W.  voor  Godt  verklaren   dat  ick  niet  geweten  heb 
als  dese   middagh   door  U.   W.   missive  van  den    13e,   dat   de 
vreede  geslooten  was,  en  hebbende  geen  brieven  van  den  Staet 
zoo   sal  ick  de  groote  wegh  gaen  en  mijn  best  doen  om  Mons 
t'  eenemael  te  ontsetten.  Ick  blijve  onveranderlijk 
Mijnheer 

U.  W.  dienstwillige  vriendt 
G.  Prince  d'Orange." 

In  de  laatste  zinsnede  van  dezen  brief  zegt  Willem  III  dus 
zeer  duidelijk  aan  den  raadpensionaris  Fagel:  »uw  brief  is  mij 
niet  voldoende;  ik  moet  officieel  bericht  ontvangen  van  het 
sluiten  van  den  vrede;  zonder  dat,  zet  ik  de  vijandelijkheden 
voort."  Die  brief  is  geschreven  in  den  namiddag  van  den  i5en 
Augustus;  en  toch  worden  de  vijandelijkheden  niet  voortgezet, 
maar  vertrekt,  in  den  ochtend  van  den  i6en  Augustus,  Dijkvelt 
naar  het  Fransche  leger  om  te  onderhandelen.  Van  waar  die 
ommekeer  tusschen  den  i^en  's  namiddags  en  den  i6en  's  och- 
tends? Was  in  dien  tijd  het  officieele  bericht  van  den  vrede 
ingekomen?  Dit  blijkt  nergens  uit;  maar  het  is  waarschijnlijk, 
dat  in  dien  tijd  de  Stadhouder  zich  bedacht  heeft,  en  toen  tot 
het  besluit  is  gekomen,  dat,  daar  de  brief  van  Fagel  geen  twijfel 
meer  overliet  aan  het  sluiten  van  den  vrede,  het  nu  zaak  was 
geen  menschenlevens  meer  op  te  offeren,  maar  te  trachten  een 
minnelijk  vergelijk  te  treffen  over  de  wijze  waarop  de  insluiting 
van  Mons  moest  ophouden. 


Digitized  by  VjOOQIC 


SLAG   VAN  SAINT-DENIS.  319 

Ziehier  wat  Rousset  zegt  (blz.  529—532)  over  die  zending  van 
Dijkvelt : 

>Een  gemachtigde  van  den  Prins  van  Oranje,  een  afgevaar- 
digde ter  Staten  Generaal,  meldde  zich  den  i6en  's  ochtends  bij 
de  voorposten  aan,  en  verlangde  den  maarschalk  De  Luxembourg 
te  spreken;  eindelijk  bracht  hij  het  bericht  van  den  vrede! 
Onmiddellijk  na  het  onderhoud  met  dien  afgezant  schreef  Luxem- 
bourg den  volgenden  brief  aan  Louvois : 

>De  Heer  Dickfeldt,  gedeputeerde  van  de  Staten-Generaal  bij 
hun  leger,  heeft  zich  bij  een  onzer  voorposten  aangemeld,  en 
gevraagd  mij  te  spreken;  ik  ben  er  heen  gegaan,  en  ziehier  wat 
hij  mij  heeft  gezegd.  Hij  is  begonnen  met  mij  te  begroeten, 
namens  Mijnheer  den  Prins  van  Oranje;  en  daarna  heeft  hij  mij 
gezegd,  dat,  daar  zij  gisteren  het  bericht  hadden  ontvangen  van 
het  teekenen  van  den  vrede,  hij  tot  mij  kwam  om  te  vragen  hoe 
men  moest  handelen,  èn  ten  opzichte  van  de  legers,  èn  ten  aan- 
zien van  Mons.  Hierop  heb  ik  geantwoord:  dat  ik  moeilijk  kon 
begrijpen,  dat  zij  het  bericht  van  den  vrede  zoo  laat  hadden 
ontvangen;  want  dat  hun  leger  dichter  bij  Nijmegen  was  dan  dat 
van  Zijne  Majesteit;  dat  hunne  koeriers  door  hun  land  gingen, 
over  wegen  die  veilig  waren;  en  dat  ik,  den  dag  van  de  ont- 
moeting lusschen  de  twee  legers,  en  vóór  den  slag,  bericht  had 
gekregen  dat  de  vrede  was  gesloten;  en  dat  het  mij  uitermate 
had  bevreemd,  tegelijk  met  het  bericht  van  den  vrede,  het  be- 
richt te  krijgen  van  hun  aanval.  Daarop  heeft  hij  mij  geantwoord : 
dat  zij  niet  zouden  hebben  aangevallen,  had  ik  maar  iets  laten 
weten;  en  waarom  ik  die  goedheid  niet  had  gehad?  Hierop 
hernam  ik:  dat  het  niet  in  de  gewoonte  lag  van  de  Franschen 
om  als  zij  gelegenheid  hadden  om  een  strijd  te  beginnen,  iets 
te  zeggen  waardoor  het  gevecht  zou  kunnen  worden  voorkomen; 
€n  dat  wij  een  gebieder  hadden,  te  zeer  op  wapenroem  gesteld 
om  het  uitstellen  van  een  strijd  goed  te  keuren ;  maar  dat,  indien 
hij  verwonderd  was  —  zooals  hij  zeide  —  dat  ik  hun  niets  had 
laten  weten,  fk  van  mijn  kant  hem  ook  op  iets  wilde  wijzen,  dat 
mij  nog  veel  meer  had  verwonderd;  —  en  daarop  zeide  ik  hem: 
dat  het  mij  volstrekt  niet  bevreemd  had,  dat  Mijnheer  de  Prins 
van  Oranje,  die  veel  dapperheid  en  moed  heeft,  gaarne  gebruik 
heeft  gemaakt  van  de  laatste  dagen  van  den  oorlog  om  eene 
poging  te  doen  om  Mons  van  levensmiddelen  te  voorzien;  maar 
dat  het  mij  onbegrijpelijk  voorkwam,  hoe  hijzelf  en  zijn  ambt- 
genoot, die  over  het  Hollandsche  leger  te  beschikken  moeten 
hebben  dewijl  zij  tot  dat  einde  door  de  Staten  worden  afge- 
vaardigd, er  in  hadden  toegestemd  dat  Mijnheer  de  Prins  van 
Oranje  slaags  raakte  met  het  leger  van  Zijne  Majesteit,  wiens 
vrienden  zij  weer  wierden,  en  dat  zij  zich  niet  herinnerd  hadden, 
dat  dit  leger  hun   vroeger   van  veel  nut  was  geweest;  en  zelfs, 


Digitized  by 


Google 


320  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

dat  ik  hem  toesprak  in  het  bijzijn  van  troepen  —  want  het  was 
zeer  nabij  de  slaglinie  — ,  dat  ik  hem  toesprak,  zeg  ik^  in  het 
bijzijn  van  troepen,  die  zij,  nog  niet  lang  geleden,  in  hun  land 
hadden  gezien  om  hen  te  helpen*';  (in  een  noot:  >in  1665,  in 
den  oorlog  tegen  den  bisschop  van  Munster");  >en  dat  het  mij 
toescheen,  dat,  hierin,  Zijne  Majesteit  geen  reden  had  om  den 
Heeren  Staten-Generaal  zijne  tevredenheid  te  betuigen  over  het 
gedrag  van  hunne  Gedeputeerden  te  velde;  —  het  scheen,  dat 
hem  dit  niet  erg  aanstond  {ce  qui  fn'a  paru  Vintriguer  un  petit). 
Hij  herhaalde  met  aandrang  zijn  vraag,  dat  ik  zou  toelaten  om 
eenige  levensmiddelen  binnen  Mons  te  brengen,  slechts  voor  twee 
of  drie  dagen;  hij  bracht  daarvoor  een  goede  reden  te  berde, 
namelijk,  dat  Mijnheer  de  Prins  van  Oranje  beloofd  had  die  stad 
van  levensmiddelen  te  voorzien.  Ik  heb  hem  geantwoord,  dat  ik, 
zonder  's  Konings  bevel,  daar  niets  mocht  binnen  laten  komen ; 
en  op  zijn  naderen  aandrang  is  het  eenige  wat  ik  gemeend  heb 
met  hem  te  kunnen  overeenkomen,  dit:  dat  ik  Zijne  Majesteit 
bericht  zou  zenden  van  ons  gesprek;  dat  ik  den  i8en  's  Konings 
antwoord  zou  hebben,  en  dat  dan  zou  uitvoeren ;  en  dat  het  mi] 
zonder  dit  even  weinig  geoorloofd  was  binnen  Mons  den  aller- 
minsten toevoer  te  laten  komen,  als  het  den  Prins  van  Oranje 
geoorloofd  moest  zijn  zonder  de  bevelen  van  de  Heeren  Staten 
te  handelen.  Het  komt  mij  voor.  Mijnheer,  dat  het  geen  kwaad 
kan,  thans  nu  de  beide  Ugers  tegenover  elkander  staan,  dat  zij 
den  Koning  om  vrede  vragen,  nadat  zij  zulk  een  nuttelooze 
poging  hebben  ondernomen  en  een  infanterie  gevecht  geleverd, 
zóó  hardnekkig  als  er  ooit  een  geleverd  is." 

De  intendant  Robert,  die  naar  de  legerplaats  van  den  Prins 
van  Oranje  was  gegaan  om  voorloopig  de  verhouding  tusschen 
de  beide  legers  te  regelen,  schreef  dienzelfden  dag  aan  Louvois: 

•  Mijnheer  de  Prins  van  Oranje  is  begonnen  met  mij  op  plech- 
tige wijze  te  betuigen,  dat  hij.  vóór  het  gevecht,  volstrekt  niets 
had  geweten  van  het  teekenen  van  den  vrede  met  de  Heeren 
Staten-Generaal;  hij  heeft  een  aantal  bijzonderheden  bijgebracht, 
die  het  onnut  is  hier  te  vermelden,  om  mij  te  bewijzen  dat  hij 
er  inderdaad  niets  van  heeft  geweten,  wat  de  heer  Dickfeldt  mij 
ook  heeft  bevestigd.  Daarna  heeft  hij  mij  gezegd,  dat  hij  nog 
volstrekt  geen  bijzonderheden  van  het  traktaat  kent;  maar  dat, 
nu  men  hem  stellig  meldt  dat  de  vrede  is  geteekend,  het  hem 
voorkomt  dat,  daar  wij  dit  aan  weerszijden  weten,  wij  maar 
moesten  beginnen  met  tot  eene  betere  onderlinge  verstandhouding 
te  komen  dan  vroeger.  Ik  heb  hem  geantwoord,  dat  ik  te  veel 
vertrouwde  op  zijn  woorden  om  te  gelooven  dat  hij,  vóór  den 
slag,  kennis  zou  hebben  gedragen  van  het  teekenen  van  den 
vrede;  dat  wij  het  twee  of  drie  uur  te  voren  hadden  vernomen, 
door  een  brief  van  onze  Heeren  Gevolmachtigden ;  maar  dat  wij 


Digitized  by 


Google 


SLAG  VAN  SAINT-DENIS.  32 1 

even  weinig  wisten  van  de  bijzonderheden,  en  dat  wij  er  zelfs 
nog  geen  bericht  van  hadden  gekregen  van  den  Koning." 

Dus:  Luxembourg  weigert  om  de  blokkade  van  Mons  op  te 
heflfen,  omdat  hij  hiertoe  nog  geen  last  heeft  van  den  Koning; 
en  ook  nog  geen  of&cieel  bericht  van  den  Koning  dat  de  vrede 
is  gesloten;  —  Luxembourg  had  hierin  gelijk.  Maar  dan  had 
Willem  III  ook  gelijk,  toen  hij,  om  Mons  te  deblokkeeren,  den 
slag  van  Saint-Denis  leverde;  want  ook  hij  had  geen  officieel 
bericht  van  den  vrede,  denkelijk  zelfs  geen  bericht  hoegenaamd. 
Dat  bij  die  kwestie  over  het  slag  leveren  bij  Sainl-Denis  het 
recht  aan  de  zijde  van  Willem  III  is,  lijdt  geen  twijfel;  —  maar 
alles  wat  recht  is,  is  daarom  nog  niet  goed:  het  is  soms  zeer 
verkeerd,  volkomen  gebruik  te  maken  van  een  recht. 

De  toon  van  Luxembourg  tegen  Dijk  velt  is  nog  al  opmer- 
kelijk: hij  zoekt  bij  de  Staten  naijver  op  te  wekken  tegen  het 
gezag  dat  Willem  III  handhaaft;  strikt  genomen,  had  Luxem- 
bourg gelijk :  de  Staten  waren  souverein,  de  Stadhouder  was  hun 
beambte;  zóó  was  het  rechtens;  maar  feitelijk  was  het  ge- 
heel anders;  en  vooral  bij  het  opperbevel  over  het  leger  liet 
Willem  III  zijne  macht  volstrekt  niet  beperken  door  de  Gedepu- 
teerden te  velde. 

Luxembourg  herinnert  aan  hetgeen,  in  1665,  de  Fransche  legers 
voor  de  Republiek  hadden  gedaan;  —  maar,  vooreerst,  hebben 
de  Fransche  troepen  ons  toen  zeer  weinig  voordeel  aangebracht ; 
en,  ten  tweede,  waren  er  sedert  1665  dertien  jaar  verloopen;  en 
in  dien  tijd  valt  het  jaar  1672,  Bodegraven  en  Zwammerdam, 
en  de  verdere  gruwelen  in  Holland  gepleegd.  Er  behoort  een 
verregaande  onbeschaamdheid  toe,  een  stalen  voorhoofd  dat  van 
blikken  noch  blozen  weet,  om  een  beroep  te  doen  op  de  erken- 
telijkheid, door  de  Republiek  verschuldigd  aan  de  legers  van 
Lodewijk  XIV.  Maar  Luxembourg  was  een  van  die  wezens, 

»qiii  goütant  dans  Ie  crime  une  honteuse  paix, 
ODt  SU  se  faire  un  front  qui  ne  rougit  jamais." 

(Racine;  Phedré). 

Den  lyen  Augustus  machtigt  Louvois  den  Franschen  veldheer 
om  de  blokkade  van  Mons  op  te  heffen;  den  iQen  Augustus 
gaan  de  bondgenooten  terug  op  Brussel  en  de  Franschen  op 
Ath;  —  ónze  opgaven  stellen  het  opheffen  van  de  blokkade  van 
Mons  twee  dagen  later,  op  21  Augustus. 

Terwijl  de  wederzijdsche  legers  achteruit  trekken,  heeft  er, 
den  1960  Augustus,  eene  samenkomst  plaats  tusschen  Willem  III 
en  Luxembourg;  Rousset  bezigt  hier,  bij  het  vermelden  van  die 


WILLEM   III.   — -   II. 


Digitized  by 


Google 


322  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

samenkomst^  ten  aanzien  van  den  Stadhouder  een  ironischen 
toon,  waarvan  de  gepastheid  betwistbaar  is: 

(Blz.  532 — 533)  ...>Dien  dag  had  er  een  vreedzame  samen- 
komst plaats  tusschen  den  Maarschalk  en  den  Prins  van  Oranje, 
vergezeld  van  hunne  voornaamste  onderbevelhebbers.  >Van  weers- 
zijden" —  zegt  Chamlay  —  >  betoonde  men  daarbij  groote  wel- 
levendheid en  voorkomendheid;  en  het  gesprek,  dat  maar  kort 
duurde,  liep  over  onderwerpen  van  algemeenen  aard:  dat  men 
gedurende  den  vrede  zonder  werk  zou  zijn ;  en  dat  men  zich  dus, 
om  zich  bezig  te  houden,  op  de  jacht  moest  toeleggen."  — 
Rousset  laat  daarop  volgen: 

>Wat  een  adel  in  die  klachten!  hoe  verheven  is  die  droef- 
heid! Bewonderen  moeten  wij  die  hooghartige  mannen,  die  zich 
hunne  aanstaande  werkloosheid  zoo  aantrekken !  Hebt  medelijden 
met  hen  die  nutteloos  blijven  leven,  niet  met  hen  die  nutteloos 
zijn  gevallen  in  den  laatsten  veldslag!  £n  hebt  vooral  medelijden 
met  dien  edelen  Prins  van  Oranje,  die  tot  het  laatste  oogenblik 
—  en  zelfs  daarna  —  zijn  ontembare  geestkracht  heeft  weten  bot 
te  vieren!  Aan  het  drama  van  Saint-Denis  ontbrak  de  zedenles; 
wij  hebben  ze  hier. 

Wat  doet  het  er  toe,  dat  de  Prins  van  Oranje  geen  officieel 
bericht  had  van  den  vrede !  Die  vrede  —  hij  voelde  dien  komen, 
en  hij  heeft  dien  niet  willen  afwachten.  Zijne  medeplichtigen 
waren  de  markies  De  Grana,  de  zendeling  des  Keizers,  en  Sir 
William  Temple,  de  Engelsche  gezant.  »De  Grana  en  Temple. 
door  zijn  brieven,  hebben  teweeggebracht  dat  Zijne  Hoogheid 
zich  gehaast  heeft  om  slag  te  leveren.  Teraple  schreef:  dat  het 
eenige  middel  om  den  vrede  te  doen  mislukken,  was,  's  Konings 
leger  aan  te  vallen;  dat  Zijne  Majesteit  dan  geen  vrede  meer 
zou  willen,  en  de  handelingen  van  zijn  gezanten  zou  verloochenen ; 
en  dat,  was  men  eenmaal  zóó  ver,  hij  (Temple)  de  bekrachtiging 
van  het  alliantie-traktaat  met  Engeland  zou  uitwisselen."  —  Dit 
schreef,  den  1560  Augustus,  de  goed  onderrichte  correspondent 
van  den  maarschalk  d*Estrades,  >een  mijner  vrienden"  —  zeide 
Louvois  —  >die  in  het  gevolg  van  den  Prins  van  Oranje  reist"; 
(Louvois  aan  Luxembourg;  26  Augustus).  Louvois  had  die  mede- 
deeling  nog  niet  ontvangen;  maar  toch  was  zijne  meening  reeds 
gevestigd  toen  hij,  den  lyen  Augustus,  aan  Barillon  schreef:  >ik 
twijfel  er  aan  of  de  Staten- Generaal  het  goedkeuren  dat  Mijnheer 
de  Prins  van  Oranje,  die  heeft  moeten  weten  dat  de  vrede  ge- 
teekend  was,  op  die  wijze  het  leven  van  hunne  onderdanen  heeft 
verspild,  en  hun  macht  heeft  doen  afhangen  van  de  uitkomst 
van  een  veldslag,  die  voor  hun  leger  een  volkomen  nederlaag 
zou  zijn  geweest,  ware  die  slag  geleverd  op  een  terrein  waar 
men  het  nabij  had  kunnen  komen." 

Dat  laatste  zegt  niets :  de  bondgenooten  zouden  een  volkomen 


Digitized  by 


Google 


SLAG   VAN   SAINT-DENIS.  323 

nederlaag  hebben  geleden,  ware  het  terrein  maar  anders  ge- 
weest; —  ja,  maar  ware  het  terrein  anders  geweest,  dan  hadden 
de  bondgenooten  misschien  geen  slag  geleverd;  en  bovendien, 
van  een  >  volkomen  nederlaag"  is  schijn  noch  schaduw.  Zegt 
oien,  dat  de  slag  van  Saint-Denis  een  onbesliste  veldslag  is  ge- 
weest, dan  stelt  men  de  zaak,  voor  de  Franschen,  op  de  gun- 
stigste wijze  voor:  een  leger  dat  overwint,  ontruimt  het  slagveld 
niet,  en  trekt  niet  terug,  nog  in  den  avond  van  den  veldslag. 

Een  blijk  dat  die  slag  van  Saint-Denis  niet  in  het  voordeel  is 
geweest  van  Luxerabourg,  kan  men  ook  daarin  zien,  dat  hij  in 
■den  beginne  maar  een  zeer  kort  bericht  van  dien  slag  inzendt 
aan  Louvois,  en  zeer  flauwe  verontschuldigingen  aangeeft  waarom 
dat  bericht  niet  uitvoeriger  is: 

t  Mijnheer"  —  zeide  hij  —  »ik  wilde  u  een  kleine  beschrijving 
inzenden  van  den  slag  die  geleverd  is;  ik  had  Chamlay  verzocht 
die  op  te  stellen;  maar  dit  is,  zooals  gij  weet,  een  heel  ondank- 
baar werk;  want  hij,  die  daarin  loffelijk  wordt  vermeld,  vindt 
dat  men  niets  meer  doet  dan  hem  recht  te  laten  wedervaren ; 
zij  die  naar  hunne  meening  niet  genoeg  worden  geprezen,  duiden 
dit  den  opsteller  van  de  beschrijving  ten  kwade;  wie  vergeten 
wordt,  vergeeft  dat  nooit;  en  zijn  er  menschen,  waarvan  eigenlijk 
niets  valt  te  zeggen,  dan  willen  zij  toch  dat  men  het  een  of 
ander  zal  verzinnen.  Dat  alles  heeft  hij  mij  onder  het  oog  ge- 
bracht, en  ik  heb  dat  als  een  voldoende  verontschuldiging  aan- 
genomen; en  dat  maakt,  dat  ik  u  slechts  kortelijk  zal  zeggen 
hoe  de  zaken  zich  hebben  toegedragen,  want  ik  ben  niet  zoo 
nabij  geweest  als  de  anderen,  en  ik  heb  er  veel  minder  deel  aan 
genomen  dan  al  de  Heeren  Generaals"  (Rousset,  blz.  533 — 534). 

Die  redeneering  van  Luxembourg  —  of  van  Chamlay,  toen 
zooveel  als  zijn  Chef  van  den  Generalen  Staf  —  is  eene  rede- 
neering van  >het  jaar  nul";  zij  verdient  geen  ernstige  wederleg- 
ging: moesten  de  hier  geopperde  bezwaren  worden  geëerbiedigd, 
«en  opperbevelhebber  zou  nooit  een  goed  verslag  kunnen  inzenden 
van  een  geleverden  veldslag. 

Dat  stilzwijgen  van  Luxembourg  had  het  natuurlijke  gevolg, 
dat  nu  door  anderen  berichten  werden  ingezonden  over  Saint- 
Denis,  die  niet  in  het  voordeel  waren  van  het  legerhoofd;  onder 
andere  werd  gezegd,  dat  Luxembourg  zich  had  laten  verrassen, 
«n  nog  vroolijk  en  wel  aan  het  middagmaal  zat,  toen  de  engte 
van  Saint-Denis  werd  aangevallen;  —  vooral  De  Quincy  moet 
meegedaan  hebben  aan  het  verspreiden  van  die  geruchten.  Toen 
Luxembourg  dit  hoort,  zendt  hij  een  uitvoerig  verslag  aan  Lou- 
vois over  den  slag  van  Saint-Denis;  maar  het  was  toen  reeds 
-een  maand  na  den  veldslag;  en  Louvois  antwoordt  hem  dan 
ook,   dat   hij   wel    dat   verslag   aan   den  Koning  heeft  ter   hand 


Digitized  by 


Google 


324  KRIJGS-   ES  GSSCHICDKUMDIGE   BESCHOUWINGEN. 

gesteld,  maar  het  wat  te  laat  acht  om  het  nog  openbaar  te 
maken. 

Het  bekende:  Frangais,  vous  iavez  vaincrt^  et  chanter  vos  con- 
quète{\  is  eene  waarheid:  elke  overwinning  door  de  Franschen 
behaald,  wordt  door  hen  behoorlijk  uitgebazuind;  waar  dat  uit- 
bazuinen dus  niet  plaats  heefi^  daar  kan  men  er  ook  haast  zeker 
van  zijn  dat  er  geen  overwinning  is. 

Rousset  zegt  dat  Willem  III  bij  den  slag  van  Saint- Denis  >noch 
overwinnaar  noch  overwonnen**  is  geweest;  —  naar  onze  mee- 
ning veel  meer  het  eerste  dan  het  laatste;  de  Stadhouder  heeft 
hier  geschitterd,  niet  alleen  door  uhstekende  dapperheid,  maar 
ook  door  zijn  beleid  als  veldheer,  waardoor  hij  de  helft  van 
Luxembourg*s  legermacht  van  het  werkelijke  slagveld  heeft  weten 
ie  verwijderen. 

Saint-Denis  is,  als  wapenfeit,  roemvol  geweest  voor  Willem  III;  — 
maar  had  hij,  in  zedelijken  zin  gesproken,  recht  om  slag  te  leveren  ? 
Wat  is  er  waar  van  die  beschuldigingen,  te  dien  aanzien  tegen 
hem  ingebracht,  ook  door  Rousset? 

Ziedaar  eene  vraag,  die  zeer  moeilijk  is  te  beantwoorden,  en 
die  op  zeer  uiteen loopen de  wijze  wordt  beantwoord.  De  zaak  is 
alles  behalve  kristalhelder;  integendeel,  daarin  is  veel  duisters; 
met  zekerheid  kan  men  er  niet  over  oordcelen;  alleen  naar 
waarschijnlijkheid,  naar  zedelijke  overtuiging;  en  dus  is  het  zeer 
natuurlijk  dat  hier  het  oordeel  van  den  een  afwijkt  van  het  oor- 
deel van  den  ander. 

Leest  men  dien  brief,  door  Willem  III  den  i5en  Augustus  aan 
Fagcl  geschreven,  dan  kan  men  er  niet  aan  twijfelen,  of  de  Stad- 
houder was  op  den  dag  van  Saint- Denis  nog  geheel  onkundig 
van  het  sluiten  van  den  vrede.  Wij  kennen  Willem  III  geen 
onbegrensde  oprechtheid  toe;  . —  maar  hij  was  een  godsdienstig 
mensch;  als  hij  dus  iets  betuigt  onder  aanroeping  van  Gods 
heiligen  naam,  dan  moet  men  die  betuiging  gelooven.  Wij  nemen 
dus  ten  volle  aan,  dat  Willem  III  den  i4en  Augustus  1678  noch 
officieel  noch  officieus  bericht  had  gekregen  van  het  sluiten  van 
den  vrede. 

Maar  had  hij  dien  vrede  niet  kunnen  en  moeten  voorziend 
Wij  meenen  van  ja. 

Het  groote  struikelblok  bij  de  Nijmeegsche  onderhandelingen 
was  die  onbillijke  eisch  van  de  Fransche  gemachtigden  om  vol- 
doening voor  Zweden  te  verkrijgen,  alvorens  de  vestingen  in  de 
Nederlanden  terug  te  geven.  Toen  nu  de  Fransche  onderhande- 
laars den  6en  Augustus  dien  eisch  hadden  ingetrokken,  toen  was 
dat  struikelblok  uit  den  weg  geruimd,  en  de  vrede  zoo  goed  als 
zeker.  Wat  er  den  6en  Augustus  te  Nijmegen  was  gebeurd,  dat 
had  Willem  III  vóór   den    i4eQ    Augustus   kunnen   en    moeten 


Digitized  by 


Google 


SLAG   VAN   SAINT-DENIS.  325 

weten ;  en  dat  had  hem  moeten  doen  inzien,  dat  het  leveren  van 
«en  veldslag  onder  die  omstandigheden  een  onnutte  en  onver- 
antwoordelijke handeling  was, 

Den  i5en  Augustus,  den  dag  na  Saint-Denis,  worden  onder- 
handelingen geopend  met  het  Fransche  legerhoofd,  en  ten  ge- 
volge daarvan  houdt,  weinige  dagen  later,  de  blokkade  van 
Mons  op;  —  het  is  volstrekt  geen  gewaagde  onderstelling  om 
aan  te  nemen,  dat  men  tot  dezelfde  uitkomst  zou  zijn  geraakt, 
wanneer  die  onderhandelingen  met  Luxembourg  waren  begonnen 
den  I3en  Augustus,  den  dag  voor  den  veldslag;  en  dan  waren 
«enige  duizenden  soldaten  behouden  gebleven,  die  nu  in  den 
veldslag  van  Saint-Denis  zijn  gesneuveld. 

Hoe  het  komt,  dat  Willem  III  op  den  i4en  Augustus  nog  geen 
bericht  had  van  den  vrede  die  te  Nijmegen  op  den  avond  van 
den  loen  was  gesloten,  blijft  duister;  de  uitlegging  die  daarvan 
gegeven  wordt,  beduidt  niets,  is  een  sprookje.  Dat  Willem  III  op 
het  slag  leveren  bij  Saint-Denis  de  goedkeuring  heeft  verworven 
van  de  Staten-Generaal,  is  waar;  maar  dit  beduidt  minder,  als 
men  in  aanmerking  neemt  het  groole  ontzag  dat  de  Staten- 
Generaal  toen  koesterden  voor  den  machtigen  invloed  van  Wil- 
lem III  in  de  Republiek.  Had  het  Directoire  veel  in  te  brengen 
tegen  Bonaparte,  toen  deze  uit  Egypte  was  teruggekeerd? 

Wij  herhalen  het;  dit  vraagstuk  is  duister,  en  laat  zeer  uiteen- 
loopende  antwoorden  toe.  Willem  III  had  het  recht  om  slag  te 
leveren;  maar  hij  had  beter  gedaan,  geen  gebruik  te  maken  van 
dat  recht;  hij  had  dat  slag  leveren  kunnen  en  moeten  nalaten. 
In  de  staatkunde  van  de  Republiek  liepen  toen  twee  tegenstrijdige 
stroomingen :  de  vredespartij  —  Beverningh  —  die  er  minder  om 
gaf  of  in  dat  Nijmeegsche  vredesverdrag  wel  alles  uitvoerig  en 
nauwkeurig  was  vastgesteld,  mits  dat  verdrag  maar  geteekend 
was,  en  men  dus  stond  voor  een  gedane  zaak;  de  oorlogspartij 
—  Willem  III  —  die,  als  laatste  en  uiterste  redmiddel  om  den 
vrede  legen  te  gaan,  tot  het  slag  leveren  bij  Saint-Denis  besloot. 
Op  die  wijze,  gelooven  wij,  kan  men  op  de  beste  wijze  ver- 
klaren, hoe  er,  vier  dagen  na  den  te  Nijmegen  gesloten  vrede, 
nabij  Mons  nog  een  veldslag  plaats  had;  er  is  niets  wederrech- 
telijks  geweest  in  het  leveren  van  dien  veldslag,  maar  wel  wat 
onmenschelijks. 

De  vrede  van  Frankrijk  met  de  Republiek  werd  spoedig  ge- 
volgd (17  September  1678)  door  den  vrede  van  Frankrijk  met 
Spanje.  De  ratificatie  van  dien  vrede  bleef  wat  lang  achterwege, 
omdat  Spanje  beweerde  Maastricht  te  moeten  krijgen,  dat  door 
Frankrijk  aan  de  Republiek  was  teruggegeven ;  —  bij  die  Maas- 
trichtsche  kwestie  hebben  wij  niet  bijzonder  eerlijk  gehandeld 
ten  aanzien  van  Spanje.  —  Lodewijk  XIV,  dit  morren  van  Spanje 


Digitized  by 


Google 


326  KRÜGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

moede,  deed  door  zijne  legermacht  een  dreigende  beweging 
maken  naar  de  zijde  van  Brussel;  en  dit  had  ten  gevolge  dat, 
den  1500  December  1678,  de  ratificatie  plaats  had. 


Aan  den  Rijn  waren  in  1678  de  krijgsverrichtingen  tussche» 
het  Fransche  leger,  onder  den  maarschalk  De  Créqui,  en  het 
Keizerlijke,  onder  den  hertog  van  Lotharingen,  minder  belangrijk  ; 
voornamelijk  was  dit  daaraan  te  wijten,  dat  Créqui  het  voorschrift 
had,  een  veldslag  of  elke  beslissende  handeling  te  vermijden. 
Toch  beschikte  het  Fransche  legerhoofd  over  eene  sterke  macht: 
bij  het  begin  van  den  veldtocht  bestond  die  uit  26  bataljons  en 
92  eskadrons,  —  denkelijk  een  35000  man;  en  later  werd  dit 
leger  gedurig  versterkt  door  troepen  uit  de  Nederlanden. 

Half  Mei  begint  het  leger  van  den  hertog  van  Lotharingen 
zich  samen  te  trekken  op  den  rechter  Rijnoever,  tusschen  Offen- 
burg  en  Wilstett;  dat  van  Créqui  op  den  linkeroever  om  Schele- 
stadt.  Het  Fransche  legerhoofd  trekt  van  Schelestadt  naar  Brisach, 
op  den  rechter  Rijnoever;  en  van  daar  naar  Freyburg.  Den 
6en  Juli  doet  het  Fransche  leger  een  aanval  op  het  bruggenhoofd 
van  Rheinfelden,  eene  vesting  aan  den  Rijn,  iets  boven  Bazel; 
het  bruggenhoofd  wordt  stormenderhand  genomen;  bijna  zoude 
ook  Rheinfelden  gevallen  zijn,  had  niet  Mercy,  de  opperbevel- 
hebber der  vesting,  de  bruggen  laten  ophalen,  niettegenstaande 
hij  daardoor  eene  afdeeling  opofferde,  onder  Stahremberg,  die  ter 
hulp  van  Rheinfelden  was  afgezonden;  die  afdeeling,  een  5  a 
6000  man,  ging  toen  grootendeels  verloren. 

Créqui  wendt  zich  daarop  noordwaarts,  en  komt  den  23sten  Juli 
voor  Offenburg,  —  toen  een  vesting,  op  korten  afstand  van  den 
Rijn,  bijna  ter  hoogte  van  Straatsburg.  Maar  de  hertog  van 
Lotharingen  heeft  intijds  eene  sterke  afdeeling  afgezonden  tot 
steun  van  Offenburg;  wél  wordt  die  afdeeling  op  den  marsch 
daarheen  geslagen,  maar  zij  bereikt  toch  de  vesting,  zoodat 
Créqui  afziet  van  het  beleg.  De  Fransche  veldheer  wendt  zich 
toen  naar  Kehl,  het  bruggenhoofd  van  Straatsburg;  den  255160  Juli 
komt  hij  voor  dat  fort;  den  28sien  wordt  het  stormenderhand 
genomen,  daarop  geslecht,  en  een  deel  van  de  Rijnbrug  afge- 
broken. Den  2en  Augustus  komt  het  Fransche  leger  te  Altenheim, 
op  den  rechter  Rijnoever,  iets  boven  Straatsburg;  hier  gaat  men 
de  rivier  over,  en  het  geheele  leger  is  den  8sien  Augustus  weer 
op  den  linkeroever. 

Toen  wordt  Straatsburg  door  de  Franschen  bedreigd ;  het  was 
toen  nog  een  vrije  rijksstad,  die  onzijdig  heette;  maar  zij  was 
niet  bij  machte  om  die  onzijdigheid  te  handhaven,  of  wel  hare 
sympathieën  waren  voor  Duitschland;  zij  begunstigde  ten  minste 
de  handelingen  van  het  Duitsche  leger,  en  het  Fransche  had  dus 


Digitized  by 


Google 


1678— 1688.  327 

alle  recht  om  haar  vijandig  te  behandelen.  Van  9  tot  11  Augustus 
worden  twee  der  buitenforten  van  Straatsburg,  op  den  linkeroever 
van  den  Rijn,  aangevallen,  genomen  en  geslecht. 

De  hertog  van  Lotharingen  gaat  nu,  op  zijn  beurt,  den  Rijn 
over,  te  Philipsburg;  maar  ook  op  den  linkeroever  voert  hij 
niets  uit.  Ook  Créqui  doet  daar  niet  veel  bijzonders;  het  bepaalt 
zich  tot  het  verwoesten  van  enkele  steden  en  sterke  kasteelen, 
toebehoorende  aan  de  gravin  van  Hanau;  eene  dier  sterkten, 
het  kasteel  van  Lichtenberg,  verdedigt  zich  acht  dagen  lang.  Zoo 
smeult  daar  de  oorlog  nog  een  poos;  totdat,  den  560  Februari 
1679,  de  vrede  gesloten  wordt  tusschen  Frankrijk  en  den  Keizer. 

De  oorlog  tusschen  Frankrijk  en  den  keurvorst  van  Branden- 
burg wordt  voortgezet  tot  den  zomer  van  1679;  en  nog  den 
3osien  Juni  heeft  er  een  gevecht  plaats  te  Minden,  bij  de  Wezer, 
tusschen  Créqui  en  Spaen.  —  Den  29sten  Juni  1679  wordt  de 
vrede  gesloten  te  Saint-Germain. 


HOOFDSTUK  XX. 

1678 — 1688:   VERHOUDING   VAN    DE    REPUBLIEK  TOT   FRANKRIJK; 

OVERWELDIGINGEN   VAN    DE    ZIJDE  VAN   LODEWIJK   XIV  ;   VER- 

GEEFSCHE   POGINGEN  VAN  WILLEM  III   OM  DE  REPUBLIEK 

DAARTEGEN   TE  WAPENEN. 

De  oorlog,  door  den  vrede  van  Nijmegen  geëindigd,  werd  ge- 
volgd door  een  tienjarig  tijdvak  (1678 — 1688)  van  vrede.  Vrede? 
Wel  mag  men  hier  de  vraag  doen,  die  Da  Costa  doet  in  zijn 
>vijf  en   twintig  jaar": 

»werd  het  vrede, 
omdat  de  damp  vervloog  van  't  moord  verspreidend  kruid? 
Is  de  oorlog  —  in  zijn  vaart  —  ook  in  zijn  bron  gestuit?" 

en  dan  moet  het  antwoord  ontkennend  zijn :  neen ;  de  bron  van 
den  oorlog,  de  veroveringszucht  en  dwingelandij  van  Lodewijk  XIV, 
was  nog  altijd  daar ;  nog  altijd  bedreigde  zij  Europa ;  zij  deed  meer 
dan  bedreigen :  zij  randde  het  aan ;  en  in  dat  tienjarig  tijdvak  van 
zoogenaamden  vrede  kwam  meer  dan  eens  het  wapengeweld  in 
werking,  en  dreigde  meer  dan  eens  het  oorlogsvuur  weer  in  vollen 
gloed  uit  te  barsten.  Vrede?  —  Nu- ja,  maar  dan  toch  altijd  de 
>  bloedige  vrede"  [sanglante paix)  waarvan  Corneille's  Cinna  spreekt. 


Digitized  by 


Google 


328  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Maar  omdat  het  vrede  heette,  werden  er  aan  weerszijden  ge- 
zanten afgevaardigd:  wij  kregen  in  Den  Haag  den  bekwamen 
d'Avaux;  en  naar  Lodewijk  XIV  werd  een  buitengewoon  ge- 
zantschap afgevaardigd,  bestaande  uit  de  heeren  Boreel,  Dijkvelt 
en  Odijk.  Natuurlijk  is  het  hier  de  plaats  niet  om  in  bijzon- 
derheden te  verhalen  wat  die  gezanten  hebben  uitgericht;  deden 
wij  het,  wij  zouden  daarbij  weer  overvloedige  bewijzen  vinden 
van  de  hooge  waarde  die  men  toen  hechtte  aan  alles  wat  staatsie 
en  plechtigheid  was.  Zoo  kostte  het  veel  moeite  en  verliep  er 
veel  tijd,  voordat  onze  gezanten  bij  den  Franschen  koning  ten 
gehoore  werden  ontvangen,  omdat  men  het  moeilijk  eens  kon 
worden  over  de  eerbewijzen  die  zij  moesten  ontvangen;  en  zoo 
was  er  in  Den  Haag  eens  een  groote  oneenigheid  omdat,  bij  een 
gehoor,  d'Avaux  er  op  aandrong  om  door  de  stadhouderlijke 
poort  te  rijden  —  de  poort  tusschen  Binnenhof  en  Buiten- 
hof —  en  de  Staten-Generaal  dit  bleven  weigeren.  Men  hechtte 
toen  veel  aan  het  uiterlijke. 

Had  men,  daarin,  zoo  geheel  en  al  ongelijk  ?  —  Men  herinnere 
zich  wat  Rousseau  in  zijn  y^Emili''  zegt,  dat  de  koningen  zeer 
verkeerd  doen  met  het  gebruik  van  de  uiterlijke  teekenen  hunner 
waardigheid  zoo  te  verwaarloozen ;  —  en  natuurlijk  geldt  wat  hij 
van  de  koningen  zegt,  voor  alle  machthebbenden :  >maintenant 
qu*  on  affecte  d'abolir  ces  signes,  qu*  arrive-t-il  de  ce  mépris? 
Que  la  majesté  royale  s'efface  de  tous  les  coeurs,  que  les  rois 
ne  se  font  plus  obéir  qu'  k  force  de  troupes,  et  que  Ie  respect 
des  sujets  n'est  que  dans  la  crainle  du  ch^timent.  Les  rois  n'ont 
plus  la  peine  de  porter  leur  diadème,  ni  les  grands  les  marques 
de  leurs  dignités ;  mais  il  faut  avoir  cent  mille  bras  toujours  prêts 
pour  faire  exécuter  leurs  ordres.  Quoique  cela  leur  semble  plus 
beaii,  peut-être,  il  est  aisé  de  voir  qu'  a  la  longue  eet  échange 
ne  leur  tournera  pas  k  profit." 

Rousseau  heeft  hierin  niet  geheel  ongelijk:  eenige  plechtig- 
heid, —  dat  kan  geen  kwaad;  maar  het  moet  geen  ijdele 
plechtigheid  zijn;  het  moet  iets  wezenlijks  aanduiden  en  verkon- 
digen; het  moet  niet  zijn,  wat  Van  Maanen  zeide  van  de  wijze 
van  aanneming  der  grondwet  van  181 4:  >veel  solemnia,  en 
weinig  zaaks.'* 

Het  is  bekend  —  men  kan  het  onder  anderen  bij  Wagenaar 
vinden  —  dat  in  1679  èn  Frankrijk  èn  Engeland  ernstige  pogingen 
deden  om  met  de  Republiek  een  traktaat  van  bondgenootschap 
te  sluiten;  maar  de  Republiek  hield  zich  daar  wijselijk  buiten, 
omdat  zij  te  recht  van  oordeel  was,  dat  zulk  een  traktaat  bin- 
dend en  belemmerend  is,  vooral  voor  de  zwakkere  partij.  Ten 
opzichte  van  die  pogingen  van  Frankrijk  om  zich  toen  bij  de 
Republiek   aan   te   sluiten,   deelt    Rousset   bijzonderheden    mede 


Digitized  by 


Google 


1678— 1688.  329 

(3'  deel,  blz.  6 — 10),  die  hij  gedeeltelijk  ontleent  aan  het  werk 
van  onzen  landgenoot  Grovestins,  y^Hhtoire  des  luttes  et  rivalités 
polittques  entre  les  puissances  maritimes  et  la  France^  —  Ziehier  wat 
Rousset  zegt: 

>In  1679  was  Holland  in  Louvois'  oogen  niet  raeer  wat  het 
in  1672  was:  iets  wat  men  verachtte.  De  geestkracht,  de*  volhar- 
ding, de  grootheid  van  dit  kleine  volk,  en  de  groote  omvang 
zijner  hulpmiddelen  hadden  hem  getroffen  en  achting  ingeboe- 
zemd. Die  kooplui  waren  oorlogsraannen,  die  visschers  waren 
uitstekende  zeehelden.  Zoo  ijverig  als  Louvois  vroeger  was  om 
hen  te  verderven,  zoo  ijverig  was  hij  nu  om  hun  te  gemoet  te 
gaan.  Opnieuw  dat  bondgenootschap  ie  sluiten,  dat  vooral  door 
hém  was  verbroken,  scheen  hem  nu  eene  staatshandeling,  zijn 
genie  waardig,  en  verre  te  verkiezen  boven  al  zijne  plannen  om 
zich  uit  te  breiden  gedurende  den  vrede.  Maar,  afkeerig  van  de 
omslachtige  handelingen  der  diplomatie,  viel  hij  in  eens  met  de 
deur  in  het  huis,  en  begon  hij  met  de  slothandeling. 

De  Staten-Generaal  hadden  toen  in  Frankrijk  twee  gezanten, 
Boreel  en  Dijkvelt."  (Rousset  gewaagt  niet  van  Odijk).  »Eens, 
in  de  maand  Augustus  1679,  toen  Boreel  een  bezoek  bracht  aan 
Louvois,  kwam  de  Minister  in  den  loop  van  het  gesprek  in  eens 
voor  den  dag  met  het  voorstel  van  een  nauw  verbond  tusschen 
Holland  en  Frankrijk;  en  dewijl  de  Staten-Generaal  toen  juist 
op  een  koelen  voet  waren  met  den  keurvorst  van  Brandenburg, 
die  zich  er  over  beklaagde  dat  zij  hem  waren  afgevallen,  en  zij 
bijna  overhoop  lagen  met  Spanje,  dat  Maastricht  van  hen  vor- 
derde, liet  Louvois  niet  na  om  op  de  ergste  wijze  de  zwarig- 
heden te  schetsen  die  de  Republiek  zich  moedwillig  op  den 
hals  haalde,  door  voortdurend  buiten  ieder  bijzonder  verbond  te 
blijven  met  andere  souvereinen.  >Wat  hem  aanging"  —  voegde 
hij  er  bij  —  >hij  was  zeker  dat  de  Republiek  niet  zóó  zou  zijn 
behandeld"  (Spanje  had  gedreigd,  de  Hollandsche  koopwaren  in 
beslag  te  nemen,  die  op  de  galjoenen  van  Amerika  waren),  >als 
zij  nauwer  verbonden  ware  geweest  met  de  Fransche  kroon,  en 
daardoor  had  kunnen  rekenen  op  's  Konings  hulp  tegen  hen  die 
haar  wilden  aanranden."  Boreel  antwoordde  niets  anders  dan  idat 
de  Staten-Generaal  zeer  vereerd  waren  door  die  welwillendheid 
van  den  koning  van  Frankrijk,  en  dat  zij  vurig  wenschten  dat 
de  vriendschappelijke  verhouding  in  stand  bleef,  die  sedert  den 
vrede  bestond."  Die  > vurige  wensch",  op  zoo  koele  wijze  geuit, 
om  de  eenvoudig  vriendschappelijke  verhouding  te  bewaren,  en 
niet  om  die  door  te  drijven  tot  een  eng  bondgenootschap,  diende 
slechts  om  Louvois'  verlangen  sterker  te  maken.  Hij  ging  zóó 
ver  van  >  onder  vier  oogen"  te  verklaren,  dat  de  Koning  dit 
nauwe  bondgenootschap  wenschle,  maar  dat  men  niet  kon  vor- 
deren dat  hij  daartoe  de  eerste  stappen  zou  doen;  hij  voegde  er 


Digitized  by 


Google 


330  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

bij,  >dat  als  men  van  den  kant  der  Staten  voortging  met  zich 
zoo  onverschillig  te  betoonen,  het  wel  zou  kunnen  gebeuren,  dat 
de  Koning  verbintenissen  aanging  met  anderen  die  minder  onver- 
schillig waren ;  en  dat  het  dan  zou  blijken,  of  het  ware  belang 
van  de  Republiek  niet  was  over  het  hoofd  gezien." 

Wanhopende  aan  Boreel,  beproefde  Louvois  het  bij  den  anderen 
gezant.  Toen  Dijkvelt,  eenige  dagen  na  die  eerste  samenkomst, 
op  zijn  beurt  bij  Louvois  kwam,  begon  deze  dadelijk  weer  te 
spreken  over  het  bondgenootschap;  en  zeide  —  altijd  onder 
voorbehoud,  dat  hij  hiertoe  niet  was  gemachtigd,  maar  als  bijzonder 
persoon  sprak  —  dat  de  Koning  zeer  genegen  was  om  een  nauwer 
verbond  te  sluiten  met  de  Republiek ;  maar  dat  dit  moest  worden 
verzocht  aan  Zijne  Majesteit;  en  dat  dan  zijne  welwillendheid 
ten  aanzien  van  den  Staat  zou  blijken  uit  de  voorwaarden  die 
hij  zou  inwilligen.  Louvois  meende,  na  zijn  eerste  onderhoud  met 
Boreel,  te  hebben  te  doen  gehad  met  den  flegmatieksten  van  alle 
Hollanders;  maar  het  bleek  dat  Dijkvelt  de  kroon  spande.  Toen, 
in  drift  ontstoken,  wierp  de  minister  van  Lodewijk  XIV  dat 
masker  af  van  trotsche  terughouding  en  van  statige  afwachting, 
dat  bij  de  diplomaten  van  den  grooten  Koning  haast  deel  uit- 
maakte van  costuum  en  etikette;  en  de  perken  van  de  meest 
gewone  voorzichtigheid  overschrijdende,  was  hij  niet  alleen  de 
eerste  die  met  voorstellen  voor  den  dag  kwam  —  een  ongehoord 
iets!  —  maar  die  voorstellen  waren:  het  geheel  verlaten,  de 
stellige  verloochening  van  de  vroegere  staatkunde  van  Lode- 
wijk XIV,  het  omgekeerde  van  de  geheele  Fransche  staatkunde 
sedert  het  begin  der  eeuw.  In  duidelijke  bewoordingen  zeide  hij, 
>dat  dit  bondgenootschap  aan  de  Republiek  een  barrière  zou 
verschaffen,  en  dat  daardoor  de  Spaansche  Nederlanden  nooit  in 
Frankrijk's  macht  zouden  vallen;  dat  de  Staten-Generaal  alles 
zouden  kunnen  bedingen  wat  zij  voor  hunne  zekerheid  konden 
bedenken ;  bij  voorbeeld,  dat  de  Koning  zich  zou  verbinden  om 
die  Nederlanden  nooit  meer  aan  te  vallen;  dat,  in  geval  van 
oorlog  met  Spanje,  de  Koning  nooit  in  die  gewesten  vijandelijk- 
heden zou  plegen;  en  dat  hij  zich  bij  een  vredesverdrag  nooit, 
zelfs  niet  de  kleinste  vesting,  daar  zou  mogen  doen  afstaan;  dat 
hij  even  zoo  nooit  bezitter  zou  mogen  worden  van  de  Nederlanden, 
noch  bij  ruil,  noch  bij  vrijwilligen  afstand;  en  dat  het  traktaat, 
op  die  hoofdbepalingen  berustende,  zou  vervallen  door  het  over- 
treden van  eene  daarvan;  dat  de  Koning  Spanje  zou  kunnen 
aanvallen  op  een  ander  punt.  Want"  —  vroeg  Louvois  —  >wat 
doet  het  den  Staten-Generaal,  of  de  Koning  eenige  veroveringen 
maakt,  hetzij  in  het  Milaneesche,  hetzij  aan  de  Spaansche  gren- 
zen ?  En  onderster'  —  voegde  de  Minister  er  bij  —  >dat  de 
oorlog  opnieuw  uitbreekt  tusschen  den  Koning  en  Spanje,  ter 
zake   van   het  bevel  aan  den  maarschalk   De  Vivonne  gegeven 


Digitized  by 


Google 


1678— i6S8.  331 

om  de  oorlogsscheï)en  en  galeien  van  Spanje  de  vlag  te  doen 
strijken  voor  's  Konings  oorlogsschepen,  zal  het  dan  in  het  belang 
zijn  van  de  Republiek  om  nogmaals  in  oorlog  te  komen  met 
Frankrijk?"  —  Van  die  allerzonderlingste  conferentie  verslag 
doende  aan  den  Prins  van  Oranje,  voegen  de  HoUandsche  ge- 
zanten eenvoudig  daarbij:  >het  antwoord  van  den  heer  Dijkvelt 
was,  in  de  hoofdzaak,  hetzelfde  als  dat  van  den  heer  Boreel: 
het  was  de  vurigste  wcnsch  van  de  Staten-Generaal  om  de  vriend- 
schap aan  te  kweeken  met  den  koning  van  Frankrijk." 

(Al  die  bijzonderheden  komen  voor  in  een  brief  van  den 
isteü  September  1679,  in  het  Archief  van  het  huis  van  Oranje, 
en  uitgegeven  door  den  baron  Sirtema  van  Grovestins  in  zijn 
y^Histoire  des  luttes  et  rsvalités  politiques  entre  les  puissances  maritimes 
et  la  Francé*\  Tomé  III,  blz.  393). 

Waarlijk,  I-,ouvois  is  overgelukkig  geweest  van  te  doen  te 
hebben  gehad  met  menschen,  zoo  zwaar  van  begrip,  en  zoo 
moeilijk  tot  handelen  te  brengen.  Hoe!  die  Hollanders  hielden 
den  Minister  niet  bij  zijn  woord,  die,  onvoorzichtig  en  driftig, 
al  dadelijk  aan  hun  land  zulke  verbazend  gunstige  voorwaarden 
toestond!  Hoe!  Holland  beijverde  zich  niet  om  die  niet  te  ver- 
wachten gelegenheid  te  baat  te  nemen'*bm  voor  langen  tijd  dat 
gevaar  af  te  wenden,  dat  het  zelf  niet  kon  afwenden,  de  zoo 
gevreesde  nadering  van  Frankrijk!  Een  overgroote  fout;  een 
fout,  die  van  Louvois  evenarende,  toen,  zeven  jaar  vroeger,  na 
den  overtocht  van  den  Rijn,  de  minister  van  Lodewijk  XIV  op 
ruwe  wijze  andere  afgevaardigden  van  de  Staten-Generaal  afwees, 
die,  om  Holland  te  redden,  Nederland  als  offer  nederlegden  aan 
zijns  meesters  voeten." 

Of  Rousset  hier  wel  gelijk  heeft  ?  —  Wij  twijfelen  er  sterk  aan ; 
wij  gel 00 ven  dat  de  hoofden  van  de  Republiek  toen  zeer  naïef 
zouden  geweest  zijn,  hadden  zij  die  voorstellen  van  Louvois  voor 
goede  munt  aangenomen;  en,  welke  gebreken  of  ondeugden  men 
onzen  toenmaligen  regenten  ook  moge  ten  laste  leggen,  aan  over- 
groote naïeveteit  maakten  zij  zich  zelden  schuldig;  hunne  staat- 
kunde deed  in  beleid,  haast  kan  men  zeggen  in  geslepenheid,  niet 
onder  voor  de  fijnberekenende  staatkunst  van  de  hoofden  der 
Venetiaansche  Republiek. 

Zeker,  het  zou  voor  de  Republiek  een  overgroot  voordeel  zijn 
geweest  als  zij  de  zekerheid  had  verkregen,  dat  de  Spaansche 
Nederlanden  nooit  door  Frankrijk  zouden  worden  aangevallen 
en  nooit  in  Frankrijk's  bezit  zouden  komen:  wat  Louvois  voor- 
stelde was  eenigszins  eene  verklaring  van  onzijdigheid  van  de 
Zuidelijke  Nederlanden,  —  zooals  ook  thans  België  onzijdig  is 
verklaard;  —  maar  kan  men  in  ónze  dagen  al  niet  vast  bouwen 
op  die  onzijdigheid  van  België,  in  de  dagen  van  Louvois  betee- 


Digitized  by 


Google 


332  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

kende  die  onzijdigheid  nog  minder:  Frankrijk  zou  er  borg  voor 
blijven;  maar  wie  waarborgde  dit?  In  de  voorstellen  van  Louvois 
moet  men  niets  anders  zien  dan  eene  poging  om  de  Republiek 
in  het  zog  van  de  Fransche  staatkunde  te  brengen  en  af  te  zon- 
deren van  hare  bondgenooten ;  was  dat  eenmaal  gelukt,  dan  kon 
Lodewijk  XIV  later  gemakkelijker  de  Nederlanden  bemachtigen; 
en  de  belofte  van  de  onzijdigheid  der  Nederlanden  te  eerbiedigen 
behoefde  geen  bezwaar  te  zijn,  want  lichtelijk  was  er  een  voor- 
wendsel te  vinden  om  die  belofte  op  zij  te  schuiven.  De  diplo- 
matie is  de  kunst  van  te  bedriegen. 

Maar,  hoe  dit  zij,  wat  Rousset  vermeldt  over  de  voorstellen 
van  Louvois  toont  duidelijk  aan,  dat  Frankrijk  in  1679  alle 
vijandschap  tegen  de  Republiek  had  afgelegd,  en  naar  haar 
bondgenootschap  streefde;  tusschen  die  twee  was  het  toen  bla- 
kende vriendschap.  Lang  duurde  dit  niet;  want  spoedig  zag  de 
Fransche  regeering  in,  dat  de  Republiek  te  verstandig  was  om 
zich  in  de  netten  van  de  staatkunde  van  den  grooten  Koning  te 
laten  vangen;  die  regeering  begreep  spoedig,  dat  zij  in  de  Repu- 
bliek, en  vooral  in  Willem  III,  altijd  veel  meer  een  tegenstander 
dan  een  bondgenoot  zou  vinden.  Lodewijk  XIV  meende  dus  dat 
het  zaak  was  om,  nu  men  de  Republiek  niet  kon  winnen,  haar 
te  verzwakken  door  verdeeldheid  te  zaaien;  Rousset  beweert, 
dat  het  middel  der  omkooping,  dat  Frankrijk  toen  overal  elders 
met  goed  gevolg  aanwendde,  in  Holland  niet  hielp,  en  dat  men 
daar  dus  maar  zijn  toevlucht  moest  nemen  tot  het  opwekken  en 
aanwakkeren  van  partijtwisten. 

>In  Holland,  waar  de  eerlijkheid  even  groot  en  even  algemeen 
was  als  de  welvaart,  kon  men  met  omkoopingen  niets  gedaan 
krijgen;  en  daarom  streefde  de  bekwame  Fransche  diplomatie  er 
vooral  naar  om  voordeel  te  doen  met  de  partijtwisten.  De  Oranje- 
partij,  de  militaire  partij,  was  de  zwakste;  het  overwicht  was  weer 
aan  den  kant  van  de  burgerij  der  groote  handelssteden.  Eigenlijk 
was  Lodewijk  XIV  het  meest  de  militaire  partij  genegen;  maar 
de  Prins  van  Oranje  was  nu  eenmaal  niet  tot  vriend  te  maken..." 
(Rousset,  3*  deel,  blz.  210). 

Wat  Rousset  hier  zegt  is  zeer  vleiend  voor  ons,  maar  het 
maakt  ons  wel  eenigszins  verlegen;  er  is  iets  pijnlijks  in  eene 
lofspraak,  die  men  gevoelt  dat  niet  geheel  en  al  verdiend  is. 
Rousset  spreekt  van  het  Holland  van  1680:  »de  eerlijkheid  even 
groot  en  algemeen  als  de  welvaart";  en:  »met  omkoopingen 
kon  men  niets  gedaan  krijgen";  —  wie  zal  hier  durven  ver- 
klaren: dat  is  geen  woord  te  veel  gezegd?  't  Is  waar,  wij  zijn 
niet  slechter  dan  anderen,  beter  misschien ;  de  groote  massa  van 
ons  volk,  toen  en  nu,  i,s  eerlijk;  maar  toch,  ook  toen  liep  er 
veel    schorremorrie    onder.  Vele    der    regenten   van    die    dagen 


Digitized  by 


Google 


1678-1688.  333 

waren,  zeker,  te  fier,  te  hooghartig,  te  veel  doordrongen  van 
het  gevoel  hunner  waarde  en  grootheid  om  zich  te  laten  om- 
koopen,  maar  van  allen  kan  men  dat  toch  niet  zeggen.  Juist 
in  dien  tijd  werden  de  geldelijke  knoeierijen  bij  de  admiraliteiten 
ruchtbaar;  knoeierijen  die  zulk  een  omvang  hadden,  dat  men  het 
rechterlijk  onderzoek  maar  niet  ver  uitbreidde,  om  niet  te  veel 
schuldigen  te  vinden*,  en  in  die  Admiraliteiten  hadden  de  aan- 
zienlijksten  des  lands  zitting;  de  aanzienlijksten  des  lands  waren 
dus  schuldig  aan  den  diefstal  van  's  lands  gelden.  Prijs  onze 
eerlijkheid  niet  te  veel! 

Het  was  in  dien  tijd  (1680)  dat  Lodewijk  XIV,  om  Willem  III 
te  verbitteren,  het  Prinsdom  van  Oranje  tijdelijk  in  bezit  nam, 
en  dat  Heinsius,  te  Parijs  gekomen  om  over  die  wederrechtelijke 
handeling  te  klagen,  door  Louvois  met  de  Bas  til  Ie  werd  be- 
dreigd. —  Vroeger  was  het  bij  de  Turksche  sultans  het  gebruik, 
om,  als  zij  in  oorlog  kwamen  met  een  Europeesche  mogendheid, 
den  gezant  dier  mogendheid  gevangen  te  zetten  in  >het  Kasteel 
van  de  zeven  torens";  —  zonder  nog  in  oorlog  te  zijn,  werd 
hier  met  diezelfde  handeling  bedreigd  de  gezant  van  een  be- 
schaafd land,  die  vertoogen  kwam  inbrengen  bij  de  regeering 
van  een  ander  beschaafd  land.  Turksche  dwingelandij,  geoefend 
door  de  regeering  van  den  Allerchristelijksten  Koning! 

Het  tijdvak  van  1678  tot  1688  wordt  voor  een  deel  geken- 
merkt door  de  wederrechtelijke  wijze  waarop  Lodewijk  XIV 
Frankrijk's  grondgebied  toen  uitbreidde.  Bij  den  vrede  van 
Nijmegen  waren  aan  Frankrijk  landstreken  afgestaan,  vroeger  tot 
het  gebied  behoorende  van  Spanje  of  van  Duitschland;  met  het 
bezit  van  die  landstreken  vergenoegde  Lodewijk  XIV  zich  niet; 
maar  hij  vorderde  nu  ook  het  bezit  van  ander  grondgebied,  dat 
vroeger  op  de  eene  of  andere  wijze  onderhoorig  was  geweest 
aan  die  afgestane  landstreken ;  om  die  onderhoorigheid  te  be- 
wijzen werd  een  beroep  gedaan  op  overeenkomsten,  verbinte- 
nissen en  traktaten  van  eeuwen  her;  en  over  dat  beroep  deden 
rechtbanken  uitspraak  —  de  zoogenaamde  Chambres  de  réunion  — 
die,  door  Frankrijk's  koning  bijeengeroepen,  geheel  en  al  partijdig 
waren,  geheel  en  al  in  zijn  voordeel  uitspraak  deden.  Weigerde 
dan  Spanje  of  het  Duitsche  Rijk  om  zich  aan  die  uitspraak  te 
onderwerpen,  dan  werd  wapengeweld  aangewend;  zoo  werd 
Straatsburg  (1681)  wederrechtelijk  in  bezit  genomen  en  bij 
Frankrijk  ingelijfd;  dan  werd  Luxemburg  belegerd;  dan  werd 
Dixmude  bezet;  dan  werd  geroofd,  en  geplunderd,  en  gebrand;  — 
totdat  de  onderdrukte  partij  ten  langen  leste,  om  een  einde  aan 
de  zaak  te  maken,  in  de  onderdrukking  berustte,  en  in  1684 
een  wapenstilstand  van  twintig  jaar  sloot  met  Lodewijk  XIV,  en 
het  beslechten  der  geschilpunten  zoo  lang  uitstelde. 


Digitized  by 


Google 


334  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

In  één  woord,  wat  Frankrijk's  koning  toen  deed,  was  een  werk 
der  duisternis,  een  verfoeielijke  mengeling  van  onrecht  en  ge- 
weld; en  het  is  onbetwistbaar  dat  de  Europeesche  staten  toen 
het  volste  recht  hadden  om  de  wapens  weer  op  te  vatten  en 
Lodewijk  XEV  weer  den  oorlog  aan  te  doen. 

Maar  bij  staatshandelingen  moet  men  niet  alleen  letten  op  het 
recht  maar  ook  op  het  belang;  geen  staatshandeling  mag 
strijdig  zijn  met  het  recht;  maar  al  is  die  handeling  zoo  recht- 
matig als  het  maar  zijn  kan,  dan  moet  men  daarvan  toch  afzien, 
als  door  die  handeling  het  belang  van  den  Staat  te  veel  wordt 
benadeeld.  De  bondgenooten  —  de  Republiek,  Spanje,  Duitsch- 
land  —  hadden  in  het  tijdvak  van  1680  tot  1684  het  volste 
recht  om  Lodewijk  XIV  den  oorlog  aan  te  doen;  was  het  in 
hun  belang  om  dien  oorlog  te  beginnen? 

Die  vraag  werd  verschillend  in  de  Republiek  beantwoord,  — 
en  de  Republiek  was  toen  de  spil  waarom  het  geheele  bondge- 
^  nootschap  draaide  — ;  Willem  III  was  voor  den  oorlog,  Amster- 
dam was  daartegen;  en  die  enkele  stad  gold  toen  zoo  veel  als 
een  mogendheid:  haar  gevoelen  werd  ontzien  in  Holland  en  in 
de  geheele  Republiek,  en  zij  durfde  het  opnemen  tegen  den 
machtigen  invloed  van  den  grooten  Stadhouder.  Dit  verschil  van 
gevoelen  gaf  aanleiding  tot  hevige  twisten;  vooral  toen  het  de 
vraag  gold  om  het  leger  van  de  Republiek  met  een  16000  man 
te  versterken,  ten  einde  de  Spaansche  Nederlanden  te  hulp  te 
komen  die  door  Lodewijk  XIV  werden  bedreigd,  of  aangevallen. 

In  hoofdzaak  redeneerden  de  beide  partijen  aldus: 

Willem  III  zeide:  >wij  moeten  ons  wapenen;  wij  moeten  ons  bij 
onze  bondgenooten  aansluiten,  en  met  inspanning  van  alle  krachten 
de  Spaansche  Nederlanden  beschermen  tegen  de  overweldigingen 
van  Lodewijk  XIV;  beter  dat  wij  de  Fransche  legers  bestrijden 
in  Vlaanderen  of  Braband,  dan  voor  Dordt  of  voor  Breda." 

Het  antwoord  van  Amsterdam  was:  >neen,  wij  moeten  ons 
niet  wapenen;  wij  moeten  geen  oorlog  beginnen,  die  tot  niets 
goeds  kan  leiden;  onze  bondgenooten  zijn  óf  onwillig,  óf  onmach- 
tig; wij  kunnen  niets  rekenen  op  hunne  hulp;  wij  zullen  thans, 
bij  een  kamp  tegen  Frankrijk,  zoo  goed  als  alleen  staan;  wij 
zullen  dus  zonder  eenig  nut  onze  krachten  uitputten  in  een 
oorlog  die  ons  niets  dan  onheil  kan  aanbrengen.  Beter  is  het 
dus,  voor  het  oogenblik  te  zwichten  voor  den  storm,  voor  het 
oogenblik  het  onrecht  te  dulden  dat  de  Fransche  koning  ons 
aandoet,  en  gunstiger  tijden  af  te  wachten  om  tegen  hem  de 
wapenen  op  te  vatten." 

Het  is  zoo  goed  als  eene  herhaling  van  de  gronden,  aange- 
voerd  voor   en  tegen  den  Nijmeegschen  vrede;  men  kan  in  ge- 


Digitized  by 


Google 


1678— 1688.  335 

voelen  verschillen  over  de  deugdelijkheid  van  die  gronden; 
naar  ons  gevoelen  uitte  Amsterdam  hier  de  verstandigste  mee- 
ning:  in  1680 — 1684  was  de  oorlog  tegen  Lodewijk  XIV  onraad- 
zaam; want  daarbij  zou  de  Republiek  zoo  goed  als  alleen  hebben 
gestaan. 

Spanje  was  gewillig  genoeg,  —  maar  Spanje  was  geheel  onmach- 
tig: het  moest  gesteund  worden,  in  stede  van  steun  te  verleenen. 

Op  Engeland  viel  niet  in  het  allerminst  te  rekenen:  dit  was 
den  Franschen  belangen  geheel  toegedaan.  Die  waarheid  werd 
openlijk  verkondigd  door  Van  Beuningen,  die  in  dien  tijd  was 
belast  geweest  met  eene  zending  in  Engeland ;  in  wat  men  thans 
zou  noemen  een  »open  brief"  waarschuwde  de  Amsterdamsche 
burgemeester  zijne  landgenooten  om  niet  in  het  allerminst  te 
bouwen  op  den  steun  van  Engeland.  Die  waarschuwing  was  niet 
anders  dan  het  openbaar  maken  van  een  onbetwistbaar  feit; 
maar  juist  dat  openbaar  maken  was  eene  ergernis  en  een  gruwel 
voor  de  Stadhouderlijke  partij,  die  zoo  gaarne  de  hoop  op 
Engeland's  bijstand  bij  ons  levendig  had  willen  houden.  Wil- 
lem III  en  de  zijnen  waren  dan  ook  woedend  op  Van  Beuningen, 
en  lieten  zich  op  de  heftigste  wijze  over  hem  uit,  en  het  ging 
zóó  ver,  dat  men  in  Amsterdam  den  schijn  aannam  alsof  er  van 
de  zijde  des  Stadhouders  een  gewelddadige  aanslag  tegen  Van 
Beuningen  was  te  vreezen.  Men  herinnerde  zich  wat,  dertig  jaar 
vroeger,  Willem  II  had  onderstaan;  wat  de  vader  toen  deed, 
was  ook  nu  te  wachten  van  den  zoon;  —  maar  de  zoon,  hoe 
heftig  ook  van  aard,  was  verstandiger  dan  de  vader.  —  Toch 
liet  Van  Beuningen's  handeling  een  blijvenden  wrok  bij  den 
Stadhouder  achter.  Men  kan  daarvan  onder  andere  een  blijk 
vinden  in  het  Journaal  van  Constantijn  Huygens  (den  zoon), 
waarin  Willem  III  zich  op  ruwen  en  onmeêdoogenden  toon  over 
Van  Beuningen  uitlaat,  zelfs  toen  deze,  door  zijne  krankzinnig- 
heid, in  een  toestand  van  jammer  en  ellende  was  vervallen,  en 
dus  wel  ontzien  had  mogen  worden. 

Wat  Duitschland  aanging,  daarop  werkte  Willem  III  voor- 
namelijk door  een  zijner  vertrouwden,  graaf  George  Frederik 
van  Waldeck,  toen  veldmaarschalk  bij  het  leger  der  Republiek, 
dat  hij  in  later  jaren  meer  dan  eens  op  het  slagveld  heeft  aan- 
gevoerd. Waldeck  was  in  het  tijdvak  van  1680 — 1684  de  diplo- 
matieke zendeling  —  niet  van  de  Staten,  maar  van  Willem  III  — 
in  Duitschland;  strikt  genomen  was  de  Stadhouder  niets  anders 
dan  een  krijgsoverste  en  staatsdienaar  van  de  Republiek;  maar 
hij  gedroeg  zich  alsof  hij  haar  Souverein  was,  door  Waldeck  in 
die  jaren  uit  zijn  naam  allerlei  diplomatieke  onderhandelingen  te 
doen  aanknoopen,  en  allerlei  verbintenissen  te  doen  sluiten  met 
verschillende  Duitsche  vorsten.  Wie  daarover  bijzonderheden  wil 
weten,   raadplege  het   werk   van   Dr.  P.  L.  Muller:  IVilhelm  lil 


Digitized  by 


Google 


336  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

von  Oranten  und  Georg  Frsedrich  von  PFaldeclC^  —  eene  uitmun- 
tende bijdrage  tot  de  kennis  van  onze  geschiedenis  van  dien  tijd. 

In  weerwil  van  de  groote  geestkracht  en  voortvarendheid  van 
Willem  III,  en  in  weerwil  dat  het  Waldeck  volstrekt  niet  ontbrak 
aan  bekwaamheid  en  aan  ijver,  leverden  die  diplomatieke  onder- 
handelingen in  Duitschland  toen  toch  bitter  weinig  op.  Het  was 
een  wanhopige  onderneming  om  eenheid  en  kracht  te  brengen  in 
de  buitenlandsche  staatkunde  van  een  zoo  verward  en  omslachtig 
lichaam  als  toenmaals  het  Duitsche  Rijk  was,  een  toonbeeld  van 
wettelijk  georganiseerde  regeeringloosheid ;  wat  de  een  daar  wilde, 
wilde  de  ander  weer  niet;  ieder  volgde  zijn  eigen  inzichten,  lette 
alleen  op  zijn  eigen  belangen,  soms  alleen  op  zijn  eigen  voor- 
oordeelen  en  kleingeestige  begrippen ;  en  menig  Duitsch  minister, 
menig  Duitsch  vorst  hunkerde  toen  naar  de  gunst  van  Lodewijk  XIV, 
en  nam  op  schaamtelooze  wijze  het  Fransche  goud  aan  als  loon 
voor  bewezen  of  te  bewijzen  diensten.  Volkseer,  vaderlandsliefde 
waren  in  het  Duitschland  van  die  dagen  woorden  zonder  beteekenis. 

Een  van  de  Duitsche  vorsten  die  de  meeste  macht  en  invloed 
hadden,  was  toen  de  keurvorst  van  Brandenburg,  Frederik  Willem, 
»de  groote  Keurvorst"  —  zooals  hij  in  de  geschiedenis  wordt 
genoemd.  Die  groote  Keurvorst  stelt  men  soms  voor  als  een 
man  uit  één  stuk,  als  een  standvastig  en  onvermoeid  bestrijder 
van  Frankrijk's  veroveringszucht;  —  die  voorstelling  is  geheel 
onjuist:  hij  wist  de  huiken  naar  den  wind  te  hangen;  hij  hield 
van  wenden  en  la  veeren ;  ook  van  hem  geldt  het :  y^moitié  renard^ 
moitié  loup*\  Onder  zijne  staatsdienaars  waren  er  die  in  soldij 
stonden  van  Frankrijk;  hijzelf  nam  geschenken  aan  van  Lode- 
wijk XIV,  en  bleven  die  te  lang  weg,  dan  bedelde  hij  er  om. 
In  i68o — 1684  was  hij  in  zijne  periode  van  Franschgezindheid, 
en  volstrekt  ongenegen  om  deel  te  nemen  aan  eene  wapening 
tegen  Lodewijk  XIV;  het  groote  argument  van  den  Keurvorst 
tegenover  ons  was  hierbij:  1  waarom  hebt  gij  te  Nijmegen,  tegen 
mijn  zini  vrede  gesloten  ?"  Een  argument,  dat  niet  met  billijkheid 
was  aan  te  voeren  tegen  Willem  III,  die  zich  zoo  krachtig  had 
verzet  tegen  den  Nijmeegschen  vrede. 

Maar  de  Keizer  dan,  het  hoofd  van  het  Heilige  Roomsche 
Rijk?  —  Ja,  de  Keizer,  —  dat  was  een  afgodsbeeld  en  niets 
meer;  een  wezen  dat  men,  uit  sleur  en  gewoonte,  bijna  knielend 
vereerde,  maar  dat  toch  werkelijk  schier  zonder  macht  of  invloed 
was.  —  Ziehier  de  schets  die  Dr.  Milller  (i"  deel,  blz.  81 — 82) 
geeft,  van  het  Keizerlijke  of  Oostenrijksche  bewind  van  dien  tijd : 

1  Stellig  was  het  eene,  ons  thans  zeer  wonderlijk  voorkomende 
vereeniging  van  hofbeambten,  van  ministers,  van  rijks-  en  Oos- 
tenrijksche en  andere  beambten,  —  dit  Weener  hof,  waar  de 
zonderlingste  plichten  en  functiën  onderling  verbonden  waren; 
het  had  meer  overeenkomst  met  eene  Byzantijnsche  of  Turksche 


Digitized  by 


Google 


1678-1688.  337 

hofhouding  dan  met  de  inrichting  van  een  hedendaagschen  staat 
en  een  hedendaagsch  hof.  Nergens  kon  men  dan  ook  zulk  een 
geldverspilling  vinden,  en  tevens  zulk  een  armoede;  nergens, 
zelfis  niet  in  Nederland,  was  de  gang  der  regeeringszaken  trager 
en  ongeregelder,  hoezeer  te  Weenen  een  vorst  regeerde  die  in 
zijne  erflanden  een  schier  onbeperkte  macht  bezat,  't  Is  waar, 
het  karakter  van  den  vorst  droeg  daartoe  bij.  Leopold,  als  kind 
bestemd  voor  den  geestelijken  stand  en  alleen  door  den  dood 
■  zijns  broeders  keizer  geworden,  had  zeer  veel  bekwaamheden, 
eene  groote  werkzaamheid,  was  zeer  goedgezind  en  rechtschapen ; 
maar  het  ontbrak  hem  geheel  en  al  aan  geestkracht,  zelfver- 
trouwen en  vastberadenheid;  zijn  bijna  bespottelijke  trots  als 
hoogste  vorst  der  Christenheid,  verbonden  met  eene  bigotterie, 
die  zijns  grootvaders  Ferdinand  II  nabijkomende,  was  een  groot 
en  noodlottig  gebrek  in  een  Duitsch  keizer,  die  verplicht  was 
Katholieken  en  Protestanten  gelijkelijk  te  beschermen.  Als  mensch 
zou  hij  allen  lof  hebben  verdiend,  —  zijne  onbeholpen  en  be- 
spottelijke statigheid  daargelaten;  maar  als  vorst  werd  hij,  door 
die  mengeling  van  goede  en  van  kwade  eigenschappen,  afhan- 
kelijk van  zijne  ministers,  van  welke  achtereenvolgens  Portia, 
Auersperg  en  Lobkowitz  —  de  laatste  een  krachtig  hoewel  des- 
potisch karakter  —  hem  jaren  lang  zoo  goed  als  geheel  be- 
heerschten,  en  door  hun  bestuur  den  Keizerstaat,  de  dynastie 
en,  wat  erger  was,  ook  Duitschland  aan  den  rand  van  het  ver- 
derf brachten . .  .'* 

Hoe  ellendig  echter  die  Keizerlijke  regeering  ook  was,  toch 
werd  zij  in  beweging  gebracht  door  het  bericht,  dat  Straatsburg 
den  28sten  September  1681  door  de  Franschen  in  bezit  was  ge- 
nomen. Nu  had  Waldeck  gunstige  kansen  aan  het  Weener  hof; 
en  het  gelukte  hem  dan  ook  om  den  loen  Juni  1682,  te  Laxen- 
burg  —  een  zomerverblijf  van  den  Oostenrijkschen  keizer  —  een 
verdrag  te  sluiten,  dat,  zoo  het  al  geen  dadelijke  oorlogsver- 
klaring tegen  Lodewijk  XIV  inhield,  toch  eene  wapening  beloofde 
die  denkelijk  tot  oorlog  zou  leiden.  Eene  Duitsche  legermacht 
van  een  70000  man  zou  aan  den  Rijn  samentrekken;  en  voegde 
men  nu  daarbij  de  Spaansche  troepen  en  de  legermacht  van  de 
Republiek,  dan  zou  met  dit  alles  wel  wat  uit  te  voeren  zijn  ge- 
weest tegen  Frankrijk. 

Dat  zou  het  ook;  —  als  die  70000  man  werkelijk  aan  den 
Rijn  r/aren  gekomen;  maar  dat  is  niet  gebeurd:  die  70000  man 
hebben  alleen  op  het  papier  bestaan.  Een  traktaat  sluiten,  en  een 
traktaat  uitvoeren,  zijn  verschillende  zaken.  Dat  Laxenburger  ver- 
drag zou  een  goed  verdrag  zijn  geweest,  ware  het  uitgevoerd 
geworden;  maar  het  bleef  onuitgevoerd;  het  was  een  van  die 
talrijke  doodgeboren  kinderen  der  diplomatie,  waar  men  niets 


WILLEM  iii.  —  II. 


Digitized  by  VjOOQIC 


338  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

hoegenaamd  aan  heeft.  Want  wat  baat  het,  of  men  in  een  ver- 
drag alles  op  de  nauwkeurigste  en  verstandigste  wijze  bepaalt, 
als  die  bepalingen  toch  niet  worden  nagekomen,  als  dat  verdrag 
toch  een  doode  letter  blijft. 

De  gewone  traagheid  en  onwil  van  de  Duitsche  vorsten  zouden 
voldoende  zijn  om  te  verklaren,  waarom  dat  Laxenburger  verdrag 
onuitgevoerd  is  gebleven;  maar  tot  die  niet-uitvoering  hebben 
nog  twee  andere  oorzaken  medegewerkt:  vooreerst  de  reeds  ver- 
melde Franschgezinde  houding  van  den  keurvorst  van  Branden- 
burg; en  ten  tweede  de  inval  der  Turken  in  Hongarije  en 
Oostenrijk. 

Lodewijk  XIV,  die  veel  hield  van  schitterende  handelingen, 
van  het  yjaire  grand'''' ^  bewees  dat  ook  toen ;  hij  had  Luxemburg 
reeds  laten  blokkeeren;  maar  hij  deed  nu  de  insluiting  van  die 
vesting  weer  opheffen,  omdat  hij  geen  voordeel  wilde  trekken 
van  de  ongelegenheid  waarin  zijne  tegenpartij  was  geraakt  door 
haren  kamp  tegen  de  ongeloovigen.  Men  kan  die  handeling  van 
den  Franschen  koning  louter  pralerij  noemen :  maar  het  was  dan 
toch  altijd  een  pralerij,  die  gevoel  van  betamelijkheid  bewees  en 
de  waardigheid  van  den  Koning  verhoogde.  Er  is  te  dikwijls 
kwaad  van  hem  gezegd,  om  ook  niet  het  goede  te  erkennen. 

De  Turken  dringen  in  het  voorjaar  van  1683  ^^^  ^^^  sterk 
leger  in  de  Oostenrijksche  erflanden,  en  belegeren  Weenen;  maar 
die  hoofdstad,  en  misschien  het  Duitsche  Rijk,  worden  gered 
door  de  overwinning,  die  de  Christenen  den  i2en  September  1683 
op  hunne  vijanden  behaalden ;  tot  die  overwinning  hebben  voor- 
namelijk de  Polen  medegewerkt,  met  hun  koning  Sobiesky;  — 
konden  die  dapperen  voorzien  met  hoe  snooden  ondank,  geen 
eeuw  later,  die  redding  van  het  Rijk  vergolden  zou  worden!  — 
Het  ontzet  van  Weenen  wendde  het  gevaar  voor  Oostenrijk's 
ondergang  af;  maar  de  oorlog  tegen  de  Turken  bleef  toch 
inspanningen  vorderen;  en  de  Duitsche  vorsten,  die  het  nooit 
ernstig  gemeend  hadden  met  het  samentrekken  van  een  leger 
aan  den  Rijn,  kwamen  er  toen  openlijk  voor  uit,  dat  men  aan 
Frankrijk's  eischen  moest  toegeven.  De  Keizer  bewilligde  in  den 
wapenstilstahd  van  twintig  jaar;  de  staatkunde  van  Willem  III 
had,  ook  in  Duitschland,  haar  doel  niet  bereikt. 

Van  hoog  belang,  ook  als  karakterstudie,  is  het,  in  het  werk 
van  Dr.  Muller  de  brieven  te  lezen,  door  den  Stadhouder  aan 
Waldeck  geschreven  over  die  diplomatieke  onderhandelingen 
van  1680 — 1684  in  Duitschland.  Die  brieven,  in  de  Fransche  taal 
geschreven,  hebben  volstrekt  geen  litterarische  waarde;  —  daar*^ 
naar  streven  zij  ook  niet;  —  integendeel,  zij  zijn  slordig  ge- 
schreven, zóó  slordig  dat  men  dikwijls  eerst  na  herhaalde  lezing 
en    vergelijking   de    ware   bedoeling    van    den   Stadhouder   kan 


Digitized  by 


Google 


1678— 1688.  339 

raden ;  wil  men  goed  vertalen,  dan  moet  men  er  wat  van  maken, 
en  niet  letterlijk  overbrengen  wat  er  staat;  en  op  taal-  en  spel- 
fouten, en  op  gemis  van  leesteekens  moet  men  niet  zien.  Maar 
die  brieven  zijn  in  hooge  mate  merkwaardig,  omdat  zij  Willem  III 
doen  kennen.  In  die  gemeenzame  en  vertrouwelijke  brieven  kan 
men  de  helderheid  van  zijn  blik,  het  uitstekende  van  zijne 
geestvermogens  zien,  en  tevens  de  hevige  driften  die  in  hem 
woelden,  het  vuur  dat  zijn  geest  bezielde.  —  Wij  geven  hier  enkele 
proeven. 

Over  Van  Beuningen  schrijft  de  Stadhouder  aan  Waldeck 
(Socstdijk  16  October  1682): 

»het  gedrag  van  den  Heer  Van  Beuningen  begint  ondragelijk 
te  worden." 

Waldeck  antwoordt  (Würzburg  24  October): 

9  de  gedragingen  van  den  Heer  Van  Beuningen  zijn  in  staat 
om  alles  te  bederven." 

en  iets  later  (30  October): 

»De  uitdrukkingen  van  den  Heer  Van  Beuningen  te  Londen 
doen  veel  kwaad.*' 

Den  2en  November  1682  herneemt  Willem  III: 

>  Hoewel  men  gelogenstraft  heeft  wat  de  Heer  Van  Beuningen 
te  Londen  heeft  gezegd,  zoo  zal  toch  zijn  onbegrijpelijke  hande- 
ling ons  ontwijfelbaar  den  oorlog  berokkenen,  dien  hij  meent  af 
te  wenden..." 

Willem  III  wil  niets  liever  dan  oorlog;  maar  de  schuld  van 
het  ontstaan  van  den  oorlog  schijnt  hij  toch  gaarne  op  Van 
Beuningen  te  willen  schuiven. 

Waldeck  stemt  weer  in  met  den  Stadhouder: 

»*t  Is  zeker  dat  de  Heer  Van  Beuningen  een  zeer  slechten 
dienst  heeft  bewezen  aan  het  algemeen  en  aan  den  Staat..."  * 

en  wat  later  (denkelijk  December  1682)  schrijft  hem  de  Stad- 
houder: 

»Gij  hebt  uitnemend  goed  geantwoord  op  den  brief  van  den 
Heer  Van  Beuningen;  het  is  onmogelijk  om  beter  te  rede- 
neeren...  en  ik  wanhoop  er  niet  aan,  om  hen"  (denkelijk  de 
bondgenooten)  >het  valsche  te  doen  inzien  van  Van  Beuningen's 
redeneering;  het  is  onbegrijpelijk  dat  hij  zoozeer  is  omgekeerd 
als  het  geval  is,  en  dat  hij  zoo  de  dupe  kon  zijn  betreffende 
de  Engelsche  aangelegenheden...  Zeer  zeker  hebben  de  hande- 
lingen van  Van  Beuningen  meer  kwaad  gedaan,  en  zullen  meer 
kwaad  doen,  aan  dén  Staat  en  aan  de  gehéele  Christenheid,  dan 
hij  ooit  door  zijne  diensten  weer  zal  kunnen  goedmaken..." 

£en  kalm  en  onpartijdig  oordeel  over  Van  Beuningen,  is  dit 
juist  niet;  dit  was  trouwens  ook  moeilijk  te  verwachten. 

Wij  laten  nog  eenige  uittreksels  volgen  uit  die  vertrouwelijke 
briefwisseling  tusschen  Willem  III  en  Waldeck;  men  zal  daarui 


Digitized  by 


Google 


340  KRIJGS-    EN   OKSCHIEDKUNDIGE    Bt'SCHOUWlNGEN. 

het  heftige  en  driftige  karakter  leeren  kennen  van  den  man,  die 
men,  ten  onrechte,  soms  voorstelt  als  koel  en  zonder  hartstocht. 

De  wapenstilstand  van  twintig  jaar,  door  Frankrijk  voorge- 
slagen, vindt  in  Holland  bijval;  en  men  wil  daar  ook  Spanje 
daartoe  overhalen.  Den  isteo  Mei  1684  schrijft  Willem  III  daar- 
over, uit  Den  Haag,  aan  Waldeck: 

iHet  doet  mij  zeer  leed  u  te  moeten  melden,  dat  de  zaken 
hier  met  den  dag  erger  worden,  —  en  dat  vrees  en  kwaadwil- 
ligheid het  overwicht  hebben  op  het  verstand.  Zooals  ik  u  in 
mijn  vorigen  meldde,  zie  ik  de  mogelijkheid  niet  in,  dezen  men- 
schen  te  beletten  van  aan  de  Spanjaarden  den  raad  te  geven 
om  den  wapenstilstand  aan  te  nemen,  zoo  als  zij  dien  kunnen 
erlangen . . ." 

En,  den  8sten  Mei  1684,  ook  uit  Den  Haag: 

>Zoo  als  ik  u  in  mijn  vorige  brieven  heb  geschreven,  zijn  de 
zaken  hier  tot  een  uiterste  gekomen;  men  heeft  aan  de  Span- 
jaarden den  raad  gegeven,  den  wapenstilstand  aan  te  nemen, 
zoo  als  Frankrijk  dien  vroeger  heeft  voorgesteld;  en  toen  gis- 
teren de  Gedeputeerden  van  de  Staten  hiervan  kennis  zijn  gaan 
geven  aan  den  Franschen  gezant,  heeft  hij  gezegd,  dat  hij  niet 
wist  of  zijn  Koning  zich  nog  hield  aan  dat  voorstel,  maar  dat 
hij  een  stellig  antwoord  verlangde  op  zijne  memorie  betreffende 
Luxemburg.  Ik  weet  niet  welk  besluit  men  dienaangaande  zal 
nemen,  maar  ik  hoop  bij  machte  te  zullen  zijn  om  een  ongunstig 
besluit  te  beletten;  maar,  het  is  de  duivel,  Luxemburg  zal  aan- 
gevallen worden,  of  is  misschien  al  aangevallen.  Ën  ik  twijfel  er 
sterk  aan,  dat  gij  spoedig  genoeg  ter  hulp  kunt  oprukken,  en 
gij  weet  dat  wij,  alleen,  daartoe  niet  sterk  genoeg  zullen  wezen. 
Het  is  een  vloek  van  den  Hemel,  dat  onze  menschen  zoo  kwaad- 
willig zijn,  en  anderen  zoo  blind  van  niet  in  te  zien  hoe  Frankrijk 
niets  anders  doet  dan  ons  paaien.  Maar  wil  de  goede  God  ons 
verderf,  wij  hebben  het  wel  verdiend  en  moeten  daarin  be- 
rusten . . ." 

Waldeck  antwoordt  op  denzelfden  toon  (München  16  Mei  1684): 

>  zeker,  de  zaken  staan  slecht,  dank  zij  den  Heeren  van  Am- 
sterdam ;" 

en  wat  later  (Neurenberg  16  Juni  1684): 

f  Het  is  verschrikkelijk  als  men  ziet  dat  de  menschen  in  Den 
Haag  zoo  verblind  zijn,  van  zich  van  alle  zijden  te  laten  aan- 
randen ;  maar  ik  vrees  dat  het  nog  iets  anders  is  dan  verblinding." 

Een  zeer  leelijke  insinuatie;  het  is  niets  anders  dan  eene  be- 
dekte beschuldiging  van  omkooping  en  verraad  tegen  de  Hol- 
landsche  oppositie. 

Spanje   gaat  eenigszins  onberaden  te  werk;  —  en  in  Duitsch- 


Digitized  by 


Google 


1678—1688.  341 

land  verklaart  ook  de  hertog  van  Hannover,  dat  hij  ongezind  is 
voor  de  wapening  tegen  Frankrijk;  dit  doet  Willem  III  weer  in 
felle  drift  ontsteken,  —  zooals  blijkt  uit  den  brief,  den  3en  Juni 
1684  uit  Den  Haag  aan  Waldeck  geschreven: 

...•Verwonderen  doet  het  mij  niet,  dat  gij  overal  op  bezwaren 
stuit;  de  handelingen  der  Spanjaarden  en  van  de  kwalijkge- 
zinden  bij  ons  dragen  niet  weinig  daartoe  bij.  Het  is  ook  geen 
wonder  dat  de  Markies  De  Grana"  (toen  landvoogd  over  de 
Spaansche  Nederlanden)  lom  hulp  roept;  want  waarlijk,  hij  heeft 
die  wel  noodig;  maar  omdat  hem  dat  niet  kan  baten,  en  integen- 
deel veel  kwaad  doen,  moest  hij  zich  daarin  wat  matigen.  Ik 
weet  niet  waar  men  wisser  werkt  aan  hunnen  ondergang,  en  dus 
aan  dien  van  ons  allen,  te  Madrid  of  te  Amsterdam,  —  maar 
uit  zeer  uiteenloopende  beginselen.  Het  afschrift  dat  gij  mij  ge- 
zonden hebt  van  den  brief  van  den  hertog  van  Hannover  is 
afschuwelijk  (horriblé) ;  zal  die  vorst  thans  onze  zaak  verlaten,  nu 
het  er  op  aankomt  dat  hij  de  meeste  standvastigheid  moet  be- 
toonen!  Het  zou  een  doodsteek  zijn;  en  door  alle  mogelijke 
middelen  moet  gij  trachten  dat  hij  dit  niet  doet...  In  één  woord, 
gij  moet  alles  aanwenden  wat  gij  kunt  om  hem  aan  onze  zijde 
te  houden;  want  verliezen  wij  hem,  dan  is  dit  in  den  tegen- 
woordigen  staat  van  zaken  de  ergste  ramp  die  ons  kan  over- 
komen. Ik  bid  u,  peins  op  alles  wat  maar  dienen  kan  om  zulk 
een  ramp  te  voorkomen.  Dat  de  werving  door  zal  gaan,  in  spijt 
van  Amsterdam,  heb  ik  u  reeds  zoo  vaak  geschreven,  dat  ik  het 
haast  niet  meer  durf  doen;  toch  heb  ik  wel  hoop  dat  de  zaak 
deze  week  tot  stand  komt.  Ik  ben  uiterst  verlangend  u  hier  te 
zien,  ten  einde  gij  getuige  kunt  zijn  van  wat  ik  doe  en  wat  ik 
lijde..." 

Willem  III  wil  zijn  uiterste  pogingen  aanwenden  om  het  door 
de  Franschen  belegerde  Luxemburg  te  ontzetten;  maar  daartoe 
is  de  hulp  van  een  Duitsch  leger  noodig ;  en  de  Stadhouder 
spoort  dan  ook  gedurig  Waldeck  aan,  geen  moeite  te  ontzien 
ten  einde  de  Duitsche  vorsten  te  bewegen  om  hunne  troepen 
naar  den  Rijn  te  doen  oprukken.  Waldeck  ontziet  dan  ook  geen 
moeite;  „//  se  demétie  comme  Ie  diable  dam  un  bénitier*''^  zou  een 
Franschman  zeggen;  maar  het  helpt  niets.  Met  onwillige  honden 
is  slecht  hazen  vangen.  Stellen  zich  enkele  Duitsche  troepen  in 
beweging,  dan  is  dit  laat  en  traag  en  met  looden  schoenen:  den 
7 en  Juni  1684  geeft  de  vesting  Luxemburg  zich  aan  de  Fran- 
schen over;  en  pas  den  i6en  Juni  1684  schrijft  Waldeck  tdat 
de  Duitsche  troepen  oprukken  naar  Donauwerth";  —  en  Donau- 
werth  is  nog  al  op  een  tamelijken  afstand  van  den  Rijn!  Al 
meer  en  meer  kwam  het  uit,  dat  de  medewerking  van  een 
Duitsche  legermacht  als  een   hersenschimmig   denkbeeld  moest 

WILLEM   III.   —   II.  22* 


Digitized  by 


Google 


342  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

worden  beschouwd:  de  officieren  van  de  Frankische  troepen 
ontvingen  in  het  geheim  bevel  om  niet  te  gehoorzamen  als  men 
hen  buiten  den  Frankischen  Kreits  wilde  brengen;  en  bij  de 
Duitschers  begon  het  gevoelen  veld  te  winnen,  dat  Willem  III 
bij  zijne  onderhandelingen  in  Duitschland  geheel  op  eigen  gezag 
te  werk  ging  en  t zonder  voorkennis  van  de  Staten";  —  dat  ge- 
voelen kwam  nog  al  tamelijk  overeen  met  de  waarheid. 

Is  Luxemburg  al  gevallen,  niettemin  spoort  Willem  III  Waldeck 
aan  om  de  Duitsche  troepen  naar  den  Rijn  te  doen  oprukken. 
Maar  daar  komt  het  bericht,  dat  de  Keizer  den  wapenstilstand 
heeft  aangenomen,  dien  Frankrijk  aanbood ;  dat  bericht  doet  den 
Stadhouder  in  drift  ontvlammen,  en  op  hartstochtelijken  toon 
schrijft  hij,  den  i2en  Juni  1684,  uit  Vilvoorden,  aan  Waldeck: 

tZiet  toch  in  Gods  naam  eens  aan,  wat  ramp!  Hoe  is  het 
mogelijk  zulk  een  gewichtig  en  ontijdig  besluit  te  nemen!  Het 
is  om  gek  te  worden,  als  men  er  aan  denkt!  Dat  ontbrak  er 
maar  aan,  om  onze  menschen  in  Den  Haag  nog  dwazer  te 
maken  dan  zij  het  reeds  zijn;  en  gij  kunt  denken  welke  besluiten 
zij  zullen  nemen  als  zij  dat  hooren.  Kortom,  het  schijnt  dat  de 
goede  God  ons  wil  kastijden;  wij  moeten  daarin  berusten;  gij 
en  ik,  wij  zullen  niet  weinig  hebben  te  lijden  en  zeer  slecht  be- 
loond worden  voor  al  onze  zorg  en  moeite.  Is  het  God 's  wil, 
dan  kunnen  wij  niet  anders  dan  ons  daaraan  onderwerpen;  wij 
hebben  dan  dien  troost,  dat  wij  alles  gedaan  hebben  wat  wij 
vermochten,  voor  het  welzijn  van  uw  vaderland  en  van  het  mijne. 
Wat  mij  ter  wereld  ook  overkome,  mijn  leven  lang  blijf  ik  u  ver- 
bonden; maar  tot  mijn  groot  leedwezen  ben  ik  thans  niet  in 
staat  om  u  van  dienst  te  kunnen  zijn." 

t Waarlijk"  —  zoo  antwoordt  Waldeck  den  2osien  Juni  1684 
uit  Neurenberg  —  t  waarlijk.  Monseigneur,  wij  beiden  zijn  er 
ongelukkig  aan  toe.  Uwe  Hoogheid  offert  alles  op  voor  het 
algemeen  belang,  en  ik  ben  van  top  tot  teen  een  bedorven 
man;  voor  u,  hoop  ik,  zullen  er  nog  wel  hulpmiddelen  over- 
blijven; maar  wat  mij  aangaat.^  ik  zie  geen  kans  om  mij  staande 
te  houden." 

Acht  dagen  later  —  Neurenberg  27  Juni  1684  —  luidt  het: 

tik  wanhoop  er  nog  niet  aan,  het  algemeen  belang  van  dienst 
te  zijn;  ik  doe  mijn  best,  en  verdraag  geduldig  wat  mij  over- 
komt. Had  ik  twintig  duizend  rijksdaalders  in  mijn  bezit  gehad, 
om  die  aan  een  aantal  menschen  te  geven,  dan  was  ik  reeds 
lang  aan  den  Rijn;  heeft  men  eens  de  meesters  gewonnen,  dan 
volstaat  eene  kleinigheid  bij  hunne  dienaars,  die  anders  op  zijde- 
lingsche  wijze  de  zaken  dwarsbooroen  en  vertragen." 

Die  aanmerking  van  Waldeck  geeft  een  denkbeeld  van  de 
omkoopbaarheid  van  de  toenmalige  Duitsche  staatsdienaars,  of 
beambten. 


Digitized  by 


Google 


1678— 1688.  343 

Waldeck  doet  nog  zijn  uiterste  best,  om  de  wapeningen  in 
Duitschland  in  stand  te  houden;  maar  eindelijk  geeft  hij  den 
moed  geheel  op,  en  wanhopig  schrijft  hij  den  24sten  Juli  1684: 
»ik  verdedig  alles  zoo  goed  ik  kan;  maar  waarachtig,  daar  is 
nergens  meer  op  te  bouwen."  —  In  Duitschland,  evenzeer  als 
in  de  Nederlanden,  heeft  de  staatkunde  van  Willem  III  toen  de 
nederlaag  geleden. 

Dit  tijdvak  van  onze  geschiedenis,  van  1680 — 1684,  doet  ons 
in  Willem  III  het  verhevene  schouwspel  zien,  van  een  groot  man 
worstelende  tegen  het  zegevierende  geweld. 

Geenszins  willen  wij  echter  beweren,  dat  Willem  III  recht  had 
om  te  doen  wat  hij  toen  gedaan  heeft;  integendeel,  wij  zijn  van 
meening  dat  hij  toen,  bij  de  onderhandelingen  in  Duitschland, 
zijn  macht  en  bevoegdheid  heeft  overschreden.  Maar  men  zon- 
digde toen  zoowel  aan  de  eene  als  aan  de  andere  zijde;  men 
kwam  aan  weerszijden  op  dwaalwegen,  die  bij  staatstwisten  zoo 
moeilijk  zijn  te  vermijden;  en,  handelde  Willem  III  onwettig  in 
zijn  ijver  voor  den  oorlog,  Amsterdam  vergat  zich  evenzeer  in 
zijn  ijver  voor  den  vrede,  toen  het  geheime  onderhandelingen 
aanknoopte  met  d'Avaux,  den  Franschen  gezant.  Die  stap  van 
Amsterdam  werd  zeer  hoog  opgenomen  door  de  tegenpartij: 
men  sprak  van  staats  ver  raad;  men  nam  de  papieren  in  beslag 
van  de  Amsterdamsche  afgevaardigden;  het  had  den  schijn  alsof 
men  een  crimineele  vervolging  tegen  hen  wilde  beginnen;  — 
maar  men  had  te  doen  met  een  machtig  tegenstander,  die  zich 
niet  spoedig  vrees  liet  aanjagen ;  Amsterdam  antwoordde  op  zeer 
hoogen  toon,  en  viel  van  zijne  zijde  aan;  en  gegrond  was  de 
bewering  van  de  regenten  dier  stad,  toen  zij  zeiden :  1  z  ij  hadden 
alleen  eenige  gesprekken  gevoerd  met  een  vreemden  gezant,  zij, 
de  vertegenwoordigers  van  een  souvereine  stad;  maar  de  Prins, 
die  niets  was  dan  een  dienaar  van  den  Staat,  had  zich  veel 
verder  ingelaten  met  verschillende  vorsten,  en  dat  zonder  mach- 
tiging, zelfs  zonder  voorkennis  van  de  Staten."  De  machtige  stad 
trad  zegevierend  uit  dit  geschil;  hare  staatkunde  behield  de 
bovenhand;  het  oorlogsgevaar  dreef  af,  de  vrede  met  Frankrijk 
bleef  bewaard. 

Mommsen,  in  zijne  Romeinsche  geschiedenis,  vergelijkt  de  ver- 
houding van  den  Senaat  van  Karthago  tot  de  groote  mannen 
uit  het  geslacht  Barkas,  met  de  verhouding  van  onze  Staten- 
Oeneraal  tot  de  Prinsen  van  Oranje,  de  Stadhouders.  Die  ver- 
gelijking —  die  trouwens  ook  slechts  vluchtig  en  in  het  voorbij- 
gaan wordt  gemaakt  —  gaat  wel  wat  mank;  maar,  wil  men  haar 
als  juist  en  waar  aannemen,  dan  dient  men  ook  aan  te  nemen, 
dat  de  Karthaagsche  senaat  wel  eens  gelijk  heeft  gehad  tegenover 
Hamilkar  en  Hannibal. 


Digitized  by 


Google 


344  KRIJGS-    EN  GESCHIEDiCUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Toen  vooral  is  de  grootheid  van  Willem  III  als  staatsman  en 
regent  gebleken.  Met  alle  inspanning  van  krachten,  met  de 
uiterste  drift  en  hartstocht  had  hij  de  oorlogzuchtige  staatkunde 
voorgestaan,  en  daarbij  zelfs  niet  teruggedeinsd  voor  overschrijding 
van  macht,  voor  onwettige  handelingen ;  die  staatkunde  had  eene 
geheele  nederlaag  geleden ;  —  zou  het  dan  wonder  zijn  geweest, 
als  hij,  door  die  nederlaag  ontmoedigd,  zich  aan  de  leiding  der 
openbare  zaken  had  onttrokken;  of  in  zijne  verbittering  ten 
minste  een  langdurigen  wrok  jegens  de  tegenpartij  was. blijven 
koesteren  ?  —  Niets  van  dit  alles  bij  Willem  III :  zijne  staatkunde 
heeft  nu  de  nederlaag  geleden;  maar,  verre  dat  de  stadhouder 
daardoor  ontmoedigd  wordt,  knoopt  hij  al  dadelijk  nieuwe  ver- 
bintenissen aan  om  Frankrijk's  heerschzucht  te  bestrijden;  er  is 
in  hem  een  ongeloofelij kc  veerkracht;  —  ook  verstand:  hij  liet 
zich  niet  leiden  door  zijne  driften  en  hartstochten;  hij  zag  in, 
dat  de  vijandschap  van  Amsterdam  hem  machteloos  maakte,  en 
dat  het  volstrekt  noodig  was,  zich  met  die  stad  te  verzoenen; 
de  Amsterdamsche  regenten  begrepen  dit  evenzeer;  reeds  in 
Augustus  1684  is  er  toenadering  merkbaar;  en  spoedig  zijn  die 
twee  mogendheden  het  weer  eens.  Dat  die  eendracht  tusschen 
Willem  III  en  Amsterdam  heilrijk  was  voor  het  algemeen  belang 
is  onbetwistbaar ;  want  zonder  die  eendracht  zou  de  onderneming 
van  1688,  de  bevrijding  van  Engeland,  eene  onmogelijkheid  zijn 
geweest. 

Dit  tijdvak  van  1680 — 1684  leert,  evenals  zooveel  andere  tijd- 
vakken van  onze  vroegere  geschiedenis,  hoe  in  onze  Republiek 
de  vraag:  welke  macht  is  aan  eene  magistratuur  verbonden? 
eigenlijk  neerkomt  op  die  andere  vraag:  wie  is  met  die  magis- 
tratuur bekleed  f  —  Bij  ons  tegenwoordig  staatswezen  is  de 
rechtsmacht  van  ieder  ambtenaar,  of  van  ieder  collegie,  vrij 
duidelijk  omschreven;  men  weet:  dat  is  de  macht  van  den 
Koning;  dat  behoort  tot  de  bevoegdheid  van  de  Staten-Gene- 
raal:  dat  weer  is  het  werk  van  de  ministers,  of  van  den  Raad 
van  State  enz. ;  de  grondwet  omschrijft  ieders  bevoegdheid.  Maar 
met  onze  Republiek  was  het  geheel  anders;  daar  was  de  grond- 
wet de  Unie  van  Utrecht,  en  die  was  zoo  helder  en  klaar 
als  waterchocold ;  van  die  grondwet  kon  men  alles  maken,  — 
en  men  maakte  er  dan  ook  alles  van:  een  regent  had  meer  of 
minder  macht,  naarmate  hij  meer  of  minder  eerzucht  en  be- 
kwaamheid had.  Een  raadpensionaris  van  Holland  had,  strikt 
genomen,  niet  zulk  een  overwegend  gezag;  maar  als  die  raad- 
pensionaris Oldenbarneveld  was,  of  De  Witt,  dan  was  hij  het 
hoofd  van  de  Republiek.  Een  stadhouder  als  Willem  V  bezit 
een  geheel  onbeduidend  gezag;  maar  is  die  stadhouder  een 
Willem  III,  dan  is  dat  gezag  zóó  groot,  zóó  uitgebreid,  dat  men 


Digitized  by 


Google 


1678—1688.  345 

hem,  zijne  officieele  titels  omzettende,  niet  ten  onrechte  genoemd 
heeft:  Stadhouder  van  Engeland  en  Koning  van  Hol- 
land. De  Fransche  spreuk  „/^«r  vaut  rhomme^  tant  vaut  rimti- 
tutiorr  is  meestal  waar;  maar  die  waarheid  blijkt  nooit  zoo  dui- 
delijk als  wanneer  men  de  staatkundige  geschiedenis  raadpleegt 
van  onze  vroegere  Republiek. 

Over  het  geheel  moet  de  geschiedenis  voornamelijk  acht  geven 
op  de  bekwaamheden  en  het  karakter  van  de  roenschen,  die 
handelend  optreden  in  den  loop  der  groote  gebeurtenissen. 

Er  bestaat  soms  eene  neiging  om  zich  den  loop  der  geschie- 
denis van  volken  en  staten  voor  te  stellen  als  gebonden  aan 
vaste,  onveranderlijke  wetten,  die  even  onvermijdelijk  zijn  als  de 
natuurwetten  waardoor  de  geregelde  afwisseling  van  dag  en  nacht, 
van  zomer  en  winter  plaats  heeft.  De  wijsbegeerte  der  geschie- 
denis —  zooals  zij  zich  genoemd  heeft  —  streeft  er  naar,  uit  den 
loop  der  wereldgebeurtenissen  de  wetten  af  te  leiden,  die  de 
wording,  de  ontwikkeling,  het  verval  en  den  ondergang  van  vol- 
ken en  staten  beheerschen;  zij  tracht  aan  te  toonen,  dat  die 
wereldgebeurtenissen  zóó  moesten  plaats  hebben,  niet  anders 
mogelijk  waren;  zij  leidt  daardoor  noodwendig  tot  een  ont- 
zenuwend fatalisme,  tot  eene  geheele  ontkenning  van  's  menschen 
vrijen  wil.  Dit  is  eene  onvruchtbare  en  ijdele  beschouwing  van 
de  geschiedenis:  die  vaste  geschiedkundige  wetten  worden  te 
vaak  weersproken  door  de  latere  gebeurtenissen;  en  om  die 
wetten  in  de  feiten  van  het  verledcne  te  vinden,  moet  men  er 
niet  tegen  opzien  om  die  feiten  dikwijls  op  de  meest  willekeurige 
wijze  voor  te  stellen  en  de  groepeeren;  doet  men  dit,  dan  is  het 
niet  moeilijk  om  in  de  geschiedenis  alles  te  vinden  wat  men  er  in 
vinden  wil.  y^La  philosophie  de  rhistoire''  —  heeft  een  Fransch 
schrijver  gezegd  —  ^c*est  Vart  de  prédire  Ie  passé''''.  Is  men  veel 
gevorderd  met  zulk  een  uitkomst? 

Onder  God*s  leiding  wordt  de  loop  der  geschiedenis  bepaald 
door  de  werking  der  menschen;  waren  die  menschen  niet  zóó 
geweest,  het  lot  van  staten  en  volkeren  zou  geheel  anders  zijn 
geworden.  Denk  Willem  den  eerste  en  Oldenbarneveld  weg,  en 
gij  twijfelt  aan  de  mogelijkheid  van  het  ontstaan  van  de  Repu- 
bliek der  Vereenigde  Nederlanden;  zou  zonder  Willem  III, 
Europa  in  de  zeventiende  eeuw  niet  onder  de  Fransche  qyer- 
heersching  zijn  vervallen;  en  —  om  ons  tot  den  dag  van  heden 
te  bepalen  —  gelooft  men  dat,  zonder  Bismarck,  het  Duitsche 
Keizerrijk  tot  stand  zou  zijn  gekomen?  —  Zoo  kan  men  een 
oneindig  aantal  voorbeelden  aanhalen,  om  te  bewijzen,  dat  de 
groote  geschiedkundige  feiten  haar  aanzijn  niet  te  danken  hebben 
aan  vaste  onveranderlijke  wetten,  maar  wel  aan  de  werking  van 
de  mannen  die  als  leiders  van  het  algemeen  zijn  opgetreden. 

Daarom  ook  is  karakterstudie,    karakterschildering  voor  den 


Digitized  by 


Google 


346  KRIJGS-    EN   (JESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

geschiedschrijver  eene  hoofdzaak.  Wil  noen  leven  in  een  tijdperk^ 
wil  men  weten  wat  er  toen  is  gebeurd,  dan  moet  men  eene  dui- 
delijke en  heldere  voorstelling  hebben  van  de  mannen  die  toen 
handelend  zijn  opgetreden.  En  dit  geldt  niet  alleen  van  de  vor- 
sten en  grooten,  van  de  legerhoofden  en  staatsdienaars;  ook  zij 
die  in  kleineren  kring  zijn  werkzaam  geweest  moet  men  leeren 
kennen ;  want  ook  hun  werken  is  soms  van  overwegenden  invloed 
geweest  op  den  gang  van  het  geheel.  Herinner  u  de  zoo  ware 
woorden  van  een  groot  geschiedschrijver;  herinner  u  wat  Hooft, 
in  het  zesde  boek  van  zijne  t Nederlandsche  Historiën"  zegt: 

>*t  Zal  mij  niet  onverwacht  voorkoomen,  indien  zommighen, 
oordeelende  den  plicht  der  historiën  geleeghen  in  't  ontvouwen 
van  de  hooftpunten  der  zaaken,  zonder  des  leezers  aandacht  met 
het  verreekenen  van  geringe  en  tussenloopende  beweeghenissen  te 
misbruyken,  naauwlijx  in  't  goede  neemen,  dat  ik,  knoopende 
't  begin,  midde  en  eyndt  der  poorterlijke  ontsteltenissen  aan  een, 
zelfs  niet  laat  verscheyde  kleenachtbaare  persoonen,  met  naam 
en  toenaam,  in  't  spel  te  brengen.  Maar,  die  de  dingen  der 
doorluchtighe  volken  beschreeven  hebben,  't  bedrijf  der  welke 
voorneemelijk  aan  krijsstandt  hing,  waanden  nooyt  te  misdoen, 
met  stukwijs  vertellen  van  muyterijen  en  onlusten,  gereezen  onder 
't  volk  van  oorloghe,  en  bij  wijlen  onder  de  gemeente;  nochte 
met  melden  van  de  besteekers  en  voortdrijvers,  van  hoe  verwer- 
pelijk een  oorspronk  ook,  en  slecht  van  doen,  dat  zij  waaren." 


EINDE   VAN    HET  TWEEDE   DEEL. 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google 


KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN 
OVER  WILLEM  DEN  DERDE. 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by  VjOOQIC 


Krijgs-  en  Geschiedkundige 
Beschouwingen 


OVER 


WILLEM  DEN  DERDE 


DERDE  DEEL  (1688- 1697) 


DOOR 


W.  J.  KNOOP 

in  leven  Luitenant-Generaal  v.  h.  Nederl.  Leger 
de  jonge  vorst,  uit  d'eelsten  stam  gesproten, 


zweert  d'eed  van  Hannibal  voor  *t  oog  der  oppennagt: 

„help  God  dat  ik  's  volks  ketens  slakel 

'K  zweer  Frankrijk  onuitrocibre  wrake; 

breek  ik  mijn  eed,  dat  mij  dan  't  voorgeslacht  verzake, 

mij  uit  baar  kreits  verstoote,  en  'tnakroosr  mij  veracht, 

gelijk  een  vreemde  slaaf,  in  schande  voongebragt." 

Gij  weet  het  Lodewijk,  heeft  hij  zijn  eed  betracht? 

Hklmers. 


SCHIEDAM 
H.   A.   M.   ROELANTS 

1895 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by  VjOOQIC 


INHOUD  VAN  HET  DERDE  EN 
LAATSTE  DEEL. 


HOOFDSTUK  XXI. 

Engelsche  staatsomwenteling  van  1688;  Philipsburg;  —  1689. 
verwoesting  van  de  Paltz;  krijgsverrichtingen  in  de  Neder- 
landen ;  VValcourt  (25  Augustus) ;  operaiiën  in  Kleefsland ;  Bonn ; 
Mainz;  krijgsverrichtingen  in  Schotland;  in  Ierland.    Bladz.  i 

Omwenieling  van  1688  in  Grooi-Brittanje.  —  Oorzaken:  dwingelandij 
der  Stuarts;  bekwame  staatkuude  van  Willem  III;  strijdkrachten  van 
Willem  IIÏ  bij  de  onderneming  van  1688;  Amsterdam  in  1688;  de 
rcfugics\  korl/ichiigheid  van  Jakobus  II;  erfopvolging  van  Keulen.  — 
Tocht  naar  Engeland  (Ociober  en  November   1688), 

Over  Frankrijk's  handelingen  in   1688. 

Tweede  verwoesting  van  de  Paltz.  —  Veldtocht  van  1689  iu  de 
Nederlanden.  —  Gevecht  bij  Walcourt  (25  Augustus).  —  Opmerking.  — 
Over  de  samenstelling  van  het  leger  der  bondgenoolen.  —  Willem  III 
over  het  legerbeheer  in  1689.  —  Over  de  Gedeputeerden  te  velde.  — 
Oordeel  van  Willem  ÏII  over  Waldeck.  —  Opmerking. 

Krijgsverrichtingen  van  1689  in  Duiischland.  —  Operatiën  in  Kleefs- 
land. —  Aylva.  —  Gevecht  bij  Neuss  (12  Maart  1689).  —  Beleg  van 
Bonn  (begin  Juli  — 12  October  1689).  —  Beleg  van  Maiuz  (6  Juli— 9 
September  1689).  —  Over  de  Fransche  hospitalen. 

Italië  in   1689. 

Schotland.  —  Ierland.  —  Jakobus  I[.  in  Ierland  (17  Maart  1689).  — 
Londonderry  (half  April—  einde  Juli  1689).  —  Schomberg  in  Ierland 
(Augustus  1689), 

HOOFDSTUK  XXII. 

1690;  Fleurus;  Beachy-Head  (Bevesier);  Ierland   .     .     Bladz.  t^Z 

Het  Fransche  leger  in  1690;  werving.  —  Vergiftigingen  in  Frank- 
rijk (1678-  1680).  —  Luxembourg  te  Deynse  (20  Mei — 16  Juni);  naar 
de  Sambre  (21  Juni).  —  Fleurus.  —  Luxembourg  trekt  de  Sambre 
over  (29  Junij.  —  Cavaleriegevecht  (30  Juni).  —  Slag  van  Fleuius 
(i   Juli    1690);    verliezen;    beoordeeling   van   de   handelingen  der  beide 


Digitized  by 


Google 


partijen.  —  Brief  van  Willem  III.  —  De  Staten-Generaal  over  Fleurus. — 
De  slag  van  Fleurus  zonder  gevolgen. 

Zeeslag  van  Bevesier,  of  Beachy-Head  (lo  Juli  1690).  —  Opmer- 
king. —  Oordeel  van  den  Engelschen  krijgsraad  over  Torrington.  — 
Krijgsmacht  naar  Zeeland. 

Ierland  in  1690.  —  Versterking  uit  Frankrijk.  —  Lauzun.  —  I^ger 
van  Willem  III  in  Ierland.  —  Inneming  van  Charlemont  (24  Mei).  — 
Opmarsch  van  Willem  III  naar  de  Boyne  (29  Juni — 9  Juli).  —  Slag 
aan  de  Boyne  (11  Juli  1690);  verliezen  —  Overgave  van  Drogheda 
(12  Juli  1690).  —  Opmerking.  —  Gerucht  van  het  sneuvelen  van  Wil- 
lem III.  —  Dublin  bezet  (13  Juli).  —  Onrust  in  Engeland.  —  Willem  III 
trekt  naar  Munster  —  Overgave  van  Waterford  (3  Augustus).  —  Wil- 
lem III  trekt  naar  Connaught.  —  Beleg  van  Limrick  (19  Augustus — 
10  September).  —  Ginckel  opperbevelhebber.  —  Inneming  van  Cork 
(9  Ociober)5  en  van  Kinsale  (27  Ociober). 

Verdere  krijgs verrichtingen  in  de  Nederlanden. 

Werkeloo:>heid  aan  den  Kijn,  in   1690 

Italië:  slag  van  Staffarde  (18  Augustus   1690). 

HOOFDSTUK  XXIII. 

1691;   Ierland;   Mons;  verdere  krijgsverrichtingen   in  de  Neder- 
landen; dood  van  Louvois;  Leuze Bladz.  78 

Uitbreiding  van  het  Fransche  leger  in  1691.  — De  werving  in  Frank- 
rijk. —  Buitengewoon  oorlogsfonds. 

Het  leger  in  Grooi-Briiianje  in   1691. 

Veldlocht  van  1691  in  Ierland.  —  Toestand  der  Jakobieten  in  Ier- 
land in  1691.  —  Ginckel's  leger.  —  Militaire  waarde  en  aanvoering 
der  beide  legers.  —  Ginckel  trekt  naar  Connaught  (Juni  1691).  — 
Beleg  van  Ballimore  (17  —  18  Juui).  —  Beleg  van  Alhlone  (einde  Juni  — 
10  Juli).  —  Werkeloosheid  van  Saiut-Ruth.  —  vSlag  van  Agrim  (22  Juli 
1691)  — Dood  van  Saint-Ruth.  —  Beleg  van  Galway  (29  Juli — 4  Augus- 
tus). —  Overgave  van  Sligo  (25  September).  —  Beleg  van  Limrick 
(5  September  — 14  October).  —  Emigratie  van  lersche  Jakobieten. 

Willem  lil  in  Holland  (begin  van  1691).  —  Beleg  van  Mons  (15 
Maart — 10  April):  volgens  de  Hollandsche  opgaven.  —  Voornemen  van 
Willem  III  om  Mons  te  ontzetten.  —  De  legers  gaan  uiteen  (April).  — 
Beleg  van  Mons,  volgens  Rousset.  —  Misnoegen  van  Lodewijk  XIV 
tegen  Louvois.  —  Indeeling  van  de  Fransche  legers.  —  Ondernemingen 
der  Franschen:  tegen  Halle  (29 — 30  Mei);  tegen  Luik  (2-7  Juni).  — 
Opmerking.  —  Wreede  voorschriften  van  Louvois.  —  Werkeloosheid  in 
de  Nederlanden. 

Dood  van  Louvois  (16  Juli  1691). 

De  krijgskunst  van  de  17e  eeuw:  de  voorname  oorzaak  van  de  wei- 
nige werkdadigheid  der  legers.  —  De  legerhoofden  in  1691.  —  Getal- 
sterkte van  de  beide  partijen.  —  Militaire  waarde  der  troepen.  —  Be- 
wegingen van  Willem  III  en  van  Luxembourg,  naar  de  zijde  van  Dinant 
en  Philippeville  (14 — 22  Julf).  —  Beaumont  door  de  bondgenooten  be- 
zet (22  Juli  — 22  Augustus).  —  Marsch  van  Flemming  naar  het  hoofd- 
leger (2—10  Augustus).  —  Marsch  van  de  beide  partijen  op  Beaumont 
(7  Augustus).  —  Verwachting  van  een  veldslag  (10  Augustus). —  Marsch 
van  Willem  III  op  Saint-Gerard  (23  Augustus).  —  De  beide  legers  weer 
op  den  linkeroever  van  de  Sambre  (4  September).  —  Operatiën  van  de 


Digitized  by 


Google 


INHOUD.  VII 

Brandenburgsche  troepen  (September).  —  Bedreiging  van  de  Fransche 
liniën  in  Vlaanderen  (Augasius).  —  De  legers  bij  de  Dender  en  de 
Schelde  (6-17  September).  —  Waldeck  opperbevelhebber  (17  Septem- 
ber). —  Gevecht  bij  Leuze  (19  September).  —  Einde  van  den  veldtocht 
(half  October). 

HOOFDSTUK  XXIV. 
1692;  La  Hogue;  Namen Bladz.  122 

Oorlogsplannen  van  Lodewijk  XIV  voor  1692.  —  Veranderde  ge- 
zindheid in  Engeland,  ten  aanzien  van  Jakobus  II.  —  Aanslag  op  het 
leven  van  Willem  III.  —  Toerustingen  tot  eene  landing  in  Engeland.  — 
Maatregelen  van  verdediging  in  Engeland.  —  Slag  van  I^a  Hogue 
(29  Mei;  2  Juni). 

Desertie  van  den  Spaanschen  commandant  van  Namen  (Maart  1692).  — 
De  vesting  Namen;  hare  bezetting;  hare  bewapening  en  uitrusting.  — 
Frankrijk*s  legermacht  in  1692.  —  Legermacht  in  de  Nederlanden.  — 
Leeftocht  en  krijgs voorraad.  —  Vertrek  van  Lodewijk  XIV  naar  het 
leger  (17  Mei).  —  Wapenschouwing  (21  Mei).  —  Opmarsch  van  de 
Fransche  legers  (23—25  Mei).  —  Berenning  van  Namen  (25  Mei); 
insluiting  (26  —  29  Mei).  —  Aanvalsplan,  —  Opening  van  de  loopgraven 
(29—30  Mei).  — -  Overgave  van  de  stad  (6  Juni).  —  Opmerking. 

Samentrekking  van  het  leger  van  Willem  III  (half  Mei  tot  6  Juni).  — 
Opmarsch  van  Willem  III  (28  Mei— 8  Juni).  —  Marsch  van  Luxem- 
bourg  naar  de  Méhaigne  (4—8  Juni).  —  Waarschijnlijl<heid  van  een 
veldslag.  —  Voornemen  van  Willem  III  om,  9  Juni,  slng  ie  leveren.  — 
Hooge  waterstand  van  de  Méhaigne.  —  Opmerking  over  het  »dagboek 
van  Huygens".  —  Willem  III  ziel  af  van  het  overtrekken  der  Mé- 
haigne. —  Opmerking.  —  Terreinbeschrijving.  —  Stelling  der  beide 
legers  bij  de  Méhaigne.  —  Opmerkingen.  —  Onderneming  van  Tser- 
claes  (14 — 15  Juni).  —  Bewegingen  van  de  beide  legers  ( 17— 30  Juni). 

Beleg  van  het  kasteel  van  Namen.  —  Insluiting  (7  Juni).  —  Opening 
van  de  loopgraven  (8 — 9  Juni).  —  Bestorming  van  La  Casotte  (13  Juni).  — 
Fort  Koning  Willem;  bezetting. — Beleg  van  fort  Koning  Willem  (13 — 
23  Juni).  —  Opmerking.  —  Aanval  op  Terra  Nova  (23 — 30  Juni).  — 
Overgave  van  het  kasteel  van  Namen  (i  Juli). 

Beschouwingen  over  hel  beleg  van  Namen.  —  De  Fransche  leger- 
hoofden:  Luxembourg;  Vauban.  —  De  bondgenooten.  —  De  verdedi- 
ging van  Namen.  —  Willem  IH. 

HOOFDSTUK  XXV. 

1692;  Steenkerke Bla^dz.  168 

Vertrek  van  Lodewijk  XIV  uit  het  leger  (3  Juli).  —  Sterkte  van 
Luxembourg*s  legers.  —  Sterkte  van  het  leger  van  Willem  III.  —  Marsch 
van  Luxembourg  van  de  Sambre  op  Soignies  (2 — 10  Juli).  —  Bezorgd- 
heid voor  een  beleg  van  Namen,  door  de  bondgenooten;  voor  eene 
onderneming  op  Duinkerken,  of  Calais;  voor  een  aanval  op  de  liniën 
van  Vlaanderen.  —  Marsch  van  Willem  III  op  Lembeek  (31  Juli — 
I  Augustus);  en  van  Luxembourg  op  Steenkerke  (1  Augustus).  —  Voor- 
nemen van  Willem  III  om  slag  te  leveren:  redenen  daarvoor.  —  Een 
Fransche  spion  ontdekt.  —  Terreinbeschrijving.  —  Stellingen  van  de 
wederzijdsche  legers  op  2  Augustus.  —  Sterkte  van  Luxembourg's  leger 


Digitized  by 


Google 


VIII  INHOUD. 

op  het  slagveld.  —  Beschikkingen  vaa  Willem  III  tot  den  aanval.  — 
Opmerking.  —  Slag  van  Steenkerke  (3  Augustus);  opmarsch  van  de 
bondgenooten.  —  Aanvankelijke  werkeloosheid  van  Luxembourg;  latere 
werkdadigheid.  —  Bestorming  van  den  heuvel  door  Wurtemberg  en 
Fagel.  —  Aanvankelijke  voordeelen.  —  Wegblijven  van  de  colonne 
Mackay.  —  Opmerking.  —  Hememing  van  den  heuvel  door  de  Fransche 
en  Zwitsersche  gardes.  —  Vruchtelooze  aanvallen  van  de  bondgenooten 
om  den  heuvel  te  hernemen.  —  Komst  van  Boufflers.  —  Aanvallende 
handelingen  van  de  Franschen.  —  Teragtocht  van  Willem  II f,  —  Ver- 
liezen. —  Beschouwingen  over  den  slag  bij  Steenkerke.  —  Luxembourg 
en  het  Fransche  leger.  —  Willem  III  en  de  Hollandsche  infanterie.  — 
Voornaamste  bronnen  voor  de  kennis  van  den  sing  van  Steenkerke: 
Dijkvelt;  Huygens;  Luxembourg. 

Latere  krijgsverrichlingen  van  1692.  —  Onderneming  ter  zee  (Augus- 
tus 1692).  —  Marsch  van  Luxembourg  van  Enghien  op  Lessines(ii — 
15  Augustus).  —  Marsch  van  Willem  III  van  Halie  op  Ninove  (19 — 
20  Augustus)  —  Marsch  van  beide  legers  naar  Schelde  en  Lijs  (26 — 
29  Augustus).  —  Veurne  en  Dixmude  door  de  bondgenooten  bezet  (be- 
gin van  September).  —  Willem  III  naar  Holland  (26  September).  — 
Gevecht  bij  Séclin  (27  Augustus).  —  Cavalerie-gcvecht  in  het  Luxem- 
burgsche  (10  September).  —  Marsch  van  Boufflers  van  Kortrijk  naar 
Namen  (3  —  9  September),  —  Aanslag  op  Chailerui  (17 — 21  October). — 
Veurne  en  Dixmude  door  Boufflers  hernomen  (28  December  1692 — 
6  Jaimari  1693).  —  Demonstratie  legen  Hoey  (26  —  28  December).  — 
Opmerking. 

Dood  van  Waldeck  (19  November  1692). 

HOOFDSTUK  XXVI. 
1693;  Neerwinden Bladz.  205 

De  oorlog  nog  altijd  zonder  iets  beslissends.  —  Frankrijk's  krijgs- 
toeiustingen.  —  Maarschalken  van  Frankrijk.  —  Fransche  legers  in 
1693.  —  lagers  in  de  Nederlanden.  —  Opmarsch  van  Boufffers  en 
Luxembourg  (einde  Mei).  —  Vertrek  van  Lodewijk  XIV  naar  het  leger.  — 
Het  leger  van  Willem  111.  —  Marsch  van  de  PVansche  legers  naar  de 
zijde  van  Luikerland  (2  —  7  Juni)  — Willem  III  bij  Leuven  (5  Juni).  — 
Lodewijk  XIV  deinst  terug  voor  een.  veldslag.  —  Inneming  van  Hei- 
delberg  door  De  Lorge  (22  Mei).  —  Kiijgsraad  in  hel  Fransche  leger 
te  Gemblours.  —  Lodewijk  XIV  keert  terug  naar  Versailles.  —  Opmer- 
kingen. 

Sterkte  van  Luxembourg's  leger.  —  Luxembourg  trekt  Willem  III  te 
gemoct  (15  Juni).  —  Stelling  van  Willem  Hl  —  Werkeloosheid  van 
Luxembourg  (15  Juni  — 8  Juli).  —  Voeding  van  het  Fransche  leger.  — 
Mislukte  aanval  op  een  Fransch  konvooi  (4  Juli).  —  Luxembourg  te 
Heylisem  (8 — 18  Juli).  —  De  cavalerie  van  Tilly  bij  Tongeren  geslagen 
(15  Juli).  —  Wurtemberg,  van  Leuven  naar  Fransch  Vlaanderen  (11 
Juli).  —  Liniën  van  PVansch  Vlaanderen  vermeesterd  (18  Juli).  —  Ge- 
vecht bij  Trésin  (23  Juli).  —  Brandschattingen  in  Aitois  en  Fransch 
Vlaanderen.  —  Luxembourg  van  Heylisem  op  Vignamont  (18-  19  Juli).  — 
Beleg  van  Hoey  (19 — 24  Juli).  —  Marsch  van  Willem  lil  naar  de  zijde 
van  Hoey  f20 — 23  Juli).  —  Versterking  naar  Luik  (25—26  Juli;.  — 
Willem  III  te  Neerhespen  (25  Juli).  —  Luxembourg  Ie  Lcsky  (25  —  28 
Juli).     -  Luik.  —  Luxembourg  ziet  af  van  den  aanval  op  Luik;  en  be- 


Digitized  by 


Google 


sluit,  Willem  III  aan  te  vallen.  —  Het  gewaagde  in  de  handeling  van 
Willem  III.  —  Eerste  berichten  van  den  aantocht  van  het  Fransche 
leger.  —  Besluit  van  Willem  III  om  stand  te  houden.  —  Marsch  van 
Luxembourg  van  Lesky  op  Landen  (28  Juli). 

Slag  van  Neerwinden  (29  Julij.  —  Stelling  der  bondgenooten.  — 
Slagorde  van  het  leger  van  Willem  III.  —  Slagorde  van  Luxembourg's 
leger.  —  Aanvankelijk  kanonvuur.  —  Eerste  aanval  op  Neerwinden  en 
Laer;  afgeslagen.  —  Aanval  van  de  Fransche  ruiterij  op  de  verschan- 
singen ;  mislukt.  —  Aanval  op  den  linkervleugel  der  bondgenooten ; 
afgeslagen.  —  Tweede  aanval  op  Neerwinden  en  Laer;  afgeslagen.  — 
Derde  aanval  op  de  stelling  der  bondgenooten;  gelukt.  —  Gevechten 
om  het  deboucheeren  van  de  Franschen  te  beletten.  —  De  Hollandsche 
artillerie.  —  Cavalerie-gevechten.  —  Terugtocht  van  Willem  III.  — 
Verliezen  van  de  beide  legers.  —  Beschouwingen  over  den  slag  van 
Neerwinden. 

De  bondgenooten  na  Neerwinden  (29  Juli  — 3  Augustus).  —  Luxem- 
bourg na  Neerwinden  (29  Juli— 2  Augustus).  —  Luxembourg  te  Wa- 
remme  (2—15  Augustus).  —  Opmerkingen.  —  Besluit  om  Charleroi  aan 
te  vallen.  —  Gebrek  aan  krijgstucht  bij  het  Fransche  leger.  —  Verster- 
king van  Luxembourg's  leger.  —  Werkeloosheid  van  Luxembourg 
(Augustus — 10  September).  —  Luxembourg  aan  den  Piéton  (10  Sep- 
tember— October).  —  Bewegingen  van  het  leger  van  Willem  III  (Augus- 
tus). —  Beleg  van  Charleroi  (10  September— 13  October).  —  Willem  III 
doet  geen  pogingen  om  Charleroi  te  ontzetten;  verlaat  het  leger  (24 
September.  —  Einde  van  den  veldtocht  in  de  Nederlanden  (October  1693). 


HOOFDSTUK  XXVIl. 

1694-  Krijgsverrichtingen  in  de  Nederlanden,  ter  zee,  in  Duitsch- 
land,  Italië  en  Spanje Bladz.  252 

Onbeduidendheid  van  den  veldtocht  van  1694;  oorzaken  daarvan: 
ontmoediging  van  Willem  III.  —  Hendrik  Casimir  van  Nassau.  — 
Inzichten  van  Willem  III  over  het  voeren  van  den  oorlog  in  1694.  — 
Lodewijk  XIV  besluit,  verdedigend  te  oorlogen  in  de  Nederlanden.  — 
Sterkte  van  de  Fransche  legers  in  de  Nederlanden,  —  Sterkte  van  het 
leger  van  Willem  III.  —  Opmerking.  —  Luxembourg  aan  de  Méhaigne ; 
Willem  III  bij  Thienen  (half  Juoi).  —  Onbeduidende  krijgshandelingen.  — 
Marsch  van  de  beide  legers  naar  de  Schelde  (18 — 24  Augustus^  — 
Snelle  marschen  van  Luxembourg.  —  De  beide  legers  tusschen  Schelde 
en  Lijs  (einde  van  Augustus).  —  Beleg  van  Hoey  (17 — 27  September).  -• 
Einde  van  den  veldtocht  (begin  van  October).  —  Oplichting  van  Tilly 
(28  September).  —  Terdoodbrenging  van  een  Franschman  (14  Sep- 
tember). 

Ondernemingen  ter  zee.  —  Zeestrijd  tusschen  Jean  Bart  en  De  Vries 
(29  Juli).  —  Mislukte  aanval  op  Brcst  (18  Juni).  —  Bombardement  van 
Fransche  oorlogshavens  (zomer  van  1694). 

Krijgsverrichtingen  in  Duitschland. 

Krijgsverrichtingen  in  Italië. 

Krijgsverrichtingen  in  Spanje. 

Dood  van  Luxembourg  (Januari  1695). 


Digitized  by 


Google 


X  INHOl'l). 

HOOFDSTUK  XXVIII. 
1695;  Namen;  beleg  van  de  stad Blad^.  265 

Dood  van  koningin  Maria  (7  Januari).  —  Afneming  van  Fraokrijk's 
macht.  —  Villeroy.  —  Sierkte  van  het  Fransche  leger  in  de  Nederlan- 
den. —  De  liniën  van  Frausch  Vlaanderen.  —  Sterkte  van  het  leger 
van  Willem  lil.  —  Opmei kingen.  —  Onderbevelhebbers.  —  Over  het 
oorlogsplan  van  Willem  Ilï 

Bewegingen  van  hel  F'ransche  leger  (3— -17  Juni).  —  Bewegingen  bij 
de  bondgencjQten:  Aihlone;  de  keurvorst  van  Beieren;  Willem  III.  — 
Villeroy  in  onzekerheid.  —  Schijnaanvallen :  op  de  liniën  (19  Juni);  op 
het  fort  De  Knokkè  (17—21  Juni).  —  Marsch  van  den  Keurvorst  op 
Namen  (28  Juni — 3  Juli).  —  Vaudemont  te  Rousselaere  (28  Juni).  — 
Marsch  van  Boufflcrs  op  Namen  (28  Juni— 2  Juli).  —  Opmerking.  — 
Namen,  in  1695:  vestingwerken ;  bomvrije  lokalen;  bewapening  en  uit- 
rusting; bezetting;  Boufflers.  —  Aanvankelijke  maatregelen  voor  de  ver- 
dediging van  Namen.  —  Stellingen  van  den  belegeraar.  —  Circumval- 
latie- linie.  —  Komst  van  het  belegeringspark  (11  Juli).  —  Athlone,  naar 
den  Piéton  (5  Juli).  —  Belegeringsplan.  —  Coehoorn.  —  Opening  van 
de  loopgraven  (li — 12  Juli).  —  Over  de  verschansingen  bij  Coquelet, — 
Uitvallen  —  Batterijen.  — Gevechten  op  den  i8en  Juli:  uitval  bij  Jambe; 
bestorming  van  Coquelet.  —  Verliezen.  —  Dapperheid  der  beide  par- 
tijen —  Verkeerd  beleid  van  den  belegeraar.  —  Werking  der  batterijen 
van  den  belegeraar.  —  Jambe  genomen  (20  Juli).  —  Bastion  Balart  ge- 
nomen (26  Juli).  —  Gevechten  op  den  27sten  Juli ;  bestorming  bij  Saint- 
Nicolas;  vermeesiering  van  La  Balance  en  Salsine.  —  Opmerking.  — 
De  linie  van  Vauban  genomen  (30  Juli).  —  Bressen  in  de  werken  van 
de  stad.  —  Nieuwe  bestorming  bij  Saint-Nicolas  (2  Augustus).  —  Capi- 
tulatie van  de  stad  (3  Augustus). 

HOOFDSTUK  XXIX. 

1695;  Operatiën  in  Vlaanderen  en  Braband;  beleg  van  het 
kasteel  van  Namen;  krijgsverrichlingen  Ier  zee;  aan  den  Rijn; 
in  Italië;  in  Spanje Bladz.  303 

Vaudemont  bij  Rousselaere  (28  Juni — 14  Juli).  —  Marsch  van  Villeroy 
naar  de  Lijs  f12 — 13  Juli).  —  Veranderde  stelling  van  Vaudemont  (13 
Juli).  —  Handelingen  der  wederzijdsche  legers  op  den  I4en  Juli:  op- 
marsch  van  het  Fransche  leger;  terugtocht  van  Vaudemont;  vervolging.  — 
Beleid  van  Vaudemont.  —  Onbekwaamheid  van  Villeroy;  —  Saint-Simon 
over  den  hertog  De  Maine.  —  Verijdelde  onderneming  van  Villeroy  op 
Nieuwpoort.  —  Beleg  van  Dixmude  (25  -  28  Juli).  —  Ellenberger.  — 
Vermeesiering  van  Deynse  f30  Juli) 

Voornemen  tot  het  bombardeeren  van  Brussel.  —  Binche  door  de 
bondgenooten  genomen  (2 1  Juli).  —  Het  leger  van  Vaudemont  versterkt.  — 
Marsch  van  Villeroy  op  Enghien  (4-8  Augustus).  —  Marsch  van  Vau- 
demont op  Brussel  (6  —  9  Augustus):  en  van  W'urtemberg  (5  -  9  Augus- 
tus). —  Stelling  van  VaudemoLt  bij  Brussel.  —  Athlone  te  Waterloo 
(10  Augus'us).  —  Marsch  van  Villeroy  van  Enghien  op  Brussel  (10  — 
II  .Augustus).  —  Bombardement  van  Brussel  (13—15  Augustus). —  Op- 
merking. —  Marsch  van  Villeroy  op  Soignies  (17— 19  Augustus'.  — 
Vaudemont  te  Genappe  (18  Augustus).  —  Sierklc  van  Villeroy's  leger,  — 


Digitized  by 


Google 


INHOUD.  XI 

Marsch  van  Vaudemont  op  Mazy  (20  Augustus).  —  Marscli  van  Villeroy 
op  Gemblours  (23 — 28  Augustus).  —  Stelling  van  Willem  JU  tusschen 
den  Ormeau  en  de  Méhaigue.  —  Villeroy  ziet  af  van  het  aanvallen  van 
die  stelling.  —  Marsch  van  Villeroy  naar  de  Méhaigne  (30  Augusius).  — 
Cavalerie-gevecht  bij  Boneffe  (30  Augustus).  —  Villeroy  verlaat  de 
Méhaigne  (2  September). 

Beleg  van  het  kasteel  van  Namen  (6  Augusius  — i  September), — Toe- 
stand van  het  kasteel:  bezetting;  bewapening;  leeftocht;  aanvoering.  — 
Coehoorn*s  aanvalsplan.  —  Sterkte  van  de  artillerie  van  den  belege- 
raar. —  Over  het  aanvallen  \an  hel  kasteel,  van  de  stadszijde.  — 
Het  verhaal  van  het  beleg,  in  algemeene  trekken.  —  Loopgraven- 
wacht.  —  Batterijen  van  den  belegeraar;  uitwerking  van  haar  vuur.  — 
Gevaarlijke  toestand  van  de  benedenstad.  —  Kleine  uitvallen.  —  Uitval 
in  den  nacht  van  18  — 19  Augustus.  —  Begin  van  het  vuur  van  alle 
batterijen  (21  Augustus;.  —  Grooie  uitwerking.  —  De  lunet  aan  de 
Sambre  genomen  (2$  Augusius).  —  Bestorming  (30  Augustus):  op- 
eischiug;  verdeeüng  van  de  Fransche  macht;  beschikkingen  voor  de 
bestorming;  Terra  Nova;  fort  Willem;  La  Cassolte;  de  benedenstad; 
uitkomsten;  verliezen.  —  Beoordeeling  —  Ontmoediging  bij  sommige 
bevelhebbers  der  bondgenooten.  —  Overgave  van  het  kasteel  van  Namen 
(i  September).  —  Uittocht  van  de  bezetting  (5  September).  —  Aanhou- 
ding van  Boufflers.  —  Verliezen  bij  het  beleg  van  Namen.  —  Einde 
van  den  veldtocht  (einde  September).  —  Beschouwingen  over  den  veld- 
tocht: Villeroy;  Willem  III;  Vaudemont;  Coehoorn ;  vergelijking  van  de 
belegering  van  1692  met  die  van   1695;  Coehoorn  en  Vauban. 

Krijgsverrichtingen  van  1695:  ter  zee:  aan  den  Rijn;  in  Iialië,  en  in 
Spanje. 

HOOFDSTUK  XXX. 

1696:  Vredesonderhandelingen;  samenzwering  in  Engeland;  Givet; 
krijgsverrichtingen  in  Duitschland,  in  Italië,  in  Spanje  en  ter 
zee Bladz.  351 

Algemeene  neiging  tot  vrede.   —  Onderhandelingen.  —  MoUo. 

Krijgsioerustingen  der  Franschen,  te  Calais  en  Duinkerken  (begin 
van  1696).  —  Voorgenomen  landing  in  Engeland.  —  Aanslag  om  Wil- 
lem III  te  vermoorden.  —  De  samenzwering  mislukt.  —  Over  de  mede- 
plichtigen aan  die  samenzwering. 

Het  vernielen  van  Fransche  oorlogsmagazijnen  te  Givet  (16  Maart 
1696). —  Misnoegen  van  den  hertog  van  Holstein-PlÖn. —  Holstein-Plön 
als  opperbevelhebber  vervangen  door  Nassau-Sarbrück  (voorjaar  van  1696). 

Veldtocht  van  1696  in  de  Nederlanden.  —  Fransche  legersterkte  in 
1696.  —  Opmerking.  —  De  wederzijdsche  legers  in  de  Nederlanden 
te  velde  (Mei  1696).  —  Sterkte  van  de  bondgenooten.  —  Komst  van 
Willem  III  bij  de  legers  (begin  van  Juni).  —  Onbeduidende  verrich- 
tingen van  Willem  III  en  Boufflers  (Juni — Augustus).  —  Willem  III 
verlaat  het  leger  (26  Augustus).  —  Het  leger  van  den  landgraaf  van 
Hessen.  —  Onbeduidende  handelingen  van  Vaudemont  en  Villeroy.  — 
De  legers  uiteen  (einde  van  October).  —  Algemeene  verwachting  van 
spoedigen  vrede. 

Veldtocht  van  1696  in  Duitschland.  —  Sterkte  van  de  beide  partijen.  — 
Bijzonderheden  over  hel  Duitsche  legerbevel. 

Veldtocht    van    1696    in    Italië.   —  Victor    Amadeüs    II,    hertog    van 


Digitized  by 


Google 


XII  INHOrO. 

Savoye.  —  Overgang  van  den  Hertog  tot  Frankrijk  (Juli  1696).  — 
Caiinat  in  Piémont  (einde  van  Mei).  —  Het  Fransche  leger  bij  Turijn 
(2  Juni).  —  Wapenstilstand  (13  Juli).  —  Verdrag  van  Vicior  Amadeüs 
met  Frankrijk.  —  Beleg  van  Valenza  (24  September— 7  October).  — 
Onzijdigheid  van  Italië,  —  Brandenburgsche  bataljons,  aan  Venetië  te 
koop  geboden.  —  Opmerking. 

Veldtocht  van  1696  in  Catalonië.  —  Gevecht  bij  Rio  d*Arenas  (i  Juni). 
Krijgsverrichlingen  ter  zee  in  1696.  —  De  Engelsche  en  Hollandsche 
vloot  in  het  Kanaal  (Maart).  —  De  admiraal  Van  der  Goes.  —  Op- 
merking. —  Bombardement  van  Calais  (April).  -—  De  Fransche  vloot 
van  Toulon,  te  Brest  (16  Mei».  —  Bombardement  van  Saint-Martin  (Juli).  — 
Aanval  van  Jcan  Bart  op  onze  Noordsche  koopvaardij-vloot  (17  Juni). — 
Opmerking. 

HOOFDSTUK  XXXI. 

1 697  :  de  vrede  van  Rijswijk ;  veldtocht  in  de  Nederlanden ;  Ath ; 
krijgsverrichtingen  aan  den  Rijn;  in  Catalonië;  beleg  van  Bar- 
celona;  ter  zee;  Du  Guay-Trouin:  Carthagena    .     Bladz.  379 

Vrede  van  Rijswijk  (20  September  1697).  —  Vredelievendheid  van 
Willem  III.  —  Aanvallende  gezindheid  van  Frankrijk.  —  Fransche  legers 
in  de  Nederlanden.  —  Legers  der  bondgenooien  in  de  Nederlanden.  — 
De  bondgenooten  bezetten  Deynse  (15  April).  —  Berenning  van  Ath 
door  de  Franschen  (15  Mei).  —  Geringe  waarschijnlijkheid  van  Ath  te 
ontzelicn.  —  Beleg  van  Aih  (22  Mei— 7  Junij.  —  Toestand  van  de  ves- 
tingk  —  Middelen  van  den  aanvaller.  —  Opening  van  de  loopgraven 
(22  Mei).  —  De  Fiansche  artillerie  voor  Ath.  --  Overgave  van  Ath 
(7  Juni),  —  Ouderneniing  van  de  Franschen  op  Brussel  (tweede  helft 
van  Juni).  —  Marsch  van  Willem  III  van  Gen.tppe  op  Anderlecht  f20 — 
21  Juni).  —  Stelling  bij  Anderlecht.  --  Mondgesprek  van  Bentinck  en 
Boufflers  (begin  vaci  Juli).  —  Willem  IIÏ  naar  het  Loo  (3  Augustus). 

Over  brieven  van  Wassenaer-Obdam. 

Krijgsverrichtingen  in  Duitschland  —  Lodewijk  van  Baden,  te  Mainz 
op  den  linker  Rijnoever  (24  Augustus).  —  Beleg  van  Ebernburg  (Sep- 
tember). —  Slechte  verzorging  van  het  Keizerlijke  leger.  —  Oneens- 
gezindheid  van  de  Duiische  vorsten. 

Krijgsverrichtingen  in  Calalonië.  —  Het  Fransche  leger.  —  Barce- 
lona.  —  Beleg  van  Barcelooa  (15  Juni — 10  Augustus).  —  Gevecht  bij 
San-Feliu  (14  Juli). 

Krijgsverriphtingen  ter  zee.  —  Du  Guay-Trouin  en  Wassenaer-Siar- 
renburg  (25  Maart).  —  Vermeeslering  van  Carthagena,  door  De  Pointis 
(half  April-  5   Mei) 


Digitized  by 


Google 


HOOFDSTUK  XXI. 

ENGELSCHE  STAATSOMWENTELING  VAN  1688;  PHILIPSBURG ;  —  1689. 

VERWOESTING   VAN    DE    PALTZ ;    KRIJGSVERRICHTINGEN   IN   DE 

NEDERLANDEN;  WALCOURT  (25  AUGUSTUS);  OPERATIËN 

IN  kleefsland;  bonn;  mainz;  krijgsverrich- 


Het  jaar  1688  brengt  een^  geheelen  ommekeer  teweeg  in  den 
staatkundigen  toestand  van  Europa:  Willem  III  bestijgt  den 
Engelschen  troon,  en  Frankrijk's  overwicht  wordt  daardoor  te 
niet  gedaan. 

Er  moest  veel  samenwerken  om  zulk  een  gewichtige  verande- 
ring tot  stand  te  brengen.  Allereerst  moet  men  die  wijten  aan 
de  dwingelandij  van  de  twee  laatste  Engelsche  koningen  uit  het 
huis  der  Stuarts.  Macaulay  moge  misschien  wat  overdreven  heftig 
zijn  in  zijne  veroordeeling  van  die  beide  vorsten;  toch  is  het 
onbetwistbaar  dat^  hoe  meer  men  de  Engelsche  geschiedenis  van 
dien  tijd  onderzoekt,  hoe  minder  men  er  in  slaagt  om  een  gevoel 
van  afkeer  en  verachting  te  onderdrukken,  zoowel  voor  Karel  II 
als  voor  zijn  broeder  Jakobus  II:  ontegenzeggelijk  zijn  er  wree- 
der,  bloeddorstiger  dwingelanden  geweest,  maar  weinig,  die  zoo- 
veel bekrompenheid  en  onverstand  bezaten,  zooveel  laagheid  aan 
den  dag  legden,  zoo  alle  waardigheid  prijsgaven.  Wij  hebben  de 
moeite  genomen  om  ook  de  Engelsche  geschiedenis  van  Lingard 
te  lezen,  —  een  zeer  goed  werk,  maar  geheel  uit  het  Katholieke 
oogpunt  geschreven,  en  daarom  die  twee  laatste  gekroonde 
Stuarts  zooveel  mogelijk  verdedigende,  of  verontschuldigende; 
welnu,  ook  na  de  lezing  van  Lingard's  werk  is  ons  oordeel  over 
die  beide  koningen  even  ongunstig  gebleven.  Wij  hebben  de 
volle  overtuiging  dat  die  omwenteling  van  1688,  die  voor  Enge- 
land de  aanvang  der  staatkundige  vrijheid  is  geweest,  een  geoor- 
loofde en  wettige  omwenteling  was;  —  wie  dat  tegenspreekt, 
raoet  van  de  meening  uitgaan  dat  de  vorsten  met  een  goddelijk 


WILLEM   IIL    —    III. 


Digitized  by 


Google 


2  KRIJGS-  ES  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWIMGEK. 

recht  zijn  bekleed  om  de  volkeren  naar  willekeur  te  regeeren; 
en  tegen  zulk  eene  meening  valt  niet  te  redeneeren.  —  Wij  heb- 
ben daarom  ook  de  volle  overtuiging^  dat  Willem  III,  toen  hij 
Jakobus  II,  al  was  die  dan  ook  zijn  schoonvader,  van  den  troon 
stiet,  goed  en  volgens  plicht  heeft  gehandeld:  men  mag  de 
vrijheid  van  een  volk  niet  prijsgeven,  al  is  men  door  banden 
des  bloeds,  of  der  aanhuwelijking,  aan  den  dwingeland  verbonden. 

Maar,  is  de  dwingelandij,  door  de  Stuarts  geoefend,  eene  voor- 
name oorzaak  geweest  van  de  Ëngelsche  omwenteling  van  1688, 
eene  andere,  niet  minder  krachtige  oorzaak  moet  men  zoeken  in 
het  staatkundig  genie  van  Willem  III:  dat  is  hier  boven  allen 
lof  verheven.  De  mogelijkheid,  de  waarschijnlijkheid  van  zulk 
een  omwenteling  was  door  den  Stadhouder  reeds  sinds  lang 
voorzien;  lange  jaren  te  voren  heeft  hij  die  omwenteling  ver- 
wacht en  zich  daarop  voorbereid.  Reeds  bij  zijn  eerste  optreden 
als  Regent,  knoopt  hij  verbintenissen  aan  met  het  vrijheidsgezinde 
gedeelte  des  volks  in  Engeland,  met  de  whigs,  zooals  zij  toen, 
of  later,  werden  genoemd ;  en  tot  het  versterken  van  die  verbin- 
tenissen was  het  voor  Willem  III  eene  gelukkige  omstandigheid 
dat  er  Engelsche  en  Schotsche  regimenten  waren  bij  de  leger- 
macht van  de  Republiek;  die  regimenten  verdienden  door  hunne 
militaire  waarde  de  zorg  en  opmerkzaamheid  die  de  Stadhouder 
jegens  hen  betoonde;  maar  ook  staatkundige  inzichten  waren 
hierbij  in  het  spel.  Het  Engelsche  volk  begon  al  meer  en  meer 
den  naam  van  Willem  III  te  leeren  kennen  en  waardeeren;  het 
gewende  er  zich  aan  om  in  hem  den  kampvechter  te  zien  voor 
staatkundige  en  godsdienstige  vrijheid  tegen  het  despotisme  van 
Lodewijk  XIV;  het  zag  in  hem  den  man  der  toekomst;  en  de 
meening  dat  hij  eenmaal  den  schepter  over  Groot-Brittanje  zou 
zwaaien  had  niets  bevreemdends  voor  de  Engelschen,  vooral  na 
zijn  huwelijk  met  Maria,  de  dochter  van  den  Hertog  van  York, 
den  lateren  Jakobus  II.  Stel  u  de  openbare  meening  in  Frankrijk 
voor,  reeds  vóór  de  Juli-dagen  van  1830  in  Louis- Philippe  — 
toen  nog  Hertog  van  Orleans  —  den  aanstaanden  koning  ziende, 
dan  zult  gij  bsgrijpen,  hoe,  reeds  vóór  1688,  het  Engelsche  volk 
over  Willem  III  dacht. 

Een  staatsman  kan,  hoe  groot  zijne  bekwaamheid  ook  mo^e 
zijn,  de  gebeurtenissen  niet  scheppen;  maar  zijne  bekwaamheid 
blijkt  daaruit,  dat,  als  de  gebeurtenissen  komen,  hij  er  het  best 
partij  van  trekt  en  ze  niet  ongebruikt  voorbij  laat  gaan ;  hij  moet 
niet  te  vroeg,  en  ook  niet  te  laat,  handelen.  Ziedaar  iets  wat 
Willem  III  hier  op  meesterlijke  wijze  wist  te  doen;  hij  gaf  niet 
toe  aan  zijn  ongeduld;  hij  onthield  zich  van  handelen,  zoolang 
het  handelen  nog  tot  niets  goeds  kon  leiden,  zoolang  de  zaak 
nog  niet  rijp  was.  Toen  Monmouth  het  in  1685  ondernam  om 
Jakobus  II    van    den   Engelschen   troon    te   stooten,  streed   hij 


Digitized  by 


Google 


ENGELSCHE  STAATSOMWENTELING   VAN    1688.  3 

«igenlijk  voor  dezelfde  zaak  waarvoor  Willem  III  in  1688  heeft 
gestreden;  maar  Monmouth  handelde  te  vroeg;  Engeland  had  de 
dwingelandij  nog  niet  genoeg  verduurd;  de  gemoederen  waren 
daar  nog  niet  rijp  voor  een  algemeenen  opstand;  en  bovendien, 
Monmouth  miste  de  bekwaamheid  en  geestkracht  om  aan  het 
hoofd  van  zulk  een  opstand  te  staan;  —  hij  is  dan  ook  be- 
zweken; en  bezweken  op  een  ellendige  wijze,  zonder  waardigheid 
of  moed.  Willem  III  heeft  die  onderneming  van  Monmouth  niet 
belet,  —  zooals  hij  had  kunnen  doen ;  maar  hij  heeft  ook  niets  ge- 
daan om  haar  te  steunen;  hij  heeft  er  geen  deel  aan  genomen, 
hij  is  er  geheel  vreemd  aan  gebleven ;  het  was  voor  hem,  eeniger- 
mate:  un  ballon  d'^essai.  Maar  toen  het  tyrannieke  bestuur  van 
Jakobus  II  al  eenige  jaren  op  Engeland  had  gedrukt;  toen  hij  al 
meer  en  meer  het  Engelsche  volk  van  zich  had  vervreemd,  ook 
door  die  dwaze  vervolgingen  tegen  de  bisschoppen ;  toen  de  ge- 
boorte van  een  zoon  van  Jakobus  II,  voor  den  Stadhouder  de 
kans  wegnam  van,  door  erfopvolging,  op  den  Engelschen  troon 
te  komen;  toen  achtte  hij  het  oogenblik  gekomen  om  te  han- 
delen. Wij  gelooven  niet  dat  wij  Willem  III  lasteren,  wanneer 
wij  ook  de  meening  uiten:  dat  hij  in  1688  liever  aan  zijn  eigen 
verheffing  arbeidde,  dan  in  1685  aan  de  verheffing  van  Mon- 
mouth. Bij  Willem  III  de  eerzucht  te  willen  loochenen  of  weg- 
cijferen, dat  is  dwaasheid;  welk  groot  man  is  niet  eerzuchtig?  — 
Die  het  niet  zijn,  zijn  dun  gezaaid. 

Maar  hoewel  er  in  1688  veel  meer  waarschijnlijkheid  was  dan 
in  1685,  dat  het  Engelsche  volk  den  man  zou  bijvallen  die  als 
zijn  bevrijder  optrad,  wilde  Willem  III  het  echter  niet  op  die 
waarschijnlijkheid  laten  aankomen ;  hij  was  te  verstandig  om  een 
grenzenloos  vertrouwen  te  stellen  in  de  kracht  der  openbare 
meening,  hoe  luide  toen  ook  uitgesproken  door  tal  van  Engel- 
schen van  aanzien  en  invloed.  Niet  als  een  avonturier  wilde  de 
Stadhouder  in  Engeland  verschijnen;  niet,  zooals  Monmouth,  met 
een  paar  schepen  en  een  handvol  volgelingen:  een  leger,  eene 
vloot  zouden  hem  tot  steun  zijn  bij  zijne  onderneming;  en,  voor 
het  geval  dat  hij  Engeland  niet  kon  winnen,  wilde  hij  de 
mogelijkheid  behouden  om  het  te  overwinnen.  De  strijd- 
krachten van  de  Republiek  zouden  het  middel  zijn  om  Engeland 
vrij  te  maken. 

In  de  HoUandsche  Mercurius  (39'  deel,  blz.  274 — 275)  vindt 
men  eene  vrij  uitvoerige,  en  denkelijk  ook  vrij  nauwkeurige  op- 
gave van  de  macht  waarmede  Willem  III  de  bevrijding  van 
Engeland  ondernam;  wij  nemen  hier  het  voornaamste  van  die 
opgave  over. 

Van  het  leger  wordt  alleen  over  de  ruiterij  en  het  voetvolk 
gesproken;  —  artillerie  en  wat  wij  thans  genie-troepen  noemen, 


Digitized  by 


Google 


4  KRIJG3-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

werden  toen  niet  medegerekend  en  waren  ook  van  geringe  ge- 
talsterkte. 

De  ruiterij,  bestaande  uit  ruiters  en  dragonders,  was  samenge- 
steld uit  de  i8  volgende  regimenten: 

I.  Zijn  Hoogheids  dragonders,  2.  Dragonders  van  Marwitz, 
3.  Gardes,  4.  Waldeck,  5.  Graaf  van  Nassau,  6.  Ginckel,  7.  Mom- 
pouillan,  8.  Obdam,  9.  's  Gravemoer,  10.  Flodorp,  11.  Van  der 
Lip,  12.  Zuylestein,  13.  Kingma,  14.  Bentinck,  15.  Soppenbroeck 
(Buddenbrock ?),  16.  Heyden,  17.  Holzapfel,  en  18.  Schagt  (Koer- 
landers). 

Dragonders  schijnen  alleen  geweest  te  zijn  het  regiment  van 
den  Stadhouder  en  dat  van  Marwitz;  de  sterkte  van  het  eerste 
wordt  opgegeven  860  man,  die  van  het  tweede  440.  De  overige 
regimenten  bestonden  uit  ruiters ;  daarvan  wordt  voor  de  sterkte 
van  de  Gardes  opgegeven  197  man;  die  van  de  » garde  van 
Bentinck"  480;  en  de  overige  regimenten  te  zamen  1683  rui- 
ters; —  dus  zouden  die  overige  14  regimenten  gemiddeld  slechts 
120  ruiters  per  regiment  sterk  zijn  geweest;  dit  laatste  cijfer  is 
zoo  laag,  dat  het  hier  de  nauwkeurigheid  van  de  opgave  eenigs- 
zins  twijfelachtig  maakt. 

Volgens  die  opgave  zou  dus  de  geheele  sterkte  aan  ruiters  en 
dragonders  geweest  zijn  3660  man. 

De  infanterie  telde  15  regimenten,  als: 

1.  De  Garde,  uit  3  bataljons  bestaande. 

Zes  Engelsche  of  Schotsche  regimenten,  namelijk: 

2,  Mackay,  3.  Balfour,  4.  Talmash,  5.  Bellasis,  6.  Pembroke, 
en  7.  Wackop.  Voorts:  8.  Holstein,  9.  Wijnbergen  (fuseliers), 
10.  Graaf  van  Nassau  (Zeeuwen),  11.  Berckenfelt,  12.  Carlson^ 
13.  Prins  van  Brandenburg,  14.  Hagendoorn,  en  15.  Fagel. 

Behalve  de  Garde  maakte  de  infanterie  164  compagnieën  uit, 
ieder  van  53  man,  te  zamen  8692  man;  dus  ieder  regiment  ge- 
middeld een  twaalftal  compagnieën  en  in  het  geheel  ruim  600 
man.  Het  » regiment  te  voet'*  (denkelijk  worden  daarmee  de  3 
bataljons  Gardes  bedoeld)  was  sterk  2000  man.  De  geheele  infan- 
terie dus  10692  man. 

De  sterkte  van  het  geheele  leger  was  dus,  wat  ruiterij  en  voet- 
volk aangaat,  een  groote  14000  man.  Aan  het  hoofd  van  dat 
leger  was,  onder  Willem  III,  de  maarschalk  Schomberg,  die,  als 
Protestant,  gedwongen  was  geworden  den  Franschen  krijgsdienst 
te  verlaten. 

De  vloot,  verdeeld  in  drie  eskaders  onder  Evertsen,  Herbert 
en  Almonde,  bestond  uit  39  groote  oorlogsschepen,  onder  de 
drie  eskaders  gelijkelijk  verdeeld;  voorts  26  oorlogsschepen  be- 
neden de  30  stukken;  te  zamen  65  oorlogsschepen.  Daar  waren 
10  branders;  voorts,  als  transportschepen:  500  fluiten  en  60 pin- 
ken. In   het  geheel   635  vaartuigen.  Volgens  Wagenaar  was,  uit 


Digitized  by 


Google 


ENGELSCHE  STAATSOMWENTELING  VAN    1688.  5 

Staatkundige  inzichten,  de  Engelschman  Herbert  aan  het  hoofd 
van  die  vloot  geplaatst. 

Natuurlijk  had  Willem  III  om  zulk  een  vloot  en  leger  uit  te 
rusten,  de  geheele  medewerking  van  de  Republiek  noodig.  De 
Republiek  was  toen  eigenlijk  Holland,  en  Holland  was  eigenlijk 
Amsterdam;  die  machtige  stad  kan  zich  beroemen  dat  zij  vooral 
toen  heeft  medegewerkt  om  Engeland  te  bevrijden  en  Europa 
van  gedaante  te  doen  veranderen ;  zonder  haar  kon  niets  worden 
gedaan,  al  was  het  maar  alleen  om  de  geldkwestie,  die  ook 
toen  een  groote  rol  speelde  bij  staatshandelingen.  Overtuigd 
van  de  noodzakelijkheid  om  Amsterdam  voor  zich  te  winnen, 
had  de  Stadhouder  reeds  in  de  laatste  maanden  van  1684,  stap- 
pen tot  toenadering  gedaan;  het  geschil  over  de  houding  tegen- 
over Frankrijk's  aanmatigingen  en  over  de  voorgestelde  werving 
van  16000  man  voor  het  leger  der  Republiek  had  Willem  III 
in  vijandschap  gebracht  met  Amsterdam,  en  in  hooge  mate  zijn 
toorn  opgewekt  tegen  die  stad ;  —  maar  de  Stadhouder  wist  dien 
toorn  te  onderdrukken ;  duidelijk  zag  hij  in  wat  de  eischen  waren 
van  het  algemeen  belang,  en  aan  die  eischen  bracht  hij  zijne 
persoonlijke  gezindheid  ten  offer;  ook  hierin  was  hij  een  groot 
staatsman.  Amsterdam  handelde  even  verstandig;  het  sloot  zich 
al  meer  en  meer  bij  den  Stadhouder  aan;  en  merkwaardig  zijn 
de  onderhandelingen,  door  Willem  III  in  het  begin  van  1688 
gevoerd  met  drie  der  Amsterdamsche  burgemeesters,  over  de 
wijze  om  de  strijdmiddelen  bijeen  te  brengen,  noodig  om  Enge- 
land te  bevrijden.  Ons  bestek  gedoogt  niet  om  bij  die  onder- 
handelingen stil  te  staan;  maar  genoeg  zij  het,  te  zeggen,  dat 
hierbij  de  meeste  geheimhouding  noodig  was,  wilde  men  niet 
den  argwaan  opwekken  van  d'Avaux,  Frankrijk's  bekwamen  ge- 
zant in  Den  Haag.  Met  de  regenten  van  Amsterdam  werd  de 
zaak  aanvankelijk  dan  ook  op  zeer  bedekte  wijze  besproken;  de 
Stadhouder  kwam  er  niet  openlijk  voor  uit,  welk  doel  hij  be- 
oogde; maar  toch  schemerde  dit  zoozeer  door,  dat  het  niet  be- 
dekt bleef  voor  de  scherpzinnige  mannen  waarmede  hij  te  doen 
had,  en  bij  de  eerste  openingen  dienaangaande  zeide  een  hunner: 
>de  Prins  wil  voor  Monmouthje  spelen." 

Ook  Lodewijk  XIV  begunstigde,  ten  gevolge  van  zijn  even 
domme  als  misdadige  geloofsvervolgingen  in  Frankrijk,  de  onder- 
neming van  zijn  grooten  tegenstander.  De  uitgeweken  Fransche 
Protestanten,  de  réfugiés  zooals  zij  in  de  geschiedenis  genoemd 
worden,  verspreidden  zich  over  verschillende  landen  van  Europa, 
en  kwamen  vooral  bij  de  Republiek  terecht:  daar  was  toen,  in 
vergelijking  met  andere  landen,  de  classieke  grond  van  vrijheid 
en   verdraagzaamheid,  waar  handel  en  nijverheid,  rustig   en  in 


Digitized  by 


Google 


6  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

vrede,  de  vruchten  van  arbeid  en  inspanning  konden  smaken. 
Die  vluchtelingen,  hier  met  open  armen  ontvangen,  hingen  een 
somber  tafereel  op  van  het  geweld  en  de  gruweldaden,  tegen  de 
Fransche  Protestanten  gepleegd;  en  waarlijk,  er  was  geen  over- 
drijving toe  noodig  om  dat  tafereel  indrukwekkend  te  maken. 
De  oude  haat  van  het  HoUandsche  volk  tegen  den  Franschen 
koning  ontvlamde  opnieuw  in  vollen  gloed ;  en  toen  de  raadpen- 
sionaris Fagel,  eenigen  tijd  vóór  de  onderneming  tegen  Engeland, 
met  veel  bekwaamheid  de  hulp  der  predikanten  voor  die  onder- 
neming inriep,  kon  men,  in  de  Republiek,  de  zaak  van  Willem  III 
als  geheel  gewonnen  beschouwen ;  de  stroom  der  openbare  mee- 
ning werd  daar  zóó  krachtig  in  zijn  voordeel^  dat  hij,  bij  zijne 
pogingen  om  Engeland  vrij  te  maken,  zeker  was  van  in  Holland 
niet  de  minste  tegenwerking  te  zullen  ondervinden,  maar  integen- 
deel ondersteuning  in  de  hoogste  mate. 

Nog  andere  omstandigheden  begunstigden  toen  Willem  III. 
Jakobus  II  had  toen  in  Den  Haag  een  gezant,  die  niet  van  de 
bekwaamste  was,  die  niets  zag  van  wat  er  omging,  en  zijn  Koning 
in  slaap  wiegde  door  geruststellende  berichten.  d'Avaux  zag 
meer;  voor  hem  konden  de  wapeningen  in  de  Republiek  niet 
verborgen  blijven;  hij  kende,  of  raadde,  de  voornemens  van  den 
Stadhouder;  hij  waarschuwde  het  Fransche  hof,  en  dit  waar- 
schuwde Jakobus,  en  bood  dien  den  bijstand  aan  van  eene 
Fransche  vloot  en  van  een  Fransch  leger;  —  maar  de  Engelsche 
koning,  blind  voor  het  gevaar  of  te  veel  vertrouwende  op  eigen 
kracht,  sloeg  dat  aanbod  af  en  weigerde  de  Fransche  hulp. 

Toen  kwam  er  bij,  dat,  door  den  dood  van  den  keurvorst 
van  Keulen,  de  twist  over  zijne  erfopvolging  Frankrijk's  strijd- 
krachten naar  den  Rijn  afleidde,  en  tevens  aan  Willem  III  een 
geschikt  voorwendsel  gaf  om  zich  meer  te  wapenen  zonder 
daarom  den  Engelschen  koning  nog  onrust  in  te  boezemen.  Door 
Frankrijk  werd  de  oorlog  verklaard  aan  den  Keizer,  en  Lode- 
wijk  XIV  zond  een  leger  af,  door  den  Dauphijn  aangevoerd, 
om  Philipsburg  te  belegeren;  de  Stadhouder,  van  zijne  zijde, 
vereenigde  eene  legermacht  op  de  heide  van  Mook,  als  om  de 
zuidoostelijke  grenzen  der  Republiek  te  dekken  tegen  een  moge- 
lijke onderneming  van  de  zijde  van  Frankrijk. 

Maar  de  oorlogsvloot  der  Republiek  is  intusschen  te  Hellevoet 
vereenigd;  ook  de  transportschepen  zijn  gereed;  en  nu  breekt 
Willem  III  met  zijn  leger  van  de  Mookerheide  op,  zakt  de 
rivieren  af,  scheept  zich  ie  Hellevoet  in,  en  steekt  in  zee  (op  het 
einde  van  October  1688).  Aanvankelijk  schijnt  de  onderneming  te 
zullen  mislukken;  er  is  tegenwind,  storm;  de  vloot  wordt  weer 
naar  Hellevoet  teruggedreven;  schepen  zijn  beschadigd,  en  op 
één  boord  zijn  een  vijftigtal  paarden  door  het  slechte  weer  om- 


Digitized  by 


Google 


PHILIPSBURO.  7 

gekomen.  —  Toen  in  1796  een  goed  deel  van  het  leger  der 
Bataafsche  Republiek  te  Texel  werd  ingescheept,  om,  in  verband 
met  Frankrijk,  eene  landing  in  Engeland  of  Ierland  te  doen, 
stelde  men  zich  niet  bloot  aan  dat  gevaar  van  paarden  te  ver- 
liezen; de  ingescheepte  ruiters  hadden  hunne  geheele  uitrusting 
en  al '  hun  paardentuig  bij  zich,  —  maar  de  paarden  niet :  die 
zou  men  in  Engeland  wel  vinden.  Of  die  verwachting  door  de 
uitkomst  verwezenlijkt  zou  zijn?  Men  kan  het  niet  zeggen;  want 
de  Engelsche  oorlogsvloot  heeft  het  uitzcilen  uit  Texel  belet;  en 
kort  daarop  deed  de  verloren  zeeslag  bij  Kamperduin  de  geheele 
expeditie  in  rook  vervliegen. 

Willem  III,  zich  door  dien  eersten  tegenspoed  niet  latende 
afschrikken,  heeft  weldra  de  beschadigingen  doen  herstellen,  steekt 
nu  opnieuw  in  zee,  en  landt  —  half  November  —  te  Torbay, 
op  Engeland's  zuidwestelijke  kust. 'Het  overige  is  bekend;  van 
Torbay  tot  Londen  is  het  meer  een  zegetocht  dan  een  krijgs- 
tocht;  gevochten  wordt  er  bijna  niet;  Jakobus,  voor  en  na  door 
zijne  aanhangers  verlaten  —  verraden  mag  men  wel  zeggen, 
ten  aanzien  van  sommigen  hunner  — ,  vlucht  naar  Frankrijk, 
niet  zonder  oogluiking  van  den  overwinnaar,  die  blijde  is  van 
op  die  wijze  ontslagen  te  worden  van  zijn  tegenstander;  Wil- 
lem III  en  Maria  worden  Koning  en  Koningin  van  Groot-Briltanje 
en  Ierland. 


Had  Frankrijk  niets  kunnen  doen  om  den  val  van  Jakobus  II  ^' 
te  verhinderen?  —  Saint-Simon  en  anderen  beweren,  dat  indien 
het  Fransche  leger,  in  plaats  van  Philipsburg  te  belegeren,  het 
beleg  had  geslagen  voor  Maastricht,  de  onderneming  van  Wil- 
lem III  tegen  Engeland  eene  onmogelijkheid  zou  zijn  geworden. 
Rousset  bestrijdt  die  bewering  (4*  deel,  blz.  106— 109)  als  volgt : 

...>Als  Lodewijk  XIV  Maastricht  belegerd  had  in  plaats  van 
Philipsburg,  dan  zou  Holland  bevreesd  zijn  geworden,  het  had 
het  vertrek  van  Willem  III  belet  en  Jakobus  II  was  behouden.  — 
Dat  beweert  men;  en  het  voorname  bewijs  dat  men  daarvoor 
bijbrengt,  is,  dat  op  de  tijding  van  het  beleg  van  Philipsburg  de 
actiën  van  de  Oost-Indische  Compagnie  in  Holland  10  percent 
zijn  gerezen.  Een  maand  te  voren  hadden  de  k rijgstoerustingen 
van  den  Prins  van  Oranje  diezelfde  actiën  16  percent  doen 
dalen ;  moet  men  daar  nu  uit  besluiten,  dat  de  openbare  meening 
in  Holland  niet  instemde  met  de  plannen  van  den  Prins  van 
Oranje?  —  Zoo  iets  bewijst  niets  anders,  dan  dat  er  onder  de 
Amsterdamsche  financiers  zeer  slimme  speculanten  zijn  geweest, 
en  dat  het  beursspel  niet  van  vandaag  of  gisteren  is.  Maar  zulke 
argumenten,  aan  de  effecten-beurs  ontleend,  doen  weinig  ter  zake 
af,  waar  het  geschiedkundige  vraagstukken  betreft. 


Digitized  by  VjOOQIC 


8  KRIJGS-    EN   GKSCHIEDICUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

•  Daar  zijn  zaken  die  iedereen  zegt,  omdat  zij  eenmaal  gezegd 
zijn."  Die  aanmerking  van  Montesquieu  kan  men  met  recht  toe- 
passen op  de  meening,  die  het  Lodewijk  XIV  tot  een  verwijt 
maakt  —  nog  meer  Louvois,  want  het  is  altijd  Louvois  dien  men 
aanvalt  —  dat  hij  de  voorkeur  gegeven  heeft  aan  het  beleg  van 
Philipsburg  boven  dat  van  Maastricht,  't  Is  bovendien  eenê  mee- 
ning, die  gemakkelijk  is  vol  te  houden,  en  ook  daarom  moeilijk 
te  bestrijden,  omdat  men  daartoe  zelf  moet  omdolen  op  het  wijde 
veld  van  het  mogelijke  en  van  het  waarschijnlijke.  Toch  is  ook 
hier  wel  eenige  vaste  grond  te  vinden.  Sla  maar  een  blik  op  de 
kaart,  dan  valt  het  al  moeilijk  om  in  te  zien,  hoe  dat  beleg  van 
Maastricht  die  wonderbaarlijke  uitwerking  had  kunnen  hebben 
die  men  er  aan  toekent.  Maastricht,  ja,  was  een  vesting  van 
Holland;  maar  volstrekt  niet  in  het  hart  van  Holland;  integen- 
deel, verre  daarvan  verwijderd,  en  in  een  afgelegen  gewest. 
Zeker,  het  beleg  van  Maastricht  zou  voor  de  Hollanders  iets 
onaangenaams  zijn  geweest,  en  voor  den  Prins  van  Oranje  eenigs- 
zins  een  bezwaar,  dat  hij  natuurlijk  liever  niet  had;  maar  stellig 
geen  voldoend  bezwaar  om  hem  zijne  onderneming  tegen  Enge- 
land te  doen  opgeven  of  zelfs  maar  uitstellen.  Had  Lodewijk  XIV 
het  gewaagd  die  groote  vesting  te  belegeren,  op  verren  afstand 
van  Frankrijk,  en  veel  sterker  en  veel  beter  uitgerust  dan  in 
1673,  dan  mag  men  aannemen  dat  het  hem  veel  meer  moeite 
zou  gekost  hebben  om  haar  te  bemachtigen;  en  dat  de  Prins 
van  Oranje  intusschen  den  tijd  zou  gebruikt  hebben  om  in 
Engeland  voordeelen  te  zoeken  en  te  verkrijgen,  die  het  nadeel 
konden  opwegen  van  het  verlies  van  Maastricht. 

Dat  afdoende  van  het  belegeren  vap  Maastricht  is  dan  ook 
eenigszins  betwijfeld,  zelfs  door  de  voorstanders  van  dat  beleg; 
die  twijfel  heeft  hen  verder  doen  gaan ;  zij  hebben  meer  omv.ang 
gegeven  aan  hunne  redeneering,  verre  van  daarvan  af  te  zien. 
Waarom  —  zoo  hebben  zij  gezegd  —  zou  Lodewijk  XIV  in 
1688  niet  den  veldtocht  van  1672  hebben  kunnen  hernieuwen? 
Waarom  kon  hij  geen  inval  doen  in  Holland,  in  het  eigenlijke 
Holland? 

Was  het  dan  zoo  gemakkelijk  voor  Lodewijk  XIV,  die  niet 
voorbereid  was  op  den  oorlog,  die  geheel  Europa  tegen  zich 
had,  om  tegen  een  waakzaam,  bekwaam,  goed  gewapend  vijand, 
in  1688  met  goed  gevolg  datgene  te  ondernemen,  wat  in  1672 
geëindigd  was  met  eene  besliste  mislukking,  toen  men  vier  jaar 
tijds  had  gehad  om  zich  ten  oorlog  uit  te  rusten,  toen  men 
krachtige  bondgenooten  had,  toen  Europa  onzijdig  was,  en  men 
een  tegenstander  aanviel,  die  verrast  werd,  die  slecht  gewapend 
was,  en  slecht  werd  gediend?  En  bovendien,  wat  zou  zich  Wil- 
lem van  Oranje  bekreund  hebben  om  het  beleg  van  Maastricht, 
en  zelfs  om  den  inval  in  Holland? 


Digitized  by 


Google 


PHILIPSBURG.  9 

Het  is  een  zonderlinge  miskenning  van  het  genie^  het  karakter 
en  den  toestand  van  dien  grooten  eerzuchtige;  men  vergeet  te 
zeer,  dat  het,  èa  voor  hem  zelf,  èn  voor  Engeland,  èn  voor 
Europa,  noodzakelijk  was  dat  hij  koning  van  Engeland  werd,  tot 
welken  prijs  ook.  De  kroon  der  Stuarts  was  een  buit,  door  het 
noodlot  voor  hem  bestemd;  en  om  dien  te  bemachtigen  was  hij, 
—  met  een  wilskracht  die  geen  mededoogen  kende  — ,  besloten 
alles  op  te  offeren.  Wie  had  hem  kunnen  weerhouden,  wie  had 
hem  in  Holland  durven  weerstaan?  Hij  was  daar  onbeperkt  ge- 
bieder; die  Republiek  behoorde  hem;  zij  had  het  oogenblik  niet 
afgewacht  dat  zij  overweldigd  wierd,  vrijwillig  had  zij  zich  prijs- 
gegeven; en  hare  latere  geschiedenis  heefc  maar  al  te  duidelijk 
doen  zien  tot  hoever  zij  de  toewijding  en  opoffering  dreef.  Toen 
men  van  Willem  III  zeide,  dat  hij  Stadhouder  van  Engeland  en 
Koning  van  Holland  was,  was  dit  iets  meer  dan  enkel  een 
geestig  gezegde;  met  die  weinige  woorden  gaf  men  een  kort 
begrip  van  de  omwenteling  van  1688.  Ja,  een  despotische  hand 
heeft  de  vrijheid  overgebracht  van  Den  Haag  naar  Londen;  en 
na  die  zielsverhuizing  voor  de  beide  volkeren  ontwaakt  Engeland 
tot  een  nieuw  leven,  maar  gaat  de  Hollandsche  Republiek  te  niet." 

Veel  is  er  waar  in  wat  Rousset  hier  zegt;  —  niet  alles. 

Dat  Maastricht  in  .1688  veel  moeielijker  te  nemen  zou  zijn, 
dan  in  1672;  dat  een  inval  in  Holland  in  1688  voor  LodewijkXIV 
oneindig  minder  gunstige  kansen  opleverde  dan  in  1672,  dat  lijdt 
niet  den  minsten  twijfel.  Maar  zou  daarom  een  beleg  van  Maas- 
tricht, en  eene  bedreiging  van  Holland  niet  zooveel  hebben  uit- 
gewerkt, dat  Willem  III  daardoor  genoopt  zou  zijn  geworden  om, 
voor  het  oogenblik,  af  te  zien  van  zijne  onderneming  tegen  Enge- 
land? —  Wij  stemmen  het  Rousset  toe,  dat  hier  niet  met  zeker- 
heid is  te  antwoorden;  dat  men  alleen  kan  spreken  van  het 
mogelijke,  van  het  waarschijnlijke;  maar  wij  meenen  dat 
het  waarschijnlijk  is,  dat  die  dreigende  nabijheid  van  de  Fransche 
legers  de  gemoederen  in  Holland  zoozeer  zou  verontrust  hebben, 
dat  daardoor  de  tocht  naar  Engeland  zou  zijn  belet  geworden. 

Maar  Willem  III  —  zegt  Rousset  —  zou  toch  dien  tocht  heb- 
ben doorgezet;  hij  zou  zich  weinig  bekreund  hebben  om  het 
gevaar  dat  Holland  liep;  in  de  Republiek  had  hij  eene  onbe- 
perkte macht. 

Dat  laatste  kan  slechts .  onder  zeker  voorbehoud  worden  toege- 
stemd: toen  in  1678  de  Republiek  te  Nijmegen  vrede  sloot,  in 
weerwil  van  Willem  III;  toen  in  1684  de  tegenstand  van  Amsterdam 
de  wapening  van  de  Republiek  belette,  waarop  Willem  III  zoo 
vurig  aandrong;  toen  bleek  het,  dat  de  macht  van  den  Stad- 
houder in  de  Republiek  wel  degelijk  perken  had.  *t  Is  waar,  na 
dien  tijd  nam  de  macht  van  Willem  III  zeer  toe  door  het  onver- 


Digitized  by 


Google 


lO  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

standig  despotisme  van  Lodewijk  XIV;  het  herroepen  van  het 
Edikt  van  Nantes,  en  de  dragonnades^  hebben  aanmerkelijk 
bijgedragen  tot  de  grootheid  van  Willem  III;  in  het  oog  van  het 
algemeen  maakte  de  dweepzieke  dwingelandij  van  den  Franschen 
koning  den  Oranjevorst  tot  den  kampvechter  voor  de  godsdien- 
stige vrijheid,  evenzeer  als  voor  de  onafhankelijkheid  van  Europa. 
Amsterdam  sloot  zich  toen  ook  bij  den  Prins  aan;  en  alleen 
daardoor  werd  de  onderneming  tegen  Engeland  mogelijk.  In 
1688  bezat  Willem  III  dus  in  de  Republiek  eene  groote  macht; 
maar  voor  een  gedeelte  berustte  die  macht  toch  altijd  op  de 
openbare  meening,  en  die  openbare  meening  zou  denkelijk  wel 
krachtig  genoeg  zijn  geweest  om  den  Prins  te  beletten  van  met 
een  vloot  en  een  leger  naar  Engeland  te  vertrekken,  op  een 
©ogenblik  dat  men  in  Holland  bevreesd  zou  zijn  geworden  voor 
eene  herhaling  van  den  inval  van  1672. 

Ziedaar  de  gronden  die  ons  weerhouden  van  geheel  te  declen 
in  Rousset's  meening;  —  wij  herhalen  echter,  dat,  met  zeker- 
heid, over  deze  zaak  niet  kan  worden  geoordeeld. 

Zeer  waar  is  wat  Rousset  zegt  over  het  opofferen  van  het 
welzijn  der  Republiek  aan  het  welzijn  van  Engeland:  de  staat- 
kunde van  Willem  III  had  het  oog  gevestigd  op  de  belangen 
van  geheel  Europa;  op  Hollands  belangen  lette  zij  niet. 


De  oorlogsvoering  van  1688  had  zich  hoofdzakelijk  bepaald 
tot  het  belegeren  en  innemen  van  Philipsburg  door  het  Fransche 
leger. 

Ook  in  1689  ^^)^  ^^  krijgsverrichtingen  van  geen  overwegend 
belang;  maar  toen  heeft  de  tweede  en  meer  volkomene  verwoes- 
ting van  de  Paltz  plaats.  Op  dien  gruwel  —  hij  komt  grooten- 
deels op  Louvois  neer  —  kan  men  de  afschuwelijke  woorden 
toepassen,  later  door  Fouché  gebezigd:  „rVs/  p/re  qu'un  crimey 
ceit  une  fat4te\  Immers  wordt  daardoor  in  Duitschland  tegen  de 
Franschen  een  haat  opgewekt,  die  ook  overslaat  tot  barbaarsche 
daden:  Toen  Mainz  in  1689  door  de  Duitschers  bij  capitulatie 
wordt  genomen,  worden  10  of  12  gewonde  Fransche  soldaten, 
door  de  Duitschers  in  den  Rijn  verdronken;  en  in  1690  wordt, 
op  last  van  den  Duitschen  bevelhebber  van  Mainz,  een  Fransch 
krijgsgevangen  soldaat  op  het  marktplein  verbrand,  uit  wraak 
over  het  afbranden  van  een  Duitsch  dorp  door  de  Franschen. 
Het  is  een  noodlottig  dwaalbegrip  dat  een  blijk  van  geestkracht 
meent  te  zien  in  overdreven  en  onnoodige  aanwending  van  ge- 
weld: het  is  dikwijls  niets  anders  dan  wreedheid,  die  andere 
wreedheden  uitlokt.  Het  legerhoofd  dat  het  meest  de  voorschriften 
der  menschelijkheid  eerbiedigt,  handelt,  niet  alleen  het  edelst, 
maar  meestal  ook  het  verstandigst. 


Digitized  by  VjOOQIC 


WALCOÜRT   (25    augustus).  II 

In  de  Nederlanden  staan  de  legers  van  den  maarschalk 
d'Uumières  en  van  Waldeck  tegenover  elkander,  zonder  veel  uit 
te  voeren:  d'Humières  had  last  van  het  Fransche  hof,  zich  zoo- 
veel mogelijk  te  bepalen  tot  de  verdediging;  en  Waldeck,  van- 
zelf al  weinig  gezind  tot  stoute  aanvallende  handelingen,  was 
hiertoe  ook  niet  bij  machte,  omdat  het  Fransche  leger  dat  der 
bondgenooten  aan  sterkte  overtrof.  De  meeste  opgaven  omtrent 
de  samenstelling  dier  legers  vindt  men  in  Dr.  Müller*s  werk  over 
Waldeck  (2'  deel);  maar  die  opgaven  hebben  ons  niet  gebracht 
tot  de  kennis  van  de  juiste  sterkte  der  wederzijdsche  strijdkrach- 
ten ;  wij  deelen  daarom  alleen  enkele  bijzonderheden  mede  over 
de  samenstelling  van  de  legermacht  der  bondgenooten.  In  Juni 
1689  kwam  Waldeck  in  het  leger  der  bondgenooten  te  Jodoigne,  — 
eene  stad  in  Zuid-Braband,  8  4  10  uur  ten  noorden  van  Namen. 
Bij  dat  leger  waren  eenige  van  de  troepen  die  Willem  III  hadden 
vergezeld  op  zijn  tocht  naar  Engeland;  de  Koning,  zelf  nog  in 
Engeland  opgehouden,  had  evenwel  behalve  die  troepen  van  de 
Republiek  nog  een  5000  Engelschen,  onder  Marlborough,  naar 
de  Nederlanden  gezonden;  —  die  Engelsche  krijgsmacht  schijnt 
niet  bijzonder  te  hebben  uitgemunt  door  orde;  men  vindt  ten 
minste  opgeteekend,  dat  sommige  deelen  dier  krijgsmacht  >haer 
vrij  weder hoorig  op  de  inschepingh  aanstelden".  —  Hoezeer 
Waldeck  bij  zijn  leger  nog  al  Spaansche  ruiterij  had,  was  dit 
wapen  echter  verreweg  het  sterkst  bij  het  leger  van  d'Humières. 

Nog  vóórdat  Waldeck  het  opperbevel  op  zich  nam,  had  de 
generaal  van  FlodorfF,  die  toen  te  Maastricht  bevel  voerde,  de 
stad  Luik  gedwongen  om  de  onzijdigheid  beter  in  acht  te  nemen, 
en  het  begunstigen  van  de  Fransche  krijgstoerustingen  te  staken ; 
hij  dreef  de  zaken  zelfs  zóó  ver,  dat  Luik  zich  zoo  goed  als 
aansloot  bij  de  bondgenooten,  en  eene  Hollandsche  bezetting 
innam.  Wat  overigens  de  krijgsverrichtingen  der  beide  legers  be- 
treft, valt  het  moeilijk  daarvan  een  juist  verslag  te  geven;  men 
kan  er  zich  toe  bepalen  ze  als  onbeduidend  te  kenschetsen. 


Den  i6en  Augustus  kwam  Waldeck  met  zijn  leger  op  den 
rechteroever  van  de  Sambre;  en  eenige  dagen  later  —  den 
25sten  Augustus  —  had  er  bij  Walcourt  —  een  stadje,  een  kleinen 
dagmarsch  van  Charleroi  —  eene  ontmoeting  plaats,  die  men 
> gevecht"  moet  noemen;  want  zij  was  te  onbeduidend  om  baar 
den  naam  van  » veldslag"  te  geven. 

Ziehier  wat  Rousset  (V  deel,  blz.  217 — 220)  van  dat  gevecht 
bij  Walcourt  zegt: 

»In  de  Nederlanden  had  de  maarschalk  d'Humières  omstreeks 
half  Mei  zijn  leger  bijeengetrokken ;  langen  tijd  bleef  hij  trouw 
aan  zijne  voorschriften  om  slechts  verdedigend  te  handelen,  tegen 


Digitized  by 


Google 


12  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN^ 

een  vijand  die  van  zijne  zijde  niet  bij  machte  was  om  aan  te 
vallen ;  want  de  vereenigde  legers  van  den  markies  De  Gastanaga 
—  den  bewindhebber  over  de  Nederlanden  —  en  van  den  Prins 
van  Waldeck,  den  aanvoerder  van  de  Hollandsche  krijgsmacht, 
waren  verreweg  zwakker  dan  het  zijne.  Maar  juist  die  minderheid 
van  den  vijand  verleidde  den  maarschalk  d'Humières  tot  eene 
ongelukkige  handeling.  Na  in  den  omtrek  van  Mons  het  Spaanschë 
grondgebied  naar  welgevallen  te  hebben  kaal  gegeten,  terwijl  de 
Prins  van  Waldeck  op  een  afstand  bleef  onder  het  kanon  van 
Namen,  vernam  de  Maarschalk,  omstreeks  het  midden  van  Augus* 
tus,  dat  het  Hollandsche  legerhoofd  den  linkeroever  van  de  Sambre 
hooger  op  was  getrokken  tot  aan  Charleroi,  en  toen  op  den  rech- 
teroever was  overgegaan.  De  Maarschalk  ging,  van  zijne  zijde, 
nabij  Thuin  de  rivier  over,  en  was  loen  in  's  vijands  nabijheid. 
Daar  hij  zeker  meende  te  zijn  van  de  overwinning,  verzocht  hij 
luet  aandrang  aan  het  hof  de  vergunning  om  slag  te  leveren; 
en  verkreeg  die. 

De  Franschen,  den  24sten  Augustus  te  Bossu  gelegerd,  en  de 
bondgenooten,  nabij  het  stadje  Walcourt,  waren  toen  maar  twee 
uur  van  elkander  verwijderd.  Den  volgenden  dag,  ^er  vroeg  in 
den  ochtend,  kreeg  de  Maarschalk  bericht  dat  de  vijand  eene 
fourageering  verrichtte  tusschen  de  beide  legers.  Dadelijk  stegen 
vier  eskadrons  te  paard,  vielen  plotseling  te  midden  van  die 
fourageerende  troepen,  wierpen  veldwachten,  piketten  en  bedek- 
king overhoop,  en,  een  verwarden  hoop  van  vluchtelingen  voor 
zich  uit  jagende,  hadden  zij  in  een  oogenbjik  het  veld  tot  aan 
Walcourt  schoongeveegd.  Wat  was  Walcourt?  —  Een  onbedui- 
dend nest  ipicoqué)^  meende  de  Maarschalk.  >Een  zoo  gelukkig 
begin" —  dit  zijn  zijne  eigene  woorden  —  >  spoorde  mij  aan  om 
eene  poging  te  doen  om  den  vijand  daAr  uit  te  jagen  5  al  de 
berichten  van  de  ingezetenen  hadden  mij  de  overtuiging  ge- 
geven, dat  de  muren  vervallen  waren,  en  het  binnendringen  ge- 
makkelijk was.  Ook  werd  ik  daartoe  aangespoord  door  alle 
bewegingen  van  den  vijand,  die  mij  gebrekkig  voorkwamen;  en 
wat  mij  eindelijk  geheel  overhaalde  tot  den  aanval,  dat  was,  dat 
als  ik  die  stelling  had  kunnen  bemachtigen,  de  vijand  zeer  zeker 
een  moeielijken  aftocht  zou  hebben  gehad,  en  hij  daarbij  zijn  ge- 
schut, zijne  bagage  en  zelfs  zijne  achterhoede  zou  hebben  verloren.** 

Berichten  inwinnen,  is  zeer  goed;  maar  nóg  beter  is  het,  zich 
te  verzekeren  dat  zij  juist  zijn;  en  ddt  was  de  fout  van  den 
Maarschalk,  dat  hij  de  zaak  niet  had  onderzocht.  De  ingezetenen 
hadden  hem,  wel  is  waar,  niet  misleid;  want  het  is  zeker  dat  er 
bressen  waren  in  de  muren  van  Walcourt;  maar  zij  hadden  ver- 
zuimd hem  te  zeggen  waar;  en  nu  was  het  geval,  dat  die  bressen 
juist  waren  aan  de  zijde  van  den  vijand.  Dit  had  ten  gevolge 
dat  toen  de  bataljons  der  garde  —  de  eerste  bataljons  waarover 


Digitized  by 


Google 


WALCOURT   (25   augustus).  13 

de  Maarschalk  kon  beschikken  —  welgemoed  vooruitgingen, 
meenende  een  open  stad  aan  te  vallen,  zij,  tot  hunne  uiterste 
verbazing,  stieten  op  een  groote,  hooge,  stevige  nauur,  met  torens 
geflankeerd,  met  troepen  bezet,  van  onder  tot  boven  voorzien 
van  schietgaten,  voor  kanon  en  klein  geweer,  en  van  waar  Wal- 
deck's  soldaten,  van  zeer  nabij,  kartetsen  en  geweerkogels  af- 
schoten op  de  beproefde  troepen  wier  dapperheid  op  die  muur 
afstuitte. 

De  Maarschalk  handelde  hier  als  een  onverstandig  speler; 
hardnekkig  hield  hij  vol;  daar  hij  geen  zwaar  geschut  had, 
bracht  hij  7  of  8  veldstukken  voor;  maar  hunne  kogels  ver- 
mochten niets  anders  dan  eenige  steenen  van  den  muur  te  doen 
afbrokkelen.  Intusschen  trad  het  eene  bataljon  na  het  andere 
op:  Gardes  frangaises^  Zwitsersche  garde,  de  brigade  van  Cham- 
pagne, het  regiment  van  Greder;  al  de  infanterie  zou  gevolgd 
zijn,  toen  de  bewegingen  van  den  Prins  van  Waldeck,  die  het 
Fransche  leger  bedreigden  met  eene  omtrekking,  den  maarschalk 
d'Humières  eindelijk  tot  rede  brachten;  hij  deed  den  aftocht 
blazen.  De  troepen  trokken  terug,  ontmoedigd  maar  in  orde, 
hoezeer  's  vijands  geschut,  op  de  hoogten  staande,  geheele  openin- 
gen maakte  in  de  colonnen.  Een  maréchal-de-camp,  de  Saint- 
Gelais,  werd  het  hoofd  afgeschoten  door  een  kanonskogel.  Toen 
men  de  dooden  en  gewonden  lelde  waren  er,  van  de  eersten, 
10  officieren  en  107  soldaten,  en  van  de  tweeden  14  officieren 
en  156  soldaten,  bij  het  enkele  regiment  van  de  Gardes  fran f aises. 
Het  regiment  van  Champagne  had  al  zijn  hoofdofficieren  ver- 
loren, kolonel,  luitenant-kolonel  en  majoor,  voorts  7  kapiteins  en 
8  luitenants.  In  het  geheel  had  het  leger  een  duizend  man  ver- 
loren. »De  Koning,"  —  zoo  schreei  Louvois  aan  den  maarschalk 
d'Humières  —  lis  zeer  mistroostig  over  het  verlies  bij  Walcourt 
geleden." 

Dat  jammerlijke  gevecht,  die  schermutseling  maakte  in  heel 
Europa  evenveel  indruk  als  een  groote  veldslag.  Tevreden  met 
het  behaalde  voordeel,  wilde  de  Prins  van  Waldeck  zich  niet 
blootstellen  aan  het  gevaar  van  het  weer  te  verliezen;  eens  op 
een  nacht  brak  hij  in  stilte  op,  ging  weer  terug  achter  de  Sambre, 
en  hield  daar  stand,  de  rechtervleugel  naar  de  zijde  van  Char- 
leroi. Door  zoo  te  handelen  gaf  hij  den  nekslag  aan  den  toch 
onbeduidenden  naam  van  den  maarschalk  d'Humières,  die  er  op 
gepocht  had  dat  hij,  op  hetzelfde  terrein,  wraak  zou  nemen  over 
het  geleden  nadeel.  Den  5en  September  ging  hij  voorwaarts  tot 
aan  den  oever  van  de  Sambre,  niets  anders  doende  dan  met  zijn 
tegenstander  —  de  rivier  lusschen  hen  beide  —  een  niets  uit- 
werkend artillerie-gevecht  te  voeren.  Daar  hij  de  afdeelingen  die 
Vlaanderen  moesten  beschermen,  tot  zich  had  getrokken,  vielen 
intusschen  de  stroopkorpsen  van  de  Spanjaarden  in  het  Fransche 


Digitized  by 


Google 


14  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUMDIGE  BESCHOUWINGEN. 

grondgebied  en  plunderden  ongestoord  in  de  kasteleinijen  van 
Rijssel  en  van  Doornik.  Zoo  eindigde  de  veldtocht  van  1689  in 
de  Nederlanden." 

Van  onze  zijde  wordt  dat  gevecht  bij  Walcourt  nog  eenigszins 
anders  voorgesteld,  dan  in  de  opgave  van  Rousset,  hierboven 
aangehaald.  In  het  officieele  verslag,  door  Waldeck,  op  den 
avond  van  den  25sten  Augustus  ingezonden  aan  de  Staten-Gene- 
raal,  komt  nagenoeg  het  volgende  voor: 

Een  goed  deel  van  het  leger  der  bondgenooten  was  aan  het 
fourageeren  onder  het  bevel  van  den  generaal  Webbenum,  toen 
het  Fransche  leger  ten  aanvaï  oprukte;  de  fourageurs,  door 
eenige  kanonschoten  gewaarschuwd,  gingen  daarop  terug ;  —  van 
verwarring  of  vlucht  wordt  natuurlijk  niet  gesproken.  —  Om  de 
fourageering  te  beschermen,  was  in  het  dorp  Farge,  of  Faige,  — 
ongeveer  een  half  uur  ten  zuidwesten  van  Walcourt  —  een  800 
man  voetvolk,  onder  den  Engelschen  kolonel  Hodges;  deze, 
aangevallen  door  den  vijand,  bleef  zich  een  paar  uur  verdedigen, 
en  ging  toen,  onder  bescherming  van  eene  afdeeling  ruiterij,  terug 
op  eene  hoogte  nabij  Walcourt.  Die  stad  werd  daarop  aange- 
vallen door  de  Franschen,  en  die  aanval  twee  of  drie  uur  lang 
volgehouden,  maar  zonder  eenige  uitkomst;  de  stad  was  aanvan- 
kelijk alleen  bezet  door  een  bataljon  Lunenburgers  onder  den 
kolonel  Linstau;  later  kwam  daar  ook  het  bataljon  van  den 
kolonel  Holle.  Het  leger  der  bondgenooten  rukte  daarop  vooruit, 
aan  weerszijden  van  Walcourt:  aan  de  eene  zijde  de  generaal 
Aylva  met  3  regimenten,  en  de  generaal  Malbury  (Marlborough) 
met  de  Gardes-du-corps  en  2  Engelsche  regimenten;  aan  de 
andere  zijde  de  generaal  Slangenburg  —  de  latere  overwinnaar 
van  Eeckeren  —  »met  eenige  gedetascheerde  te  voet*';  die  voor- 
waartsche  beweging,  waardoor  het  Fransche  leger  werd  bedreigd 
met  eene  omtrekking,  deed  d'Humières  tot  den  aftocht  beslui- 
ten. —  Wat  de  verliezen  der  Franschen  betreft,  die  zouden  be- 
dragen hebben,  een  400  dooden  en  een  300  gewonden;  — geen 
overdreven  opgave,  als  men  haar  vergelijkt  bij  wat  Rousset  daar- 
over zegt.  Aan  onze  zijde  waren  de  verliezen  gering. 

Dit  verslag  van  Waldeck  heeft  de  eigenschap,  die  meestal  een 
officieel  verslag  van  een  gevecht,  of  veldslag,  kenmerkt,  namelijk 
van  de  zaken  te  gunstig  voor  te  stellen,  en  nóg  meer  van  het 
voor  te  stellen,  alsof  alle  handelingen  bij  dat  gevecht  de  geregelde 
en  ordelijke  uitvoering  zijn  geweest  van  de  beschikkingen  en  be- 
velen van  den  opperbevelhebber.  Andere  opgaven,  ook  van  ónze 
zijde,  maken  het  echter  zeer  duidelijk,  dat  te  Walcourt  alles  niet 
zoo  ordelijk  en  niet  zoo  geregeld  is  toegegaan;  dat  integendeel 
Rousset's  voorstelling  van  den  verwarden  en  overijlden  terugtocht 
van  de  fourageerders  veel  meer  waarschijnlijk  is,  en  dat  het  be- 


Digitized  by 


Google 


WALCOU.<T   (25    augustus).  15 

leid  van  Waldeck  als  legerhoofd  hier  in  geenen  deele  geschitterd 
heeft.  Ziehier  wat  over  dien  aanvoerder  voorkomt  in  de  gedenk- 
schriften van  een  tijdgenoot  en  deelhebber  aan  den  strijd  bij 
Walcourt :  y^Mémoires  de  Monsieur  De  B,  sur  la  cour  Je  Guillaume  Iir\ 
in  het  » Archief  van  Heinsius"  (2'  deel,  blz.  6): 

iHij"  —  Waldeck  —  »had  op  gevorderden  leeftijd  nog  een 
indrukwekkend  en  krijgshaftig  voorkomen;  niemand  kon  beter 
over  krijgszaken  redeneeren  dan  hij,  of  met  meer  nauwgezetheid 
voorzien  in  alle  behoeften  van  een  leger,  in  het  ontwerpen  van 
het  plan  van  een  veldtocht,  in  het  regelen  der  marschen,  in  het 
zorgen  voor  den  leeftocht;  —  hoedanigheden,  die  stellig  wel  de 
voornaamste  zijn  die  men  in  een  generaal  kan  verlangen.  Bij 
krijgsraden  had  hij  zijn  gelijke  niet;  —  maar  bij  het  eerste  schot 
dat  er  werd  gelost,  raakte  zijn  hoofd  op  hol;  en  of  het  geest- 
drift was,  of  ontroering,  dan  was  hij  zichzelf  geen  meester  meer, 
en  ongeschikt  om  bevelen  te  geven.  Men  had  mij  dit  gezegd 
zonder  dat  ik  het  geloofde^  maar  ik  werd  er  van  overtuigd  door 
het  gevecht  bij  Walcourt.  Niets  wetende  van  den  opmarsch  der 
Franschen,  was  ons  leger  aan  het  fourageeren,  of  aan  het  marau- 
deeren,  toen  's  vijands  voorhoede  in  het  gezicht  kwam  van  ons 
kamp,  en  onze  fourageurs  aanviel.  Ik  was  bij  de  fourageurs  van 
onze  brigade;  ik  redde  mij  tijdig  met  de  mijnen,  en  kwam  hem 
daarvan  rapport  maken;  het  gevecht  scheen  slecht  te  zullen 
afloopen  voor  ons,  en  men  begon  terug  te  trekken;  ik  vond 
hem  liggende  bij  een  boom,  op  een  hoogte  vanwaar  hij  alles 
kon  zien  wat  op  de  vlakte  voorviel;  hij  had  het  schuim  op* den 
mond,  en  kon  bijna  niet  spreken.  Men  zeide  hem,  dat  alles  weer 
behouden  terugkwam  in  het  kamp;  dat  bracht  weer  eenig  leven 
in  hem;  en  waarlijk,  het  was  voor  hem  een  bijzonder  geluk  dat 
de  vijand  ook  niets  wist  van  de  wanorde  die  er  bij  ons  was,  en 
dat  hij  ons  den  tijd  liet  om  daarvan  te  bekomen,  en  onze  stel- 
ling te  verdedigen;  zij  vielen  die  toen  aan,  aan  den  kant  van 
Walcourt,  waar  zij  veel  volk  verloren  en  genoodzaakt  waren  met 
schande  af  te  trekken." 

Dit  geeft  geen  schitterend  beeld  van  Waldeck :  een  legerhoofd  dat 
zoodra  de  veldslag  aanvangt,  een  soort  van  vallende  ziekte  krijgt! 

Dr.  P.  L.  Muller,  in  zijn  werk  over  Waldeck,  verwerpt  de  ge- 
loofwaardigheid van  wat  y^Monsieur  De  5."  hier  over  Walcourt  zegt : 

...iWant  iedereen  zal  toch  wel  inzien,  dat  Willem  III  zijne 
legers,  en  het  welzijn  van  de  Republiek  en  van  Europa  niet  zou 
hebben  toevertrouwd  aan  een  veldheer,  zoo  volslagen  onbruikbaar 
juist  op  het  oogenblik  van  den  veldslag.  Voor  het  overige  weet 
men  thans,  hoe  weinig  men  bouwen  kan  op  zulke  i  mémoires". 
Wat  blijft  er  over,  bij  den  grootsten  schrijver  in  dit  opzicht,  bij 
Saint- Simon,  als  men  zijne  dramatische  verhalen  toetst  aan  wat 
het   geschiedkundig   onderzoek    leert?    Men   kan   volstaan   met 


Digitized  by 


Google 


l6  KRIJGS-   EN   GESCHICDKUSDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Rousset  te  raadplegen,  dien  onmeêdoogenden  bestrijder  van  de 
legende  die  de  geschiedenis  vervalscht,  om  in  te  zien  hoe  weinig 
betrouwbaar  dergelijke  anekdoten  zijn.  Zoo  moet  men  ook  hier 
geen  geloof  slaan  aan  die  herinneringen  van  >  Monsieur  De  6.", 
of  aan  de  praatjes  der  hovelingen  van  dien  tijd."  (P.  L.  Muller. 
fVilhelm  lil  von  Oranten  irnd  Georg  Friedrich  van  IValdeck^  2*  deel, 
blz.  65).  Muller  zegt  ook,  dat  Waldeck  een  beproefd  oorlogsman 
was,  wiens  persoonlijke  moed  herhaaldelijk  gebleken  was,  onder 
andere  te  SéneflFe. 

Muller  heeft  uitstekende  hoedanigheden  als  geschiedkundige  en 
als  geschiedschrijver:  hij  is  grondig,  scherpzinnig,  onpartijdig, 
helder  en  duidelijk.  Maar  in  dit  oordeel  over  Waldeck  te  Wal- 
court  gaan  wij  niet  geheel  met  hem  mede. 

Waldeck  was  een  beproefd  oorlogsman  {erprobfer  Kn'eger\  zijn 
persoonlijke  moed  is  herhaaldelijk  gebleken,  onder  andere  te 
Séneffe;  —  wij  hebben  daar  niets  op  tegen;  maar  wij  gelooven 
niet,  dat  dit  de  voorstelling  van  zijn  zwak  gedrag  te  Walcourt 
ongerijmd  maakt ;  wij  herinneren  aan  het  bekende,  „//  fut  brave 
tel  iour''\  dat  op  zoo  menig  krijgsman  van  toepassing  is  geweest; 
Séneffe  is  van  1674,  Walcourt  van  1689,  ^^  '^  een  tijdvak  van 
vijftien  jaren  tusschen  die  beide  gebeurtenissen;  kan  een  mensch 
in  vijftien  jaren  tijds  niet  veranderen?  De  ouderdom  vermindert 
meestal  de  geestkracht;  en  te  Walcourt  was  Waldeck  een  man 
van  ver  gevorderden  leeftijd;  bovendien,  te  Walcourt  was  hij 
opperbevelhebber,  en  kan  hij  neergedrukt  zijn  geweest  door 
zijne  zware  verantwoordelijkheid;  te  Séneffe  was  hij  onder- 
bevelhebber, en  dus  veel  minder  verantwoordelijk. 

Zou  aan  Waldeck,  als  hij  zoo  «volslagen  onbruikbaar'*  was  bij 
een  veldslag,  door  Willem  III  het  opperbevel  zijn  toevertrouwd  ?  — 
>  volslagen  onbruikbaar"  (völlig  unbrauchbaar)^  is  eene  uitdrukking 
niet  vrij  van  overdrijving:  Willem  III  kan  misschien  wel  bespeurd 
hebben,  dat  Waldeck  in  geestkracht  achteruitging,  maar  toch 
geoordeeld  hebben  dat  hij  het  opperbevel  nog  wel  kon  waar- 
nemen ;  zoo  spoedig  mogelijk  wilde  de  Stadhouder  zelf  als  opper- 
bevelhebber optreden,  maar  in  afwachting  daarvan  moest  die  taak 
door  een  ander  worden  waargenomen;  nu  was  de  keus  niet  zoo 
geheel  gemakkelijk;  het  was  voor  Willem  III  niet  de  vraag  om 
opperbevelhebber  te  maken  den  man  die  daartoe  volkomen 
geschikt  was,  —  dien  man  had  hij  misschien  niet  — ;  maar 
hij  moest  nemen  den  man  die  het  minst  ongeschikt  was; 
en  van  Waldeck  wist  de  'Stadhouder,  dat  hij  hem  trouw  en 
eerlijk  was  toegedaan  en  zich  geheel  door  hem  zou  laten  leiden; 
dit  moest  de  keuze  bepalen,  al  was  het  dat  men  leemten  en  ge- 
breken wist  in  Waldeck  als  opperbevelhebber. 

De  schrijvers  van  i mémoires",  zijn  weinig  betrouwbaar;  zelfs 
Saint-Simon  wordt  afgebroken,  als  men  de  historische  criliek  op 


Digitized  by 


Google 


WALCOURT   (25    augustus).  17 

hem  toepast;  —  dat  is  maar  ten  deele  waar.  Men  moet  die 
•  mémoires*'  niet  onvoorwaardelijk  gelooven,  zelfs  Saint-Simon 
niet ;  maar  dat  onvoorwaardelijk  geloof  moet  men  evenmin  schen- 
ken aan  de  bestoven  papieren  van  een  archief,  evenmin  schenken 
aan  ofücieele  stukken;  de  officieel  e  waarheid,  is  meestal  de 
waarheid  niet.  Saint-Simon  —  om  ons  tot  dezen  te  bepalen  — 
slaat  wel  eens  de  plank  mis;  maar  dikwijls  ook  is  hij  weder- 
sproken, zonder  daarom  weder  Ie  gd  te  zijn;  wanneer  hij  bij 
voorbeeld  zegt  dat  Louvois  naar  de  Bastille  zou  zijn  gebracht,  wan- 
neer diens  plotselinge  dood  niet  tusschenbeide  gekomen  ware, 
en  Rousset  dit  tegenspreekt,  dan  is  die  tegenspraak  van 
Rousset  nog  verre  van  eene  wederlegging. 

Ons  besluit  is:  die  ongunstige  voorstelling  van  Waldeck  te 
Walcourt  kan  zeer  goed  waar  zijn. 

In  datzelfde,  door  den  oud-minister  Van  der  Heim  uitgegeven 
archief  van  Heinsius,  waarin  die  » Mémoires  de  Monsieur  De  B." 
voorkomen,  vindt  men  nog  iets  over  Walcourt;  het  is  een  brief 
van  den  generaal  Van  Wassenaar-O bdam  aan  Heinsius. 

De  militaire  naam  van  Obdam  is  later  verloren  gegaan  door 
het  gebeurde  te  Eeckeren,  toen  hij,  terwijl  zijn  leger  den  vijand 
sloeg,  in  een  oogenblik  van  radeloosheid  het  slagveld  verliet,  en 
jals  vluchteling  te  Breda  aankwam.  Maar  in  1689,  en  nog  lange 
aren  daarna,  was  Obdam  algemeen  geacht  als  een  braaf  soldaat, 
die  het  hart  op  de  rechte  plaats  had ;  uit  wat  men  van  hem  weet 
kan  men  echter  gerust  besluiten,  dat  hij  juist  niet  heel  hoog 
timmerde.  Zijn  brief  over  Walcourt  is  geschreven  uit  het  kamp 
van  Thille-Chasteau,  ten  noorden  van  dat  stadje,  en  gedagteekend 
26. Augustus,  den  dag  na  het  gevecht;  veel  bijzonders  vindt  men 
er  juist  niet  in ;  maar  opmerkelijk  is  het,  dat  daarin  van  Waldeck 
met  geen  enkel  woord  wordt  gewaagd;  van  het  leger  wordt 
daarin  gesproken,  van  het  legerhoofd  niet.  Ziehier  dien  brief, 
zooals  die  te  vinden  is  op  bladzijde  9  van  het  2'  deel  van  het 
Archief  van  Heinsius : 

•  Gisteren  zijn  wij  in  gevecht  geweest  met  den  vijand,  die  den- 
kelijk het  feest  van  den  Heiligen  Lodewijk  heeft  willen  vieren; 
maar  hij  is  er  schaap  afgekomen.  Al  onze  troepen,  zoowel  cava- 
lerie als  infanterie,  hebben  zich  zeer  goed  gehouden;  en  hadden 
wij  niet  drie  defilés  vóór  ons  gehad,  met  hellingen,  die  bij  het 
afdalen  en  opklimmen  bang  maken,  wij  zouden  den  vijand  nog 
wel  anders  hebben  onthaald.  De  regimenten  van  de  Gardes  fran- 
(aises  en  van  de  Zwitsersche  garde,  zijn  half  vernield ;  ons  verlies 
is  zeer  gering.  Een  uitvoerig  verslag  van  het  gevecht  zend  ik 
aan  ntijn  vrouw,  met  last  om  het  u  te  doen  geworden;  want  ik 
heb  geen  tijd  om  het  te  laten  afschrijven.  Gij  kunt  niet  gelooven, 
hoe  welgemoed  onze  soldaten  ten  strijd  gingen.  Voor  het  overige 
verwijs  ik  naar  het  verslag. 


WILLEM  m.  —  III. 


Digitized  by  VjOOQIC 


l8  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Gisteren  ben  ik  13  ^  14  uur  te  paard  geweest,  om  mij  rechts 
en  links  te  begeven;  daarna  hebben  de  Graaf  van  Nassau,  de 
Prins  van  Hirckevelt  (?),  de  Heer  van  Webbenum,  en  een  Graaf 
d'Ardagnan  die  krijgsgevangen  is,  en  eenige  andere  Heeren,  bij 
mij  gesoupeerd;  en  een  goed  glas  wijn  heeft  de  vermoeidheid 
verdreven.  Groot  is  de  blijdschap  bij  onze  troepen,  dat  zij  den 
vijand  zoo  goed  hebben  afgeslagen.  Ik  eindig"  enz. 

Nu  wij  toch  aan  dat  Archief  van  Heinsius  zijn,  willen  wij 
daaruit  nog  enkele  brieven  overnemen,  betreffende  de  krijgsver- 
richtingen  van  1689. 

Allereerst  nog  een  brief  van  denzelfden  generaal  Obdam  aan 
Heinsius,  maar  van  vroegere  dagteekening :  van  den  2isteo  Juni 
1689,  uit  de  legerplaats  bij  Heylissem,  ongeveer  een  uur  ten 
zuiden  van  Thienen.  Wat  Obdam  daarin  zegt  over  de  samen- 
stelling en  sterkte  van  het  leger,  beduidt  niet  veel;  want  hij 
spreekt  alleen  over  de  sterkte  die  het  leger  van  de  Republiek 
toen  had,  en  die  later  veranderde;  en  hij  zegt  niet  hoe  sterk 
de  Engelsche  en  Spaansche  troepen  zijn  geweest.  Evenmin  kan 
men  veel  bouwen  op  wat  hij  zegt  van  de  sterkte  van  het  Fransche 
leger.  Dit  schrijven  van  Obdam  bevestigt  intusschen  wat  in  de 
Hollandsche  Mercurius  voorkomt,  over  de  ordeloosheid 
bij  de  Engelsche  troepen.  Ziehier  dien  brief  van  Obdam  (Archief 
van  Heinsius,  2*  deel,  blz.  8): 

...» Thans  zal  ik  u  spreken  over  de  samenstelling  van  ons 
leger;  dat  bestaat  uit  18  bataljons  voetvolk,  24  eskadrons  ruiterij 
en  2  regimenten  dragonders.  Frankrijk's  leger"  —  {yarmée  de 
Frame;  want  Obdam's  brief  is  natuurlijk  in  het  Fransch  ge- 
schreven; de  adel  van  dien  tijd  was  er  nog  meer  afkeerig  van 
de  eigen  taal  te  gebruiken  dan  in  onze  dagen)  —  >  bestaat  uit 
24  bataljons  voetvolk  en  60  eskadrons  ruiterij;  gisteren  hebben 
wij  dit  vernomen  met  zekerheid.  De  sterkte  van  hunne  dragon- 
ders weet  ik  niet.  Zie  nu  eens  aan,  hoe  wij  in  het  open  veld 
kunnen  blijven  tegenover  een  zoo  sterke  ruiterij,  en  welke  ope- 
ratiën  wij  kunnen  aanvangen  met  zulk  een  handvol  volks.  Onze 
Staten  denken  altijd  dat  zij  zooveel  troepen  hebben;  en,  moet 
men  ze  gebruiken  in  verschillende  landstreken,  dan  komen  er 
overal  te  kort.  In  Vlaanderen  roept  men  om  hulp,  die  wij  niet 
kunnen  geven;  't  is  ellendig;  ik  wilde  dat  die  Heeren  eens  hier 
waren  om,  zelve,  het  te  zien ;  en  het  is  wel  naar,  dat  men  nog 
niet  besloten  heeft  tot  het  aanwerven  van  die  14  compagnieën 
ruiterij.  Waarlijk,  daar  moet  wat  meer  veerkracht  zijn;  bij  gemis 
daarvan  hebben  thans  vele  van  onze  regimenten  nog-  maar 
3  compagnieën,  terwijl  de  andere  er  6  hebben."  (Waarschijnlijk 
wordt  hier  gesproken  van  regimenten  ruiterij),  ilk  bid  u,  breng 
die  zaak  tot  stand,  voor  het  welzijn  van  *s  lands  dienst.  Geen 


Digitized  by 


Google 


WALCOURT   (25    augustus).  I9 

onzer  generaals  kan  het  begrijpen,  dat  men  zoo  traag  is,  in  zoo 
dringenden  nood ;  en  dat  men  die  arme  kapiteins  tot  den  bedel- 
staf brengt,  die  zoo  groote  uitgaven  hebben  gedaan  in  het  ver- 
trouwen op  de  lastgeving  van  den  Staat... 

Zes  Ëngelsche  regimenten  zijn  hier  in  de  nabijheid  gekomen; 
maar  het  zijn  zulke  onordelijke  troepen,  dat  men  niet  weet  hoe 
er  meê  om  te  springen  (on  ne  sgait  ^  quelle  sauce  les  mettré)\  en 
zij  zullen  eene  groote  wanorde  in  het  leger  brengen,  waar  thans 
alles  vrij  ordelijk  toegaat,  zoodat  boeren  en  boerinnen  daar 
ongehinderd  komen  met  allerlei  koopwaar.  Kortom,  een  groot 
geluk  is  het  voor  ons,  dat  de  vijand  zoo  rustig  in  zijne  kwar- 
tieren blijft;  want  trok  hij  tegen  ons  op,  dan  zouden  wij  in 
groote  verlegenheid  zijn..." 

In  een  anderen  brief  van  Obdam  wordt  nog  het  volgende  ge- 
zegd over  die  Ëngelsche  troepen:  >het  is  droevig  om  te  zien; 
Graaf  Marlborough  doet  alles  wat  hij  kan,  maar  de  Kapiteins 
hebben  er  zoo  weinig  zorg  voor,  dat  het  een  schande  is;  zij  be- 
handelen de  soldaten  als  honden,  ontnemen  hun  de  kleeren  nog 
vóór  zij  dood  zijn,  en  laten  hen  moedernaakt  op  de  weg  leggen ; 
in  één  woord,  zij  zijn  zonder  eenig  mededoogen.*' 

Niemand  zou  wenschen,  dat  thans  ons  leger  behandeld  werd 
als  vroeger  het  leger  van  de  Republiek;  —  maar  men  moet  dat 
leger  van  de  Republiek  vergelijken  met  de  legers  van  denzelfden 
tijd ;  en  doet  men  dat,  dan  komt  men  tot  de  overtuiging  dat  de 
soldaat  van  de  Republiek  toch  veel  beter  werd  verzorgd  dan  de 
Ëngelsche  soldaat,  of  de  Fransche,  of  ieder  ander  soldaat. 

Nu  was  Willem  III  ook  ijverig  in  de  weer  om  voor  het  leger 
te  zorgen;  en  uit  verschillende  van  zijne  brieven  aan  Heinsius 
—  ook  van  1689  —  blijkt  hoe  weinig  geduldig  hij  was,  als  de 
Staten  zich  te  veel  wilden  mengen  in  het  legerbeheer.  In  die 
brieven  —  ook  ontleend  aan  het  Archief  van  Heinsius  —  klinkt 
een  scherpe  en  gebiedende  toon,  die  duidelijk  bewijst  dat  hij 
toen  reeds  Koning  van  Engeland  is  .geworden.  Zoo  schrijft  de 
vorst  uit  Hampton  Court,  2/12  April  1689,  aan  Heinsius: 

»Ick  ben  geïnformeert  datter  wert  gesproocken  ofte  gedelibe- 
reert  wcegens  het  senden  van  gedeputeerden  te  velde  met  den 
Vorst  van  Waldeck;  ick  versoeck  dat  UEd.  het  wil  daertoe 
dirigeren,  datter  met  voorsigtigheyt  magh  werden  geprocedeert 
ende  dat  die  Heeren  niet  te  veel  autoriteit  magh  werden  ge- 
geven, want  anders  sal  het  alles  in  confusie  gaen,  en  strecken 
ten  uyterste  tot  ondienst  van  den  Staet;  daer  dient  oock  sorgh 
gedraegen  te  werden,  dat  er  persoonen  werden  gekoosen  die 
reckelijk  sijn  en  met  den  Vorst  van  Waldeck  kunnen  overeen- 
komen. Ick  soude  oordeelen,  dat  het  het  best  soude  sijn,  indien 
UEd.  het  daer  toe  kost  dirigeeren,  dat  het  maer  gedeputeerden 


Digitized  by 


Google 


20  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

waeren  uyt  den  Raet  van  Staten  en  Gecomitt.  Raeden,  als  het 
in  mijn  tijt  was,  als  ick  het  leeger  commandeerde,  want  indien 
het  Gedeput.  uyt  de  Staten^Generael  sijn,  vrees  ick,  dat  die  te 
veel  autoriteit  sullen  willen  hebben,  dat  niet  als  confusie  kan 
baeren  tot  groot  nadeel  van  't  landt..." 

In  een  anderen  brief  van  Willem  III  aan  Heinsius  (Hampton  Court 
17/24  Juni  1689)  schrijft  de  Stadhouder  ook  over  het  niet  aanwerven 
van  die  14  compagnieën  ruiterij,  en  uit  daarover  dezelfde  klach- 
ten als  voorkomen  in  den  reeds  aangehaalden  brief  van  Obdam : 

. . .  >  't  Is  droevigh  in  desen  tijt  van  de  tergiversatie  van  de 
Provintien  in  't  aenneemen  van  de  14  comp.  paerden;  ick  heb 
daer  nogmaels  aen  Zeelandt  over  gescreven,  ende  UEd.  dient 
het  nogh  te  pousseeren  soo  veel  doenlijck.  —  Het  is  seecker 
dat  Vranckrijck  alle  artificien  sal  gebruycken  om  de  Provintien 
en  leeden  van  dien  onder  den  anderen  te  brouilleren  ende  inson- 
derheyt  van  die  teegens  mij  op  te  zetten..."  enz. 

Als  men  zoo  nagaat  hoe  het  krijgsbeheer  toen  in  elkander 
zat,  dan  komt  men  tot  de  overtuiging,  dat  die  instelling  der 
>  Gedeputeerden  te  velde"  dikwijls  het  onderwerp  is  geweest  van 
overdreven  en  onbillijke  declamatiën,  —  zoowel  van  ónze  schrij- 
vers als  van  buitenlandsche.  Stelt  men  de  vraag  in  het  afge- 
trokkene:  tis  die  instelling  goed"?  dan  natuurlijk  moet  het  ant- 
woord zijn:  9 neen,  die  instelling  is  niet  goed;  want  in  den 
oorlog  moet  eenheid  zijn,  en  het  opperbevel  over  een  leger  moet 
aan  slechts  één  man  worden  opgedragen."  Maar  het  kwaad  dat 
er  in  die  instelling  was  gelegen,  werd  verminderd,  soms  geheel 
weggenomen  door  twee  oorzaken.  Vooreerst  waren  die  Gedepu- 
teerden te  velde  in  den  regel  niet  die  onbekwame,  bekrompene 
menschen  zooals  men  ze  soms  belieft  af  te  schilderen;  integen- 
deel, het  waren  meestal  mannen  van  verstand,  van  ondervinding 
en  doorzicht,  die  krijgskennis  bezaten,  en  die  vaak  belangrijke 
diensten  bewezen  bij  het  regelen  van  die  handelingen,  die  thans 
bij  een  leger  te  velde  tot  den  werkkring  worden  gerekend  van 
den  Generalen  Staf  en  van  de  intendance.  En  ten  tweede  waren 
die  Gedeputeerden  te  velde  alleen  belemmerend  voor  een  zwak 
en  onbekwaam  legerhoofd;  een  bekwaam  stadhouder,  —  zooals 
onder  anderen  Willem  III,  —  zorgde  er  wel  voor,  dat  die  Ge- 
deputeerden te  velde  wat  »reckelijck"  waren  en  tniet  te  veel 
autoriteit"  kregen ;  een  legerhoofd  als  Maurits,  als  Frederik  Hen- 
drik, als  Willem  III,  had  in  het  geheel  geen  last  van  de  instel- 
ling van  de  Gedeputeerden  te  velde;  hij  maakte  van  die  instelling 
»een  wassen  neus";  en  zelfs  trok  hij  er  soms  partij  van,  om  op 
anderen  de  verantwoordelijkheid  te  doen  nederkomen  van  han- 
delingen, die,  nam  hij  alleen  ze  op  zich,  zijn  naam  afbreuk 
zouden  kunnen  doen  in  het  oordeel  van  het  algemeen. 


Digitized  by 


Google 


WALCOURT   (25    AUGUSTUS).  21 

Men  werpe  ons  niet  tegen,  Marlborough  in  den  veldtocht  van 
1705;  want  in  1705  hadden  de  Gedeputeerden  te  velde  wel 
degelijk  de  zaak  bij  het  goede  einde,  Marlborough  had  ongelijk ; 
en  om  zijne  misslagen  te  verbergen,  wierp  de  listige  Ëngelschman 
toen  alle  verantwoordelijkheid  op  de  Gedeputeerden  te  velde, 
alsof  deze  hem  door  hun  tegenstand  belet  hadden  eene  bijna 
zekere  overwinning  te  behalen,  terwijl  zij  hem  integendeel  bewaar- 
den voor  eene  nederlaag  die  de  ergste  gevolgen  had  kunnen  hebben. 

Dat  Waldeck,  na  het  gevecht  bij  Walcourt,  het  behaalde  voor- 
deel niet  doorzette  en  d'Humières  niet  op  zijne  beurt  aanviel, 
wordt  hem  door  Willem  III  als  een  misslag  toegerekend;  >gij 
hebt  toen  te  voorzichtig  gehandeld",  is  het  verwijt,  dat  hij  in 
een  zijner  brieven  tot  Waldeck  richt. 

Er  zijn  redenen  om  de  gegrondheid  van  dat  verwijt  in  twijfel 
te  trekken:  de  Stadhouder,  ja,  zou  zóó  gehandeld  hebben,  als 
hij  wilde  dat  Waldeck  had  gehandeld;  en  onder  zijne  krachtige 
leiding  had  die  aanval  op  d'Humières  mogelijk  wel  tot  eene 
overwinning  kunnen  leiden.  Maar  van  een  zoo  weinig  krachtvol 
legerhoofd  als  Waldeck  was  zulk  een  aanval  niet  te  wachten; 
en  ware  zij  ondernomen,  zij  zou  denkelijk  eene  slechte  uitkomst 
hebben  gehad.  Wat  de  een  kan,  kan  daarom  de  ander  nog  niet. 

Dat  Willem  III  echter,  niettegenstaande  die  berisping,  zeer 
goed  gezind  bleef  jegens  Waldeck,  blijkt  uit  den  volgenden  brief, 
door  den  Stadhouder  aan  Heinsius  geschreven,  uit  Hampton 
Court  den  17/27  September  1689.  Bij  Waldeck's  leger  had  men 
toen,  behalve  hem  zelven,  nog  twee  andere  veldmaarschalken, 
namelijk:  Hendrik  Casimir,  den  Stadhouder  van  Friesland;  en 
den  graaf  van  Nassau-Sarbruck.  Gedeputeerden  te  velde  waren 
toen  de  Heeren  Van  Noordwijk  en  Van  der  Cloese.  Willem  III 
schijnt  gevreesd  ie  hebben,  met  of  zonder  grond,  dat  door  die 
allen  inbreuk  zou  worden  gemaakt  op  het  gezag  van  Waldeck; 
en  dat  ook  de  Raad  van  State  zich  te  veel  inliet  met  het  beheer 
van  de  krijgszaken;  en  op  gebiedenden  toon  verheft  zich  de 
Stadhouder  tegen  wat,  in  zijn  oog,  inbreuken  waren  op  zijn 
eigen  gezag: 

>  De  Conduite  van  den  Raat  van  Staaten  begint  in  alle  zaaken 
onverdragelijk  te  werden.  Zij  hebben  ordre  aan  den  Hr.  Van 
der  Cloese  gesonden,  om  aen  de  drie  veltmaarschalken  in  't  leeger 
haare  sentimenten  te  vraagen,  hoe  de  trouppes  van  de  Staat 
deesen  winter  te  logeeren,  een  saack  daer  sij  niet  meede  te 
doen  hebben,  want  al  hoe  wel  mij  ofte  den  vorst  van  Waldek 
in  mijn  naem  het  regt  van  patenten"  (marschorders)  »ie  geeven 
soude  werden  gedisputeert  (*t  welk  ik  niet  en  zal  lijden)  soo  is 
het  in  alle  gevalle  aan  haar  dispositie  niet,  maar  aan  H.  H.  E. 
Mog.;  zoo  dat  in  deese  saak  twee  malitien  steeken,  de  eene  om 


Digitized  by 


Google 


22  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

mijn  authoriteit  te  verminderen  en  d' andere  om  den  vorst  van 
Waldeck  egaal  te  stellen  met  de  twee  andere  Veltmaerschalken, 
daer  hij  en  chef  commandeert.  Dit  moet  het  werk  weesen  van 
den  Hr.  Huybert,  ofte  den  Secretaris  Slingelandt,  ofte  mogelijk 
alle  beide  te  saaraen,  al  hoe  wel  zij  in  andere  zaaken  niet  eens 
en  zijn.  De  eerste  heeft  nog  een  zaak  gedaen  die  onverdragelijk 
voor  mij  is,  dat  hij  zijnde  alleen  present  in  den  raad,  de  Majoors- 
plaats  van  de  Stadt  van  Breda  heeft  vergeeven,  daar  ik  zonder 
dispuyt  het  vergeeven  heb  van  Commandeursplaetsen;  dat  dit  van 
Majoor  altoos  apart  is  geweest,  ja  dat  ik  ook  zelf  heb  vergeeven, 
zoo  dat  ik  daar  over  in  krachtige  termen  aan  den  Raad  heb 
geschreeven  en  aan  den  Gouverneur  belast,  dien  aangestelden 
majoor  niet  t'  erkennen  en  indien*  deselve  aireede  in  functie  was, 
daer  uyt  te  stellen.  UEd.  wil  zig  weegens  deeze  zaake  infor- 
meeren  ende  zoo  veel  doenelijk  tragten  te  prevenieeren  dat  sulke 
impertinentie  niet  meer  en  geschiedde.  Het  waar  niet  quaad  dat 
UEd.  daer  over  selfs  sprak  met  den  Secret.  Slingeland;  ik  be- 
klaag den  goeden  vorst  van  Waldeck  van  al  mijn  hart,  weegens 
alle  de  moeijelijkheeden  en  wederwaardigheden,  die  hem  werden 
continueelijk  aangedaan:  hij  moet  werden  gemaintineerd  of  hij 
kan  den  dienst  van  'c  land  niet  blijven  waarneemen.** 

Geen  malsche  brief;  integendeel:  een  brief  die  op  pooten 
staat.  —  Een  enkele  opmerking  daarover. 

Natuurlijk  niet  over  den  stijl  of  de  spelling  van  dien  brief; 
daarop  mag  men  bij  Willem  III  niet  letten:  hij  was  de  man  van 
daden,  niet  van  woorden;  omtrent  de  spelling  bekreunt  hij  zich 
dan  ook  hoegenaamd  niets :  in  denzelfden  brief  nu  eens  Waldek, 
zonder  c.  dan  weer  Waldeck,  met  een  c;  nu  eens  Slingelandt, 
met  een  /,  dan  weer  Slingeland,  zonder  /,•  dan  eens  de  aa^  dan 
weer  ae  enz.  Maar  dat  zijn  beuzelingen,  waarbij  men  zich  niet 
mag  ophouden;  —  iels  anders  bedoelt  de  opmerking,  die  wij 
hier  willen  maken. 

Willem  III  handhaafde  een  groot  gezag  in  de  Republiek,  dit 
is  onbetwistbaar:  wanneer  hij  echter  deswege  spottenderwijze 
wordt  genoemd  > Koning  van  Holland",  dan  moet  men  dit  vol- 
strekt niet  zóó  verstaan,  dat  het  gezag  van  den  Stadhouder 
onbeperkt  was,  dat  het  zoo  wat  gelijkstond  met  het  gezag  van 
Lodewijk  XIV  of  andere  vorsten  van  dien  tijd :  daartusschen  was 
nog  een  groot  verschil.  Ontmoette  de  Stadhouder  tegenstand  of 
tegenwerking  bij  zijne  openbare  handelingen,  dan  wees  hij  op 
krachtigen  en  onbewimpelden  toon  aan,  dat  die  tegenstand  onrecht- 
matig was,  en  dan  wist  hij  die  tegenwerking  meestal  te  doen 
ophouden.  Maar  Lodewijk  XIV  had  geen  aanwending  van  drang- 
redenen  of  van  invloed  noodig  om  tegenwerking  bij  zijne  regee- 
ringshandelingen  te  overwinnen:  hij  had  de  Bastille;  om  niet  te 
spreken  van   zwaardere  straffen,   die  hij   ongehinderd  kon  aan- 


Digitized  by 


Google 


WALCOURT   (25    augustus).  23 

wenden.  Vandaar  dan  ook,  dat  in  Frankrijk  niemand  het  toen 
lichtelijk  waagde  inbreuk  te  maken  op  'sKonings  gezag;  wie  het 
deed,  stelde  zich  daardoor  in  den  toestand  van  openlijke  rebellie. 
Het  gezag  van  Willem  III  in  Holland  was  van  een  geheel 
anderen  aard :  het  berustte  op  den  grooten  invloed  van  zijn  persoon. 

Maar  niet  op  dien  persoonlijken  invloed  alleen :  als  middel  om 
zijn  gezag  te  schragen^  of  uit  te  breiden,  bezigde  de  Stadhouder 
ook  de  omkooping;  en  dit  is  eene  der  schaduwzijden  geweest 
van  zijn  bestuur  over  de  Republiek. 

Men  moet  dat  woord  omkooping  nu  niet  nemen  in  die  be- 
perkte beteekenis,  die  eenmaal  de  Engelsche  minister  Walpole 
daaraan  gaf,  toen  hij  zeide,  dat  hij  wist  voor  welke  som  hij  ieder 
lid  van  het  Parlement  voor  zich  kon  winnen:  omkooping  kan 
plaats  hebben  ook  zonder  geld,  alleen  reeds  door  het  begeven 
van  ambten,  waardigheden  of  eereblijken.  In  dien  zin  bracht 
Willem  III  toen  in  Holland  de  omkooping  in  toepassing:  bij  het 
begeven  van  hooge  of  winstgevende  betrekkingen  had  hij  dikwijls 
óf  de  beslissende  stem,  óf  oefende  hij  ten  minste  grooten  invloed 
op  de  begeving;  dit  wist  men;  en  vandaar,  dat  wie  naar  zulk  eene 
betrekking  dong,  de  gunst  trachtte  te  winnen  van  Willem  III; 
vandaar  dat  het  den  Stadhouder  niet  moeilijk  viel  om,  door  dit 
middel,  zich  aanhangers  te  verwerven,  of  tegenstanders  tot  zwijgen 
te  brengen.  Is  dit  iets  anders  dan  omkooping? 

Men  werpe  ons  hier  niet  tegen,  dat  zulk  een  wijze  van  regeeren 
de  gewone  gang  van  zaken  is^  en  dat  ook  in  ónze  dagen  om 
ambten  wordt  verzocht  en  gekuipt;  —  dit  moge  waar  zijn,  toch 
lijdt  het  geen  twijfel,  dat  dit  kwaad  thans  niet  in  die  mate  voor- 
komt, niet  op  zoo  onbeschaamde  wijze  als  op  het  einde  van  de 
17e  eeuw  in  de  Republiek;  het  was  toen  een  gesolliciteer  en  een 
geïntrigeer  zonder  einde;  men  wordt  er  weê  van  als  men  het 
leest  £en  man  die  een  hooge  betrekking  heeft  bekleed,  is  nauw 
dood,  zijn  lijk  is  nog  niet  koud,  of  er  wordt  reeds  gevraagd  om 
die  betrekking;  zelfs  wacht  men  soms  het  overlijden  niet  af, 
maar  bouwt  zijn  verzoek  op  den  hoogen  leeftijd,  of  eene  zware 
ziekte  van  den  man  naar  wiens  ambt  men  dingt. 

Dat  verderfelijke  regeeringsbestuur  deed  ook  op  de  inrichting 
van  het  krijgswezen  zijn  invloed  gelden,  en  was  de  oorzaak  van 
het  in  stand  houden  van  menig  misbruik.  In  dezen  tijd  komt, 
in  een  der  brieven  van  Willem  III,  zijn  voornemen  voor  om  bij 
de  infanterie  van  de  Republiek  het  regiment  samen  te  stellen  uit 
16  compagnieën;  daarvan  zullen  er  12  te  velde  trekken,  en  de 
4  andere  in  bezetting  komen  in  eene  vesting,  en  dienen  tot  aan- 
vulling van  de  verliezen  der  veldcompagnieën ;  —  het  is,  zooals 
men  ziet  en  zooals  ook  Muller  opmerkt,  eene  toepassing  van 
het  tegenwoordige  stelsel  der  depötbataljons;  een  zeer  goed 
stelsel;   dat  •  voornemen  bewijst  welk  een  helder  en  juist  inzicht 


Digitized  by 


Google 


24  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

de  Stadhouder  had  in  de  inrichting  van  het  krijgswezen.  Maar 
het  is  bij  het  inzicht  gebleven;  de  uitvoering  heeft  niet  plaats 
gehad;  zelfs  komt  de  Stadhouder,  later,  daar  niet  op  terug;  — 
waarom  niet?  —  Denkelijk  omdat  hij  heeft  begrepen,  dat  die 
voorgenomen  maatregel,  heilzaam  voor  het  algemeen  belang,  af 
zou  stuiten  op  het  bijzonder  belang  van  allen,  die  door  dien 
maatregel  geldelijk  benadeeld  zouden  worden. 


In  Duitschland  hadden  de  krijgsverrichtingen  van  1689  zich 
hoofdzakelijk  bepaald  tot  het  beleg  en  de  inneming  van  Bonn 
en  van  Mainz,  en  tot  eenige  voorafgaande  krijgsverrichtingen  bij 
den  neder-Rijn;  de  laatste  misschien  weinig  belangrijk,  maar  die 
ook  daarom  vermelding  verdienen  omdat  troepen  van  de  Repu- 
bliek daaraan  een  gewichtig  aandeel  hadden. 

In  het  begin  van  Maart  was  eene  HoUandsche  troepenmacht 
Kleefsland  binnengerukt,  om,  in  verband  met  een  Brandenburgsch 
leger,  de  Fransche  troepen,  die  het  bisdom  Keulen  in  bezit  had- 
den genomen,  daaruit  te  verdrijven.  Hoe  sterk  die  afdeeling  was^ 
die  de  Republiek  hier  deed  optreden,  is  niet  met  zekerheid  te 
zeggen;  die  sterkte  moet  niet  onaanzienlijk  zijn  geweest,  daar 
later  7  regimenten  ruiterij  naar  de  Nederlanden  terugkeerden,  en 
desniettemin  bij  het  beleg  van  Bonn  ook  nog  HoUandsche  troe- 
pen aanwezig  zijn  geweest.  De  Brandenburgsche  generaal  Schöning 
schijnt  het  opperbevel  te  hebben  gevoerd  over  die  vereenigde 
macht;  maar  onze  generaal  Aylva  is  bevelhebber  geweest  van 
de  voorhoede,  en  was  een  van  de  krachtigste  aanvoerders.  Die 
Fries  verdient  eene  bijzondere  vermelding. 

Aylva  behoorde  tot  dat  oude  geslacht,  in  Friesland's  geschie- 
denis zoo  beroemd,  maar  thans  geheel  uitgestorven,  zooals  meer 
andere  historische  Friesche  geslachten.  Zijne  landgenooten  hebben 
wel  eens  het  zwak,  de  deugd  der  vaderlandsliefde  te  overdrijven; 
en  van  den  hoogen  lof  waarmede  zij  gewoon  zijn  te  gewagen 
van  Friesche  mannen  en  van  Friesche  instellingen,  moet  men 
soms  wel  een  weinig  afdingen;  —  maar  den  lof  dien  zij  dezen 
Aylva  toezwaaien,  berust  denkelijk  op  goede  gronden;  en  uit 
alles  schijnt  te  blijken,  dat  hij  een  ideaal  is  geweest  van  een 
held  en  van  een  oorlogsman.  In  de  reeds  aangehaalde  yyMémoires 
de  Monsieur  de  B.  sur  la  cour  de  Guillaume  Iir\  leest  men  onder 
andere  over  Aylva  het  volgende: 

»De  Heer  Van  Aylva,  een  Friesch  edelman  en  Luitenant- 
Generaal,  was  een  ware  god  Mars,  wat  het  voorkomen,  de  dap- 
perheid en  de  goede  hoedanigheden  betrof.  Moedig  in  den  oor- 
log, was  hij,  in  het  gewone  leven,  goed,  gemeenzaam  en  eerlijk 
tegen  iedereen.  Vol  trouw  en  ijver  voor  zijn  vaderland,  zou  hij 
dit   tot  roem   en   tot   steun  zijn  geweest,  indien  hij  niet  ontijdig 


Digitized  by 


Google 


OPERATIËN  IN   KLBEFSLAND.  25 

ware  gestorven,  door  den  val  van  een  paard,  toen  hij  nog  zoo 
nuttig  bad  kunnen  zijn." 

Met  dat  laatste  bedoelt  die  heer  de  B.,  dat  hij  het  betreurt  dat 
Aylva  door  den  dood  werd  verhinderd  om  deel  te  nemen  aan 
den  Spaanschen  successie-oorloge  >^aar  zijne  krijgsdeugd  hem 
zeer  zeker  nog  grooteren  roem  zou  hebben  doen  verwerven. 

Den  loen  Maart  1689  rukte  Aylva  op  van  Xanten,  met  de 
ruiterij  en  dragonders  der  Republiek,  eenige  musketiers  en  3 
lichte  veldstukken;  te  Alpen  had  de  vereeniging  plaats  met  de 
Brandenburgsche  ruiterij,  die,  onder  Schöning,  van  Wezel  was 
gekomen ;  de  vereenigde  macht  zette  dien  dag  den  marsch  voort 
in  zuidelijke  richting  tot  aan  het  klooster  te  Kamp,  en  lichtte 
eene  vijandelijke  veldwacht  op.  Den  iien  werd  de  marsch  in 
zuidelijke  richting  voortgezet;  Aylva  had  de  voorhoede;  te  Meurs 
vernam  men  dat  een  vijandelijk  konvooi  van  150  met  koren  be- 
laden karren,  voor  Rijnberk  bestemd  en  begeleid  door  een  300 
man  voetvolk,  op  het  vernemen  van  den  opmarsch  der  Hollan- 
ders ijlings  was  teruggekeerd;  Aylva  rende  daarop  vooruit  met 
de  dragonders  en  3  eskadrons  ruiters;  en  een  2^3  uur  voorbij 
Meurs,  bij  het  stadje  Ordingen  aan  den  Rijn,  gelukte  het  hem 
het  konvooi  in  te  halen,  ie  nemen,  en  de  helft  der  bedekking 
gevangen  te  maken.  Nu  moet  hierbij  worden  gevoegd,  dat  die 
bedekking  bestond  uit  Duitsche  troepen,  die  denkelijk  niet  veel 
lust  hadden  om  voor  de  zaak  van  Frankrijk  te  vechten;  in  zijn 
rapport  aan  Waldeck  schrijft  Aylva  dan  ook  —  na  gezegd  te 
hebben  dat  de  Hollandsche  troepen  geen  enkelen  man  ver- 
loren — ,  van  de  Duitschers:  »hier  uyt  kan  Uw  Hoogheyt  oor- 
deelen,  dat  sij  baer,  sonder  te  verweeren,  overgegeven  hebben." 

Den  i2en  Maart,  legen  den  middag,  kregen  de  bondgenooten 
te  Ordingen  bericht,  dat  eene  vijandelijke  macht,  van  Neuss 
komende,  tegen  hen  in  aantocht  was;  dadelijk  opgezeten,  vond 
de  ruiterij  van  Aylva  den  vijand  dan  ook  in  slagorde,  nagenoeg 
ter  hoogte  en  tegenover  Keizersweert ;  het  was  een  800  man 
voetvolk  en  een  25  eskadrons,  onder  De  Sourdis.  Na  de  stelling 
der  Franschen  te  hebben  verkend,  besloot  men  die  aan  te  vallen ; 
maar  De  Sourdis,  dien  aanval  niet  afwachtende,  ging  op  Neuss 
terug,  bij  dien  terugtocht  ieder  défilé  dat  hij  doortrok,  bezettende 
met  afgestegen  dragonders.  Aylva,  met  zijne  ruiterij  den  vijand 
nazettende,  met  zooveel  drift  dat  hij  op  het  laatst  maar  een 
derde  deel  van  zijne  macht  bij  zich  had,  verdreef,  voor  en  na, 
de  dragonders  uit  de  engten  die  zij  bezet  hielden;  haalde,  op 
een  uur  afstands  van  Neuss,  De  Sourdis  in;  en  bracht  hem  een 
geheele  nederlaag  toe;  —  de  Franschen  verloren  hier  meer  dan 
500  man,  terwijl  van  de  Nederlanders  slechts  10  man  sneuvelden. 
Dit  gevecht  verspreidde  zooveel   schrik  bij   den  vijand,  dat  hij 


Digitized  by 


Google 


26  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

den  i3en  Neuss  ontruimde  en  op  Bonn  terugtrok,  >in  de  grootste 
haest  ende  confusie  van  de  werelt",  zegt  Aylva.  Het  sterke  kas- 
teel van  Linne  —  een  klein  half  uur  ten  zuiden  van  Ordingen  — 
gaf  zich  toen  over  nnet  een  honderd  man  die  daar  in  bezetting 
waren;  Neuss  werd  zonder  slag  of  stoot  bezet;  Rijnberk  werd 
niet  aangevallen,  maar  gaf  zich  —  half  Mei  —  zonder  verdedi- 
ging over;  en  Keizersweert  volgde  den  25stcn  Juni  dit  voorbeeld, 
na  eene  verdediging  die  maar  vier  dagen  duurde. 


Met  Bonn  ging  het  minder  goed ;  daar  was  eene  sterke  Fransche 
bezetting,  een  8000  man ;  en,  wat  meer  zegt,  een  uitstekend  be- 
velhebber, d'Asfelt,  een  man  van  groote  bekwaamheid  en  moed. 
Willem  III  was  dan  ook  zeer  tegen  dat  belegeren  van  Bonn, 
waardoor  gedurende  het  jaar  1689  een  aanzienlijke  legermacht 
werd  beziggehouden,  die  hij  gaarne  in  de  Nederlanden  had 
werkzaam  gezien:  »'t  is  ten  uytersten  bedroeft"  —  zoo  schreef 
hij  den  13/235160  Augustus  1689  uit  Hampton  Court  aan  Hein- 
sius  —  9  en  nog  schadelijker  de  onseeckerhejd  van  de  Branden- 
burgsche  resolutien,  ende  de  laatste  die  deselve  heeft  genoomen 
om  nu  Bon  effectivelijck  te  beleegeren  is  de  qualijkste  partij 
van  allen  die  hij  naer  mijn  oordeel  koste  neemen,  en  't  welck  de 
operatien  van  de  andere  armeen  teenemael  zal  deconcerteeren, 
ende  waar  het  nog  mogelijk  zoo  diende  de  Keurvorst  van  dat  des- 
sein  te  worden  gedetourneert."  (Archief  van  Heinsius,  2"  deel,  blz.  4). 

Maar  het  was  niet  mogelijk  om  den  Keurvorst  » van  dat  dessein 
te  detourneeren" ;  hij  bleef  er  bij,  dat  Bonn  moest  worden  belegerd; 
in  de  eerste  dagen  van  Juli  begon  dat  beleg,  en  eerst  den  i2en 
October  1689  had  de  overgave  plaats;  —  een  beleg  dat  dus  drie 
maanden  duurde,  en  dat  den  bondgenooten  op  zware  verliezen  kwam 
te  staan.  De  Fransche  bezetting,  tot  op  een  groote  5000  man 
verminderd,  verwierf  vrijen  uittocht;  d'Asfelt  stierf  kort  daarna 
aan  zijne  wonden,  »met  de  roem**  —  zegt  de  HoUandsche 
Mercurius  —  > van  sigh  een  wacker  soldaet  getoont  te  hebben." 

De  lange  duur  van  het  beleg  van  Bonn  was  ook  eenigszins  toe' 
te  schrijven  aan  het  gedurende  eenigen  tijd  minder  krachtig  door- 
zetten van  dat  beleg,  doordat  eene  Branden burgsche  afdeeling 
van  een  6000  man  van  Bonn  naar  Mainz  werd  gezonden,  om 
mede  te  werken  tot  den  val  van  die  laatste  vesting.  In  Coehoorn's 
levensbeschrijving  door  zijn  zoon  komt  ook  de  bewering  voor, 
dat  de  werkzaamheden  van  het  beleg  op  verkeerde  wijze  werden 
bestuurd;  dat  de  groote  vestingbouwkundige,  die  als  aanvoerder 
van  een  regiment  voetvolk  dat  beleg  bijwoonde,  den  Keurvorst 
dat  verkeerde  aanwees;  en  dat  het  opvolgen  van  Coehoorn's 
raad  daarop  den  val  der  vesting  heeft  bespoedigd;  —  in  hoever 
die  bewering  gegrond  is,  valt  moeilijk  te  zeggen. 


Digitized  by 


Google 


MAINZ.  27 

Het  beleg  van  Mainz,  den  6en  Juli  1 689  door  den  hertog  van 
Lotharingen  met  een  rijksleger  begonnen,  eindigde  daarmede  dat 
de  Fransche  bevelhebber  d'Uxelles  den  Qcn  September  zijne  ves- 
ting overgaf,  een  vrijen  aftocht  bedingende  voor  de  bezetting, 
die  nog  een  kleine  7000  man  uitmaakte.  De  verdediging  van 
Mainz  is  goed  geweest  en  heeft  den  belegeraar  nog  al  verliezen 
gekost;  die  verdediging  zou  langer  hebben  geduurd,  ware  Mainz 
genoegzaam  voorzien  geweest  van  buskruit:  het  gebrek  daaraan 
verhaastte  de  overgave.  De  beschuldiging,  bij  Rousset  voorkomende, 
dat  de  Duitschers,  na  de  overgave  van  Mainz,  eenige  gewonde  Fran- 
sche soldaten  in  den  Rijn  hebben  verdronken,  wordt  eenigszins 
bevestigd  door  de  volgende  opgave  in  de  Hollandsche  Mer- 
curius:  >Uyt  de  St.  Stephens  kerck  voerde  men  veele  karren 
met  doode  fransse  na  den  Rhijn  en  wierp  ze  van  *t  lant  af; 
daer  onder  uyt  het  geluyt  maken  gegist  wiert,  dat  sware  gequet- 
sten  zieltoogden."  —  Het  zou  dus  maar  per  abuis  gebeurd  zijn? 

Dat  Mainz  zich  had  moeten  overgeven  door  gebrek  aan  bus- 
kruit, werd  aan  Louvois  geweten ;  hij  werd  daarover  gegispt  door 
de  openbare  meening  in  Frankrijk ;  —  niet  ten  onrechte,  gel 00 ven 
wij;  want  hij  die  met  het  beheer  van  het  krijgswezen  is  belast, 
moet  zorgen  dat  de  noodige  krijgsmiddelen  aanwezig  zijn  waar 
het  vereischt  wordt.  Het  aanzien  van  Louvois  was  toentertijd  aan 
het  tanen;  hij  daalde  in  de  gunst  van  Lodewijk  XIV;  mevrouw 
De  Maintenon  was  niet  meer  zijn  beschermster;  en  de  minister 
van  marine,  Seigneloy,  de  talentvolle  zoon  van  Colbert,  begon 
den  naam  van  Louvois  afbreuk  te  doen.  Toch  was  het  nog 
noodig,  dat  de  misbruiken  in  het  Fransche  krijgswezen  met 
ijzeren  hand  werden  te  keer  gegaan;  —  overtuigend  zal  dit 
blijken,  als  men  leest  wat  Rousset  (4'  deel,  blz.  233)  zegt  over 
de  Fransche  hospitalen  van  dien  tijd: 

tDe  intendant  De  la  Four  —  bij  het  leger  van  den  Rijn  — 
schrijft,  5  September  1689,  ^^"  Louvois  onder  andere:  >de  sol- 
daten blijven  liever  ziek  in  de  legerplaats,  dan  naar  het  hospitaal 
te  gaan,  waar  zij  slecht  worden  behandeld."  —  Drie  dagen  te 
voren,  den  2en  September,  schreef  dezelfde  intendant  aan  Lou- 
vois, dat  hij  naar  Straatsburg  was  gegaan  om  het  hospitaal  te 
inspecteeren ;  hij  had  gezien,  dat  de  meeste  zieken  met  hun 
drieën  in  één  bed  lagen,  eigenlijk  op  den  grond,  zonder  matras, 
op  een  enkelen  stroozak.  »Die  arme  kerels  sterven  en  zullen 
blijven  sterven,  indien  zij  niet  beter  worden  verzorgd,  want  het 
grootste  deel  lijdt  aan  bloedontlasting,  en  dit  brengt  bederf  en 
aansteking  teweeg,  daar  zij  met  hun  drieën  op  één  bed  slapen."  — 
Den  29sten  October  schrijft  de  maarschalk  De  Lorge  aan  Lou- 
vois: tik  zal  onderzoek  doen  naar  de  klachten  van  de  troepen 
over  de  hospitalen  van  Mont-Royal  en  Sarre-Louis.  Ik  weet  dat 
die  klachten  over  het  geheel  inhouden,  dat  de  meeste  soldaten 


Digitized  by 


Google 


28  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

op  Diets  anders  liggen  dan  op  stroo,  met  hun  drieën  in  één  bed ; 
dat  de  chirurgijns  domkoppen  zijn,  zeer  lui  in  het  verzorgen  van 
de  zieken,  en  dat  zij,  om  een  haverklap  en  zonder  noodzake- 
lijkheid, armen  en  beenen  afzetten.  Zooveel  is  zeker  dat,  over 
het  geheel  genomen,  alle  zieken  en  gewonden  daar  sterven, 
lederen  dag  moeten  de  hospitalen  worden  geïnspecteerd  door 
een  kapitein ;  maar  het  kwaad  is  daarin  gelegen,  dat  de  kapitein, 
uit  vrees  voor  besmetting,  de  zieken  niet  bezoekt;  en  ik  geloof 
dat  de  cornm/ssatre  de  guerre  al  even  weinig  doet  als  de  kapitein." 

Den  loen  Januari  1690  schrijft  Louvois  aan  La  Grange  (een 
intendant):  »het  is  onnoodig  om  nog  inspecteurs  in  de  hospi- 
talen te  hebben,  want  daarvoor  worden  de  commtssaires  de  guerre 
betaald.  Alles  zal  goed  gaan,  als  de  intendant  en  de  commissaire 
de  guerre  er  maar  voor  waken,  dat  de  aannemer  zijn  plicht  doet ; 
maar  laat  men  hem  den  baas  spelen,  dan  zal  alles  altijd  ver- 
keerd gaan." 

Gewagende  van  de  hospitalen  en  van  het  jammerlijk  beheer 
der  aannemers,  is  het  niet  onnoodig  om  een  vroegeren  brief  — 
van  7  Mei  1683  —  van  Louvois  aan  den  intendant  La  Grange 
aan  te  halen:  »ik  heb  gelezen  wat  gij  tot  nu  toe  op  het  spoor 
zijt  gekomen  ten  aanzien  van  de  schurkerijen  van  pater  Mon- 
teiller*'  (belast  met  het  beheer  van  de  hospitalen  in  den  Elzas); 
•  daar  verdere  schuldbewijzen  onnoodig  zijn  om  hem  te  straffen, 
dewijl  hij  zijn  vergrijp  heeft  bekend,  zoo  vindt  de  Koning  goed, 
dat  gij  hem  doet  veroordeelen  om  door  den  scherprechter  in  alle 
hospitalen  van  den  Elzas  te  worden  rondgeleid,  met  een  bordje 
op  borst  en  rug,  waarop  te  lezen  staat:  lands  dief  {fripon 
pubHc)\  en  dat  hij  daarna  levenslang  uit  den  Elzas  worde  ge- 
bannen. Van  de  traktementen  der  bataljonscommandanten  zult 
gij  de  sommen  afhouden,  die  zij  zich  toegeëigend  hebben  in 
verstandhouding  met  pater  Monteiller.** 

Dat  de  oneerlijkheid  streng  gestraft  wordt,  is  zeer  goed ;  maar 
de  ongelijkheid  in  de  straf  is  af  te  keuren :  waren  die  bataljons- 
commandanten minder  schuldig  dan  pater  Monteiller? 

Van  Italië  behoeft,  over  1689,  weinig  gezegd  te  worden:  daar 
viel  niets  bijzonders  voor,  behalve  dat  de  hertog  van  Savoye 
zich  bij  de  bondgenooten  aansloot.  Die  vroegere  gebieders  van 
Savoye  zijn  bij  de  Europeesche  oorlogen  in  Italië  herhaalde 
malen  van  partij  verwisseld,  al  naar  gelang  hun  belang  dit  mede- 
bracht; daardoor  hebben  zij  hunne  macht  gedurig  uitgebreid, 
totdat  zij  ten  laatste,  in  ónze  dagen,  geheel  Italië  onder  hunne 
heerschappij  hebben  gebracht,  —  op  gelijke  wijze  als  het  huis  van 
Brandenburg  thans  den  schepter  zwaait  over  geheel  Duitschland. 
Die  beide  vorstenhuizen  zijn  groot  geworden  door  eene  staat- 
kunde^ die  zich  vooral  gekenmerkt  heeft  door  behendigheid. 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN  IN  IERLAND.  29 

Van   meer  gewicht  waren,  in  1689,  de  krijgs verrichtingen  op 
de  Britsche  eilanden. 

In  Engeland  zelf  had  Willem  III  om  zoo  te  zeggen  geen  ge- 
wapenden  tegenstand  ondervonden;  ook  Schotland  onderwierp 
zich  aan  zijn  gezag;  wel  werd  daar,  ten  voordeele  van  koning 
Jakobus,  een  opstand  bewerkt  door  den  markies  van  Dundee- 
Claverhouse,  den  dapperen  aanvoerder,  zoo  verschillend  afge- 
schilderd door  Walter  Scott  en  door  Macaulay  — ;  maar  toen  \^^ 
in  het  begin  van  Augustus  1689  een  veldslag  plaats  had  tusschen 
de  opstandelingen  en  de  door  Mackay  aangevoerde  troepen  van 
Willem  III,  waarin  wél  Mackay  werd  geslagen,  maar  Claverhouse 
daarentegen  sneuvelde,  ging  de  macht  der  Jakobieten  uiteen  en 
vond  de  heerschappij  van  den  nieuwen  Koning  geen  bestrijders 
meer  in  Schotland. 


Maar  vooral  op  Ierland  was  de  hoop  van  koning  Jakobus 
gevestigd.  Het  groene  Erin  was  toen  even  woelziek  en  onrustig 
als  het  vroeger  en  later  altijd  is  geweest;  daar  woont  een  won- 
derlijk volk,  dat  door  vele  goede  en  schitterende  hoedanigheden 
sympathie  verdient;  dat  zich  zeer  zeker  niet  ten  onrechte  verzet 
tegen  vreemde  onderdrukking;  maar  dat,  door  een  volslagen 
gemis  aan  gezond  verstand,  maar  niet  tot  orde  en  vrijheid  schijnt 
te  kunnen  komen,  en  voortdurend  de*  verzoenende  hand  afwijst, 
die  Engeland  het  herhaaldelijk  aanbiedt.  Daar  had  Jakobus  tot 
onderkoning  aangesteld  den  hertog  van  Tyrconnel,  een  afstam- 
meling van  het  oude  geslacht  der  Talbots.  Tyrconnel  —  door 
Macaulay  te  ongunstig  afgeschilderd  —  betoonde  zich  een  trouw 
en  bekwaam  dienaar  van  de  Stuarts ;  hij  verwierp  de  uitnoodiging 
van  Willem  III  om  zich  aan  hem  te  onderwerpen ;  hij  verklaarde 
zich  integendeel  met  ijver  voor  het  gezag  van  koning  Jakobus; 
hij  bracht  de  Katholieke  bevolking  van  Ierland  —  verreweg  het 
talrijkste  deel  —  onder  de  wapenen ;  en  de  Protestantsche  Ieren, 
natuurlijk  aanhangers  van  Willem  III,  werden  zoodanig  ten  onder 
gebracht,  dat  geheel  Ierland  Jakobus  gehoorzaamde,  behalve  drie 
steden  in  het  noorden:  Londonderry,  Inniskillen  en  Coleraine. 

Koning  Jakobus  begreep  toen  dat  het  zijn  plicht  was  om  zijne 
lersche  onderdanen  niet  alleen  te  laten  strijden  voor  zijne  zaak, 
maar  zich  aan  hun  hoofd  te  stellen.  De  verdreven  vorst  was 
door  Lodewijk  XIV  ontvangen  met  echt  koninklijke  gastvrijheid ; 
maar  minder  ingenomen  met  hem,  was  het  Fransche  volk  zelve;  — 
en  wanneer  hier  gesproken  wordt  van  het  Fransche  volk,  dan 
worden  daarmee  alleen  bedoeld  de  hoogere  standen :  al  het  andere 
telde  toen  niet  mede.  De  Engelsche  koningin,,  daarmee  was  men 
nog  al  ingenomen;  met  den  Koning,  niet;  die  boezemde  weinig 
achting  in.  Roussét  (4»  deel,  blz.    188  —  189)  beroept  zich   op 


Digitized  by 


Google 


30  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

madame  De  Sévigné  om  de  denkwijze  in  Frankrijk  over  Jakobus  II 
en  zijne  vrouw  aan  te  duiden: 

...>Met  die  Koningin  is  men  ingenomen/'  zeide  madame  De 
Sévigné;  >zij  heeft  veel  geest;  alles  wat  zij  zegt  is  verstandig  en 
waar.  Met  haar  man  is  dat  anders;  moed  heeft  hij  wel,  maar 
een  alledaagsch  verstand;  wat  er  in  Engeland  gebeurt  is,  vertelt 
hij  op  zoo  ongevoeligen  toon,  dat  men  met  hem  te  doen  heeft. 
Hij  is  niet  kwaad,  en  woont  alle  genoegens  van  Versailles  bij." 
(Brief  van  den  iien  Januari  1689).  Wat  later,  gewagende  van 
een  souper  dat  de  hertog  De  Chaulnes,  de  gouverneur  van 
Bretagne,  aan  Jakobus  II  gaf,  zeide  madame  De  Sédgné  nog: 
*die  Koning  heeft  gegeten,  alsof  er  geen  Prins  van  Oranje  op 
de  wereld  was";  en  dadelijk  daarop  zegt  zij,  bij  wijze  \an  tegen- 
stelling :  9  wat  een  weergasche  kerel  is  toch  die  Prins  van  Oranje ! 
Als  men  nagaat,  dat  hij  alleen  heel  Europa  in  rep  en  roer  brengt ! 
Wat  een  schitterende  ster !  (que/k  éfoiIe!)'\  (Brief  van  den  i  len  Maart). 

Jakobus  scheepte  zich,  in  de  eerste  dagen  van  Maart  1689,  te 
Brest  in,  van  waar  een  Fransche  scheepsmacht  hem  naar  Ierland 
moest  overbrengen ;  de  onttroonde  vorst  was  door  den  Franschen 
koning  voorzien  van  een  aanzienlijke  som  gelds,  en  werd  verge- 
zeld door  een  aantal  van  zijne  uitgeweken  aanhangers  en  door 
eenige  Fransche  officieren.  Tegenwind  was  oorzaak  dat  de  Koning 
eerst  den  lyen  Maart  te  Kingsale,  op  de  zuidkust  van  Ierland, 
landde;  van  daar  begaf  hij  zich  over  Cork  naar  Dublin,  en  werd 
kort  daarop  in  die  hoofdstad  begroet  door  d'Avaux,  den  vroe- 
geren  Franschen  gezant  in  Den  Haag,  en  nu  gezant  bij  Jakobus. 
Uit  Frankrijk  kwam  gedurig  toevoer  voor  de  lersche  Jakobieten ; 
eene  Engelsche  vloot,  onder  Herbert,  wilde  dit  beletten;  maar, 
na  een  vrij  onbeslist  gevecht  tegen  eene  Fransche  scheepsmacht 
onder  Chateau-Renaud  op  den  11  en  Mei  bij  de  baai  van  Bantry, 
geheel  in  het  zuidwesten  van  Ierland,  keerde  de  vloot  van  Her- 
bert  naar  de  Engelsche  kusten  terug. 

In  Ierland  poogden  de  Jakobieten  in  1689  zich  meester  te 
maken  van  de  enkele  sterke  steden  in  Ulster  —  het  noordelijkste 
gewest  —  die  nog  de  partij  van  koning  Willem  hielden;  zij  ver- 
meesterden Coleraine,  deden  een  vruchteloozen  aanval  op  Innis- 
killen,  en  spanden  hunne  uiterste  krachten  in  om  de  stad  Lon- 
donderry  te  bemachtigen. 

Het  verhaal  van  dat  beleg  van  Londonderry  behoort  niet  tot 
het  bestek  van  onzen  arbeid;  toch  kunnen  wij  het  niet  geheel 
onvermeld  laten;  daartoe  heeft  het  eene  te  groote  en  te  welver- 
diende geschiedkundige  vermaardheid  verkregen.  De  verdediging 
van  Londonderry  beslaat  in  de  Engelsche  geschiedenis  eene  even 
schitterende  bladzijde  als  de  verdediging  van  Haarlem  en  Leiden 
in  de  onze;  en  de  naam  van  Walker  verdient  in  éénen  adem  te 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVKRRICHTINGEN   IN  IERLAND.  3I 

worden  genoemd  met  de  glorievolle  namen  van  Ripperda  en  van 
Van  der  Werf. 

Engelsche  geschiedenis,  zeiden  wij;  want  de  verdedigers 
van  Londonderry  in  1689  zijn,  zoo  niet  Ëngelschen,  dan  toch 
afstammelingen  van  Engelschen  geweest,  Engelsche  Ieren,  door 
afkomst  en  kerkleer  geheel  vreemd,  en  geheel  vijandig  aan  het 
eigenlijke  lersche  volk.  Walker,  het  hoofd  der  verdedigers,  de 
ziel  van  de  verdediging,  behoorde  eigenlijk  tot  den  geestelijken 
stand,  —  hij  was  rector  (Engelsche  opperpredikani),  maar  het 
was  een  predikant,  zooals  die  in  vroeger  jaren  veelvuldig  waren  — , 
die  even  gaarne  de  krijgstrompet  hoorden  als  het  orgel,  die  het 
oorlogspaard  wisten  te  mennen  en  het  slagzwaard  te  zwaaien; 
echte  vertegenwoordigers  van  wat  een  nieuwer  Engelsche  schrijver 
—  Kingsley  —  >het  gespierde  Christendom"  heeft  genoemd 
{ptuscular  Chrhtianity), 

In  Londonderry  was  aanvankelijk  eene  geregelde  troepenmacht 
in  bezetting;  maar  den  bevelhebber  daarvan  —  den  kolonel 
Lundy  —  sloeg  de  schrik  om  het  hart,  toen  hij  hoorde  dat  ge- 
heel Ierland  zich  voor  Jakobus  had  verklaard,  en  eene  sterke 
legermacht  oprukte  om  Londonderry  te  doen  vallen.  Lundy  ging 
zóó  ver,  den  vijand  aan  te  bieden  om  de  stad  zonder  slag  of 
stoot  over  te  geven;  en  toen  dit  belet  werd  door  de  hoofden 
der  lersche  Protestanten,  verwijderde  zich  de  onwaardige  bevel- 
hebber, en  haalde  een  paar  regimenten  over,  —  die  uit  Engeland 
waren  ingescheept  naar  Londonderry — ,  om,  evenals  hij,  de  ver- 
dediging van  die  stad  op  te  geven  en  naar  Engeland  terug  te 
keeren. 

De  verdedigers  van  Londonderry  droegen  toen  het  opperbevel 
op  aan  twee  mannen:  den  predikant  Walker,  en  den  kolonel 
Baker;  —  de  laatste  is  gedurende  het  beleg  gestorven,  door 
ziekte  of  vermoeienis.  Hèt  beleg  heeft  geduurd  van  de  helft  van 
April  tot  den  laatsten  Juli,  —  drie  en  een  halve  maand;  toen 
werd  het  opgebroken,  nadat  Engelsche  schepen,  de  rivier  Lough 
Foyle  opzeilende,  er  in  geslaagd  waren  om  het  uitgehongerde 
Londonderry  van  levensmiddelen  te  voorzien;  —  dit  moet  een 
oogenblik  geweest  zijn,  als  toen  de  eerste  schepen  van  Boisot  in 
Leiden  den  zoo  lang  verbeiden  leeftocht  brachten.  Dat  het  beleg 
van  Londonderry,  uit  het  oogpunt  der  krijgskunst,  groote  waarde 
heeft,  niemand  zal  dit  beweren;  —  evenmin  als  het  beleg  van 
Leiden;  —  maar  de  dapperheid  schittert  hier,  evenzeer  als  bij 
de  verdediging  van  Haarlem.  De  bezetting  van  Londonderry  telde 
7000  man,  geïmproviseerde  soldaten,  zonder  krijgsonder vinding, 
maar  bezield  door  vurige  geestdrift ;  —  en  de  groote  20  000  man, 
die,  onder  den  Franschman  De  Rosen  en  onder  Berwick,  een 
basterdzoon  van  koning  Jakobus,  de  stad  belegerden,  lieten  aan 
militaire  waarde  ook  veel  te  wenschen  over;  het  waren  niet  de 


Digitized  by 


Google 


J 


32  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

uitmuntende  Spaansche  troepen  die  Haarlem  en  Leiden  hebben 
aangevallen.  Dat  beleg  van  Londonderry  bestaat  dan  ook  maar 
in  het  aanleggen  van  loopgraven  en  batterijen,  en  in  het  be- 
schieten van  de  stad;  maar  van  bressen  is  geen  sprake;  en 
onophoudelijk  doen  de  belegerden  met  groote  onversaagdheid 
uitvallen,  die  meestal  roet  geluk  worden  bekroond.  De  voorname 
verdienste  van  de  verdediging  bestaat  echter  in  het  zóó  stand- 
vastig verduren  van  den  hongersnood. 

Het  was  reeds  in  de  tweede  helft  van  Augustus  1689,  dat  in 
Engeland  een  leger  zich  inscheepte  en  onder  zeil  ging  naar 
Ierland.  Hoe  sterk  dat  leger  geweest  is,  is  niet  duidelijk;  eene 
enkele  opgave  spreekt  wel  van  een  40  k  50000  man;  maar  dat 
is  een  geheel  onbepaalde,  een  geheel  onbetrouwbare  opgave, 
stellig  zeer  overdreven;  men  heeft  misschien  wel  het  voornemen 
gehad  om  zulk  een  leger  naar  Ierland  te  zenden,  maar  de  uit- 
voering is  verre  beneden  dat  voornemen  gebleven.  Zoo  blijkt 
onder  andere  dat  een  deel  der  ruiterij  eerst  zeer  laat  in  Ierland 
is  gekomen;  en  dat  7000  man  Deensche  troepen  —  6000  man 
voetvolk  en  1000  ruiters  —  waarop  men  gerekend  had,  eerst  op 
het  einde  van  1689  zijn  aangekomen,  nog  niet  eens  in  Ierland, 
maar  pas  in  Engeland  of  Schotland.  Dat  er  Nederlandsche  troe- 
pen waren  bij  dat  leger  dat  in  1689  in  Ierland  optrad,  lijdt  geen 
twijfel;  en  onder  de  bevelhebbers  wordt  Ginckel  genoemd,  die 
hier  het  tooneel  betrad  van  zijn  toekomstigen  krijgsroem.  De 
opperbevelhebber  was  de  oude  maarschalk  Schomberg,  een  man 
van  veel  naam,  en  die  vroeger  dien  naam  misschien  wel  ver- 
diende, maar  nu  was  Schomberg,  door  de  jaren,  aan  geestkracht 
verminderd  en  daardoor  niet  het  beste  legerhoofd  dat  men  had 
kunnen  kiezen.  Hop,  die  toen  als  een  soort  van  gezant  in  Enge- 
land was,  schreef  den  5/15  November  1689  aan  Heinsius:  >daer 
sijn  er  die  meynen  dat  in  de  vigeur  en  activiteit  van  den  goeden 
ouden  Heer  Van  Schomberg  in  het  verloop  van  desselfs  jaren 
vermindering  soude  werden  bespeurt." 

Veel  bijzonders  richtte  Schomberg  in  1689  dan  ook  niet  uit. 
Den  23sten  Augustus  geland  te  Bangor,  op  de  noordoostkust  van 
Ierland,  nabij  Belfast,  maakte  de  Maarschalk  zich  meester  van 
laatstgenoemde  stad,  en  spoedig  daarop  en  zonder  grooten  tegen- 
stand, van  het  geheele  noordelijke  deel  van  Ierland.  Den  laen  Sep- 
tember stelde  toen  het  Engelsche  leger  zich  in  beweging  naar 
het  zuiden,  naar  Leinster,  naar  de  hoofdstad  Dublin;  heel  ver 
ging  die  beweging  echter  niet;  want  bij  Drogheda,  bij  de  mon- 
ding van  de  rivier  de  Boyne,  ontmoette  men  het  leger  van 
koning  Jakobus,  een  27  000  man  sterk.  De  beide  legers  bleven 
eenigen  tijd  werkeloos  tegenover  elkander;  geen  van  beide  schijnt 
lust  te  hebben  gehad  om  aan  te  vallen;  en  toen  nu  het  slechte 


Digitized  by  VjOOQIC 


lÓQo.  33 

weer  inviel  betrokken  de  beide  partijen  —  in  October  —  de  win- 
terkwartieren, en  was  de  veldtocht  van  1689  in  Ierland  geëindigd. 


HOOFDSTUK  XXII. 

1690;    FLEURUS;    BEACHY-HEAD   (BEVESIER)  ;   IERLAND. 

Voor  1690  had  Frankrijk  zich  weer  inspanningen  getroost,  die 
ten  gevolge  hadden,  dat  het  legermachten  van  aanzienlijke  sterkte 
kon  te  velde  brengen.  >.Zonder  de  bezettingen  en  de  militie  meê 
te  tellen"  —  zegt  Rousset  (4*  deel,  blz.  381)  —  >kon  Lode- 
wijk  XIV,  in  1690,  te  velde  brengen  140  bataljons,  van  800  man, 
en  330  eskadrons  van  160  paarden."  Dus  kon  te  velde  gebracht 
worden  112 000  man  voetvolk  en  52800  ruiters;  in  alles  164800 
man,  daaronder  de  artillerie  niet  meegerekend.  —  Onder  die 
legermacht  bevonden  zich  niet  minder  dan  12  regimenten  Zwit- 
sers, ieder  van  3  bataljons. 

Die  Fransche  legermacht  van  1690,  ontzagwekkend  door  hare 
getalsterkte,  was  het  misschien  minder  door  hare  samenstelling; 
men  kan  dit  ten  minste  eenigszins  opmaken  uit  de  wijze  waarop 
de  werving  plaats  had.  Aan  La  Reynie  —  den  lieutenant  de  police 
in  Parijs  —  schrijft  Louvois  den  i3en  April  1690  het  volgende 
over  de  werving: 

tDe  Koning  heeft  vernomen,  dat  er  te  Parijs  dagelijks  geweld- 
dadigheden plaats  hebben  bij  de  werving;  en  dat  zij  die  zich 
daarmee  bezighouden,  de  voorbijgangers  op  straat  oplichten^  in 
rijtuigen  werpen,  en  dan  in  afgelegen  huizen  brengen,  waar  men 
hen  zoo  lang  slaat  en  dreigt,  totdat  zij  een  dienstverbintenis  tee- 
kenen. Zijne  Majesteit  heeft  mij  gelast  u  te  doen  weten,  dat  het 
haar  begeerte  is  dat  gij  zult  trachten  in  hechtenis  te  nemen  en 
te  doen  vonnissen,  hen  die  zulke  feiten  plegen;  opdat  er  een 
voorbeeld  worde  gesteld,  en  voorkomen  worde  dat  zoo  iets  in 
het  vervolg  weer  plaats  grijpe"  (Rousset,  4'  deel,  blz.  381). 

Men  mag  hier  wel  vragen:  waren  die  bevelen  van  Louvois 
ernstig  gemeend.  —  Bedrog  en  geweld  waren  de  middelen  waar- 
door men  de  legers  aangevuld  kreeg;  maar  wanneer  dit  wat  al 
te  ver  ging,  wat  al  te  veel  schandaal  maakte,  dan  werd  door  de 
regeering  geijverd  tegen  bedrog  en  geweld.  In  den  nieuweren  tijd 
heeft  men  soms  hetzelfde  gezien;  herinner  u  maar  wat  in  ónze 
dagen  gebeurd  is,  tijdens  den  Atsjinschen  oorlog,  met  de  buiten- 
landsche  werving  voor  het  Indische  leger :  het  ging  met  die  wer 
ving  misschien  niet  altijd  zooals  het  strikt  genomen  moest  gaan ; 

WILLEM  III.  —  III.  3 


Digitized  by  VjOOQIC 


34  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

er  kwamen  misschien  onregelmatigheden  daarbij  voor.  Maar  de 
regeering  —  o  neen,  die  had  geen  deel  aan  die  onregelmatig- 
heden; zij  trok  er  partij  van,  dat  is  waar;  maar  zij  wist  niet  eens 
dat  zij  plaats  hadden;  en  als  de  openbare  meening  haar  met 
nadruk  daarop  wees,  en  de  zaak  niet  langer  viel  te  verzwijgen 
of  te  loochenen,  —  ja,  dan  riep  zij  even  hard  foei !  als  de  open- 
bare meening,  en  dan  waren  ondergeschikte  beambten  de  schul- 
digen; —  eene  strenge  vervolging  hadden  die  schuldigen  echter 
niet  te  duchten. 

In  1690  kreeg  het  Fransche  leger  in  de  Nederlanden  een 
nieuwen  veldheer,  een  man,  wiens  bezwalkte  naam  door  oor- 
logsroem weer  wat  werd  hersteld. 

In  het  laatst  van  1678  waren  in  Frankrijk  die  vergiftigingen 
aangevangen^  waarin  de  namen  voorkomen  van  La  Brinvilliers, 
Lesage,  Exili,  St.  Croix,  —  en  hoe  die  schavuiten  al  meer  heeten. 
v  Eigenlijk  behoort  dat  meer  in  een  roman  dan  in  de  geschiedenis 
tehuis;  het  behoort  tot  het  gebied  van  Christemeyer's  lijfstraflfe- 
^iv/  lijtep  tafereelen,   van  Hoffmann^s  spookachtige  vertelsels,  van  de 

\  -moord-  en  gruwelverhalen  van  de  Engelsche  Braddon;  —  maar 
ook  Rousset  maakt  van  die  zaak  gewag,  omdat  bij  die  misdaden 
eeti  groote  geschiedkundige  naam  voorkomt:  de  maarschalk  De 
Luxembourg,  de  afstammeling  van  een  der  oudste  adellijke  ge- 
slachten en  die  keizers  onder  zijne  voorouders  telde,  werd  van 
giftmengerij  beschuldigd  en  uit  dien  hoofde  in  Januari  1680  in 
de  Bastille  gevangen  gezet.  Later  werd  Luxembourg  weer  ont- 
slagen, een  korten  tijd  gebannen,  en  in  Juni  t68i  weer  aan  het 
hof  toegelaten,  i Luxembourg"  —  zegt  Rousset  (blz,  571)  —  twas 
nooit  bemind;  maar  nu  werd  hij  ook  niet  meer  geacht  en  niet 
meer  gevreesd.  Het  ergerlijke  van  zijn  terugkomst  aan  het  hof 
deed  het  ergerlijke  van  zijne  ongenade  vergeten.  Madame  De 
Sévigné  schreef  bij  die  gelegenheid:  »wie  zijn  heele  leven  wil 
nadenken  over  de  lots wisselingen  die  men  alle  dagen  aan  het  hof 
ziet,  die  zal  er  nog  niets  van  begrijpen." 

Maar  in  weerwil  van  dit  herstel  in  de  hofgunst  was  de  goede 
naam  van  Luxembourg  toch  verloren;  en  ware  er  niets  gebeurd 
dat  hem  de  gelegenheid  had  gegeven  om  te  schitteren  op  het 
oorlogsveld,  hij  zou  voor  altijd  een  uitgestootene  zijn  gebleven, 
een  i  levend  standbeeld  op  het  voetstuk  der  eerloosheid." 

Gelukkig  voor  zijn  roem,  dat  de  eischen  van  den  oorlog  de 
Fransche  regeering  dwongen  om  hem  weer  aan  het  hoofd  eens 
legers  te  stellen:  zij  zag  in,  dat  d*Humières  te  weinig  bekwaam- 
heid had  om  die  taak  goed  te  vervullen;  zij  droeg  die  taak  aan 
Luxembourg  op,  en  deed  daarmede  eene  zeer  goede  keus;  — 
want  men  heeft  alle  recht  om  dien  man  te  verachten  en  te  ver- 
foeien, maar  zijne  uitstekendheid  als  legerhoofd  valt  niet  te  ont- 


Digitized  by 


Google 


FLEURUS.  35 

kennen.  De  slag  van  Fleurus  heeft  hem  voorgoed  gestempeld  tot 
een  bekwaam  veldheer. 

Aanvankelijk  was  Luxembourg  met  de  hoofdmacht  van  het 
Fransche  leger  in  Vlaanderen;  van  20  Mei  1690  tot  16  Juni 
stond  hij  te  Deinze,  tin  overvloed  levende  in  eene  rijke  land- 
streek^ en  zijne  stroopende  afdeelingen  uitzendende  tot  voor  de 
poorten  van  Gent",  —  zegt  Rousset  (blz.  399).  Volgens  de  op- 
gaven van  onze  zijde  werd  ook  door  eene  Spaansche  afdeeling 
een  goed  gelukte  strooptocht  gedaan  op  Fransch  grondgebied, 
naar  den  kant  van  Duinkerken  en  Rijssel;  ook  spreken  die  op- 
gaven van  eene  kleine  nederlaag,  door  de  Spaansche  en  Hol- 
landsche  bezetting  van  Namen  toegebracht  aan  eene  Fransche 
afdeeling  die  de  Sambre  was  overgegaan  om  in  Zuid-Braband 
te  rooven. 

Van  Deinze  trok  Luxembourg  naar  Maubeuge  aan  de  Sambre, 
en  ontving  den  21  sten  Juni  voorschriften  van  Louvois,  over  wat 
er  gedaan  moest  worden.  Aan  de  Fransche  zijde  wist  men  toen' 
het  volgende  over  de  gesteldheid  van  zaken  bij  de  bondge- 
nooten  (Rousset,  blz.  400):  t  terwijl  de  markies  De  Gastanaga 
met  een  afzonderlijk  korps  in  Vlaanderen  moest  werkzaam  zijn, 
werd  bij  Brussel  een  leger  samengetrokken  onder  het  bevel  van 
den  Prins  van  Waldeck,  en  bestaande  uit  een  ware  lappendeken 
van  nationaliteiten  {une  mosatque  de  nations\  Hollanders,  Span- 
jaarden, Luikenaars,  Ëngelschen,  Zweden,  Hessen,  Hannoveranen, 
Brunswijkers  en  Brandenburgers,  en  helaas!  ook  Fransche  uitge- 
wekenen; dit  leger  moest  naar  de  Sambre  trekken  en  daar  in 
een  sterke  stelling  de  alles  beslissende  vereeniging  afwachten  met 
de  strijdkrachten  waarmede  de  keurvorst  van  Brandenburg  in 
persoon  oprukte.  Die  vereeniging  moest  worden  voorkomen..." 

Om  ddt  te  doen  moest  Luxembourg  eene  afdeeling  van  14 
bataljons  en  36  eskadrons  —  een  17000  man  —  afzenden  ter 
versterking  van  d'Humières,  die  tegenover  Gastanaga  stond;  hij 
zelf  zou  daarentegen  weer  versterkt  worden  door  eene  afdeeling 
waarmede  BoufBers  van  de  zijde  van  den  Moezel  kwam.  Het 
Fransche  hoofdleger  zou,  na  de  komst  van  Boufflers,  sterk  zijn 
40  bataljons,  80  eskadrons  en  70  stukken  geschut,  dus  32000 
man  voetvolk,  12800  man  ruiterij,  en  in  het  geheel,  de  artillerie 
niet  meegeteld,  bijna  45000  man.  Luxembourg  moest  met  dat 
leger  tusschen  Maubeuge  en  Thuin  de  Sambre  overgaan;  en 
daarna,  tusschen  Charleroi  en  Namen,  weer  op  den  linkeroever 
der  rivier  komen,  om  de  vereeniging  van  Waldeck  met  den 
Keurvorst  te  beletten. 


Lezer,  herinnert  gij  u  soms  Byron*s  >  Beleg  van  Corinthe";  en 

Digitized  by  VjOOQIC 


36  KRIJG3-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

hoe  in  den  aanvang  van  dat  dichtstuk  herdacht  wordt  aan  de 
eindelooze  reeks  van  gevechten,  op  dien  grond  gestreden :  tKon 
al  het  bloed  dat  hier  vergoten  is,  weer  uit  den  grond  oprijzen, 
het  zou  die  landengte  overstroomen,  die  thans  twee  zeeën  houdt 
gescheiden;  kon  het  gebeente  opeengestapeld  worden,  van  allen 
die  hier  gevallen  zijn,  sinds  Perziën's  dwingeland  vluchtte  of 
Timoleon  zijn  broeder  doodde,  daar  zou  een  gevaarte  verrijzen, 
hooger  dan  gindsche  torenspits,  AcropoUs,  die  zich  tot  in  de 
wolken  verheft."  —  Wij  waarschuwen,  dat  wij  Byron  niet  bij  ons 
hebben,  en  alleen  het  geheugen  raadplegen ;  zoodat  men  zich  niet 
moet  verwonderen,  indien  deze  aanhaling  hier  of  daar  onnauw- 
keurig is;  —  maar  in  hoofdzaak  zegt  Byron  toch  iets  dergelijks. 
Er  zijn  van  die  landstreken  die,  meer  dan  andere,  de  zetel 
zijn  geweest  van  den  oorlog,  het  slagveld  waar  vijandelijke  legers 
om  de  overwinning  hebben  gekampt ;  en  noemt  de  Britsche  zanger 
onder  die  landstreken  Corinthe  en  de  velden  die  haar  omgeven, 
met  meer  recht  mag  men  als  zoodanig  noemen  het  zuidelijk  deel 
van  de  Nederlanden,  vooral  de  grond  die  zich  ten  noorden  van 
de  Sambre  naar  de  zijde  van  Brussel  uitbreidt.  Men  moet  een 
vreemdeling  zijn  in  de  krijgsgeschiedenis  om  niet  te  weten  dat 
men  op  dien  grond  ieder  oogenblik  een  slagvejd  ontmoet.  Onder 
alle  plaatsen  die  door  den  oorlog  vermaard  zijn  geworden,  moet 
daar  Fleurus  allereerst  worden  genoemd;  herhaaldelijk  is  dat  het 
slagveld  geweest  waar  legers  elkander  hebben  ontmoet.  Zonder 
op  te  klimmen  tot  de  oudheid,  en  het  onzeker  latende,  of  het 
nabij  Fleurus  was  dat  de  Nerviërs  Caesar  aanvielen  en  bijna 
overwonnen,  zoo  is  het  toch  zeker,  dat  het  bij  Fleurus  was  dat 
Mansfeldt,  toen  hij  zijn  leger  naar  Nederland  wilde  brengen  na 
het  twaalfjarig  bestand,  den  Spanjaarden  slag  leverde;  dat  Luxem- 
bourg  in  1690  Waldeck  sloeg;  dat, in  1794,  de  legers  der  Fransche 
Republiek  herhaaldelijk  kampten  tegen  de  bondgenooten ;  en  dat, 
in  18 15,  Napoleon  zijn  laatste  overwinning  behaalde.  Zoovele 
nabij  Fleurus  geleverde  veldslagen,  en  vooral  de  zoo  bekende 
worsteling  tusschen  Blücher's  soldaten  en  de  Fransche  bataljons 
maken  het  overbodig  om  het  slagveld  van  1690  uitvoerig  te  be- 
schrijven; wij  verwijzen  daartoe  naar  het  slagplan  van  1815,  in 
Löben  Sels,  in  Charras,  in  alle  schrijvers  over  Napoleon's  laat- 
sten  veldtocht;  —  alleen  herinneren  wij  er  aan,  dat  de  stelling 
waarin  Waldeck  door  Luxembourg  werd  aangevallen,  niet  dezelfde 
was  als  die  van  Blücher  in  1815  :  zij  was  niet  achter  de  beek  van 
Saint- Amand  en  van  Ligny;  of,  om  juister  te  spreken,  niet  noor- 
delijk van  die  beek,  maar  grootendeels  ten  westen  daarvan. 

Luxembourg,  op  den  zuidelijken  oever  van  de  Sambre  over- 
gegaan, is  den  aystcn  Juni  te  Gerpine,  ten  zuidwesten  van  Char- 
leroi; den   28sten  komt  de  afdeeling  van  BoufHers  aan;  en  nu 


Digitized  by 


Google 


FLEURUS.  37 

heeft,  den  volgenden  dag,  de  overtocht  van  de  Sambre  plaats, 
op  een  punt  nagenoeg  halfweg  tusschen  Namen  en  Charleroi: 

...iDen  29steD,  te  middernacht"  —  middernacht  van  28  op 
29  Juni  —  idoet  de  Maarschalk  het  kamp  opbreken,  en  trekt 
snel  naar  de  Sambre,  nagenoeg  halverwege  tusschen  Charleroi 
en  Namen.  Dit  overgangspunt,  een  van  de  weinige  van  die 
rivier,  was  zoozeer  aangewezen,  dat  de  bevelhebber  van  Namen 
daar  twee  schansen  had  laten  opwerpen,  en,  daartusschenin,  het 
kasteel  van  Froidmont  had  doen  versterken;  —  maar  hij  had 
verzuimd  om  daar  een  voldoend  aantal  troepen  te  plaatsen.  De 
waterstand  was  laag;  verscheiden  afdeelingen  van  de  voorhoede 
stonden  spoedig  op  den  linkeroever;  en  in  een  oogenblik  werden 
de  schansen  genomen,  idoor  troepen"  —  zegt  de  Maarschalk 
schertsenderwijze  —  iwien  het  minder  te  doen  was  —  geloof 
ik  —  om  de  schansen,  dan  wel  om  de  koeien  die  daar  nabij 
waren."  Hel  kasteel,  door  een  honderd  man  bezet,  kreeg  tien 
of  twaalf  salvo's  van  het  kanon,  en  gaf  zich  toen  over.  Zoo  werd 
de  overtocht  van  de  Sambre  bemachtigd,  met  juist  zooveel  kanon- 
en  geweervuur  als  dienstig  was  om  den  Maarschalk  en  zijne 
troepen  in  eene  goede  luim  te  brengen.  De  Prins  van  Waldeck, 
die  niets  vermoedde,  verschanste  zich  inlusschen  op  zijn  gemak, 
een  7  of  8  uur  van  daar,  in  de  vermaarde  legerplaats  achter 
den  Piéton."  (Rousset,  blz.  402). 

Dat  laatste  —  dat  Waldeck  niets  van  het  overtrekken  van  de 
Sambre  vernam,  en  maar  rustig  achter  den  Piéton  bleef  —  is 
niet  juist:  Waldeck  schijnt  wel  bericht  te  hebben  gekregen  dat 
de  vijand  de  Sambre  wilde  overgaan,  —  maar  te  laat;  den 
3osten  Juni  stelde  het  leger  der  bondgenooten  zich  in  beweging 
om  den  overgang  van  de  rivier  te  betwisten,  en  kwam  dien  dag 
bij  het  dorp  Mellet;  Weibenum,  met  ruiterij,  was  vooruit  geweest, 
maar  sloot  zich  weer  bij  het  leger  aan,  behalve  eene  afdeeling 
die,  onder  Flodorf  en  Berlo,  bestemd  was  om  de  bezetting  van 
Namen  te  versterken.  Toen  echter  die  ruiterij  van  Flodorf  en 
Berlo  reeds  in  de  nabijheid  van  Fleurus  op  de  Fransche  ruiterij 
stootte,  ging  zij  terug,  maar  werd  in  gevecht  gewikkeld  met  den 
vijand.  Het  Fransche  leger,  den  29sten  Juni  de  Sambre  overge- 
gaan zijnde,  betrok  den  3ostcn  een  kamp  of  bivouac  bij  Vélaine, 
ten  noorden  van  de  rivier;  dien  dag,  *s  ochtends  vroeg,  ging 
Luxembourg  met  eene  sterke  afdeeling  ruiterij  op  verkenning  uit, 
en  trok  in  westelijke  richting  totdat  hij  op  de  ruiterij  der  bond- 
genooten stootte.  —  Over  het  gevecht  dat  toen  plaats  had.  zegt 
Rousset  (4*  deel,  blz.  403—404)  het  volgende: 

9 Daar  hij**  —  Luxembourg  —  »i7  goede  eskadrons  bij  zich 
had,  deed  hij  die  troepen"  —  de  bondgenooten  —  i  aanvallen, 
die  in  den  beginne  nogal  haastig  teruggingen,  maar  die,  toen  zij 
aan   de   overzijde   van   de  beek  van  Fleurus  versterking  hadden 


Digitized  by 


Google 


38  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

gekregen,  rechtsomkeert  maakten  en  zich  in  slagorde  schaarden. 
Zij  werden  gechargeerd,  doorbroken,  vervolgd  met  den  degen 
in  de  ribben,  maar  in  groote  wanorde,  daar  iedereen  slechts  aan 
zichzelf  dacht.  De  Maarschalk  volgde  die  wilde  jacht  en  deed 
vruchteloos  retireeren  blazen;  het  kostte  hem  veel  moeite  om 
twee  eskadrons  Gensdarmerie  bijeen  te  houden,  de  eenige  die 
voor  reserve  konden  dienen,  en  wien  het  zeer  speet  reserve  te 
zijn.  —  Al  de  anderen  gingen  zóó  ver  vooruit,  dat  zij  plotseling 
een  geheel  leger  voor  zich  zagen.  Het  was  de  Prins  van  Waldeck^ 
die,  eindelijk  hoorende  dat  de  Franschen  aan  de  Sambre  waren, 
zich  haastte  om  hun  den  overtocht  te  betwisten;  het  was  zijne 
voorhoede  die  zij  in  dier  voege  hadden  teruggeworpen;  maar  op 
hunne  beurt  werden  zij  nu  duchtig  teruggeworpen,  en  overge- 
lukkig waren  zij  van  die  twee  eskadrons  Gensdarmerie  te  vinden^ 
die  zich  buitengewoon  goed  gedroegen  en  hun  den  tijd  gaven 
om  zich  te  herzamelen.  De  Maarschalk  was  zeer  bekommerd, 
maar  bleef  uiterlijk  koelbloedig;  hij  plaatste  zijne  eskadrons  op 
twee  liniën  en  échiquier^  iedere  linie  beurtelings  chargeerende  en 
dan  teruggaande  door  de  tusschenruimten  van  de  andere,  die 
intusschen  was  teruggetrokken.  Op  die  wijze  chargeerde  men  tot 
zesmaal  toe,  totdat  men  weer  achter  de  beek  van  Fleurus  was; 
aan  de  overzijde  waagde  de  vijand  zich  niet ;  hij  had  meer  slaag 
gehad  in  het  eerste  gedeelte  van  dat  gevecht,  dan  slaag  gegeven 
in  het  tweede.  De  Prins  van  Waldeck  verloor  dien  dag  zijn  besten 
cavalerie-generaal,  den  baron  De  Berlo." 

Op  het  verslag  van  Rousset  van  dat  cavaleriegevecht  op  den 
3ostcn  Juni,  valt  geen  bijzondere  aanmerking  te  maken;  dat  ver- 
slag is  niet  in  strijd  met  de  opgaven  van  ónze  zijde;  men  kan 
het  over  het  geheel  als  waar  en  juist  aannemen;  het  maakt  de 
zaak  duidelijk.  —  Dezelfde  duidelijkheid  wenschten  wij  ook  te 
verkrijgen  ten  aanzien  van  den  slag  van  Fleurus  op  den  vol- 
genden dag,  I  Juli;  wij  zijn  er  echter  niet  in  geslaagd:  in  de 
krijgsverrichtingen  van  dien  dag  zijn  voor  ons  duistere  punten 
overgebleven.  Wij  gelooven  daarom  het  best  te  doen,  met  onze 
lezers  eerst  meê  te  deelen,  op  welke  wijze  wij  ons  het  beloop 
van  zaken  in  dien  slag  van  Fleurus  voorstellen;  en  daarna,  ver- 
gezeld van  enkele  toelichtingen,  het  verhaal  van  dien  slag  door 
Rousset  te  geven. 

Ziehier  hoe  wij  ons  den  gang  van  zaken  op  i  Juli  1690  voor- 
stellen. 

Het  leger  van  Waldeck  wordt  vrij  eenparig  geschat  op  eene 
sterkte  van  een  30000  man,  —  bijna  geheel  beslaande  uit  troe- 
pen van  de  Republiek.  Wanneer  Rousset  spreekt  van  leen  lap- 
pendeken van  nationaliteiten",  dan  is  dat  eene  kenschetsing  die, 
niet  alleen  dit  leger  van  Waldeck,  maar  alle  legers  van    die 


Digitized  by 


Google 


FLEURUS.  39 

dagen  aangaat;  en  met  rechtroatigen  volkstrots  mag  men  eraan 
herinneren,  dat,  bij  de  infanterie  van  de  Republiek  die  dien  dag 
zulk  een  onsterfelijken  roem  verwierf,  zich  een  aantal  Friesche 
en  Hollandsche  bataljons  bevonden;  Coehoorn,  onder  anderen, 
moet  te  Fleurus  acht  van  die  bataljons  hebben  aangevoerd. 

In  Dr.  P.  L.  Müller's  geschiedenis  van  Waldeck  is  eene  uitvoerige 
en  duidelijke  beschrijving  van  den  slag  van  Fleurus;  die  beschrijving 
is  uitmuntend,  en  getuigt  van  grondige  studie  en  helder  oordeel. 
Maar  hoe  uitmuntend  ook,  zij  heldert  niet  alle  duisterheden  op, 
zij  verklaart  nog  niet  genoegzaam  hoe  de  gang  van  den  strijd  is 
geweest;  en  voor  een  deel  is  zij  gegrond  op  de  aanteekeningen 
van  Waldeck  zelf,  —  in  dit  geval  niet  den  meest  betrouwbaren 
getuige.  Toch  moet  Müller's  verhaal  van  den  slag  van  Fleurus 
geraadpleegd  worden,  wil  men  dit  wapenfeit  juister  leeren  kennen. 

Müller's  werk  bevat  ook  belangrijke  bijzonderheden  ove*  de 
samenstelling  van  Waldeck's  leger;  de  sterkte  van  dat  leger 
wordt  door  den  schrijver  begroot  op  32  k  35000  man;  met 
reden  maakt  hij  echter  de  opmerking,  dat  men  niet  te  veel  op 
dit  cijfer  moet  bouwen,  daar  de  bevelhebbers  der  regimenten 
niet  altijd  de  sterkte  der  korpsen  met  juistheid  opgaven.  De 
infanterie  telde  30  bataljons :  18  Nederlandsche,  4  Brandenburgsche, 
5  Brunswijk-Lunenburgsche  en  3  Zweedsche.  De  meeste  bataljons 
waren  eene  groote  600  man  sterk;  het  aantal  compagnieën  was 
echter  zeer  uiteenloopend:  meestal  12  compagnieën  bij  de  Neder- 
landsche bataljons,  en  slechts  5  bij  de  Brandenburgsche.  Van  de 
ruiterij  wordt  de  sterkte  opgegeven  als  een  1 1  000  paarden,  uit- 
makende 171  compagnieën  ruiters  van  50  k  60  paarden,  en  26 
compagnieën  dragonders  gemiddeld  van  70;  van  de  ruiters  en 
dragonders  waren  145  compagnieën,  Nederlanders;  de  andere 
waren  Brandenburgers,  Lunenburgers,  Saksers,  Hessen  of  van 
Wolfenbuttel ;  —  bovendien  had  men  10  eskadrons  Spaansche 
ruiterij,  waarvan  de  sterkte  niet  wordt  opgegeven.  Bij  dit  leger 
was  eene  artillerie  van  60  vuurmonden,  voor  de  helft  bestaande 
uit  regimentsstukken,  3-ponders. 

Ziedaar  eenige  opgaven  omtrent  Waldeck's  leger,  hier  overge- 
nomen uit  Müller's  werk;  op  het  voorbeeld  van  dien  geschied- 
schrijver moet  er  echter  worden  bijgevoegd,  dat  men  niet  onvoor- 
waardelijk op  die  cijfers  kan  bouwen. 

Waldeck's  leger  bleef  den  3osten  Juni,  ook  's  nachts,  in  slag- 
orde, omdat  men  een  aanval  door  den  vijand  te  gemoet  zag. 
Voorwaarts  van  het  dorp  Mellet  waar  men  stond  —  Mellet  ligt 
een  kleine  twee  uur  gaans  noordwestelijk  van  Fleurus  —  was 
eigenlijk  geen  geschikte  legerplaats,  want  er  was  gebrek  aan 
water;  men  was  dan  ook  voornemens,  elders  een  kamp  op  te 
slaan ;  maar  in  de  nabijheid  van  het  vijandelijke  leger  oordeelde 
men  die  beweging  te  gevaarlijk;  en  terugtrekken  wilde  men  ook 


Digitized  by 


Google 


40  KRIIGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

niet,  omdat  dit  ide  soldaten  geïntimideert  en  veel  quader  ge- 
volgen veroorsaeckt  soude  hebben";  —  zoo  luidt  het  in  het  uit- 
voerig officieel  verslag,  opgemaakt  door  Heinsius,  Dijkvel t  en 
Schuurmans,  die  door  de  Staten-Generaal,  na  den  veldslag,  naar 
het  leger  afgezonden  waren.  Wij  voegen  er  bij,  dat  dit  verslag 
opgemaakt  is  met  medeweten  van  Waldeck  en  van  de  hoogere 
bevelhebbers  van  het  leger. 

Men  stond  dan,  den  isten  Juli,  in  slagorde  voorwaarts  van  het 
dorp  Mellet,  dat  nagenoeg  achter  het  centrum  was  gelegen;  de 
rechtervleugel  breidde  zich  uit  naar  Heppignies,  de  linker  leunde 
aan  Wagnelé ;  de  afstand  tusschen  die  beide  dorpen  is  een  klein 
uur  gaans;  —  de  linkervleugel  van  Waldeck  stond  dus  daar 
waar  bij  den  veldslag  van  den  i6en  Juni  1815  Blücher's  rech- 
tervleugel heeft  gestaan.  Wij  hebben  ergens  gevonden,  dat  de 
slagjinie  van  Waldeck  loodrecht  heeft  gestaan  op  die  van  Blücher;  — 
ja,  dat  is  moeilijk  te  zeggen :  de  slaglinie  van  Blücher  heeft  geen 
rechte  lijn  uitgemaakt,  maar  volgde  de  kromme  lijn,  gevormd 
door  de  beek  van  Saint- Amand  en  Ligny;  wil  men  echter  den 
straatweg  van  Namen  naar  Nivelles  aannemen  als  de  algemeene 
richting  van  de  slaglinie  der  Pruisen  in  181 5,  dan  is  het  zoo, 
dat  Waldeck's  slaglinie  nagenoeg  loodrecht  daarop  stond. 

Naar  de  gewoonte  dier  tijden  was  Waldeck's  leger  in  twee 
liniën  geschaard.  Bij  de  eerste  linie  had  men,  op  den  rechter- 
vleugel, Nassau-Sarbruck,  den  Prins  van  Birckenfelt,  den  Spaan- 
schen  generaal  d'Hubuy,  en,  als  aanvoerders  van  brigades,  de 
generaals  De  Steyn,  Dutheil  en  Francke;  bij  het  centrum  en 
den  linkervleugel  waren  Hendrik  Casimir,  stadhouder  van  Fries- 
land, de  luitenant-generaals  Aylva  en  Weibenum,  en  de  brigade- 
generaals Ittersum  en  Wijnbergen.  De  tweede  linie  werd  aange- 
voerd door  den  generaal  Delwig,  en,  onder  hem,  door  de 
brigade-generaals  Holle  en  Noyelles.  Waldeck  zelf,  vergezeld 
van  den  majoor-generaal  Van  Weede  en  van  den  kwartiermeester- 
generaal  Dopff,  ging  9  dan  aen  de  eene  en  dan  aen  d*  andere 
sijde";  —  een  vaste  standplaats  schijnt  de  opperbevelhebber  er 
niet  op  na  gehouden  te  hebben.  Het  geschut  werd  overal  ge- 
plaatst, tdaer  het  nootsaeckelijck  geoordeelt  wierde**;  —  eene 
opgave  die  ons  niet  veel  wijzer  maakt. 

Wij  merken  hierbij  aan,  dat  deze  slagorde  niet  geheel  overeen- 
komt met  die  in  Dr.  P.  L.  MüUer's  werk;  —  de  laatste  —  wordt 
echter  gezegd  —  was  de  slagorde  zooals  men  kampeerde,  en 
misschien  niet  die  zooals  men  gestreden  heeft. 

Vóór  de  linkerzijde  en  het  centrum  van  de  slaglinie  waren  de 
kasteelen  van  Saint- Amand  en  van  Ligny  met  infanterie  bezet; 
ónze  opgaven  zwijgen  wel  daarvan,  maar  de  Fransche  opgaven 
zijn  dienaangaande  te  duidelijk  en  te  uitvoerig  om  de  zaak  in 
twijfel  te  trekken.  Onze  opgaven  zeggen,  daarentegen,  dat  vóór 


Digitized  by 


Google 


FLKURUS.  41 

den  rechtervleugel  een  kasteel  iWassenie"  werd  bezet;  denkelijk 
is  dit  geweest  »Wagnée",  een  gehucht,,  een  kwartieruurs  westelijk 
van  Fieurus.  Terwijl  men  dus  maatregelen  nam  om  een  front- 
aanval  te  wederstaan,  schijnt  men  in  het  geheel  geen  voorzorgen 
te  hebben  genomen  tegen  eene  omtrekking  en  een  ilankaanval. 
Van  het  uitzenden  van  patrouilles  om  berichten  van  den  vijand 
in  te  winnen,  verneemt  men  niets. 

£n  toch  was  het  juist  zulk  eene  omtrekking  en  flankaanval, 
die  het  Fransche  legerhoofd  voorhad;  hij  wilde  die  verrichten 
met  de  helft  van  zijn  leger,  terwijl  de  andere  helft  den  vijand 
in  front  zou  aanvallen.  Het  gewaagde  van  zulk  een  handeling 
werd  verminderd  door  de  overmacht  die  aan  de  zijde  van  de 
Franschen  was.  Eene  der  Fransche  opgaven  wil  de  sterkte  van 
Luxembourg's  leger  verminderen  tot  op  een  33000  man,  waarvan 
nog  4000  zouden  achtergebleven  zijn  tot  dekking  van  de  bagage ;  — 
die  opgave  is  echter  geheel  onwaarschijnlijk;  —  veel  dichter  bij 
de  waarheid  zal  men  zijn  als  men  —  zooals  Bosscha  doet  — 
het  Fransche  leger  op  40000  man  begroot;  wij  hebben  het  op 
45  000  geschat. 

Dat  leger  had  den  nacht  van  den  3osten  Juni  doorgebracht  bij 
Vélaine,  een  dorp  iets  ten  noorden  van  de  Sambre  en  ongeveer 
een  uur  gaans  oostelijk  van  Fieurus.  In  den  vroegen  ochtend 
van  den  isten  Juli  breekt  het  op,  en  stelt  zich  in  beweging,  in 
vijf  colonnes:  de  middelste  colonne  bestond  uit  de  artillerie; 
daaraan  sloten,  rechts  en  links,  twee  colonnes  voetvolk ;  de  beide 
vleugel-colonnes  waren  ruiterij.  De  twee  linkercolonnen,  ruiterij  en 
voetvolk,  benevens  60  stukken  geschut,  alles  onder  het  bevel  van 
den  generaal  Gournay,  waren  bestemd  om  den  vijand  in  front 
aan  te  vallen;  zij  trokken  op  Fieurus  en  schaarden  zich  in  slag- 
orde aan  de  andere  zijde  van  dat  plaatsje,  tegenover  de  slaglinie 
van  Waldeck.  Met  de  twee  rechtercolonnes,  ruiterij  en  voetvolk, 
en  met  10  veldstukken,  sloeg  Luxembourg,  die  de  omtrekking 
wilde  doen,  rechts  af;  hij  trok  tusschen  de  dorpen  Boignée  en 
Ligny  door,  ging  de  beek  van  Ligny  over,  tusschen  dat  dorp  en 
Sombreffe,  trok  verder  in  noordelijke  richting,  totdat  hij  den  weg 
van  Namen  op  Nivelles  bereikte,  sloeg  toen  links  af  naar  Wag- 
nelée,  en  nam  dat  dorp,  waaraan  Waldeck*s  linkervleugel  leunde. 

Op  het  slagplan  van  Ligny  van  16  Juni  181 5  kan  men  die 
omtrekkende  beweging  van  Luxembourg  zeer  goed  volgen;  en 
doet  men  dit,  dan  ziet  men  dat  bij  die  beweging  de  eene  helft 
van  het  Fransche  leger  onder  Luxembourg,  op  een  aanmerke- 
lijken  afstand  was  van  de  andere  helft  onder  Gournay,  zoodat 
Waldeck  eene  zeer  gunstige  gelegenheid  had  om  Gournay  met 
voordeel  aan  te  vallen.  —  Maar  Waldeck  deed  niets;  hij  bleef 
lijdelijk  afwachten  dat  hij  aangevallen  werd. 

Tot  zoover  is  de  toedracht  van  zaken  bij  dien  slag  van  Ligny 


Digitized  by 


Google 


42  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

van  I  Juli  1690  ons  zeer  duidelijk;  maar  nu  komt  het  minder 
duidelijke;  nu  komt  het  verwarde  in  het  verhaal,  wat  denkelijk 
ook  daaruit  ontstaat,  dat  er  verward  gehandeld  is. 

Het  schijnt  dat  de  rechtervleugel  van  Waldeck  toen  aanval- 
lenderwijze  heeft  gehandeld,  en  daarbij  eenige  voordeelen  be- 
haald; —  zij  deed  dien  aanval  te  laat,  toen  Luxembourg  reeds 
aanviel  op  den  linkervleugel  der  bondgenooten;  had  Waldeck 
vroeger  aangevallen,  hij  had  misschien  eene  belangrijke  uitkomst 
kunnen  verkrijgen;  nu  werd  men  dadelijk  gedwongen  om  den 
linkervleugel  te  ondersteunen.  Dat  die  linkervleugel  van  Waldeck 
toen  onder  zeer  ongunstige  omstandigheden  in  gevecht  kwam, 
dat  ligt  in  den  aard  van  de  zaak;  de  grootst  mogelijke  dapper- 
heid —  en  die  is  er  ontegenzeggelijk  geweest  —  kon  dit  niet 
verhelpen.  Om  dien  flankaan  val  het  hoofd  te  bieden,  heeft  toen 
een  deel  van  Waldeck's  slaglinie  eene  achterwaartsche  frontver- 
andering willen  maken ;  hoe,  dat  is  moeilijk  met  juistheid  te 
zeggen ;  het  schijnt  dat  de  tweede  linie  die  frontverandering  heeft 
gedaan,  of  heeft  beproefd. 

Over  het  geheel  wordt  het  beloop  van  den  veldslag  nu  ver- 
ward en  onduidelijk.  De  Fransche  opgaven  spreken  van  eene 
sterke  massa  HoUandsche  infanterie  die  toen  aanvallend  is  opge- 
treden nabij  Saint-Amand  en  Ligny,  en  die  geruimen  tijd  de 
beslissing  van  den  strijd  zeer  onzeker  heeft  gemaakt;  —  iets  in 
den  trant  van  de  groote  Engelsche  colonne  bij  den  slag  van 
Fontenoy.  Onze  opgaven  doen  het  voorkomen,  alsof  die  sterke 
massa  der  HoUandsche  infanterie,  meer  den  terugtocht  heeft  ten 
doel  gehad  dan  den  aanval;  die  massa  wordt  soms  een  carré 
genoemd;  —  denkelijk  moet  dat  in  dien  zin  worden  verstaan, 
dat  het  was  eene  dubbele  colonne  met  afdeelingen  op  geheelen 
afstand,  die  door  zwenking  in  bataille  kwamen,  om  een  vijand 
het  hoofd  te  bieden  die  de  colonne  in  de  flank  aanviel.  Wij  her- 
halen het,  geheel  zeker,  geheel  duidelijk  is  dat  niet. 

Maar  wat  wél  zeker  is,  dat  is,  dat  de  slag  eindigde  met  onze 
nederlaag;  en  dat  Waldeck,  met  de  hoofdmacht  in  orde  het 
slagveld  verlatende,  Nivelles  bereikte,  terwijl  een  klein  gedeelte 
op  Charleroi  terugging  en  zich  later  weer  bij  de  hoofdmacht 
aansloot.  Wat  even  zeker  is,  dat  is,  dat  zelden  dapperder  infan- 
terie op  een  slagveld  is  verschenen  dan  de  HoUandsche  infanterie 
op  het  slagveld  van  Fleurus,  den  isten  Juli  1690;  dat  zegt  niet 
ééne  opgave,  maar  dat  zeggen  alle  opgaven;  vriend  en  vijand 
zijn  het  daarover  eens. 

Ziedaar  onze  voorstelling  van  het  beloop  van  den  slag  van 
Fleurus;  laten  wij  thans  zien  wat  Rousset  daarvan  zegt. 

Nog  den  3osten  Juni  's  avonds,  verkent  Luxembourg  de  stelling 
van  Waldeck ;  daarover  zegt  Rousset  het  volgende  (blz.  404 — 405) : 


Digitized  by 


Google 


FLEURUS.  43 

...1  Voorbij  Fleurus  waren  hoogten,  en  aan  den  voet  daarvan 
eene  beek,  die  naar  Sombreffe  stroomde,  in  de  richting  van  het 
zuidwesten  naar  het  noordoosten,  achtereenvolgens  langs  de 
dorpen  Wagnée,  Saint-Amand  en  Ligny.  De  beide  laatste  dorpen 
hadden  kasteelen,  die  door  sterke  detachementen  waren  bezet; 
een  vrij  aanzienlijke  artillerie  stond  op  de  hoogten;  en  verder, 
zooveel  men  op  dien  afstand  er  over  kon  oordeelen,  stond  het 
leger  der  bondgenooten  —  het  voetvolk  in  het  midden,  de  ruir 
terij  op  de  vleugels  —  in  slagorde  voorwaarts  van  Mellet,  waar- 
van men  den  toren  aan  den  gezichteinder  zag ;  het  leger  had  het 
dorp  Heppignies  rechts,  en  Wagnelée  links..." 

Over  Luxembourg*s  aanvalsplan  vindt  men  het  volgende  (blz. 
405—407): 

»Den  isten  Juli,  te  middernacht"  (middernacht  tusschen  30  Juni 
en  I  Juli)  9  deed  de  Maarschalk  het  leger  onder  de  wapens 
komen ;  hij  verdeelde  het  in  vijf  colonnes,  de  ruiterij  op  de  vleu- 
gels, het  geschut  in  het  midden.  Om  drie  uur  's  ochtends  begon 
de  marsch.  Luxembourg  had  een  aanvalsplan  beraamd,  dat  als 
buitengewoon  stout  moet  worden  geacht,  in  een  tijd  toen  de 
oorlog  werd  gevoerd  volgens  vaste  en  geheel  schoolsche  regels. 
Evenals  het  treurspel  moest  een  geregelde  veldslag  de  drie  een- 
heden in  acht  nemen,  van  handeling,  van  tijd  en  van  plaats; 
en  evenzoo  was  aan  elke  der  vaste  onderverdeelingen  —  eerste 
linie,  tweede  linie  en  reserve  —  hare  vaste  rol  toegewezen.  De 
Prins  van  Waldeck  hield  zich  hieraan,  op  de  meest  gemoedelijke 
wijze,  overtuigd  dat  het  niet  anders  kon;  en,  heeft  hij  den  slag 
verloren,  dan  heeft  hij  ten  minste  de  overtuiging  gehad  van 
trouw  te  zijn  gebleven  aan  de  regels,  die  zijn  tegenstander  op 
vermetele  wijze  overtrad.  Die  nieuwe  baanbreker  oordeelde  den 
frontaanval  te  bezwaarlijk,  omdat  die  te  veel  werd  verwacht;  hij 
besloot  daarom,  slechts  de  helft  van  zijn  leger  in  front  tegenover 
Waldeck  te  stellen,  maar  op  ééne  linie,  om  hem  daardoor  te 
misleiden;  en  intusschen  met  de  andere  helft  eene  omtrekking 
van  eenige  uren  gaans  te  doen,  ten  einde  onverwachts  den  vijand 
in  de  flank  te  vallen.  Aanvankelijk  werden  alleen  de  luitenant- 
generaal  De  Gournay,  die  de  twee  linkercolonnes  aanvoerde,  en 
Du  Metz,  de  bevelhebber  van  de  artillerie,  met  dit  plan  bekend 
gemaakt. 

Van  Vélaine  richtte  De  Gournay  zich  op  Fleurus,  trok  daar- 
door, en  schaarde  zich  toen  in  slagorde  aan  de  overzijde  van 
de  beek  van  Ligny."  —  De  beek  van  Ligny  ontstaat  bij  Saint- 
Amand  door  de  samenvloeiing  van  eenige  kleinere  beken;  de 
oostelijkste  daarvan,  de  beek  van  Fleurus,  werd  door  De  Gournay 
overgetrokken;  de  beek  van  Berlaimont,  meer  westelijk,  stroomt 
door  Wagnée,  dat  bezet  was  door  de  bondgenooten.  —  «Hij 
maakte   toen  front  tegenover  den  rechtervleugel  en  het  centrum 


Digitized  by 


Google 


44  KRIJGS-   EN   GESCHIEDRUNDIGB  BESCHOUWINGEN. 

van  Waldeck,  van  Wagnée  tot  Saint- Amand.  Du  Metz,  die  60 
stukken  geschut  had,  bracht  er  slechts  30  in  batterij,  vóór  de 
slaglinie  van  De  Gournay;  in  het  verlengde  van  de  lijn  volgens 
welke  die  stukken  opgesteld  waren,  rechts,  kwamen  de  30  andere, 
en  begonnen  te  vuren  in  de  ruimte  tusschen  Saint-Amand  en 
Ligny:  zoodoende  moesten  de  bondgenooten  gelooven,  dat  die 
artillerie  ondersteund  werd  door  troepen,  die  raen  wel  niet  zag, 
maar  die  ergens  achterwaarts  moesten  staan;  in  werkelijkheid 
waren  deze  er  niet.  De  Gournay  had  last  om  het  gevecht  eerst 
ddn  te  beginnen,  als  hij,  door  een  overeengekomen  sein,  zou 
onderricht  zijn  dat  de  Maarschalk  op  het  andere  uiteinde  van 
het  slagveld  was  gekomen.  Van  zijn  kant  bleef  de  Prins  van 
Waldeck  onbeweeglijk  den  aanval  afwachten;  en  zoo  bleef  men 
uren  lang  werkeloos,  zonder  dat  dit  lange  oponthoud  den  min- 
sten argwaan  bij  hem  opwekte. 

Met  de  twee  andere  colonnes  en  10  veldstukken  had  de  Maar- 
schalk, te  Vélaine,  De  Gournay  verlaten,  en  had  al  meer  en 
meer  rechts  aangehouden;  hij  trok  het  dorp  Boignée  voorbij  en 
ging  langs  Ligny,  waarvoor  hij  eenige  compagnieën  achterliet 
om  de  bezetting  van  dit  punt  te  misleiden;  tusschen  Ligny  en 
Sombreffe  ging  hij  de  beek  over,  en  trok  verder  tot  aan  den 
grooten  weg  van  Nivelles  op  Namen;  toen,  zeker  van  den  vijand 
genoeg  te  hebben  omtrokken,  had  hij  zich  plotseling  links  ge- 
wend; was,  niet  zonder  bezwaar,  een  moerassig  terrein  doorge- 
trokken; en  had  eindelijk  hoogten  bereikt  van  waar  men  den 
grond  kon  overzien,  waar  de  slag  zou  worden  geleverd.  Na  door 
zijne  voorhoede  het  dorp  Wagnelée  te  hebben  doen  nemen,  dat 
den  uitersten  linkervleugel  van  de  bondgenooten  uitmaakte,  was 
Luxembourg  genoodzaakt  een  oogenblik  te  wachten  en  zijne 
troepen  wat  te  laten  uitrusten,  die  door  zeven  uur  marcheerens 
uitermate  vermoeid  waren." 

Toen  Waldeck  —  zegt  Rousset  —  verneemt  dat  Wagnelée 
wordt  aangevallen,  wil  hij  nog  van  front  veranderen  door  eene 
stelling  te  nemen  met  den  rechtervleugel  achter  Wagnée,  het 
centrum  vóór  Heppignies  en  de  beek  van  Thiméon,  en  den  lin- 
kervleugel naar  de  zijde  van  Mellet.  Die  nieuwe  slaglinie  zal 
bijna  loodrecht  staan  op  de  eerste;  de  infanterie  stelt  zich  daar- 
toe in  beweging ;  al  de  ruiterij  van  den  linkervleugel  wordt  tegen 
Luxembourg  afgezonden,  om  die  front  verandering  te  beschermen. 

Wij  merken  hierop  aan:  dat  het  waar  is,  dat  Waldeck  toen 
eene  frontverandering  heeft  willen  verrichten;  dat  het  onzeker 
is,  of  die  frontverandering  wel  juist  zóó  moest  zijn  als  Rousset 
zegt;  en  dat  het  zeer  zeker  is,  dat  zij  niet  zóó  is  tot  stand  ge- 
komen. Waldeck  had  Luxembourg  ongehinderd  zijne  omtrekking 
laten  verrichten;  maar  Luxembourg  was  niet  edelmoedig  genoeg 
met  dit  te  vergelden,    door  Waldeck  ongehinderd  zijne  front- 


Digitized  by 


Google 


FLEURUS.  45 

verandering  te  laten  doen.  —  Lange  jaren  geleden  moest,  bij 
een  onzer  groote  manoeuvres,  cavalerie  een  carré  aanvallen; 
maar  de  carré-formatie  ging  wat  langzaam  in  haar  werk;  toen 
werd  er  een  boodschap  aan  de  cavalerie  afgezonden:  >de  cava- 
lerie moest  nog  wat  wachten  met  den  aanval,  de  infanterie  was 
nog  niet  klaar."  Zulk  een  boodschap  had  ook  Waldeck  moeten 
zenden. 

Om  1 1  uur  's  ochtends  heeft  Luxembourg  al  zijn  cavalerie  — 
namelijk  de  cavalerie  van  zijne  afdeeling  —  bijeen;  het  afge- 
sproken sein  wordt  toen  gegeven.  De  Gournay  valt  toen  aan  met 
zijne  ruiterij,  maar  sneuvelt,  geheel  in  het  begin  van  den  strijd;  — 
daardoor  en  door  een  hevig  geweervuur  nabij  Wagnée  komt  de 
cavalerie  van  De  Gournay  in  wanorde,  en  wordt  geslagen  door 
die  van  Waldeck;  bij  een  nieuwen  aanval  behaalt  de  Fransche 
ruiterij  echter  de  overwinning.  Bij  het  andere  gedeelte  behaalt 
de  ruiterij  van  Luxembourg  de  overwinning,  en  vervolgt  de  ge- 
slagene ruiterij  van  Waldeck  tot  in  de  ruimte  tusschen  de  beide 
liniën  van  de  infanterie  der  bondgenooten ;  die  infanterie  neemt 
toen  het  gevecht  op,  met  uitstekende  dapperheid. 

...tHet  gold  nu  die  infanterie  uiteen  te  drijven;  en  hardnek- 
kiger tegenstand  had  men  nog  niet  ontmoet. 

De  Fransche  bataljons,  gedeeltelijk  uit  Saint-Amand  komende, 
gedeeltelijk  uit  Wagnelée,  manoeuvreerden  om  zich  te  vereenigen. 
De  brigades  van  Champagne  en  van  Navanre,  die  den  linker- 
vleugel uitmaakten,  beklommen  de  het  dichtst  bij  den  vijand  ge- 
legen hoogten  en  kwamen  dadelijk  in  gevecht  met  diens  eerste 
linie;  veel  hadden  zij  te  lijden  van  een  vuur,  dat  ontegenzeggelijk 
krachtiger  was  dan  dat  der  Fransche  infanterie.  Maar  bajonet- 
aanvallen  en  herhaalde  charges  van  verscheiden  eskadrons  maak- 
ten openingen  in  die  linie;  toch  bleven  de  fragmenten  dier  linie 
een  geduchte  kracht  behouden.  Op  slechts  honderd  pas  afstands 
vuurde  men  daarop,  uit  zes  kanonnen  die  men  op  den  vijand 
had  vermeesterd.  tAls  een  kanonskogel  een  geheel  rot  had  weg- 
genomen, of  er  velen  had  gedood  bij  het  schieten  en  écharpe^ 
dan  sloten  die  soldaten  zich  maar  weer  aaneen,  alsof  er  niets 
was  gebeurd."  Ziedaar  wat  Luxembourg  zelf  getuigt.  Hij  zegt 
verder:  t nadat  ik  een  trompetter  en  een  tamboer  had  afge- 
zonden om  hen  op  te  eischen,  waarop  zij  geen  antwoord  gaven, 
rende  De  Chepy,  die  bij  mij  was,  naar  hen  toe,  zeggende:  lik. 
zal  met  hen  spreken."  Hij  zeide  hun,  dat  zij  van  alle  kanten 
waren  omsingeld,  dat  ik  daar  was,  en  dat  ik  kwartier  wilde 
geven.  Hun  antwoord  was:  tkeer  terug;  wij  willen  daar  niets 
van  weten;  wij  zijn  sterk  genoeg  om  ons  te  verdedigen."  Vijf 
dier  heldhaftige  bataljons  doorbraken  den  kring  der  aanvallers, 
en  trokken,  uittartend  en  zonder  den  marsch  te  verhaasten,  terug 
op  de  engten  van  Saint-Amand  en  van  Ligny.  Zij  gaven  daarmee 


Digitized  by  VjOOQIC 


46  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

eene  les  aan  den  Prins  van  Waldeck:  zóó  had  hij  dadelijk 
moeten  doen"  (Rousset,  bit.  408—412). 

Hier  moeten  wij  opmerken:  dat  de  opgaven  van  onze  zijde 
er  volstrekt  geen  gewag  van  maken,  dat  vijf  der  bataljons  van 
Waldeck^  zich  door  den  vijand  heenslaande,  op  Saint-Amand  en 
Ligny  zijn  teruggetrokken;  wél  komt  daarin  voor,  dat  vier  regi- 
menten voetvolk  van  den  linkeryleugel,  zich  door  den  vijand 
heenslaande,  met  de  hoofdmacht  zijn  afgetrokken  naar  de  zijde 
van  Nivelles;  —  maar  dit  is  geheel  iets  anders.  Wat  Rousset 
bedoelt  met  te  zeggen,  dat  die  vijf  bataljons,  door  terug  te  gaan 
op  Saint-Amand  en  Ligny,  Waldeck  eene  les  gaven  omtrent  het- 
geen hij  dadelijk  had  moeten  doen,  —  is  niet  geheel  duidelijk: 
maar  bedoelt  hij  er  meê,  dat  Waldeck,  al  lang  te  voren,  aan 
die  zijde  De  Goumay  had  moeten  aanvallen,  dan  zijn  wij  het 
met  hem  eens. 

Rousset  vervolgt: 

>Maar  in  weerwil  van  zijne  misslagen,  was  de  Prins  van  Wal- 
deck volstrekt  geen  tegenpartij  die  men  licht  mocht  tellen.  Ge- 
hecht aan  de  oude  krijgsregels,  had  hij  zijn  tweede  linie  met 
opzet  nog  gespaard;  en  terwijl  de  Franschen  hunne  krachten 
uitputten  in  het  overhoop  werpen  van  de  eerste  linie,  maakte 
hij  zich  gereed  om  den  slag  opnieuw  te  beginnen;  hij  wanhoopte 
niet  aan  de  zege.  Luxembourg  had  naar  alle  kanten  adjudanten 
uitgezonden  om  de  verspreide  ruiterij  te  herzamelen,  en  de 
eskadrons  te  herstellen  idie  tamelijk  onder  elkander  verward 
waren;  en  ze  weer  in  slagorde  te  scharen,  om  bereid  te  zijn 
tegen  wat  zich  mocht  voordoen." 

Het  was  drie  uur,  toen  de  Maarschalk  eene  sterke  colonne 
voetvolk  van  verre  uit  de  vlakte  zag  voortrukken  naar  Saint- 
Amand.  Het  was  de  tweede  linie  der  bondgenooten,  die,  voor- 
uitgaande, de  overblijfselen  van  de  eerste  linie  opnam,  en  daar- 
door voortdurend  sterker  en  dieper  werd.  £n  niet  alleen  afdeelingen 
voetvolk  sloten  zich  bij  haar  aan;  maar  men  zag  ook  ruiters 
zich  op  hare  flanken  of  in  haar  rug  plaatsen,  zich  onderling  aan- 
sluiten, en  gaandeweg  zich  ordenen;  duidelijk  zag  men  hoe  er 
eerst  pelotons  werden  geformeerd,  daarna  eskadrons.  Tevens 
zag  men  over  het  geheele  onmetelijke  slagveld  als  het  ware  het 
mirakel  van  eene  plotselinge  opstanding;  daar  waar  men  niets 
dan  dooden  meende  te  hebben  achtergelaten,  stonden  levenden 
op,  niet  om  te  vluchten,  maar  om  te  vechten.  Thans  scheen  het, 
alsof,  op  zijn  beurt,  het  Fransche  leger  gevaar  liep  van  omsin- 
geld te  worden,  tik  heb  meer  veldslagen  gezien"  —  zeide 
Luxembourg —  imaar  bij  geen  andere  heb  ik  ondervonden,  wat 
ik  hier  ondervonden  heb ;  want  toen  wij  de  troepen  die  tegenover 
ons  stonden  hadden  geslagen,  dacht  ik  dat  de  zaak  gedaan  was ; 
en  toen  vonden  wij,  midden  tusschen  onze  troepen,  weer  eskadrons 


Digitized  by 


Google 


FLEURUS.  47 

die  ons  telkens  chargeerden.  Terwijl  ik  die  linie  voetvolk  te 
gemoet  ging,  hoorde  ik  een  vreeselijk  vuur  links  van  onzen 
rechtervleugel.  Het  was  De  Montrevel,  die  bataljons  en  eskadrons 
ontmoette^  ver  achter  onze  linie,  en  op  een  plaats  waar  naar 
mijne  meening  niemand  was;  zij  gingen  hem  zoo  onverschrokken 
te  gemoet,  dat  hij  de  grootste  inspanning  en  de  uiterste  dapper- 
heid noodig  had  om  hen  te  slaan;  en  hij  had  met  een  zoo 
krachtigen  tegenstander  te  doen,  dat  de  overwinning  twijfelachtig 
was."  Toch  waren  die  wanhopige  pogingen  van  dappere  soldaten, 
die  hier  en  ginds  streden,  maar  zonder  eenheid  en  zonder  ver- 
band, wel  tergend  en  lastig,  maar  niet  wezenlijk  gevaarlijk, 

Het  wezenlijk  gevaar  was  dat  onafgebroken,  geregeld,  hard- 
nekkig vooruitgaan  van  Waldeck.  Luxembourg,  die  niet  veel 
troepen  meer  wilde  wagen,  had  aanvankelijk  geschut  vooruitge- 
bracht;  —  het  geschut  miste  zijn  doel;  de  kartetsschoten  schenen 
zonder  uitwerking  te  blijven;  en  de  bondgenooten  gingen  steeds 
voorwaarts.  £ene  linie  van  ruiterij,  door  den  Maarschalk  in  slag- 
orde geschaard,  maakte  even  weinig  indruk  op  hen;  wel  wierp 
die  ruiterij  de  eskadrons  overhoop,  op  de  flank  der  colonne; 
maar  een  salvo  van  het  geweervuur  bracht  de  ruiterij  tot  staan, 
toen  zij  haar  voordeel  wilde  doorzetten:  de  infanterie  had  zich 
rechts  in  bataille  geplaatst,  en  gevuurd;  daarna  weer  in  colonne 
komende,  hervatte  zij  den  marsch.  Nog  andere  cavalerie-charges 
hadden  er  plaats,  —  maar  onbeslissend,  en  al  flauwer  en  flauwer ; 
de  Fransche  ruiterij,  ontmoedigd  door  dit  hevig  vuur,  herzamelde 
zich  buiten  het  bereik  daarvan.  Gedurende  een  half  uur  was  de 
uitkomst  twijfelachtig,  —  zegt  een  der  handelende  personen  van 
dit  drama;  toen  begreep  Luxembourg,  dat  hij  den  tegenstand 
dier  troepen  niet  zou  te  boven  komen,  dan  door  tegen  hen  een 
geweervuur  aan  te  wenden,  even  krachtig  als  het  hunne.  Hij  riep 
zijn  voetvolk  ten  strijde. 

De  vier  eerste  bataljons  die  aan  kwamen  snellen,  werden  aan- 
gevoerd door  den  hertog  De  la  Roche-Guyon,  den  schoonzoon 
van  Louvois.  >De  soldaten,**  zegt  de  Maarschalk,  t  waren  zoo 
buiten  adem,  dat  hij  eerst  na  een  oogenblik  bekomen  te  zijn, 
tegen  mij  zeide:  »als  gij  het  goedvindt,  dan  wilJen  wij  die  man- 
nen slaan**  {nous  battrms  ces  gens-ld).  Maar  ik  verbood  hem  den 
aanval,  totdat  ik  andere  bataljons,  rechts  van  hem,  had  geplaatst; 
niet  minder  dan  vijftien  bataljons  waren  er  noodig,  behalve  die 
vier  van  De  la  Roche-Guyon,  om  eene  even  sterke  linie  te  heb- 
ben als  die  des  vijands.**  Tegelijkertijd  deed  Luxembourg  negen 
andere  bataljons  oprukken,  om  de  colonne  te  omtrekken;  deze 
maakte  eindelijk  halt,  en  naar  alle  zijden  front ;  maar  gedurende 
meer  dan  een  uur  tijds  was  er  een  onophoudelijk  musket-  en 
kanonvuur  noodig  om  haar  eenigszins  te  schokken.  Toen  deed 
Luxembourg  den  aanval  blazen ;  en  voetvolk  en  ruiterij  stormden 


Digitized  by 


Google 


48  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

los  op  de  gedunde  gelederen  van  den  vijand.  Het  ging  hier 
evenals  eenige  uren  vroeger  met  den  aanval  op  de  eerste  linie. 
De  colonne  werd  doorbroken^  en  de  ongelijke  deelen  waarin  zi) 
zich  splitste,  trokken  terug  in  geslotene  massa's,  wél  veel  ver- 
liezen lijdende,  maar  altijd  in  orde.  » Nooit,"  —  zegt  de  reeds 
aangehaalde  ooggetuige  —  «nooit  heeft  infanterie  in  zoo  gevaar- 
vollen  toestand  zooveel  vastberadenheid  betoond." 

Tevreden  met  die  uitkomst,  oordeelde  Luxembourg  dat  het 
geen  zaak  was  om  den  weg  te  versperren  voor  die  troepen  die 
over  Mellet  het  slagveld  verlieten  en  terugtrokken  in  de  richting 
van  Nivelles.  Hij  vergenoegde  zich  met  het  tegenhouden  van 
eene  kleinere  afdeeling,  die  naar  alle  waarschijnlijkheid  op  Char- 
leroi wilde  teruggaan.  Reeds  had  die  afdeeling  de  kluis  van 
Saint-Fiacre  bereikt,  en  om  bosschen  te  bereiken  waar  het  on- 
mogelijk zou  zijn  geweest  om  haar  te  vervolgen,  had  zij  nog 
maar  eene  kleine  vlakte  over  te  trekken  van  een  driehonderd 
pas  lengte,  toen  de  Maarschalk,  die  tot  ongeluk  van  die  dap- 
peren daar  was,  drie  eskadrons  ruiterij  deed  aanrennen,  en  den 
terugtocht  afsneed;  zij  hadden  althans  de  voldoening  van  hunne 
wapens  over  te  geven  aan  den  veldheer  zelf  van  het  leger,  waar- 
tegen zij  zoo  dapper  hadden  gevochten." 

De  afdeelingen,  in  de  kasteelen  van  Saint-Amand  en  van  Ligny 
geplaatst,  waren  daar  gebleven  en  nu  dus  afgesneden. 

...tik  hoorde"  —  Luxembourg  spreekt  —  idat  er  vijandelijke 
infanterie  was  in  twee  sterke  kasteelen  in  onze  nabijheid;  meer 
dan  2000  man,  in  een  dier  kasteelen,  gaven  zich  krijgsgevangen 
aan  De  Montrevel,  dien  ik  daarheen  zond  om  hen  op  te  eischen ; 
in  het  andere  kasteel,  waar  ik  heen  ging,  dreven  die  heeren  den 
spot  met  mij.  Ik  bracht  geschut  in  werking,  om  geen  man  door 
hun  vuur  onnoodig  te  verliezen;  dat  bracht  hen  nog  niet  tot 
onderhandeling,  en  intusschen  werd  het  nacht.  Ik  deed  het  kas- 
teel omsingelen  door  voetvolk,  gesteund  door  eenige  eskadrons; 
coupures  werden  gemaakt  in  de  wegen,  waarover  die  hardnekkige 
vijand  zou  kunnen  terugtrekken;  en  zoo  wachtte  ik  den  vol- 
genden dag  af;  —  toen  deden  zij  het  voorstel,  dat  zij  zich 
zouden  overgeven.  Ik  wilde  hen  alleen  op  discretie  gevangen 
nemen;  en  hun  aanvoerder,  de  Heer  De  Dohna,  bewilligde 
hierin"  (Rousset,  blz.  413—414). 

Wat  de  verliezen  der  beide  partijen  in  dien  slag  van  Fleurus 
aangaat,  die  bedroegen  —  volgens  Rousset  —  bij  de  bondge- 
nooten  meer  dan  8000  man  aan  dooden  en  gewonden,  en  7800 
aan  krijgsgevangenen:  bovendien  verloren  zij  106  vaandels  of 
standaarden,  49  kanonnen,  5  pontons  en  meer  dan  200  caissons 
of  artillerie- voertuigen.  —  Onder  de  krijgsgevangenen  waren  1500 
uitgeweken  Franschen ;  die  werden  allen  naar  de  galeien  gezonden. 
Strikt  genomen  valt  daar  niets  tegen  te  zeggen:  zij  voerden  de 


Digitized  by 


Google 


FLEÜRUS.  49 

wapens  tegen  hun  land,  en  hadden  dus  de  doodstraf  verdiend. 
De  schuld  drukte  echter  alleen  op  de  dwingelandij^  die  hen  ge- 
noopt had  om  de  wapenen  tegen  hun  land  te  voeren.  De  ver- 
liezen der  Franschen  worden  door  Luxembourg  opgegeven  op 
1500  dooden,  waaronder  iDe  Gournay,  een  uitstekend  generaal", 
en  »Du  Metz,  den  bevelhebber  der  artillerie"  (blz.  414);  van  de 
gekwetsten  spreekt  Luxembourg  niet.  Rousset  neemt  aan,  dat  het 
Fransche  leger  een  5  k  6000  man  heefc  verloren. 

Vergelijkt  men  nu  dat  verhaal  van  den  slag  van  Fleurus  door 
Rousset,  grootendeels  opgemaakt  uit  de  papieren  van  Louvois, 
met  ónze  ofücieele  opgaven,  dan  stuit  men  op  een  belangrijk 
verschil:  van  al  die  bijzonderheden  die  in  de  Fransche  opgaven 
voorkomen  over  den  strijd  tegen  de  HoUandsche  infanterie  ge- 
voerd en  die  zoo  roemrijk  zijn  voor  die  infanterie,  komt  in  onze 
oflicieele  opgaven  weinig  of  niets  voor;  zij  bepalen  zich  tot  alge- 
meenheden ;  en,  treden  zij  in  bijzonderheden,  dan  is  dit  niet  over 
wat  het  een  of  ander  bataljon  heeft  gedaan,  maar  wel  over  wat 
den  een  of  ander  hooggeplaatsten  officier  is  overkomen:  dat  »de 
hertog  van  Saxen-Meursburgh  ende  den  Grave  van  Styrum  als 
brave  soldaten  zijn  gestorven";  dat  »de  Prince  van  Nassau-Sar- 
brugge  gequetst  is",  en  met  den  Frieschen  Stadhouder  naar 
>  Charleroy  is  geretireert" ;  en  dat  Waldeck,  na  den  veldslag  zeer 
vermoeid  —  wat  op  zijn  hoogen  leeftijd  niet  te  verwonderen 
is  —  te  bed  ligt  terwijl  hij  aan  den  raadpensionaris  Heinsius 
over  dien  veldslag  schrijft;  —  en  zulke  zaken  meer. 

Moet  men  nu  uit  dat  stilzwijgen  van  ónze  ofBcieele  opgaven 
besluiten,  dat  de  bijzonderheden  die  in  de  Fransche  berichten 
voorkomen,  louter  fictie  zijn?  —  Neen.  Het  is  een  kenmerk  van 
onze  officieele  verslagen  van  dien  tijd  over  krijgsverrichtingen, 
dat  die  verslagen  in  den  regel  duister,  verward  en  onvolledig 
zijn;  in  den  regel  is  men  geneigd  om  van  den  opsteller  van 
zulk  een  verslag  te  zeggen:  »hij  begrijpt  niet  wat  er  gebeurd  is; 
//  n*y  voit  que  du  feu^\  Met  de  Fransche  militaire  verslagen  van 
dien  tijd  is  het  daSarentegen  geheel  anders:  daarin  mag  wel  het 
een  en  ander  zijn  opgesierd,  en  wat  sterk  gekleurd,  zelfs  verdicht 
zijn,  maar  het  geheel  fs  helder  en  duidelijk,  men  begrijpt  het, 
men  heefc  er  wat  aan,  het  ademt  krijgskennis ;  en  daarom  —  wij 
willen  er  niet  voor  instaan  dat  alle  bijzonderheden  in  dit  ver- 
haal van  Rousset  voorkomende,  waar  en  juist  zijn;  maar  over 
het  geheel  kunnen  wij  ons  met  dat  verhaal  zeer  goed  vereenigen. 

Maar  juist  daarom  is  het  ons  dan  ook  duister,  in  welke  for- 
matie die  HoUandsche  infanterie  te  Fleurus  heeft  gestreden,  In 
een  carré-formatie?  —  Wij  kunnen  dat  moeilijk  aannemen. 
Luxembourg  is  gedwongen  om  negentien  Fransche  bataljons 
naast  elkander  te  plaatsen  om  eene  even  sterke  linie  te  hebben 


WILLEM  iir.  —  in. 


Digitized  by 


Google 


/ 


50  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

als  de  Hollandsche  infanterie;  dit  sluit  immers  ieder  denkbeeld 
uit)  dat  die  Hollandsche  infanterie  daar  in  carré  heeft  gestaan? 
Als  het  minst  onwaarschijnlijke  stellen  wij  ons  de  zaak  zóó  voor, 
dat  die  infanterie  van  Waldeck  in  linie  geschaard  was,  behalve 
de  vleugelbataljons,  of  vleugelregimenten,  die  in  colonne  op  ge- 
heelen  afstand  hebben  gestaan,  en  die,  als  de  vijand  een  flank- 
aanval  wilde  doen,  door  zwenking  in  bataille  kwamen  en  een 
nieuwe  vuurlinie  vormden  tegen  dien  aanval.  Ziedaar,  zoo  wij 
meenen,  de  wijze  waarop  de  Hollandsche  infanterie  te  Fieurus 
heeft  gestreden;  —  wij  spreken  hier  echter  niet  op  stelligen 
toon;  wij  zeggen  niet:  zóó  is  het  geweest;  maar  wij  zeggen: 
zóó  heeft  het  kunnen  zijn. 

Verder  valt  over  de  wederzijdsche  verliezen  weinig  bijzonders 
te  zeggen.  Onze  Hollandsche  Mercurius  zegt,  dat  elk  der 
beide  partijen,  aan  dooden  en  gewonden,  een  lo  k  16000  man 
verloren  heeft;  —  die  cijfers  laten  zulk  een  groote  speelruimte, 
dat  zij  eigenlijk  niets  zeggen.  Waarschijnlijk  hebben  de  Franschen 
veel  verloren  aan  dooden  en  gewonden,  door  het  krachtige  vuur 
van  de  Hollandsche  infanterie;  want  het  is  het  infanterievuur, 
dat  bij  een  veldslag  de  grootste  verliezen  teweegbrengt.  Aan  den 
anderen  kant  is  het  duidelijk,  dat  de  gevangenen  geheel  of  groo- 
tendeels op  rekening  komen  van  de  bondgenooten,  de  geslagene 
partij;  het  cijfer  dat  Rousset  opgeeft  is  niet  onwaarschijnlijk, 
indien  het  waar  is  dat  eenige  bataljons  van  Waldeck  de  wijk 
hebben  genomen  binnen  Saint-Amand  en  Ligny,  en  later  dus 
verloren  zijn  gegaan.  De  afdeeling  die,  op  Charleroi  willende 
terugtrekken,  bij  Saint-Fiacre  is  verloren  gegaan,  schijnt  slechts 
een  geringe  sterkte  te  hebben  gehad,  eene  sterkte  van  een  500 
man.  Wat  het  veroveren  van  het  grootste  deel  van  Waldeck's 
artillerie  aangaat,  worden  de  Fransche  opgaven  eenigszins  beves- 
tigd door  wat  er  van  onzen  kant  wordt  gezegd,  namelijk  dat 
>twaelf  stucken  canon  met  de  pontons  zijn  gesalveert  geworden"; 
en  »de  infanterye  van  den  Staet  soude  het  meeste  gedeelte  van 
haer  canon  hebben  konnen  afvoeren,  soo  d'artilleryepaerden  het 
niet  ontvlucht  en  weghgelopen  waren  geweest."*  Daarentegen  is  het 
zeker,  dat  ook  door  Waldeck's  leger  vaandels  of  standaarden  van 
den  vijand  zijn  vermeesterd ;  echter  minder  dan  het  er  zelf  verloor. 

Dr.  P.  L.  Muller  zegt,  dat  de  Nederlanders  32  Fransche  vaan- 
dels hebben  vermeesterd,  en  dat  Waldeck  bij  dezen  slag  de 
helft  van  zijn  leger  heeft  verloren ;  —  dit  stemt  vrij  wel  overeen 
met  de  opgave  der  verliezen  bij  Rousset;  ook  omtrent  het  ver- 
lies aan  artillerie  bestaat  geen  groot  verschil. 

Dat  de  slag  van  Fieurus  op  den  isten  Juli  1690  voor  ons  eene 
nederlaag  is  geweest,  dat  valt  niet  in  het  minst  te  ontkennen  of 
te  betwijfelen.  —  Wat  was  de  oorzaak  van  die  nederlaag? 


Digitized  by 


Google 


FLEURUS.  5 1 

Moet  men  die  oorzaak  enkel  zoeken  in  de  grootere  getalsterkte 
van  Luxembourg's  leger?  —  Wij  gelooven  van  niet.  Dat  leger 
was  wel  sterker  dan  dat  van  Waldeck;  volgens  de  meeste  waar- 
schijnlijkheid is  de  verhouding  geweest  40000  man  tegen  30000; 
maar  die  overmacht  der  Franschen  is  niet  groot  genoeg  om, 
alleen  daardoor,  hunne  overwinning  te  verklaren,  vooral  niet,  als 
men  de  grootere  militaire  waarde  van  Waldeck's  troepen  in  aan- 
merking neemt,  't  Is  waar,  onze  opgaven  spreken  niet  met  groo- 
ten  lof  van  Waldeck's  ruiterij^  waarvan  een  deel  zich  zwak  moet 
gedragen  hebben,  en  waarvan  een  der  aanvoerders,  de  generaal 
Flodorf,  weinig  wordt  geroemd;  maar  toen  evenals  in  het  alge- 
meen maakte  het  voetvolk  de  voorname  kracht  van  een  leger 
uit;  het  voetvolk  is  Varme  des  batailies;  en  het  Hollandsche  voet- 
volk te  Fieurus  is  beter  geweest  dan  het  Fransche,  —  zonder 
dat,  door  dit  oordeel,  iets  nadeeligs  gezegd  wordt  voor  Luxem- 
bourg's  infanterie:  die  was  goed;  de  infanterie  van  Waldeck 
was  uitmuntend. 

De  voorname  oorzaak  van  onze  nederlaag  moet  daarin  gezocht 
worden,  dat  Waldeck  als  legerhoofd  niet  kon  opwegen  tegen 
Luxembourg.  De  Fransche  veldheer  heefc  te  Fieurus  op  eene 
stoute,  meesterlijke  wijze  gehandeld;  gewaagd,  als  men  wil;  maar 
zonder  wagen  komt  men  in  den  oorlog  niet  ver ;  men  dient  alleen 
te  weten  hoever  dat  wagen  mag  gaan;  dat  hangt  voornamelijk 
af  van  de  macht  die  men  tegenover  zich  heeft;  en  dikwijls  is 
het  alleen  de  uitkomst  die  beslist  of  dat  wagen  al  dan  niet  ver- 
standig was. 

Kracht  en  stoutheid  bij  Luxembourg,  traagheid  en  werkeloos- 
heid bij  Waldeck,  —  ziedaar  wat  hier  hoofdzakelijk  de  beslissing 
heeft  teweeggebracht. 

Waldeck  had  veel  kennis  van  den  oorlog,  ondervinding  van 
den  oorlog,  maar  het  genie  van  den  oorlog  is  hem  vreemd 
gebleven;  hij  is  de  Wagner  geweest  van  Goethe's  iFaust":  de 
man  die  er  door  blokken  en  zwoegen  wil  komen,  maar  die 
daarbij  steeds  teleurgesteld  wordt,  omdat  het  hem  geheel  ont- 
breekt aan  een  krachtigen,  scheppenden  geest.  Spottenderwijze 
zegt  Rousset,  dat  indien  Waldeck  te  Fieurus  is  geslagen,  hij  zich 
althans  daarmee  kan  troosten,  dat  hij  de  regels  trouw  in  acht 
heeft  genomen;  —  Molière's  dokter  beweert,  dat  het  er  niets  toe 
doet  of  een  zieke  al  sterft,  als  hij  maar  volgens  de  regels  van 
de  geneeskunst  is  behandeld. 

Wat  zou  een  stout  en  bekwaam  legerhoofd,  in  Waldeck's 
plaats,  een  kans  gehad  hebben  om  te  Fieurus  eene  schitterende 
overwinning  te  behalen !  Geruimen  tijd  hebben  de  bondgenooten 
niets  anders  tegenover  zich  dan  De  Gournay  met  de  helft  van 
het  Fransche  leger;  Luxembourg  is,  met  de  andere  helft,  verre 
weg.  Om  3   uur  's  ochtends  is  het  Fransche  leger  van  Vélaine 


Digitized  by 


Google 


52  KKUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

op  marsch  gegaan,  en  de  afstand  van  daar  tot  Fleurus  is  maar 
een  uur  gaans;  nu  is  het  wel  waar,  dat  men  zich  toen  langzaam 
bewoog,  en  dat  het  tijd  kostte  om  eene  colonne  in  slaglinie  te 
doen  komen;  maar  toch  kan  men  zonder  onwaarschijnlijkheid 
aannemen,  dat  De  Gournay,  om  6  of  7  uur  's  ochtends,  in  slag- 
orde heeft  gestaan  tegenover  Waldeck;  eerst  om  10  uur  's  och- 
tends komt  Luxembourg  bij  Wagnelée;  en  eerst  om  11  uur  heeft 
hij  zijne  macht  genoegzaam  bijeen,  om  den  linkervleugel  van  de 
bondgenooten  aan  te  vallen.  Waldeck  heeft  dus  minstens  drie 
uren  tijds  gehad  om  De  Gournay  aan  te  vallen,  vóór  dat  Luxem- 
bourg nog  in  werking  kon  komen;  en  er  is  alle  waarschijnlijk- 
heid voor,  dat  De  Gournay  dan  geslagen  zou  zijn  en  Luxembourg 
in  een  gevaarlijken  toestand  gebracht 

Dat  Waldeck  den  overgang  van  de  Sambre  niet  betwist  heeft^ 
is  hem  niet  als  een  misslag  toe  te  rekenen:  die  rivier  was  te 
onbeduidend  om  haar  goed  te  verdedigen.  Maar  zijne  handelingen 
te  Fleurus  kunnen  den  toets  der  kritiek  niet  doorstaan ;  hij  schijnt 
van  die  omtrekking  door  Luxembourg,  niets  te  hebben  geweten, 
niets  te  hebben  vermoed;  eene  enkele  ruiterpatrouille,  voorwaarts 
van  den  linkervleugel  uitgezonden,  ware  voldoende  geweest  om 
hem  dienaangaande  in  te  lichten.  Om  het  kort  en  goed  te  zeg- 
gen :  Waldeck  is  de  oorzaak  geweest  van  de  nederlaag  bij  Fleurus» 

Als  verontschuldiging  voor  Waldeck  brenge  men  niet  zijn 
hoogen  leeftijd  bij,  —  hij  was  toen  zeventig  jaar  oud;  —  zija 
zijne  misslagen  het  gevolg  geweest  van  zijn  leeftijd?  Is  hij 
vroeger  krachtiger  en  bekwamer  legerhoofd  geweest?  —  eD 
bovendien:  als  zijn  ouderdom  het  hem  onmogelijk  maakte  om 
zijn  taak  als  veldheer  goed  te  vervullen,  waarom  nam  hij  dan 
die  taak  op  zich?  Het  is  geen  kinderspel  om  op  het  oorlogsveld 
een  leger  aan  te  voeren:  niet  slechts  het  leven  en  de  eer  van 
vele  duizenden,  maar  ook  het  lot  van  staten  en  volkeren  hangt 
daarvan  af;  wie  daarvoor  niet  geschikt  is,  moet  het  niet  onder- 
nemen. Ongetwijfeld  vordert  de  ouderdom  eerbied;  maar  die 
eerbied  mag  niet  zóó  ver  gaan,  dat  men  aan  den  ouderdom 
eene  taak  opdraagt,  waarvoor  deze  niet  meer  is  berekend,  en 
die  in  hooge  mate  kracht  van  geest  vordert,  \^il  zij  goed  vol- 
bracht worden. 

Was  het  legerhoofd  der  bondgenooten  hier  middelmatig,  het 
leger  daarentegen  was  uitmuntend.  Het  behoort  tot  de  groote 
verdiensten  van  Willem  III  dat  hij  van  de  infanterie  der  Repu- 
bliek toen  de  beste  infanterie  van  Europa  heeft  gemaakt;  —  ei> 
dat  die  bewering  niets  overdrevens  heeft,  kan  men  zien  uit  ver- 
schillende opgaven  van  dien  tijd.  Neem  onder  andere  de  lijvige 
boekdeelen  van  Folard,  —  de  Clausewitz  en  Rüstow  van  zijne 
dagen,  thans  natuurlijk  verouderd,  evenals  Clausewitz  en  RUstow 


Digitized  by  VjOOQIC 


FLEURUS.  53 

ook  eens  zullen  verouderen.  Op  meer  dan  ééne  plaats  spreekt 
Folard  van  de  Hollandsche  infanterie,  van  hare  eigenaardige 
vechtwijze,  van  hare  orde,  van  de  geduchte  uitwerking  van  haar 
vuur ;  daarin  —  zegt  hij  —  laat  zij  iedere  andere  infanterie  achter 
zich.  Het  is  dan  ook  die  infanterie,  die,  bij  de  veldslagen  van 
den  Spaanschen  successie-oorlog,  aan  Marlborough  het  over- 
winnen gemakkelijk  heeft  gemaakt:  hij  heeft  de  vruchten  geplukt 
van  de  krijgskunst  van  Willem  III. 

Luxembourg,  die  een  kleine  twintig  jaar  te  voren  soms  met 
zooveel  minachting  van  het  Hollandsche  leger  gewaagde,  is  hier 
niet  karig  met  den  lof  van  dat  leger;  —  wij  hebben  dien  lof 
meegedeeld;  wij  hebben  meegedeeld  wat  bij  Rousset  verder 
daarover  voorkomt.  Ook  in  andere  Fransche  opgaven  wordt 
•  met  hoogen  lof  van  die  infanterie  gewaagd;  getuigenissen  die  te 
meer  waarde  hebben,  omdat  zij  van  vijandelijke  zijde  komen. 

Onze  bondgenooten  waren  niet  minder  uitbundig  in  hun  lof. 
Weinige  dagen  na  den  slag  van  Fleurus  zeide  een  afgevaardigde 
van  den  bewindhebber  der  Spaansche  Nederlanden,  in  eene  volle 
vergadering  van  de  Staten-Generaal,  »dat  d' onuytspreeckelijcke 
kloeckmoedigheyt  bij  de  voetknechten  van  haar  Hoog  Mog.  ge- 
vonden, niet  genoegsaem  gepresen  konde  werden  noch  in  Chro- 
nycken  beschreven  of  gelesen;  dat  door  de  Romeynen,  hoe 
vermaert,  geenige  diergelijcke  daden  uytgevoert  waren ;  dat  men 
sig  daer  over  te  meer  most  verwonderen,  dewijl  sij  geen  borst- 
weeren noch  hoogtens  voor  haer  gehad  hadden." 

In  minder  gezwollen  taal  wordt,  in  het  verhaal  van  den  veld- 
slag, door  Heinsius  en  de  beide  andere  leden  der  Staten  opge- 
maakt, van  de  Hollandsche  infanterie,  vooral  van  die  van  den 
rechtervleugel,  gezegd: 

...>ende  is  mits  dien  en  door  een  langen  duur  van  tijt,  ende 
naer  ses  uuren  vechtens  in  een  gestadig  vuur  soo  van  de  troupen, 
als  van  de  artillerye,  sonder  dat  de  infanterye  van  den  Staet, 
dewelcke  die  harde  stoot  uitgestaen  ende  beproeft  heeft  gehad 
met  een  standvastigheyt,  die  niet  uyt  te  drucken  en  eeuwigh  te 
melden  is,  eenigsints  gewanckelt  heeft. 

De  cavallerye  niet  meer  hebbende  konnen  gerallieert  werden, 
de  voorschreve  infanterye  genootsaekt  geweest,  alleen  de  franssche 
infanterye  ende  cavallerye,  die  se  voor  de  front  had,  te  attacqueren, 
terwijle  dat  se  van  achteren  oock  defensif  moesten  gaen;  het 
welck  met  sulcken  onvertsaegtheyt  ende  grootheyt  van  moet  uyt- 
gevoert wiert,  dat  den  vyant  selfs  besweeck  ende  de  infanterye, 
welcke  op  de  rechtervleugel  stont,  niet  meer  dorst  attacqueren; 
soodanig,  dat  het  aen  de  stantvastigheyt  ende  volvaerdigheyt  van 
het  voetvolck  noch  aen  het  beleyt  van  de  officiers  van  het  leger 
van  den  Staet  niet  ontbroocken  heeft,  dat  men  de  volle  over- 
winninge  niet  heeft  bekomen. 


Digitized  by 


Google 


54  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

£yndelijck  al  vechtende  soo  heeft  de  infanterye,  die  noch  in 
ordre,  roaer  sonder  ammunitie  was,  verdacht  geweest  om  de 
heggen  van  Mellé"  (Mellel)  »te  gewinnen;  ende  naer  verscheyde 
gedane'harde  aenvalien  soo  lieten  de  afgeslagene  fransche  deselve 
in  haer  gesicht  ten  getale  van  negen  regimenten  passeren,  voor 
de  front  van  welcke  sig  bevont  den  Prince  van  Waldecq  in  per- 
soon, mitsgaders  de  Lieutenant-Generaels,  den  Baron  van  Aylva 
(die  sijn  kIoeckmoedighe3rt  ende  gewoonlijcke  voorsorgen  op  sijn 
post  tot  die  tijt  toe  gecontinueert  had)  en  Van  Webnum"  (die 
naam  wordt  zeer  verschillend  vermeld:  Webnum,  Weibnom, 
Webbenum  enz.)  »den  wekken  anderwaerts  geen  dienst  meer 
konnende  doen  (als  alleen  op  de  linckervleugel  overgebleven 
sijnde)  soo  als  hij  heerlijcker  wijse  geduurende  al  het  gevecht 
gedaen  had,  sigh  bij  de  voorschreve  infanterye  begeven  hebben; 
soo  als  oock  den  Heer  d'Hubuy,  Lieutenant-Generael  van  de 
Spaensche  gedaen  had,  nadat  hij  veelmalen  hadde  gerallieert 
ende  de  Cavalerye  op  sijn  ordre  met  succes  gechargeert  hadde. 

Bij  die  langsame  aftocht,  dewelcke  sachtjes  ende  moedighlijck 
op  de  hoogte  van  Mellé  geschiede,  vervoegden  sig  daer  naer 
vier  regimenten  infanterye,  die  van  de  linckervleugel  overgebleven 
waren,  dewelcke  de  glorie  hadden,  om  van  gelijcken  voor  den 
dag  te  komen,  geaccompagneert  sijnde  met  hel  regiment  Caval- 
lerye  van  Waldecq,  door  den  dapperen  Brigadier  Iitersum  op 
ordre  van  den  Heer  Lieutenant-Generael  Van  Delwick  ende 
voor  derselver  front  dwars  door  den  vyant  heen  gevoert  ende 
al  vechtende  tot  een  bosch  genadert  sijnde,  het  welck  sij  aen- 
deden  om  hun  retraitte  te  maken,  die  sij  met  de  voorsz.  negen 
regimenten  naer  de  kassye"  (straatweg)  top  de  hoogte  van 
Mellé  voortsetteden." 

Béranger  heeft  gezegd: 

»}c  n*eus  jamais  d'indifféreQce 
pour  la  gloire  du  nom  frangais;** 

Ook  wij  deelen  dit  gevoelen  van  den  Franschen  zanger:  de 
eer  en  roem  van  Nederland  zullen  ons  nooit  ongevoelig  laten; 
die  hartstocht  blijft  levendig  bij  ons;  en  het  stuit  ons  tegen  de 
borst,  het  vervult  ons  met  weerzin,  wanneer  wij  soms  landge- 
nooten  met  voorname  onverschilligheid  van  onzen  aiouden  volks- 
roem  hooren  gewagen,  of  hen  hooren  pralen  met  een  wereld- 
burgerschap, dat  vaak  niets  anders  is  dan  het  deftige  kleed 
waaronder  zich  zelfzucht  en  armhartigheid  verbergen.  Alles  wat 
onzen  volksroem  betreft  is  ons  dierbaar,  —  ook  onze  krijgsroem ; 
en  daarom  hebben  wij  er  naar  gestreefd  om  wat  onze  voor- 
vaderen den  isten  Juli  1690  op  het  slagveld  van  Fleurus  hebben 


Digitized  by 


Google 


FLKÜRUS.  55 

verricht,  zooveel  mogelijk  te  doen  uitkomen.  Wij  zullen  in  geenen 
deele  beweren,  dat  het  verslag  dat  Heinsius  en  zijne  ambtge- 
nooten  geven  van  den  strijd  bij  Fleurus,  een  meesterstuk  is  van 
duidelijkheid  van  voorstelling;  want  het  tegendeel  is  waar;  — 
maar  ook  uit  de  aanhaling  die  wij  aan  dat  verslag  hebben  ont- 
leend, blijkt  overtuigend  hoe  welgegrond  de  lof  is,  toen  aan  de 
HoUandsche  infanterie  toegezwaaid. 

Uit  Namen  was  de  kolonel  Fagel  met  een  paar  duizend  man, 
meest  troepen  van  de  Republiek,  naar  het  kasteel  Froidmont 
getrokken,  om  het  Fransche  leger  het  teruggaan  achter  de 
Sambre  te  verhinderen ;  natuurlijk  keerde  Fagel  weer  naar  Namen 
terug  toen  het  bericht  inkwam  dat  Luxembourg  overwinnaar  was 
in  den  strijd  bij  Fleurus. 

Willem  III  was  in  Ierland,  toen  hij  het  bericht  ontving  van 
de  ondervonden  nederlaag;  dadelijk  schreef  hij  daarover  aan 
Heinsius  (Archief  van  Heinsius,  2*  deel,  blz.  12): 

»In  *t  leger  bij  Bellarney  4/14  Juli  1690. 
Het  is  onmogelijck  tegenwoordigh  UEd.  soo  exact  te  schrijven 
en  t'  antwoorden  op  Sijne  brieven,  als  ick  wel  wenste.  Die  van 
den  4e  die  ick  huyde  heb  ontfangen,  heeft  mij  niet  weynig  ont- 
stelt van  het  ongeluckige  rescontre  bij  Fleurus  voorgevallen, 
't  geen  mij  t'  eenemael  wegh  neemt  de  satisfactie  van  de  goede 
successen  die  ick  al  hier  hebbe.  Ick  versoeck  dat  UEd.  alles  wil 
contribueeren  dat  in  Sijn  vermogen  is,  om  te  repareeren  de  ge- 
ledene  schade.  Ick  heb  oock  aen  deu  vorst  van  Waldeck 
gescreven,  om  hem  soo  veel  doenlijck  aen  te  moedigen, 
't  welk  weegens  de  Staet  oock  dient  te  geschieden.  Ick  wil 
hoopen,  dat  de  geallieerden  nu  sodanigh  sullen  ageeren,  dat  de 
vyant  door  dese  beoogte  victorie  geen  groter  advantage  mogen 
scheppen." 

De  Staten-Generaal  hadden  die  aanmaning  van  Willem  III 
niet  afgewacht  om  Waldeck  isoo  veel  doenlijck  aen  te  moe- 
digen''; dadelijk  na  het  ontvangen  van  het  bericht  der  nederlaag, 
schreven  zij  hem:  idat  haer  Hoog  Mog.  wel  met  droef heyt 
hadden  vernomen  het  ongeluck,  dat  aen  het  leger  van  den  Staet 
bij  occasie  van  de  jongste  battaille  was  overgekomen,  ende  wel 
hadden  gewenscht  dat  het  God  almachtig  gelieft  hadde,  aen  die 
sake  een  anderen  uytslag  te  geven;  maer  dat  haer  Ho.  Mog. 
evenwel,  uyt  de  rapporten  van  het  gepasseerde  hebbende  gehoort 
de  goede  conduite,  bij  hem  Furst  van  Waldeck  in  die  battaille 
en  gelegentheyt  gehouden,  geen  andere  redenen  hadden,  als  om 
ten  hoogsten   daer  over  voldaen  te  sijn,  en  te  hopen,  dat  door 


Digitized  by 


Google 


56  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

de  continuatie  van  Sijnen  goeden  ijver  de  saecke  haest  wederom 
herstelt  konde  werden";-  enz. 

Die  brief  van  de  Staten-Generaal  aan  Waldeck  bewijst  dat  de 
toenmalige  regenten  van  onze  Republiek  verstandige  mannen 
waren;  —  denkelijk  zullen  ook  zij  wel  ingezien  hebben,  dat 
Waldeck  juist  geen  overvlieger  was,  en  dat  hij  te  Fleurus  mis- 
slagen had  begaan;  —  maar  zij  begrepen  te  recht,  dat  het  nu 
het  oogenblik  niet  was  om  die  misslagen  te  doen  uitkomen,  dat 
Waldeck  wel  geen  uitstekend  legerhoofd  was,  maar  zij  zoo 
dadelijk  geen  beter  hadden,  dat  het  bovendien  niets  dan  kwaad 
zou  stichten  indien  men  hem  op  dat  oogenblik  verving;  de 
Amerikaan  Lincoln  heeft  zeer  juist  gezegd:  >men  wisselt  niet 
van  paarden  op  het  oogenblik  dat  het  rijtuig  midden  in  een 
wed  is."  De  Staten-Generaal  handelden  dus  zeer  verstandig  met 
Waldeck's  beleid  te  prijzen,  om  daardoor  zijn  gezag  als  leger- 
hoofd te  verhoogen;  —  zij  deden  wat  Rome's  Senaat  ten  aan- 
zien van  Terentius  Varro  deed  na  de  nederlaag  bij  Cannae.  In 
ddt  opzicht  handelt  een  aristocratisch  bewind  meestal  met  meer 
verstand  dan  eene  volksregeering :  bij  eene  volksregeering  zou 
men  er  met  onstuimigheid  op  hebben  aangedrongen  om  Waldeck 
af  te  zetten  en  voor  een  krijgsraad  terecht  te  stellen;  men  zou 
de  kreet  van  >  verraad"  hebben  doen  hooren;  —  en  door  dat 
alles  zou  men  de  zaak  veel  erger  hebben  gemaakt. 

Volgens  Bosscha  wilde  Luxembourg  na  de  overwinning  van 
Fleurus  het  beleg  slaan  voor  Charleroi  of  Namen,  maar  werd 
hem  dit  door  Louvois  verboden.  Rousset  geeft  dienaangaande 
eene  andere  lezing:  volgens  hem  zou  Louvois  wel  degelijk  zulk 
een  beleg  hebben  gewild  en  zelfs  uitvoerige  voorschriften  daar- 
voor hebben  opgemaakt,  maar  is  het  Lodewijk  XIV  die  dat 
beleg  verboden  heeft:  de  Koning  vreesde  dat  de  keurvorst  van 
Brandenburg,  aan  den  Rijn  verschijnende,  daar  gevaarlijk  zou 
worden  voor  het  leger  van  den  Dauphijn ;  daarom  moest  Luxem- 
bourg eene  afdeeling  afzenden  tot  versterking  van  het  leger  aan 
den  Rijn;  Luxembourg  zelf  zou  wel  weer  eenige  troepen  van 
d'Humières  tot  zich  trekken,  en  daardoor  nagenoeg  even  sterk 
blijven;  maar  met  dat  alles  verliep  tijd;  en  op  die  wijze  bleef 
de  slag  van  Fleurus  zonder  gevolgen. 


Kort  na  die  nederlaag  te  lande  bij  Fleurus,  ondervond  de 
Republiek  eene  nederlaag  ter  zee,  in  den  strijd  bij  Bevesier  of 
Beachy-Head,  op  den  loen  Juli  1690.  Over  dien  zeeslag  deelt 
Rousset  enkele  bijzonderheden  mede. 

Chamlay,  de  man  die  in  alle  Fransche  krijgszaken  toen  een 
woord  meesprak,  schrijft  den  lóen  Juni  aan  Louvois: 


Digitized  by 


Google 


BEACHY-HEAD   (BEVESIER).  57 

tHannibal  heeft  gezegd^  dat  men  alleen  te  Rome  de  Romeinen 
zou  kunnen  overwinnen.  Ik  geloof  dat  die  stelregel  in  het  geheel 
niet  van  toepassing  is  ten  aanzien  van  de  Duitschers,  die  men 
eer  tot  rede  zal  brengen  als  men  Engeland  en  Holland  aanvalt^ 
dan  het  Keizerrijk.  Ik  wil  mij  duidelijker  uitdrukken :  de  Koning 
kan  er  niet  te  veel  werk  van  maken^  van  zijn  vloot  te  doen 
optreden  tegen  die  beide  natiën^  om  hen  tot  vrede  te  dwingen. 
Ik  weet  niet  of  dit  zoo  gemakkelijk  zal  gaan  met  Engeland, 
maar  toch,  De  Ruyter  heeft  voorheen  niet  opgezien  tegen  een 
tocht  naar  den  Theems.  Van  den  winter  heb  ik  de  eer  ge- 
had, aan  den  Koning  iets  voor  te  stellen  wat  mij  zeer  goed 
voorkomt  en  wat  voor  den  vijand  een  doodsteek  zou  zijn;  het 
zou  daarin  bestaan,  zoo  mogelijk,  Zeeland  te  vermeesteren  en 
daar  de  dijken  te  vernielen  om  het  onder  water  te  zetten.'' 

Den  23steD  had  Louvois  aan  Chamlay  geantwoord,  dat  de 
Fransche  vloot  met  den  eersten  gunstigen  wind  de  reede  van 
Brest  zou  verlaten,  met  last  om  den  vijand  op  te  zoeken  en 
slag  te  leveren.  «Onder  ons"  —  voegde  Louvois  er  bij  —  >als 
zij  De  Ruyter  aan  haar  hoofd  had,  dan  zou  ik  er  alles  goeds 
van  verwachten." 

Die  laatste  woorden  van  Louvois  houden  een'e  geringschatting 
in  ten  aanzien  van  den  Franschen  admiraal;  die  geringschatting 
was  onverdiend:  Tourville  heeft  werkelijk  behoord  tot  de  familie 
van  De  Ruyter,  Duquesne  en  Nelson. 

Den  235ten  Juni  steekt  Tourville  in  zee,  met  een  vloot  van 
78  oorlogsschepen;  den  loen  Juli  behaalt  hij  de  overwinning  van 
Beachy-Head : 

...«De  Britsche  admiraal  Herbert  kruiste  in  het  Kanaal  met 
58  oorlogsschepen,  waaronder  20  Hollandsche.  Na  verscheiden 
dagen  tegenover  elkander  gemanoeuvreerd  te  hebben,  werden  de 
beide  partijen  handgemeen  den  locn  Juli,  ter  hoogte  van  Beachy- 
Head,  op  de  kust  van  Sussex.  De  Hollanders,  die  den  voortocht 
uitmaakten,  begonnen  dapper  den  strijd  en  hielden  dien  acht 
uur  lang  vol,  met  een  geestkracht,  der  natie  waardig  die  te 
Fleurus  aan  Waldeck  zijne  beste  infanterie  had  verschaft.  Hier 
ondervonden  zij  hetzelfde  lot :  eene  nederlaag,  maar  glorievol ;  — 
de  Engelschen  deelden  in  de  nederlaag,  maar  niet  in  de  glorie. 
>De  Hollanders"  —  zeide  Louvois,  toen  hij  de  eerste  berichten 
van  den  zeeslag  aan  den  maarschalk  De  Lorge  mededeelde  — 
>de  Hollanders  hebben  uitstekend  gevochten  en  alles  gedaan 
wat  dappere  mannen  kunnen  doen.  De  Engelschen,  toen  zij 
zagen  dat  hunne  schepen  wat  schade  begonnen  te  lijden,  zijn 
meerendeels  geweken  en  hebben  op  groote  afstanden  gevuurd. 
De  Hollanders  zijn  woedend  op  hen..." 

Het  kwam  daarop  neer,  dat  1  Hollandsch  oorlogsschip  werd 
genomen;   8  schepen   zonken,  waaronder   slechts   2   Ëngelsche; 


Digitized  by 


Google 


58  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

7  andere  schepen,  masteloos,  kwamen  op  het  strand  terecht  en 
werden,  twee  of  drie  dagen  later,  verbrand,  óf  door  de  eigen 
bemanning,  óf  door  de  Franschen,  terwijl  van  Tourville's  vloot 
geen  enkel  vaartuig  ontredderd  was.  Dit  waren  de  roaterieele 
uitkomsten  van  zijne  luisterrijke  overwinning..."  (Rousset,  4^deel, 
blz.  420 — 421). 

Onder  de  z  e  d  e  1  ij  k  e  uitkomsten  behoorde  de  verbittering  van 
de  Hollanders  tegen  de  £ngelschen.  Wat  is  de  oorzaak  geweest 
van  het  slechte  gedrag  der  Engelsche  zeemacht  te  Beachy-Head  ?  — 
Want,  dat  dit  gedrag  slecht  is  geweest,  daaromtrent  zijn  de  ge- 
voelens van  de  tijdgenooten  vrij  eenparig.  Rousset  heeft  meege- 
deeld, wat  het  oordeel  is  geweest  van  Louvois;  van  den  anderen 
kant  halen  wij  hier  ook  het  oordeel  aan  van  Willem  III,  en  dat 
van  Van  Citters,  toenmaals  onzen  gezant  te  Londen. 

Van  P'leurus  en  van  Beachy-Head  gewagende,  schrijft  Willem  III 
uit  Ierland,  den  14/245160  Juli  1690  aan  Heinsius  (Archief,  2*  deel, 
blz.  12): 

>Het  is  onuytspreeckelijck  hoe  sensible  mij  heeft  geraeckt  de 
twee  groote  desastres  aen  de  Staetsche  wapenen  soo  kort  op 
den  andere  wedervaeren.  Dat  van  de  vloot  raeckt  mij  soo  veel 
te  sensibelder,  want  naer  d'  informatie  soo  hebben  mijn  scheepen 
die  van  de  Staet  niet  behoorlijck  gesecondeert,  maer  in  de  steeck 
gelaeten.  lek  heb  ordre  gegeven  nauwkeurigh  ondersoeck  te  doen, 
als  de  Coninginne  mede  gedaen  heeft,  en  sal  de  schuldigen  met 
rigueur  doen  straffen,  sonder  aensien  van  persoonen . . ." 

En  Van  Citters  schrijft  uit  Westminster,  10/21  Augustus  1690 
aan  Heinsius  (Archief,  blz.  23 — 24),  over  den  Engelschen  admi- 
raal Herbert  —  toen,  graaf  van  Torrington  — ,  die  het  bevel 
had  gevoerd  over  de  vereenigde  vloot,  en  die  wegens  zijne  han- 
delingen te  Beachy-Head  gerechtelijk  werd  vervolgd: 

•  Men  wil  mij  doen  gelooven,  dat  velen  sich  moeyte  geven,  — 
ja  zelfs  de  marquis  van  Carmarthen,  de  grave  van  Nottingham 
en  anderen,  om  den  grave  van  Torrington  te  salveren ;  maar  het 
abuys  is  soo  groot,  dat  niemant  van  onse  hooft-  en  andere  offi- 
cieren hem  ten  minste  van  de  uyterste  lacheteyt  weten  te  excu- 
seren, omdat  hij  op  het  gegeven  signael  van  den  viant  aen  te 
tasten,  dat  nevens  andere  niet  gedaen  heeft,  maer  om  de  zuyt 
gierende  daer  te  loefwaert  met  meest  alle  de  Engelsen  buyten 
schoots  van  den  viant  is  blijven  leggen  en  ons  volck  als  honden 
laten  vermoorden,  sonder  een  schot  te  schieten,  en  naer  de 
bataille  onse  afgematte  en  ontramponneerde  schepen  niet  willen 
decken  en  alsoo  salveren,  maer  geordonneeft  die  séïh  te  ver- 
branden en  te  ruïneren,  om  in  des  viant's  handen  niet  te  laten 
vervallen,  't  gene  naer  aller  opinie  hadde  voorcomen  connen 
werden,  soo  bij  aldien  hij  met  sijn  esquader  en  andere  Engelse, 


Digitized  by 


Google 


BEACHY-HEAD   (BEVESIER).  59 

die  niet  een  schot  op  den  viant  gedaen  hebben,  haer  hadde 
bijgecomen,  maar  op  pretext  van  met  den  viant  nu  hem  niet  te 
konnen  engageren,  alles  heeft  liever  geabandoneert  en  verlaten 
en  ieder  sijn  best  naer  de  riviere**  (de  Theems)  lin  de  uyterste 
confusie  doen  seylen." 

Van  der  Heim  —  de  uitgever  van  het  Archief  van  Heinsius  — j 
heeft  bij  het  bespreken  van  den  slag  van  Beachy-Head  het  oor- 
deel over  den  Engelschen  vlootvoogd  Torrington  nog  eenigszins 
willen  verzachten.  Heel  gunstig  kan  dat  oordeel  echter  niet  zijn; 
want  in  hoofdzaak  komt  het  gebeurde  daarop  neer:  dat  Tor- 
rington, die  op  uitdrukkelijken  last  van  de  Engelsche  koningin 
Maria  overging  tot  het  leveren  van  een  zeeslag,  dien  slag  heeft 
laten  uitvechten  door  de  Hollandsche  schepen,  en  met  zijne 
Engelsche  schepen  —  verreweg  de  hoofdmacht  uitmakende,  — 
bijna  niet  meê  heeft  gevochten;  en  dat,  indien  hij  al  geen  bevel 
heeft  gegeven  om,  na  den  zeeslag,  de  ontredderde  Hollandsche 
schepen  te  verbranden,  hij  toch  niets  gedaan  heeft  om  die 
schepen  te  behouden;  in  stede  van  den  vervolgenden  vijand  het 
hoofd  te  bieden  en  daardoor  den  aftocht  der  Hollanders  te  be- 
schermen, heeft  de  Engelsche  zeemacht  zich  maar  gehaast  om 
den  Theems  te  bereiken.  Naar  alles  wat  wij  er  van  weten,  kun- 
nen wij  geen  ander  oordeel  uitbrengen  dan  dit:  het  gedrag  van 
de  Engelsche  zeemacht  te  Beachy-Head  is  slecht  geweest. 

Waaraan  ligt  dit  slecht  gedrag?  Lafheid?  —  lafheid  is  geen 
Engelsche  ondeugd,  vooral  geen  ondeugd  van  de  Engelsche 
zeemacht.  Is  het  verraad  geweest  van  de  Engelsche  vlootvoogden, 
die  mogelijk  koning  Willem  weer  wilden  vervangen  door  koning 
Jakobus?  —  Als  men  zich  herinnert,  aan  welke  verraderlijke 
handelingen  Marlborough  zich  toentertijd  heeft  schuldig  gemaakt, 
dan  is  het  niet  zoo  geheel  ongeoorloofd,  om  ook  Herbert  van 
zoo  iets  te  verdenken;  toch  zijn  er  geen  bewijzen  voor.  Heeft 
zich  hier  misschien  de  oude  vijandschap  doen  gelden  tusschen 
de  beide  volken,  die,  na  zoo  lang  en  zoo  hevig  tegen  elkander 
te  hebben  gevochten,  niet  in  eens  er  toe  konden  worden  ge- 
bracht om  naast  elkander  te  vechten?  —  Dat  laatste  komt  ons 
nog  het  waarschijnlijkste  voor;  en  het  zou  niet  bevreemdend  zijn 
geweest,  als  de  oude  zeekapiteins  van  Tromp  en  De  Ruyter  niet 
zoo  in  eens  de  beste  kameraden  zijn  geworden  van  de  oude 
zeekapiteins  van  Blake  en  Prins  Robbert.  Verbeeld  u,  dadelijk 
na  Waterloo,  de  bataljons  van  Wellington  in  één  leger  vereenigd 
met  Napoleon's  oude  garde;  dat  zou  immers  ook  niets  goeds 
hebben  opgeleverd? 

Torrington,  of  Herbert,  —  dat  is  een  ongelukkige  gewoonte 
bij  de  Engelschen  om  als  zij  van  stand  veranderen,  ook  van 
naam   te  veranderen;   dat  brengt  verwarring  teweeg  bij  de  be- 


Digitized  by 


Google 


€o  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

handeling  van  de  geschiedenis;  zoo  is  er  een  schrijver,  die 
Torrington  noemt  als  opperbevelhebber  van  de  geheele  vloot, 
en  den  admiraal  Herbert  als  bevelhebber  van  een  smaldeel, 
even  alsof  Torrington  en  Herbert  twee  verschillende  personen 
waren  geweest  — ;  na  deze  tusschenvoeging  gaan  wij  voort: 
Torrington,  of  Herbert,  ook  van  Engelsche  zijde  beschuldigd 
van  plichtverzuim,  werd  dadelijk  bij  zijn  terugkomst  te  Londen, 
in  den  Tower  gevangen  gezet;  het  opgewonden  grauw  stond 
zelfs  naar  zijn  leven.  Spoedig  echter  bedaarde  die  drift,  en  be- 
gonnen de  Ëngelschen  ie  begrijpen,  dat  Torrington  dan  toch 
altijd  een  Engelschman  was,  en  niet  moest  worden  opgeofferd 
aan  de  Hollanders.  Den  2ostcD  December  werd  er  een  krijgsraad 
gehouden  op  het  Engelsche  oorlogsschip  Kent,  op  den  Theems 
bij  Sheerness;  Torrington,  voor  dien  krijgsraad  verschenen,  werd 
vrijgesproken  van  de  beschuldiging  van  plichtverzuim  in  des 
slag  van  Beachy-Head.  Willem  III  ontsloeg  hem  echter  als 
vlootvoogd. 

Wat  in  onze  Holland  se he  Mercurius  voorkomt  over 
dien  krijgsraad,  die  Torrington  vonniste,  maakt  het  vrij  duidelijk, 
dat  de  Engelsche  admiraal  zijn  vrijs])raak  heeft  te  danken  gehad 
aan  de  partijzucht,  of  eenzijdige  vaderlandsliefde,  van  zijne  land- 
genooten  en  wapenbroeders.  Er  is  zooveel  eenzijdigs  in  wat  er 
toen  is  voorgevallen  aan  boord  van  de  Kent,  dat  het  belangrijk 
is  om  er  iets  van  te  vermelden. 

De  krijgsraad  bestond  uit  ruim  dertig  Engelsche  zeekapiteins, 
met  Delaval,  den  vice-adrairaal  van  de  Blauwe  vlag,  tot  voor- 
zitter. Als  getuigen  werden  eerst  gehoord  »verscheyde  Engelsse 
schippers,  Constapels,  quartiermeesters  en  andere  geringe  be- 
dienden in  de  kajuyt,  ende  alleen  een  capiteyn,  dewelcke  al 
t'  samen  luttel  tegen  haren  admirael  inbrachten." 

Daarna  werden  drie  Hollandsche  zeeofficieren  gehoord:  de 
schout-bij-nacht  Schey,  en  de  kapiteins  Taelman  en  Swaen.  De 
getuigenis  van  die  drie  Hollandsche  officieren  werd  in  de  Engel- 
sche taal  overgebracht  door  een  der  Engelsche  officieren;  — 
natuurlijk  zal  die  vertolking  maar  het  zakelijke  hebben  weerge- 
geven, en  aan  nauwkeurigheid  wel  wat  te  wenschen  hebben 
overgelaten. 

Het  opmerkelijkste  is  de  getuigenis  van  Schey;  die  schout-bij- 
uacht  had.  met  zijn  schip  —  de  Prinses  Maria  van  92  stuk- 
ken, —  een  belangrijk  aandeel  gehad  aan  den  strijd:  aan  zijn 
boord  waren  12  man  gedood  en  60  gewond;  er  waren  daar 
24800  pond  kruit  verschoten;  140  schoten  had  het  schip  ge- 
kregen, zoo  onder  als  boven  water,  en  130  schoten  door  de  fok; 
de  mast  enz.  was  aan  stukken  lende  in  alles  schadeloos";  (het 
woord  schadeloos  schijnt  toen  beteekend  te  hebben:  door 
beschadiging  onbruikbaar).  In  één  woord,  als  iemand  hier  recht 


Digitized  by 


Google 


BEACHY-HBAD   (BEVESIER).  6i 

van  spreken  had,  dan  was  het  Schey ;  en  hij  heeft  dan  ook  va» 
dat  recht  gebruik  gemaakt  op  eene  wijze  die  niet  geheel  is  vri> 
te  pleiten  van  plompheid  en  ruwheid.  De  dappere  zeelieden  uit 
de  school  van  De  Ruyter  waren  niet  gewoon  er  doekjes  om  te 
winden,  maar  alles  te  zeggen  wat  hun  voor  den  mond  kwam*^ 
hun  vrijheid  van  taal  evenaarde  hun  moed. 

Ziehier  wat  in  de  Hollandsche  Mercurius  over  dit  punt  voor- 
komt (41*  deel,  blz.  345—347): 

...1  Schey  vertoonde  een  extract  uyt  sijn  dag-register,  op  dat 
de  krijgs-raed  ordentelijk  het  verrichtte  ende  gebeurde  in  het 
gevecht  mocht  lesen;  sij  weygerde  het  aen  te  nemen,  en  wende- 
voor: >sulcks  tegen  het  gebruyck  te  strijden  en  alles  uyt  een 
vaste  geheugenis  bij  monde  voorgedragen  te  moeten  werden. ''^ 
Den  Schout-bij-nacht  ving  sijn  verhael  van  Sondag,  den  9cn  van 
hoymaent,  aen,  en  vertoonde  »dat  den  grave  van  Torrington  op- 
een brief  van  de  Coningin  een  krijghs-raed  beriep  en  alle  ledei^ 
met  eenparige  stemmen  besloten,  op  haer  Majesteyts  ordre  den 
vyant  slag  te  leveren;  doch  sig  tot  de  aenkomst  van  Sir  Clou- 
desly-Shovel  en  den  Vice-admirael  Kullegrew,  soo  veel  te  loef- 
waert,  als  het  mogelijck  was,  te  houden;  en  met  beding  dat,, 
indien  de  voortocht,  door  de  Hollanders  gevoert  ende  het  blootste, 
in  een  gevecht  quam,  men  de  vijanden  gelijckerhant  soude  aen- 
tasten;  dat  den  Grave  den  loen  't  zeyn  van  rangeren,  en,  doe- 
de  vloot  geschickt  was,  dat  van  den  aenval  —  een  roode  vlag 
op  zijn  voorstenge  —  uytstak;  dat  de  Hollanders  in  goede  ordre 
op  de  fransse  losgingen;  maer  dat  Torrington  en  die  van  de 
blaeuwe  vlagh  in  een  halve  maen  contrarie  de  linie  der  Hollan- 
ders suckelden."  Men  vroeg  den  Schout-bij-nacht:  »wat  veroor- 
saeckt  had,  dat  de  fransse  Schout-bij-nacht  met  negen  schepen 
voor  de  Hollanders  overliep  en  de  loef  won  ?"  —  Hij  antwoord^,, 
•dat,  soo  Torrington  met  haer  in  een  linie  gesloten  hadde  blijven 
leggen,  men  met  de  geheele  vloot  den  vyant  had  konnen  op- 
volgen; doch  dat  hij,  door  sijn  niet  bewegen,  de  scheuring  in 
het  hollantsch  esquadre  gebracht  had."  Men  vorderde  »of  hi) 
raed  sag,  met  soo  weynig  door  soo  veel  schepen  heen  te- 
slaen"?  —  Schey  betuygde,  »dat  het  't  eerste  niet  soude  geweest 
zijn,  en  de  Hollanders  met  17  schepen,  34  k  36  fransse  in  de- 
slag  bij  Siciliën  soo  gedeckt  hadden,  dat  het  haer  daegs  daer  aen 
niet  meer  luste."  Acht  van  de  krijgs-raed  vielen  hier  op  in; 
ende  porden  den  Schout-bij-nacht,  met  veele  moeyelijckheyt  De- 
laval  af  te  perssen,  »wat  voor  karels  zij  waren,  en  wat  gesag 
sij  hadden,  buyten  de  krijgs-raed  om  te  vragen"?  Wijders  hem 
toe  te  voegen,  »dat  sij  haer  niet  mosten  verbeelden,  dat  sij, 
schoon  sij  met  haer  duysent  waren,  bequaem  souden  wesen^ 
hem  in  verwarring  te  brengen;  dat  men  sulcken  wanhebbelijck- 
heyt  in  Holland  ongewoon  was,  en  dat  het  beter  een  nest  met 


Digitized  by 


Google 


Ó2  KRJJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

jonge...  als  een  krijgs-raed  geleeck;"  (de  dappere  zeeman  heeft 
hier  zeker  eene  zoo  prachtige  uitdrukking  gebruikt,  dat  de  zedige 
Hollandsche  Mercurius  haar  oningevuld  heeft  gelaten);  >en  tegen 
den  Grave,  na  wien  hij  sig  draeyde,  uyt  te  brommen:  sen  gij 
Torrington,  wat  valt  hier  veel  t*  ondersoecken  ?  Vechten  was  de 
bootschap.  Doen  gij  met  ons  op  haer  Conincklijke  Majesteyts 
ordre  vaststelde,  den  vyant  eenparig  aen  te  tasten,  wat  reden 
had  gij,  om,  —  niet  alleen  gij,  maar  oock  alle  van  uw  Ësquadre, 
te  versuymen  op  de  franssche  van  het  begin  tot  het  laetste  toe 
af  te  komen?"  —  De  soon  van  den  Grave  van  Bath  eyschte, 
»of  Schey  wel  met  eede  wilde  verklaren,  dat,  bij  aldien  Tor- 
rington op  sijn  post  afgesackt  was,  den  vyant  geslagen  soude 
zijn  geworden?"  en  kreeg  tot  bescheyt:  »of  hij  wel  wilde  swee- 
ren,  met  twee  tegens  hem  alleen,  hem  te  doen  lopen  ?  Doch  dat 
hij  echter,  en  alle  menschen  van  oordeel,  onder  Gods  zegen, 
aen  een  volkomen  victorie  niet  konden  twijfFelen;  dan  men  niet 
veel  behoefde  te  vragen,  wat  uytgewrocht  was;  en  dat  men  maer 
des  vyant*s  schepen,  die  het  souden  tonen,  mocht  besien;  want 
dat,  daer  men  hackt,  spaenders  vallen."  Dit  seggen  wiert  averechts 
opgevat,  en  de  geduyt,  of  de  Hollanders  mede  niet  gevochten 
hadden.  De  Schout-bij-nacht  drong  derhalven  >dat  men  een  van 
alle  de  22  Capiteyns,  waer  op  iets  te  seggen  viel,  soude  noemen." 
Ten  eersten  spelden  de  Engelsse  den  Admiraal  Evertse.  Schey, 
die  nae  sijn  schrijven  hier  niet  veel  wederleggens  aen  wist,  al 
soo  hij  hem  gedurende  het  gevecht  te  loefwaerts  gesien  had, 
hervatte  »dat  men  niet  een,  buyten  dien,  welcke  niet  op  alle 
manieren  reddeloos  was,  kon  aenwijsen."  Een  oogenblick  stilte 
volgde  dese  laetste  woorden,  tot  dat  een  der  omstanders  opstoof 
»dat  den  Vice-Admirael  Callenburg  on  beschadigt  was,  en  dien 
volgende  niet  gevochten  most  hebben."  Dit  ontstack  Schey's 
bloet;  weshalven  hij  den  segger  bij  de  rock  greep,  begeerde  te 
weten  twie  hij  was,  en  voldoening  van  de  eer  van  een  eerlijck 
man,  die  soo  wackeren  soldaet  van  fortuyn  was  en  van  sijn 
jeught  aen  soo  veel  proeven  van  sijn  eerlijckheyt  gegeven  had, 
te  steelen";  en  sprack  —  op  sijn  weygering  van  sijn  naem  te 
ontdecken,  en  simpel  seggen  »een  Capiteyn  te  wesen"  —  den 
voorsitter  aen,  en  betuygde  tdat  hij  verbeteringh  aen  den  Coning 
soude  versoecken ;  en  het  tegendeel  bleeck,  door  dien  Torrington 
<iaegs  na  't  gevecht  een  schip  sont,  om  hem  weg  te  slepen" 
(hem  is  hier,  denkelijk,  Callenburg).  Men  hielt  hem  voor:  tof 
hij  noch  iets  te  verhalen  had"?  Hij  antwoordde:  dat  hij  om 
500  Guinees  wenschte,  soo  goed  Engels  als  Duyts  te  kennen; 
want  dat  hij  dan  nog  wel  een  uur  werck  soude  hebben,  om  de 
laf hertigheyt  uyt  te  drukken ;  doch  nu  te  veel  vermoeyt  was,  en 
van  het  beantwoorden  der  onnutte  vragen  al  dorst  begonde  te 
krijgen,   >Doch  sacht"  —  ging  hij   voort  —  »wij   hebben  nog 


Digitized  by 


Google 


BEACHY-HBAD   (BEVESÏER).  63 

niet  gedaen;  want  toen  het  op  de  namiddag  ten  twee  uuren 
begon  te  werden,  als  ick  den  franssen  Schout-bij-nacht  te  loef* 
waert  ende  den  Vice-Admirael  in  ley  gehad  had,  ende  naer  een 
hevig  gevecht  den  franssen  Vice-Admirael  met  sijn  smaldeel  op 
de  vlucht  dreef)  dat  deselve  met  6  chaloupen  voor  de  boegh 
van  mij  afroeyde,  was  dat  geen  teken  genoeg  van  een  aenstaende 
victorie,  bij  aldten  den  admirael  Torrington  sijn  partij  mede  soo 
bejegent  had;  maer  door  sijn  afhouden  en  blijven  leggen  gaf  hij 
noch  meer  occasie  tot  onse  rampen;  oock  had  selfs  de  fransse 
Vice-Admirael,  die  het  gros  van  den  vyant  voerde,  met  chalou- 
pen voor  de  boegh  mij  soecken  af  te  snijden,  bij  aldien  ick  het 
hem  niet  ontleyt  had.  Wat  was  de  reden  hier  van  anders,  als 
dat  den  Admirael  Torrington  hem  soo  veel  ruymte  gaf,  vermits 
hij  meer  als  een  Duytsche  mijl  te  loefwaert  van  ons  afbleef  ende 
niet  door  dat  Esquadre  bevochten  wiert.  Als  wij  nu  ten  ancker 
quamen,  lag  den  fransschen  Vice-Admirael  soo  nabij  ons,  dat  met 
het  afschieten  der  wacht  sijn  kogel  soo  ver  voor  mij  overwaterde, 
als  ick  toenmaels  van  hem  vertoefde;"  met  bijvoeging:  »dat  de 
saecken  van  daegs  na  de  battaille  geen  beschuldiging  raeckten, 
en  Torrington  doenmaels  de  Hollanders  op  alle  manieren  de 
behulpsame  hant  socht  te  bieden." 

De  getuigenis  van  den  kapitein  Taelman  was  kort,  en  hield 
alleen  in:  »dat  hij  op  het  gegeven  zeyn  van  de  slagh  sijn  post 
had  gevat  ende  soo  veel  met  sijn  schip  te  doen  gehad,  dat  hij 
op  Torrington's  handel  niet  konde  letten;  maer  hem,  ongeveer 
ten  vier  uuren  naer  de  middag,  een  Duytsche  mijl  te  loefwaert, 
vijf  streecken  uyt  sijn  vaerwater,  gesien." 

De  kapitein  Swaen  zeide  in  zijn  getuigenis:  »dat  Torrington 
als  een  braef  Admirael  de  Hollanders  door  het  zeyn  op  den 
vyant  deed  aenvallen;  maer  met  sijn  Esquadre  noyt  binnen's 
schoots  van  den  selven  naderde." 

Dus,  »een  braef  Admirael",  om  anderen  te  laten  vechten; 
maar  zelf  zich  buiten  schot  te  houden. 

Torrington  vroeg :  » hoe  het  dan  mogelijck  was,  dat  een  bran- 
der, die  noch  een  Engelssche  mijl  boven  hem  lagh,  geschoten 
wiert?"  —  Swaen  antwoordde:  »dat  een  vervlogen  kogel  ver  kan 
reyken ;  maer  men  volgens  Soldaetschap  ten  minsten  binnenschoots 
van  een  drie  ponts  kogel,  soo  het  niet  op  een  musquetschoot  was, 
most  wesen ;  en  dat,  bij  aldien  den  Grave  soo  na  had  afgesackt, 
men  niet  twijfelde,  of  men  soude,  onder  Godes  hulpe,  een  vol- 
komen victorie  gehad  hebben."  Torrington  vorderde  de  redenen 
>om  welcke  hij  dit  oordeelde  en  de  tekenen  door  hem  gemerkt; 
terwijl  hij  niet  kon  seggen,  dat  eenige  bijsondere  schade  bij  de 
fransse  te  bespeuren  was  geweest."  Swaen  betuigde,  tdit  sijn 
eerste  noch  derdemael  niet  te  zijn,  dat  wanneer  de  vyanden  hem 
de  rug  toekeerden,  sulks  een  voorteken  van  een  gewenschte  vic- 


Digitized  by 


Google 


04  KRIfGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWING LN. 

torie  had  geweest;  en  dat,  bij  aldien  Torrington  lust  daer  toe  ge- 
had had,  hij  een  onfeibare  preuve  had  konnen  nemen;  niaer  nu 
averechts  gedaen.  en  sig  van  den  vyant  afgehouden;  en  dat  dit 
't  HoUants  volck  niet  alleen  de  moet  onttrocken  had,  maar  oock 
geport  tot  mompelen  tegen  hare  officiers,  dat  het  ter  slacht- 
banck  geleyt  wiert,  dewijl  Torrington  zoo  schandig  te  loefwaert 
sammelde,  dat  het  de  franssche,  al  op  de  vlucht,  weder  stant 
deed  grijpen." 

Ziedaar  de  getuigenissen  van  de  drie  Hollandsche  zee-officieren, 
voor  dien  krijgsraad^  die  Torrington  moest  vonnissen.  Waarom 
maar  drie  Hollandsche  zee- officieren  als  getuigen  opgeroepen?  — 
Dit  is  zeker,  dat  die  drie  getuigenissen  al  krenkend  genoeg  waren 
voor  den  Britschen  vlootvoogd,  en  dat  hem  daarin  op  onge- 
zouten wijze  de  waarheid  is  gezegd.  Maar  de  partijdigheid  van 
den  krijgsraad  is  duidelijk,  en  de  vrijspraak  van  Torrington 
schijnt  te  voren  afgesproken  te  zijn  geweest.  Moet  ook  de  ge- 
schiedenis  hem  vrijspreken?  — Wij  gelooven  van  niet;  en,  Schey 
moge  wat  ruw  en  wat  hartstochtelijk  gesproken  hebben,  zijn  taal 
draagt  de  kenmerken  van  overtuiging  en  van  waarheid.  Zooveel 
is  zeker,  dat  Beachy-Head,  evenals  Fleurus^  voor  ons  eene  zeer 
roemrijke  nederlaag  is  geweest;  zoowel  leger  als  vloot  waren 
toen  bij  ons  uitmuntend:  het  eerste  was  gevormd  door  Willem  III, 
de  tweede  door  De  Ruyter.  Alles  hangt  af  van  den  man  die  aan 
het  hoofd  is. 

De  nederlaag  bij  Beachy-Head  deed  de  vrees  ontstaan  voor 
eene  landing  van  den  vijand  in  Holland  of  Zeeland.  Vandaar 
dat,  in  de  tweede  helft  van  Juli  1690,  troepen  uit  Waldeck's 
leger,  en  uit  Maastricht  en  Den  Bosch,  naar  de  zeekust  werden 
gezonden.  Onder  andere  wordt  gezegd,  dat  de  graaf  van  Hoome^ 
in  Zeeland  bevel  voerende,  daar  5  regimenten  voetvolk  en 
I  regiment  ruiterij  bijeen  had,  tot  bescherming  van  Walcheren 
en  van  Staats-Vlaanderen.  Het  bleek  echter  spoedig,  dat  de 
vrees  voor  een  landing  van  de  Franschen,  ongegrond  was;  — 
uit  den  hierboven  aangehaalden  brief  van  Chamlay  blijkt  echter, 
dat  er  toen  bij  den  vijand  sprake  is  geweest  van  een  aanval  op 
Zeeland. 


De  tegenspoed,  door  de  bondgenooten  te  Fleurus  en  te 
Beachy-Head  ondervonden,  werd  opgewogen  door  de  overwin- 
ningen, die  Willem  III  in  denzelfden  tijd  in  Ierland  behaalde. 

In  1689  had  Schomberg,  met  het  Engelsche  leger,  nagenoeg 
geheel  Ulster,  het  noordelijke  gewest  van  Ierland,  aan  het  gezag 
van  koning  Willem  onderworpen;  maar  het  grootste  deel  des 
eilands,  drie   vierde,  bleef  de  heerschappij  van  koning  Jakobus 


Digitized  by 


Google 


IERLAND.  65 

eerbiedigen.  Uit  Frankrijk  werd  in  1690  een  vrij  aanzienlijke 
macht  afgezonden  naar  Ierland,  om  den  verdreven  Koning  te 
ondersteunen;  die  macht  bsstond  uit  »34i  officieren  en  6951 
soldaten;  behalve  nog  61  officieren  of  beambten  van  de  artillerie, 
6  commissaires  des  guerres^  en  27  chirurgijns  en  hospitaal-beambten.*' 
(Rousset,  blz.  382). 

Maar  de  keus  van  Lauzun,  als  bevelhebber  van  die  Fransche 
troepenafdeeling  in  Ierland,  schijnt  ongelukkig  te  zijn  geweest; 
Rousset  spreekt  op  zeer  ongunstigen  toon  over  dien  man,  en 
ziet  in  zijn  benoeming  een  blijk,  hoe  de  invloed  van  Louvois 
op  den  Franschen  koning  aan  het  afnemen  was: 

*T  k  8000  man  goede  troepen  naar  Ierland  te  zenden,  en  hen 
tot  aanvoerder  te  geven  een  gek,  een  hofnar,  een  man  zonder 
talent,  zonder  moed,  zonder  eergevoel,  een  Lauzun  —  wat  een 
jammerlijke  handeling!  Ziedaar  wat  Lodewijk  XIV  deed,  om 
genoegen  te  doen  aan  Jakobus  II,  aan  de  koningin  van  Enge- 
land, misschien  aan  madame  De  Maintenon,  en  zeer  zeker  om 
Louvois  te  ontstemmen.  Wat  een  prachtige  wijze  om  te  toonen, 
dat  hij  de  gebieder  was!..."  (Rousset,  4*  deel,  blz.  382). 

Maar  hoe  slecht  ook  aangevoerd,  die  beproefde  Fransche 
troepen  konden  eene  uitmuntende  kern  zijn,  waarbij  zich  de 
lersche  Jakobieten  konden  aansluiten;  en  ook  daarom  moest 
men  de  partij  van  de  Stuarts  den  tijd  niet  laten  om  in  Ierland 
een  vasten  samenhang  aan  hunne  strijdkrachten  te  geven.  Wil- 
lem III  zag  dit  in  en  begreep  dat  het  voor  hem  noodzakelijk 
was,  in  persoon  in  Ierland  op  te  treden,  daar  het  bleek  dat  de 
onderwerping  van  dat  land  moeilijk  was  te  wachten  van  den 
ouden  Schoenberg;  en  die  onderwerping  was  noodig,  ook  om 
het  gezag  van  den  Oranjevorst  over  Groot-Brittanje  te  verzekeren. 

Over  de  samenstelling  van  het  leger  waarmede  Willem  III  in 
1690  in  Ierland  is  werkzaam  geweest,  komen  nog  al  uitvoerige 
opgaven  voor  in  de  Hollandsche  Mercurius.  Daarin  wordt  ge- 
zegd,  dat  de  ruiterij  sterk  was  5350  man,  —  waaronder  aan  Hol-  "^ 
landsche  troepen :  het  regiment  Hollandsche  gardes  500  man,  en 
9  andere  Hollandsche  regimenten  1620  man ;  —  die  laatste  opgave 
sluit  dus  in,  dat  ieder  van  die  9  regimenten  gemiddeld  180 
paarden  sterk  was.  Bij  Engelsche  regimenten  ruiterij  wordt  ge- 
zegd, dat  eene  compagnie  40  man  sterk  was;  daarom  is  het 
waarschijnlijk,  dat  elk  van  die  Hollandsche  regimenten  ruiterij 
uit  slechts  4  compagnieën  heeft  bestaan. 

De  dragonders  waren  sterk  2500  man;  daaronder  wordt  ge- 
noemd het  Hollandsche  regiment  van  Ëppinger  dat  900  man 
telde;  de  vijf  andere  regimenten  dragonders  schijnen  Engelschen 
te  zijn  geweest,  en  hadden  een  veel  mindere  sterkte  dan  dat  van 
Ëppinger:  3  è.  400  man  ieder. 


WILLEM  iii.  —  III. 


Digitized  by 


Google 


66  KRIJGS-    EN   GESCHIEDK.UNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

De  infanterie  had  een  sterkte  van  31250  man;  daaronder 
waren  3  regimenten  Fransche  uitgewekenen,  ieder  van  750  man; 
4  Schotsche  regimenten,  te  zamen  3000;  2  bataljons  Èngelsche 
gardes,  te  zamen  1400  man;  3  bataljons  HoUandsche  gardes, 
2100  man;  en  verder  29  andere  regimenten,  ieder  van  750  man. 
In  hoeverre  die  29  regimenten  hebben  bestaan  uit  troepen  van 
het  Britsche  rijk,  is  moeilijk  te  zeggen;  onder  de  namen  van  de 
aanvoerders  komen  de  namen  voor  van  hoofdofficieren,  die  het 
bevel  hebben  gevoerd  over  Schotsche  of  Èngelsche  regimenten 
van  óns  leger;  en  het  regiment  >Grave  van  Nassau"  en  het 
regiment  «Brandenburg"  hebben  denkelijk  behoord  tot  de  land- 
macht van  de  Republiek. 

Voegt  men  bij,  dit  alles  nog  7200  man  aan  Deensche  troepen, 
dan  verkrijgt  men  voor  de  geheele  sterkte  van  het  leger  van 
Willem  III  in  Ierland  46300  man.  Dit  cijfer  komt  niet  overeen 
met  het  cijfer  van  30000  man,  de  sterkte  die  algemeen  wordt 
toegekend  aan  het  leger  waarmede  Willem  III  den  slag  aan  de 
Boyne  heeft  geleverd;  maar  dit  verschil  kan  door  twee  oorzaken 
worden  verklaard:  vooreerst,  doordat  er  detacheeringen  kunnen 
hebben  plaats  gehad;  en  ten  tweede,  doordat  de  sterkte  der 
regimenten  —  zooals  de  HoUandsche  Mercurius  ze  opgeeft  — 
wél  de  sterkte  kan  geweest  zijn  die  zij  moesten  hebben, 
maar  daarom  nog  niet  de  sterkte  die  zij  hebben  gehad. 

Koning  Willem,  Londen  verlatende,  scheepte  zich  in  te  Ches- 
ter,  op  de  westkust  van  Engeland,  en  landde  den  24sten  Juni  te 
Carrickfergus,  een  weinig  ten  noorden  van  Belfast,  op  de  noord- 
oostkust van  Ierland.  Nog  voor  's  Konings  komst  had  Schomberg 
de  onderwerping  van  Ulster  voltooid,  door  de  bemachtiging  van 
de  vesting  Charlemount,  aan  de  zuidzijde  van  het  meer  Lough 
Neagh ;  de  lersche  bezetting  verkreeg  een  vrijen  aftocht  (24  Mei), 
evenals  de  bezettingen  van  twee  sterke  kasteelen,  die  zich,  ook 
toentertijd,  aan  de  Orangisten  overgaven. 

Den  29stcn  Juni  brak  Willem  III  met  zijn  legermacht  op  van 
Belfast  naar  Hilsborough,  en  verder  in  zuidelijke  richting,  om 
het  leger  van  Jakobus  op  te  zoeken,  dat  aanvankelijk  in  het 
noorden  van  Leinster  had  gestaan,  naar  de  zijde  van  Dundalk. 
De  Jakobieten  gingen  echter  terug,  op  'svijands  nadering;  wél 
behaalden  zij,  den  2 en  Juli,  een  klein  voordeel  op  eene  afdeeling 
van  een  200  Engelschen,  die  in  eene  hinderlaag  viel ;  maar  toen, 
den  3en  Juli,  de  generaal  Van  der  Duyn  van  *s  Gravenmoer  met 
een  500  ruiters  of  dragonders  op  Dundalk  rukte^  was  de  komst 
van  die  voorhoede  voldoende  om  die  stad  te  doen  ontruimen. 
Over  Ardee  —  of  Atherdee  —  ging  het  leger  van  Jakobus  terug 
op  Drogheda,  —  eene  stad,  een  uur  of  tien  ten  noorden  van  de 


Digitized  by 


Google 


IERLAND.  67 

hoofdstad  Dublin,  en  waar  zich  de  rivier  de  Boyne  in  zee  werpt. 
Achter  die  rivier,  op  den  rechteroever,  wilde  het  leger  van 
Jakobus  den  vijand  het  hoofd  bieden,  en  een  veldslag  leveren 
die  over  het  lot  van  Ierland  zou  beslissen. 

Koning  Willem  kwam  den  yen  Juli  met  zijn  leger  te  Dundalk, 
en  rukte  den  qch  van  daar*  op  naar  de  Boyne.  Den  loen  bereikte 
hij  die  rivier,  en  vond  's  vijands  leger  aan  de  overzijde  geschaard, 
gereed  tot  den  strijd.  Het  was  dien  dag  dat  de  Oranjevorst,  de 
rivier  en  de  vijandelijke  stelling  verkennende,  in  groot  levens- 
gevaar heeft  verkeerd:  een  vijandelijke  kanonskogel  ging  rake- 
lings over  zijn  rechterschouder,  nam  boven-  en  onderkleeding 
weg,  en  bracht  een  lichte  wonde  toe.  Ook  hier  bleek  weer  die 
nimmer  zich  verloochenende  heldengeest  van  den  grooten  Stad- 
houder: in  een  hollen  weg  gebracht  om  verbonden  te  worden, 
zeide  hij  bedaard  weg:  tdat  diende  niet  nader";  en  toen 
de  zijnen  te  veel  om  hem  bleven,  voegde  hij  hun  toe :  y^Messieurs, 
pourquoi  ne  marchez-vous  pas?^  Na  verbonden  te  zijn,  bleef  hij 
nog  vier  uur  lang  te  paard:  en,  hoezeer  hij  zijn  rechterarm  niet 
kon  gebruiken,  heeft  hij  den  volgenden  dag  toch  den  veldslag 
bestuurd  en  onafgebroken  daaraan  deelgenomen.  Hij  behoorde, 
wat  de  dapperheid  aangaat,  tot  het  geslacht  der  Caesars  en  der 
Napoleons. 

Rousset,  den  veldslag  aan  de  Boyne  besprekende,  is  daarbij 
oppervlakkig  en  eenzijdig;  zelfs  vergist  hij  zich  in  den  dag,  en 
stelt  dien  strijd,  die  den  11  en  Juli  heeft  plaats  gehad,  op  den 
loen.  Het  leger  van  Willem  III  was  volgens  Rousset  meer  dan 
30000  man  sterk;  dat  van  Jakobus  bestond  uit  een  7000  man 
goede  Fransche  troepen  en  een  20000  » uitgehongerde  Ieren". 
Obk  hij  gewaagt  er  van  dat  Willem  III  bijna  gedood  werd  door 
een  kanonskogel;  maar  hij  stelt  dit  feit  op  den  9en  Juli,  toen  — 
volgens  hem  —  de  beide  legers  nabij  Drogheda  aan  de  Boyne 
tegenover  elkander  stonden,  koning  Willem  op  den  linkeroever, 
Jakobus  op  den  rechter.  Op  den  loen  had  er  —  naar  hij  be- 
weert —  eene  ontmoeting  plaats  van  weinig  beteekenis: 

...tDen  volgenden  dag"  (10  Juli)  mam  de  hertog  van  Schom- 
berg,  die  het  opperbevel  had  aanvaard,  zijne  beschikkingen  om 
de  rivier  over  te  gaan,  boven-  en  benedenwaarts  van  het  leger 
van  Jakobus  II,  om  het  aan  de  beide  vleugels  te  omtrekken.  De 
voorste  afdeelingen  hadden  den  anderen  oever  nog  niet  bereikt, 
toen  reeds  de  helft  van  de  Ieren  op  de  vlucht  was.  Het  is 
onjuist  om  te  spreken  van  een  veldslag  bij  de  Boyne;  want  daar 
is  volstrekt  niets  gebeurd  wat  eenigszins  op  een  veldslag  gelijkt; 
alleen  had  er  op  één  punt  een  soort  van  gevecht  plaats,  onbe- 
duidend, maar  waarin  het  toeval  wilde  dat  Schomberg  sneii velde; 
zonder   die  omstandigheid,   die  eenig  gewicht  gaf  aan  die  ont- 


Digitized  by 


Google 


68  KRUOS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

moeting,  zou   men  er  nooit  iets  anders  in  hebben  gezien  dan 
een  schermutseling,  gevolgd  door  een  verwarde  vlucht. 

Jakobus  was  niet  een  van  de  laatsten  geweest  om  het  doods- 
gevaar te  ontloopen  {Jacques  II  n^avait  pas  été  des  demicrs  d 
prendre  des  süretés  contre  la  mort).  De  Franschen,  die  bijna  niet 
gevochten  hadden,  verlieten  hunne  stalling  op  bevel  van  Lauzun, 
om  den  persoon  des  konings  te  beschermen;  echter  werd  deze 
in  zijne  vlucht  'niet  in  het  minst  verontrust.  Jabob  Stuart  bleef 
ternauwernood  twee  of  drie  uren  te  Dublin:  van  daar  bereikte 
hij  zoo  snel  mogelijk  de  haven  van  Kinsale"  (op  de  zuidkust, 
in  Munster);  t zestig  mijlen  afstands  had  hij  afgelegd,  schier 
zonder  te  rusten;  daar  borg  hij  zich  in  een  Fransch  fregat,  dat 
hem,  behouden  en  wel,  naar  Brest  overbracht;  zoodoende  was 
hij  zelf  de  boodschapper  van  zijn  oneer.  Den  2  5 sten  Juli  kwam 
hij  terug  op  het  kasteel  van  Saint-Germain,  alsof  hij  er  nooit 
van  daan  was  geweest.  Luxembourg  schreef  aan  Louvois:  thun 
die  gehecht  zijn  aan  den  koning  van  Engeland,  zal  het  genoegen 
doen  als  zij  hooren  dat  hij  in  veiligheid  is ;  maar  hun  die  gehecht 
zijn  aan  zijn  roem,  zal  het  spijten  dat  hij  zulk  een  jammerlijke 
rol  speelt." 

Hoe  een  mensch  kan  veranderen!  Vroeger,  als  hertog  van 
York,  als  admiraal,  was  Jakobus  dapper  geweest;  —  als  koning 
is  hij  een  lafaard  geworden. 

De  opgaven  van  óaze  zijde  geven  een  geheel  ander  beeld 
van  den  slag  aan  de  Boyne  dan  Rousset  dit  doet;  die  opgaven 
zijn,  in  hoofdzaak,  een  verhaal,  namens  Willem  III  van  dien  strijd 
opgemaakt,  en  een  brief  van  Hop  aan  de  Staten  van  Holland. 
Hop  was  de  Amsterdamsche  burgemeester  die  in  1684  het  aaft- 
dringen  van  den  Stadhouder  op  versterking  van  het  leger  der 
Republiek  krachtdadig  had  bestreden,  en  die  toen,  beschuldigd 
van  te  heulen  met  den  Franschen  gezant  d'Avaux,  zooveel 
vijandschap  tegen  zich  had  opgewekt,  dat  hij  bedreigd  werd 
met  het  lol  der  De  Witten.  Kort  daarop  is  Hop  zeer  in  aanzien 
gekomen  bij  Willem  III;  en  dit  bewijst  genoegzaam  dat  er  in 
die  handeling  van  1 684  niets  was  dat  naar  landverraad  zweemde, 
maar  alleen  een  krachtig  voorstaan  van  de  rechten  zijner  stad. 
Later,  in  het  begin  van  den  Spaanschen  successie-oorlog,  heeft 
Hop  geschitterd  in  den  slag  van  Eeckeren  (1703),  toen  hij  Slan- 
genburg ter  zijde  stond  om  het  leger  der  Republiek  te  bevrijden 
uit  den  gevaar  vollen  toestand  waarin  Obdam's  slecht  beleid  het 
had  gebracht.  Hop  is  in  alle  opzichten  een  bekwaam  en  kracht- 
vol regent  geweest,  een  man,  even  goed  op  zijn  plaats  op  het 
slagveld  als  in  de  raadzaal  of  aan  de  hoven  der  vorsten. 

Toen  Willem  III  den   loen  Juli  de   verkenning  had  verricht 


Digitized  by 


Google 


IERLAND.  69 

van  's  vijands  stelling  achter  de  Boyne,  beraamde  hij  de  wijze 
waarop,  den  volgenden  dag,  de  overtocht  van  die  rivier  zou 
worden  verricht.  Behalve  een  paar  bataljons  die  moesten  dienen 
om  de  bezetting  van  Drogheda  in  bedwang  te  houden,  werden 
nog  twee  afdeelingen  belast  met  de  taak  om  de  Boyne  over  te 
gaan,  boven-  en  benedenwaarts  van  de  stelling  van  koning  Jako- 
bus, en  dus  eene  dubbele  omtrekking  van  die  stelling  te  ver- 
richten: van  den  linkervleugel  zou  eene  brigade  ruiterij  de 
Boyne  doorgaan  beneden  het  leger  der  Jakobieten,  dus  tusschen 
dat  leger  en  Drogheda;  maar  de  voornaamste  omtrekking  moest 
op  den  anderen  vleugel  geschieden,  door  den  jongen  Schomberg 
—  een  zoon  van  den  Maarschalk;  Schomberg  zou,  met  al  de 
ruiterij  van  den  rechtervleugel,  met  6  bataljons  voetvolk  en  5 
veldstukken,  naar  Slaine  trekken,  een  uur  gaans  boven  's  vijands 
stelling,  en  daar  de  rivier  trachten  over  te  gaan.  De  hoofdmacht 
van  Willem  III  zou  de  rivier  doorgaan,  rechtstreeks  tegenover 
den  vijand,  op  plaatsen  die  bij  laag  water  doorwaadbaar  waren. 

Schomberg,  's  ochtends  vroeg  op  marsch  gegaan  zijnde  naar 
Slaine,  vond  daar  8  eskadrons  van  den  vijand  om  hem  den 
overtocht  te  betwisten,  maar  trok  toch,  in  weerwil  van  allen 
tegenstand,  om  8  uur  's  ochtends  de  rivier  over,  schaarde  zich 
aan  de  andere  zijde  in  slagorde,  en  sloeg  daar  den  aanval  af 
van  een  2000  ruiters,  door  koning  Jakobus  naar  de  zijde  van 
Slaine  afgezonden.  Op  het  bericht  van  het  gelukken  der  onder- 
neming van  den  jongen  Schomberg,  deed  koning  Willem,  om 
1 1  uur  's  ochtends,  de  hoofdmacht  de  rivier  doorgaan :  in  het 
midden  de  HoUandsche  gardes  onder  Solms;  links  van  hen  de 
Denen ;  rechts  Fransche  en  Engelsche  regimenten.  De  Jakobieten 
hadden  vlak  bij  de  rivier  sterke  afdeelingen  voetvolk  geplaatst 
in  een  gehucht  of  klein  dorp  dat  daar  gelegen  was,  en  achter 
de  aarden  wallen  van  de  korenakkers;  hunne  hoofdmacht  stond 
meer  achterwaarts,  op  twee  liniën  in  slagorde  geschaard. 

De  waadbare  plaatsen  in  de  Boyne  schijnen  nog  al  wat  te 
wenschen  overgelaten  te  hebben;  ten  minste  wordt  er  gezegd, 
dat  waar  de  Denen  doortrokken,  zij  tot  aan  de  schouders  en 
zelfs  tot  den  hals  door  het  water  gingen,  zoodat  zij  genoodzaakt 
waren  de  geweren  en  de  munitie  boven  het  hoofd  te  houden, 
om  die  te  behoeden  voor  nat  worden.  Solms,  met  de  Hol- 
landsche  garde,  trof  een  minder  diepe  plaats,  en  bereikte  het 
eerst  den  anderen  oever,  in  weerwil  van  het  hevige  vuur,  door  de 
Jakobieten  uit  de  huizen  en  van  achter  de  aarden  wallen  op  de 
aanvallers  gericht.  Toen  op  den  rechteroever  van  de  Boyne 
reeds  twee  bataljons  van  de  HoUandsche  garde  in  slagorde 
stonden,  werden  zij  aangevallen  door  vijf  bataljons  van  de 
Jakobieten,  die  tot  zeer  nabij  naderden,  —  tot  tter  lengte  van 
een  pieck",  zegt  ééne  opgave;  —  het  hevig  vuur  van  de  Hol- 


Digitized  by 


Google 


70  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

landsche  infanterie  dreef  echter  den  vijand  terug  en  bracht  hem 
groote  verliezen  toe;  en  toen  nu  ook  het  derde  bataljon  de 
rivier  door  was  en  de  HoUandsche  garde  vooruitrukte,  sloeg  zij 
gemakkelijk  de  aanvallen  af,  die  's  vijands  voetvolk  en  ruiterij 
nog  op  haar  deden.  Intusschen  waren,  links  van  Solms,  de 
Denen  de  rivier  doorgekomen,  en  werden  deze  op  den  anderen 
oever  aangevallen  door  dragonders  van  koning  Jakobus;  rechts 
verschenen  Fransche  en  Engelsche  regimenten,  die  op  den  rech- 
teroever werden  aangevallen  door  's  vijands  ruiterij.  Een  der 
opgaven  stelt  de  werking  van  die  ruiterij  der  Jakobieten  als  zeer 
onbeduidend  voor,  en  zegt  van  haar,  >dewelcke  echter  niemen- 
dal uytvoerden,  als  geen  piecken  hebbende";  —  was  dan  de 
sabel,  óf  het  musket,  toen  voor  den  ruiter  een  wapen  geheel 
zonder  waarde? 

Ontembare  dapperheid   kan   men  over  het  geheel  den  Ieren 

niet  toekennen,  die  aan   de  Boyne  hebben  gestreden;  —  toch 

zijn  er,  die  zich  toen  uitstekend  hebben  gedragen.  Een  dertigtal 

ruiters,  deels  van  de  lijfwacht  van  koning  Jakobus,  deels  van  het 

regiment  van  Tyrconnel,  aan  niets  anders  dan  aan  hun  moed 

gehoor  gevende,  trokken  zelve  de  Boyne  door,  om  op  den  lin- 

N         keroever  de  troepen  van  koning  Willem   op   te   zoeken,   eene 

j'     daad   van  vermetelheid,  die   zij   duur  betaalden:   van  de  dertig 

V-    )     sneuvelden  er  vijf  en  twintig;  maar  de  vijf  overblijvenden,  weer 

\  <»  op  den   rechteroever  van   de   rivier  teruggekeerd,   vonden  daar 

y-      'X        den  maarschalk  Schomberg,   en   een   hunner  doodde  dat  grijze 

\L     »        legerhoofd  met  een  pistoolschot. 

Toen  een  genoegzame  macht  op  den  rechteroever  vasten  voet 
had  verkregen,  deed  Willem  III  al  het  overige  de  rivier  door- 
gaan; links,  op  een  half  uur  afstands  van  de  rivier,  kwam  toen 
zijne  ruiterij  in  gevecht  met  ruiterij  van  Jakobus,  onder  den 
generaal  Hamilton;  de  laatste  werd  geslagen,  en  Hamilton  ge- 
vangen genomen.  Naar  de  rechterzijde  trok  de  Stadhouder  met 
12  bataljons  en  9  eskadrons,  om  den  jongen  Schomberg  te 
ondersteunen,  die  nog  eene  sterke  vijandelijke  afdeeling  tegen- 
over zich  had;  zoodra  die  afdeeling  echter  koning  Willem  zag 
naderen,  ging  zij  ijlings  terug,  met  zooveel  snelheid  dat  alleen 
Schomberg's  ruiterij  haar  met  vrucht  kon  vervolgen. 

De  strijd  was  toen  beslist.  Koning  Jakobus  verliet  het  slagveld 
met  twee  regimenten  ruiterij,  aan  Lauzun  de  leiding  van  den 
terugtocht  overlatende ;  maar  Lauzun  volgde  zoo  spoedig  mogelijk 
het  voorbeeld  van  den  Koning,  zoodat  er  bij  den  terugtocht  van 
leiding  geen  sprake  meer  was.  Integendeel,  het  werd  eene  vlucht; 
geheele  regimenten  van  de  Jakobieten  wierpen  de  wapens  weg 
en  kozen  het  hazenpad;  en  velen  ontkwamen,  i vermits  het  lant 
vol  van  naeuwe  wegen  en  van  moerasschen  is,  en  vermits  de 
Yren   wel   te   voet  marcheeren."  Willem  III,  die  —  zooals  Hop 


Digitized  by 


Google 


IERLAND.  7 1 

2egt  —  »sijn  troepen  personelijck  lot  het  chargeren  met  den 
vyant  heeft  aengevoert  ende  daerdoor  aen  niet  weynig  gevaer  is 
geëxponeert  geweest",  vervolgde  met  de  ruiterij  dien  vluchtenden 
vijand  tot  in  den  laten  avond. 

De  overwinnaars  hadden  weinig  verloren;  maar  onder  de  ge-  / 
sneuvelden  telde  men  toch  twee  mannen  van  grooten  naam:  den  \^/ 
maarschalk  Schomberg,  en  Walker,  den  heldhaftigen  verdediger 
van  Londonderry.  Volgens  Bosscha  verloor  het  leger  van  Jakobus 
1500  man  aan  dooden,  5000  aan  gewonden  en  3000  aan  krijgs- 
gevangenen; geschut,  krijgs voorraad,  levensbehoeften,  alles  was 
in  handen  gevallen  van  den  overwinnaar ;  het  leger  van  Jakobus 
was  zoo  goed  als  ontbonden;  en  toen  den  volgenden  dag  van 
het  leger  van  den  Stadhouder  eene  afdeeling  van  5  bataljons  en 
4  eskadrons,  onder  De  la  Melonnière,  naar  Drogheda  werd  afge- 
zonden, werd  die  stad  dadelijk  overgegeven;  de  bezetting,  een 
3000  man,  verkreeg  vrijen  uittocht^  maar  zonder  wapens. 

Ziedaar  wat  ónze  opgaven  zeggen  over  dien  veldslag  aan  de 
Boyne,  en  die  opgaven  treden  zoozeer  in  bijzonderheden  dat 
men  aan  de  waarheid  niet  kan  twijfelen,  —  te  meer,  daar  zij 
afkomstig  zijn  van  mannen  als  Willem  III  en  als  Hop.  Rousset 
heeft  dus  ongelijk,  met  dien  strijd  aan  de  Boyne  voor  te  stellen 
als  iets  geheel  onbeduidends ;  die  strijd  heeft  de  onderwerping 
van  Ierland  ten  gevolge  gehad ;  maar  ook  zonder  dat  belangrijke 
gevolg  is  die  strijd  op  zichzelf  belangrijk :  het  is  geen  alledaagsch 
iets,  om,  zonder  bruggen,  een  rivier  over  te  trekken,  in  weerwil 
van  den  tegenstand  van  een  bijna  even  sterken  vijand.  Dat 
overtrekken  van  de  Boyne  is  nog  geheel  iets  anders  geweest 
dan  de  door  Boileau  bezongen  overtocht  van  den  Rijn  in  1672. 

De  lichte  wonde  die  Willem  III  had  gekregen,  den  dag  vóór 
den  veldslag,  was  aanleiding  dat  men  aanvankelijk  geloofde  dat 
deze  een  einde  aan  zijn  leven  had  gemaakt;  door  geheel  Europa 
werd  de  tijding  verbreid,  dat  hij  in  Ierland  door  een  kanons- 
kogel was  gedood ;  die  tijding,  dagen  lang  geloofd,  wekte  in  de 
hoogste  mate  algeroeene  ontroering  op ;  en  te  recht  merkt  Rousset 
(4'  deel,  blz.  424 — 425)  aan,  dat  er  moeilijk  grooter  roem  voor 
Willem  III  was  te  bedenken,  dan  die  buitensporige  vreugde  van 
zijne  vijanden,  bij  het  valsche  bericht  van  zijn  sneuvelen: 

•  Die  maand  Juli  kon  medetellen,  wat  betreft  de  herinneringen 
van  de  Parijzenaars.  Wat  al  nieuwstijdingen,  bijna  opeens!  Den 
3en  de  tijding  van  de  overwinning  van  Fieurus;  den  i2en  van 
de  overwinning  ter  zee;  den  2  2sten  van  de  nederlaag  in  Ier- 
land; —  verslagenheid,  na  gejubel.  Maar  den  27sten  heeft  er 
eene   plotselinge  reactie  plaats.  Verbeeld  u  het  Parijs  van  1690, 


Digitized  by 


Google 


72  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

anders  te  middernacht  somber  en  in  diepe  stilte,  maar  nu,  in 
een  oogenblik,  vol  licht  en  vol  levendigheid.  Men  loopt  op 
straat,  men  klopt  aan  de  deuren:  t ontwaak!  hij  is  dood!  de 
Prins  van  Oranje  is  dood!"  Overal  flambouwen  voor  de  ramen, 
vreugdevuren  op  de  pleinen,  tafels  op  straat,  wijnvaten  die  men 
opensteekt;  overal  gejoel  en  dronkenschap.  De  politiedienaars 
zijn  verbaasd,  verlegen;  zij  trachten,  maar  vruchteloos,  die  opge- 
wondenheid te  doen  bedaren ;  zij  worden  in  een  kring  genomen, 
omhelsd;  men  schenkt  hun  wijn;  en  zij  doen  mee  met  den 
grooten  hoop.  En  ziedaar  voor  de  vreemde  courantiers  een  aan- 
leiding om,  met  schijn  van  waarheid,  Lodewijk  XIV  en  zijne 
ministers  te  beschuldigen  van  tot  die  tooneelen  te  hebben  aan- 
gezet. Het  tegendeel  was  waar :  zij  waren  er  zeer  misnoegd  over, 
omdat  zij  het  onbetamelijke  daarvan  inzagen. 

Van  Parijs  verbreidde  zich  die  dwaasheid  door  geheel  Frank- 
rijk, terwijl  men  in  Duitschland  en  in  de  Nederlanden  rouw 
pleegde;  want  dat  gerucht  van  den  dood  van  den  Prins  van 
Oranje  verbreidde  zich  overal,  en  hield  een  tijd  aan.  >  God  geve 
het,**  —  zei  Chamlay  —  »den  Koning  kan  geen  grooter  voor- 
deel, geen  grooter  geluk  te  beurt  vallen.  Toch  komt  het  mij 
voor,  dat  de  koning  van  Engeland  wat  al  te  veel  haast  heeft 
gemaakt  om  zich  in  te  schepen.'*  (Brief  van  Chamlay  aan  Lou- 
vois,  van  i  Augustus).  In  zijn  particuliere  brieven  kwam  Louvois 
er  voor  uit,  dat  hij  wenschte  dat  het  nieuws  waar  zou  zijn.  Den 
6en  Augustus  schreef  hij  aan  Beringen:  »ik  zie  dat  in  *s  vijands 
leger  de  dood  van  den  Prins  van  Oranje  algemeen  wordt 
verhaald;  —  toch  twijfel  ik  er  sterk  aan.  Gij  begrijpt  licht 
dat  het  mij  niet  bijzonder  zal  spijten,  als  ik  hoor  dat  ik  hierin 
ongelijk  heb.** 

l3e  Prins  van  Oranje  was  niet  dood.  Wat  een  roem  voor  hem, 
die  droefheid  aan  de  eene  zijde,  die  blijdschap  aan  de  andere! 
Die  feestvreugde  ter  beschimping  van  zijne  nagedachtenis,  is  een 
onwillekeurige  hulde  hem  toegebracht...** 

Wij  zijn  het  hier  meer  eens  met  Rousset  dan  met  Voltaire, 
die,  in  zijn  y^Siècle  de  Louis  XJT'*''  de  uitgelatenheid  van  de 
Parijzenaars  over  den  dood  van  Willem  III,  minder  toeschrijft 
aan  de  vrees  die  zij  voor  hem  koesterden,  dan  aan  de  verach- 
ting en  den  haat  die  zij  den  man  toedroegen,  die  een  ketter 
was,  die  zijn  eigen  schoonvader  van  den  troon  had  gestooten, 
en  die  het  waagde  om  de  vijand  te  blijven  van  hun  grooten 
Koning.  Dat  de  Parijzenaars  in  Willem  III  een  vijand  zagen, 
laat  zich  zeer  licht  begrijpen,  maar  verklaart  op  zichzelf  hunne 
opgewondenheid  nog  niet:  men  jubelt  niet  over  den  dood  van 
een  onbeduidend  vijand. 

De   weg  naar  Dublin  was  nu   open  voor  het   overwinnende 


Digitized  by 


Google 


IERLAND.  75 

leger  van  Willem  III;  en  reeds  den  1300  Juli  kwam  Ouwerkerk 
met  1000  ruiters  in  die  hoofdstad;  den  dag  daarop  volgden  twee 
bataljons  van  de  Hollandsche  gardes,  den  1560  de  hoofdmacht 
van  het  leger.  Tegenstand  was  er  niet;  alle  berichten  stemden 
daarin  overeen,  dat  de  meeste  der  regimenten  van  Jakobus 
nagenoeg  verloopen  waren ;  en  eenige  honderden  Duitschers,  die 
behoord  hadden  tot  de  bataljons  van  Lauzun,  kwamen  den  over- 
winnaar hunne  diensten  aanbieden.  Evenals  altijd  deed  Willem  III, 
ook  hier,  eene  strenge  krijgstucht  handhaven;  en  de  galg  was 
de  straf  van  eenige  Engelsche  soldaten  die  zich  aan  plundering 
hadden  schuldig  gemaakt,  en  van  een  Schot  die  eenige  krijgs- 
gevangen Ieren  had  vermoord. 

De  geheele  onderwerping  van  Ierland  werd  verhinderd  door 
de  onrust,  in  Engeland  opgewekt  na  de  nederlaag  bij  Beachy- 
Head;  men  vreesde  daar  eene  landing  van  de  Franschen  en  een 
opstand  van  de  aanhangers  van  Jakobus;  er  hadden  inhechtenis- 
nemingen plaats  van  verschillende  Engelsche  grooten,  die  men, 
te  recht  of  ten  onrechte,  verdacht  van  met  de  Stuarts  te  heulen ; 
Engelsche  regimenten  werden  uit  de  Nederlanden  terug  ontboden, 
en  betrokken,  met  andere  troepen,  een  kamp  nabij  Londen. 
Intusschen  had  er  noch  een  opstand  plaats,  noch  eene  landing; 
en  alles  bepaalde  zich  daartoe,  dat  de  Fransche  vloot,  nu  geheel 
meester  in  het  Kanaal,  hier  en  daar  op  de  Engelsche  kust  wat 
roofde  en  brandde. 

Munster  en  Connaught  —  het  zuidelijke  en  het  westelijke  ge- 
west van  Ierland  —  moesten  nu  nog  worden  onderworpen;  en 
terwijl  de  generaal  Douglas  met  ongeveer  10000  man  naar  de 
zijde  van  Athlone  werd  gezonden  om  Connaught  te  bedreigen, 
rukte  koning  Willem  met  de  hoofdmacht  in  zuidelijke  richting 
op  Munster,  en  kwam  den  31  sten  Juli  te  Carrick,  een  kleinen 
dagmarsch  ten  westen  van  het  nog  door  de  Ieren  bezette  Water- 
ford. Laatstgenoemde  havenstad,  den  isten  Augustus  opgeëischt, 
talmde  wat  met  de  overgave;  totdat  de  generaal  Kirke  daarvoor 
kwam  met  5  regimenten  voetvolk  en  met  geschut  en,  namens 
den  Koning,  dreigde  de  bezetting  over  den  kling  te  laten  sprin- 
gen, als  zij  zich  bleef  verdedigen;  de  Ieren  gaven  toen  Water- 
ford over  —  3  Augustus  —  en  trokken  uit,  1600  man  in  getal 
en  alleen  met  pieken  gewapend,  naar  Limrick,  in  Connaught.  Het 
fort  Duncannon,  aan  de  baai  van  Waterford  aan  de  andere  zijde 
van  de  stad  gelegen,  gaf  zich  evenzoo  den  5 en  Augustus  over. 

Was  Willem  III  toen  verder  doorgedrongen  in  Munster,  dan 
is  het  waarschijnlijk  dat  Cork  en  Kinsale  spoedig  zouden  zijn 
vermeesterd,  en  daarmee  het  overige  van  het  gewest.  Maar  het 


Digitized  by 


Google 


74  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

bericht  kwam  in,  dat  de  aanhangers  van  Jakobus,  door  Tyrconnel 
aangevoerd,  hunne  macht  samentrokken  in  Connaught,  en  zich 
daar  vooral  versterkten  in  de  steden  Sligo,  Galway,  Limrick  en 
Athlone:  Sligo  aan  de  noordkust  van  het  gewest;  Galway  aan 
de  westkust;  Limrick  aan  de  Shannon,  daar  waar  die  stroom 
bijna  een  zec-arm  wordt;  Athlone,  hooger  op  aan  dezelfde 
rivier,  aan  de  oostelijke  grenzen  van  Connaught.  De  Koning 
oordeelde  het  daarom  noodig,  allereerst  zijne  wapenen  te  wen- 
den tegen  Connaught;  en,  na  een  kort  verblijf  te  Dublin  tot 
regeling  van  regeeringszaken,  voegde  hij  zich  weder  bij  het  leger, 
dat  intusschen  eenigszins  was  verzwakt  door  het  terugzenden  van 
enkele  regimenten  naar  Engeland. 

Toen  de  generaal  Douglas  voor  Athlone  was  gekomen,  had 
hij  die  stad  ontruimd  en  ten  deele  verbrand  gevonden;  de 
lersche  bezetting  was  teruggegaan  in  het  sterke  kasteel,  en  wilde 
niet  van  overgave  hooren.  Douglas,  die  geen  middelen  had  voor 
een  geregeld  beleg,  keerde  daarop  onverrichterzake  terug,  en 
sloot  zich  aan  bij  het  hoofdleger,  dat  intusschen  van  de  zijde 
van  Waterford  was  opgerukt,  den  i6en  Augustus  te  Sallewood 
en  CuUen  kwam,  en  den  i7en  te  Carrick-ellish,  een  kleine  2  uur 
ten  oosten  van  Limrick.  (Wij  nemen  die  namen  over,  zooals  zij 
voorkomen  in  de  HoUandsche  Mercurius;  wij  moeten  echter 
aanmerken,  dat  op  onze  kaart  van  Ierland  die  namen  anders 
gespeld  zijn :  Sallewood  heet  daar  Sollowhood;  Gullen,  C o n- 
nagh;  en  Carrick-ellish,  Cahir-Coulish.  Wat  is  de  ware 
spelling  van  die  barbaarsche  namen?  Die  van  de  Mercurius,  of 
die  van  de  atlas  van  De  Wit?) 

Lauzun  schijnt  Ierland  toen  reeds  te  hebben  verlaten;  die 
man  had  noch  de  bekwaamheid  van  een  legerhoofd  noch  den 
moed  van  een  soldaat,  en  het  oordeel  dat  Rousset  over  hem 
velt  is  zoo  ongunstig  als  het  maar  zijn  kan:  »daar  zijn  woorden, 
zóó  verpletterend,  dat  de  geschiedschrijver,  die  rechter  is,  ze  niet 
mag  uitspreken  dan  met  volle  zekerheid;  maar  met  volle  zeker- 
heid zeggen  wij:  Lauzun  was  een  lafaard"  (blz.  427).  Tyrconnel 
schijnt  een  man  geweest  te  zijn  van  een  geheel  anderen  stempel; 
en  vooral  aan  zijn  beleid  is  het  te  danken  geweest  dat  Con- 
naught in  1690  nog  behouden  bleef  voor  koning  Jakobus.  Krach- 
tig werd  de  lersche  landvoogd  hier  bijgestaan  door  een  bekwaam 
Fransch  officier.  De  Boisseleau,  die  als  bevelhebber  van  Limrick 
oplrad.  Die  goed  versterkte  stad  was  toen  de  groote  wapen- 
plaats  van  de  Jakobieten;  daar  was  een  talrijke  krijgsmacht 
samengevloeid,  die  door  Willem  III  wordt  begroot,  alleen  aan 
infanterie,  op  een  12000  man.  Stroopende  benden,  uitgaande 
van  de  zijde  van  Cork,  doorkruisten  het  land  in  den  rug  van 
het  leger  des  Stadhouders,  en  verontrustten  de  gemeenschap  van 
dat  leger  met  Dublin. 


Digitized  by 


Google 


IERLAND.  75 

Onder  die  ongunstige  omstandigheden  had  het  beleg  van  Lim- 
rick  plaats;  dat  beleg  is  dan  ook  mislukt. 

Nadat,  den  i8en  Augustus,  Bentinck  met  900  ruiters  en  200 
man  voetvolk  eene  verkenning  van  's  vijands  stelling  aan  de 
oostzijde  van  Limrick  had  verricht,  werden,  den  igcn,  de  Ieren 
teruggeworpen  binnen  de  vesting,  en  deze  toen  opgeëischt.  Bois- 
seleau  gaf  het  toen  nog  al  gebruikelijke  antwoord:  >dat  hij  door 
eene  dappere  verdediging  de  achting  van  den  Prins  van  Oranje 
hoopte  te  verdienen."  Den  2osteD  Augustus  trok  Ginckel  met 
5000  man  de  Shannon  door,  over  een  waadbare  plaats  nabij 
Annagh,  een  klein  uur  boven  Limrick;  het  was  een  vrij  stoute 
overtocht:  in  de  rivier  liep  een  sterke  stroom,  de  bodem  was 
steenachtig,  de  infanterie  moest  tot  aan  het  middel  door  het 
water,  en  aan  den  rechteroever  had  eene  sterke  afdeeling  Ieren 
gestaan  —  6  regimenten  voetvolk  en  5  regimenten  ruiters  en 
dragonders,  zegt  ééne  opgave  —  die  echter  dadelijk  terugging 
toen  zij  de  voorste  dragonders  van  Ginckel  de  Shannon  zag 
naderen.  Limrick  werd  toen  ingesloten  op  de  beide  oevers  van 
den  stroom ;  of  er  bruggen  werden  geslagen  om  de  gemeenschap 
der  belegeraars  op  de  beide  oevers  te  onderhouden,  hebben  wij 
niet  vermeld  gevonden;  toch  is  dit  waarschijnlijk. 

Den  27 sten  Augustus  worden  de  loopgraven  tegen  Limrick 
geopend,  de  nadernissen  een  300  pas  voortgezet,  en  twee  kleine 
schansen  buiten  de  vesting  vermeesterd;  —  aan  welke  zijde? 
Wij  weten  het  niet.  In  den  nacht  van  den  28sten  op  den  29sten 
viel  men  een  ravelijn  aan,  met  een  vrij  sterk  reduit  daarin,  op 
een  30  è  40  pas  buiten  de  vesting;  die  aanval  mislukte;  vooral 
—  wordt  gezegd  —  omdat,  begunstigd  door  de  nachtelijke  duis- 
ternis, een  deel  van  de  bestormers  was  achtergebleven.  De  vol- 
gende aanval,  in  den  namiddag  van  den  3osteD  Augustus  door 
een  Fransch  regiment  ondernomen,  gaf  betere  uitkomsten:  het 
ravelijn  en  het  reduit  werden  vermeesterd;  en  een  uitval,  door 
de  Ieren  gedaan  om  dit  werk  te  hernemen,  werd  teruggeslagen, 
vooral  door  de  dapperheid  van  het  ruiterregiment  van  Schomberg. 

Den  isten  September  waren  de  batterijen  des  belegeraars  ge- 
reed om  in  werking  te  komen ;  dat  dit  eerst  toen  het  geval  was, 
schijnt  voor  een  deel  toegeschreven  te  moeten  worden  aan  de 
belemmeringen  die  de  lersche  partijgangers  aan  de  konvooien 
van  den  belegeraar  in  den  weg  legden;  zoo  viel  onder  andere 
de  lersche  kolonel  Sarsfield  den  22sten  Augustus  bij  Gullen,  op 
slechts  3  uur  afstands  van  het  leger,  een  konvooi  aan,  dat,  ver- 
trouwende op  die  nabijheid,  met  te  weinig  voorzorgen  mar- 
cheerde; Sarsfield  joeg  het  geleide  uiteen  en  vernielde  al  de 
munitie  die  het  konvooi  aanvoerde,  benevens  twee  van  de  acht 
stukken  belegeringsgeschut   die  voor    Limrick    moesten  dienen. 


Digitized  by 


Google 


^6  KRIJGS-   KN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Natuurlijk  had  daardoor  eene  vertraging  plaats  in  de  aanwending 
van  de  batterijen  van  den  belegeraar;  eene  verlenging  dus  van 
het  beleg;  en  dit  was  des  te  nadeeliger  omdat  het  regenseizoen 
naderde,  dat  de,  toch  niet  zeer  goede,  lersche  wegen  geheel 
onbruikbaar  zou  maken. 

Den  3ea  September  waren  de  batterijen  van  den  belegeraar 
voltooid  en  met  30  vuurmonden  bewapend;  den  4en  en  5eQ 
werd  er  bres  geschoten  in  een  der  bastions,  de  palissadeering 
vernield,  en  naderden  de  loopgraven  de  gracht  tot  op  30  pas 
afstands.  Willem  III  deed  den  6en  September  de  bres  bestor- 
men ;  die  storm  mislukte,  —  ditmaal  door  te  groote  dapperheid : 
om  drie  uur  's  namiddags  snelden  grenadiers  vooruit,  door  ander 
voetvolk  ondersteund;  de  geheele  bedekte  weg  werd  genomen, 
evenals  een  klein  buitenwerk ;  de  bres  werd  binnengedrongen ;  — 
maar,  in  stede  van  zich  daar  in  te  graVen,  snelde  het  grootste 
deel  van  de  bestormers  verder,  kwam  zelfs  in  de  stad,  maar 
werd  teruggeslagen  door  de  overmachtige  Ieren,  en  ging  toen 
voor  een  goed  deel  verloren;  men  moest  daarop  de  bres  ook 
weer  verlaten;  en,  had  het  beleg  tot  dien  dag  aan  de  Engel- 
schen  maar  een  200  man  gekost,  bij  dien  storm  alleen  telden  zij 
een  300  dooden  of  gevangenen.  Den  yen  September  werkte  men 
nog  aan  de  nadernissen  en  aan  het  vergrooten  van  de  bres; 
maar  de  regen,  in  stroomen  nedervallende,  zette  de  loopgraven 
vol  water  en  dwong  tot  het  staken  van  den  arbeid.  Nadat 
daarop  den  gen  September  beleger ingsgeschut  en  bagage  waren 
teruggezonden,  brak  het  leger  den  loen  het  beleg  op,  en  trok 
ongehinderd  terug  naar  Clonmel,  in  de  richting  van  Waterford. 
"Willem  III  verliet  toen  het  leger,  en  was  den  2  2siea  September 
terug  te  Londen. 

Na  *sKonings  vertrek  kwam  het  opperbevel  over  het  leger  in 
Ierland,  eerst  in  handen  van  Solms,  daarna  van  Ginckel;  dat 
leger  was  grootendeels  in  winterkwartieren  verdeeld  tusschen 
Kilkenny  en  Cashill,  in  het  zuiden  van  Leinster;  meer  noord- 
waarts was  eene  sterke  afdeeling  onder  Douglas  werkzaam,  deze 
bemachtigde  eenige  sterke  kasteelen  van  de  Ieren.  Spoedig  echter 
werd  de  aanval  met  meer  nadruk  voortgezet. 

Willem  III  schijnt  te  Londen  de  overtuiging  te  hebben  opge- 
daan, dat  Engeland's  veiligheid  niet  zoo  ernstig  bedreigd  werd, 
of  men  kon  van  daar  weer  troepen  afzenden  om  in  Ierland 
werkzaam  te  zijn;  dit  geschiedde  dan  ook,  nog  vóór  den  winter. 
Eene  macht  van  ongeveer  10  000  man  voetvolk  en  ruiterij,  onder 
bevel  van  Marlborough,  scheepte  zich  den  26sten  September  te 
Portsmouth  in,  landde  den  2eQ  Ociober  nabij  Cork,  geheel  in 
het  zuiden  van  Ierland,  en  vereenigde  zich  daar  met  een  deel 
der  macht  van  Solms.  Na  een  kort   beleg  gaf  Cork  zich  den 


Digitized  by 


Google 


VERDERE  KRIJGSVERRICHTINOEN   IN   DE   NEDERLANDEN.  77 

9en  October  over;  de  bezetting,  4^1  5000  man  sterk,  werd  krijgsge- 
vangen. Daarna  trok  Marlborough  op  Kingsale  —  of  Kinsale  — ; 
de  stad  werd  door  de  Ieren  verlaten ;  de  forten  werden  belegerd 
en  gaven  zich  den  2 7 sten  October  over,  bedingende  de  bezetting 
een  vrijen  uittocht  met  wapens  en  bagage  naar  Limrick. 

Hiermede  eindigde  de  veldtocht  van  1690  in  Ierland;  de 
onderwerping  van  het  eiland  was  nog  niet  geheel  voltooid;  één 
van  de  vier  gewesten  was  nog  onder  de  heerschappij  van  Jako- 
bus; maar  met  grond  kon  Willem  III  zeggen,  dat  de  zaken  zoo 
ver  gevorderd  waren  dat  zijne  tegenwoordigheid  daar  niet  meer 
noodig  zou  zijn.  In  i6gi  eindigden  Ginckel's  overwinningen,  die 
begonnen  waren  met  de  overwinning  aan  de  Boyne. 


De  overwinning  aan  de  Boyne  was  in  zoover  van  invloed  op 
de  krijgsverrichtingen  in  de  Nederlanden,  dat  Luxembourg  toen 
last  ontving  om  een  veldslag  te  vermijden,  tenzij  er  bijna  zeker- 
heid was  van  te  overwinnen.  Dat  geval  schijnt  niet  te  zijn  voor- 
gekomen; —  ten  minste  is  er  dat  jaar  in  de  Nederlanden  geen 
veldslag  meer  geleverd.  Op  het  einde  van  Juli  was  de  stand  der 
beide  partijen  nagenoeg  de  volgende:  aan  de  Fransche  zijde 
d'Humières  met  12  bataljons  en  36  eskadrons  —  dus  een  1500a 
man  —  te  Kortrijk;  en  Luxembourg  met  44  bataljons  en  loo 
eskadrons  —  dus  een  50000  man  —  tusschen  de  Sambre  en  de 
Schelde,  in  het  kamp  te  Quiévrain.  Bij  de  andere  partij  stond 
Gastanaga,  in  Vlaanderen,  tegenover  d*Humières;  en,  nabij  Aalst^ 
een  18000  man  onder  Waldeck  en  een  12000  man  onder  den 
keurvorst  van  Brandenburg  tegenover  Luxembourg.  Behalve  een 
enkelen  mislukten  of  onbeduidenden  strooptocht,  gebeurde  er 
eigenlijk  verder  niets. 

Ja,  toch,  er  gebeurde  iets:  beleefdheden  en  geschenken,  die 
daarom  niet  geheel  onvermeld  mogen  blijven,  omdat  zij  een 
eigenaardig  licht  werpen  op  de  wijze  waarop  toenmaals  oorlog 
werd  gevoerd. 

Luxembourg  vraagt  vrijgeleide  aan  Gastanaga  om  uit  Vlaan- 
deren kant  te  laten  komen.  Gastanaga  weigert  dit  vrijgeleide^ 
maar  zendt  kooplieden  met  kant  naar  het  Fransche  leger,  die 
daar  voor  een  10  000  kronen  aan  kant  verkoopen  zonder  daar- 
voor geld  te  willen  aannemen.  Als  men  zich  herinnert,  in  welk 
een  benarden  toestand,  ook  toen,  de  Spaansche  financiën  ver- 
keerden, dan  denkt  men  hier  onwillekeurig  aan  het  platte  spreek- 
woord: »hoe  kaler,  hoe  royaler".  Men  had  geen  geld  om  het 
eigen  leger  te  kleeden;  maar  men  had  wél  geld,  om  het  vijan* 
delijke  legerhoofd  kant  ten  geschenke  te  geven. 

Nog  iets.  De  keurvorst  van  Brandenburg  zendt  aan  Luxem- 
bourg paarden  ten  geschenke;  en  verzoekt  hem,  bij  een  gevecht,. 


Digitized  by 


Google 


'>■■' 


V 


^S  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

het  bonte  paard  {cheval  pié)  te  berijden^  daar  aan  de  Branden- 
burgsche  troepen  last  is  gegeven  om  niet  te  vuren  op  den  be- 
rijder van  dat  paard. 

Die  beleefdheden,  waarvan  hier  in  1690  wordt  gewaagd,  be- 
wijzen alweer  dat  in  dien  tijd,  zelfs  bij  een  oorlog,  de  hoogere 
standen  elkander  zoo  weinig  kwaad  deden  als  mogelijk  was; 
het  was  op  Ie  commun  des  martyrs  dat  de  last  van  den  oorlog 
neerkwam. 

Aan  den  Rijn  wordt  in  1690  zoo  goed  als  niets  verricht.  Den 
i6en  Augustus  gaat  de  Dauphijn  te  Fort-Louis,  tusschen  Straats- 
burg  en  Philipsburg,  op  den  rechteroever  over,  aan  het  hoofd 
van  37  bataljons,  105  eskadrons  en  64  stukken  geschut;  een 
40  è  50000  man,  dus  nog  al  een  belangrijke  macht;  —  hij 
voert  daar  echter  niets  uit;  en  den  3osten  October  gaat  dit  leger 
weer  uiteen.  Overgroot  was  in  die  vroegere  oorlogen  de  moei- 
lijkheid om  een  leger  bijeen  te  brengen;  en  als  het  bijeen  was 
gebracht,  dan  voerde  men  er  soms  niets  meê  uit. 

In  Italië  was  het  voornaamste  wapenfeit  in  1690  de  slag  van 
Staffarde  —  een  dagmarsch  ten  zuidwesten  van  Turijn  — ,  waar 
Catinat  den  i8en  Augustus  het  leger  van  den  hertog  van  Savoye 
sloeg;  —  bij  dien  veldslag  doet  zich  Prins  Eugenius  voor  het 
eerst  opmerken.  Het  Fransche  leger  ging  in  dezen  veldtocht 
weer  op  onmeêdoogende  wijze  te  werk:  de  dorpen  die  zich 
vijandig  betoonden,  werden  verbrand,  en  de  boeren  opgehangen. 
Het  is  een  geheel  onverdiende  lof,  als  men  Catinat  soms  voor- 
stelt als  een  menschelijk  aanvoerder,  als  een  wijsgeerig  legerhoofd. 


HOOFDSTUK  XXIII. 

1691;   IERLAND;   MONS;   VERDERE  KRIJGS VERRICHTINGEN  IN   DE 
NEDERLANDEN;   DOOD   VAN    LOüVOIS;   LEUZE. 

In  1691  breidde  Frankrijk  zijn  leger  alweer  uit:  de  infanterie 
werd  met  20  bataljons  vermeerderd,  en  de  ruiterij  op  eene  ge- 
heele  sterkte  gebracht  van  463  eskadrons;  —  neemt  men  weer  de 
gewone  sterkte  aan  van  160  man  per  eskadron,  dan  maak^  dit 
74000  man,  alleen  aan  ruiterij.  Waarlijk,  eene  geduchte  krachts- 
inspanning! Hoe  bewerkte  men  dit;  hoe  kwam  men  aan  de 
roenschen,  aan  het  geld? 


Digitized  by 


Google 


1691.  79 

Wat  de  menschen  aangaat,  —  door  werving,  waarbij  allerlei  be- 
driegelijke  en  gewelddadige  handelingen  werden  aangewend,  waarbij 
de  ergste  misbruiken  plaats  hadden.  De  Fransche  regeering  nam 
wel  den  schijn  aan,  alsof  zij  die  misbruiken  afkeurde  en  te  keer 
ging;  maar  meer  dan  schijn  was  dit  niet;  als  het  maar  niet  te 
erg  gïng^  dan  had  zij  niets  tegen  die  bedriegelijke  en  geweld- 
dadige handelingen,  die  haar  soldaten  bezorgden.  Zoo  vaardigt 
Louvois,  den  i4en  Februari  1691,  weer  een  streng  verbod  uit 
aan  de  officieren  die  met  de  werving  zijn  belast,  van  daarbij 
wederrechtelijk  te  werk  te  gaan;  maar  in  dat  verbod  komen 
toch  ook  deze  woorden  voor:  > Zijne  Majesteit  keurt  het  goed, 
dat  men  geen  gewag  maakt  van  de  kleine  listen  (Jes  petitez  trom- 
peries)  die  zij  bezigen  om  de  soldaten  aan  te  werven."  (Rousset, 
4*  deel,  blz.  442).  *s  Ministers  voorschriften  komen  dus  hierop 
neer:  iets  moet  men  door  de  vingers  zien;  als  het  maar  niet 
te  ver  gaat;  als  het  maar  geen  schandaal  maakt.  —  Louvois  was 
van  de  leer:  plumer  la  poule  sans  qu^elle  crie. 

Wat  het  geld  aangaat,  —  het  is  bekend  hoe  de  oorlogen  van 
Lodewijk  XIV  Frankrijk  hebben  verarmd  en  uitgeput;  hoe  toen 
de  financiën  van  dat  Rijk  achteruitgingen  en  achteruit  bleven 
gaan,  totdat  eindelijk  de  omwenteling  van  1789  daaruit  is  voort- 
gesproten;—  want  heeft  die  omwenteling  zeer  zeker  ook  andere 
oorzaken  gehad,  toch  valt  er  niet  aan  te  twijfelen,  dat  de  gelde- 
lijke nood  veel  heeft  bijgedragen  tot  den  val  der  Fransche 
Monarchie. 

Maar  in  den  tijd  dien  wij  behandelen,  werden  de  meerdere 
uitgaven  voor  de  Fransche  legers  nog  gevonden  uit  het  » buiten- 
gewone oorlogsfonds"  {}'' extraordinaire  des  guerres\  een  soort  van 
geheim  fonds,  door  Louvois  bijeengebracht  uit  de  oorlogscontri- 
butiën  in  Vlaanderen,  en  uit  bezuinigingen  die  hij  bij  het  Fransche 
leger  had  gemaakt.  Dit  fonds  was  een  appeltje  voor  den 
dorst,  een  potje;  iets,  dat  nog  al  in  den  smaak  valt  van 
absolute  regeeringen;  iets,  dat  overeenkomt  met  de  millioenen 
die,  in  ónze  dagen,  Pruisen  als  krijgskas  in  de  vesting  Spandau 
laat  verschimmelen.  Toen  Louvois  stierf  was  dit  zoogenaamde 
1  extraordinaire"  een  fonds  van  18  millioen  francs;  —  dien  lof 
moet  hem  worden  gegeven,  dat  hij,  wat  de  spaarzaamheid  be- 
treft, een  voorbeeldig  financier  is  geweest. 

Eene  enkele  aanhaling  uit  Rousset  (4"  deel,  blz.  446)  moge 
volstaan  om  duidelijk  te  maken  hoe  dat  Fransche  oorlogsfonds 
aangevuld  werd: 

iDe  Gazette  de  France  berichtte  aan  het  publiek,  dat  de  mar- 
kies De  BoufBers  den  qch  van  Iperen  was  vertrokken  met  13000 
man  voetvolk,  6000  paarden,  16  stukken  geschut  en  2  ponton- 
treinen;   en  dat  hij  het  fort  te  Plassendael  had  genomen  en  ge- 


Digitized  by 


Google 


8o  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

slecht,  de  Brugsche  vaart  was  o  vergetrokken,  een  voorstad  van 
Gent  had  verbrand,  en  het  rijke  land  van  Waas  onder  brand- 
schatting gesteld.  Die  enkele  tocht  verschafte  aan  het  buitenge- 
wone oorlogsfonds  een  ontvangst  van  i  800  000  livres." 

Ook  aan  de  tegenpartij  kostte  de  oorlog  groote  inspanningen. 
De  geldmiddelen  van  de  Republiek  werden  er  niet  beter  op;  — 
hoewel  het  dan  toch  voornamelijk,  later,  de  overgroote  inspan- 
ningen van  den  Spaanschen  successie-oorlog  zijn  geweest,  die 
de  Hollandsche  financiën  voorgoed  hebben  bedorven.  In  Enge- 
land begon  men  toen  staatsleeningen  te  sluiten;  men  gaf  toen 
het  aanzijn  aan  de  publieke  schuld,  die  later  zulke  reusachtige 
afmetingen  heeft  verkregen;  onder  de  regeering  van  koning 
Willem  bleef  die  Engelsche  schuld  zeer  gematigd,  en  was  zij 
niet  drukkend.  Toch  moest  er  geld  zijn,  meer  dan  gewoonlijk, 
vóór  vloot  en  leger. 

Het  leger  dat  Willem  III,  in  1691,  in  Groot-Brittan  je  wilde 
hebben,  bedroeg,  volgens  de  Europische  Mercurius:  8702 
ruiters  (144  compagnieën),  3440  dragonders  (52  compagnieën) 
en  59054  man  voetvolk  (881  compagnieën);  dus  in  het  geheel 
71  196  man,  wier  onderhoud  gedurende  een  jaar  bijna  2  mil- 
lioen  ponden  sterling  kostte.  Onder  de  sterkte  van  dat  leger 
waren  begrepen  een  aantal  Deensche  regimenten;  korpsen,  samen- 
gesteld uit  Fransche  réfugiés;  en  denkelijk  een  12  k  15000  man, 
die  tot  het  leger  van  de  Republiek  behoorden ;  —  niet  gesproken 
van  de  vele  vreemdelingen  die  men  nog  vond  in  de  gelederen 
van  de  Engelsche  en  Schotsche  regimenten. 


Dat  leger  van  Willem  III  is  in  1691  hoofdzakelijk  werkzaam 
geweest  in  Groot-Brittanje  en  in  Ierland,  vooral  in  het  laatste 
eiland.  Het  is  noodig,  hier  met  een  enkel  woord  te  gewagen 
van  dien  lerschen  veldtocht  in  1691,  die  voor  Holland's  wapen- 
roem  niet  onbelangrijk  is  geweest:  Hollandsche  troepen  hebben 
een  gewichtig  aandeel  gehad  aan  dien  strijd  van  1691  in  Ier- 
land ;  een  Hollandsch  legerhoofd  heeft  dat  eiland  toen  tot  onder- 
werping gebracht.  Terwijl  Willem  III  in  1691  op  het  vasteland 
van  Europa  optrad,  werden  de  overwinningen,  die  hij  het  jaar 
te  voren  in  Ierland  had  behaald,  voortgezet  en  op  glansrijke 
wijze  voltooid  door  Rheede-Ginckel,  die  als  legerhoofd  door 
moed  en  bekwaamheid  den  luister  van  zijn  oud  geslacht  heeft 
verhoogd. 

Van  de  vier  gewesten  die  Ierland  uitmaken,  Ulster,  Leinster, 
Munster  en  Connaught,  waren  de  drie  eerstgenoemde  bij  den 
aanvang   van    het  jaar    1691     zoo    goed    als   onderworpen   aan 


Digitized  by 


Google 


IERLAND.  8t 

koning  Willem;  alleen  Connaught^  het  westelijke  deel  van  Ier- 
land, hield  toen  nog  de  zijde  van  Jakobus.  De  aanhangers  van 
de  Stuarts  hadden  in  Connaught  eene  legermacht  vereenigd,  wier 
juiste  sterkte  moeilijk  is  op  te  geven,  maar  die  toch  minstens 
een  30000  man  bedroeg;  en  behalve  dit  geregeld  leger  be- 
schikten de  Jakobieten  over  een  aantal  ongeregelde  troepen, 
Raparies  genaamd,  half  soldaat  half  struikroover,  iets  in  den  trant 
van  de  Spaansche  Guerillas  uit  Napoleon's  tijd,  maar  van  minder 
militaire  waarde;  die  Raparies  waren  weinig  meê  te  tellen  voor 
het  geregelde  gevecht;  maar  zij  waren  goed  voor  strooptochten, 
voor  kleine  ondernemingen,  waardoor  zij  het  den  vijand  lastig 
maakten  en  de  eigen  partij  voordeel  aanbrachten.  Troepen  uit 
Frankrijk  schijnen  in  1691  niet  naar  Ierland  gezonden  te  zijn; 
maar  wel  kwam  er  in  de  maand  Mei  van  dat  jaar  een  Fransch 
eskader  te  Limrick  en  Galway  aan,  brengende  een  aantal  Fransche, 
Engelsche  en  Schotsche  officieren,  vele  beambten  en  handwerks- 
lieden, en  een  grooten  voorraad  wapens  en  munitie,  —  alles  ten 
dienste  van  het  leger  der  Jakobieten;  de  opperbevelhebber  van 
dat  leger,  de  Fransche  generaal  De  Saint-Ruth,  kwam  met  dat 
smaldeel  in  Ierland  aan. 

Het  leger  te  velde  van  de  tegenpartij  wordt  begroot  op  een 
33000  man;  namelijk:  36  regimenten  voetvolk,  ieder  van  700 
man,  maakt  25200;  40  eskadrons  ruiters,  ieder  van  120  paarden, 
dus  4800;  en  20  eskadrons  dragonders,  ieder  van  150  man,  dus 
3000.  Hierbij  dient  echter  te  worden  aaf^gemerkt,  dat  dit  leger 
van  Ginckel  spoedig  verzwakt  werd,  doordien  de  Raparies  gedurig 
kleine  afdeelingen  of  afzonderlijk  marcheerende  soldaten  van  dat 
leger  overvielen  en  doodden;  ééne  opgave  —  denkelijk  over- 
dreven —  spreekt  van  2000  soldaten,  die  op  zulk  een  wijze  den 
dood  hebben  gevonden. 

Uit  die  opgave  van  de  sterkte  der  beide  partijen  zou  men 
moeten  besluiten,  dat  de  overmacht  was  aan  de  zijde  van  de 
Jakobieten;  —  dit  was  echter  zoo  niet.  Men  moet  nooit,  wil 
men  de  strijdkrachten  van  een  oorlogvoerende  partij  kennen, 
alleen  letten  op  de  cijfers;  en  die  zoo  verbreide  spreuk:  /e  bon 
Dieu  est  toujours  du  cóté  des  gros  bataillons^  is  eigenlijk  onzin :  niet 
het  talrijkste  leger  overwint,  maar  het  best  samengestelde,  het 
best  aangevoerde.  Nu  was  het  leger  van  Ginckel  veel  beter 
samengesteld  dan  het  lersche,  waarbij  weinig  orde  was  en  dat, 
niettegenstaande  den  ontvangen  toevoer,  gebrek  schijnt  te  hebben 
gehad  aan  krijgsbehoeften.  Ook  de  aanvoering  was  niet  te  ver- 
gelijken. Napoleon  heeft  eens  gezegd:  wi  général  médiocre  vaut  mieux 
que  deux  bons;  maar  al  waren  misschien  de  twee  hoofden  van  het 
lersche  leger  —  Saint-Ruth  en  Sarsfield  —  >  goede  aanvoerders", 

WILLEM  iii,  —  III.  6 

Digitized  by  VjOOQIC 


82  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Ginckel  zou  men  groot  onrecht  aandoen,  wanneer  men  hem  een 
» middelmatig  legerhoofd"  noemde:  hij  was  meer  dan  gewoon. 
Sarsfield  en  Saint-Ruth  verkeerden  bovendien  in  groote  twee- 
dracht; de  laatste  was,  strikt  genomen,  de  opperbevelhebber; 
man  van  strengen  en  gebiedenden  aard,  duldde  hij  niet  de 
minste  tegenwerping,  en  dreigde  hij  daarom  eens,  Sarsfield  in 
hechtenis  te  doen  stellen;  Sarsfield  beantwoordde  dit  met  een 
gelijke  bedreiging,  en  de  groote  invloed,  dien  hij  op  de  lersche 
troepen  bezat,  maakte  dat  zijn  gezag  tegen  dat  van  Saint-Ruth 
wel  opwoog.  Daar  waar  de  hoofden  zoo  oneenig  zijn,  is  er  voor 
het  leger  weinig  heil  te  wachten;  als  Agamemnon  en  Achilles 
twisten,  dan  heeft  Hektor  schoon  spel. 

Nadat  reeds  in  de  eerste  maanden  van  1691  kleine  gevechten 
hadden  plaats  gehad  naar  de  zijde  van  Athlone  en  van  Limrick, 
tusschen  Ëngelsche  troepen  en  lersche  afdeelingen  die  nog  ten 
oosten  van  de  Shannon  werkzaam  waren,  vingen  in  den  zomer 
meer  belangrijke  en  beslissende  operatiën  aan.  Ginckel  had  den 
9en  Juni  Dublin  verlaten  en  kwam  den  loen  te  Mullingar,  een 
plaats  10  ^  12  uren  gaans  westelijk  van  lerland's  hoofdstad  ge- 
legen. Te  Mullingar  vereenigde  de  Hollandsche  veldheer  een 
sterk  deel  zijner  macht;  terwijl  een  ander  deel,  vooral  Deensche 
troepen  onder  een  prins  van  Wurtemberg,  uit  het  zuiden,  uit 
Tipperary,  oprukte  om  zich  bij  hem  te  voegen.  Zonder  dat 
korps  van  Wurtemberg  af  te  wachten  besloot  Ginckel  aan  te 
vallen  op  Ballimore,  eene  kleine  vesting  ten  oosten  van  de 
Shannon  en  die  men  niet  moet  verwarren  met  het  Ballimore  dat 
zich  westelijk  van  die  rivier  bevindt. 

Den  i6en  Juni  brak  Ginckel  op  van  Mullingar  en  trok  tot 
Kathcondra,  halfweg  Ballimore,  maar  iets  meer  noordelijk;  den 
volgenden  ochtend  bereikte  men  die  vesting,  die  men  insloot  en 
waartegen  men  's  nachts  4  batterijen  opwierp,  die  met  14  kanon- 
nen en  3  mortieren  werden  bewapend.  Ballimore,  een  soort  van 
fort  met  buitenwerken,  ligt  aan  de  zuidzijde  van  een  klein  meer, 
en  had  daardoor  en  door  moerassen  die  het  aan  andere  zijden 
omgeven,  eene  vrij  groote  sterkte;  de  bezetting  bedroeg  een 
1000  man,  waarvan  een  vierde  uit  Raparies  bestond;  de  bewape- 
ning was  zeer  gebrekkig:  2  kleine  metalen  kanonnen  en  500 
geweren,  de  meeste  met  gebroken  stokken;  —  de  ijzeren  laad- 
stokken bestonden  toen  nog  niet.  In  één  woord,  de  bewapening 
was  niet  van  dien  aard  om  een  krachtigen  aanval  lang  te  kunnen 
weerstaan. 

Aan  kracht  ontbrak  het  den  aanval  niet.  In  den  vroegen 
ochtend  van  den  i8cn  Juni  vingen  de  Ëngelsche  batterijen  een 
hevig  vuur  aan ;  en  Ginckel  rekende  den  vijand  daardoor  genoeg 


Digitized  by 


Google 


IERLAND.  83 

geschokt  om  nog  in  den  laten  namiddag  over  te  gaan  tot  de 
bestorming;  vier  schuiten  met  troepen  zouden  aanvallen  over 
het  meer,  aan  de  zijde  waar  Ballimore  niet  voorzien  was  van 
vestingwerken.  Toen  de  belegerden  die  toebereidselen  zagen  tot 
den  storm,  sloeg  hun  de  schrik  om  het  hart,  en  boden  zij  de 
overgave  aan.  Nog  dienzelfden  avond  werd  Ballimore  door  de 
troepen  van  Ginckel  in  bezit  genomen,  en  de  lersche  bezetting 
krijgsgevangen  naar  Dublin  vervoerd.  Die  bezetting  —  zegt  de 
Europische  Mercurius  —  was  zóó  slecht  gekleed  idat  veele 
naauwelijks  hun  schaamte  konden  bedekken";  —  trouwens,  men 
kan  daarom  toch  goed  soldaat  zijn;  dit  hebben  de  legers  der 
eerste  Fransche  Republiek  bewezen: 

»ces  paysons,  üls  de  la  République, 

aux  bords  du  Rhtn,  accourus  h  pieds  nuds." 

BÉRANGER. 

Ballimore  behoort  nog  tot  Leinster;  en  om  in  Connaught  door 
te  dringen  moest  Ginckel  de  Shannon  overtrekken,  die  de  oos- 
telijke grens  van  dat  gewest  uitmaakt.  De  Shannon,  hoezeer  in 
dit  zo  merjaargetijde  enkele  waadbare  plaatsen  opleverende,  was 
evenwel  een  vrij  aanzienlijke  rivier,  die  als  een  goede  verdedi- 
gingslijn kon  worden  beschouwd.  De  waarde  van  die  verdedi- 
gingslijn werd  ook  daardoor  verhoogd,  dat  zich  hier  de  vesting 
Athlone  bevond,  die  door  Ginckel  moest  genomen  worden,  wilde 
hij  in  Connaught  doordringen.  Athlone,  een  uur  of  drie  ten 
zuidwesten  van  Ballimore,  ligt  op  de  beide  oevers  van  de  Shan- 
non ;  het  stadsgedeelte  op  den  linkeroever,  den  oostelijken,  werd 
het  Engelsch  Athlone  genoemd,  en  was  niet  zeer  sterk;  maar 
goed  bevestigd,  vooral  door  een  sterk  kasteel  dat  zich  daar  be- 
vond, was  het  stadsgedeelte  op  den  rechteroever,  dat  den  naam 
had  van  het  lersch  Athlone;  beide  deelen  der  stad  werden  ver- 
bonden door  een  steenen  brug.  Eene  sterke  bewapening  had  de 
vesting  niet,  —  bij  de  inneming  van  het  lersche  Athlone  vond 
men  daar  slechts  6  kanonnen  en  2  mortieren  als  nog  bruikbare 
vuurmonden;  het  cijfer  der  bezetting,  niet  met  juistheid  opge- 
geven, kan  men  op  een  3000  man  stellen. 

Saint-Ruth  en  Sarsfield  voerden  eene  legermacht  aan  van  een 
25  k  30000  man;  met  goed  gevolg  hadden  zij  dus  aan  Ginckel 
den  overtocht  van  de  Shannon  kunnen  betwisten ;  te  meer  omdat 
zij,  zich  nabij  Athlone  plaatsende,  door  het  bezit  van  die  vesting 
in  de  gelegenheid  waren  om  naar  willekeur  op  de  beide  oevers 
van  de  rivier  werkzaam  te  zijn.  Zóó  te  handelen  werd  als  het 
ware  aangeduid  door  den  stand  van  zaken;  —  en  toch  hebben 
de  lersche  legerhoofden  niet  zoo  gehandeld,  —  misschien  wel 
ten  gevolge  van   de  oneenigheid   die  tusschen  hen  bestond:  zij 


Digitized  by 


Google 


84  KRIJGS-   EN  GBSCHISDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

hebben  de  Shannon  niet  verdedigd,  zij  hebben  de  vesting  Athlone 
aan  haar  lot  overgelaten.  Ginckel  trok  van  dien  misslag  goed 
partij  door  aan  te  vallen  met  die  veerkracht,  welke  in  den  oorlog 
vaak  ter  overwinning  voert. 

De  Deensche  troepen,  onder  den  Prins  van  Wurtemberg, 
waren  aangekomen  bij  het  leger  van  Ginckel,  dat  in  de  laatste 
dagen  van  Juni  op  Athlone  rukte,  eenige  lersche  troepen  die 
nog  buiten  de  vesting  waren,  daarin  terugwierp,  en  den  29steii 
Juni  tegen  Engelsch  Athlone  eene  batterij  in  werking  bracht,  die 
met  negen  i8-ponders  werd  bewapend.  Het  vuur  van  die  batterij 
was  gericht  op  een  werk  dat  de  courtine  dekte  tusschen  de 
Dublinsche  poort  en  de  Shannon;  —  zoo  luidt  de  opgave  in  de 
Europische  Mercurius  — ;  maar  aan  die  opgave  heeft  men  niet 
veel,  als  men  geen  plan  heeft  van  de  vestingwerken ;  en  het  is 
ons  niet  gelukt  een  eenigszins  betrouwbaar  plan  machtig  te 
worden.  Wanneer  echter  verder  wordt  gezegd,  dat  reeds  om 
twee  uur  op  den  namiddag  van  den  29s(eo  in  dat  werk  een 
bres  was  geschoten  izoo  breed  als  het  gansche  werk",  dan 
maken  wij  daaruit  op,  als  iets  waarschijnlijk s,  dat  die  bresbat- 
terij zeer  nabij  de  vesting  is  geweest;  dat  dus  de  artillerie  in 
de  vesting,  weinig  te  beduiden  heeft  gehad;  en  dat  het  muur- 
werk op  ddt  punt  van  Engelsch  Athlone  niet  bijzonder  stevig  is 
geweest. 

Wat  hiervan  zij,  Ginckel  deed  nog  den  295100  tot*  de  bestor- 
ming overgaan.  Nadat  de  batterij  nog  een  paar  uur  onverpoosd 
het  vuur  had  voortgezet  om  het  maken  van  binnen  verschansingen 
te  beletten,  rukte  om  vier  uur  's  namiddags  de  brigadier  Stuart 
vooruit,  aan  het  hoofd  van  500  grenadiers,  gevolgd  door  sterke 
afdeelingen  gewoon  voetvolk;  —  wij  herinneren  er  aan,  dat  een 
grenadier  toen  niet  was  een  groot  en  zwaar  infanterist  met  een 
berenmuts,  maar  een  infanterist  die  handgranaten  wierp.  De 
storm  had  plaats  èn  bij  de  groote  bres  èn  bij  de  poort  van 
Dublin,  op  beide  punten  met  goed  gevolg:  de  Engelschen  drongen 
de  vesting  binnen,  bereikten  de  brug  over  de  Shannon,  verhin- 
derden hare  vernieling,  en  sneden  door  hare  vermeestering  aan 
een  deel  der  bezetting  den  terugtocht  af,  naar  lersch  Athlone 
op  den  anderen  oever.  Die  dag  kostte  aan  de  Ieren,  alleen  aan 
gesneuvelden,  een  400  man;  het  verlies  van  de  aanvallers  was 
betrekkelijk  gering.  Op,  of  bij,  de  brug  deed  Ginckel  dadelijk 
een  logement  maken. 

Dit  was  een  goed  begin,  maar  het  moeielijkste  bleef  nog  te 
doen:  men  had  de  Shannon  vóór  zich,  die  men  moest  over- 
trekken; en  men  moest  het  sterkste  deel  van  Athlone  nog 
innemen.  Men  moest  nu  nog  belegeringsgeschut  en  pontons 
afwachten,  die  den  2en  Juli  aankwamen.  Toen  werd,  vlak  bij  de 
brug,  een  batterij  opgeworpen  van  5  vuurmonden;  een  tweede 


Digitized  by 


Google 


IERLAND.  85 

batterij  iets  benedenwaarts,  en  twee  andere  bovenwaarts:  hoe 
sterk  de  bewapening  was  van  die  drie  andere  batterijen  wordt 
niet  gezegd;  maar  de  artillerie  bij  de  brug  werd  gedurig  ver- 
meerderd, en  telde  ten  laatste  26  vuur  monden.  Het  was  een 
belegering  »op  zijn  Coehoornsch",  waarbij  de  kracht  van  den 
aanval  meer  wordt  gezocht  in  geschutvuur  dan  in  schans- 
graven. Het  vuur  van  die  batterijen,  dagen  lang  voortgezet, 
vernielde  de  vestingwerken  van  Athlone  aan  de  rivierzijde  en 
maakte  groote  bressen  in  het  kasteel.  De  Ieren  verdedigden 
zich  goed;  hun  geschutvuur  bracht  den  vijand  in  het  ver- 
overde gedeelte  van  Athlone  verliezen  toe;  en  het  gelukte  aan 
de  verdttdigeirs  een  paar  bogen  te  vernielen  van  de  brug  over 
de  Shannon. 

Aanvankelijk  beoogde  de  belegeraar  de  Shannon  over  te 
trekken  door  middel  van  bruggen,  hetzij  over  de  nog  bestaande 
steenen  brug,  hetzij  over  een  pontonbrug.  Maar  men  ondervond 
hierbij  te  veel  zwarigheden.  In  den  nacht  van  den  5en  Juli  had 
men  de  twee  vernielde  bogen  nagenoeg  hersteld,  toen  de  Ieren 
een  stouten  uitval  deden  en  de  bogen  opnieuw  vernielden.  De 
belegeraar  begon  toen  met  de  dubbele  sappe  op  de  brug  vooruit 
te  gaan,  en  nogmaals  te  arbeiden  aan  het  herstellen  van  de 
brug;  —  nogmaals  een  uitval  van  de  Ieren,  die  ditmaal  het 
houtwerk  der  sappe,  of  der  galerij,  in  brand  steken.  De  belege- 
raar zag  toen  af  van  het  stormloopen  op  Athlone,  over  de 
steenen  brug;  en  een  pontonbrug  te  slaan  voor  dien  storm 
schijnt  men  ook  onraadzaam  te  hebben  geoordeeld.  Men  besloot 
toen  maar  te  stormen  zonder  brug,  door  een  waadbare  plaats 
die  men  intusschen  had  gevonden. 

Den  loen  Juli,  des  namiddags  te  vier  ure,  begint  die  storm; 
1500  grenadiers  gaan  voorop,  en  worden  gevolgd  door  6  batal- 
jons ander  voetvolk ;  onder  de  bevelhebbers  die  hen  aanvoerden, 
worden  ook  genoemd  de  generaals  Tettau  en  Mackay,  beide 
behoorende  tot  het  leger  van  de  Republiek  De  grenadiers, 
hunne  musketten  en  granaten  op  het  hoofd  dragende,  trekken 
de  Shannon  door,  waarvan  het  water  hun  tot  den  schouder 
komt;  het  onverpoosde  vuur  dat  de  vijand  op  hen  richt,  kan 
die  dapperen  niet  tegenhouden;  zij  bereiken  den  anderen  oever; 
zij  snellen  naar  de  bressen;  zij  werpen  hunne  granaten  op  de 
verdedigers;  zij  storn^en;  en  m  minder  dan  een  uur  tijds  zijn 
zij  meester  van  geheel  Athlone.  In  de  eerste  woede  van  den 
strijd  wordt  alles  wat  weerstand  biedt,  over  de  kling  gejaagd; 
en  vandaar  dat  dien  dag  meer  dan  1000  Ieren  hier  den  dood 
vonden,  terwijl  slechts  een  300  hunner  krijgsgevangen  werden; 
onder  de  laatsten  behoorde  de  bevelhebber  van  Athlone,  de 
generaal  Maxwell.  —  Die  inneming  van  Athlone  is  een  schitterend 
wapenfeit  geweest;  en  er  was  eenige  grond  voor  de  (grootspraak 


Digitized  by 


Google 


86  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

waarmede  Ginckel  aan  Willem  III  schreef,  idat  er  geen  dap- 
perder troupen  in  de  wereld  waren  als  de  zijnen." 

Wat  deed  intusschen  het  lersche  leger  terwijl  Athlone  na 
krachtigen  tegenstand  voor  nog  krachtiger  aanval  moest  be- 
zwijken? —  Niets;  en  die  werkeloosheid  was  een  groote  fout, 
die  te  recht  het  misnoegen  van  Sarsfield  en  van  de  Ieren  tegen 
hun  legerhoofd  opwekte.  Saint-Ruth  schijnt  toen  de  beradenheid 
te  hebben  verloren,  den  moed  echter  niet;  geprikkeld  door  de 
verwijten  van  anderen,  en  denkelijk  ook  van  zich  zelven,  besloot 
hij  slag  te  leveren  en  te  overwinnen  of  te  sterven ;  er  was  toen 
in  hem  iets  van  dien  Hektor,  die,  zijn  onvermijdelijk  uiteinde 
nabij  ziende,  uitroept: 

*'k  Wil  niet  laf  vergaan^ 
maar  eerst  voor  *t  minst  nog  iets  tot  eeuw*ge  eer  bestaan." 

Dien  moed  der  wanhoop  deelde  Saint-Ruth  aan  zijne  troepeo 
mede;  hij  maande  hen  aan  om  hun  plicht  te  doen,  en  sterkte 
te  zoeken  in  den  godsdienst;  er  werd  gebiecht,  en  de  communie 
uitgedeeld  door  de  priesters ;  en  ook  daardoor  hebben  de  goed- 
katholieke  Ieren,  bij  den  laatsten  strijd  die  over  het  lot  van 
Ierland  heeft  beslist,  eene  dapperheid  betoond  die  men  moet 
eerbiedigen. 

Maar  het  veldheersbeleid  was  vèr  te  zoeken.  Nadat  men  ver- 
zuimd had  den  overgang  van  de  Shannon  aan  den  vijand  te 
betwisten,  had  men  de  Suk  als  verdedigingslijn  kunnen  aan- 
nemen, een  rechter  zijrivier,  die  zich  een  uur  of  drie  beneden 
Athlone  in  de  Shannon  stort.  Maar  ook  dit  deed  men  niet; 
men  nam  geen  stelling  bij  de  Suk;  men  betwistte  den  overgang 
van  die  rivier  niet  in  het  allerminst;  maar  men  plaatste  zich 
op  een  uur  afstands,  bij  Agrim,  op  den  weg  van  Athlone  naar 
Galway. 

Die  stelling  bij  Agrim  wordt  als  zeer  sterk  beschreven.  In  het 
midden  werd  die  stelling  doorsneden  door  den  weg  naar  Galway; 
rechts  en  links  van  dien  weg  had  men  twee  moerassen,  die  hier 
en  daar  schijnen  doorsneden  te  zijn  geweest  door  smalle,  droge 
wegen.  Achter  de  moerassen  werd  de  stelling  uitgemaakt  door 
een  berg  of  heuvel,  waarop  de  hoofdmacht  der  Ieren  stond,  zich 
links  uitbreidende  tot  aan  de  abdij  van  Kilconnel,  en  rechts  tot 
aan  de  hoogten  van  Kilcomraodon;  —  Kilconnel  hebben  wij 
op  onze  kaart  van  Ierland,  Kilcommodon  niet.  Op  hun  linker- 
vleugel, dus  westelijk  van  het  moeras,  hadden  de  Ieren  de  over- 
blijfselen van  een  oud  kasteel  met  infanterie  bezet;  op  hun 
rechtervleugel  hadden  zij,  bij  de  hoogten  van  Kilcommodon, 
verschillende  achter  elkander  liggende  verschansingen;  en  even- 


Digitized  by 


Google 


IERLAND.  87 

ZOO  waren  er  in  het  centrum,  achter  de  moerassen^  vijf  droge 
slooten,  waarin  voetvolk  werd  geplaatst,  dat  daar  goed  gedekt 
stond. 

De  sterkte  van  het  lersche  leger  wordt  opgegeven  als  20000 
man  voetvolk  en  8000  ruiters  en  dragonders  —  behalve  de 
Raparies;  oogenschijnlijk  een  groote  sterkte;  —  maar  de  Raparies 
behoeft  men  voor  den  geregelden  strijd  niet  meê  te  rekenen; 
bij  de  geregelde  troepen  lieten  uitrusting,  bewapening  en  orde 
te  wenschen  over;  en  er  was  oneensgezindheid  onder  de  aan- 
voerders; —  hier  stond  tegenover,  dat  er  toen  onmiskenbaar 
dapperheid  is  geweest  bij  de  leren.  Geschut  schijnen  zij  niet 
veel  te  hebben  gehad:  ééne  opgave  spreekt  van  9  vuurmonden, 
eene  andere  slechts  van  7. 

Ginckel's  leger  was,  volgens  ééne  opgave,  8000  man  minder 
sterk  dan  het  lersche;  hijzelf  zegt,  dat  het  12000  man  zwakker 
was;  als  het  waarschijnlijkste  kan  men  aannemen,  dat  het  onge- 
veer een  20000  man  telde.  De  Ieren  hadden  dus  de  overmacht 
in  getal;  —  maar  Ginckel's  leger  bestond  uit  goede  en  goed 
aangevoerde  troepen,  en  die,  door  de  reeds  behaalde  voordeden, 
vol  zelfvertrouwen  waren. 

Nadat  Athlone  genomen  was,  had  men  zich  onledig  gehouden 
met  het  herstellen  van  de  steenen  brug,  en  met  het  slaan  van 
eene  schipbrug,  iets  beneden  de  stad.  Den  2ostcn  Juli  ging  het 
geheele  leger  over  op  den  rechteroever  der  Shannon;  de  ruiterij 
en  het  geschut  over  de  steenen  brug,  het  voetvolk  over  de 
schipbrug;  nog  dien  dag  rukte  men  voort  tot  een  kleine  2  uur 
voorbij  Athlone.  Den  2isieii  Juli  trok  men  naar  de  Suk;  men 
vond  die  rivier  door  den  vijand  verlaten;  een  hevig  onweer  be- 
lette om  nog  dien  dag  de  Suk  over  te  gaan,  en  aan  de  andere 
zijde  het  lersche  leger  op  te  zoeken.  Men  bleef  daarom  dien 
dag  te  Ballinaslo,  op  den  linkeroever  van  de  Suk,  en  stelde  den 
overtocht  van  die  rivier  en  het  aanvallen*  op  den  vijand  uit,  tot 
den  volgenden  dag. 

Den  22sten  Juli,  's  ochtends  vroeg,  ging  GinckeVs  leger  de 
Suk  over:  het  voetvolk  en  het  geschut  over  de  steenen  brug 
van  Ballinaslo;  de  ruiterij  door  twee  waadbare  plaatsen,  boven 
en  beneden  die  stad.  Die  overtocht  geschiedde  in  stilte,  zonder 
het  roeren  van  trom  of  trompet ;  om  tien  uur  's  ochtends  stond 
het  geheele  leger  in  slagorde  op  den  rechteroever  van  de  Suk. 
De  bagage  bleef  te  Ballinaslo,  onder  bewaring  van  een  regiment 
dat  tot  de  bezetting  van  Athlone  behoorde. 

Ginckel  zond  toen  3  eskadrons  ruiters  met  een  aantal  uitge- 
weken Fransche  officieren  vooruit,  bij  wijze  van  voorhoede,  om 
de  voorposten  der  Ieren,  die  nog  vóór  de  moerassen  stonden, 
op  de  hoofdstelling  terug  te  werpen,  en  daardoor  die  stelling  te 


Digitized  by 


Google 


88  KRTJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

verkennen.  Dit  geschiedde;  de  lersche  voorposten  gingen  terug^ 
deels  ook  daartoe  gedwongen  door  het  geschut  vuur  van  hunne 
vijanden.  Ginckel  nam  daarop  zijne  beschikkingen  tot  den  aan- 
val; en  zijn  leger^  vooruitgaande,  kwam  omstreeks  drie  uur  in 
den  namiddag  onder  het  bereik  van  's  vijands  artillerie.  De 
eigenlijke  strijd  tusschen  de  beide  legers,  de  strijd  van  nabij, 
begon  echter  eerst  om  zes  uur  's  namiddags,  en  was  twee  uur 
later  reeds  beslist:  reeds  om  acht  uur  begonnen  de  Ieren  terug 
te  gaan;  om  negen  uur  hadden  zij  het  slagveld  verlaten. 

Die  strijd,  hoe  kort  ook,  was  bloedig  geweest  en,  aanvankelijk, 
zeer  onzeker.  Zoowel  de  rechter-  als  de  linkervleugel  van  de 
Ieren  werden  gelijktijdig  door  Ginckel  aangevallen;  —  van  een 
aanval  op  het  centrum,  over  den  weg  van  Galway,  wordt  niet 
gewaagd;  denkelijk  vormde  die  weg,  in  de  lengte  bestreken  door 
het  geschut  van  den  verdediger,  een  moeilijk  te  nemen  défilé. 

Voor  hun  rechtervleugel  hadden  de  Ieren  een  boschje  bezet, 
met  een  daarbij  liggend  kasteel;  Ginckel  liet  twee  afdeelingen 
dragonders  eene  omtrekking  van  dat  boschje  verrichten,  dat 
toen  ontruimd  werd  door  de  Ieren,  die  vreesden  afgesneden  te 
worden  van  de  hoofdstelling.  De  dragonders,  onder  Eppinger, 
vervolgden  de  Ieren,  en  werden  daarbij  ondersteund  door  6 
eskadrons  ruiters;  uit  de  hoofdstelling  der  Ieren  rukte  nu  ook 
ruiterij  op,  en  deze  viel  aan  op  die  van  Ginckel;  aan  weerszijden 
kwamen  gedurig  nieuwe  troepen  aan  den  strijd  deelnemen;  ook 
voetvolk  van  Ginckel's  leger,  eerst  de  brigade  Tettau,  daarna 
de  brigade  van  den  Prins  van  Hessen.  De  strijd  schijnt  hier 
hevig  te  zijn  geweest,  en  geruimen  tijd  onbeslist;  de  dapperheid 
der  troepen  van  Ginckel,  vooral  van  de  Hollandsche  regimenten, 
deed  de  zege  aan  hunne  zijde  overslaan.  Bovenal  onderscheidde 
zich  Bentinck's  regiment  garde-ruiterij,  hier  door  Hompesch 
aangevoerd;  volgens  de  getuigenis  van  Ginckel  zelf  (brief  van 
den  23steQ  Juli  1691),  is  dit  regiment  >genoegsaam  het  behoud 
van  de  linkervleugel  geweest."  De  Ieren,  op  hunne  hoofdstelling 
teruggeworpen,  werden  daar  toen  aangevallen  door  Ginckel's 
linkervleugel,  die  tevens  het  moeras  oostelijk  van  den  weg  van 
Galway  begon  door  te  trekken.  Langen  tijd  was  de  tegenstand 
hevig;  Holtzapfel,  een  van  de  generaals  van  de  Republiek,  sneu- 
velde hier. 

Bij  Ginckel's  rechtervleugel  had  men  evenzeer  met  groote  be- 
zwaren te  worstelen.  Volgens  Bosscha  heeft  zich  hier  bijzonder 
onderscheiden  Ruvigni  —  de  latere  Markies  van  Galway  —  de 
bevelhebber  van  een  ruiterregiment  geheel  bestaande  uit  Fransche 
réfugiés;  die  onverschrokken  ruiterij  trok  het  moeras  door,  wes- 
telijk van  den  weg  naar  Galway,  over  een  pad  waarop  zich 
slechts  twee  ruiters  in  front  konden  bewegen;  men  kon  dus  niet 
anders  dan  langzaam  voortkomen,  en  aldoor  onder  het  moor- 


Digitized  by 


Google 


IERLAND.  89 

dende  vuur  van  den  vijand.  Op  een  ander  punt  werd  het  moeras 
doorgetrokken  door  3  bataljons  voetvolk^  onder  den  Ëngelschen 
kolonel  Herbert^  een  broeder  van  den  man  van  Beachy-Head;  — 
de  kolonel  heeft  beter  zijn  plicht  gedaan  dan  de  vlootvoogd. 
Het  gelukte  aan  die  infanterie  om^  aan  de  andere  zijde  van 
het  moeras,  een  droge  plek  gronds  te  bereiken  en  zich  daar  in 
slagorde  te  scharen ;  maar  bij  het  vooruitrukken  werden  die  batal- 
jons met  de  uiterste  woede  door  de  Ieren  aangevallen  en  terug- 
geworpen; Herbert  zelf  en  velen  der  zijnen  vielen  daarbij  in 
's  vijands  handen ;  die  bataljons  schenen  eene  geheele  vernieling 
te  gemoet  te  gaan,  toen  van  lieverlede  de  kansen  veranderden: 
nieuwe  infanterie,  het  moeras  doortrekkende,  sloot  zich  aan  bij 
de  bataljons  van  Herbert;  Ruvigni,  met  zijn  ruiters,  viel  den 
vijand  aan;  het  sneuvelen  van  Saint- Ruth  bracht  wanorde  teweeg 
bij  zijn  leger;  en  toen  dat  leger  ontdekte,  dat  het  eindelijk  aan 
Ginckel's  linkervleugel  was  gelukt,  de  daar  aanwezige  verschan- 
singen te  nemen  en  de  verdedigers  geheel  uiteen  te  drijven,  — 
toen  gaf  het  de  hoop  op  de  overwinning  geheel  op  en  staakte 
den  strijd.  De  Ieren,  die  volgens  alle  opgaven  tot  acht  uur 
's  avonds  met  eene  uitstekende  dapperheid  hadden  gevochten, 
sloegen  toen  over  tot  een  wilde  vlucht,  wapens  en  geweer  weg- 
werpende, en  op  den  voet  vervolgd  door  de  ruiterij  van  den 
overwinnaar. 

Nog  vóór  die  vlucht  had  er  eene  schandelijke  daad  van 
wreedheid  plaats:  Herbert,  en  veel  andere  Engelsche  gevangenen 
werden  door  de  Ieren  vermoord:  —  vermoord,  wij  kennen 
geen  ander  woord  voor  het  dooden  van  een  weerloos  krijgsge- 
vangene. Geen  wonder  dus,  dat  toen  de  overwinnende  Ëngelschen 
van  dien  gruwel  hoorden,  ook  zij,  in  de  hevigste  woede  ont- 
vlamd, in  de  eerste  oogenblikken  geen  overwonnen  vijand  spaarden ; 
men  vindt  vermeld,  dat  een  geheel  lersch  regiment  dat  de  ge- 
weren had  neergelegd  en  om  lijfsbehoud  smeekte,  zonder  eenige 
genade  over  de  kling  werd  gejaagd. 

Maar  de  invallende  nacht,  en  de  nabijheid  van  moerassen, 
redde  menig  lersch  vluchteling  het  leven;  toch  waren  er  dien 
dag  meer  dan  5000  Ieren  gedood;  het  getal  krijgsgevangenen 
was  minder;  maar  geschut,  vaandels,  legertros,  alles  was  in 
handen  van  den  overwinnaar  gevallen;  en  die  slag  bij  Agrim 
was  de  ontbinding  van  het  leger  der  Jakobieten*.  12  II  1400  man 
aan  dooden  en  gewonden  was  het  verlies  van  den  overwinnaar. 

Saint-Ruth  was  door  een  kanonskogel  gedood,  —  een  dood 
als  die  van  Turenne.  Met  dezen  laatsten  had  hij  echter  alleen 
de  dapperheid  gemeen;  wat  de  bekwaamheid  aangaat  was  hij 
het  tegenbeeld  van  den  grooten  veldheer.  Maar  de  roemvolle 
dood  van  Saint-Ruth  dwingt  ons  een  sluier  te  werpen  over  zijne 


Digitized  by  VjOOQIC 


90  KRUOS-   EN  GESCHIEDfCUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

misslagen  en  tekortkomingen;  en  er  is  waarheid  in  wat  de 
Europische  Mercurius  zegt  over  Saint-Ruth  en  zijn  dood:  >hij 
was  een  rooeyelijk  en  heerszuchtig  man,  die  de  geenen  welke 
onder  hem  stonden,  vrij  wat  ringeloorde.  Toen  hij  noch  maar 
het  ampt  van  Colonel  bekleedde,  waren  verscheidene  Capiteineo 
en  andere  officieren  genoodzaakt  zijn  regiment  te  verlaaten^ 
om  dat  ze  niet  met  hem  over  weg  konden.  Maar  de  dood  heeft 
alle  zijn  gebreken  uitgewischt;  en  zijnde  het  niet  van  onze 
matei  ie  alle  dingen  ten  naauwsten  te  ziften,  zullen  wij  hem  in 
vrede  laaten  rusten." 

Eppinger,  met  een  500  ruiters  en  dragonders  dadelijk  na  de 
behaalde  overwinning  vooruitgezonden,  maakte  zich  meester  van 
een  aanzienlijken  voorraad  munitie  en  leeftocht,  te  Portumny 
bijeengebracht,  een  dagmarsch  ten  zuiden  van  Agrim,  juist  daar 
waar  de  Shannon  zich  werpt  in  het  meer  Louchderg.  Na  enkele 
dagen  rust  verliet  Ginckel's  leger  Agrim,  en  kwam  den  29steD 
Juli  voor  Galway,  de  zeehaven  waar  de  vaartuigen  met  onder- 
stand uit  Frankrijk  gewoon  waren  binnen  te  loopen.  In  Galway 
was  een  lersche  bezetting  van  een  3000  man,  waarvan  evenwel 
niet  meer  dan  een  600  gewapend  waren;  toch  sloegen  de  bevel- 
hebbers —  de  Ier  Dillon,  en  de  Franschman  d*Usson  —  aan- 
vankelijk de  opeisching  tot  overgave  af:  zij  hoopten  nog  onder- 
steund te  worden  door  een  lersche  afdeeling  onder  een  O'Donnel, 
die  Galway  naderde  aan  de  westzijde  van  een  rivier  die  zich 
daar  in  zee  werpt.  Maar  Ginckel  deed,  nog  in  den  nacht  van 
den  29stea  Juli,  6  regimenten  voetvolk  en  4  eskadrons  ruiters  en 
dragonders  in  blikken  pontons  de  rivier  overzetten,  en  Galway 
dus  ook  aan  de  westzijde  insluiten ;  0'Donnel,  geen  kans  ziende 
om  zich  binnen  de  stad  te  werpen,  nam  toen  met  zijn  bende 
de  wijk  naar  het  graafschap  Mayo,  het  noordwestelijk  deel  van 
Connaught;  en  de  bevelhebbers  binnen  Galway  traden  daarop, 
den  3osicn  Juli,  in  onderhandeling  met  Ginckel.  Den  400  Augustus 
werd  de  siad  overgegeven,  en  vertrok  de  lersche  bezetting  met 
wapens  en  bagage  en  6  stukken  geschut  naar  Limrick. 

Sligo,  de  zeehaven  in  het  noorden  van  Connaught  en  ook 
een  der  steunpunten  van  de  macht  der  Jakobieten,  werd  pas  den 
25stcii  September  tot  onderwerping  gebracht;  hier  schijnt  ver- 
traging te  hebben  plaats  gehad,  doordien  de  lersche  bevelhebber 
binnen  Siigo  reeds  vroeger  de  overgave  had  toegezegd,  maar 
daarna  die  toezegging  weer  had  ingetrokken.  Ook  hier  verkreeg 
de  bezetting  —  een  600  man  —  vrijen  uittocht. 

Nu  bleef  nog  alleen  over  het  onderwerpen  van  Limrick,  de 
sterke  vesting  waarvoor  Willem  III  het  jaar  te  voren  het  hoofd 
had  gestooten.  Ook  nu,  voor  de  verdediging  van  dit  laatste  bol- 


Digitized  by 


Google 


IERLAND.  91 

werk  der  Jakobieten,  konden  de  Ieren  over  eene  talrijke  macht 
beschikken,  —  over  nagenoeg  20  000  man ;  maar,  was  die  macht 
talrijk,  aan  orde  en  vooral  aan  zelfvertrouwen  liet  zij  te  wenschen 
over:  de  val  der  Siuarts  begon  zich  voor  te  doen  als  iets  onver- 
mijdelijks.  Toch,  hoezeer  reeds  in  het  laatst  van  Augustus  aan- 
gevallen, was  het  eerst  den  1460  October  dat  Limrick  in  bezit 
werd  genomen  door  Ginckel;  ongeveer  zes  weken  had  het  beleg 
van  die  vesting  geduurd. 

Wij  zullen  kort  zijn  over  dat  beleg,  want  wegens  gemis  van 
een  goed  plan  of  eene  duidelijke  beschrijving  van  Limrick's  ves* 
tingwerken  is  het  ons  ondoenlijk  een  oordeel  uit  te  brengen  over 
de  krijgskundige  waarde  van  die  handeling.  —  Ziehier  enkele 
feiten. 

Ginckel,  de  vijandelijke  vesting  op  den  linkeroever  van  de 
Shannon  naderende,  verkende  haar  den  25steD  Augustus,  bij  zich 
hebbende  1500  ruiters  en  dragonders;  de  lersche  ruiterij  ging 
toen  terug  naar  den  rechteroever  van  de  rivier;  maar  8  k  9000 
man  lersch  voetvolk,  op  den  linkeroever  gebleven  in  eene  ver- 
schanste stelling  vlak  buiten  de  vesting,  werden  eerst  den  4cn  Sep- 
tember binnen  Limrick  teruggeworpen. 

Den  5en  September  kwam  het  belegeringsgeschut ;  dien  avond 
werden  de  loopgraven  geopend;  en  den  volgenden  dag  eene 
batterij  opgeworpen  om  de  brug  te  vernielen,  die  de  gemeen- 
schap uitmaakte  tusschen  de  beide  deelen  van  Limrick,  aan 
weerszijden  van  de  rivier.  Gedurig  wordt  er  gewaagd  van  het 
opwerpen  van  batterijen;  —  het  blijkt  echter  niet  of  die  batte- 
rijen alle  gelijktijdig  zijn  bewapend  geweest,  of  de  eene  batterij 
misschien  roet  het  geschut  dat  vroeger  voor  eene  andere  had 
gediend;  ook  niet  waar  die  batterijen  kwamen,  en  wat  zij 
moesten  doen.  Den  900  September  waren  twee  nieuwe  batterijen 
opgeworpen,  de  eene  voor  10  kanonnen  en  de  andere  voor  7 
mortieren;  den  loen  begon  men  aan  een  vierde  batterij;  en  den 
i5cn  September  begon  men  weer  aan  een  nieuwe  batterij,  voor 
23  kanonnen  en  11  mortieren;  —  die  laatste  batterij  schijnt  als 
bresbalterij  dienst  te  hebben  gedaan;  zij  was  den  i6en  Sep- 
tember voltooid,  opende  den  volgenden  dag  haar  vuur,  en  had 
reeds  den  1900  eene  bres  geschoten  »zo  groot,  dat  er  honderd 
man  in  front  door  konden."  Niettegenstaande  die  groote  bres 
werd  er  geen  bestorming  ondernomen:  men  ontwaarde  dat  de 
verdediger  binnen  verschansingen  had  gemaakt;  en  misschien  was 
ook  nog  de  indruk  levendig  van  de  mislukte  bestorming  van 
het  vorige  jaar. 

Er  wordt  bij  dit  beleg  ook  gewaagd  van  eene  circumvallalie- 
linie,  wat,  bij  de  vijandige  gezindheid  van  de  lersche  bevolking, 
geen  overtollige  zaak  zal  zijn  geweest.  Ook  werden  gedurende 
dit  beleg  kleine   afdeelingen   afgezonden  tot  vermeestering  van 


Digitized  by 


Google 


92        '         KRIJGS-   EN    GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

vijandelijke  forten  of  kasteelen  in  de  nabijheid :  zoo  maakte  de 
generaal  Van  der  Duyn  van  's  Gravemoer  zich  roeester  van 
enkele  sterkten  beneden  Limrick;  zoo  bemachtigde  een  prins 
van  Hessen-Darmstad  het  sterke  kasteel  Connell,  aan  de  Shan- 
non,  een  uur  boven  de  vesting.  Een  smaldeel  Engelsche  oorlogs- 
schepen hield  den  mond  van  de  Shannon  bezet^  en  sloot  dus 
voor  Limrick  de  gemeenschap  over  zee  af;  —  maar  vreemd  is 
het,  dat  terwijl  men  op  den  linkeroever  van  de  Shannon  de  stad 
belegerde  en  beschoot^  men  den  rechteroever  langen  tijd  onbezet 
liet,  en  dat  het  beleg  reeds  een  maand  had  geduurd  eer  men, 
ook  daar,  de  insluiting  verrichtte. 

Eindelijk  begon  Ginckel  in  te  zien,  dat  de  val  van  Limrick 
vooral  bewerkt  zou  worden  door  een  geheele  insluiting.  In  den 
nacht  van  den  25steo  September  wordt  boven  de  vesting  een 
schipbrug  geslagen  over  de  Shannon;  zonder  dat  dit,  naar  het 
schijnt,  werd  bespeurd  of  verhinderd  door  de  lersche  ruiterij, 
die  gelegerd  was  nabij  Killalow,  op  den  rechteroever  van  de 
Shannon,  een  paar  uur  boven  Limrick.  Den  26sten,  met  het 
krieken  van  den  dag,  gaat  eene  sterke  afdeeling  ruiterij  met 
eenig  voetvolk,  de  rivier  over;  vier  regimenten  lersche  dragon- 
ders, die  hun  paarden  nog  in  de  wei  hebben,  gaan,  door  Clif- 
ford  aangevoerd,  den  Engelschen  te  gemoet,  maar  worden  terug- 
geslagen; ook  de  nog  bij  Killalow  staande  macht,  onder  Bars- 
field,  neemt  de  wijk  en  trekt  terug  in  noordelijke  richting,  naar 
het  graafschap  Clare.  Limrick  wordt  nu  ook  op  den  rechteroever 
van  de  Shannon  ingesloten. 

Ginckel,  die  den  vijand  buiten  de  vesting  geheel  onschadelijk 
wil  maken,  zendt  eene  sterke  afdeeling  naar  Clare  om  daar  de 
Ieren  op  te  zoeken,  wier  sterkte  nog  op  een  4000  ruiters  en 
dragonders  wordt  begroot.  Sarsfield,  bericht  krijgende  van  die 
detacheering,  wil  nu  eene  poging  doen  om  door  de  zwakker 
bezette  insluitingslinie  te  breken,  en  rich  binnen  Liiprick  te 
werpen;  —  die  poging  mislukt,  ten  minste  grootendeels:  op 
slechts  een  half  uur  afstands  van  Limrick  wordt  Sarsfield  door 
troepen  van  Ginckel  ingehaald  en  geheel  geslagen;  alleen  aan 
Sarsfield  en  een  klein  aantal  der  zijnen  gelukte  het  binnen  Lim- 
rick te  komen;  maar  daar  sloeg  hunne  nederlaag  de  gemoederen 
zoo  ter  neer,  dat  men  spoedig  daarop  de  onderhandelingen  tot 
overgave  begon.  Dat  die  onderhandelingen  zoo  lang  duurden  en 
de  vesting  eerst  den  1400  October  werd  overgegeven,  is  grooten- 
deels daaraan  toe  te  schrijven,  dat  Ginckel  in  de  capitulatie  niet 
enkel  de  vesting  Limrick  wilde  begrijpen,  maar  ook  alle  punten 
waar  nog  gewapende  Jakobieten  waren;  hij  slaagde  hierin,  en 
zoo  werd  Ierland  geheel  onderworpen. 

Graaf  van  Athlone  en  Baron  van  Agrim,  waren  de  eeretitels 
waarmede  Ginckel  werd  beloond;  en  ten  volle  verdiend  was  die 


Digitized  by 


Google 


MONS.  93 

belooning;  hij  bekleedt  eene  eerste  plaats  onder  de  uitstekende 
aanvoerders,  in  de  school  van  Willem  UI  gevormd. 

Nog  vóór  het  beleg  van  Limrick  was  Tyrconnell  gestorven; 
hartzeer  over  het  te  niet  gaan  van  zijne  zaak  rukte  dien  trouwen 
dienaar  der  Stuarts  weg.  Ook  anderen  bleven  hun  trouw;  want 
van  de  14000  man  die  bij  de  overgave  nog  binnen  Limrick 
waren,  bleef  wel  is  waar  het  grootste  deel  in  Ierland,  maar 
eenige  duizenden  van  hen  maakten  toch  gebruik  van  de  capitu- 
latie om  zich  in  te  schepen  en  voor  altijd  hun  vaderland  te  ver- 
laten. Bannelingen  in  den  vreemde,  ter  wille  van  vorsten  die  dit 
zoo  onwaardig  waren !  Bij  de  legers  van  Lodewijk  XIV  vormden 
die  uitgeweken  Ieren  afzonderlijke  bataljons,  die  zich  vaak  schit- 
terend  hebben  onderscheiden;  en  de  namen  der  Dillon's,  der 
Lally's,  der  Sarsfield's  en  der  O'Donnel's  komen  voortaan  voor 
in  de  krijgsgeschiedenis  van  Frankrijk  en  van  Spanje. 


Geheel  in  het  begin  van  1691  —  het  laatst  van  Januari  — 
had  Willem  III  Engeland  verlaten,  om  de  Republiek  weer  te 
zien,  waaraan  hij  door  neiging  zoo  sterk  was  verbonden,  al  is 
het  dat  hij,  uit  staatkunde,  vaak  hare  belangen  heeft  opgeofferd 
aan  de  algemeene  belangen  van  Europa.  Het  was  toen  dat  hij, 
bij  winterdag,  door  nevel  en  ijsschotsen  heen,  in  een  ranke  boot 
de  Hollandsche  kust  bereikte,  en  de  grootste  gevaren  braveerde 
met  een  moed,  die  misschien  te  uitbundig  is  geprezen  geworden. 
Voor  de  overdrijving  van  dien  lof  is  te  minder  reden,  omdat 
de  onversaagdheid  van  den  Oranjevorst  iets  onbetwistbaars  is, 
iets  dat  niemand  ontkent,  waaraan  niemand  twijfelt;  dat  Wil- 
lem III  een  held  is  geweest,  dat  staat  vast;  kan  men  hem  te 
dien  aanzien  één  verwijt  doen,  dan  is  het  dat  hij  den  moed 
overdreef  en  dien  soms  deed  ontaarden  in  roekeloosheid.  Zoo, 
onder  andere,  schrijft  nog  in  dit  jaar  1691  —  12  September  — 
Obdam  aan  den  raadpensionaris  Heinsius:  >]a  chose  qui  m'a  Ie 
plus  inquietté  pendant  toute  cette  campagne,  c'est  d'avoir  veu  Ie 
Roy  s'exposer  comme  il  a  fait  et  Ie  plus  souvent  sans  nécessité, 
sur  quoy  il  est  si  incorrigible  que  personne  ne  luy  en  ose  parier 
de  peur  qu'il  n'en  fasse  encore  pis."  (Archief  van  Heinsius, 
2'  deel,  blz.  44). 

In  de  laatste  maanden  van  1688  had  het  Hollandsche  volk 
den  Stadhouder  zien  vertrekken,  tot  het  beginnen  van  zijn 
grootsche,  maar  ook  hachelijke  onderneming;  die  onderneming 
kon  zijne  grootheid  ten  gevolge  hebben,  maar  ook  zijn  geheelen 
ondergang;  zij  kon  de  staatkundige  en  godsdienstige  vrijheid 
van  Europa  verzekeren,  maar  ook,  mislukkende,  dat  werelddeel 
doemen  om  slaafs  te  bukken  onder  de  dwingelandij  der  vorsten 


Digitized  by  VjOOQIC 


y 


94  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

en  de  heerschappij  der  priesters.  De  onderneming  was  gelukt, 
volkomen  gelukt;  na  eene  afwezigheid  van  meer  dan  twee  jaren 
kwam  Willem  III  als  glorievol  overwinnaar  in  Den  Haag  terug, 
dat  zijn  intocht  op  luisterrijke  wijze  vierde.  Tal  van  vorsten  en 
grooten  snelden  naar  Holland,  om  hem  te  begroeten  en  te  hul- 
digen; want  hij  was  nu  een  machtig  gebieder^  de  Agamemnon, 
de  oppervorst  in  het  legerkamp  der  bondgenooten,  bestrijders 
van  Frankrijk. 

Willem  III  was  te  scherp  van  blik  en  te  koel  van  karakter 
om  zich  te  laten  bedwelmen  door  al  den  lof,  al  de  hulde,  die 
men  hem  toebracht,  door  al  den  wierook  dien  de  vleierij  voor 
hem  brandde ;  hij  wist  hoe  ijdel,  hoe  voorbijgaand  dit  was.  Toen 
hij,  pas  op  den  Britschen  troon  verheven,  nog  met  het  uitbun- 
digste vreugdegejuich  door  het  Engelsche  volk  werd  begroet, 
zeide  hij  reeds:  tnu  is  het  nog,  hosanna!  hosanna!  Spoedig 
zal  het  zijn,  kruist  hem!  kruist  hem!"  De  groote  Stad- 
houder had  in  dat  opzicht  overeenkomst  met  zijn  voorganger 
Cromwell,  wiens  verstand  hem  het  wufte  deed  inzien  van  de 
volksgunst:  bg  eene  openbare  plechtigheid  werd  Cromwell  ge- 
wezen op  de  overgroote  volksmenigte  die  zijn  zegetocht  toe- 
juichte; zijn  antwoord  was:  tgrooter  nog  zou  de  volksroenigte 
zijn,  om  mij  te  zien  ophangen." 

Ook  deed  zich,  te  midden  van  de  feesten  en  plechtigheden  in 
Den  Haag  en  op  het  Loo,  plotseling  een  mare  hooren,  die  als 
een  schrille  wanklank  de  algemeene  vreugde  verstoorde:  Mons, 
de  sterke  hoofdstad  van  Henegouwen,  de  belangrijke  vesting 
voor  wier  behoud  in  1678  de  slag  van  Saint-Denis  werd  geleverd, 
was  door  de  legers  van  Lodewijk  XIV  berend  en  aangevallen. 
Het  was  dus  tijd,  misschien  meer  dan  tijd,  om  de  hofzaal  te 
verwisselen  met  de  legertent. 

Inderdaad  was  Mons  den  1500  Maart  door  de  Franschen  be- 
rend; en  na  eene  korte  belegering  gaf  het  zich,  den  loen  April, 
aan  hen  over.  Dit  beleg  van  Mons  van  1691  wordt  van  Hol- 
landsche  zijde  eenigszins  anders  voorgesteld  dan  door  Rousset; 
en  daarom  willen  wij,  alvorens  over  te  nemen  wat  door  den 
Franschen  schrijver  over  deze  krijgsgebeurtenis  wordt  gezegd,  kor- 
telijk  laten  voorafgaan  wat  bij  onze  schrijvers  daarover  voorkomt. 

Volgens  de  Europische  Mercurius  was  Mons  een  zeer  goed 
versterkte  vesting;  wel  had  zij,  tusschen  de  poorten  van  Brussel 
en  van  Ath,  niets  anders  dan  een  eenvoudige  muur;  maar  4ït 
deed  niets  ter  zake  omdat  zij  aan  die  zijde  ongenaakbaar  was 
door  de  aanwezigheid  van  een  groot  moeras,  létang  des  prêtres 
en  rétang  des  apótres.  Bevelhebber  was  een  prins  De  Berghes, — 
denkelijk  een  Brabandsch  edelman.  De  bezetting  was  een  6000 
man  sterk,  —  op  ééne  plaats  wordt  zelfs  gesproken  van  7000; 


Digitized  by 


Google 


MONS.  95 

zij  bestond,  voor  een  deel^  uit  troepen  van  de  Republiek;  onder 
andere  was  daar  het  regiment  van  Fagel,  den  bevelhebber  die 
zich  later,  in  den  Spaanschen  successie-oorlog,  een  goeden  mili- 
tairen naam  heeft  gemaakt.  Bovendien  was  er  in  Mons  >een 
talrijke  burgerij,  wel  geoeffend  in  de  wapenen,  doch  daar  men 
veel  grooter  hoop  op  had  gesteld,  als  het  naderhand  kwam  uit 
te  vallen." 

Hoofdzakelijk  aan  die  burgerij  wordt  het  kortstondige  van  de 
verdediging  van  Mons  geweten.  Gedachtig  aan  de  manhaftigheid 
van  vroegere  tijden,  verwachtte  men  ook  nu  veel  van  die  bur- 
gerij; »maar"  —  zegt  de  Europische  Mercurius  —  »'t  was  er 
wel  anders  gelegen;  en  d'  uitkomst  toonde  dat  de  dapperheid 
der  voorouders,  zo  menigmaal  te  vergeefs  door  de  Fransche 
wapenen  aangetast,  in  lafhertigheid  (om  niet  arger  te  zeggen) 
veranderd  was."  Die  slechte  geest  der  burgerij  van  Mons  schijnt 
het  gevolg  te  zijn  geweest  van  den  invloed  der  Katholieke  gees- 
telijkheid aldaar,  die  ijverig  kuipte  in  het  belang  van  Lodewijk  XIV : 
die  geestelijkheid  verlangde  natuurlijk  niets  liever,  dan  de  ket- 
tersche  soldaten  binnen  Mons  te  vervangen  door  de  soldaten  van 
den  koning,  die,  door  de  vervolging  van  de  Hugenooten,  be- 
wezen had  met  welk  een  blinde  gehechtheid  hij  aan  de  Roomsche 
kerkleer  was  verbonden. 

Maar  kon  dan  die  burgerij  van  Mons  niet  in  bedwang  worden 
gehouden  door  de  bezetting?  —  Het  schijnt  van  niet.  Er  wordt 
gezegd,  dat  die  burgerij  zich  zoozeer  deed  gelden,  dat  zij  geen 
sterkere  macht  dan  6000  man  als  bezetting  wilde  opnemen ;  ook, 
tdat  de  burgers  meesters  waren  van  de  wallen,  poorten  en  sleu- 
tels"; —  het  is  Fagel  zelf  die  dit  zegt,  in  zijn  verslag  van 
20  April  aan  de  Staten,  over  het  gebeurde  te  Mons;  en  die 
woorden  van  Fagel  laten  geen  twijfel  over,  hoe  vreemd  zulk 
een  toestand  ons  ook  voorkome  in  een  belegerde  stad.  Niet  ge- 
waagd is  de  onderstelling,  dat  die  prins  De  Berghes,  —  hoezeer 
zijne  dapperheid  wordt  geprezen  —  toch  wegens  gemis  aan 
geestkracht,  niet  was  opgewassen  tegen  zijne  taak  als  bevelhebber 
van  een  belegerde  vesting. 

Nóg  wordt  als  een  nadeelige  omstandigheid  voor  de  verdedi- 
ging van  Mons  genoemd,  dat  een  groot  aantal  officieren  van  de 
Hollandsche  en  Brandenburgsche  regimenten,  op  het  oogenblik 
van  de  insluiting  der  vesting,  in  Den  Haag  waren  om  hunne 
opwachting  te  maken  bij  Willem  III;  ook  hier  werkten  hofcere- 
monies  nadeelig  op  het  oorlogsbelang.  Aan  enkele  van  die  offi- 
cieren gelukte  het  no^  om,  toen  Mons  reeds  was  ingesloten,, 
door  de  Fransche  liniën  heen,  binnen  de  vesting  te  komen. 
Onder  die  officieren  wordt  Sparre  genoemd,  die  later,  tijdens 
den  Spaanschen  successie-oorlog,  zich  als  krijgsbevelhebber  heeft 
onderscheiden. 


Digitized  by 


Google 


96  KRIJGS-   EN  GESCH!EDÏCUND!G»  BESCHOUWINGEN. 

VolgeDs  de  opgaven  van  Fagel  zijn  de  Franschen  den  21  sten  Maart 
aan  hunne  nadernissen  begonnen,  tusschen  de  dorpen  Quesmes 
en  Huon,  aan  de  zuidoostzijde  van  Mons.  Aan  die  zijde  had 
men  buiten  de  vesting  een  molen,  die  door  de  belegerden  eenigs- 
zins  versterkt  was,  en  bezet  met  eene  afdeeling  van  een  100 
man;  groote  sterkte  had  die  molen  wel  niet,  maar  voor  het 
malen  van  het  koren  wilde  men  haar  gaarne  zoo  lang  mogelijk 
behouden;  —  die  molen  werd  den  25sten,  's  avonds,  na  door 
de  Fransche  artillerie  genoegzaam  te  zijn  geteisterd,  stormender- 
hand genomen;  de  bezetting  trok  op  Mons  terug. 

Den  26sten  Maart  begon  het  Fransche  geschutvuur  tegen  de 
vesting;  aanvankelijk  maar  uit  4  batterijen:  eene  van  20  kanon- 
nen; twee  andere,  ieder  van  6;  en  eene  batterij  van  10  mor- 
tieren ;  —  later  werden  die  batterijen  zeer  vermeerderd,  en  vooral 
werd  er  veel  gebruik  gemaakt  van  worpgeschut  en  van  gloeiende 
kogels  om  brand  te  doen  ontstaan. 

De  nadernissen  van  den  belegeraar  W&ren  hoofdzakelijk  ge- 
richt tegen  het  daar  aanwezige  hoornwerk  van  Bertaimont,  met 
een  daartoe  behoorend  klein  ravelijn;  de  rechterzijde  van  het 
hoornwerk  en  van  het  ravelijn  waren  bezet  door  Spaansche 
troepen,  de  linkerzijde  beurtelings  door  Hollandsche  en  Bran- 
denburgsche.  Den  3osien  Maart  werd  het  ravelijn  door  de  Fran- 
schen genomen,  maar  dadelijk  hernomen,  door  eene  kleine  afdee- 
ling van  Fagel's  regiment.  Den  isten  April  werd  het  hoornwerk 
bestorind ;  aan  de  rechterzijde  drong  de  vijand  het  werk  binnen, 
maar  deze  werd  er  dadelijk  weer  uitgeworpen  door  eene  afdee- 
ling van  een  100  man,  die  Fagel  afzond  tot  versterking  van  de 
bezetting;  aan  de  zijde  van  de  Franschen  moet  toen  het  verlies 
nog  al  groot  zijn  geweest;  ten  minste  vroegen  en  verkregen  zij 
een  uur  wapenstilstand  om  hunne  dooden  te  begraven. 

Den  2en  April  werd  de  storm  op  het  hoornwerk  hervat,  e» 
ditmaal  met  gunstiger  uitkomst  voor  den  aanvaller:  het  werk 
werd  genomen;  en  eene  poging  van  de  Brandenburgers  om  het 
te  hernemen,  mislukte.  In  de  vesting  werd  toen  in  een  krijgsraad 
de  vraag  behandeld,  of  het  raadzaam  was  een  grooten  uitval  te 
doen  om  het  verloren  hoornwerk  te  hernemen;  men  oordeelde 
dit  echter  onraadzaam;  —  het  advies  van  een  krijgsraad  is  zel- 
den een  stout  advies;  —  hier  voerde  men  aan,  als  grond  voor 
dit  voorzichtig  besluit,  dat  de  bezetting  toen  niet  meer  dan  een 
3400  weerbare  mannen  telde ;  —  dat  cijfer  klinkt  wel  wat  vreemd^ 
vooral  als  men  vermeld  vindt  dat  de  bezetting,  toen  zij  den 
loen  April  Mons  verliet,  sterk  was  280  officieren  en  4500  soldaten. 

Reeds  den  2eD  April  begon  de  stedelijke  regeering  van  Mons 
ongerustheid  te  betoonen  over  het  lot  dat  de  stad  bedreigde; 
zij  liet  zich  toen  echter  nog  geruststellen.  Maar  klaarblijkelijk 
door  de  aanhitsing  van  kwaadwilligen  nam  die  ongerustheid  ge- 


Digitized  by 


Google 


MONS.  97 

durig  toe;  dag  aan  dag  kwam  die  regeering  vertoogen  indienen 
bij  den  prins  De  Berghes  om  toch  maar  te  capituleeren,  daar  de 
halve  stad  verwoest  was  door  het  bombardement,  en  de  burgerij 
het  ergste  had  te  duchten,  indien  de  stad  stormenderhand  werd 
ingenomen.  De  Berghes  schijnt  niet  krachtig  genoeg  te  zijn  ge- 
weest om  voor  goed  een  einde  te  maken  aan  die  vertoogen; 
maar  lang  bleef  hij  daaraan  weerstand  bieden,  en  met  recht: 
slechts  een  enkel  buitenwerk  van  Mons  was  gevallen;  de  hoofd- 
wal  was  nog  geheel  ongedeerd ;  en  er  was  nog  geen  sprake  van 
een  bestorming  der  stad.  Maar  den  Sstea  April  kwam  de  burgerij 
van  Mons  in  volslagen  opstand,  en  dreigde  de  poorten  der  stad 
voor  den  vijand  te  openen,  voor  zich  zelve  met  dien  vijand  te 
verdragen,  en  de  bezetting  prijs  te  geven.  Men  had  de  zwakheid 
van  voor  die  bedreiging  te  zwichten,  en  onderhandelaars  te 
zenden  naar  het  Fransche  leger;  de  capitulatie  werd  gesloten, 
en  den  loen  Mons  aan  den  vijand  overgegeven,  terwijl  de 
bezetting,  gewapend,  een  vrijen  uittocht  verwierf.  Die  bezet- 
ting had  bij  dit  beleg  een  900  man  verloren  aan  dooden  en 
gewonden. 

Volgens  de  opgave  van  Fagel  zou  de  Dauphijn  —  de  zoon 
van  Lodewijk  XIV  —  bij  den  uittocht  van  de  bezetting  hebben 
gezegd,  >dat  nooit  een  stad  zo  furieus  geattaqueert  was  geweest 
als  Bergen"  (Mons);  —  eene  uiting,  die  meer  getuigt  van  de 
Fransche  beleefdheid  dan  van  oprechte  waarheidsliefde.  Rousset 
daarentegen  spreekt  niet  gunstig  over  die  verdediging  van  Mons ;  — 
en  wij  gelooven  dat  hij  hierin  gelijk  heeft. 

Den  lóen  Maart  naar  het  Loo  vertrokken  zijnde,  had  Willem  III 
daar  spoedig  de  tijding  ontvangen,  dat  Mons  aangevallen  werd; 
in  den  avond  van  den  21  sten  was  hij  daarop  in  Den  Haag  terug. 
Aanstonds  werden  toen  alle  maatregelen  genomen  om  een  leger 
samen  te  trekken,  en  daarmee  Mons  te  hulp  te  komen :  aan  den 
keurvorst  van  Brandenburg  en  aan  andere  Duitsche  vorsten  werd 
de  uitnoodiging  gedaan  om  zoo  spoedig  mogelijk  hunne  troepen 
te  doen  oprukken  naar  de  Nederlanden;  men  wist  echter  bij 
ondervinding  dat  er  op  dien  spoed  volstrekt  niet  viel  te  rekenen, 
en  dat  men  dus  moest  beginnen  met  alleen  op  eigen  krachten 
te  bouwen.  Uit  Maastricht,  en  uit  andere  vestingen  die  geen 
dadelijk  gevaar  liepen,  deed  m^n  een  deel  der  bezetting  te  velde 
trekken;  de  Hollandsche  garde  te  voet  verliet  den  24sten  Maart 
Den  Haag,  en  trok  naar  de  Spaansche  Nederlanden;  den  3 5 sten 
werd  zij  gevolgd  door  de  garde  te  paard,  den  26sten  door  den 
Stadhouder  zelf.  Die  geheele  macht  werd  samengetrokken  te 
Halle,  tusschen  Brussel  en  Mons;  daar  kwam  ook  de  generaal 
Mackay,  met  4000  Engelschen. 

Willem  III  wilde  met  het  te  Halle  vereenigde  leger  oprukken^ 


WILLEM  III.   —   III. 


Digitized  by 


Google 


98  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

om  den  vijand,  die  Mons  belegerde,  slag  te  leveren.  Verschillende 
zijner  onderbevelhebbers  —  Waldeck,  Solras  en  Bentinck  — 
brachten  vertoogen  in  tegen  dat  besluit,  dat  zij  als  roekeloos 
beschouwden;  vooral  wezen  zij  op  de  groote  moeielijkheid  om 
bij  dien  opmarsch  het  leger  te  voorzien  van  brood  en  van  paar- 
devoer,  daar  het  nu  bleek,  dat  terwijl  de  Spanjaarden  beloofd 
hadden  4000  wagens  te  zullen  verzamelen  om  voor  het  leger 
leeftocht  en  fourage  te  vervoeren,  zij  inderdaad  er  slechts  500 
bijeengebracht  hadden.  De  ongeduldige  en  voortvarende  vorst 
liet  zich  echter  door  die  vertoogen  niet  weerhouden:  de  aan- 
wezige wagens  moesten  dan  maar  gebruikt  worden  voor  de  fou- 
rage; het  brood  moest  later  worden  aangevoerd;  —  ook  Wil- 
lem III  schijnt  hier  de  meening  te  zijn  toegedaan  geweest,  dat 
de  mensch  wel  eens  honger  kan  lijden,  maar  de  paarden  niet; 
yjles  chevaux  ne  se  nourissent  pas  d'*  enthousiasmi\  zeide  een  generaal 
uit  Napoleon's  tijd. 

Alles  was  gereed  voor  den  marsch  naar  Mons,  toen  men  op 
den  960  April  bericht  kreeg,  dat  die  vesting  capituleerde;  men 
gaf  toen  de  onderneming  op,  tot  groote  spijt  van  Willem  III, 
maar  denkelijk  niet  van  zijne  onderbevelhebbers;  —  in  een  brief 
van  Dijkvelt  van  den  8sten  April,  uit  Brussel,  komt  ten  minste 
voor,  —  na  vermeld  te  hebben,  dat  de  Stadhouder  in  weerwil 
van  de  tegenwerpingen  van  Waldeck,  Solms  en  Bentinck  bij  zijn 
besluit  bleef  om  Mons  te  hulp  te  komen,  —  dat  denkelijk  tdie 
Heeren  soo  wel  als  verscheyde  andere  officieren  van  kennisse 
ende  experientie  niet  bedroeft  sijn  in  gevalle  het  overgaen  van 
de  stadt,  de  marche  ende  onderneminge,  dewelcke  misluckende 
van  een  schrickelijck  gevolgh  soude  connen  sijn,  dede  achter- 
blijven..." (Archief  van  Heinsius,  2*  deel,  blz.  32 — 33). 

Toen  Mons  was  gevallen,  rekende  de  Fransche  koning  voor 
het  oogenblik  weer  genoeg  te  hebben  gedaan,  en  ontbond  hij 
zijn  leger;  ook  Willem  III  deed  dit:  het  jaargetijde  was  nog 
niet  ver  genoeg  gevorderd,  om  lang  goed  te  kunnen  voorzien 
in  het  onderhoud  van  een  leger  te  velde.  Brussel,  dat  men  na 
den  val  van  Mons  het  meest  bedreigd  achtte,  kreeg  eene  bezet- 
ting van  9000  man;  en  Halle,  als  het  ware  een  voorpost  van 
Brussel,  werd  in  staat  van  verdediging  gebracht.  Ook  de  bezet- 
tingen van  Ath,  Charleroi  en  Namen  werden  versterkt;  het 
overige  van  het  leger  kwam  in  kwartieren  in  de  steden  van 
Braband  en  van  Vlaanderen;  de  troepen  die  te  Mons  in  bezet- 
ting waren  geweest,  in  het  land  van  Waas.  De  Hollandsche 
garde  keerde  naar  Den  Haag  terug;  ook  Willem  III  vertrok 
derwaarts,  en,  spoedig  daarop,  weer  naar  Engeland. 

Ziedaar  hoe  van  ónze  zijde  die  eerste  krijgsbedrijven  van  den 


Digitized  by 


Google 


MONS.  •  99 

veldtocht  van  1691  in  de  Nederlanden,  worden  voorgesteld;  — 
laten  wij  thans  zien  wat  Rousset  daarvan  zegt. 

De  Fransche  schrijver  noemt  dat  beleg  van  Mons  van  1691, 
»een  tweede  exemplaar  van  het  beleg  van  Gent",  wat  aangaat 
het  onverwachte,  en  het  goede  der  maatregelen  door  Louvois 
genomen. 

>Den  i2eii  Maart  1691  had  Louvois  bevel  gezonden  aan  de 
intendanten  van  Vlaanderen  en  van  Artois  om  in  stilte  900000 
rations  hooi  te  doen  aankoopen,  ieder  van  15  pond;  > onder 
voorwaarde"  —  voegde  hij  er  uitdrukkelijk  bij  —  »dat  dit  hooi 
voorhanden  blijft  bij  hen  die  het  verkoopen,  tot  op  het  oogen- 
blik  dat  men  het  opvraagt;  dit  zal,  op  het  allerlaatst,  tegen  het 
einde  zijn  van  de  maand  April  aanstaande."  Dit  was  bestemd 
voor  het  beleg  van  Mons..."  (Rousset,  4®  deel,  blz.  459.) 

Den  i3en  Maart  1691  vertrekt  Louvois,  uit  Versailles,  naar 
Vlaanderen. 

. . .  »Den  volgenden  dag,  bij  zijn  lever^  verkondigt  Lodewijk  XIV, 
dat  Mons  en  Nizza  gelijktijdig  worden  belegerd.  Louvois  schrijft 
hem,  uit  Valenciennes :  >  omstreeks  drie  uur  ben  ik  hier  aange- 
komen. De  landstreek  was  zwart  van  al  de  oprukkende  korpsen 
voetvolk  en  ruiterij,  en 'van  de  artilleriepaarden." 

>Den  lyen  begint  Louvois  voor  den  Heer  De  Pont  Charirain" 
(minister,  of  intendant  van  financiën)  >een  dagboek,  dat  hij 
voortzet  gedurende  het  gansche  beleg.  >Mons  is  berend.  Don- 
derdag den  1560,  om  zeven  uur  's  morgens.  De  Gouverneur  heeft 
de  burgerij  bijeengeroepen  en  haar  gezegd,  dat  dit  slechts  eene 
vertooning  was,  dat  er  den  volgenden  dag  geen  vijand  meer  te 
zien  zou  zijn,  en  dat  zeer  zeker  de  Franschen  niet  bij  machte 
waren  om  Mons  te  belegeren.  Toen  men  gisteren,  met  het  aan- 
breken van  den  dag,  de  Franschen  nog  zag,  bracht  dit  in  de 
stad  eene  groote  ontsteltenis  teweeg,  die  nog  vermeerderde  toen 
men,  tegen  tien  uur  's  ochtends,  aan  alle  zijden  nog  troepen  zag 
oprukken.  Het  schijnt  dat  men  gisteren,  tegen  den  middag,  ge- 
schut heeft  gebracht  op  de  wallen  en  dat  men  daar  batterijen 
maakt.  Er  is  geen  man  binnen  Mons  gekomen,  en  de  bezetting 
is  even  sterk  als  twee  maanden  te  voren;  —  uitgenomen  dat  de 
meeste  officieren  van  de  Hollandsche  en  Brandenburgsche  regi- 
menten naar  Den  Haag  zijn  gegaan  om  hunne  opwachting  te 
maken  bij  hunne  gebieders.  Vandaag  begint  men  aan  de  liniën 
te  werken;  binnen  drie  dagen  zijn  zij  klaar." 

> Denzelfden  dag  schrijft  hij  aan  den  Koning:  »Uwe  Majesteit 
zal  ontwaren,  dat  den  isen,  's  ochtends  om  tien  uur,  de  Heer 
De  Gastanaga"  (de  landvoogd  der  Spaansche  Nederlanden)  tnog 
niets  wist  van  de  bewegingen  door  Uwer  Majesteit's  troepen  ver- 
richt;" en,  aan  den  aartsbisschop  van  Reims:  >  binnen  nu  en 
vier  of  vijf  dagen,  zal  de  Koning  tusschen  de  Lijs  en  de  Maas 


Digitized  by 


Google 


lOO  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

45000  man  voetvolk  hebben  en  30000  paarden,  de  bezettingen 
niet  meegeteld.  Met  zulk  een  macht  zult  gij  wel  niet  gelooven, 
dat  de  Prins  van  Oranje  en  Gastanaga  in  staat  zijn  om  's  Konings 
onderneming  te  doen  mislukken."  Rekende  men  de  bezettingen 
niet  mede  —  of,  om  juister  te  spreken,  de  detachementen  die 
men  op  het  eerste  bevel  uit  de  vestingen  kon  trekken,  zonder 
die  onbezet  te  laten  —  dan  had  Louvois  het  geduchtste  leger 
dat  men  ooit  had  gezien  —  80  bataljons  en  240  eskadrons  — 
ter  beschikking  van  Lodewijk  XIV  gesteld." 

80  bataljons  en  240  eskadrons;  —  denkelijk  dus  64000  man 
voetvolk  en  38400  man  ruiterij;  over  de  100 000  man;  veel 
meer  dan  noodig  was.  Maar  daar  waar  de  Koning  in  persoon 
een  beleg  bestuurde,  werd  er  een  luxe  van  middelen  aange- 
wend om  dat  beleg  te  doen  gelukken.  Onmiskenbaar  is  hier 
weer  de  werking  van  despotisme  en  van  hovelingsbeleid. 

» Lodewijk  XIV,  vergezeld  van  Monseigneur**  (de  Dauphijn)^  »van 
Monsieur'*  (de  hertog  van  Orleans),  »en  van  den  maarschalk  De 
la  Feuillade,  kwam  den  2 1  stea  Maart  van  Versailles  aan,  en  nam 
zijn  hoofdkwartier  aan  de  zuidzijde  van  Mons,  daar  waar  Vauban 
de  aanvallen  richtte  tegen  de  werken  die  de  poort  van  Bertai- 
mont  dekten.  De  maarschalk  De  Luxembourg  bezette  het  noor- 
delijk deel  der  liniën ;  alleen  aan  die  zijde  kon  een  hulpleger  — 
als  de  verraste  bondgenooten  tijd  en  middelen  hadden  om  dat 
bijeen  te  brengen  —  beproeven  het  beleg  te  doen  opbreken. 
Westelijk  stond  de  maarschalk  d'Humières  in  de  nabijheid,  met 
eene  macht  aan  voetvolk  en  ruiterij,  die  Louvois  niet  noodig 
had  geoordeeld  binnen  de  liniën  op  te  hoopen.  Materieel,  muni- 
tie, leeftocht,  paardevoer^  alles  was  ruimschoots  voorhanden;  men 
had  nog  nooit  een  militair  hospitaal  gezien,  zoo  goed  ingericht 
en  zoo  weinig  bezet;  zooveel  heelmeesters,  en  die,  gelukkig,  zoo 
weinig  hadden  te  doen.  In  één  woord,  het  was  een  genoegen 
om  dit  beleg  te  zien  {ce  siège  était  une  vraie  fété) ;  er  ontbrak 
niets  aan  —  naar  het  oordeel  der  kenners  —  dan  wat  meer 
levendigheid  bij  de  verdediging.  >Van  alle  vestingen  die,  tot  nu 
toe,  de  Koning  heeft  belegerd"  —  zoo  schreef  Louvois  aan 
Pont  Chartrain  —  »is  er  geene  wier  bezetting  minder  veerkracht 
heeft  betoond  en  zich  flauwer  gedraagt,  dan  deze.  De  vijf  en 
dertig  24-ponders  en  de  25  mortieren,  die  gisteren  ochtend  om 
tien  uur  zijn  begonnen  te  vuren"  —  zoo  schreef  hij  den  27steB 
Maart  —  » hebben  dit  het  overige  van  den  dag  voortgezet  en 
een  vreeselijk  vuur  afgegeven,  dat  den  vijand  zóó  heeft  ver- 
schrikt, dat  hij  bijna  geen  musket  heeft  gelost;  zoodat  iedereen 
vóór  de  loopgraven  is  gaan  staan,  zooals  men  doet  tijdens  eene 
capitulatie."  (Rousset,  4*  deel,  blz.  461 — 464.) 

Dit  klinkt  anders  dan  wat  van  ónze  zijde  wordt  gezegd,  over 
die  verdediging  van  Mons. 


Digitized  by 


Google 


MONS.  lOI 

In  de  Cinq-Mai  van  Béranger  —  5  Mei  1821,  de  sterfdag  van 
Napoleon  —  komt  eene  treffende  schets  voor  van  de  vrees  die 
de  groote  Fransche  keizer,  zelfs  op  zijn  rots  van  Sint-Hélena, 
den  koningen  nog  inboezemt;  en  hoe  zij  dadelijk  er  aan  denken 
om  zich  tot  de  tanden  te  wapenen,  zoodra  zij  maar  hooren  dat 
er  op  de  kust  een  vreemd  schip  is  verschenen,  dat  men  niet 
weet  te  huis  te  brengen: 

»Dès  qu*on  signale  une  nei'  vagabonde, 
Serait-ce  lui?  disent  les  polentats; 
Vient-il  encore  redemander  Ie  monde? 
Armons,  soudain,  deux  millions  de  soldats." 

Onwillekeurig  denkt  men  aan  die  verzen  van  den  Franschen 
zanger,  als  men  bij  Rousset  leest,  hoe  hier  door  de  belegeraars 
van  Mons  met  angstige  spanning  werd  uitgezien  naar  Willem  III, 
naar  de  plaats  waar  hij  was,  naar  wat  hij  wilde,  wat  hij  deed. 
Het  beleg  van  Mons,  op  zichzelf,  was  geen  oogenblik  onzeker; 
het  was  alleen  onzeker,  of  Willem  III  zou  oprukken  om  slag  te 
leveren;  en  te  dien  aanzien  koesterde  Lodewijk  XIV  een  over- 
dreven vrees. 

...» Men  vroeg  niet :  zal  Mons  het  houden  ?  maar  men  vroeg : 
zal  Mons  ontzet  worden  ?  Lodewijk  XIV  zelf  maakte  zich  weinig 
ongerust  voor  Mons,  maar  des  te  meer  voor  den  Prins  van 
Oranje,  —  veel  te  veel  voor  zijn  eigen  roem.  Hij  had  zooveel 
troepen  bij  zich,  dat  hij  er  geen  weg  meê  wist;  en  toch  meende 
hij  er  nog  te  weinig  te  hebben;  toch  trok  hij,  den  isten  April, 
nog  18  bataljons  tot  zich,  en  weinige  dagen  later  nog  140  eska- 
drons;"—  denkelijk  dus  14400  man  voetvolk  en  22400  ruiters; 
te  zamen  36800  man;  dat,  gevoegd  bij  de  75000  die  er  reeds 
waren,  maakt  te  zamen  11 1800  man;  —  »hij  had  er  zóó  veel, 
dat  zij  elkander  in  den  weg  stonden,  en  dat  zij  bij  een  veldslag 
geen  voldoend  terrein  zouden  gehad  hebben  om  zich  te  bewegen. 

Als  men  leest  wat  Louvois  den  5en  April  aan  De  PontChar- 
train  schrijft,  dan  bespeurt  men  daarin,  dat  hij  die  overgroote 
en  onbetamelijke  vrees  afkeurt;  die  af  keuring  wordt  niet  openlijk 
uitgesproken,  maar  te  miskennen  is  zij  niet:  >van  nacht  is  er 
een  boer  gekomen,  die  mij  zoo  stellig  verzekerd  heeft  dat  hij 
's  vijands  leger  tot  Halle  vergezeld  heeft,  waar  hij  zegt  dat  hij 
het  heeft  zien  kampeeren,  —  dat  toen  ik  dit  den  Koning  heb 
gemeld.  Zijne  Majesteit  het  raadzaam  heeft  geoordeeld  mij  te 
gelasten  van  bevelen  uit  te  vaardigen  om  vandaag  en  morgen 
18000  man  ruiterij  tot  versterking  in  het  kamp  te  doen  komen; 
binnen  drie  uur  tijds  zijn  die  bevelen  uitgevaardigd.  Maar  ik 
heb  weer  een  anderen  boer  gesproken,  die  mij  verzekerd  heeft 
dat  daar,  toen  hij,  van  Brussel  komende,  om  tien  uur  's  ochtends 


Digitized  by 


Google 


I02  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

door  Halle  trok,  volstrekt  geen  troepen  waren.  De  ruiterij  die 
wij  verwachten,  zal  hier  niet  van  honger  sterven,  en  naar  alle 
waarschijnlijkheid  over  drie  of  vier  dagen  naar  hare  garnizoenen 
terugkeeren,  als  de  Prins  van  Oranje  niet  komt."  (Rousset^  blz.  465.) 

Willem  III  is  Mons  niet  te  hulp  gekomen;  en  Vauban  — 
geen  hoveling  —  beweerde  zelfs  dat,  onder  de  bestaande  omstan- 
digheden^ het  een  dwaasheid  zou  zijn,  zoo  iets  te  ondernemen; 
dat  de  Prins  van  Oranje  er  ook  nooit  aan  had  gedacht  om  Mons 
te  ontzetten;  en  dat,  wie  hem  zulk  een  voornemen  toedichtte, 
zijn  goeden  naam  meer  afbreuk  deed,  dan  het  verlies  van  een 
vesting,  zooals  bij  voorbeeld  Breda,  hem  afbreuk  zou  kunnen 
doen.  —  Uit  de  opgaven  van  ónze  zijde  weet  men,  dat  Vauban 
zich  hier  vergist  heeft,  en  dat  hij  ten  onrechte  Willem  III  prijst 
over  eene  voorzichtige  onthouding,  die  volstrekt  niet  in  het  voor- 
nemen lag  van  den  Stadhouder. 

Bijzonderheden  over  het  beleg  van  Mons  geeft  Rousset  voor 
het  overige  niet;  —  alleen  zegt  hij  het  volgende  van  de  over- 
gave (blz.  466 — 467): 

>Door  bommen  verpletterd,  door  ricochet-schoten  omgewoeld, 
door  brandkogels  verwoest,  gaf  zich  de  hoofdstad  van  Hene- 
gouwen den  Ssten  April  over;  denzelfden  dag  kwam  een  renbode 
van  Catinat  de  tijding  brengen  van  de  overgave  van  Nizza. 
Beide  belegeringen,  gelijktijdig  aangekondigd,  eindigden  gelijk- 
tijdig ;  beide  met  nauw  noemenswaard  verlies.  Voor  Slons  waren 
er  een  100  man  gesneuveld  en  450  gewond.  De  troepen  van  de 
bondgenooten,  die  in  opmarsch  waren  om  zich  samen  te  trekken, 
kregen  tegenbevel  en  keerden  terug  naar  hunne  kantonnementen ; 
de  hoofden  van  de  coalitie  wisselden  verwijtingen  en  beleedi- 
gingen.  Koning  Willem,  door  de  Brusselaars  zeer  slecht  ont- 
vangen, bijna  gehoond,  nam  een  zeer  koel  afscheid  van  den 
markies  De  Gastanaga;  en  keerde,  ziek  naar  lichaam  en  naar 
geest,  naar  Den  Haag  terug. 

Daarentegen  had  Lodewijk  XIV,  vóórdat  hij  naar  Versailles 
terugkeerde,  gelukwenschingen  en  belooningen  uit  te  deelen. 
tDe  Koning,"  —  zegt  Dangeau  den  9611  April  —  >  heeft  dezen 
ochtend  aan  Vauban  100  000  francs  geschonken,  en  hem  aan 
zijn  tafel  genoodigd,  —  een  eer,  waarvoor  hij  nog  meer  gevoelig 
was  dan  voor  het  geld ;  hij  had  nog  nooit  de  eer  gehad  bij  den 
Koning  te  eten.  Zijne  Majesteit  heeft  2000  pistolen"  {Louis  d'^or) 
»aan  Vigny  gegeven,  die  het  bevel  voerde  over  de  artillerie;  en 
2000  pistolen  aan  Mesgrigny"  (de  eerste  ingenieur,  onder  Vau- 
ban). >Nog  veel  andere  gunsten  heeft  hij  in  het  kamp  uitge- 
deeld." 

>  Zeker,  dit  was  van  's  Konings  zijde  zoo  goed  als  het  maar 
zijn  kon;  —  maar  Louvois?  hoe  werd  die  beloond?  >Ik  heb 
gehoord"  —  het  is  Dangeau  die  dit  zegt  —  >ik  heb  gehoord 


Digitized  by 


Google 


MONS.  103 

dat,  gedurende  het  beleg,  de  Koning  een  weinig  vertoornd  is 
geweest  tegen  den  Heer  De  Louvois,  over  de  stijfhoofdigheid 
waarmede  hij  volhield,  dat  de  Comm/ssaires  des  guerres  het  kamp 
moesten  inrichten  voor  de  ruiterij  welke  men  in  die  dagen 
binnen  de  liniën  heeft  doen  komen.  Die  taak  behoorde  natuur- 
lijk tot  dé  verrichtingen  van  den  Maréchal-des-logh  der  ruiterij; 
en  de  Koning  wilde  dat  men  den  gewonen  gang  van  zaken  zou 
volgen." 

(Wij  hebben  het  bovenstaande  overgenomen  uit  Rousset,  —  of 
uit  Dangeau  — ,  en,  om  alle  vergissing  te  vermijden,  de  woorden 
Cotnmissaires  des  guerres^  en  MaréchaUdes-logis  onvertaald  gelaten. 
Een  Commhsaire  des  guerres  was  een  administratief  beambte,  van 
minderen  rang  dan  een  intendant;  men  zou  het  door  het  woord 
»ond er-intendant*'  kunnen  teruggeven.  Maar  Maréchal-des- 
logis  van  de  ruiterij?  —  Natuurlijk,  dat  men  hiervan  niet  kan 
maken  wachtmeester.  Het  was  denkelijk  een  hooggeplaatst 
officier  van  de  ruiterij,  wiens  voorname  taak  het  was,  de  kwar- 
tieren van  dat  wapen  te  regelen;  een  soort  van  Kwartier- 
meester-Generaal, zooals  men  die  had,  ook  bij  onze  legers 
van  dien  tijd). 

» Volgens  den  hertog  De  Saint-Simon  had  de  twist  de  vol- 
gende aanleiding:  >de  Koning,  die  er  zich  op  liet  voorstaan, 
van  meer  kennis  van  militaire  zaken  te  hebben  dan  ieder  ander, 
tot  zelfs  van  de  onbeduidendste,  wandelde  eens  door  het  kamp 
en  vond  een  gewone  ruiterwacht,  die  naar  hij  oordeelde  ver- 
keerd was  geplaatst;  hij  zelf  plaatste  ze  elders.  Het  toeval  wilde 
dat  hij,  op  den  namiddag  van  denzelfden  dag  nogmaals  door 
het  kamp  wandelende,  diezelfde  ruiterwacht  voorbijkwam,  die 
hij  weer  verplaatst  vond.  Dit  wekte  zoowel  zijne  verwondering 
als  zijn  misnoegen  op.  Hij  vroeg  den  kapitein  wie  hem  weer 
geplaatst  had  waar  hij  stond;  en  deze  antwoordde  dat  Louvois 
dit  had  gedaan,  die  daar  voorbij  was  gekomen.  >Maar"  hernam 
de  Koning,  >hebt  gij  hem  dan  niet  gezegd  dat  ik  u  had  ge- 
plaatst?" —  >Ja,  Sire,"  antwoordde  de  kapitein.  De  gebelgde 
koning  keerde  zich  tot  zijn  gevolg,  en  zeide:  >dat  is  weer  iets 
van  Louvois:  hij  meent  dat  hij  een  groot  krijgskundige  is  en  dat 
hij  alles  weet."  En  oogenblikkelijk  plaatste  hij  den  kapitein  en 
de  ruiterwacht  weer  op  de  plaats  die  hij  hem  's  ochtends  had 
aangewezen." 

>Zeer  zeker  had  Louvois  groot  ongelijk;  de  Commissaires  des 
guerres  waren  niets  meer  dan  officieren  van  administratie,  en  met 
de  inrichting  van  een  kamp  hadden  zij  niets  hoegenaamd  te 
maken;  maar  ongelukkig  bestond  bij  Louvois  de  neiging  om 
het  militaire  te  veel  ondergeschikt  te  maken  aan  het  administra- 
tieve. Hij  had  ongelijk;  —  maar  is  dit  wel  de  ware  grief  die 
Lodewijk  XIV  tegen   hem  had?    Als   Dangeau  —  voorzichtig, 


Digitized  by 


Google 


> 


I04  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

bedachtzaam,  bedaard  en  gematigd  tot  aan  flauwheid  toe  —  het 
waagt  oen  Lodewijk  XIV  voor  te  stellen  als  teen  weinig  ver- 
toornd", wat  moet  die  toom  dan  niet  groot  zijn  geweest,  hevig 
en  luid?*' 

De  ware  reden  van  dien  toorn  van  Lodewijk  XIV  schijnt  ge- 
weest te  zijn,  dat  de  Koning  het  aan  Louvois  niet  vergaf  dat 
hij  bij  dat  beleg  van  Mons  weer  werd  blootgesteld  aan  het  ge- 
vaar van  slag  te  moeten  leveren  tegen  Willem  III;  en  dat  hij, 
evenals  in  1676  bij  Bouchain,  zijn  overdreven  vrees  voor  dat 
gevaar  niet  wist  te  verbergen.  —  De  ongunst  van  Louvois  werd 
zóó  ruchtbaar,  dat,  toen  Madame  Deshoulières  in  een  gedicht 
op  de  inneming  van  Mons  eenige  verzen  tot  lof  van  Louvois 
had  ingevlochten,  Dangeau,  toen  hij  den  Koning  dat  gedicht 
voorlas,  juist  die  verzen  oversloeg. 

tOp  die  wijze"  —  vervolgt  Rousset  (blz.  469 — 470)  —  >was 
dat  beleg  van  Mons,  in  stede  van  den  roem  van  Louvois  te  ver- 
hoogen  en  zijn  invloed  grooter  te  maken,  voor  hem  eene  aan- 
leiding van  ongunst,  van  ongenade.  Men  kan  zeggen  dat  Louvois 
doodelijk  werd  getroffen  door  dien  slag;  zijn  gemoed  werd 
daardoor  verbitterd ;  en  dit  gaf  aanleiding  tot  verdubbelde  norsch- 
heid,  zelfs  ten  aanzien  van  de  vrienden  die  hem  het  meest  toe- 
gedaan waren."  —  Onder  anderen  was  dit  het  geval  met  Vauban. 


Na  de  inneming  van  Mons  werd,  vooreerst,  in  de  Nederlanden 
niets  bijzonders  meer  ondernomen.  Rousset  geeft  de  indeeling 
die  de  Fransche  legers  toen  verkregen  op  de  verschillende  oor- 
logstooneelen,  aldus  op: 

In  de  Nederlanden  zou  Luxembourg  aan  het  hoofd  staan  van 
40  bataljons  (32000  man)  en  iio  eskadrons  (17600  ruiters); 
dus,  bijna  50000  man.  —  Bij  Luxembourg  kon  zich  nog  aan- 
sluiten Boufflers,  die  tusschen  de  Maas  en  den  Moezel  20  batal- 
jons had  (16000  man),  en  64  eskadrons  (10240);  te  zamen  een 
26000  man. 

Het  Rijnleger  stond  onder  het  bevel  van  den  maarschalk  De 
Lorge,  » onder  voorwaarde  dat  hij,  in  werkelijkheid,  het  gezag 
deelde  met  den  onmisbaren  Chamlay  {Vinévitable  Chamlayy*  (blz. 
471);  dat  leger  telde  24  bataljons  (19200)  en  92  eskadrons 
(14720),  dus  bijna  34000  man. 

Catinat  voerde  het  bevel  in  Italië ;  behalve  over  zijn  leger  van 
35  bataljons  (28000)  en  60  eskadrons  (9600),  kon  hij  nog  be- 
schikken over  verschillende  nabijzijnde  afdeelingen:  5000  man 
te  Casal,  5  bataljons  (4000)  te  Plgnerol,  2  bataljons  (1600)  te 
Susa,  6  bataljons  (4800)  in  het  graafschap  Nizza,  en  in  Savoye, 
Dauphiné  en  Provence  nog  over  7  bataljons  (5600),  14  bataljons 
militie  en  15  eskadrons  dragonders  (2400);  —  in  het  geheel  had 


Digitized  by 


Google 


VERDERE  KRIJGS VERRICHTINGEN   IN   DE   NEDERLANDEN.        I05 

Catinat  dus  ruim  60000  man  aan  geregelde  troepen,  behalve 
nog  de  militie. 

In  Catalonië  had  Noailles  14  bataljons  (11  200)  en  en  18  eska- 
drons (2880);  te  zamen  14000  man. 

Naar  Ierland  —  dit  hebben  wij  reeds  gezien  —  zond  Frankrijk, 
in  1691,  geen  troepen,  maar  alleen  officieren,  wapens,  munitie 
en  geld. 

Telt  men  al  die  legers,  of  legerafdeelingen,  te  zamen,  dan 
vindt  men,  dat  Frankrijk  in  1691  een  iSo  k  190000  man  heeft 
te  velde  gebracht.  Het  cijfer  van  de  bezettingen  der  vestingen, 
en  van  de  troepen  die  in  het  binnenland  zijn  gebleven,  wordt 
niet  vermeld. 

Louvois  wil  die  legermachten  minder  aanwenden  om  den 
vijand  slag  te  leveren,  of  om  vijandelijke  vestingen  te  nemen; 
maar  hij  wil  nu  vooral  beproeven  om,  door  het  aanrichten  van 
verwoestingen,  de  bondgenooten  tot  den  vrede  te  dwingen.  Hij 
is,  in  dit  laatste  jaar  zijns  levens,  meer  onmeêdoogend  en  wreed 
dan  ooit  te  voren;  —  en  dit  zegt  nog  al  wat. 

...»De  maarschalk  De  Luxembourg  kreeg  last  om  de  geheele 
stad  Halle  tot  den  grond  toe  te  slechten,  de  kerken  uitgezon- 
derd; Halle  was  een  soort  van  voorpost,  tot  beveiliging  van 
Brussel;  en  werd  het  verwoest,  dan  stond  de  hoofdstad  van  de 
Spaansche  Nederlanden  bloot,  en  dan  zou  men  daar  om  genade 
beginnen  te  smeeken.  Den  29steii  Mei  trok  het  Fransche  leger 
daarheen;  en  alleen  op  het  zien  van  de  voorste  troepen  nam 
de  bezetting  van  Halle  de  vlucht,  in  de  uiterste  wanorde.  >Er 
zijn",  —  zoo  berichtte  de  Maarschalk  —  •twee  officieren  ge- 
vonden die  uit  angst  boven  op  den  toren  waren  geklommen, 
onder  het  klokkespel."  Den  volgenden  dag  werd  in  de  stad  alles 
verwoest  door  pikhouweel  en  door  mijnen;  terwijl  Luxembourg 
met  de  ruiterij  intusschen  de  stelling  ging  verkennen,  welke 
onder  de  muren  van  Brussel  bezet  werd  door  koning  Willem, 
die  onverwijld  ter  hulp  was  geroepen  door  zijne  radelooze  bond- 
genooten. Maar  de  Maarschalk  oordeelde  het  onraadzaam  om 
die  stelling  aan  te  vallen;  en,  toen  hij  zijn  taak  volbracht  had, 
nam  hij  post  te  Braine-le-Comte  en  wachtte  daar  nadere  be- 
velen af."  (Rousset,  blz.  473.) 

Bijna  terzelfder  tijd  wordt  de  stad  Luik  door  Boufflers  ver- 
nield. 

...» Luik  behoorde  niet  aan  den  koning  van  Spanje ;  maar 
van  de  onzijdigheid  die  het  den  Franschen  koning  had  beloofd, 
was  Luik  afgeweken  om  bijstand  te  bieden  aan  den  koning  van 
Spanje.  Vreeselijk  werd  het  daarvoor  gestraft.  Van  den  2en  tot 
den  yen  Juni  werden,  dag  en  nacht  en  zonder  tusschenpoozen, 
bommen   en  brandkogels  geworpen,  die  in   alle  deelen  van  de 


Digitized  by 


Google 


Io6  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Stad  de  vlammen  deden  uitslaan  en  meer  dan  3000  huizen  door 
het  vuur  deden  verteren.  De  Luikenaars  bleven  onverwrikt,  en 
onderwierpen  zich  niet;  zij  wachtten  hulp,  of  wraak;  maar  toen 
de  troepen  van  de  bondgenooten  aankwamen,  —  te  laat  om  het 
bombardement  te  stuiten  —  snelden  deze  niet  ter  vervolging  van 
Boufflers,  die  langzaam  terugtrok,  maar  gaven  zij  er  de  voorkeur 
aan  om  te  voltooien  wat  de  Franschen  nog  hadden  overgelaten 
te  doen:  die  troepen  wierpen  zich  op  de  rookende  puinhoopen 
van  Luik,  en  plundering  voltooide  wat  het  vuur  had  gespaard. 
Louvois  was  niet  karig  in  loftuitingen  ten  aanzien  van  Boufflers . . ." 
(Rousset,  blz.  474.) 

Wij  moeten  hierbij  aanmerken,  dat  de  opgaven  van  ónze  zijde 
over  deze  gebeurtenissen  bij  Brussel  en  Luik  niet  in  allen  deele 
overeenstemmen  met  wat  Rousset  daarover  zegt. 

Bij  die  verkenning  van  de  stelling  der  bondgenooten  bij 
Brussel,  door  Luxembourg  op  den  3osieii  Mei  verricht,  was  Wil- 
lem III  daar  nog  niet  aanwezig:  eerst  den  2en  Juni  is  hij  bij 
het  léger  gekomen. 

Ten  aanzien  van  het  gebeurde  bij  Luik  wijken  onze  opgaven 
veel  meer  af.  In  het  verslag,  door  den  resident  van  Luik  in 
Den  Haag  bekend  gemaakt,  wordt  gezegd  dat,  in  weerwil  van 
de  hevigheid  van  het  bombardement,  door  de  goede  beschik- 
kingen die  men  te  Luik  nam,  de  verwoesting  in  de  stad  niet 
bijzonder  groot  is  geweest;  na  de  gegeven  bevelen  voor  het 
handhaven  van  de  orde  te  hebben  vermeld,  wordt  er  bijgevoegd : 
>het  geen  dier  voegen  wierd  nagekomen,  dat  daardoor  de  meeste 
straaten  zijn  behouden,  en  alleen  het  benedenste  gedeelte  van 
de  brug  des  arches^  en  de  daaromtrent  staande  huizen,  door  de 
burgers,  om  hun  leven  te  salveeren,  verlaaten,  door  het  gruwelijk 
en  onophoudelijk  inwerpen  van  bommen  en  gloeijende  kogels  in 
de  assche  geraakten";  —  dit  doet  juist  niet  denken  aan  drie 
duizend  verbrande  huizen!  Ook  het  oordeel  over  het  gedrag 
van  de  troepen  der  bondgenooten  is  geheel  anders;  verre  van 
hen  te  beschuldigen  van  plundering,  worden  zij  daarvan  integen- 
deel uitdrukkelijk  geheel  vrijgesproken:  •de  dapperheid  der 
vreemde  troupen  moet  met  stilswijgen  mede  niet  voorbij  ge- 
gaan; en  haar  standvastigheid,  getoont  in  niet  een  van  de 
minste  burgershuysen,  schoon  van  de  bewoonders  verlaaten,  te 
berooven,  verdient  gepreesen  te  werden." 

De  waarschijnlijkheid  is  er  dus  voor,  dat  Boufflers,  in  zijn 
verslag,  de  verwoesting  van  Luik  overdreven  heeft  voorgesteld, 
wetende  dat  zoo  iets  Louvois  aangenaam  zou  zijn;  en  dat  hij 
tevens  de  troepen  der  bondgenooten  zwart  heeft  gemaakt,  om 
daardoor  de  blaam  over  het  te  Luik  gebeurde  niet  op  de 
Fransche  troepen  alleen  te  doen  rusten. 


Digitized  by 


Google 


VERDERE   KRIJGS VERRICHTINGEN   IN  DE   NEDERLANDEN.        I07 

Wat  het  gebeurde  te  Halle  aangaat,  in  ddt  opzicht  schijnt  de 
opgave  van  Rousset  niet  onjuist.  Van  onze  zijde  wordt  gezegd: 
dat  men  eerst  voornemens  was  Halle  te  verdedigen;  dat  men 
daarom  de  bezetting  versterkte  tot  een  3000  man;  dat  men 
echter  later  begreep,  dat  daar  er  geen  kanon  binnen  Halle  was, 
die  stad  niet  bestand  was  tegen  een  aanval,  en  de  bezetting  dan 
denkelijk  krijgsgevangen  zou  worden;  dat  het  dus  beter  was,  bij 
's  vijands  nadering,  Halle  te  ontruimen ;  en  dat  die  ontruiming 
met  zooveel  overhaasting  was  geschied,  dat  een  deel  van  de 
bagage  werd  achtergelaten;  —  dit  alles  komt  vrij  wel  overeen 
met  wat  Rousset  zegt. 

Zeer  zeker  kan  men  aanmerken:  wilde  men  Halle  verdedigen, 
waarom  er  dan  geen  kanon  in  gebracht?  en  wilde  men  het  niet 
verdedigen,  waarom  dan  aanvankelijk  de  bezetting  versterkt?  — 
Die  aanmerking  zou  bewijzen,  dat  de  regeling  van  de  krijgszaken 
in  de  Spaansche  Nederlanden  wel  eens  wat  te  wenschen  over- 
liet; —  maar  dit  stond  in  verband  met  den  eHendigen  toestand 
waarin  toen  de  geheele  Spaansche  Monarchie  verkeerde.  De 
Spaansche  koningen  van  die  tijden  waren  gekroonde  nietelingen, 
die  niets  wisten,  niets  begrepen,  niets  wilden ;  het  waren  poppen, 
bewogen  door  een  of  ander  minister  of  hoveling;  zij  kenden 
zoo  weinig  den  omvang  van  hunne  heerschappij,  dat  als  de 
vijand  hun  eene  vesting  ontnam,  zij  soms  in  den  waan  ver- 
keerden dat  die  vesting  aan  eene  andere  mogendheid  had  toe- 
behoord, die  dus  dat  verlies  leed,  en  niet  zij.  Toen  Mons  ge- 
vallen was,  in  1691,  kostte  het  zware  beraadslagingen  aan  de 
Spaansche  ministers  om  te  beramen,  hoe  men  het  best  die  tijding 
zou  meêdeelen  aan  koning  Karel  U;  en  zelfs  is  het  niet  eens 
zeker,  dat  zij  hem  immer  is  meegedeeld;  —  't  is  waar,  hij  was 
ook  half  een  waanzinnige. 

Louvois  maakte  dus  toen  van  den  oorlog  een  brandstichting 
op  groote  schaal;  hoofdzakelijk  op  hem  drukt  de  schuld  van 
die  satanische  handelingen;  want  soms  wilde  zelfs  een  Luxem- 
bourg  de  wreede  bevelen  van  den  Minister  niet  uitvoeren.  Toen 
Willem  III  met  zijn  leger  eerst  naar  Leuven  en  daarna  naar  de 
zijde  van  de  Sambre  trok,  wenschte  Louvois  dat  Luxembourg 
gedurende  de  afwezigheid  van  het  leger  der  bondgenooten  de 
stad  Brussel  zou  bombardeeren;  in  twee  brieven  aan  den  Minis- 
ter —  26  en  30  Juni  —  zegt  de  Maarschalk,  dat  hij  daartoe 
weinig  gezind  is: 

»Wat  mij  aangaat,  ik  beschouw  een  bombardement  als  een 
ramp  voor  hen  die  het  treft,  en  als  van  geen  nut  voor  hem  die 
het  doet;  en  ik  beken  u,  dat  ik  Brussel  niet  gaarne  zou  bom- 
bardeeren ;  want  de  bevolking  daar  komt  er  openlijk  voor  uit,  dat 
zij  gaarne  onder  's  Konings  gezag  zou  komen . . ."  (Rousset,  blz.  477). 


Digitized  by 


Google 


Io8  KRUGS-  £N  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Het  boiubardeeren  van  een  zoo  groote  stad  en  waar  de 
bluschmiddelen  zoo  menigvuldig  zijn,  zou  —  volgens  Luxem- 
bourg  —  ook  weinig  uitwerken;  —  mogelijk  is  dit  laatste  dan 
ook  de  voorname  reden  waarom  hij  geen  lust  heeft  om  Brussel 
te  bombardeeren. 

Vauban,  altijd  een  tegenstander  van  het  bombardement,  uit 
die  meening  ook  nu  weer,  in  een  schrijven  van  den  27sten  Juni 
aan  Louvois: 

t  Mijnheer  de  Maarschalk"  —  zoo  schreef  hij  aan  Louvois  — 
» heeft  er  mij  over  gesproken  om  Brussel  te  bombardeeren ;  maar 
daar  ik  niet  heb  bespeurd  dat  het  gebombardeer  {fes  bombarderics) 
van  Oudenaarden,  van  Luxemburg,  en  zelfs  van  Luik,  den  Koning 
een  duimbreed  gronds  heeft  doen  winnen ;  daar  het,  integendeel, 
hem  heel  veel  munitie  heeft  gekost  —  verspild  —  en  de  troepen 
uitermate  heeft  vermoeid  en  verzwakt,  zoo  heb  ik  hem  daarover 
niets  willen  zeggen;  het  komt  mij  voor,  dat  het  een  zeer  slecht 
middel  is  om  de  genegenheid  der  bevolking  te  winnen;  en  dat 
in  een  tijd,  waarin  de  gemoederen  hier  te  lande  veel  gunstiger 
gezind  zijn  jegens  den  Koning  dan  ooit  het  geval  is  geweest;" 

Louvois  dringt  nu  niet  meer  aan  op  de  d  a  d  e  1  ij  k  e  uitvoering 
van  het  bombardement  van  Brussel;  —  nochtans  ziet  hij  er  niet 
van  af;  hij  acht  dat  bombardement  noodig.  >  omdat  zoolang  er 
zulke  sterke  legers  in  Vlaanderen  zijn"  {en  Flandre;  Louvois  be- 
doelt de  Zuidelijke  Nederlanden),  tde  Koning,  om  de  bevolking 
het  geduld  te  doen  verliezen,  niet  anders  kan  doen  dan  haar 
teisteren  zooveel  als  in  zijn  vermogen  is;  en  bovendien  bombar- 
dementen de  grootste  ramp  zijn  welke  die  bevolking  ducht'* 
(blz.  477). 

Kan  men  cynieker  zijn? 

In  het  begin  van  Juli  heeft  Luxembourg  de  troepen  van  Bouf- 
flers  tot  zich  getrokken,  en  neemt  nu,  met  die  vereenigde  macht, 
stelling  bij  Soignies;  door  die  stelling  beschermt  hij  Mons,  en 
bedreigt  hij  Brussel.  Willem  III  plaatst  zich  met  een  leger,  bijna 
even  sterk  als  het  Fransche,  nabij  de  Sambre,  te  Gembloux.  De 
beide  partijen  blijven  elkander  observeeren,  zonder  iels  te  onder- 
nemen. 


Maar  de  dagen  van  den  man  van  bloed  en  geweld  liepen  ten 
einde.  Den  i6cn  Juli  1691,  terwijl  hij  nog  werkzaam  is  in  het 
kabinet  des  Konings,  wordt  Louvois  ongesteld,  en  sterft  weinig 
uren  daarna.  Vergift  ?  Beroerte  ?  Wie  weet  het  ?  Het  laatste  wordt 
als  het  waarschijnlijkste  aangenomen.  Saint-Simon  beweert,  dat, 
zonder  dien  onverwachten  dood,  Louvois  op  last  des  Konings 
in   hechtenis  zou  zijn   genomen:    » Louvois"  —  zoo  zegt  hij  — 


Digitized  by  VjOOQIC 


VERDERE  KRIJGSVERRICHTINGEN   IN   DE  NEDERLANDEN.        I09 

>  was,  toen  hij  stierf,  zoozeer  in  ongenade,  dat  hij  den  volgenden 
dag  in  hechtenis  moest  worden  genomen  en  naar  de  Bastille 
gebracht.  Dat  de  Koning  dit  besluit  had  genomen  en  vastge- 
steld, is  een  stellig  feit,  ik  heb  het  later  gehoord  van  zeer  goed 
onderrichte  menschen;  maar  wat  alles  afdoet,  dat  is,  dat  de 
Koning  zelf  het  verhaald  heeft  aan  Chamillart,  die  het  mij  heeft 
gezegd." 

Die  bewering  van  Saint-Simon  laat  aan  stelligheid  weinig  te 
wenschen  over;  toch  spreekt  Rousset  haar  tegen;  —  maar  hij 
erkent,  dat  er  bij  Lodewijk  XIV  wrok  bestond  tegen  Louvois. 
Als  een  despoot  wrok  koestert  tegen  een  zijner  ministers,  is  het 
dan  zoo  onwaarschijnlijk  dat  die  minister  zijn  val  nabij  is,  en 
hem  de  kerker  wacht?  —  Wij  gelooven  dat  men  geen  reden 
heeft  om  die  bewering  van  Saint-Simon  geheel  te  verwerpen.  — 
Maar  zulk  een  handeling  zou,  van  de  zijde  van  Lodewijk  XIV^ 
een  daad  van  snooden  ondank  zijn  geweest;  —  zeer  zeker;  maar 
is  dankbaarheid  dan  zulk  een  alledaagsche  deugd  bij  de  konin- 
gen f  Vorsten  zijn,  uit  den  aard  der  zaak,  egoïsten ;  zeer  spoedig 
vergeten  zij  de  goede  diensten  die  hun  zijn  bewezen. 

Uiterlijk  had  Louvois  nog  al  zijn  macht  behouden ;  en  daarom 
wekte  zijn  onverwachte  dood  —  hij  was  pas  vijftig  jaar  oud  — 
een  algemeene  ontroering  in  Frankrijk.  Welsprekend  is  madame 
De  Sévigné,  als  zij  van  dat  sterven  gewaagt:  >hij  is  dus  dood, 
die  groote  minister,  die  man  zoo  hoog  verheven,  die  een  zoo 
groote  plaats  innam,  wiens  i  k  —  om  met  N  i  c  o  1  e  te  spreken  — 
zich  zoo  wijd  uitbreidde,  die  van  zooveel  zaken  het  middelpunt 
was!  Wat  al  staatszaken,  ontwerpen,  voornemens,  geheimen,  be- 
langen te  ontwarren,  begonnen  oorlogen ;  wat  al  kuiperijen ;  wat 
al  schitterende  zetten  te  doen,  of  aan  te  raden  op  het  groote 
schaakbord!  —  O  God,  verleen  mij  nog  een  korten  tijd:  zoo 
gaarne  zou  ik  nog  schaak  willen  geven  aan  den  hertog  van 
Savoye,  of  den  Prins  van  Oranje  mat  zetten!  —  Neen,  neen; 
niet  één  oogenblik  wordt  u  langer  verleend." 

»Die  groote  minister"?  —  In  den  naam  van  recht  en  men- 
schelijkheid  spreekt  de  geschiedenis  een  streng  oordeel  uit  over 
Louvois;  maar  zeer  zeker  is  het,  dat  zijne  wreedheid,  zijne 
dwingelandij  gepaard  gingen  met  groote  bekwaamheid,  met 
groote  toewijding  aan  de  zaak  zijns  konings.  Die  koning  is  na 
den  dood  van  Louvois  met  dezelfde  wreedheid  en  dwingelandij 
blijven  regeeren ;  maar  de  bekwaamheid,  de  toewijding  waren  er 
niet  meer;  en  Frankrijk's  latere  krijgsrampen  zijn,  voor  een  deel, 
daaraan  toe  te  schrijven^  dat  er  geen  Louvois  meer  was  om  het 
beheer  te  voeren  over  Frankrijk's  krijgswezen. 


Op  het  einde  van  Juni  1691  staat  Luxembourg  met  hetFransche 

Digitized  by  VjOOQIC 


IIO  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

leger  nabij  Soignies,  Willem  III  met  het  leger  der  bondgenooten 
nabij  Gemblours;  maanden  lang  worden  toen  door  die  beide 
legerhoofden  doorgebracht  met  onbeduidende  bewegingen,  zon- 
der dat  zij  eigenlijk  iets  noemenswaard  verrichten.  £en  enk^l 
woord  over  de  oorzaken  van  die  werkeloosheid  is  hier  niet 
misplaatst. 

Die  werkeloosheid  lag  vooral  aan  de  krijgskunst  van  die  tijden. 
Het  viel  toen  niet  moeilijk  om  een  veldslag  te  vermijden:  men 
had  zich  maar  te  plaatsen  in  eene  sterke  stelling,  en  die  des- 
noods eenigszins  te  verschansen;  bij  de  weinige  beweegbaarheid 
van  de  troepen,  vooral  bij  de  weinige  beweegbaarheid  en  de 
geringe  sterkte  van  de  artillerie  te  velde,  durfde  dan  de  aan- 
valler die  stelling  niet  aantasten,  tenzij  er  eene  groote  overmacht 
aan  zijne  zijde  was.  Het  kwam  er  dan  op  aan  om  zonder  aan- 
val, door  manoeuvreeren  alleen  de  tegenpartij  uit  die  stelling 
te  doen  komen;  daartoe  wendde  men  verschillende  middelen 
aan:  óf  men  belemmerde  den  aanvoer  van  den  leeftocht  en  de 
munitie  die  de  vijand  noodig  had ;  óf  men  plaatste  zich  tusschen 
die  stelling  en  eene  vijandelijke  vesting  die  niet  genoegzaam 
bezet  of  voorzien  was,  en  daarom  bij  een  beleg  spoedig  zou 
moeten  vallen;  óf  men  bedreigde  het  vijandelijke  grondgebied 
met  een  inval,  met  brandschattingen. 

Door  deze  en  soortgelijke  middelen  noopte  men  dan  het 
vijandelijke  leger  zijne  stelling  te  verlaten,  en  eene  nieuwe  stel- 
ling te  kiezen,  door  welke  het  den  marsch  van  zijne  konvooien 
beveiligde,  de  bedreigde  vesting  beschermde,  het  eigen  grond- 
gebied dekte.  De  groote  kunst  bestond  dan  daarin,  die  nieuwe 
stelling  goed  te  kiezen,  en  zoo  snel  en  met  zooveel  beleid  daar- 
heen te  trekken,  dat  men  gedurende  den  marsch  niet  werd  aan- 
gevallen en  gedwongen  om  slag  te  leveren;  kón  de  aanvaller 
den  verdediger  inhalen  en  aantasten  vóór  dat  deze  zulk  eene 
sterke  stelling  had  bereikt  en  behoorlijk  bezet,  dan  was  dit  eene 
honne  fortune  voor  den  aanvaller;  eene  bonne  fortune  die  echter 
niet  dikwijls  voorkwam,  en  waarvan  dan  nog  niet  altijd  gebruik 
gemaakt  werd;  —  zie  onder  andere  in  Goslinga's  gedenk- 
schriften, hoe  Marlborough  tijdens  den  Spaanschen  successie- 
oorlog dikwijls  de  gunstigste  gelegenheid  verzuimde  om  het 
Fransche  leger  gedurende  een  marsch  aan  te  vallen.  Dikwijls 
vergenoegde  men  zich  daarmede,  dat  men  zijn  eigen  land  dekte 
tegen  's  vijands  strooptochten  en  zooveel  mogelijk  leefde  ten  koste 
van  's  vijands  land ;  wie  de  meeste  brandschattingen  binnenbracht, 
dat  was  de  groote  man.  De  gang  der  oorlogen  was  toen  niet 
alleen  kunstig,  maar  zelfs  gekunsteld ;  —  natuurlijk :  fexcepte  les 
exceptions;  —  en  onder  die  uitzonderingen  behoort  Willem  III: 
zijne  ondernemingen  in  de  winters  van  1672  en  1673,  om  de 
gemeenschap  te  verbreken  tusschen  Frankrijk  en  de  Fransche 


Digitized  by 


Google 


VERDERE  KRIJGSVERRICHTINGEN   IN   DE   NEDERLANDEN.        III 

legermacht  in   Holland,  zijn  stoute  strategische  handelingen  ge- 
weest, die  een  Napoleontischen  geest  ademen. 

Indien  Willem  III  in  1691  niet  op  zulk  eene  beslissende  wijze 
de  oorlogshandelingen  heeft  geleid,  dan  lag  dit  daaraan  dat  de 
omstandigheden  dit  niet  toelieten:  er  was  te  veel  gelijkheid  in 
strijdkrachten  tusschen  de  beide  kampende  partijen.  Men  zal  dit 
inzien,  vestigt  men  den  blik  op  de  legerhoofden,  op  de  getal- 
sterkte der  legers  en  op  de  militaire  waarde  der  troepen. 

Van  de  beide  legerhoofden,  Luxembourg  en  Willem  III,  is  het 
niet  noodig  hier  iets  te  zeggen:  zij  zijn  reeds  genoeg  bekend; 
in  1691  kenden  zij  ook  elkander  reeds  genoeg  3  ieder  hunner  i^ 
^wist  dat  hij  te  doen  had  met  een  tegenstander,  met  wien  men 
'niets  kon  wagen,  tegen  wien  men  altijd  goed  op  zijn  hoede 
moest  zijn. 

Wat  de  sterkte  aangaat  van  de  wederzijdsche  partijen  in  de 
Nederlanden,  die  was  voor  de  bóndgenooten  niet  meer  zoo 
ongunstig  als  in  het  begin  van  1691,  toen  Lodewijk  XIV  met 
zoo  reusachtige  overmacht  voor  Mons .  verscheen,  en  het  leger 
van  Willem  III  zoo  geringe  sterkte  had  dat  zijn  voornemen  om 
Mons  te  hulp  te  komen,  door  zijne  onderbevelhebbers  werd 
afgekeurd  als  eene  roekeloosheid.  Wij  hebben  gezien  dat  de 
Fransche  koning  na  den  val  van  Mons  naar  zijn  land  was  terug* 
gekeerd:  en  in  verband  hiermede  was  natuurlijk  ook  een  deel 
van  de  Fransche  strijdkrachten  weer  weggenomen  uit  de  Neder- 
landen: daar  waar  de  Koning  zelf  op  het  oorlogstooneel  ver- 
scheen, daar  moesten  ook  alle  mogelijke  strijdkrachten  worden 
bijeengebracht,  om  den  Monarch  het  behalen  van  wapenroem  te 
verzekeren;  maar  dit  kwam  er  minder  op  aan,  als  een  zijner 
maarschalken  het  legerhoofd  was;  in  het  Frankrijk  van  die  dagen 
was  het  algemeen  belang  ondergeschikt  aan  de  zorg  voor  den 
roem  en  de  grootheid  van  den  Koning. 

Terwijl  het  Fransche  leger  in  de  Nederlanden  dus  minder 
sterk  was  geworden,  had  dat  van  Willem  III  in  sterkte  gewonnen 
door  de  komst  van  de  Brandenburgers  en  van  andere  Duitsche 
hulptroepen;  op  die  wijze  kwam  er  meer  gelijkheid  in  de  macht 
van  de  wederzijdsche  partijen.  Enkele  cijfers  zullen  dit  meer  in 
bijzonderheden  doen  zien. 

Volgens  Beaurain  had  Luxembourg's  leger,  in  Augustus  1691, 
eene  sterkte  van  54  bataljons  en  135  eskadrons;  had  het  bataljon 
en  het  eskadron  toen  de  gewone  sterkte  —  wat  evenwel  niet 
zeker  is  —  dan  maakte  dit  uit,  43200  man  voetvolk  en  21600 
ruiters;  te  zamen  64800  man.  Die  macht  werd  toen  nog  ver- 
sterkt door  33  eskadrons  —  ruim  5000  ruiters  —  waarmede 
BoufHers  vroeger  was  werkzaam  geweest  naar  de  zijde  van  Arlon 
en  van  den  Moezel.  Bovendien  was  eene  verschanste  linie,  die, 


1/ 


Digitized  by 


Google 


/ 


112  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

van  de  Schelde  tot  de  zee  gaande,  Fransch  Vlaanderen  moest 
beschermen  tegen  de  strooptochten  van  de  bondgenooten,  bezet 
door  7  bataljons  en  35  eskadrons,  te  zamen  10  ^  11 000  man, 
onder  het  bevel  van  De  Villars,  het  latere  legerhoofd  van  Mal- 
plaquet  en  Denain.  De  Fransche  legermacht  in  de  Nederlanden 
was  toen  dus  in  het  geheel  een  80000  man;  —  altijd  aan- 
nemende dat  het  bataljon  800  man  telde,  en  het  eskadron  160. 
Het  leger  van  Willem  III  bestond,  in  Augustus  1691,  uit  65 
bataljons  en  180  eskadrons;  >'t  geen*'  —  voegt  de  Europische 
Mercurius  er  bij  —  »over  de  56000  man  uitmaakte;"  —  dit 
cijfer  is  niet  onwaarschijnlijk,  want  men  bereikt  het  als  men  het 
bataljon  op  een  600  man  en  het  eskadron  op  een  groote  100 
ruiters  stelt,  de  gewone  sterkte  bij  het  toenmalige  leger  van  de 
Republiek.  Beaurain  geeft  aan  het  leger  van  Willem  III  eenige 
bataljons  meer,  maar  een  aantal  eskadrons  minder:  72  bataljons 
en  ongeveer  100  eskadrons; — natuurlijk  is  hier  de  Hollandsche 
opgave  meer  te  vertrouwen  dan  de  Fransche.  —  Behalve  dit 
leger  van  Willem  III,  was  er  eene  afdeeling  onder  den  Branden- 
burgschen  generaal  Flemming,  bestaande  uit  Brandenburgsche, 
Hessische  en  Luiksche  troepen,  en  sterk  17  bataljons  en  30 
eskadrons,  te  zamen  over  de  14000  man,  volgens  de  Europische 
Mercurius;  Beaurain  geeft  aan  die  afdeeling  van  Flemming  ook 
17  bataljons,  maar  slechts  13  eskadrons.  Eindelijk  had  Gastanaga, 
de  Spaansche  landvoogd  van  de  Nederlanden,  nog  in  Vlaanderen 
aan  voetvolk,  ruiters  en  dragonders  ruim  7000  man,  die,  des 
noods  zijnde,  nog  eenigszins  versterkt  konden  worden  door  afdee- 
lingen  uit  de  bezettingen  der  Spaansche  vestingen.  Voegt  men 
dat  alles  nu  bijeen,  dan  komt  men  ook  zoo  wat  tot  het  cijfer 
van  80000  man,  voor  de  legermacht  der  bondgenooten  in  de 
Zuidelijke  Nederlanden.  Het  is  dus  waarschijnlijk  dat  de  beide 
partijen  aldaar  toen  nagenoeg  gelijkstonden  wat  de  getalsterkte 
betreft. 

Maar  de  militaire  waarde  der  troepen?  —  daaromtrent  deelen 
wij  het  oordeel  mede  van  de  Europische  Mercurius,  die  van  het 
leger  van  Willem  III  zegt: 

>Alle  verstandige  persoonen  en  die  den  oorlog  langen  tijd 
hadden  gediend,  verzekerden  dat  men  wel  veel  grooter  legers 
had  gezien,  maar  nooit  schoonder  troepen...";  en  er  dan  bij- 
voegt: >de  fransche  armee  had  eenige  battaillons  minder,  maar 
meerder  cavallery,  al  te  maal  de  bloem  van  des  Konings  troe- 
pen..."; en  van  de  afdeeling  van  Flemming:  >d'infantery,  be- 
staande uit  de  troepen  van  Brandenburg  en  Hessen,  was  vol- 
komentlijk  goed  en  in  goeden  staat;  doch  de  cavallery  en 
dragonders  (waar  onder  1500  man  van  Luik,  gecommandeerd 
door   den    Graaf  van    Serclas,    en    de   rest   van   Brandenburg) 


Digitized  by 


Google 


VERDERE   KRIJGSVERRICHTINGEN    IN   DE   NEDERLANDEN.        II3 

waren  de  minste  troepen,  hoewel  echter  goed  geheelen  konden 
worden . . ," 

Wij  kunnen  ons  goed  vereenigen  met  dat  oordeel  over  de 
militaire  waarde  der  troepen,  ook  wat  den  Franschen  betreft ; 
want,  hoezeer  er  reeds  toen  teekenen  van  verval  vielen  waar  te 
nemen  in  het  Fransche  krijgswezen,  zoo  belet  dit  echter  niet  dat 
ook  toen  een  Fransch  leger  nog  een  geduchte  kracht  had,  en 
dat  >de  bloem  van  des  Konings  troepen"  —  onder  andere  de 
vermaarde  Maison  du  Rot'  —  op  het  slagveld  zelden  haar  gelijke, 
en  nog  zeldzamer  haar  meerdere  ontmoette. 

Wij  willen  thans  kortelijk  de  bewegingen  van  de  beide  legers 
vermelden  van  half  Juli  tot  half  September,  toen  Willem  III  zijn 
leger  verliet  om  naar  Holland  terug  te  keeren. 

Eenige  bewegingen  van  de  hoofdmacht  der  bondgenooten 
hadden  Luxembourg  onrust  ingeboezemd  voor  Dinant  en  Philip- 
peville  en  voor  de  landstreek  tusschen  Sambre  en  Maas  gelegen ; 
de  Fransche  veldheer  duchtte  dat  zijn  vijand  zich  zou  plaatsen 
tusschen  het  Fransche  leger  en  de  zooeven  genoemde  vestingen, 
en  daardoor  hare  belegering  gemakkelijk  maken.  Om  dit  nadeel 
af  te  weren  besloot  Luxembourg  de  Sambre  meer  te  naderen. 
Den  i4en  Juli  stelde  het  Fransche  leger  zich  in  beweging  van 
Soignies,  en  trok  op  Estinnes,  iets  westelijk  van  Binche;  en  den 
i6en  verliet  het  zijne  legerplaats  te  Estinnes  en  kwam  het  te 
Merbe-Potterie,  op  den  linkeroever  van  de  Sambre,  nabij  Thuin; 
dadelijk  werden  er  drie  schipbruggen  over  de  rivier  geslagen. 
De  marsch  van  den  14611  Juli  was  een  groote  2  uren  gaans; 
die  van  den  lóen  minder  dan  2  uren  gaans;  beide  dus  kleine 
marschen. 

Van  zijne  zijde  brak  Willem  III  in  den  nacht  van  den  igen 
op  den  2osten  Juli  van  Gemblours  op,  en  rukte  vooruit  op  Fleu- 
rus;  hier  bleef  hij  den  2osten;  maar  den  21  sten  zette  hij  den 
marsch  voort  naar  de  Sambre;  ging,  door  middel  van  twee 
bruggen,  ieder  van  10  pontons,  die  rivier  over  te  Montigny,  iets 
ten  oosten  van  Charleroi;  en  sloeg  zich  dien  dag  neer  te  Ger- 
pinnes,  op  den  rechteroever  der  Sambre,  maar  zoo  wat  een  uur 
gaans  van  die  rivier  verwijderd.  Toen  hij  bericht  kreeg  van  die 
beweging  der  bondgenooten,  ging  ook  Luxembourg  nog  den 
21  sten  Juli  op  den  rechteroever  der  Sambre  over,  en  bereikte 
dien  dag  Boussu,  tusschen  Walcourt  en  Beaumont;  den  2  2sten 
zette  hij  den  marsch  voort,  in  oostelijke  richting,  op  Florennes, 
en  dekte  door  die  beweging  de  achterliggende  vesting  Philippeville. 

Het  yoornemen  van  Willem  III  was  werkelijk  om  den  22sten 
Juli  op  Florennes  te  trekken  en  verder  op  Philippeville;  maar 
toen  hij  vernam  dat  zijn  tegenstander  hem  daartoe  den  weg 
afsloot  en  diens  stelling  te  sterk  was  om  te  worden  aangevallen, 

WILLEM   III.   —   ni.  8 

Digitized  by  VjOOQIC 


114  KRIJGS-    EN'  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

deed  hij  het  leger  der  bondgenooten  zich  nederslaaD  tusschen 
Leneff  en  Bersée,  op  den  rechteroever  van  de  Heure,  een 
kleine  rivier,  of  beek,  die  zich  te  Marchienneaupont  in  de 
Sambre  werpt.  Zoo  bleven  de  beide  legers  eenige  dagen  tegen- 
over elkander  staan,  op  een  onderlingen  afstand  van  niet  meer 
dan  een  groot  uur  gaans.  Beaumont,  dat  men  niet  vatbaar  achtte 
voor  een  goede  verdediging,  werd  door  de  Franschen  ontruimd 
en  door  een  Hollandsche  afdeeling  bezet;  een  groot  magazijn 
van  leeftocht  en  paardevoêr  werd  door  de  aftrekkende  bezetting 
in  brand  gestoken,  zoodat  slechts  een  kleine  voorraad  in  handen 
van  de  bondgenooten  viel. 

Ds  Brandenburgsche  afdeeling  onder  den  generaal  Flemming 
rukte  den  2en  Augustus  op  van  Hoey,  en  kwam  den  6en  aan  de 
Sambre,  één  k  twee  uur  beneden  Charleroi;  hier  kon  die  afdee- 
ling gemakkelijk  de  rivier  overgaan  en  aanvallen  op  de  tegen- 
overstaande macht  van  Boufflers.  Luxembourg,  vreezende  dat 
zijn  onderbevelhebber  dan  in  een  nadeelig  gevecht  zou  worden 
gewikkeld,  trok  die  afdeeling  van  Boufflers  toen  bij  de  hoofd- 
macht aan;  en  van  zijne  zijde  sloot  Flemming  zich,  den  loen 
Augustus,  bij  het  hoofdleger  der  bondgenooten  aan. 

Den  yen  Augustus  verliet  Willem  III  zijne  legerplaats  tegenover 
Luxembourg,  en  trok  in  westelijke  richting  naar  de  zijde  van 
Beaumont;  het  kamp  der  bondgenooten  kwam  op  slechts  een 
uur  afstands  van  die  stad  tusschen  Bersée  en  Hamsurheure.  Die 
stelling  van  Willem  III  tusschen  Walcourt  en  Beaumont  bedreigde 
de  gemeenschap  van  het  Fransche  leger  met  Maubeuge,  Mons, 
Valenciennes  en  andere  vestingen,  waar  het  zijne  magazijnen  had 
en  van  waar  het  zijn  toevoer  ontving.  Om  dat  gevaar  te  keeren, 
trok  Luxembourg  ook  naar  de  zijde  van  Beaumont  en  plaatste 
hij  zich  ten  zuiden  van  die  stad.  Een  veldslag  scheen  toen  aan- 
staande. Den  loen  Augustus  stonden  beide  legers  in  slagorde 
tegenover  elkander,  maar  gescheiden  door  de  beek  die  door 
Beaumont  loopt;  eenige  uren  had  er  over  en  weer  kanonvuur 
plaats;  maar  het  legerhoofd  van  de  bondgenooten  oordeelde 
's  vijands  stelling  te  sterk  en  zag  af  van  den  aanval.  Beide  legers 
keeren  daarop,  den  iicn  Augustus,  naar  hunne  kampen  terug: 
Luxembourg  tusschen  Boussu  en  Beaumont ;  Willem  III  te  Marbay 
en  het  kasteel  van  Court,  op  den  linkeroever  van  de  Heure. 

Daar  bleven  de  beide  legers  nog  een  aantal  dagen  tegenover 
elkander,  zonder  iets  te  doen.  Geen  der  beide  partijen  had  lust 
om  iets  belangrijks  te  ondernemen.  Luxembourg  had  last  van 
het  Fransche  hof  om  de  vestingen  te  beschermen,  maar  geen 
veldslag  te  leveren  tenzij  hij  bijna  zeker  was  van  de  overwin- 
ning;  en   Willem  III  —  zegt  Beaurain  —  stelde   zich   daarmee 


Digitized  by 


Google 


VERDERE  KRIJGSVERRICHTINGEN   IN   DE   NEDERLANDEN.        II5 

tevreden,  dat  hij  zijn  leger  en  dat  des  vijands  op  grooten  afstand 
hield  van  Brussel,  en  daardoor  het  bombardement  van  die  hoofd- 
stad belette.  Tot  den  23sten  Augustus  bleef  het  leger  der  bond- 
genooten  aan  de  Heure;  toen  trok  het,  na  den  vorigen  dag  de 
yestingwerken  van  Beaumont  te  hebben  laten  springen,  in  ooste- 
lijke richting  en  sloeg  zich  neder  te  Saint-Gerard,  nagenoeg  even 
ver  van  Charleroi  als  van  Namen  en  een  paar  uur  ten  zuiden 
van  de  Sambre;  Luxembourg  ging  daarop  iets  vooruit  en  bezette 
Beaumont. 

Dat  verlaten  van  de  Heure  door  Willem  III  schijnt  tot  oor- 
zaak gehad  te  hebben,  dat  in  die  landstreek  geen  paardevoer 
meer  was  te  vinden;  en  diezelfde  oorzaak  noopte  eenige  dagen 
later  om  de  legerplaats  bij  Saint-Gerard  te  verlaten:  den  4en 
September  trok  het  leger  van  Willem  III  de  Sambre  over  te 
Fromont,  halfweg  Namen  en  Charleroi,  en  kwam  dien  dag  te 
Velaines  en  Fleurus.  Luxembourg,  op  het  eerste  bericht  dat  de 
bondgenooten  weer  op  den  linkeroever  van  de  Sambre  over- 
gingen, trok  ook,  nog  den  4en  September,  in  de  nabijheid  van 
Thuin  die  rivier  over;  betrok,  nog  dien  dag,  eene  legerplaats 
tusschen  Séneffe  en  Arquennes;  en  kwam,  den  6en,  te  Soignies. 

De  Brandenburgsche,  Hessische  en  Luiksche  troepen  schijnen 
zich  toen  weer  te  hebben  afgescheiden  van  het  hoofdleger  der 
bondgenooten,  en  eene  afzonderlijke  legermacht  te  hebben  uit- 
gemaakt, onder  het  bevel  van  een  landgraaf  van  Hessen.  In 
September  was  die  legermacht  in  Condroz,  de  landstreek  op  den 
rechteroever  van  de  Maas,  ten  zuiden  van  Hoey.  Veel  bijzonders 
voerde  de  landgraaf  van  Hessen  daar  niet  uit ;  de  Brandenburgers 
van  Flemrning  en  de  Luikenaars  van  Serclaes  » hadden  een  wijl 
op  's  vijands  bodem  geleefd"  —  zegt  de  Europische  Mercurius; 
en  dit  schijnt  zoo  wat  bet  voornaamste  voordeel  te  zijn  geweest, 
dat  men  toen  behaalde.  Den  2osieii  September  gaat  die  macht 
der  bondgenooten  van  Marche  terug  op  Hotton,  een  plaatsje 
aan  de  Ourthe;  eene  Fransche  troepenafdeeling,  onder  Boufflers^ 
staat  toen  eenige  uren  westelijk,  te  Rochefort.  Tusschen  de  beide 
partijen  hebben  nog  onbeduidende  bewegingen  plaats;  en  de 
veldtocht  eindigt  daarmee,  dat  die  troepenmacht  van  den  land- 
graaf van  Hessen  zich  nederslaat  bij  de  stad  Luik. 

Luxembourg,  weer  op  den  linkeroever  van  de  Sambre  terug- 
komende, had  daarmee  tot  doel  het  dekken  van  Henegouwen 
en  Fransch  Vlaanderen,  zooals  hij  op  den  rechteroever  der 
rivier  de  vestingen  Dinant  en  Philippeville  had  beschermd.  Ook 
hier  had  de  Fransche  veldheer  geen  moeielijke  taak,  daar  zijn 
tegenpartij  niets  ernstigs  meer  ondernam.  De  liniën  die  Fransch 
Vlaanderen  dekten,  waren  in  Augustus  bedreigd  geworden  door 
Gastanaga  met  een  Spaansche  troepen afdeeling  van  7  bataljons 


Digitized  by 


Google 


Il6  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

en  13  eskadrons;  die  afdeeling  kon  nog  versterkt  worden  door 
een  1200  man  uit  de  nabijzijnde  vestingen.  Een  aanval  bleef 
echter  achterwege,  omdat  men  onderricht  werd  dat  Villars,  de 
Fransche  bevelhebber,  te  goede  maatregelen  van  verdediging  had 
genomen. 

Beaurain  vermeldt,  dat  Villars  bij  die  gelegenheid  de  schansen 
der  linie  had  doen  bezetten  door  » gewapende  boeren,  in  elke 
schans  ondersteund  door  vier  of  vijf  uitgelezen  soldaten";  {il  m'ait 
mis  dans  chaqiie  redoute  des  paysans  armés  et  avec  eux  quatre  ou  cinq 
soldats  choisis  pour  les  rassurer);  hijzelf  was,  met  zijn  geheel  ver- 
eenigde  macht,  gereed  om  naar  d4t  punt  der  linie  te  trekken» 
waar  de  vijand  zou  willen  aanvallen.  Dat  bezigen  van  gewapend 
landvolk  tot  het  bezetten  van  schansen  of  versterkte  steden,  was 
toen  geen  zeldzaamheid;  men  had  de  boeren  maar  voor  het 
oproepen,  want  aan  die  oproeping  ongehoorzaam  te  zijn,  dat 
vermeette  zich  toen  niemand,  dat  werd  gestraft  als  rebellie  of 
hoogverraad;  en  bovendien,  die  boeren  hadden  er  persoonlijk 
groot  belang  bij,  dat  hunne  huizen  en  akkers  beveiligd  bleven 
tegen  een  vijandelijk  leger  dat  gewoon  was  met  onverbiddelijke 
gruwzaamheid  te  woeden  tegen  den  vreedzamen  landzaat. 

Of  nu  die  maatregelen,  door  Villars  tot  verdediging  van  de 
Fransche  liniën  genomen,  een  goede  uitkomst  zouden  hebben 
gehad,  kan  niet  uit  de  ondervinding  worden  afgeleid;  want  de 
bondgenooten  hebben  toen  die  liniën  niet  aangevallen.  Er  hebben 
tusschen  de  beide  hoofdlegers  nog  onbeduidende  bewegingen  en 
marschen  plaats,  ten  gevolge  waarvan  Luxembourg  achteruit 
gaat  naar  de  Schelde,  en  den  lyea  September  te  Renaix  is;  het 
leger  der  bondgenooten  stond  toen  nabij  Ath.  Willem  III  verliet 
dien  dag  het  leger  om  naar  Holland  terug  te  keeren,  denkende 
dat  er  geen  kans  meer  was  op  een  belangrijke  ontmoeting. 
Waldeck  kreeg  het  opperbevel;  en  het  nadeelig  ruitergevecht 
bij  Leuze,  op  den  1960  September,  waarmede  de  veldtocht  ein- 
digde, is,  misschien,  voor  een  deel  te  wijten  aan  zijn  minder 
goed  beleid. 

De  billijkheid  vordert,  hierbij  te  voegen,  dat  Waldeck  volstrekt 
--7  niet  geïntrigeerd  had  om  dat  opperbevel  te  verkrijgen:  hij  was 
toen  op  gevorderden  leeftijd  en  ziekelijk,  en  had  reeds  vroeger, 
maar  tevergeefs,  aan  Willem  III  verzocht  om  zich  uit  het  leger 
te  mogen  verwijderen.  Reeds  den  3osten  Augustus,  nog  uit  de 
legerplaats  van  Saint-Gerard,  schrijft  Waldeck  aan  den  raadpen- 
sionaris Heinsius:  »Nóg  blijven  wij  hier,  en  ik  weet  niet  wanneer 
Z.  M.  zal  opbreken  en  welken  weg  inslaan.  De  te  nemen  maat- 
regelen zijn  vrij  moeielijk,  vooral  als  Z.  M.  weggaat  en  het  leger 
wordt  ontbonden.  Mijne  ongesteldheid  heeft  mij  verlof  doen 
vragen,  om  elders  rustig  mijne  gezondheid  te  herstellen;  maar 
Z.  M.  wil  dat  ik  bij  het  leger  zal  blijven;  en  daar  zal  mijn  taak 


Digitized  by 


Google 


LEUZE.  1 1  7 

ZÓÓ  nioeielijk  zijn,  dat  ik  er  aan  twijfel  of  ik  die  goed  kan  vol- 
brengen. Aan  *s  lands  dienst  offer  ik  mijn  leven  op,  mijn  ge- 
zondheid, en  alles  wat  ik  ter  wereld  heb;  maar  mijn  krachten 
nemen  af,  en  verdriet  en  kommer  zullen  mijn  einde  verhaasten. 
God  ontferme  zich  over  de  mijnen.*'  (Archief  van  Heinsius,  2' 
deel,  blz.  44.) 

Aan  een  man  die  in  zulk  een  toestand  verkeert,  mag  men,  in 
billijkheid,  geen  strenge  eischen  als  veldheer  stellen. 

Nog  den  1760  September  was  het  leger  van  de  bo.ndgenooten 
opgebroken  van  Ath,  om  Doornik  te  naderen;  het  legerde  zich 
oostelijk  van  Leuze,  een  dorp  halfweg  Doornik  en  Ath;  het 
kamp  van  de  bondgenooten  maakte  front  naar  de  Dender, 
leunde  links  aan  Leuze  en  aan  de  beek  die  zich  daar  in  die 
rivier  werpt,  en  rechts  aan  de  beek  van  Blicquy,  die  zich  ook 
met  de  Dender  vereenigt  maar  zoo  wat  een  uur  gaans  beneden 
de  beek  van  Leuze.  Wat  die  beweging  naar  de  zijde  van  Doornik 
ten  doel  had,  is  onzeker;  had  zij  een  doel?  men  zou  er  haast 
aan  twijfelen;  onmiddellijk  daarop  besluit  Waldeck  ten  minste 
om  naar  Ath  terug  te  keeren.  Den  1900  September  heeft  die 
marsch  der  bondgenooten  plaats,  van  Leuze  naar  Ath;  en  het 
is  bij  dien  marsch  dat  hunne  achterhoede  door  Luxembourg 
wordt  aangevallen. 


Het  Fransche  legerhoofd  was  den  i8en  September  van  Renaix 
getrokken  naar  de  Schelde,  op  Hermes,  nagenoeg  een  uur  of 
drie  gaans  ten  noorden  van  Doornik.  Te  Herines  zelf  kwam  de 
hoofdmacht  van  het  Fransche  leger ;  maar  Luxembourg,  die  eene 
onderneming  tegen  de  bondgenooten  wilde  beproeven,  trok  zelf 
met  70  eskadrons  ruiters  en  dragonders  op  Doornik,  en  legerde 
zich  in  de  onmiddellijke  nabijheid  van  die  stad.  Van  daar  zond 
hij  dadelijk  eene  afdeeling  van  400  paarden  ter  verkenning  uit, 
om  berichten  in  te  winnen  van  den  vijand;  en  toen,  nog  in 
den  nacht,  door  die  verkenningspatrouille  bericht  werd  inge- 
zonden, dat  de  bondgenooten  deo  1960  op  marsch  zouden  gaan 
van  Leuze  op  Alh,  deed  Luxembourg  onverwijld  zijne  ruiterij  op- 
zadelen, van  zins  om  daarmee  's  vijands  achterhoede  aen  te  vallen. 

Het  leger  van  de  bondgenooten  was  's  morgens  om  vijf  uur 
op  marsch  gegaan  naar  de  zijde  van  Ath,  maar  had  spoedig 
den  marsch  moeten  staken,  omdat  de  bruggen  over  de  beek 
van  Blicquy,  naar  het  schijnt  gebrekkig  gebouwd,  onbruikbaar 
werden  toen  het  geschut  daaroverheen  trok.  Het  herstellen  van 
die  bruggen  kostte  geruimen  tijd,  zoodat  het  elf  uur  werd  voor- 
dat de  hoofdmacht  van  het  leger  zich  weer  in  beweging  stelde. 
Achtereenvolgens  werd  de  beek  van  Blicquy  overgetrokken,  door 
den   rechtervleugel  onder  den  Spaanschen  generaal  De  Grigny, 


Digitized  by 


Google 


Il8  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

door  het  centrum,  waarbij  Waldeck  zelf  was,  en  eindelijk  door 
den  linkervleugel  onder  Nassau-Sarbruck.  Men  had  wel  een  be- 
richt bekomen,  dat  er  Fransche  ruiterij  in  aantocht  was  van  de 
zijde  van  Doornik;  maar  een  uitgezonden  verkenning  had  niets 
bespeurd  van  den  vijand;  men  meende  dus  niets  te  duchten  te 
hebben;  hoogstens,  meende  men,  kon  de  marsch  verontrust 
worden  door  eenige  ruiterij  van  de  bezetting  van  Doornik. 
Weinig  vermoedde  men  dat  Luxembourg,  dien  men  in  front  van 
het  legerkamp  der  bondgenooten  naar  de  zijde  van  Lessines 
waande,  zoo  spoedig  met  sterke  macht  hun  linkervleugel  zou 
komen  aanranden. 

Een  zware  mist  hield  het  veld  overdekt,  en  ook  daardoor 
bleef  's  vijands  nadering  verborgen  voor  de  bondgenooten ;  maar 
toen  tegen  den  middag  die  mist  optrok,  ontdekte  men  den  aan- 
tocht van  eene  sterke  vijandelijke  ruiterij.  Op  dat  oogenblik  was 
Nassau-Sarbruck,  met  een  groot  deel  van  den  linkervleugel, 
reeds  teruggegaan  achter  de  beek  van  Blicquy;  en  tusschen  die 
beek  en  de  beek  van  Leuze  stond  toen  niets  anders  dan  een 
achterhoede,  onder  den  generaal  De  Tilly,  en  sterk  4  eskadrons 
ruiterij,  2  regimenten  dragonders  en  2  regimenten  voetvolk,  alles 
troepen  van  de  Republiek.  Tilly  zou  zeer  goed  het  gevecht  heb- 
ben kunnen  ontwijken  door  terug  te  gaan  achter  de  beek  van 
Blicquy,  en  daar  eene  stelling  te  nemen  die  de  vijand  moeielijk 
zou  hebben  kunnen  aanvallen ;  maar  aan  dat  teruggaan  viel  toen 
niet  te  denken,  omdat  juist  op  dat  oogenblik  de  bruggen  over 
de  beek  versperd  waren  door  de  overtrekkende  bagage ;  het  was 
toen  dus  onvermijdelijk  om  stand  te  houden  en  het  gevecht  aan 
te  nemen.  Tilly  schaarde  zijne  ruiters  en  dragonders  op  eene 
vlakte,  nagenoeg  halfweg  tusschen  de  beide  beken,  in  eene  slag- 
linie die,  rechts,  zich  tot  bij  de  Dender  uitbreidde,  en,  links, 
naar  heggen  en  bosschen,  ongeveer  een  kwartieruur  gaans  ten 
zuiden  van  de  rivier;  die  heggen  en  bosschen  werden  bezet  door 
de  twee  regimenten  voetvolk. 

Van  Doornik  vertrekkende,  had  Luxembourg  eerst  zijn  marsch 
genomen  in  zuidelijke  richting,  over  den  grond  die,  een  halve 
eeuw  later,*  het  slagveld  van  Fontenoy  zou  heeten,  had  toen 
links  aangehouden,  was  den  weg  van  Doornik  naar  Mons  over- 
getrokken,  en  had,  zich  steeds  in  oostelijke  richting  bewegende, 
eindelijk  Leuze  bereikt.  Villars,  die  met  enkele  eskadrons  vooruit 
was,  berichtte  aan  den  veldheer  dat  de  bondgenooten  hun  leger- 
kamp hadden  opgebroken,  en  dat  zich  tusschen  de  beide  beken 
niets  meer  bevond  dan  eene  achterhoede;  —  een  14  of  15  eska- 
drons, volgens  de  Franschen ;  volgens  onze  opgaven  veel  minder. 
Luxembourg  gelastte  niet  aan  te  vallen  vóór  dat  hij  zich  zelf 
van   den  stand  der   zaken  had  vergewist;  maar  toen  hij,  ijlings 


Digitized  by 


Google 


LEUZE.  119 

vooruitgerend  zijnde,  bij  Villars  was  gekomen,  begreep  hij  dat 
het  zaak  was  om  niet  te  wachten  totdat  de  70  eskadrons  Leuze 
hadden  bereikt,  maar  onverwijld  aan  te  vallen  met  de  voor- 
handen ruiterij,  een  groote  20  eskadrons.  Het  vertragen  van  den 
aanval  kon  toch  aanleiding  geven  dat  de  vijandelijke  achterhoede 
krachtig  werd  versterkt;  of  dat  zij  zich  in  veiligheid  stelde  door 
terug  te  gaan  achter  de  beek  van  Blicquy. 

Twee  regimenten  Fransche  dragonders  stijgen  af  en  vallen  het 
Hollandsche  voetvolk  aan,  dat  de  heggen  en  bosschen  bezet  aan 
de  linkerzijde  van  de  Hollandsche  ruiterij;  het  doel  van  dien 
aanval  is  voornamelijk  om  het  vuur  van  dat  voetvolk  af  te 
leiden  van  de  Fransche  ruiterij  op  de  vlakte;  —  die  ruiterij 
rukt  ten  aanval,  een  zestal  eskadrons  in  eene  tweede  linie  plaat- 
sende, omdat  het  terrein  niet  toelaat  ze  in  de  eerste  linie  op  te 
nemen.  De  strijd  vangt  aan;  de  Franschen  bezigen  daarbij  de 
goede  ruiter-taktiek,  de  taktiek  van  Seydlitz:  zij  hielden  zich  niet 
op  met  het  gebruiken  van  de  vuurwapens,  maar  reden  den  vijand 
te  gemoet  >den  degen  in  de  vuist,  en  hun  hoofden  op  de  halzen 
der  paarden  gelegt",  —  zegt  een  Hollandsche  opgave;  de  Hol- 
landsche ruiterij,  'daarentegen,  eenigszins  beschermd  door  een 
soort  van  ravijn  vóór  haar  front,  bleef  stilstaan  en  vuurde  op 
den  vijand;  en  toen  die  vijand,  zonder  veel  moeite  het  ravijn 
doortrekkende,  aan  de  andere  zijde  aanviel  op  de  Hollandsche 
ruiterij,  had  dit  het  gewone  gevolg  dat  die  ruiterij  werd  overhoop 
geworpen  en  geslagen.  Die  nederlaag  is  te  minder  te  verwon- 
deren, als  men  bedenkt  dat  de  Fransche  ruiterij  eene  groote 
overmacht  aan  hare  zijde  had,  en  dat  bij  die  ruiterij  de  Maison  du 
Ros  was,  toen  ontegenzeggelijk  de  dapperste  ruiterij  van  de  wereld. 

Bij  de  eerste  verschijning  van  Luxembourg's  macht  had  Tilly 
hiervan  bericht  gezonden,  en  versterking  gevraagd;  die  verster- 
king kwam  toen  ijlings  en  achtereenvolgens  op  het  slagveld  — 
het  allereerst  natuurlijk  ruiterij  —  en  nam  het  gevecht  op;  maar 
hoe?  dit  is  moeielijk  te  zeggen.  De  Fransche  opgaven  —  zelfs 
Beaurain  —  stellen  de  zaak  zóó  voor,  alsof  de  ruiterij  der  bond- 
genooten  geregeld  op  zes  liniën  heeft  gestaan,  en  alsof  al  die 
zes  liniën,  achtereenvolgens,  zijn  overhoop  geworpen  en  geslagen ; 
en  zij  beroemen  zich  daarop,  dat  26  of  28  eskadrons,  zonder 
eenige  infanterie,  de  overwinning  hebben  behaald  op  75  Hol- 
landsche eskadrons,  door  voetvolk  en  geschut  ondersteund.  Die 
voorstelling  heeft  de  waarschijnlijkheid  niet  aan  hare  zijde:  het 
kan  zeer  goed  zijn,  dat  er  van  de  70  eskadrons  van  Luxembourg 
slechts  26  of  28  in  gevecht  zijn  gekomen;  maar  het  is  niet  aan 
te  nemen,  dat  er  aan  de  Hollandsche  zijde  75  eskadrons,  tege- 
lijk, in  werking  zijn  geweest;  het  is  veeleer  waarschijnlijk  dat 
die  Hollandsche  eskadrons,  ieder  op  zichzelve,  dadelijk  bij  hunne 


Digitized  by 


Google 


120  KRUGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

verschijning  op  de  strijdplaats,  in  het  gevecht  zijn  gewikkeld,  dat 
verward  zal  zijn  geweest^  zooals  een  ruitergevecht  dikwijls  is. 

Dat  laatste  grondt  zich  ook  op  wat  door  den  generaal  Was- 
senaer-Obdam  over  dat  gevecht  van  Leuze  wordt  gezegd.  Men 
moet  niet  vergeten,  dat  Wassenaer-Obdam,  wiens  militaire  naam 
later  gekreukt  is  geworden  door  de  gebeurtenis  van  Eeckeren, 
toch  anders  een  braaf  en  dapper  krijgsman  is  geweest;  hij  had 
den  moed  van  een  soldaat,  indien  hem  al  de  bekwaamheid  ont- 
brak van  een  legerhoofd.  Bij  dien  marsch  van  den  I9en  Sep- 
tember 1691  was  Wassenaer-Obdam  aan  het  hoofd  van  den  lin- 
kervleugel, toen  het  bericht  inkwam  dat  de  achterhoede  werd 
aangevallen;  ijlings  daarheen  gesneld,  was  hij  in  een  oogenblik, 
vóór  dat  hij  er  aan  denken  kon,  te  midden  van  den  vijand  en 
in  een  gevecht  gewikkeld,  waaraan  hij  dapper  deelnam,  maar 
dat  hij  niet  in  het  minst  heeft  kunnen  leiden: 

...»Je  me  trouvay  d'abord"  —  schrijft  hij  aan  Heinsius  — 
»^  la  portee  du  pistolet  de  la  première  ligne  des  ennemis,  com- 
posée  de  toute  la  Maison  du  Roy;  aussi  il  ne  s'agissoit  plus  que 
de  charger  en  caribinier,  car  nous  n'eusmes  pas  Ie  loisir  de  faire 
la  fonction  de  généraux  comme  il  falloit,  et  il  n*  y  avoit  qu'  k 
payer  de  sa  personne."  (Archief  van  Heinsius,  2^  deel,  blz.  45). 

Uit  die  verklaring  van  Wassenaer-Obdam  —  die  hier,  om  hare 
volle  kracht  te  behouden,  onvertaald  is  gelaten  —  is  het  dus 
duidelijk,  dat  dit  gevecht  bij  Leuze  een  verward  ruitergevecht  is 
geweest,  waarbij  men  niet  met  juistheid  kan  zeggen  wie  ge- 
streden heeft,  waar  en  hoe;  wel,  hoelang:  algemeen  komt 
men  daarin  overeen,  dat  de  strijd  een  groot  uur  heeft  geduurd; 
toen  deed  Luxembourg  zijne  ruiterij  teruggaan;  eensdeels  omdat 
Waldeck's  legermacht  intusschen  stelling  had  genomen  achter  de 
beek  van  Blicquy,  en  er  dus  voor  de  Franschen  aan  geen  verder 
doordringen  viel  te  denken,  en  anderdeels  omdat  zij  te  veel  ver- 
lies begonnen  te  lijden  door  het  geweer-  en  kanonvuur  van  de 
Hollanders,  uit  de  bosschen  en  heggen  ten  zuiden  van  de  kamp- 
plaats: eene  opgave  zegt,  dat  hier  aan  de  Hollandsche  zijde  3 
stukken  werkzaam  waren;  eene  andere  opgave  spreekt  zelfs  van 
9  vuurraonden. 

Hoe  dit  zij,  genoeg,  de  Fransche  ruiterij  ging  terug;  zeer 
ordelijk:  de  eerste  linie,  de  Maison  du  Roi^  werd  opgenomen 
door  de  tweede  linie,  de  Gensdarmerie^  en  kwam  op  300  pas 
achter  die  tweede  linie  weer  in  slagorde;  dan  trok  de  Gensdar- 
merie  op  dezelfde  wijze  terug;  in  één  woord,  het  was  een  ge- 
regeld doortrekken  van  de  liniën.  Vervolging  van  de  Hollandsche 
zijde  had  er  niet  plaats ;  tot  vier  uur  's  namiddags  bleef  Waldeck 
in  de  stelling  achter  de  beek  van  Blicquy,  en  zette  toen  den 
marsch  ongehinderd  voort. 


Digitized  by 


Google 


LEUZE.  121 

De  verliezen  van  de  beide  partijen  bij  dit  gevecht  van  Leuze 
worden  verschillend  opgegeven.  Volgens  de  Franschen  zou  Luxera- 
bourg's  ruiterij  niet  meer  dan  een  400  man  hebben  verloren  aan 
dooden  en  gewonden ;  van  de  bondgenooten  daarentegen  zouden 
er  ongeveer  1400  man  op  het  slagveld  zijn  gebleven,  400  ge- 
vangen genomen,  en  bijna  1500  gewond  zijn;  36  standaarden 
en  2  paar  keteltrommen  vielen  den  Franschen  in  handen.  Onze 
opgaven  betwisten  de  juistheid  van  die  cijfers;  en  volgens  Wal- 
deck zelven  zouden  de  verliezen  nagenoeg  gelijkstaan,  en  bij 
elke  der  beide  partijen  ongeveer  een  600  man  bedragen.  Wat 
de  standaarden  betreft,  de  Europische  Mercurius  zegt,  dat  wij 
ook  enkele  op  de  Franschen  hebben  veroverd;  en  dat,  wanneer 
wij  een  veel  grooter  getal  standaarden  hebben  verloren  dan  ge- 
nomen, dit  is  toe  te  schrijven  aan  eene  bijzondere  omstandig- 
heid: >  ondertusschen  moet  men  ook  weeten,  dat  er  de  fran- 
schen zoo  veel  niet  in  hunne  esquadrons  hebben,  als  de  hoUanders; 
en  dat  men  ze"  (de  Hollandsche  standaarden)  >  dikwijls,  bij  ge- 
brek aan  officiers,  aan  slechte"  (gewone)  » ruiters  te  bewaaren 
geeft^  welke  geen  eer  stellende  in  ze  te  behouden,  zich  er  zonder 
veel  ceremonie  af  ontslaan,  om  er  niet  mee  belemmerd  te  weezen." 

De  waarheid  is  hier  denkelijk  wel  weer  in  het  midden,  zoodat, 
indien  de  Fransche  opgaven  al  zeer  overdreven  zijn,  het  toch 
waarschijnlijk  is  dat  Waldeck's  ruiterij  veel  meer  verlies  heeft 
geleden  dan  de  ruiterij  van  Luxembourg.  Dat  de  Hollandsche 
ruiterij  hier  de  nederlaag  heeft  geleden,  kan  ook  moeilijk  worden 
ontkend.  Die  nederlaag  had  kunnen  worden  voorkomen  en  elk 
gevecht  vermeden,  wanneer  de  marsch  van  Waldeck 's  leger  op 
den  iQcn  September  beter  geregeld  ware,  wanneer  men  gezorgd 
had  voor  bruikbare  bruggen  over  de  beek  van  Ülicquy.  Die 
slechte  raarschregeling,  en  Luxembourg's  krachtdadige  handeling 
zijn  de  oorzaken  van  den  tegenspoed  die  de  wapenen  der  bond- 
genooten hebben  ondervonden  bij  dat  gevecht  van  Leuze. 

Die  tegenspoed  van  de  bondgenooten  verhoogde  den  roem 
der  Fransche  wapenen,  maar  had  geen  andere  gevolgen :  Luxem- 
bourg werd  door  het  behaalde  voordeel  niet  aangespoord  tot 
verdere  ondernemingen;  en  Waldeck  werd  door  het  geleden 
nadeel  niet  weerhouden  van  ondernemingen,  waartoe  toch  bij 
hem  geen  voornemen  bestond.  Het  leger  der  bondgenooten  trok 
nog  naar  de  zijde  van  West-Vlaanderen,  en  het  Fransche  leger 
volgde  het  daarheen;  maar  er  gebeurde  niets;  en  in  de  eerste 
helft  van  October  verdeelden  de  wederzijdsche  legers  zich  in  de 
winterkwartieren,  en  was  de  veldtocht  geëindigd. 

Die  veldtocht  van  1691  in  de  Nederlanden  is  vrij  onbeduidend 
geweest;  geheel  in  het  begin  van  het  jaar  was  de  vermeestering 
van   Mons  voor  de  Franschen   een   belangrijk   voordeel;    maar 


Digitized  by 


Google 


122  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWiNGKN. 

daarna  heeft  er  niets  anders  plaats  dan  het  verwoesten  van  Halle^ 
het  bombardeeren  van  Luik,  en  het  gevecht  van  Leuze;  feiten 
die  meer  of  min  in  het  voordeel  waren  van  de  Fransche  wape- 
nen, maar  die  toch  eigenlijk  geen  noemenswaard  belang  hadden. 


HOOFDSTUK  XXIV. 

1692;   LA   HOGUE;   NAMEN. 

De  >Europische  Mercurius"  begint  zijn  verhaal  der  gebeurte- 
nissen van  het  jaar  1692  met  deze  aanmerking:  »de  staat  daar 
Europa  zich  tegenwoordig  in  bevond,  was  een  geweldige  staat, 
die  niet  lang  kon  duuren,  maar  er  na  allen  schijn  een  nieuwe 
Y  gedaante  aan  zou  geeven,  en  er  dat  zoo  noodzaakelijk  tegen- 
wicht, 't  geen  de  verzekerdheid  der  Rijken  en  landen  en  de  rust 
en  het  geluk  der  volkeren  stond  te  maaken,  herstellen." 

Dit  is,  in  zeer  defiige  taal,  eene  profetie  die  men  ten  allen 
tijde  heeft  kunnen  hooren,  ook  in  ónze  dagen:  >zóó  kan  het 
niet  lang  blijven ;  er  moet  spoedig  verandering  komen ;  eene  ge- 
heele  omkeering  is  waarschijnlijk;"  —  ziedaar  wat  de  mensch 
zoo  dikwijls  zegt,  als  hij  ontevreden  is  over  het  tegenwoordige,  — 
en  meestal  is  hij  dat.  Nu  ja,  er  komt  dan  ook  verandering;  de 
wereld  behoudt  nooit  dezelfde  gedaante;  alles  wisselt  met  den 
tijd;  —  maar  een  geheele  omkeering  van  zaken,  plotseling,  in 
één  oogenblik,  als  door  een  coup  de  thédtre^  dat  behoort  tot  de 
zeer  zeldzame  uitzonderingen,  tot  hel  buitengewone,  tot  het 
onwaarschijnlijke.  Ook  het  jaar  1692  heeft  zulk  een  zeldzame 
uitzondering  niet  te  aanschouwen  gegeven;  de  loop  des  oorlogs 
moge  in  dat  jaar  eenige  wijziging  hebben  gebracht  in  den  toe- 
stand van  de  strijdende  partijen;  toch,  niets  beslissends,  niets 
dat  het  voortzetten  van  den  oorlog  tot  eene  onmogelijkheid  maakte. 

Hij,   die    voor  1692  het  krachtigste  oorlogsplan  ontwierp,  was 
Lodewijk  XIV.   Dat  oorlogsplan   omvatte   twee   groote,  doortas- 
_^  tende    handelingen:   door  middel  van  een  Fransch  leger  en  van 

/  een   Fransche   oorlogsvloot  Jakobus  II   weer   op  den  troon  van 

Groot  Br iitanje  plaatsen;  en  Namen  nemen,  het  geduchtste  bol- 
werk van  de  Spaansche  Nederlanden.  Gelukte  het  eerste,  dan 
was  daardoor  de  doodsteek  gegeven  aan  de  zaak  der  bondge- 
nooten ;  gelukte  het  tweede,  dan  waren  de  reeds  veege  Spaansche 
Nederlanden  in  zulk  een  toestand  gebracht,  dat  hare  geheele 
verovering  door  de  Fransche  wapenen  geen  onwaarschijnlijkheid 
zou  zijn  geweest. 


Digitized  by 


Google 


1692.  125 

In  1692  was  het  geen  ijdele  hoop  bij  Jakobus  II,  wanneer  hij 
zich  vleide  van  de  kroon  weer  te  winnen,  die  hij  in  1688  door 
zijn  dwingelandij  verloren  had.  Het  volk  is  wispelturig;  en  na 
een  tijdsverloop  van  drie  jaren  was  de  herinnering  van  de  vroe- 
gere dwingelandij  verflauwd,  en  begon  men  weer  gunstiger  te 
denken  over  den  weggejaagden  koning,  die  nu  met  de  beste 
beloften  aankwam,  zooals  vorsten  in  nood  gewoonlijk  doen. 
Bovendien,  Jakobus  was  dan  toch  altijd  een  Stuart,  een  zoon 
van  een  inheemschen  stam,  een  geboren  Brit;  Willem  III  was 
een  vreemdeling,  die  zijne  Hollanders  overal  voortrok,  en  weinig 
deed  om  de  Engelschen  te  vleien  en  hun  gunst  te  winnen;  ook 
was  hij  het,  die  hen  wikkelde  in  de  oorlogen  van  het  vasteland, 
die  Engeland  schatten  en  stroomen  bloeds  zouden  kosten.  Enge- 
land's  machtige  aristocratie  was  de  voorname  oorzaak  geweest 
der  troonsverheffing  van  Willem  III;  en  die  aristocratie,  zelf- 
zuchtig, oneerlijk  en  bedorven  in  hooge  mate,  werd  spoedig 
afkeerig  van  een  eerlijk,  verstandig  koning,  die  zich  niet  kon 
verlagen  tot  een  blind  werktuig  van  de  rusteloos  woelende  staats- 
partijen. De  hooge  Engelsche  adel  wendde  dan  ook  spoedig 
weer  het  oog  naar  Jakobus,  van  wien  zij  meende  grooter  voor- 
deden en  meer  macht  te  kunnen  afpersen.  Met  een  bijna  onge- 
loofelijke  onbeschaamdheid,  eene  onbeschaamdheid  waarvan  men 
versteld  staat,  hadden  in  dezen  tijd  vele  grooten,  die  krachtig 
hadden  medegewerkt  tot  de  omwenteling  van  1688,  zich  nu  weer 
aangesloten  bij  Jakobus  II,  en  ijverden  rusteloos  om  den  pas 
ingeroepen  Oranjevorst  weer  te  verdrijven;  de  bezworen  trouw 
vertraden  zij  met  voeten,  de  liefde  voor  het  vaderland,  voor 
zijne  vrijheid  en  eer  gold  bij  hen  minder  dan  de  zucht  naar 
geld  en  hoogheid.  Marlborough  behoorde  tot  die  misdadigen; 
hij,  later  zoo  omkransd  met  veldheersroem,  tot  zoo  grooten 
luister  en  hoogheid  verheven,  een  roemrijken  naam  in  de  ge- 
schiedenis verwervende,  was  toch  inderdaad  een  laag,  verach- 
telijk karakter,  dat  niets  dan  weerzin  en  afschuw  moet  verwekken. 

Een  opstand  in  Engeland  en  het  overgaan  van  de  Engelsche 
vloot,  —  daarop  bouwde  Jakobus  voor  een  deel  zijn  hoop  op 
den  goeden  uitslag  van  zijne  onderneming;  die  hoop  grondde 
zich  ook  daarop,  dat  een  goed  deel  van  de  Britsche  legermacht 
in  het  voorjaar  van  1692  naar  de  Nederlanden  vertrok,  en  ook 
koning  Willem  zich  toen  in  Holland  bevond.  Te  recht  oordeelde 
men  dat  die  Oranjevorst  de  grootste  vijand  was  van  Frankrijk  en 
van  de  Jakobieten;  en  men  deinsde  niet  terug  voor  sluipmoord, 
om  dien  vijand  uit  den  weg  te  ruimen;  een  Fransch  edelman, 
Grandval,  bood  zich  aan  om  die  schandelijke  misdaad  te  plegen ; 
de  Fransche  regeering  spoorde  hem  daartoe  aan,  en  zegde  hem 
eene  schitterende  belooning  toe;  ook  koning  Jakobus  had  kennis 
van  dien  aanslag,  evenzoo  madame  De  Maintenon,  en  denkelijk 


Digitized  by 


Google 


124  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

■dus  ook  Lodewijk  XIV.  Waarom  niet?  De  Spaansche  Filips  II 
had  immers  ook  moordenaars  afgezonden  om  den  grooten  Zwijger 
te  doen  vallen! 

Het  is  opmerkelijk,  dat  bij  die  half  godsdienstige,  half  staat- 
kundige worstelingep  van  de  zestiende  en  van  de  zeventiende 
«euw,  het  bijna  uitsluitend  de  hoofden  van  de  katholieke  partij 
zijn,  die  hun  toevlucht  nemen  tot  sluipmoord:  zij  belagen  het 
leven  van  de  Engelsche  Elizabeth,  van  den  Franschen  Hen- 
drik IV,  van  onzen  Willem  I,  Maurits  en  Willem  III;  maar 
nergens  leest  men,  dat  Elizabeth,  Hendrik  IV,  of  de  Oranje- 
vorsten  moordenaars  hebben  afgezonden  tegen  Filips  II,  Lode- 
wijk XIV  of  Jakobus.  Het  eenige  wat  wij  ons  van  dien  aard 
herinneren,  is  het  vermoorden  van  den  eersten  hertog  van  Guise 
door  Poltrot;  Coligny  werd  beschuldigd  van  daarin  de  hand  te 
hebben  gehad;  Coligny  heeft  echter  altijd,  met  nadruk,  elke 
medeplichtigheid  aan  dien  gruwel  ontkend. 

Behalve  op  die  medewerking  in  Engeland  en  op  den  dood 
van  Willem  III,  bouwde  Jakobus  ook  op  den  krachtigen  bijstand 
van  de  Fransche  wapenmacht.  In  het  voorjaar  van  1692  was  in 
het  noordwestelijk  gedeelte  van  Normandië,  van  Honfleur,  waar 
de  Seine  zich  in  zee  werpt,  tot  aan  Kaap  La  Hogue  een  leger 
samengetrokken  van  een  30000  man;  over  verschillende  punten 
van  de  kust  verspreid,  moest  dit  leger,  naar  het  heette,  eene 
landing  beletten  die  men  van  de  zijde  van  Engeland  en  Holland 
vreesde;  het  voorname  doel  was  echter,  dit  leger,  mét  koning 
Jakobus,  naar  Engeland  over  te  brengen.  De  maarschalk  De 
Bellefonds  was  aan  het  hoofd  van  die  legermacht;  de  ongenade 
van  1674  was  voor  dien  Maarschalk  weer  uitgewischt;  maar  daar 
men  geen  groote  verwachting  had  van  zijn  beleid,  dat,  nooit 
uitstekend,  er  met  den  ouderdom  niet  beter  op  was  geworden, 
had  men  hem  eenige  bekwame  onderbevelhebbers  toegevoegd; 
daaronder  wordt  genoemd  de  lersche  generaal  Sarsfield,  die 
zich  bij  de  veldtochten  in  Ierland  tegen  Willem  III  en  Ginckel 
gunstig  had  onderscheiden.  Een  deel  van  deze  legermacht  bestond 
ook  uit  Engelschen  en  Ieren;  en  de  eigenlijke  opperbevelhebber 
was  koning  Jakobus  zelf,  die,  het  Fransche  hof  verlatende,  zich 
naar  het  leger  begaf;  verlangend  het  oogenblik  verbeidend 
waarop  hij  de  zee  zou  kunnen  oversteken,  om,  evenals  zes 
eeuwen  te  voren  de  Normandische  veroveraar,  Engeland  aan 
zijne  wapenen  te  onderwerpen. 

Sommige  opgaven  stellen  de  macht  die  bestemd  was  om  in 
Engeland  te  landen,  op  niet  meer  dan  een  groote  20000  man; 
misschien  dat  een  deel  der  troepen  van  Bellefonds  moest  achter- 
blijven tot  bescherming  van  de  Fransche  kusten;  maar,  hoe  dit 
2ij,  zooveel  is  zeker  dat  het  leger  van  Jakobus  in  getalsterkte 


Digitized  by  VjOOQIC 


1692.  125 

het  leger  overtrof  dat  Willem  III  vergezelde  bij  de  beroemde 
onderneming  van  1688.  De  transportschepen  om  die  Fransche 
legermacht  het  Kanaal  te  doen  oversteken,  waren  voorhanden;, 
men  wachtte  maar,  om  den  tocht  te  beginnen,  op  de  komst  van 
de  Fransche  oorlogsvloot.  Tourville,  de  oveiwinnaar  van  Beachy- 
Head,  zou  met  die  vloot  Brest  verlaten  na  eerst  versterkt  te  zijn 
geworden  door  een  smaldeel  onder  d'Estrées,  dat  uit  de  Mid- 
dellandsche  Zee  moest  komen,  uit  Toulon.  De  Britsche  en  Hol- 
landsche  oorlogsvloten  waren  nog  niet  in  zee;  maar  verschenei> 
zij  in  het  Kanaal,  dan  twijfelde  men  er  niet  aan,  of  zij  zouden^ 
evenals  twee  jaar  vroeger,  door  Tourville  worden  geslagen;  te 
meer,  omdat  men  redenen  had  om  te  gelooven  dat  op  de 
Engelsche  vloot  Jakobus,  vroeger  haar  admiraal,  tal  van  aan- 
hangers had.  Aan  het  Fransche  hof  was  men  zoozeer  overtuigd 
dat  de  onderneming  zou  slagen,  dat,  toen  koning  Jakobus  naar 
het  leger  vertrok,  Fransche  hofdames  hare  gelukwenschen  kwamen 
brengen  aan  zijn  vrouw,  even  alsof  het  koninklijke  echtpaar  reeds 
weer  zetelde  op  den  troon  van  Groot-Brittanje. 

En  toch  is  de  onderneming  geheel  mislukt,  de  verwachting 
van  Frankrijk  en  van  de  Jakobieten  geheel  verijdeld. 

De  samenzwering  in  Engeland  werd  in  het  begin  van  Mei 
ontdekt;  en  een  tijdig  ontdekte  samenzwering  houdt  op  gevaarlijk 
te  zijn.  Talrijke  inhechtenisnemingen  hadden  in  Engeland  plaats, 
ook  van  de  aanzienlijksten  des  lands,  onder  anderen  van  Marl- 
borough;  er  werd  echter,  na  verloop  van  tijd,  tegen  verreweg 
de  meesten  der  beschuldigden  geen  rechterlijke  vervolging  ge- 
voerd, hetzij  dat  er  geen  voldoende  bewijzen  van  schuld  waren^ 
hetzij  dat  men  het  meer  raadzaam  en  staatkundig  achtte  om 
oogluiking  te  gebruiken.  Intusschen  werden  alle  maatregelen  ge- 
nomen om  Engeland  te  wapenen  tegen  een  inval  des  vijands; 
van  de  daar  aanwezige  legermacht  —  een  14000  man  —  werd 
een  groot  deel  vereenigd  in  een  kamp  tusschen  Portsmouth  en 
Londen;  zes  regimenten  die  reeds  ingescheept  waren  om  naar 
de  Nederlanden  te  vertrekken,  kregen  last  om  in  Engeland  te 
blijven;  en  Willem  III  hield  de  meeste  der  Engelsche  troepen 
die  in  Holland  waren,  in  de  nabijheid  van  de  Willemstad,  gereed 
om  aan  boord  te  gaan  en  de  Noordzee  weer  over  te  steken. 
Bevelen  werden  gegeven  om  met  den  meesten  spoed  de  zee- 
macht  van  Brittanje  en  van  de  Republiek  in  het  Kanaal  te  doen 
verschijnen;  en  daar  in  Engeland  alom  adressen  van  getrouwheid 
aan  den  Koning  werden  ingezonden,  kon  ook  de  Engelsche 
vloot  zich  niet  onttrekken  aan  die  algemeene  beweging;  ook  zi} 
zond  haar  adres  van  trouw  in,  en  maakte  het  daardoor  aan  de 
geheime  aanhangers  van  Jakobus,  die  zij  denkelijk  nog  in  haar 
midden  telde,  onmogelijk  om  voor  hunne  gevoelens  uit  te  komen» 


Digitized  by 


Google 


/ 


126  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Russel  met  de  Engelsche  vloot,  Almonde  met  de  Hollandsche, 
waren  dra  in  het  Kanaal  vereenigd,  gereed  om  elke  Fransche 
legermacht  den  overtocht  naar  Engeland  te  betwisten.  Aan  de 
Fransche  zijde  was  het  smaldeel  van  d*£strées  nog  niet  komen 
opdagen  uit  de  Middellandsche  zee,  en  had  men  voor  het 
Kanaal  nog  maar  alleen  beschikbaar  de  oorlogsvloot  van  Tour- 
ville;  —  toch  kreeg  die  vlootvoogd  bevel  om  Brest  te  verlaten 
en  het  Kanaal  in  te  zeilen,  de  vereenigde  zeemacht  van  Enge- 
land en  van  de  Republiek  van  daar  te  verdrijven,  en  op  die 
wijze  het  mogelijk  te  maken  aan  koning  Jakobus  en  aan  het 
leger  van  Bellefonds  om  naar  Engeland  over  te  steken. 

Aan  wien  is  dat  onvoorzichtig  bevel  te  wijten  geweest?  —  Aan 
den  Koning,  zal  men  zeggen ;  en,  rechtens,  heefc  men  gelijk  met 
zoo  te  antwoorden ;  want  in  een  absoluten  staat  is  het  hoofd  van 
<3ien  staat  altijd  de  verantwoordelijke  man.  Maar  Lodewijk  XIV 
had  toen  reeds  een  gevorderden  leefiijd  bereikt,  en  had  niet 
altijd  de  teugels  van  de  regeering  meer  vast  in  handen ;  vrouwen 
en  biechtvaders  kregen  al  meer  en  meer  invloed;  het  ging  den 
Franschen  koning  toen  als  in  1866 — 1870  den  laatsten  Franschen 
keizer,  die  toen  ook  bij  vele  handelingen  der  regeering  een  lijde- 
lijke rol  heeft  vervuld;  yygouverner  eest  prévoir\  is  een  spreuk 
geweest  van  Napoleon  III;  die  spreuk  is  zeer  waar;  maar  even 
waar  is  de  spreuk:  y^ouverner  eest  agir'*\ 

Hoe  het  zij,  zooveel  is  zeker  dat  Tourville  geen  schuld  heeft 
aan  de  onvoorzichtige  handeling  om  met  eene  veel  minder  sterke 
vloot  de  vijandelijke  zeemacht  aan  te  vallen  en  slag  te  leveren; 
met  die  handeling  gehoorzaamde  hij  aan  de  bevelen  van  men- 
schen  die  misschien  nog  verblind  waren  door  de  zege  bij  Beachy- 
Head,  of  zich  met  de  ijdele  hoop  vleiden  dat  de  Britsche  zee- 
macht de  zaak  van  Willem  III  zou  verlaten  en  naar  de  zijde 
van  de  Stuarts  overgaan.  Den  29sten  Mei  valt  Tourville,  eenige 
mijlen  oostelijk  van  Barfleur,  de  zeemacht  der  bondgenooten 
aan;  volgens  de  Fransche  schrijvers  had  hij  niet  meer  dan  44 
linieschepen,  en  Russel  en  Almonde,  vereenigd,  90;  ónze  op- 
gaven geven  aan  de  vloot  der  bondgenooten  ook  nagenoeg  die 
sterkte,  maar  geven  aan  Tourville  eene  macht  van  50  k  60  linie- 
schepen.  Zooveel  is  zeker,  dat  er  eene  groote  overmacht  is  ge- 
weest aan  de  zijde  van  de  Engelschen  en  Hollanders. 

De  strijd  van  den  29sten  Mei,  van  elf  uur  's  ochtends  tot 
's  namiddags  zes  uur  aanhoudende,  toen  een  poos  gestaakt  en  in 
den  avond  hervat,  eindigt  met  de  nederlaag  en  de  vlucht  van 
de  Fransche  vloot,  die  in  dien  kamp  een  klein  aantal  schepen 
verliest.  Ware  het  hierbij  gebleven,  het  zou  voor  Frankrijk  een 
onbeduidende  ramp  zijn  geweest.  Maar  de  overwinnaars  gaan 
over  tot  een  krachtige,  rustelooze  vervolging;  en  de  Fransche 
vloot  vindt  geen  haven  om  haar  tot  veilige  wijkplaats  te  dienen : 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  127 

de  oorlogshaven  van  Cherbourg  is  eerst  van  ónze  dagen.  Een 
goed  gedeelte  van  de  Fransche  vloot  gelukt  het  om  naar  de 
zijde  van  Brest  te  ontkomen;  ipaar  Tourville,  met  de  overige 
scheepsmacht  afgesneden,  weet  niet  andens  te  doen  dan  zijne 
schepen  op  het  strand  te  zetten,  en  die  daar  te  laten  verbranden 
door  de  overwinnaars ;  dit  had  plaats  den  2en  Juni,  voornamelijk 
in  de  nabijheid  van  kaap  La  Hogue,  die  haar  naam  aan  dezen 
zeeslag  heeft  gegeven. 

Over  de  verliezen  van  de  Fransche  vloot  zijn  de  opgaven 
eenigszins  uiteenloopend:  de  overwonnene  vermindert  die  tot 
een  twaalftal  schepen,  de  overwinnaar  stelt  die  op  een  twintig- 
tal. Zooveel  is  echter  zeker,  dat  die  slag  van  La  Hogue  van  een 
beslissenden  aard  is  geweest,  dat  van  dien  tijd  af  de  oorlogsvloot 
van  Lodewijk  XIV  in  verval  is  geraakt;  en  dat  men  al  dadelijk 
afzag  van  de  voorgenomen  landing  in  Engeland,  en  het  leger 
van  De  Bellefonds  terstond  deed  uiteengaan.  —  De  zeemacht 
der  Republiek  heeft  wel  aan  den  strijd  van  den  29sten  Mei  even 
goed  deel  genomen  als  de  Engelsche;  maar  de  vernieling  van 
Tourville*s  schepen  bij  de  vervolging  is  bijna  geheel  het  werk 
geweest  van  de  Britten;  ook  was  de  scheepsraacht  van  Russel 
bijna  dubbel  zoo  sterk  als  die  van  Al  monde.  —  Volgens  de 
legende  zou  koning  Jakobus,  van  het  strand  de  vernieling  ziende 
van  de  Fransche  schepen,  de  dapperheid  van  zijne  landgenooten 
luidkeels  hebben  toegejuicht;  —  men  kan  zalig  worden,  al  ge- 
looft men  niet  aan  de  waarheid  van  dit  verhaal. 

Dus,  de  onderneming  op  Engeland  was  mislukt;  men  moest 
er  van  afzien  om,  op  dat  oogenblik,  koning  Jakobus  weer  op 
den  troon  te  verheffen.  Nu  bleef  nog  de  andere  handeling  over, 
die  Lodewijk  XIV  had  voorgenomen:  het  nemen  van  Namen. 


Namen  was  een  vesting  van  groote  sterkte,  en  Willem  III  had 
een  sterk  leger  om  die  vesting  te  hulp  te  kotnen;  de  onder- 
neming van  Lodewijk  XIV  scheen  dus  hachelijk  en  onzeker. 
Maar  dat  hachelijke,  dat  onzekere  werd  zeer  verminderd  door 
de  omstandigheid,  dat  de  Franschen  nauwkeurig  bekend  waren 
met  den  toestand  waarin  de  vesting  Namen  toen  verkeerde;  bij 
elke  onderneming  in  den  oorlog  is  het  een  groot  voordeel  wan- 
neer men  juist  weet  hoe  de  staat  van  zaken  bij  den  vijand  is. 

Op  welke  wijze  waren  de  Franschen  tot  die  kennis  van  den 
toestand  van  Namen  gekomen  ?  —  Op  eene  wijze  die  weinig  pleit 
voor  het  eergevoel  der  militaire  bevelhebbers  van  dien  tijd. 

Te  Namen  voerde  het  bevel  de  prins  De  Barbangon;  maar 
onder  hem  was  daar  als  tweede  bevelhebber  —  als  comman- 
dant, zouden  wij  thans  zeggen  —  een  edelman  uit  Franche- 
Comté,   de  generaal-majoor  baron  De  Bressé,  evenals  De  Bar- 


Digitized  by 


Google 


128  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

banton  in  Spaanschen  krijgsdienst.  Eens,  in  het  begin  van  Maart 
1692,  doet  De  Bressé  eene  verkenning  buiten  de  stad,  en  wordt 
toen  door  eene  Fransche  afdeeling  opgelicht;  nauw  verneemt 
men  dit  in  Namen,  o^  men  wendt  moeite  aan  om  De  Bressé,  dien 
men  >voor  een  zeer  goeden  en  noodzaakelijken  officier  hield", 
weer  in  vrijheid  te  doen  stellen  door  het  betalen  van  losgeld; 
maar  dit  weigeren  de  Franschen,  en  zij  vorderen  daarentegen 
op  dreigenden  toon,  dat  men  de  vrouw  en  kinderen  en  de  eigen- 
dommen van  De  Bressé  ongehinderd  uit  de  vesting  zal  laten 
vertrekken.  Spoedig  blijkt  het  dan  ook,  dat  die  geheele  gevan- 
genneming van  De  Bressé  maar  een  komediespel  is  geweest;  dat 
hij  reeds  lang  in  verstandhouding  heeft  gestaan  met  den  vijand; 
dat  hij  in  Franschen  krijgsdienst  is  getreden,  en  daar  den  rang 
van  Maréchal-de-camp  bekleedt;  en  dat  hij  zijne  nauwkeurige  be- 
kendheid met  de  vesting  Namen  nu  natuurlijk  aanwendde  ten 
bate  van  de  Fransche  legerhoofden. 

En  dat  alles  wordt  als  een  zeer  gewone  handeling  vermeld, 
zóó  gewoon  zelfs,  dat  de  Fransche  schrijvers  er  in  het  geheel 
niet  van  gewagen.  Dan  is  toch  sedert  1692  de  openbare  denk- 
wijze aanmerkelijk  veranderd  —  en  verbeterd.  Wie  thans  zou 
handelen  als  De  Bressé,  zou  voorgoed  aan  den  schandpaal  van 
de  algemeene  verachting  geboeid  staan.  Men  denke  slechts 
aan  wat  De  Bourmont  is  wedervaren,  voor  wiens  desertie  van 
1815  toch  nog  meer  verzachtende  omstandigheden  zijn  aan  te 
voeren  dan  voor  de  desertie  van  De  Bressé  in  1692. 

De  Bressé*s  opgaven  stelden  den  Franschen  bewindhebbers  in 
staat,  zich  een  duidelijk  en  juist  beeld  te  vormen  van  Namen  en 
van  den  toestand  waarin  de  verdedigingsmiddelen  van  die  vesting 
toen  verkeerden;  want  wie  kan  dat  beter  weten  dan  hij  die  het 
bevel  in  die  vesting  heeft  gevoerd! 

Namen,  de  aloude  hoofdstad  van  het  graafschap  van  dien 
naam,  gelegen  aan  de  samenvloeiing  van  Sambre  en  Maas,  be- 
stond toen  eigenlijk  uit  twee  vestingen:  de  stad  en  het  kasteel. 
De  stad,  op  den  linkeroever  van  de  Sambre  en  op  den  linker- 
oever van  de  Maas,  wordt  aan  hare  zuidzijde  bespoeld  door 
eerstgenoemde  rivier,  aan  hare  oostzijde  door  de  Maas;  de  Maas 
te  Namen  had  eene  breedte  van  een  100  k  150  meters  en  was 
ondoorwaadbaar ;  de  Sambre,  half  zoo  breed,  had,  nabij  Namen, 
doorwaadbare  plaatsen.  De  stad  was  geheel  omgeven  door  een 
ouden  ringmuur,  met  torens  van  afstand  tot  afstand,  op  de  wijze 
zooals  veel  oude  steden  toen  versterkt  waren;  aan  de  waterzijde 
was  er  natuurlijk  geen  gracht  vóór  die  muur,  want  de  Sambre 
en  Maas  dienden  daarvoor;  maar  aan  de  land-  of  noord- 
zijde, had  die  ringmuur  eene  gracht  vóór  zich,  waarvan  de  oos- 
telijke  helft  een   natte  gracht  was;   op    dat   gedeelte   van    den 


Digitized  by 


Google 


SAhLEli,  129 

hoofdwal  der  stad  dat  naar  de  Maas  gekeerd  was,  had  men, 
halfweg,  een  soort  van  vrij  groot  bastion.  Aan  de  landzijde  werd 
de  hoofdwal  omgeven  door  een  reeks  van  gcbastionneerde  fron- 
ten, zeven  bastions  bevattende,  eenige  lunetten  en  andere  werken, 
eene  gracht  waarvan  de  oostelijke  helft  nat  was,  de  andere  droog, 
en  een  bedekten  weg ;  zelfs,  vóór  de  westelijke  fronten,  een  dub- 
belen bedekten  weg ;  —  al  die  werken  waren  gemetselde  werken, 
op  een  enkel  ravelijn  na,  aan  de  Maaszijde.  Aan  de  noordzijde, 
vlak  aan  den  bedekten  weg,  stroomde  een  beek,  die,  van  het 
dorp  Ve^drin  komende,  uit  dien  hoofde  de  beek  van  Vesdrin 
wordt  genoemd,  en  zich  bij  de  Namensche  vestingwerken  in 
de  Maas  werpt;  een  steen  en  beer  in  die  beek  van  Vesdrin  deed 
een  kleine  onderwaterzetting  ontstaan,  vóór  dét  deel  van  den  be- 
dekten weg  dat  de  Maas  nabij  was.  Aan  de  overzijde  van  de 
beek,  ten  noorden,  had  men  hoogten  die  de  stad  beheerschten ; 
op  die  hoogten,  niet  ver  van  de  Maas,  waren  de  dorpen 
S.  Nicolas  en  Bougé,  nagenoeg  een  800  k  1000  el  van  de  stad 
verwijderd. 

De  tweede  vesting,  het  kasteel  van  Namen,  was  gelegen  tus- 
schen  den  rechteroever  van  de  Sambre  en  den  linkeroever  van 
de  Maas,  op  een  rotsachtige  hoogte,  ten  zuiden  van  de  stad,  en 
haar  beheerschende.  Dat  kasteel  was,  als  vesting,  gewichtiger 
dan  de  stad;  het  had  eene  zeer  groote  sterkte.  Van  binnen  naar 
buiten  gaande  had  men  eerst,  op  het  oostelijk  uiteinde  der  rots, 
het  eigenlijke  kasteel  of  slot,  een  oud  gebouw,  eene  groote  bin- 
nenruimte omgevende;  voorwaarts  van  dat  slot  waren  de  eigen- 
lijke vestingwerken  van  het  kasteel;  daarvóór  een  uitgestrekt 
werk,  Terra  Nova^  een  soort  van  onregelmatig  kroonwerk  met 
gracht  en  bedekten  weg;  en  eindelijk  vóór  Terra  Nova,  ten 
westen  daarvan,  het  fort  Koning  fVillem^  een  uitgestrekt  gesloten 
werk,  dat  door  Coehoorn  was  ontworpen  en  gebouwd,  maar 
dat,  tijdens  het  beleg  van  1692,  nog  niet  was  voltooid. 

Al  die  werken  waren  gemetselde  werken,  met  diepe  droge 
grachten,  en  mijngangen.  Om  van  de  stad  naar  het  kasteel  te 
komen  was  er  eene  brug  oVer  de  Sambre;  eene  hooge  steenen 
trap  geleidde  naar  het  slot  op  de  rots.  Aan  den  oostelijken  voet 
der  rots,  tusschen  het  kasteel  en  den  linkeroever  van  de  Maas, 
had  men  eene  soort  van  benedenstad,  beschermd  door  werken 
die  de  ruimte  afsloten  tusschen  de  rots  en  de  rivier;  evenzoo 
waren  er  nog  enkele  werken  tusschen  de  hoogte  van  het  kasteel 
en  de  Sambre.  Op  een  3  k  400  el  ten  zuiden  van  fort  Koning 
Willem  en  van  Terra  Nova  was  een  vrij  uitgestrekt  werk,  La 
CasoUe^  open  in  de  keel,  maar  voorzien  van  eene  soort  van 
reduit,  dat  in  sommige  verslagen  het  duivelshuis  wordt  ge- 
noemd. Maar  dat  werk  La  Casotte  was  in  1692  nog  onvoltooid; 
evenzoo  ontbraken  toen  nog  eenige  kleine  werken,  die  Coehoorn 

WILLEM  in.  —  III.  9 

Digitized  by  VjOOQIC 


130  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

ontworpen  had  om  de  gemeenschap  te  verzekeren  van  het  fort 
Koning  Willem  met  het  daarachter  liggende  Terra  Nova.  In  één 
woord,  toen  Namen  in  1692  werd  belegerd,  was  het  nog  in 
wording;  het  was  nog  geen  afgebouwde  vesting. 

Wij  hebben  nog  een  van  Namen's  vestingwerken  vergeten:  de 
faubourg  de  Jambe^  op  den  rechteroever  van  de  Maas,  tegenover 
het  kasteel,  en  daarmee  verbonden  door  een  vaste  brug  over 
de  rivier.  Die  voorstad  werd  verdedigd  door  een  niet  sterken 
gebastionneerden  wal,  met  droge  gracht,  maar  zonder  eenig 
buitenwerk  en  zonder  bedekten  weg;  vóór  de  brug  .over  de 
Maas  diende  eene  lunette  als  bruggenhoofd,  en  als  reduit  voor 
de  verdedigers  van  de  voorstad  van  Jambe. 

Ziedaar  de  vestingwerken  van  Namen  in  1692;  thans  een  enkel 
woord  over  de  bezetting,  bewapening  en  uitrusting. 

De  opperbevelhebber  was  —  dit  is  reeds  gezegd  —  de  prins 
De  Barbangon,  een  generaal  in  Spaanschen  dienst;  de  bezetting 
bestond,  zooals  meestal,  uit  troepen  van  verschillende  natiën: 
Spanjaarden,  Walen,  Hollanders,  Brandenburgers,  zelfs  Engel- 
schen.  De  Quincy  zegt,  dat  die  bezetting  telde  18  bataljons, 
Duitschers,  Hollanders  en  Spanjaarden;  i  compagnie  artillerie, 
bestaande  uit  80  Engelschen;  300  ruiters,  alles  te  zamen  8280 
man,  zoodat  de  gemiddelde  sterkte  van  het  bataljon  bijna  440 
man  moet  geweest  zijn.  Andere  opgaven  wijken  eenigszins  af  van 
die  opgave  bij  De  Quincy.  Beaurain  spreekt  van  tiy  bataljons 
van  verschillende  natiën,  een  regiment  ruiterij  van  200  man,  een 
vrijkorps  i  compagnie  uitmakende,  en  80  kanonniers;*'  voor  de 
geheele  sterkte  noemt  hij  evenwel  ook  8280  man.  Volgens  Racine's 
verhaal  van  het  beleg  van  Namen  bestond  de  bezetting  van 
Namen  uit  9280  man,  uitmakende  17  regimenten  voetvolk,  i 
regiment  ruiterij,  en  eenige  compagnieën  vrijkorpsen;  van  die 
17  regimenten  voetvolk  waren  er  5  Brandenburgers  of  Lune- 
burgers,  5  Hollanders,  3  Spanjaarden  en  4  Walen. 

Men  ziet,  dat  die  opgaven  over  de  sterkte  van  de  bezetting 
van  Namen  nog  al  niet  veel  uiteenloopen ;  het  geldt  een  duizend 
man  meer  of  minder.  Uit  alles  schijnt  te  blijken  dat  die  bezet- 
ting eene  genoegzame  sterkte  had  voor  de  verdediging;  en  wan- 
neer soms  de  aanmerking  wordt  gemaakt,  dat  de  belegeraar  zulk 
een  overmacht  in  getalsterkte  heeft  gehad,  dan  merken  wij  daarop 
aan,  dat  dit  bij  een  beleg  zeer  weinig  ter  zake  afdoet:  een  ves- 
ting valt  niet  doordat  zij  belegerd  wordt  door  50  of  60000  man, 
maar  doordat  zij  beschoten  wordt  door  50  of  60  vuurmonden ; 
de  artillerie  is  hier  het  beslissende  wapen;  en  de  infanterie  van 
den  belegeraar  heeft  eene  voldoende  sterkte  wanneer  zij  sterk 
genoeg  is  om  de  uitvallen  der  belegerden  tegen  te  gaan;  bij 
meerdere  sterkte  heeft  men  geen  baat  of  voordeel. 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  131 

Wat  de  bewapening  en  uitrusting  van  Namen  in  1693  aangaat, 
het  schijnt  dat  die  voldoende  zijn  geweest;  nergens  wordt  daar 
ten  minste  over  geklaagd,  wat  anders  spoedig  gebeurt  om  het 
minder  goede  van  eene  verdediging  te  verontschuldigen.  Ook 
blijkt  het  dat,  bij  de  overgave  van  de  stad,  de  belegerde  daar 
munitie  heeft  achtergelaten;  wat  hij  stellig  niet  zou  hebben  ge- 
daan, had  hij  gebrek  aan  munitie  verwacht  voor  de  verdediging 
van  het  kasteel. 

Ziedaar,  in  het  groot,  den  toestand  van  Namen  en  van  zijne 
verdedigingsmiddelen  in  1692,  een  toestand  die  —  het  zij  her- 
haald —  bij  de  Franschen  nauwkeurig  bekend  heeft  kunnen  zijn 
door  het  verraad  van-  De  Bressé.  —  Thans  een  woord  over  de 
strijdkrachten  van  den  aanvaller. 

Hoe  langer  de  oorlog  duurde,  hoe  meer  de  sterkte  toenam 
van  de  Fransche  legers,  al  ging  die  toeneming  dan  ook  gepaard 
met  de  geheele  uitputting  des  lands.  Zoo  werd  het  voetvolk  in 
1692  vermeerderd  met  5  man  bij  elke  compagnie;  wat,  voor 
het  geheele  leger,  een  aantal  duizenden  uitmaakte.  Bij  Beaurain 
wordt  ook  gewaagd  van  eene  nieuwe  indeeling  die  de  Fransche 
infanterie  in  1692  verkreeg:  het  regiment  van  3  bataljons,  ieder 
van  17  compagnieën,  werd  toen  samengesteld  uit  4  bataljons, 
maar  ieder  van  slechts  13  compagnieën;  daarom  moet  men  dan 
ook,  in  1692,  een  Fransch  bataljon  niet  meer  schatten  op  een 
800  man,  maar  op  slechts  650  k  700.  —  De  stelling  van  het 
bataljon  was  op  5  gelederen,  soms  zelfs  op  4;  de  piekeniers 
waren  vereenigd  in  het  midden,  behalve  4  of  6  rot  op  ieder 
der  beide  vleugels  van  het  bataljon.  Het  was  toen  reeds  ge- 
ruimen  tijd  het  gebruik  om,  voor  den  strijd  met  de  blanke 
wapens,  de  bajonet  met  een  houten  steel,  of  schaft,  in  den  loop 
van  het  geweer  te  plaatsen.  Dragonders  en  grenadiers  waren 
allen  gewapend  met  het  geweer:  maar  bij  de  gewone  infanterie 
waren  de  piekeniers  talrijker  dan  de  manschappen  met  vuurwapens. 

De  maarschalk  De  Lorge  kreeg  het  bevel  over  het  Fransche 
leger  aan  den  Rijn,  Catinat  over  dat  in  Italië,  Noailles  over  de 
krijgsmacht  in  Catalonië;  Bellefonds  —  dit  hebben  wij  reeds 
geitien  —  over  de  strijdkrachten  die  aan  de  kusten  van  het 
Kanaal  werden  vereenigd,  hetzij  om  eene  landing  van  den  vijand 
te  beletten,  hetzij  om  zelf  met  koning  Jakobus  in  Engeland  te 
landen.  Wij  bepalen  ons  tot  die  enkele  aanduidingen,  maar  ziil- 
len  ons  meer  bijzonder  ophouden  bij  de  legermachten  die  in 
1692  bestemd  waren  om,  rechtstreeks  of  zijdelings,  in  de  Neder- 
landen werkzaam  te  zijn. 

Twee  groote  legers  waren  bestemd  om  tot  den  val  van  Namen 
te  worden  gebezigd;  het  eene,  onder  het  persoonlijk  bevel  van 


Digitized  by 


Google 


132  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Lodewijk  XIV,  moest  dienen  voor  het  beleg  van  die  vesting; 
het  andere,  onder  Luxembourg,  om  dat  beleg  te  dekken.  Vol- 
gens  Beaurain  was  het  leger  des  Konings  sterk  67  bataljons  en 
209  eskadrons,  dus,  naar  schatting,  ruim  45000  man  voetvolk 
en  33000  ruiters,  te  zamen  78000  man;  het  andere  leger  telde 
37  bataljons  en  90  eskadrons,  of  25000  man  voetvolk  en  14000 
ruiters,  te  zamen  39  000  man ;  de  geheele  sterkte  der  beide  legers, 
vereenigd,  zal  dus  een  115  è,  120000  man  zijn  geweest.  Nu  vindt 
men  in  Racine's  geschiedverhaal  over  het  beleg  van  Namen  de 
sterkte  dier  beide  Fransche  legers,  afzonderlijk,  anders  opge- 
geven dan  bij  Beaurain;  maar  de  gezamenlijke  sterkte  is  toch 
nagenoeg  dezelfde.  Ook  moet  hierbij  in  het  oog  worden  gehou- 
den, dat  de  sterkte  van  de  beide  legers  niet  onveranderd  is 
gebleven,  daar,  gedurende  het  beleg,  het  observatie-leger  van 
Luxembourg  herhaaldelijk  versterkingen  heeft  ontvangen  van  het 
leger  des  Konings 

Buiten  die  legers  van  Lodewijk  XIV  en  van  Luxembourg, 
werd  er  aan  de  Maas,  naar  de  zijde  van  het  Namensche,  eene 
troepenmacht  vereenigd  onder  De  Boufflers;  zij  telde  16  batal- 
jons en  60  eskadrons,  of  een  10  000  man  voetvolk  en  bijna  even- 
veel ruiterij;  te  zamen  een  20000  man.  Bovendien  werden  de 
liniën  die  Fransch  Vlaanderen  moesten  dekken  van  de  Schelde 
tot  de  zee,  bezet  door  De  Maulevrier,  met  3  bataljons  en  26 
eskadrons;  dus  een  2000  man  voetvolk  en  een  4000  ruiters,  te 
zamen  6000  man.  Wij  laten  buiten  beschouwing  eene  Fransche 
krijgsmacht  die,  onder  De  Joyeuse,  aan  den  Moezel  samentrok 
om  in  het  Keulensche  werkzaam  te  zijn;  maar  de  afdeelingen 
van  Boufflers  en  van  Maulevrier  moeten  wel  degelijk  meege- 
rekend worden  onder  de  Fransche  strijdkrachten  die  in  1692  ir> 
de  Nederlanden  zijn  werkzaam  geweest;  en  doet  men  dit,  dan 
vindt  men  voor  het  geheele  bedrag  dier  strijdkrachten  een 
140000  man. 

Maar  voor  een  beleg  heeft  men  meer  noodig  dan  een  sterk 
leger;  men  moet  daarvoor  hebben  een  aan  merkelijken  voorraad 
aan  geschut,  munitie,  delfgereedschappen  en  schanswerktuigen^ 
leeftocht  en  paardevoer;  —  vooral  het  laatste  was  eene  hoofd- 
zaak, daar,  bij  de  legers  van  dien  tijd,  de  ruiterij  een  zoo  groote 
getalsterkte  had. 

Het  is  duidelijk  dat  er  aanzienlijke  middelen  bijeengebracht 
moesten  worden,  wilde  men  iets  goeds  verwachten  van  de  onder- 
neming tegen  Namen.  In  Frankrijk  had  men  zich  dan  ook  lang 
te  voren  op  het  bijeenbrengen  van  die  middelen  voorbereid;  en 
men  was  daarbij  te  werk  gegaan  met  die  inspanning  en  zorg, 
met  die  ruimte  aan  geldelijke  uitgaven,  die  men  altijd  kan  op- 
merken  daar   waar   Lodewijk  XIV  in  persoon  eene  krijgsonder- 


Digitized  by 


Google 


NAMEN*  1 33 

neming  bestuurt,  of  bijwoont:  daar  waar  de  Koning  zelf  tegen- 
woordig is,  moeten  de  oorlogsmiddelen  zulk  een  omvang  nemen, 
dat  de  kansen  van  het  mislukken  der  onderneming  zoo  klein 
mogelijk  worden. 

Reeds  in  Augustus  1691  had  Malezieux,  de  intendant  van  de 
provincie  Champagne,  last  gekregen  om,  in  stilte  en  van  liever- 
lede, in  magazijnen  nabij  de  Maas,  1300000  rations  paarde  voer 
bijeen  te  brengen,  die  hij  moest  trekken,  hetzij  uit  Champagne, 
hetzij  uit  het  Luxemburgsche,  of  uit  Lotharingen,  of  uit  Metz 
en  de  andere  bisdommen.  Gedurende  den  winter  ontvingen  De 
Bagnoles,  intendant  in  Vlaanderen,  en  Chauvelin,  intendant  in 
Picardië,  evenzoo  bevel  om  900000  rations  paardevoer  op  te 
koopen  en  die  per  as  op  te  zenden  naar  de  zijde  van  de  Sambre. 
In  de  Henegouwsche  vestingen  kwamen  aanmerkelijke  magazijnen 
van  leeftocht;  te  Givet,  Dinant,  Philippeville  en  Maubeuge  waren 
in  het  geheel  40000  zakken  meel,  elke  zak  van  200  pond;  te 
Mezières,  Avesnes,  Landrecies  en  Mons  waren  45000  zakken; 
en  bovendien  had  Chauvelin  last,  om  al  het  graan  en  meel  dat' 
hij  kon  opkoopen,  op  te  zenden  naar  de  magazijnen  bij  de  Sambre. 

Vauban  was  tijdig  naar  Henegouwen  gezonden  om  alles  bijeen 
te  brengen  wat  noodig  was  tot  het  beleg  van  een  groote  ves- 
ting; en  reeds  in  Januari  1692  kreeg  De  Vigny,  de  bevelhebber 
van  de  artillerie  in  Fransch  Vlaanderen,  last  om  een  belegerings- 
park te  organiseeren.  Bij  Beaurain  vindt  men  uitvoerig  vermeld 
welk  geschut,  welke  munitiën  en  gereedschappen  voor  het  beleg 
van  Namen  hebben  gediend,  of  daarvoor  zijn  bijeengebracht; 
wij  nemen  enkele  bijzonderheden  daarvan  over.  Aan  kanonnen 
had  men  een  getal  van  196;  hiervan  waren  er  echter  100  be- 
neden het  kaliber  van  12  pond,  denkelijk  dus  enkel  veldgeschut; 
men  had  96  kanonnen  van  12  pond,  16  pond,  24  en  33.  Mor- 
tieren waren  er  59,  waarvan  evenwel  slechts  3  van  18  duim,  de 
overige  waren  van  12  en  van  8  duim;  bovendien  waren  er  8 
steen  mortieren.  Kanonskogels  waren  er  bijna  109000,  waarvan 
nog  niet  de  helft  bij  het  beleg  werd  verbruikt;  bommen  13000, 
waarvan  een  9000  verbruikt  werden;  en  43000  granaten,  waar- 
van meer  dan  de  helft  ongebruikt  bleef. 

Bij  die  opgave  van  de  aanvalsmiddelen  kan  i\og  worden  ge- 
voegd, dat  er  in  Vlaanderen,  Henegouwen,  Picardië  en  Cham- 
pagne een  20000  boeren  waren  aangewezen,  die  als  schansgravers 
hebben  gediend  bij  dit  beleg  van  Namen. 

Toen  alle  toebereidselen  zijn  afgeloopen  en  de  onderneming 
kan  beginnen,  vertrekt  Lodewijk  XIV  den  lyen  Mei  1692  naar 
het  leger,  dat  in  de  nabijheid  van  Mons  samentrekt;  de  Dauphijn 
en  het  geheele  hof  vergezellen  den  Koning.  Op  eene  ruime 
vlakte,  een  groot  uur  ten  zuidoosten  van  Mons,  houdt  de  Koning 


Digitized  by 


Google 


134  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

den  21  sten  Mei  eene  groote  wapenschouwiug  over  zijn  leger  en 
over  dat  van  Luxembourg.  Het  moet  een  schitterend  schouwspel 
zijn  geweest,  die  macht  van  bijna  120000  man  daar  bijeen  te 
zien;  Racine,  bestemd  de  geschiedschrijver  van  dit  beleg  vao 
Namen  te  worden,  was  op  's  Konings  last  bij  het  leger  en  woonde 
die  wapenschouwing  bij ;  maar  uit  de  beschrijving  die  hij  daarvan 
geeft,  den  daarop  volgenden  dag  in  een  brief  aan  zijn  vriend 
Boileau,  blijkt  duidelijk  dat  de  dichter  van  Phèdre  en  van  Athalic 
eigenlijk  een  te  goedhartig  en  vreedzaam  mensch  was,  om  veel 
behagen  te  vinden  in  al  die  oorlogsdrukte : 

>De  Koning"  —  zoo  schrijft  Racine  —  t  hield  gisteren  eene 
wapenschouwing  over  zijn  leger  en  over  dat  van  den  Heer  De 
Luxembourg.  Het  was  ongetwijfeld  eene  vertooning,  zoo  schit- 
terend als  men  in  vele  eeuwen  niet  heeft  gezien.  Ik  herinner  mij 
niet,  dat  de  Romeinen  ooit  iets  dergelijks  zagen;  want  hunne 
legers  waren,  geloof  ik,  nooit  sterker  dan  een  40000  man, 
50000  op  zijn  allermeest;  en  gisteren  waren  er  120000  man 
bijeen,  op  vier  liniën;  als  men  met  de  uiterste  nauwkeurigheid 
telt,  dan  is  dit  cijfer  nog  geen  3000  man  te  hoog.  Om  elf  uur 
's  ochtends  begon  ik  mij  in  beweging  te  stellen;  mijn  paard 
stapte  goed  door  en  zonder  ophouden,  en  toch  had  ik  eerst 
om  acht  uur  's  avonds  gedaan;  reken  maar,  dat  men  twee  uren 
noodig  had  om  van  het  eene  einde  eener  linie  naar  het  andere 
einde  te  komen.  Maar,  heeft  men  nooit  zooveel  troepen  bijeen 
gezien,  gij  kunt  er  staat  op  maken  dat  men  er  ook  nooit  schit- 
terender gezien  heefc.  Ik  kan  u  een  zeer  goede  beschrijving  geven 
van  de  twee  liniën  van  's  Konings  leger,  en  van  de  eerste  van 
het  leger  van  den  Heer  De  Luxembourg;  maar  wat  diens 
tweede  linie  betreft,  daarvan  kan  ik  alleen  spreken  op  gezag  van 
anderen.  Ik  was  zóó  moede,  zóó  verblind  door  het  blinken  van 
zooveel  degens  en  musketten,  zóó  dof  door  het  gedruisch  van 
trommen,  trompetten  en  pauken,  dat  ik  inderdaad  mijn  paard 
maar  liet  voortstappen,  zonder  op  iets  te  letten ;  en  van  ganscher 
harte  had  ik  gewenscht,  dat  al  die  mannen  die  ik  zag,  weer  in 
hun  hut  of  huis  waren  bij  hun  vrouwen  en  kinderen,  en  ik  bi) 
mijn  gezin  in  de  Rue  des  Mafons,  In  een  heldendicht  is  u  mis- 
schien de  wapenschouwing  van  een  leger  langdradig  en  vervelend 
voorgekomen;  maar  déze  wapenschouwing  kwam  mij  voor  lang- 
dradig boven  alles  en  zelfs  —  vergeef  mij  die  goddelooze  uit- 
drukking —  vermoeiender  dan  de  wapenschouwing  in  de  Pucelle'*. 
(de  Pucelle^  het  heldendicht  van  Chapelain^  een  prul,  waarvan 
Racine  te  recht  met  minachting  spreekt,  hoewel  er  in  die  min- 
achting toch  ook  eenige  ondank  schuilt,  daar  Racine,  bij  den 
aanvang  van  zijn  dichterlijke  loopbaan,  steun  en  leiding  bij 
Chapelain  had  gevonden). 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  135 

Twee  dagen  na  de  groote  wapenschouwing,  den  2351011  Mei, 
stellen  zich  de  beide  Fransche  legers  in  beweging,  zij  verdeelden 
zich:  het  leger  van  Luxembourg,  het  noordelijkste  van  de  twee, 
gaat  op  Arquennes,  en  slaat  dien  dag  een  kamp  op,  in  de  vlakte 
noordelijk  van  Séneffe;  de  Koning,  met  het  andere  leger,  trekt 
naar  de  zijde  van  den  oorsprong  van  den  Piéton,  en  komt  dien 
dag  te  Carnières;  de  afstand  tusschen  de  beide  legers  is  toen 
een  kleine  2  uur  gaans.  Den  24sten  komt  het  leger  des  Konings 
te  Sombreffe  en  naar  de  zijde  van  Fleurus;  dat  van  Luxembourg, 
te  Marbaix;  de  beide  legers  zijn  elkander  dus  iets  genaderd. 
Den  25sten  trekt  het  leger  van  Lodewijk  XIV  op  Masy,  —  tus- 
schen Sombreffe  en  Namen;  dat  van  Luxembourg  komt  te 
Gemblours,  noordelijk  van  het  leger  des  Konings. 

Het  onweder  begon  dus  Namen  te  naderen;  en  reeds  den 
25sien  Mei  ging  men  over  tot  de  berenning  van  die  vesting.  Op 
den  rechteroever  van  de  Maas  verscheen  de  legerafdeeling  van 
Boufflers  —  16  bataljons  en  48  eskadrons  —  en  sloot  op  dien 
oever,  van  boven  tot  beneden  de  stad,  de  gemeenschap  naar 
buiten  af.  Twaalf  eskadrons  van  Boufflers  waren  ter  beschikking 
gesteld  van  den  generaal  Ximenes,  die  uit  Dinant  en  Philippe- 
ville  6  bataljons  had  getrokken;  en  met  die  vereenigde  macht 
werd  Namen,  —  of  beter,  het  kasteel  — ,  berend  in  de  ruimte 
tusschen  de  boven-Maas  en  de  Sambre.  Van  den  linkeroever 
van  de  Sambre  tot  aan  de  beek  van  Vesdrin  werd  de  berenning 
verricht  door  eene  brigade  ruiterij,  onder  De  Quadt;  en  tusschen 
die  beek  en  het  lagere  gedeelte  van  de  Maas  door  Condé  {M,  Ie 
Prince^  een  zoon  van  den  beroemden  Condé),  met  4  brigaden 
ruiterij  en  1500  man  voetvolk.  Bovendien,  om  de  vijandelijke 
afdeelingen  tegen  te  houden  die  nog  zouden  willen  doordringen 
tot  Namen,  werden,  van  Luxembourg's  leger,  4000  paarden, 
onder  Montal,  geplaatst  nabij  den  oorsprong  van  het  riviertje 
de  Méhaigne;  en  eene  tweede  afdeeling  van  2  brigaden  ruiterij, 
onder  De  Coigny,  te  Chatelet,  iets  beneden  Charleroi,  om  de 
bezetting  van  die  vesting  te  beletten  de  konvooien  aan  te  vallen 
die  van  Maubeuge  moesten  komen. 

Toen  de  berenning  voltooid  was,  trok  Lodewijk  XIV  met  zijn 
leger  den  26sien  Mei  op  Namen,  en  deed  dien  dag  en  den  vol- 
genden eene  verkenning  om  de  verdeeling  van  de  kwartieren  der 
insluitende  macht  te  regelen.  De  Fransche  koning  —  dit  is  be- 
kend —  hield  veel  van  den  belegcringsoorlog,  en  had  dus  wel 
eenige  kennis  daarvan;  toch  is  de  onderstelling  niet  gewaagd, 
dat  zijne  legerhoofden,  en  vooral  Vauban,  hem  hier  in  deze  taak 
zeer  behulpzaam  zijn  geweest,  en  hem  hebben  ingegeven  wat  hij 
moest   bevelen.    Dadelijk   na   de   berenning  kwamen  de   20000 


Digitized  by 


Google 


136  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

schansgravers,  die  men  uit  Frankrijk's  noordelijke  gewesten  had 
bijeengebracht,  voor  Namen;  zij  vingen  onverwijld  aan  met  het 
graven  van  eene  circumvallatie-linie,  die,  volgens  ééne  opgave, 
eene  uitgestrektheid  moet  hebben  gehad  van  een  vijf  uur  gaans ; 
schipbruggen  werden  geslagen  over  de  Sambre  en  over  de 
Maas ;  drie  bruggen,  volgens  ééne  opgave ;  in  het  plan  der 
belegering  van  Namen,  bij  Beaurain,  komen  twee  bruggen  voor 
over  de  Maas  beneden,  en  eene  over  de  Maas  boven  Namen; 
maar  geene  over  de  Sambre,  die  er  toch  denkelijk  wél  zijn  ge- 
weest. Het  belegeringspark  kwam  aan,  gedeeltelijk  over  Philip- 
peville  te  land,  gedeeltelijk  over  Dinant,  in  schuiten  de  Maas 
afzakkende;  binnen  de  linién  gekomen,  werd  alles  in  twee  par- 
ken verdeeld,  het  eene  achter  de  hoogten  van  Bouge  ten  noord- 
oosten van  de  stad,  het  andere  in  de  ruimte  tusschen  de  Sambre 
en  de  boven-Maas  ten  zuidwesten  van  het  kasteel;  beide  parken 
waren  een  15  i  1600  meters,  of  ellen,  verwijderd  van  het  meest 
nabijzijnde  werk  der  vesting,  en  dus  beveiligd  voor  de  werking 
van  het  geschut  van  dien  tijd.  In  het  dorp  Flavines,  op  den 
linkeroever  der  Sambre,  een  groot  half  uur  gaans  westelijk  van 
Namen,  was  het  hoofdkwartier  van  den  Franschen  koning;  daar 
kwamen  ook  de  ovens,  om  het  brood  te  bakken  voor  het  leger. 

Al  die  toebereidselen  schijnen  op  voortvarende  wijze  te  zijn 
verricht,  zoodat  men  binnen  weinige  dagen  kon  overgaan  tot 
het  openen  van  de  loopgraven.  Men  wilde*  eerst  de  stad  aan- 
vallen, daarna  het  kasteel;  de  aanval  op  de  stad  zou  gepaard 
gaan  met  een  aanval  op  den  faubourg  de  Jambe  op  den  rechter 
Maasoever,  tegenover  het  kasteel;  de  poging  om  die  voorstad 
te  vermeesteren  was  wel  geen  schijnaanval,  maar  toch  een  aan- 
val van  ondergeschikt  belang,  die  voornamelijk  diende  om  eece 
afleiding  te  maken  ten  voordeele  van  den  aanval  op  de  stad. 
Bij  de  stad  wilde  men  aanvallen,  het  front  onmiddellijk  sluitende 
aan  de  Maas  en  bestaande  uit  twee  gerevêteerde  bastions  en  een 
daartusschen  liggend  ravelijn,  dat  niet  gerevêteerd  was;  dit  front 
had  natte  grachten,  gevormd  door  het  water  van  de  beek  van 
Vesdrin,  dat  opgehouden  werd  door  den  steenen  beer.  Door 
batterijen  op  den  rechteroever  van  de  Maas  wilden  de  Franschen 
het  front  van  aanval  op  den  linkeroever  teisteren  en,  zoo  moge- 
lijk, den  steenen  beer  vernielen. 

In  den  nacht  van  den  29sten  op  den  3osien  Mei  worden  de 
loop'Traven  geopend  en  komt  men  al  dadelijk  tot  op  een  150 
meter  afstand  van  het  glacis  bij  het  f'-ont  van  aanval  op  den 
linkeroever,  —  het  front  van  S.  Nicolas^  zooals  wij  het  zullen 
noemen,  naar  de  daar  aanwezige  poort  van  dien  naam.  Noch 
daar,  noch  tegen  de  loopgraven  bij  den  faubourg  de  Jambe  heeft 


Digitized  by  VjOOQIC 


NAMEN.  137 

een  uitval  plaats,  óf  wordt  eenig  ander  middel  aangewend  om 
den  arbeid  van  den  belegeraar  te  verhinderen;  men  laat  hem 
rustig  begaan.  Bij  den  hoofdaanval  op  den  linkeroever  komt 
eene  loopgravenwacht  van  3  bataljons;  bij  den  aanval  tegen  den 
faubourg  de  Jambe  eene  wacht  van  2  bataljons,  op  een  afstand 
door  2  eskadrons  ondersteund. 

In  den  daarop  volgenden  nacht  —  30  op  31  Mei  —  worden 
op  den  linkeroever,  op  de  hoogten  van  Bouge,  twee  batterijen 
opgeworpen,  de  eene  voor  10,  de  andere  voor  5  kanonnen;  en 
eene  derde  batterij  voor  12  mortieren.  Op  eene  hoogte  op  den 
rechteroever  van  de  Maas  doet  Boufflers  gelijktijdig  twee  batte- 
rijen opwerpen,  bestemd  om  haar  vuur  te  richten  op  het  front 
van  aanval  op  den  anderen  oever;  de  eene  batterij  voor  6 
kanonnen,  de  andere  voor  4.  Reeds  in  den  ochtend  van  den 
31  sten  Mei  openen  al  die  batterijen  haar  vuur,  dat  groote  uit- 
werking heeft.  Dien  dag  worden  op  den  rechteroever  drie  nieuwe 
batterijen  aangelegd,  onmiddellijk  aan  de  rivier;  twee  daarvan 
zijn  bestemd  om  haar  vuur  te  richten  op  het  front  van  Saint- 
Nicolas ;  de  derde  moet  den  steenen  beer  vernielen.  Ook  op  den 
linkeroever  komen  op  de  hoogten  van  Bouge  drie  nieuwe  batte- 
rijen :  twee  voor  kanonnen,  eene  voor  mortieren. 

Men  zegt  dat  Lodewijk  XIV  eerst  voornemens  was  Namen  te 
doen  vallen,  alleen  door  een  bombardement;  maar  dat  Vauban 
den  Koning  van  dat  voornemen  heeft  doen  afzien  door  de  ver- 
zekering te  geven,  dat  Namen  binnen  weinige  dagen  zich  zou 
overgeven  zonder  dat  het  noodig  was  van  de  stad  een  puinhoop 
te  maken.  Men  ziet  intusschen  dat  Vauban  bij  zijn  aanval  op 
krachtige  wijze  zijne  artillerie  aanwendde;  evenwel  richtte  hij 
het  geschutvuur  op  de  vestingwerken,  niet  op  de  stad. 

Bij  den  hoofdaanval  werden  de  loopgraven  voortgezet  tot 
onmiddellijk  aan  de  Maas,  om  —  zegt  Beaurain  —  den  vijand  te 
beletten  aan  die  zijde  uitvallen  te  doen;  maar  eene  hartstochte- 
lijke neiging  tot  het  doen  van  uitvallen  schijnt  hier  bij  den  be- 
legerde niet  te  hebben  bestaan.  Den  isten  Juni,  om  acht  uur  's  och- 
tends, doet  Boufflers  de  verschansing  van  den  faubourg  de  Jambe 
aanvallen  door  300  grenadiers  en  400  dragonders;  met  weinig 
moeite  wordt  dit  werk  genomen;  de  verdedigers  trekken  terug 
op  de  lunette  die  als  bruggenhoofd  en  reduit  diende.  Ook  die 
lunelte  wordt  den  4en  Juni  verlaten,  toen  de  Franschen  in  den 
faubourg  de  Jambe  twee  batterijen  hebben  aangelegd  waarmede 
zij  de  steenen  brug  over  de  Maas  kunnen  beschieten  en  dus  de 
gemeenschap  afbreken  van  de  lunette  met  den  linkeroever  der  Maas. 

Bij  den  hoofdaanval  maakte  men  ook  snelle  vorderingen;  de 
steenen  beer  werd  stuk  geschoten,  zoodat  het  water  afliep,  en 
dus  de  belegeraar  niet  veel  moeite  had  om  de  voorgracht  over 
te  komen,  de  gracht  van  het  ravelijn,  in  den  nachc  van  2  op  3  Juni 


Digitized  by 


Google 


; 


138  ICRIJGS*   ES   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

te  dempen,  en  den  3en  dat  werk  te  bezetten.  In  Racine's  ver- 
haal van  het  beleg  komt  voor.  dat  de  Maas  een  poos  zeer  laag 
was,  zoodat  men  over  een  droog  gedeelte  van  de  rivier  mineurs 
wilde  doen  overgaan  om  in  het  vestingfront  op  den  anderen 
oever  eene  mijn  te  maken;  —  een  plotselinge  was  van  de  rivier 
dwong  evenwel  van  dit  voornemen  af  te  zien. 

Het  was  echter  niet  noodig,  van  den  rechter  Maasoever  over 
te  gaan  tot  de  bestorming  van  de  stad :  de  aanval  op  den  lin- 
keroever was  voldoende.  In  het  bastion,  onmiddellijk  aan  de 
Maas  sluitende,  was  bres  geschoten;  en  de  verdedigers  vonden 
het  dan  ook  raadzaam  dit  werk  te  ontruimen,  waarop  de  be- 
legeraar, in  den  nacht  van  4  op  5  Juni,  zich  daarin  vestigde. 
De  stad  had  nu  niets  anders  meer  om  den  vijand  tegen  te  hou- 
den dan  haar  ouden  ringmuur  met  torens  en  omgeven  door 
eene  natte  maar  ondiepe  gracht;  bij  eene  dappere  bezetting,  bij 
een  heldhaftigen  bevelhebber  zou  ook  zulk  een  omwalling  met 
goed  gevolg  aan  den  vijand  zijn  betwist:  Haarlem  had  geen 
betere  vestingwerken  om  Alva's  soldaten  tegen  te  houden.  Maar 
de  verdedigers  van  Namen  in  1692  hadden  zeer  weinig  van 
Ripperda  en  zijne  dapperen;  zij  meenden  geen  bestorming  te 
kunnen  afwachten;  te  meer  niet  omdat,  volgens  ééne  opgave, 
door  het  springen  van  een  kruittoren  een  gedeelte  van  den 
stadswal  was  vernield;  —  van  die  laatste  omstandigheid  komt 
echter  geen  woord  voor  bij  Beaurain,  die  anders  nog  al  in 
bijzonderheden  treedt.  Hoe  dit  zij,  den  5en  Juni  trad  de  ver- 
dediger in  onderhandeling,  en  den  volgenden  dag  werd  de  stad 
overgegeven;  de  bezetting  verkreeg  vrijen  uittocht  naar  het  kas- 
teel; en  men  kwam  overeen,  dat  stad  en  kasteel,  wederkeerig, 
niet  op  elkander  zouden  vuren. 

In  een  brief  van  den  laen  Juni  1692  aan  den  raadpensionaris 
Heinsius,  spreekt  Willem  III  van  >d*infame  defentie  die  de  stadt" 
(Namen)  t  heeft  gedaen."  (Archief  van  Heinsius,  2"  deel,  blz.  56). 
Nu  moet  men  wel  in  aanmerking  nemen,  dat  Willem  III  niet 
gewoon  was  bij  zulke  gelegenheden  de  zachtste  woorden  te  ge- 
bruiken, en  men  zijn  oordeel  niet  altijd  onvoorwaardelijk  als 
juist  en  billijk  moet  beschouwen;  hier  echter  schijnt  dat  oordeel 
wél  gegrond  te  zijn  geweest;  en  als  men  de  verdediging  van  de 
stad  Namen  zwak  noemt,  dan  beoordeelt  men  haar  zoo  gunstig 
als  het  maar  kan.  Is  die  zwakke  verdediging  misschien  het  ge- 
volg geweest  van  kwade  trouw,  van  verstandhouding  met  den 
Franschen  koning,  van  bedekte  begunstiging  der  Fransche  wape- 
nen? —  Dit  blijkt  nergens  uit;  integendeel,  in  een  brief  van 
Racine  aan  Boileau,  den  24sien  Juni  1692  uit  de  legerplaats  voor 
Namen  geschreven,  komt  eene  bijzonderheid  voor,  die  zou  doen 
denken    dat    men    toen    te    Namen    meer    Spaanschgezind   dan 


Digitized  by 


Google 


^ 


NAMEN.  139 

Franschgezind  was;  sprekende  over  de  bommen  die  gebruikt 
zullen  worden  tegen  het  kasteel  van  Namen,  zegt  Racine,  dat 
men  een  aantal  bommen  gevonden  heeft  in  het  Jezuïetenklooster, 
even  buiten  de  stad: 

>Bij  de  eerwaarde  vaders  Jezuïeten  te  Namen  zijn  gisteren 
twaalf  honderd  en  zestig  bommen  gevonden,  alle  gevuld,  en 
met  de  buizen.  Die  goede  vaders  hadden  die  fraaie  zaken  be- 
waard met  de  meest  mogelijke  zorg  en  zonder  er  een  woord 
over  te  spreken;  waarschijnlijk  hoopten  zij  ze  terug  te  geven 
aan  de  Spanjaarden,  voor  het  geval  dat  wij  het  beleg  hadden 
moeten  opbreken.  Toch  schenen  zij  uitermate  blij  onder  's  Konings 
heerschappij  te  komen ;  en  aan  mij  zelven  zeiden  zij,  met  een 
blijmoedig  en  openhartig  gelaat,  dat  zij  overgroote  verplichting 
hadden  aan  den  Koning,  omdat  hij  hen  verlost  had  van  die 
vervloekte  Protestanten,  die  te  Namen  in  bezetting  waren  en 
preeken  hielden  in  hunne  gebouwen.  De  Koning  heeft  den  opper- 
sten {Je  père  recteur)  naar  Dóle  opgezonden ;  maar  zelfs  vader 
La  Chaise"  (de  biechtvader  van  Lodewijk)  >zegt,  dat  de  Koning 
al  te  goed  is,  en  dat  de  oversten  der  Jezuïeten  strenger  zullen  zijn.*' 

Maar  waar  bleef  Frankrijk's  groote  vijand,  terwijl  de  stad 
Namen  zoo  boog  voor  de  Fransche  wapenen? 

Omstreeks  half  Mei  was  Willem  III  te  Brussel  gekomen,  en 
had  daar  den  nieuwen  landvoogd  van  de  Spaansche  Nederlanden 
ontmoet,  Maximiliaan,  keurvorst  van  Beieren,  Maximiliaan,  die 
door  bloedverwantschap  de  verwachting  had  van  eenmaal  aan 
het  hoofd  te  komen  van  de  Spaansche  Monarchie,  had  zich  nu 
alvast  willen  belasten  met  het  bestuur  van  de  Zuidelijke  Neder- 
landen ;  men  hoopte  dat  die  Beiersche  keurvorst,  jong  en  krijgs- 
haftig van  aard,  Willem  III  tot  krachtiger  hulp  zou  zijn  dan  de 
Spaansche  landvoogden,  die  zoo  slecht  ondersteund  werden  door 
hun   Koning;  —  de   uitkomst  heeft  die  hoop  niet  verwezenlijkt. 

In  de  tweede  helft  van  Mei,  toen  de  Fransche  legers  Hene- 
gouwen binnenrukten,  verzamelden  d^  Koning  en  de  Keurvorst 
een  26  ^  27000  man  nabij  Brussel,  om  die  hoofdstad  te  dekken; 
bevelen  werden  afgezonden  naar  alle  gekantonneerde  troepen 
om  zich  bij  de  hoofdmacht  aan  te  sluiten,  evenzoo  aan  de 
Luiksche  troepen  onder  Tserclaes,  die  bij  Luik,  en  aan  de  Bran- 
denburgsche  onder  Flemming,  die  bij  Aken  stonden.  Flemming 
met  zijne  Brandenburgers  sloot  zich  eerst  den  óen  Juni  bij  het 
hoofdleger  aan ;  hij  verloor  tijd  —  zeggen  ónze  opgaven  —  met 
het  overtrekken  van  de  Maas;  nog  al  een  vreemde  reden,  daar 
er  toch  te  Maastricht  en  te  Luik  vaste  bruggen  waren  over  die 
rivier.  Hoe  dit  zij,  zooveel  is  zeker  dat  eerst  den  6en  Juni  het 
leger  van  Willem  III  geheel  vereenigd  was;  het  telde  toen  85 
bataljons    en    188    eskadrons;    dus,    naar    onze   schatting,   ruim  , 


Digitized  by 


Google 


140  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

50000  man  voetvolk  en  bijna  20000  ruiters;  alles  te  zamen  een 
70000  man. 

Toen  het  duidelijk  werd  dat  Namen  het  hoofddoel  van  het 
Fransche  leger  was,  verliet  Willem  III  met  zijne  krijgsmacht  de 
omstreken  van  Brussel  en  trok  naar  de  zijde  van  Leuven;  den 
28sten  Mei  was  hij  te  Bethlehem,  een  klooster  aan  de  westzijde 
van  die  stad;  den  3en  Juni,  bij  de  abdij  van  het  park,  een 
kwartieruurs  oostelijk  van  Leuven.  Van  daar  trok  het  leger  der 
bondgenooten  naar  de  Geete  en  de  Méhaigne;  kwam  den  5en 
Juni  te  Meldert,  een  uur  ten  zuidwesten  van  de  stad  Thienen; 
den  ócQ  te  Hongaerde,  tusschen  Thienen  en  Guldenaken;  den 
yen  te  Orp  en  Montenaken,  een  paar  uur  ten  zuiden  van  Sint- 
Truyen;  bereikte  den  8sien,  over  Hannuye,  de  Méhaigne,  en 
sloeg  zijn  kamp  op  bij  het  dorp  Villers,  nabij  den  linkeroever 
van  het  riviertje,  zoo  wat  een  half  uur  gaans  ten  zuiden  van 
Hannuye. 

Het  leger  van  Luxembourg  had  die  bewegingen  van  den  vijand 
gevolgd;  was  den  4en  Juni  van  Gemblours  getrokken  op  Long- 
champ,  2^3  uur  ten  noorden  van  Namen;  en,  den  marsch  in 
oostelijke  richting  op  den  rechteroever  van  de  Méhaigne  voort- 
zettende, kwam  het  den  6en  Juni  te  Eraptinne,  en  den  8stcn  in 
de  vlakte  van  Acoche,  tegenover  het  leger  van  Willem  III. 

De  Fransche  veldheer  had  de  twee  detachementen,  vroeger 
door  hem  afgezonden,  weer  tot  zich  getrokken;  en  toen  de  stad 
Namen  zich  had  overgegeven,  en  Lodewijk  XIV  daar  dus  minder 
troepen  noodig  had,  zond  de  Koning  16  bataljons,  41  eskadrons 
ruiters  of  dragonders,  en  20  stukken  geschut  ter  versterking  van 
Luxembourg  af.  De  geheele  macht  van  den  Maarschalk  bestond 
toen  uit  82  bataljons  en  268  eskadrons:  naar  schatting  moet  dit 
geweest  zijn  ruim  53000  man  voetvolk  en  bijna  43000  ruiters,  dus 
een  90  k  100 coo  man;  —  ééne  opgave  begroot  echter  de  sterkte 
van  Luxembourg's  leger  op  niet  meer  dan  80000  man.  Maar 
zelfs  al  neemt  men  die  minste  sterkte  aan  als  de  ware,  dan  was 
toch  het  Fransche  leger  sterker  dan  dat  van  Willem  III.  Beaurain 
beweert  dat  de  bondgenooten  meer  infanterie  hadden  dan  de 
Franschen,  want  dat  Willem  III  85  bataljons  had  en  Luxembourg 
slechts  82,  en  het  bataljon  bij  de  bondgenooten  sterker  was  dan 
bij  de  Franschen;  dat  laatste  is  minder  juist:  gewoonlijk  telde 
het  bataljon  bij  de  bondgenooten  een  600  man;  bij  de  Fran- 
schen. toen,  650  a  700.  Aan  ruiterij  was  Luxembourg  ontegen- 
zeggelijk veel  sterker  dan  Willem  III. 

Een  veldslag  scheen  nu  nabij;  want  te  recht  schrijft  Dijkvelt 
in  een  brief  aan  Heinsius,  den  gen  Juni  1692,  van  het  ter  hulp 
komen  van  Namen  gewagende:  > niets  tot  desselfs  secours  tegen 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  141 

den  vyant  te  tenteren,  ende  denselve  maer  te  blijven  liggen  aen- 
kijcken  en  comt  gansch  niet  over  een  met  het  humeur  ende 
genegentheyt  van  S.  M."  Maar  tevens  stelt  Dijkvelt  den  aanval 
op  Luxembourg's  stelling  als  een  gewaagde  en  zeer  gevaarlijke 
handeling  voor:  >over  de  riviere  te  gaen  ende  Luxemburgh  soo 
avantageus  geposteert  ende  soo  sterck  als  wij,  aen  te  tasten  met 
de  gantse  armee,  oordeelen  meest  alle  de  generaels  van  soo 
groote  difficulteyt,  dat  het  bijnae  onmogelijck  schijnt  daer  inne 
te  connen  reusseren;  ende  seer  aparent  van,  misluckende,  wey- 
nigh  van  de  trouppes  te  sullen  connen  behouden  ende  afvoeren. 
Ende  deselve,  dewelcke  gisteren  morgen  op  de  aencompste  de 
saecken  heel  faciel  stelden,  bekennen  nu,  naer  dat  sij  het  terrain 
ende  de  gantse  gelegentheyt  hebben  gerecognoceert  ende  over- 
wogen, dat  het  is  vermenght  met  het  uyterste  gevaer  van  te 
worden  geslaegen."  (Archief  van  Heinsius,  2*  deel,  blz.  55).  Men 
ziet  dus,  dat  IJijkvelt  toen  zeer  gestemd  was  tegen  het  aanvallen 
en  slag  leveren;  en  de  raadpensionaris  Heinsius,  die  hem  den 
iien  Juni  uit  Den  Haag  antwoordt  op  dien  brief,  raadt  het  slag 
leveren  dan  ook  af,  daar  eene  nederlaag  den  zedelijken  indruk 
zou  doen  verloren  gaan,  door  den  gewonnen  zeeslag  van  La 
Hogue  gemaakt.  Heinsius  schreef  in  denzelfden  geest  aan  Wil- 
lem III;  de  Raadpensionaris  voegde  er  bij,  dat  dit  niet  alleen 
zijn  eigen  gevoelen  was,  maar  ook  dat  van  >de  meeste  heeren 
van  de  regeringe." 

Duidelijkheidshalve  voegen  wij  hierbij:  dat  Dijkvelt  toen  in 
het  hoofdkwartier  der  bondgenooten  was,  en  bekend  met  alles 
wat  daar  voorviel ;  dat  hij  reeds  vele  jaren,  ook  als  gedeputeerde 
te  velde,  Willem  III  ter  zijde  had  gestaan,  en  dus  met  juistheid 
kon  oordeelen  over  >het  humeur  ende  genegentheyt  van  S.  M.'*; 
en  dat  Dijkvelt  zich  steeds  veel  meer  gekenmerkt  heeft  door  ge- 
heele  toewijding  aan  Willem  III  dan  door  onafhankelijkheid  van 
karakter;  zoodat,  waar  hij  eene  meening  uit,  verschillend  van 
die  van  den  Stadhouder,  dit  wel  moet  zijn  teweeggebracht  door 
eene  zeer  sterke  overtuiging. 

Het  valt  moeilijk  om  thans,  na  een  tijdsverloop  van  bijna  twee 
eeuwen,  daarover  te  oordeelen,  of  die  stelling  van  Luxembourg 
achter  de  Méhaigne  zoo  sterk  was,  dat  zij  moest  worden  be- 
schouwd als  bijna  onaanvalbaar ;  er  zijn  te  weinig  gegevens  om 
tot  een  grondig  oordeel  te  kunnen  komen.  De  Méhaigne  op 
zichzelve  is  geen  belangrijke  terreinhindernis:  het  is  een  kleine 
rivier,  op  veel  punten  doorwaadbaar,  —  ten  minste  in  gewone 
tijden.  De  beide  legers  kwamen  bijna  gelijktijdig  aan  de  rivier; 
de  bondgenooten  wilden  dadelijk  beginnen  aan  het  slaan  van 
bruggen,  maar  werden  daarin  verhinderd  door  het  vuur  van  20 
stukken  geschut,  die  Luxembourg  in  batterij  bracht;  toen  echter 


Digitized  by 


Google 


1 


142  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

de  bondgenooten  eene  sterkere  artillerie  in  werking  brachten, 
ging  het  Fransche  geschut  terug.  Intusschen  was  daarmee  tijd 
verloopen,  zoodat  er  op  den  Sstea  Juni  van  een  aanval  geen 
sprake  meer  kon  zijn.  Om  vijf  uur  's  namiddags  vereenigde  Wil- 
lem III  al  zijn  generaals  in  eene  hoeve  yfa  ceme  de  r Empereur'' ^ 
om  hun  de  bevelen  raeê  te  deelen  voor  den  aanval  van  den  vol- 
genden dag;  bij  alle  regimenten  werden  kleine  bruggen  gemaakt 
om  de  Méhaigne  over  te  komen;  het  aantal  van  die  houten 
bruggen  moet  zeer  groot  zijn  geweest :  y^une  mfinité  de  ponn''\  zegt 
Racine;  —  wanneer  die  schrijver  er  echter  bijvoegt,  dat  Wil- 
lem III  de  bestaande  steenen  bruggen  over  de  Méhaigne  deed 
afbreken,  dan  is  dit  eene  opgave  waarvan  de  onwaarschijnlijkheid 
in  het  oog  springt. 

Maar  was  de  Méhaigne  in  gewone  tijden  een  onbeduidend 
riviertje,  dit  schijnt  niet  het  geval  te  zijn  geweest  op  dét  oogen- 
blik:  slecht  weer,  een  sterke  en  aanhoudende  regen  bracht  een 
buitengewoon  hoogen  v/aterstand  teweeg.  Het  gebeurt  dikwijls 
dat  traagheid  en  werkeloosheid  in  den  oorlog  worden  toege- 
schreven aan  het  slechte  weer;  dat  is  dan  de  zondebok,  waarop 
de  schuld  wordt  geschoven;  —  hier  echter  was  dat  slechte  weer 
meer  dan  een  verdichtsel  of  een  uitvlucht.  Constantijn  Huygens 
—  de  zoon,  secretaris  bij  Willem  III  —  heeft  in  zijn  dagboek 
daarover  het  volgende  opgeteekend: 

Op  den  8sien  Juni:  >het  regende  dien  dag  met  buyen  en  tegen 
den  avondt  vrij  sterck,  daer  door  de  Mehaine  wel  een  voet  of 
twee  opliep,  en  al  de  morassen  tusschen  de  vyandt  en  ons  soo 
nat  en  diep  werden,  dat  men  seyde  dat  geen  cavallerie  daer 
soude  over  konnen."  Huygens  voegt  er  bij,  van  Dijkvelt  ver- 
nomen  te   hebben,   dat  Willem  III  tot  den  aanval  besloten  was 

>  hoewel  de  meeste  Generaels  daertegen  waeren,  uytgenomen  de 
Keurvorst  van  Beyeren  (daer  nae  seyde  men  oock  den  Hertogh 
van  Wirtembergh).  Dat  de  Prins  van  Vaudemont  geseght  hadde: 
>qu*il  ne  falloit  pas  jetter  Ie  manche  après  la  coignée",  houdende 
Namen  als  verloren. ' 

Op  den  9en  Juni  vermeldt  Huygens  in  zijn  dagboek,  dat,  vol- 
gens een  berichtgever.  >met  die  stereken  regen  van  's  avonls  te 
voren  den  grooten  ijver  tot  de  attacque  verkoelt  was."  Toch 
meent  men  dat  er  slag  zal  worden  geleverd;  en  de  troepen  zijn 

>  ongemeen  geanimeerd",  's  Namiddags  is  Huygens  bij  den  Koning, 
en  vraagt  —  niet  dezen,  bij  wien  hij  niet  veel  had  in  te  bren- 
gen —  maar  aan  een  der  volgelingen  van  Willem  III,  of  nu  de 
aanval  zou  plaats  hebben,  »dat  hij  heel  verre  wierp,  als  zijnde 
eene  onmogelijckheit  door  het  oploopen  van  de  riviere  en  het 
nat  werden  der  morassen  —  dat  oock  de  franschen  stercker 
waeren  als  wij  etc."  Willem  III  had  's  ochtends  vroeg  met  den 
generaal  Solms  eene  verkenning  van  de  Méhaigne  verricht;  mis- 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  143 

schien  ten  gevolge  daarvan  bleven  de  bevelen  tot  den  aanval 
achterwege.  Het  slechte  weer  houdt  aan:  > tegen  den  avont  be- 
gon het  weder  argher  te  worden  met  regenen  en  waeijen,  en 
's  nachts  daer  aen  soo  seer,  dat  ick*'  (Huygens)  >daer  van 
wacker  wierd,  en  vond  eenige  pennen  van  mijn  tent  uytgewaeydt, 
en  sagh  mijne  tafel  naest  het  bedde  om  verre  vallen.*' 

Op  den  loen  Juni  komt  in  het  dagboek  voor:  >die  sware  storm 
en  regen  continueerde  voormiddags  en  seyde  men  dat  in  het 
leger  alle  de  tenten  waeren  omverre  gewaeyt";  —  en,  verder: 
»het  quade  weder  van  daeghs  te  voren  continueerde  noch  all, 
en,  als  geseght,  quam  er  dan  regen,  dan  slercke  windt  en  dan 
weder  voor  een  weynigh  sonneschijn.  —  De  soldaten  seyden,  dat 
Lutzenburg"  (Luxembourg)  >dat  weder  maekte  door  sijn  duyvels- 
kunsten." 

Op  II  Juni:  »het  weder  was  noch  al  met  regen  en  windt, 
maer  niet  soo  vehement  als  gisteren." 

Op  den  i2en:  »was  nog  al  weder  als  gisteren,  maer  niet  al 
even  soo  koud." 

Op  den  i3en:  >het  begon  beter  en  warmer  weder  te  worden, 
naer  al  de  koude,  stormen  en  regen,  die  tot  hier  toe  gehadt 
hadden." 

Op  den  i4en:  >was  heel  schoon  en  warm  weder,  met  de 
nieuwe  maen  beginnende." 

Maar  nu  komt  er,  op  15  Juni,  in  het  dagboek  voor:  's  mer- 
gens  wierd  groote  Crijchsraedi  gehouden,  en  daer  met  de  meeste 
of  meest  alle  de  stemmen  verstaen,  dat  Namen  te  ontsetten  niet 
doenlijck  was  en  niet  raetsaem  't  selve  te  tenteren."  Van  het 
weer  wordt  dien  dag  niet  gesproken;  maar  wel  vindt  men  nog, 
op  den  i6en  Juni:  »was  weder  los,  buyachtig  en  nat  weder." 

Ziedaar  wat  wij,  omtrent  deze  aangelegenheid,  in  het  dagboek 
van  Huygens  hebben  opgevischt  uit  een  plas  van  vuile  beuzel- 
taal.  Wij  moeten  deze  gelegenheid  waarnemen  om  een  onrecht 
te  herstellen,  waaraan  wij  ons  vroeger  hebben  schuldig  gemaakt 
ten  aanzien  van  de  uitgevers  van  dat  dagboek:  verontwaardigd 
over  het  gemeene  en  liederlijke  van  die  aanteekeningen,  die  zoo 
duidelijk  aantoonen  hoe  onbeteekenend  die  zoon  van  den  groo- 
ten  Huygens  is  geweest,  hebben  wij  de  uitgave  van  dat  dagboek 
veroordeeld;  —  wij  komen  op  dat  oordeel  terug,  om  het  te 
herroepen.  Dat  dagboek  is  wel  degelijk  een  aanwinst  voor  de 
studie  van  de  geschiedenis,  ook  van  de  krijgsgeschiedenis ;  dit 
ondervinden  wij  nu.  Het  walgelijke  van  den  inhoud  blijft  noch- 
tans even  stuitend. 

Het  slechte  weer  van  8  tot  13  Juni  en  de  snelle  was  van  de 
Méhaigne  schijnen  onbetwistbare  feiten.  Ook  Willem  III  vermeldt 


Digitized  by 


Google 


144  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

die  omstandigheden  in  een  brief  van  den  i2en  Juni  1692  uit  de 
legerplaats  bij  Villers  aan  den  raadpensionaris  Heinsius:  iP.  S» 
Wij  staen  nogh  gecampeert  in  't  gesight  van  den  vyant,  maer 
het  terrible  quaet  weer  dat  dese  drie  daghen  en  naghten  heeft 
gedaen,  veroorsaeckt  dat  het  riviertje  Mehagne  is  gedebordeert 
en  tegenswoordigh  impassable."  (Archief  van  Heinsius,  2*  deel, 
blz.  56).  —  In  dat  archief  volgt  daarop  een  andere  brief  van 
den  Stadhouder  aan  Heinsius,  die  ook  de  dagteekening  voert 
van  12  Juni,  maar  die  klaarblijkelijk  op  16  Juni  moet  gedag- 
teekend  worden;  en  daarin  komt  voor:  ...»Het  casteel  van 
Naemen  defendeert  sigh  nogh  en  wij  sijn  van  intentie  om  morgen 
een  march  naer  de  reghterhandt  te  doen  en  traghten  den  vyant 
dien  wegh  aen  te  koomen,  is  het  doenelijck;  hebbende  gisteren 
een  crijgsraet  gehadt  van  alle  de  Generaels,  die  meest  eenparigh 
van  sentiment  sijn  geweest,  dat  het  onmogelijck  was  den  vyant 
van  hier  aen  te  lasten,  daer  deselve  tegenwoordigh  geposteert 
staet." 

Wat  was  de  persoonlijke  meening  van  Willem  III,  ten  opzichte 
van  dien  aanval  op  de  stelling  van  Luxembourg?  Was  hij  voor 
dien  aanval?  en  heeft  hij  alleen  daarvan  afgezien,  omdat  zijne 
onderbevelhebbers  bijna  eenparig  daartegen  waren? 

Met  zekerheid  zijn  die  vragen  niet  te  beantwoorden.  Aan  den 
eenen  kant  mag  men  wijzen  op  het  stoutmoedig  karakter  van 
den  Stadhouder,  dat  hem  —  in  1678  —  zelfs  niet  deed  terug- 
deinzen voor  den  aanval  op  de  sterke  stelling  van  Saint-Denis; 
maar  aan  den  anderen  kant  moet  men  ook  niet  vergeten  dat 
Willem  III  een  man  was  van  verstand  en  oordeeU  die  niet  naar 
het  onmogelijke  streefde ;  en  dat  hij  hier,  aan  de  Méhaigne,  met 
-sterker  stelling  had  te  doen  dan  in  1678  te  Saint-Denis.  In  dien 
reeds  aangehaalden  brief  van  den  i2en  Juni  aan  Heinsius  bezigt 
Willem  III  eene  uitdrukking,  waaruit  men  moet  opmaken,  dat 
hij  niet  veel  hoop  heeft  op  het  redden  van  Namen:  »Ick  en 
twijfele  niet,  hadt  de  stadt  maer  drie  daghen  langer  'gehouden, 
soude  wij  deselve  onder  Godes  segen  hebben  gesecoureert,  maer 
wat  van  't  Casteel  sal  werden  en  weet  ick  als  nogh  niet;  dat 
deselve  tusschen  de  Maes  en  Sambre  light  schijnt  insurmontable." 
Dit  schijnt  geen  anderen  zin  te  kunnen  hebben,  dan:  hadden 
wij  Luxembourg  geslagen,  dan  zou  niets  ons  belet  hebben  om 
door  te  dringen  tot  de  stad;  maar  nu  de  stad  over  is,  moeten 
wij,  om  het  kasteel  te  ontzetten,  eerst  de  Sambre  overgaan;  en 
dit  » schijnt  insurmontable". 

De  landstreek,  waar  acht  dagen  lang  een  150000  k  160000 
man  tegenover  elkander  hebben  gestaan,  was  over  het  algemeen 
eene  open   vlakte;   de  grond   liep   aan  weerszijden  af  naar  de 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  145 

Méhaigne,  welke  door  die  vlakte  stroomde;  de  helling  die  het 
dal  van  de  Méhaigne  insloot  aan  de  noordzijde,  aan  de  zijde 
waar  zich  de  bondgenooten  bevonden,  was  bijna  onmiddellijk 
bij  de  rivier;  de  helling  aan  de  zuidzijde  —  de  zijde  waar 
Luxembourg  stond  —  was  op  veel  grooter  afstand  van  het 
riviertje;  geen  van  beide  hellingen  was  van  groote  beduiding. 
Hier  en  daar  had  men  in  die  landstreek  een  klein  bosch,  voorts 
vele  dorpen  en  alleenliggende  hoeven;  en  een  aantal  op  zich 
zelve  staande  hoogten,  of  kleine  heuvels,  die  men  voor  Roraeinsche 
graftomben  uitgeeft  en  die  in  de  landstreek  dan  ook  den  naam 
dragen  van  > tombe";  —  geen  van  die  terreinvoorwerpen  had 
echter  belang,  noch  als  verdedigingsmiddel,  noch  als  hindernis. 
De  eenige  groote  hindernis  was,  bij  hare  toenmalige  gesteldheid, 
de  Méhaigne  zelve. 

De  slaglinie  van  de  bondgenooten  breidde  zich  uit  over  een 
anderhalf  uur  gaans,  de  linkervleugel  nabij  Hosdin,  de  rechter- 
vleugel ongeveer  een  kwartieruurs  ten  zuiden  van  Hannuye.  Vol- 
gens de  gewoonte  van  dien  tijd  stond  het  leger  op  twee  liniën, 
het  voetvolk  in  het  midden,  de  ruiterij  op  de  beide  vleugels; 
achter  de  tweede  linie  stond  cene  kleine  afdeeling  voetvolk  en 
ruiterij,  als  een  soort  van  reseive;  tusschen  de  beide  liniën  waren 
twee  kleine  afdeelingen  dragonders;  vóór  de  slaglinie  stonden 
eenige  batterijen,  onmiddellijk  aan  den  rand  der  helling,  om  de 
rivier  te  bestrijken,  de  bruggen  te  verdedigen,  en  het  overtrekken 
van  de  Méhaigne  te  beschermen.  Hiertegenover  stond,  op  den 
rechteroever,  het  Fransche  leger,  nagenoeg  in  dezelfde  slagorde 
als  dat  des  vijands;  iets  uitgestrekter;  zich  uitbreidende,  rechts, 
van  de  hoeve  en  van  de  >  tombe"  van  Viscou;  en  links  tot 
voorbij  Emptine.  De  Fransche  slaglinie  was  op  een  aanmerke- 
lijken  afstand  van  de  Méhaigne,  meestal  een  half  uur  gaans, 
soms  minder,  soms  meer;  de  ruimte  tusschen  de  Fransche  slag- 
linie en  de  rivier,  een  geheel  opene  vlakte,  werd  bestreken  door 
het  vuur  van  eenige  batterijen,  die  vóór  de  slaglinie  stonden. 

Die  stelling  van  Luxembourg  was  met  bekwaamheid  gekozen; 
had  hij  zijn  leger  onmiddellijk  bij  de  Méhaigne  geplaatst,  dan 
zou  dit  te  veel  zijn  blootgesteld  geweest  aan  het  geschutvuur 
van  de  bondgenooten;  en  bovendien  kon  men  dan  weinig  ge- 
bruik maken  van  de  ruiterij,  het  wapen  waarin  het  Fransche 
leger  zoo  overmachtig  was.  Nu  de  stelling  meer  achterwaarts 
was  genomen,  had  men  daardoor  het  leger  onttrokken  aan 
's  vijands  geschutvuur;  met  het  eigen  geschut  kon  men  den 
vijand  teisteren,  als  hij  de  Méhaigne  was  overgetrokken;  op  de 
vlakte,  waar  de  bondgenooten  dan  verschenen,  kon  de  Fransche 
ruiterij  met  voordeel  tegen  hen  optreden;  en,  werden  de  bond- 
genooten daar  geslagen,  dan  hadden  zij,  met  de  Méhaigne  onmid- 

wii.LEM  III.  —  III.  10 

Digitized  by  VjOOQIC 


146  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

dellijk  achter  zich,  een  zeer  moeielijken  terugtocht,  en  waren  zij 
in  een  zeer  gevaarlijken  toestand. 

Het  voordeel  van  die  stelling  van  Luxembourg  springt  zoozeer 
in  het  oog,  dat  men  gerust  kan  aannemen  dat  hij  uit  zichzelf 
die  stelling  heeft  gekozen;  Beaurain  echter  beweert,  dat  Luxem- 
bourg zoo  gehandeld  heeft  op  bevel  van  Lodewijk  XIV.  Tot 
het  werk  van  Beaurain  (Hhtoire  militaire  de  Flandre^  depuis  Vannée 
1690  jusqu'en  1694  inclusivement)  hebben  de  aanteekeningen  van 
Luxembourg  zelf  als  bouwstof  gediend;  en  nu  is  het  niet  te  ver- 
wonderen, dat  die  Maarschalk  —  hoveling,  zooals  in  Frankrijk 
toen  bijna  iedereen  was  —  de  eer,  die  hem  zelf  toekwam,  op 
Lodewijk  XIV  heeft  willen  overbrengen. 

Bij  Beaurain  wordt  het  voorgesteld,  alsof  Luxembourg  met 
opzet  den  overtocht  van  de  Méhaigne  onbetwist  wilde  laten,  om 
zijn  tegenstander  als  het  ware  uit  te  dagen  tot  het  leveren  van 
een  veldslag,  door  hem  het  slagveld  als  aan  te  wijzen.  Ja  maar, 
dat  slagveld  was  in  geenen  deele  aan  te  bevelen  voor  de  bond- 
genooten.  Toen  Willem  III  in  1678  te  Saint-Denis  slag  leverde, 
viel  hij  wel  eene  sterke  stelling  aan;  maar,  mislukte  die  aanval, 
moest  hij  teruggaan,  het  zou  weinig  kwaad  hebben  gedaan,  want 
het  zou  niets  anders  zijn  geweest  dan  een  gewone  terugtocht. 
Hier  aan  de  Méhaigne  was  het  echter  geheel  iets  anders:  de 
stelling  van  Luxembourg  was  misschien  niet  sterker  dan  te  Saint- 
Denis,  misschien  minder  sterk;  maar,  mislukte  de  aanval  op  die 
stelling,  werd  Willem  III  geslagen,  dan  kon  dit  eene  geheele 
nederlaag  van  de  bondgenooten  ten  gevolge  hebben,  daar  zij 
onmiddellijk  achter  zich  de  rivier  hadden. 

Willem  III  heeft  niet  aangevallen;  en  alles  wel  beziende  ge- 
looven  wij  dat  hij  zeer  verstandig  daaraan  deed.  De  hoofdzaak 
die  men  in  aanmerking  moet  nemen  bij  het  uitbrengen  van  dit 
oordeel,  is  de  toestand  waarin  toen  de  Méhaigne  verkeerde;  en 
uit  alles  moet  men  opmaken,  dat  dit  riviertje  toen  werkelijk 
eene  zeer  belangrijke  hindernis  zou  geweest  zijn,  minder  nog 
bij  den  overtocht  naar  den  vijand  toe,  dan  bij  den  overtocht 
als  men  geslagen  werd  en  vervolgd  door  den  vijand.  Beaurain, 
niet  tegensprekende  dat  de  Méhaigne  toen  zeer  gezwollen  was, 
geeft  echter  te  kennen,  dat  Willem  Til  dit  maar  als  voorwendsel 
gebruikte  om  af  te  zien  van  een  veldslag,  die,  ongunstig  uitval- 
lende, lichtelijk  gevolgd  zou  worden  door  een  opstand  in  Enge- 
land: » hetzij  dat  die  vorst  vreesde"  —  zegt  hij  —  »dat  een 
verloren  veldslag  daar"  (in  Engeland),  >op  een  oogenblik  waarop 
daar  nog  zeer  groote  gisting  was,  een  omwenteling  zou  teweeg- 
brengen ;  hetzij  dat  hij  het  niet  raadzaam  achtte  om  de  Méhaigne 
over  te  trekken  wegens  den  hoogen  waterstand,  veroorzaakt  door 
de  regenbuien;  zooveel  is  zeker,  dat  hij  dit  laatste  als  voor- 
wendsel bezigde  bij  de  bondgenooten,  en  niets  ondernam." 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  147 

Iets  werd  toch  beproefd.  Den  i4en  Juni,  *s  avonds,  vertrok  de 
generaal  Tserclaes  met  5  k  6000  ruiters  uit  de  legerplaats  der 
bondgenooten,  tr^  op  Hoey,  nam  voetvolk  van  de  bezetting 
dier  vesting  met  zich  mede,  en  naderde  de  Fransche  liniën 
op  den  rechteroever  van  de  Maas;  het  voetvolk  van  Hoey  trok 
langs  den  oever,  om  de  schipbrug  van  de  Fransche  te  ver- 
nielen, beneden  de  stad;  Tserclaes,  met  de  ruiterij,  wilde  het- 
zelfde ondernemen  tegen  de  Maasbrug  bovenwaarts  van  Namen, 
die  tot  gemeenschap  diende  tusschen  de  kwartieren  van  Boufflers 
en  van  Ximenès;  men  hoopte  zich  ook  meester  te  maken  van 
de  munitie  die  de  Franschen  op  den  rechter  Maasoever  hadden. 

Klaarblijkelijk  was  alles  hierbij  aangelegd  op  eene  overvalling: 
was  de  vijand  intijds  gewaarschuwd,  dan  was  hij  te  sterk  om 
iets  tegen  hem  te  ondernemen.  De  vijand  werd  intijds  gewaar- 
schuwd; de  afdeeling  van  Boufflers,  op  den  rechter  Maasoever, 
werd  aanzienlijk  versterkt ;  en  toen  Tserclaes  dit  vernam,  en  zag 
dat  er  aan  geen  verrassing  meer  viel  te  denken,  gaf  hij  de 
onderneming  op,  en  keerde  over  Hoey  weer  terug  naar  het 
hoofdleger  der  bondgenooten.  —  In  de  opgaven  van  onze  zijde 
wordt  niet  gesproken  van  die  onderneming  van  Tserclaes;  de 
Fransche  schrijvers  zijn  daaromtrent  echter  te  stellig  en  te  uit- 
voerig, om  de  zaak  in  twijfel  te  trekken. 

Willem  III  brak  den  lyen  Juni  met  het  leger  op,  om  —  zooals 
hij  zich  heeft  uitgedrukt  —  >een  march  naer  de  reghterhandt  te 
doen  en  traghten  den  vyant  dien  wegh  aen  te  koomen";  hij 
wilde,  óm  den  linkervleugel  van  Luxembourg,  over  een  hooger 
gedeelte  van  de  Méhaigne  naar  de  zijde  van  Namen  doordringen. 
Reeds  om  drie  uur  *s  ochtends  ging  het  leger  op  marsch  bij 
slecht  en  regenachtig  weer,  en  trok,  over  het  later  beroemd  ge- 
worden Ramillies,  de  Méhaigne  hooger  op;  er  werd  een  afstand 
van  ongeveer  4  uren  gaans  afgelegd;  toen  kwam  het  leger  weer 
in  slagorde,  de  rechtervleugel  nabij  Perwez,  de  linker  nabij 
Branchon,  het  front  naar  de  Méhaigne.  Luxembourg,  op  het 
vernemen  van  dien  marsch  der  bondgenooten,  volgde  dadelijk 
die  beweging,  trok  ook  de  Méhaigne  hooger  op,  en  kwam  den 
lyen  mst  den  rechtervleugel  te  BouefFe,  den  linkervleugel  bij 
Temploux,  nabij  den  oorsprong  van  de  Méhaigne. 

Hier  blijven  de  beide  legers  weer  tegenover  elkander  staan. 
De  bondgenooten  doen  herhaalde  verkenningen,  die  soms  aan- 
leiding geven  tot  onbeduidende  schermutselingen.  Bij  eene  dier 
verkenningen  was  de  keurvorst  van  Beieren  bij  Bouef  —  of 
Boueffe  —  de  Méhaigne  overgegaan;  —  Bouef,  het  dorp,  was 
op  den  linkeroever,  aan  de  zijde  van  de  bondgenooten;  maar 
Bouef,  de  abdij,  op  den  rechteroever,  aan  de  zijde  van  de  Fran- 
schen. —  Toen  de  Keurvorst  met  zijne  verkenning  wilde  voort- 


Digitized  by 


Google 


148  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

rukken  in  de  vlakte  van  Boueffe,  werd  hij  aangevallen  door 
Fransche  ruiterij  en  gedwongen  terug  te  gaan  achter  de  Méhaigne. 
De  verkenningen  naar  de  zijde  van  Luxembourg's  linkervleugel 
leverden  geen  gunstiger  uitkomst  op:  men  ontdekte  dat  het  ter- 
rein vóór  de  Fransche  slaglinie  zóó  bedekt  was,  dat  het  zeer 
raoeielijk  zou  zijn  om  door  al  die  heggen  en  al  dat  hout  gewas 
de  wegen  en  openingen  te  maken,  noodig  om  geregeld  die  slag- 
linie te  bereiken;  —  men  houde  hierbij  in  het  oog,  dat  de 
vechtwij^e  in  verspreide  orde  toen  niet  bestond. 

Den  2osteo  veranderde  Luxerabourg  zijne  stelling,  verliet  de 
Méhaigne,  en  naderde  Namen  en  de  Sambre;  zijn  rechtervleugel 
was  bij  het  dorp  Dausoir,  een  kleine  2  uur  gaans  ten  noord- 
westen van  Namen;  zijn  linkervleugel  te  Millemont,  aan  den 
Orneau,  een  beek  die,  van  Gemblours  komende,  in  de  richting 
van  het  noorden  naar  het  zuiden  stroomt,  en  zich  in  de  Sambre 
werpt  een  klein  uur  ten  zuiden  van  Millemont. 

Pie  nieuwe  stelling  van  het  Fransche  leger  had  ten  doel  om 
de  bondgenooten  de  nadering  van  de  Sambre  te  verhinderen; 
daarentegen  was  de  nadering  tot  de  stad  Namen  nu  weer  vrij 
voor  hen;  maar  daar  hadden  zij  niet  veel  aan,  sinds  die  stad 
in  *s  vijands  handen  was.  Willem  III,  dit  inziende,  besloot  nog 
eene  poging  te  doen  om  het  kasteel  te  hulp  te  komen,  door 
een  hooger  gedeelte  van  de  Sambre  te  bereiken.  Den  2  2sten  Juni 
ging  de  marsch  op  Sombref,  waar  de  linkervleugel  der  bondge- 
nooten kwam,  terwijl  hun  rechtervleugel  leunde  aan  Villers-Pernin ; 
den  24steD  werd  Charleroi  iets  meer  genaderd;  dien  dag  stond 
de  linkervleugel  te  Saint-Amand,  de  rechter  nabij  Frasnes,  —  de 
slagvelden  van  1815.  Intusschen  werden  door  Luxembourg  maat- 
regelen genomen,  hetzij  om  Willem  III  den  overgang  van  de 
Sambre  te  betwisten,  hetzij  om  zich  nog  tijdig  op  den  rechter- 
oever te  kunnen  plaatsen  tusschen  hem  en  de  Fransche  liniën 
vóór  het  kasteel  van  Namen;  eene  afdeeling  van  Luxembourg 
werd  reeds  dadelijk  overgebracht  op  den  rechteroever  van  de 
Sambre,  en  verscheidene  bruggen  geslagen  om  het  geheele  leger 
ook  spoedig  die  rivier  te  doen  overgaan.  Willem  III  schijnt  dan 
ook  te  hebben  ingezien,  dat  er  te  weinig  kans  was  om,  op 
den  rechteroever  van  de  Sambre,  het  Namensche  kasteel  te 
hulp  te  komen;  hij  blijft  werkeloos  in  zijne  stelling;  totdat,  op 
den  avond  van  den  3osien  Juni,  het  victorie-schieten  in  het  leger 
van  Luxembourg  verkondigt  dat  Namen's  laatste  bolwerk  is  be- 
zweken. 

Wij  gaan  thans  over  tot  die  belegering  van  het  kasteel  van 
Namen. 

Na  de  overgave  van  de  stad  bracht  Lodewijk  XIV  zijn  hoofd- 
kwartier over  op  den  rechteroever  van  de  Sambre,  in  de  ruimte 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  149 

tusschen  die  rivier  en  het  hoogere  gedeelte  van  de  Maas;  daar 
was  de  Koning  weer  in  de  nabijheid  van  de  aanvalswerken  tegen 
het  kasteel.  Tien  bataljons  kwanten  in  bezetting  in  de  stad  Namen ; 
wat  er  nog  beschikbaar  was,  na  aftrek  van  de  versterking  aan 
Luxembourg  toegezonden,  werd  tegen  het  kasteel  aangewend; 
eene  afdeeling  voetvolk  en  ruiterij  bezette  de  circumvallatie  linie 
van  de  abdij  van  Malogne  aan  de  Sambre,  tot  aan  de  bruggen 
over  het  hoogere  gedeelte  van  de  Maas;  en  10  bataljons  moesten 
stelling  nemen,  meer  in  de  nabijheid  van  het  kasteel,  op  hoogten 
die  zich  uitbreidden  van  de  Maas  tot  de  Sambre,  tusschen  „/<? 
balance'*  en  y^a  Manche  fnaison'\  Dit  alles  moest  eerst  plaats  hebben 
op  den  yen  Juni;  want  bij  de  capitulatie  van  de  stad  was  be- 
paald, dat  men  tot  dien  dag  de  vijandelijkheden  zoude  staken. 

Toen  den  yen  Juni  de  10  Fransche  bataljons  de  hoogten 
naderden  waar  zij  moesten  legeren,  bespeurden  zij  dat  die  hoog- 
ten nog  bezet  waren  door  den  vijand:  de  belegerden  hadden 
daar  een  300  man  als  voorposten  geplaatst,  op  een  1000  pas 
achterwaarts  ondersteund  door  5  bataljons,  een  groote  2000  man. 
Soubise,  de  aanvoerder  van  de  Fransche  bataljons,  zond  den 
Koning  bericht  van  dien  stand  van  zaken,  en  verzocht,  en  ver- 
kreeg, vergunning  om  den  vijand  van  de  hoogten  te  verdrijven. 
De  Fransche  soldaat  wierp  het  tentgereedschap  neder,  waarmede 
hij  was  beladen,  en  schaarde  zich  ten  aanval;  die  aanval  gelukte 
volkomen:  de  voorposten  van  de  bondgenooten  gingen  terug; 
evenzoo  werden  de  achterstaande  bataljons  tot  wijken  gedwon- 
gen; en  ongehinderd  konden  toen  de  bataljons  van  Soubise 
hunne  tenten  opslaan  op  de  genomen  hoogten.  Volgens  Racine 
moet  dit  gevecht  hun  echter  een  100  k  120  man  hebben  gekost 
aan  dooden  en  gewonden. 

In  den  nacht  van  den  Ssien  op  den  9en  Juni  werden  de  loop- 
graven geopend,  èn  tegen  het  fort  Koning  Willem,  èn  tegen 
Terra  Nova;  of,  juister  gezegd,  tegen  het  vóór  Terra  Nova  ge- 
legene La  Casotte.  De  loopgravenwacht,  voor  de  beide  aanvallen 
te  zamen,  bestond  uit  7  bataljons.  Slecht  weer,  regen  en  wind, 
en  de  moeielijke  harde  grond  waren  oorzaak  dat  de  loopgraven- 
arbeid  niet  vlug  ging,  en  het  eenige  dagen  duurde  eer  de  batte- 
rijen haar  vuur  openden.  Spoedig  echter  had  dat  vuur  genoeg 
uitwerking  om  Vauban  te  doen  besluiten,  den  i3en  Juni  La 
Casotte  te  bestormen;  natuurlijk  na  eerst 's  Konings  toestemming 
daartoe  te  hebben  ontvangen. 

Die  storm  gelukt  volkomen.  In  de  loopgraven,  die  de  werken 
van  La  Casotte  reeds  zeer  nabij  zijn  gekomen,  staan  15  com- 
pagnieën grenadiers,  een  200  Mousquetaires,  een  150  grenadiers 
te  paard,  —  hier,  zeker:  te  voet;  die  uitgelezen  soldaten  zullen 


Digitized  by 


Google 


150  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

de  voorste  bestormers  zijn,  maar  op  den  voet  worden  gevolgd 
door  1500  fuseliers,  in  drie  afdeelingen  gesplitst;  de  7  bataljons 
van  de  loopgraven  wacht,  de  10  bataljons  van  de  Brigade  du  Roij 
en  een  afgestegen  regiment  dragonders  staan  gereed  om  het  ge- 
vecht op  te  nemen,  wanneer  uit  het  kasteel  eene  sterke  afdee- 
ling  des  vijands  mocht  opdagen,  ter  hulp  van  La  Casotte.  Vau- 
ban  wijst  den  troepen  de  verschillende  punten  aan  van  's  vijands 
verschansingen  waarop  zij  moeten  aanvallen;  en  om  zich  niet 
onnoodig  bloot  te  stellen  aan  verliezen,  verbiedt  hij  om,  na  het 
vermeesteren  van  die  verschansingen,  verder  door  te  dringen. 

Te  middag  wordt,  door  drie  bomworpen,  het  sein  gegeven 
tot  den  storm;  de  Grenadiers  en  Mousquetaires  springen  uit  de 
loopgraaf,  snellen  naar  de  verschansingen,  en  ontvangen  van 
zeer  nabij  een  salvo  van  de  400  Spanjaarden  die  daar  staan,  en 
die,  na  dit  vuur,  oogenblikkelijk  de  wijk  nemen.  De  Franschen, 
zonder  zich  een  oogenblik  op  te  houden,  bereiken  het  reduit 
van  die  verschansingen,  het  zoogenaamde  Duivelshuis^  bezet  door 
een  300  Spanjaarden ;  dapper  wordt  dit  gepalissadeerde  huis  ver- 
dedigd, maar  toch  weldra  genomen;  de  bezetting  gaat  grooten- 
deels verloren;  haar  aanvoerder,  een  Spaansche  grande,  tot  het 
huis  De  Lemos  behoorende,  sneuvelt;  —  maar  ook  de  verliezen 
der  Franschen  zijn  niet  onbeduidend.  Dadelijk  graven  zich  de 
bestormers  in,  op  den  veroverden  grond. 

Racine,  die  het  beleg  van  Namen  bijwoonde,  schrijft  in  zijne 
brieven  aan  Boileau  bijzonderheden  over  die  bestorming  van 
den  i3en  Juni  en  is  daarbij  niet  zuinig  met  vertelseltjes.  De 
dichter  loopt  hoog  weg  met  den  heldenmoed  van  zijn  Koning» 
Lodewijk  had  zich,  om  de  bestorming  te  zien,  op  eene  hoogte 
geplaatst,  waar  hij  blootgesteld  was  aan  's  vijands  vuur ;  om  den 
Koning  te  beveiligen,  waren  drie  schanskorven  vóór  hem  ge- 
plaatst; maar  —  zegt  Racine  —  in  die  schanskorven  waren  ook 
steenen,  zoodat,  werden  zij  door  een  kanonskogel  getroffen,  het 
gevaar  zeer  groot  zou  zijn  geweest;  toch  hield  een  van  die 
schanskorven  een  vijandelijken  geweerkogel  tegen,  die  regelrecht 
op  den  Koning  aankwam;  —  hoe  men  dit  zoo  nauwkeurig  heeft 
kunnen  zien?  —  Nabij  den  Koning  werd  een  zijner  basterden, 
de  graaf  van  Toulouse,  toen  veertien  jaar  oud,  door  een  mus- 
ketkogel, niet  getroffen,  maar  geraakt;  het  galon  op  de 
mouw  van  zijn  rok  had  zelfs  een  zwarte  plek  daardoor  gekregen ; 
de  arm  zelf  was  echter  ongedeerd  gebleven.  —  Die  Spaansche 
bevelhebber  van  het  Duivehhuh^  de,  graaf  De  Lemos,  was  gedood 
door  een  der  grenadiers,  die,  toen  het  lijk  van  den  gesneuvelde 
werd  teruggegeven  aan  de  verdedigers,  tevens  eene  beurs  met 
geld  van  De  Lemos  teruggaf,  met  de  woorden:  > ziedaar  zijn 
geld,  dat  ik  niet  wil  hebben;  als  de  grenadiers  de'hand  slaan 
aan  een  vijand,  dan  is  het  alleen  om  hem  te  dooden."  Te  allen 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  151 

tijde  hebben  de  Franschen  een  zwak  gehad  voor  goed  klinkende 
woorden,  voor  la  phrase.  —  Racine  neemt  in  zijn  schrijven  aan 
Boileau  zelfs  eene  anekdote  op,  die  men  in  menigen  ouden 
almanak  terugvindt :  in  de  loopgraaf  wordt  een  Zwitser  het  hoofd 
afgeschoten  door  een  kanonskogel  \  een  ander  Zwitser,  zijn  kame- 
raad, dicht  daarbij  staande,  roept  daarop,  schaterend  van  lachen : 
the !  dat  is  grappig ;  nu  keert  hij  zonder  hoofd  naar  het  kamp  terug." 

Nu  moet  er  bijgevoegd  worden,  dat  van  al  die  fraaiigheden 
niets  voorkomt  in  de  geschiedenis  van  het  beleg  van  Namen 
door  Racine;  dddr  blijft  de  toon  deftig;  die  wordt  alleen  ge- 
meenzaam in  de  vertrouwelijke  brieven  aan  Boileau.  Wat  ook 
opvalt  bij  deze  gelegenheid,  dat  is  de  kerkelijke  toon  die  daarin 
uitkomt;  sprekende  over  het  sneuvelen  van  een  luitenant  der 
Grenadiers  te  paard,  laat  Racine  daarop  volgen:  ...iVous  ne 
serez  peut-être  pas  fdché  de  savoir  qu'on  lui  tiouva  un  cilice 
sur  Ie  corps.  Il  étoit  d*une  piété  singuliere,  et  avoit  même  fait 
ses  dévotions  Ie  jour  d'auparavant.  Respecté  de  toute  Tarmée 
pour  sa  valeur,  accompagné  d'une  douceur  et  d'une  sagesse 
merveilleuse . . .  Effectivement,  on  dit  que  dans  cette  compagnie 
il  y  a  des  gens  fort  régies.  Pour  moi  je  n'entends  guère  de  messe 
dans  Ie  camp  qui  ne  soit  servie  par  quelque  mousquetaire  et  oü 
il  n'  y  en  ait  quelqu'un  qui  communie,  et  cela  de  la  maniere 
du  monde  la  plus  édifiante." 

Wij  hebben  die  woorden  van  Racine  onvertaald  overgenomen, 
om  de  kracht  der  uitdrukking  niet  te  verminderen.  Het  maakt 
een  zonderlingen  indruk  een  zoo  stichtelijke  taal  te  hooren  van 
den  zanger  van  ^^Phèdre''  en  y^Henmone\  van  den  vroegeren  min- 
naar van  La  Champmeslé  (eene  Fransche  tooneelspeelster) ;  — 
maar  in  1692  was  Racine  tot  rijpen  leeftijd  gekomen,  hij  was  ge- 
trouwd, huisvader;  en  het  Fransche  hof,  en  dus  geheel  Frankrijk, 
was  toen  kerksch;  —  kerksch,  men  verwarre  dit  niet  met 
godsdienstig. 

Toen  La  Casotte  genomen  was,  deed  Vauban  den  aanval  op 
het  fort  Koning  Willem  met  meer  kracht  doorzetten.  De  ver- 
dediging van  dit  fort  is  zeer  geroemd;  en  wij  gelooven  met 
recht;  maar  om  met  volkomen  zekerheid  hierover  te  kunnen  oor- 
deelen  moet  men  den  juisten  toestand  kennen  van  die  sterkte, 
op  het  oogenblik  van  het  beleg;  en  daartoe  zijn  wij  niet  ge- 
heel kunnen  geraken. 

Het  fort  Koning  Willem  was  toen  nog  niet  afgewerkt,  —  dat 
is  zeker;  het  was  een  soort  van  hoornwerk,  vrij  onregelmatig; 
gelegen  op  een  hoogte  aan  de  westzijde  van  Terra  Nova  en 
van  het  kasteel,  waarmee  het  in  verband  had  moeten  worden 
gebracht  door  buitenwerken;  maar  die  buitenwerken  bestonden 
nog  niet.   Wél   was  er,  tusschen  fort  Koning  Willem  en  Terra 


Digitized  by 


Google 


152  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Nova  een  lunet  met  gemetselde  escarpe  en  contrescarpe,  en  met 
de  keel  sluitende  aan  de  Sambre;  maar  die  lunet,  hoezeer  op 
den  rechteroever  van  de  Sambre  gelegen,  werd  gerekend  lot 
de  vestingwerken  van  de  stad  en  was  daarom,  bij  de  overgave 
van  de  stad,  aan  de  Franschen  ingeruimd  en  door  Vauban  bezet 
met  50  fuseliers.  De  gemeenschap  van  fort  Koning  Willem  met 
Terra  Nova  en  het  kasteel  kon  dus  zonder  veel  moeite  door 
den  belegeraar  worden  afgebroken.  Voor  het  overige  wordt  ge- 
zegd, dat  het  fort  Koning  Willem  goed  gedefileerd  was  tegen 
alle  nabijzijnde  hoogten;  en  dat  Vauban  zevenmaal  zijne  batte- 
rijen heeft  moeten  veranderen,  alvorens  daarmee  uitwerking  tegen 
het  fort  te  kunnen  doen;  —  wij  maken  daaruit  op,  dat  het  tracé 
van  het  fort  met  groote  bekwaamheid  was  ontworpen;  maar  ge- 
heel duidelijk  is  ons  de  zaak  toch  niet. 

Maar  een  voornaam  punt  bij-  het  beoordeelen  van  de  waarde 
van  fort  Koning  Willem,  is  de  vraag:  waren  daar,  in  1692, 
kazematten  of  bomvrije  lokalen?  De  waarschijnlijkheid  is  er 
voor,  dat  zij  er  geweest  zijn;  want  de  hoofdwal  was  voltooid, 
en  onder  dien  hoofdwal  moet  men  dan  toch  de  kazematten 
zoeken.  Maar  uit  het  levensbericht  van  Coehoorn,  door  zijn  zoon 
geschreven,  zou  men  haast  opmaken  dat  er  geen  kazematten  zijn 
geweest;  want  ziehier  wat  daarover  voorkomt  op  bladzijde  10 
van  dat  levensbericht,  door  Sijpesteyn  uitgegeven:  ...>il  n'y  avoit 
point  de  casemattes  pour  y  pouvoir  loger  Ie  monde  k  couvert 
des  bombes  et  des  feux  d'artifice,  que  les  assiégeans  y  jettèrent 
en  grand  nombre,  dont  la  garnison  fut  extrêmement  inquiettée 
et  incommodée."  —  Nu  zijn  die  woorden  van  >Gosewijn  Theo- 
door  baron  van  Coehoorn"  wel  eenigszins  dubbelzinnig:  zij 
kunnen,  beduiden,  dat  in  de  door  zijn  vader  verdedigde  sterkte 
volstrekt  geen  kazematten  waren ;  maar  zij  kunnen  ook  beduiden, 
dat  er  geen  kazematten  genoeg  waren  voor  de  geheele  bezetting. 
Omtrent  dit  belangrijke  punt,  waarvan  de  waarde  van  de  vesting 
voor  een  goed  deel  heeft  afgehangen,  blijven  wij  dus  in  twijfel. 

De  bewapening  van  fort  Koning  Willem  hebben  wij  nergens 
vermeld  gevonden;  trouwens,  bij  onze  oude  schrijvers  komt  zoo 
iets  dan  ook  zelden  voor.  De  bezetting  had  —  volgens  de  Euro- 
pische  Mercurius  —  eene  sterkte  van  1500  man;  Beaurain  schat 
haar  hooger,  daar  hij  zegt,  dat  zij  bij  de  overgave  nog  een  1600 
man  telde;  zij  bestond  denkelijk  uit  Spaansche,  Brandenburgsche 
en  Hollandsche  troepen.  Maar  wie  was  bevelhebber?  —  Bij  de 
overgave  is  de  capitulatie  onderteekend  door  den  >  Baron  de 
Heyde";  andere  opgaven  noemen  den  generaal  Wijnbergen  als 
bevelhebber;  —  wie  het  van  rechtswege  is  geweest,  laten  wij 
daar;  maar  metterdaad  is  het  Coehoorn  geweest:  hij  was  in  fort 
Koning   Willem;   hij  had  het  gebouwd;  hij  had,  veel  meer  dan 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  153 

Heyden  en  Wijnbergen,  verstand  van  den  belegeringsoorlog  5  hij 
wist  zijn  gezag  krachtig  te  doen  gelden;  en  dus  is  hij  de  ware 
bevelhebber  geweest,  niettegenstaande  Heyden  en  Wijnbergen 
generaals  waren,  en  Coehoorn  eerst  generaal  werd  kort  daarna; 
tijdens  het  beleg  bekleedde  hij  geen  hoogeren  rang  dan  dien 
van  kolonel. 

Geen  ©ogenblik  deed  Vauban  na  den  val  van  La  Casotte 
verloren  gaan  om  met  kracht  verder  te  doen  arbeiden  aan  de 
amvalswerken  tegen  fort  Koning  Willem.  In  den  nacht  van  13 
op  14  Juni  vorderde  men  ongeveer  500  pas  naar  de  zijde  van 
de  keel  van  het  fort;  den  i4en  breidden  de  belegeraars  zich 
rechts  uit,  en  wierpen  zij  twee  batterijen  op  tegen  «Koning 
Willem"  en  tegen  het  kasteel:  den  nacht  daarop  begonnen  zij 
loopgraven  te  maken  van  de  zijde  van  de  abdij  van  Salsenne  — 
of  Solsine  —  aan  de  Sambre,  en  kwamen  daarmee  tot  op  300 
pas  afstands  van  den  bedekten  weg  van  fort  Koning  Willem. 
Volgens  Beaurain  was  op  den  15^0  het  geschut  van  Coehoorn 
bijna  geheel  gedemonteerd;  ónze  opgaven  laten  niet  toe  dit  te 
bevestigen  of  te  weerspreken;  maar  onwaarschijnlijk  is  de  zaak 
niet,  let  men  op  het  groot  aantal  batterijen,  die,  volgens  het 
belegeringsplan,  op  het  fort  zijn  gericht:  aan  de  noordzijde,  bij 
de  Sambre,  5  kanonbatterijen,  waarvan  drie  aan  de  overzijde 
der  rivier,  en  twee  op  den  rechteroever;  aan  de  zuidzijde  op 
zijn  minst  3  kanonbatterijen  op  een  gemiddelden  afstand  van 
300  el  van  het  fort,  en  3  mortierbatterijen ;  het  getal  vuurmonden 
op  die  batterijen  wordt  niet  opgegeven;  maar  het  is  duidelijk, 
dat  dit  getal  niet  zóó  klein  kan  zijn  geweest,  of  van  het  geheel 
was  toch  een  geduchte  vuuruitwerking  te  wachten. 

Den  i5en  en  i6en  Juni  kwam  de  belegeraar  zeer  dicht  bij  een 
voorliggenden  bedekten  weg  van  » Koning  Willem";  ook  werkte 
hij  aan  eene  dubbele  sappe,  om  de  gemeenschap  af  te  snijden 
van  het  fort  met  het  kasteel;  bij  de  nadernissen  aan  den  kant 
van  Salsine  kwamen  de  loopgraven  van  den  belegeraar  tot  tus- 
schen  het  kasteel  en  de  kleine  lunet  aan  de  Sambre,  die  door 
50  Fransche  fuseliers  was  bezet.  Hier  echter  werd  de  belegeraar 
eenigen  tijd  gestuit  door  een  uitval  die  Coehoorn  deed,  aan  het 
hoofd  van  een  3  k  400  man,  den  lyen  Juni,  met  het  krieken 
van  den  dag.  Die  uitval,  gericht  tegen  de  nadernissen  aan  den 
kant  van  Salsines,  heeft,  volgens  ónze  opgaven,  volkomen  vol- 
daan: van  de  100  Fransche  grenadiers  die  dddr,  in  de  loopgraaf, 
waren,  ontkwamen  slechts  enkelen;  een  bataljon  Zwitsers,  ter 
hulp  van  de  grenadiers  toegesneld,  wierp  Coehoorn's  soldaten 
wel  terug,  maar  eerst  na  een  scherp  gevecht,  en  nadat  een  goed 
deel  van  de  loopgraven  was  vernield. 

De  Fransche  opgaven  stellen,  zooals  gewoonlijk,  de  zaak  voor 


Digitized  by 


Google 


154  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWIKGEy. 

als  van  veel  minder  gewicht;  maar  toch  kan  men  uit  wat  bij 
Beaurain  daarover  voorkomt,  duidelijk  opmaken  dat  de  uitval 
gelukt  is ;  hij  zegt  van  de  belegei  den :  » zij  brachten  groote  wan- 
orde teweeg  onder  de  werkers;  omstreeks  dertig  soldaten  daar- 
van, en  twee  of  drie  officieren,  werden  gedood;  maar  de  loop- 
graven-wacht wierp  hen  dadelijk  terug,  en  herstelde  in  weinig 
tijds  de  vernieling  aan  de  loopgraven."  —  Racine  bepaalt  er 
zich  toe,  te  zeggen  dat  de  belegerden  bij  hun  uitval  tegen  de 
linkerzijde  der  loopgraven  »daar  eenige  wanorde  deden  ontstaan. 
Maar  de  Zwitsers,  die  daar  de  wacht  hadden,  wierpen  hen 
dadelijk  terug,  en  herstelden  in  zeer  weinig  tijds  wat  er  vernield 
was  aan  de  nadernissen.  Aan  weerszijden  sneuvelden  een  40  k 
50  man."  De  Europische  Mercurius  stelt  den  uitval  op  den  i8en, 
de  Fransche  opgaven  daarentegen  op  den  lyen  Juni;  de  laatste 
zijn  hier  het  meest  betrouwbaar. 

Na  dien  uitval  van  den  lyen  verloopen  er  vijf  of  zes  dagen 
waarin  de  belegeraar  niets  anders  doet  dan  zijne  aanvalswerken 
voortzetten  en  onverpoosd  het  vuur  van  zijne  batterijen  richten 
op  » Koning  Willem";  den  i8en,  of  den  iQcn  Juni,  is  de  gemeen- 
schap van  dat  fort  met  het  kasteel  zoo  goed  als  geheel  afge- 
broken door  de  voortgezette  dubbele  sappen;  aan  het  hoofd 
van  die  dubbele  sappen  zijn  scherpschutters  om  hunne  schoten 
te  richten  op  ieder  die  het  waagt  den  afstand  tusschen  het  fort 
en  Terra  Nova  —  een  200  el  (meters)  —  te  doorloopen.  De 
Europische  Mercurius  spreekt  van  »de  weg  van  communicatie 
welke  na  't  Kasteel  leidde";  —  daaruit  zou  men  moeten  op- 
maken, dat.  er  eene  caponnière  was  tusschen  het  fort  en  het  kas- 
teel; dat  is  echter  niet  aan  te  nemen;  want  in  de  Fransche 
opgaven  komt  niets  voor  wat  maar  in  het  minst  daarop  gelijkt; 
en  op  het  plan  van  de  belegering,  bij  Beaurain,  is  van  zulk  een 
caponnière  niets  hoegenaamd  te  zien. 

Even  bezijden  de  waarheid  schijnt  de  opgave,  in  de  » Mercurius" 
voorkomende,  dat  op  den  21  sten  Juni  tusschen  negen  uur  *s  och- 
tends en  twee  uur  des  namiddags,  de  Franschen  herhaaldelijk 
het  fort  Koning  Willem  hebben  bestormd,  maar  dat  die  stormen 
telkens  zijn  afgeslagen;  —  de  Fransche  opgaven  hebben  geen 
enkel  woord  over  die  bestormingen  op  den  21  sten;  en  Bosscha 
neemt  ze  dan  ook  niet  als  waar  aan;  wij  evenmin. 

Maar  den  2  2sten  Juni  oordeelt  Lodewijk  XIV,  dat  fort  Koning 
Willem  lang  genoeg  geteisterd  is  door  het  vuur  van  de  Fransche 
batterijen,  om  tot  eene  bestorming  over  te  gaan  van  de  twee 
bedekte  wegen  vóór  den  linkervleugel  van  het  hoornwerk;  —  in 
dien  linkervleugel  zelf  was  eene  bres,  die  echter  nog  niet  goed 
beklimbaar  was,  en  bovendien  bestreken  kon  worden  door  het 
geschut  van  het  kasteel.  Om  zes  uur  *s  avonds  komen  8  com- 
pagnieën grenadiers  en  8  compagnieën  fuseliers  in  de  loopgraven, 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  155 

om  de  bestorming  te  doen;  terwijl  de  7  bataljons  die  de  loop- 
graven-wacht uitmaken,  gereed  staan  om  eiken  uitval  te  keeren. 

's  Avonds  om  negen  uur  wordt  het  sein  voor  den  storm  ge- 
geven: een  salvo  van  6  kanonnen.  De  grenadiers  en  fuseliers 
springen  uit  de  loopgraaf,  snellen  naar  den  bedekten  weg,  ver- 
meesteren dien,  vervolgen  de  verdedigers  op  den  voet,  en  nemen 
ook  den  tweeden  bedekten  weg;  dit  alles  na  scherpe  gevechten, 
waarbij  onder  anderen  Coehoorn  ernstig  aan  het  hoofd  werd  ge- 
wond. In  hun  onstuimige  drift  gingen  eenige  Fransche  soldaten 
zelfs  door  de  gracht  van  het  fort,  en  beklommen  de  vrij  moeie- 
lijke  bres.  De  bezetting  van  fort  Koning  Willem  schijnt  toen  de 
verdere  verdediging  ondoenlijk  te  hebben  geacht;  denkelijk  zal 
het  buiten  gevecht  stellen  van  Coehoorn  hiertoe  hebben  bijge- 
dragen; in  zijn  levensbericht,  door  zijn  zoon,  komt  ook  voor, 
dat  eenige  Duitsche  troepen  van  de  bezetting  oproerig  werden, 
en  op  capitulatie  aandrongen. 

Hoe  het  zij,  de  Chamade  werd  geslagen;  men  trad  in  onder- 
handeling; en  de  overgave  van  het  fort  volgde  op  den  23sten 
Juni,  met  vrijen  aftocht  voor  de  bezetting.  Volgens  Beaurain 
trok  die  bezetting,  op  den  middag  van  den  23sten  Juni,  met 
slaande  trom  en  vliegende  vaandels  door  de  bres  weg;  ^— 
wat  niet  geheel  en  al  overeenstemt  met  de  vroegere  opgave,  dat 
die  bres  >zeer  moeijelijk  te  bestormen"  was. 

Alleen  aan  den  tachtig  jarigen  generaal  Wijnbergen  werd  ver- 
gund naar  het  kasteel  van  Namen  te  vertrekken;  al  de  andere 
verdedigers  van  het  fort  gingen  op  marsch  naar  Gent.  Die  marsch 
was  door  de  Franschen  zoodanig  geregeld,  dat  de  bezetting  een 
grooten  omweg  moest  maken;  denkelijk  met  het  inzicht,  haar 
meer  te  vermoeien,  en  daardoor  de  soldaten  meer  aan  te  sporen 
om  over  te  gaan  in  P'ranschen  krijgsdienst,  wat  ook  met  velen 
gelukte.  Die  laatste  omstandigheid  verklaart  misschien  het  ver- 
schil in  sterkte  van  de  bezetting,  volgens  de  Fransche  opgaven 
en  volgens  de  onze:  Beaurain  zegt,  dat  de  bezetting,  bij  de 
overgave,  80  officieren  en  1564  soldaten  telde;  de  Europische 
Mercurius  81  officieren  en  omtrent  1200  soldaten;  misschien  is 
de  eerste  opgave  de  sterkte  waarmede  men  uittrok,  de  tweede 
de  sterkte  waarmede  men  te  Gent  aankwam. 

De  verdediging  van  fort  Koning  Willem  in  1692  is  goed  en 
krachtig  geweest,  en  verdient  geroemd  te  worden;  dit  is  zelfs 
door  de  Franschen  gedaan;  onder  anderen  doet  dit  Racine,  die 
—  in  den  brief,  den  24sten  Juni  uit  het  kamp  voor  Namen  aan 
Boileau  geschreven  —  na  eerst  voor  zijn  vriend  het  fort  Koning 
Willem  te  hebben  beschreven,  aldus  vervolgt:  »de  Ingenieur  die 
het  heeft  ontworpen  en  die  alles  bestuurd  heeft  wat  daar  is  ge- 
daan, is  een   Hollander,  met  name  Cohorn.  Om  de  sterkte  te 


Digitized  by 


Google 


156  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

verdedigen  had  hij  zich  daarin  begeven,  en  er  zelfs  een  graf 
laten  maken,  zeggende  dat  hij  daar  begraven  wilde  worden.  Mét 
de  bezetting  trok  hij  er  gisteren  uit,  gewond  door  een  bomscherf. 
Mijnheer  De  Vauban  heeft  hem  uit  nieuwsgierigheid  opgezocht, 
en,  na  hem  veel  lof  te  hebben  toegezwaaid,  hem  gevraagd,  of 
hij  meende  dat  de  wijze  van  aanval  beter  had  kunnen  zijn?  De 
ander  heeft  hem  geantwoord:  dat  als  hij  op  de  gewone  wijze 
was  aangevallen,  met  loopgraven  tegen  de  courtine  en  de  halve 
bastions,  hij  zich  nog  wel  veertien  dagen  langer  zou  hebben 
verdedigd;  maar  dat,  toen  de  loopgraven  hem  van  alle  zijden 
omgaven,  hij  gedwongen  was  zich  over  te  geven." 

Van  de  bezetting  zegt  Racine:  »zij  was  nog  vijftienhonderd 
man  sterk,  troepen  die  er  zeer  goed  uitzagen.  De  voornaamste 
aanvoerder,  Mijnheer  De  Virabergue,  is  bijna  tachtig  jaar;  daar 
hij  bovendien  zeer  geleden  had  door  de  vermoeienissen  van  de 
laatste  veertien  dagen  en  niet  meer  gaan  kon,  had  hij  zich  laten 
dragen  naar  de  kleine  bres,  door  ons  geschut  vuur  gemaakt,  van 
zins  om  daar  te  sterven,  met  den  degen  in  de  hand.  Hij  is  het 
die  de  capitulatie  heeft  gesloten;  en  hij  heeft  er  in  laten  zetten, 
dat  het  hem  vergund  wordt  om  naar  het  kasteel  te  vertrekken, 
en  daar  deel  te  nemen  aan  de  verdediging  tot  aan  het  einde 
van  het  beleg.  Gij  ziet  daaruit  wie  de  menschen  zijn  die  tegen- 
over ons  slaan;  en  dat  al  de  wetenschap  en  al  de  voorzorgen 
van  Mijnheer  De  Vauban  noodig  zijn  om  tal  van  dappere 
mannen  te  behouden,  die  zich  zonder  nut  zouden  willen  op- 
offeren." 

Indien  Wijnbergen,  toen  hij  naar  het  Namensche  kasteel  ver- 
trok, gehoopt  heeft  daar  eene  even  goede  verdediging  bij  te 
wonen  als  die  van  fort  Koning  Willem,  dan  is  hij  deerlijk  teleur- 
gesteld: die  verdediging  van  het  kasteel  is  slecht  geweest  en 
heeft  korter  geduurd  dan  die  van  het  onvoltooide  buitenfort. 

Dadelijk  na  de  overgave  van  fort  Koning  Willem  wierp  de 
belegeraar,  in  de  keel  van  dat  werk,  een  kanonbatterij  en  twee 
moriierbatterijen  op,  om  daarmede  Terra  Nova  te  bestoken.  Het 
front  van  aanval  was  nu  kleiner  geworden,  en  daar  men  boven- 
dien den  belegerde  geen  groote  uitvallen  zag  doen,  werden  de 
loopgraven  der  Franschen  minder  sterk  bezet,  en  de  daar  ver- 
blijvende macht  van  7  bataljons  op  4  verminderd.  Het  vuur  der 
batterijen  werd  rusteloos  voortgezet  tegen  Terra  Nova;  en  de 
loopgraven,  nu  een  gesloten  geheel  vormende  van  de  NIaas  tot 
de  Sambre,  waren  spoedig  zeer  nabij  den  dubbelen  bedekten 
weg,  vóór  dat  deel  van  Terra  Nova  dat  men  wilde  aanvallen, 
een  soort  van  hoornwerk.  Den  28sten  Juni  gaat  de  belegeraar 
over   tot  de  bestorming,  die  door  9  compagnieën  grenadiers  en 


Digitized  by  VjOOQIC 


NAMEN.  157 

9  compagnieën  fuseliers  moet  worden  verricht,  ondersteund  — 
zoo  noodig  —  door  de  bataljons  van  de  loopgraven-wacht.  De 
Fransche  koning,  die  gaarne  zulk  eene  handeling  op  een  afstand 
zag,  neemt  zijn  standplaats  in  het  fort  Koning  Willem. 

Het  is  bijna  middag;  om  half  twaalf  doet  zich  een  salvo  van 
twaalf  kanonschoten  hooren;  op  dit  sein  snellen  de  bestormers 
uit  hunne  loopgraven  naar  de  beide  bedekte  wegen,  vermeesteren 
die,  en  vervolgen  den  vluchtenden  verdediger  tot  in  de  gracht, 
en  tot  op  den  hoofdwal  van  Terra  Nova.  De  bestormers  dringen 
vooral  door  naar  het  halve  bastion,  dat  links  van  hen  is;  hier 
was  een  kleine  bres,  die  beklommen  wordt  door  eenige  Fransche 
grenadiers;  —  maar  men  acht  die  bres  nog  te  steil  en  te 
moeielijk,  om  zich  te  wagen  op  den  hoofdwal  van  het  hoorn- 
werk; men  bepaalt  zich  tot  het  bezetten  van  eene  contregarde, 
vóór  het  linker  half-bastion;  men  graaft  zich  daar  in,  evenals 
bij  de  vermeesterde  bedekte  wegen. 

De  tegenstand  van  den  belegerde  schijnt  hier  niet  bijzonder 
groot  te  zijn  geweest.  De  eerste  bedekte  weg  was  verlaten;  bij 
den  tweeden  werd  gevochten,  maar  niet  lang:  de  verdediger 
haastte  zich  om  weg  te  komen,  door  de  poternen  die  naar  de 
droge  gracht  voerden;  hier,  bij  de  vervolging  door  de  bestor- 
mers, ondervond  hij  de  meeste  verliezen,  evenals  vroeger  door 
het  geschutvuur  des  belegeraars;  de  Franschen  —  zooals  uit  den 
aard  van  de  zaak  volgt  —  leden  het  meest  terwijl  zij  bezig  waren 
met  zich  in  te  graven,  en  nog  niet  gedekt  waren  tegen  het  vuur 
dat  de  verdediger  van  achter  de  borstwering  van  het  hoornwerk 
op  hen  richtte.  Eene  Fransche  opgave  zegt,  dat  bij  die  bestor- 
ming de  belegerde  ruim  300  man,  de  belegeraar  2  k  300  man^ 
heeft  verloren;  —  denkelijk  hebben  dus  die  verliezen  elkander 
niet  veel  ontloopen. 

In  den  nacht  van  28  op  29  Juni  doet  Vauban  de  afdaling 
in  de  gracht  verrichten,  en  daarop  mijnkamers  maken  in  het 
muurwerk  van  de  twee  halve  bastions  en  van  de  courtine  van 
het  hoornwerk;  —  er  wordt  niet  gezegd,  dat  de  belegerde  het 
allerminste  heeft  gedaan  om  dien  arbeid  te  verhinderen.  Het 
stond  nu  in  de  macht  van  den  belegeraar  om  het  geheele  front 
van  het  hoornwerk  te  doen  springen,  en  door  die  wijde  bres 
binnen  te  stormen;  —  maar,  liet  men  die  borstwering  vernielen,, 
dan  zou  men  later  geld  moeten  uitgeven  om  ze  weer  op  te 
bouwen ;  en  men  meende  met  minder  kosten  meester  te  kunnen 
worden  van  Namen.  Hierin  bedroog  men  zich  niet.  In  den 
nacht  van  den  29sten  op  den  3osten  Juni  beklimmen  15  Fransche 
grenadiers  de  bres  van  het  linker  halve  bastion;  zij  vinden  dat 
werk  onbezet,  of  zoo  goed  als  onbezet;  zij  vermeesteren  het  dus 
zonder  moeite;  al  meer  en  meer  worden  die  grenadiers  versterkt 
door  andere  Fransche  troepen ;  de  belegerde  verlaat  daarop  ook 


Digitized  by 


Google 


158  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

het  rechter  halve  bastion;  en  bijna  zonder  slag  of  stoot  zijn  de 
Franschen  meester  van  geheel  Terra  Nova,  waar  zij  zich  dadelijk 
ingraven. 

De  belegerde  had  niets  gedaan  om  de  bres  te  verdedigen, 
zelfs  niets  om  haar  te  bewaken;  hij  had  niets  gedaan  om  door 
een  krachtigen  tegenaanval  den  kleinen  hoop  binnendringende 
vijanden  terug  te  drijven;  hij  was  gevlucht,  zonder  strijd.  Wat 
er  nu  volgde  zette  de  kroon  op  die  lafhartigheid.  Wel  was  het 
voorliggende  Terra  Nova  verloren,  maar  nog  bleef  het  eigenlijke 
kasteel  over,  een  geduchte  sterkte,  met  verschillende  achtereen- 
volgens te  verdedigen  fronten;  en  om  die  verdediging  te  voeren, 
had  men  eene  bezetting  van  nog  4500  man.  Bene  krachtige  en 
langdurige  verdediging  was  dus  mogelijk;  haar  te  ondernemen, 
was  plicht.  Maar  geen  oogenblik  wordt  aan  zoo  iets  gedacht; 
reeds  den  3osten  Juni,  om  zes  uur  's  ochtends,  laat  Barbangon 
de  Chamade  slaan,  treedt  in  onderhandeling,  geeft  de  vesting 
over,  en  trekt  den  isten  Juli  met  zijne  bezetting  naar  Leuven, 
onder  voorwaarde  dat  die  bezetting  in  de  eerste  drie  weken  niet 
zal  optreden  tegen  de  Franschen.  De  bezetting  van  het  Namensche 
kasteel  trok  uit  door  eene  bres;  —  maar  om  dit  mogelijk  te 
maken  moest  die  bres  eerst  behoorlijk  worden  afgegraven. 

Zoo  viel  Namen,  na  een  beleg  van  niet  veel  meer  dan  eene 
maand  tijds.  Dat  beleg  had  aan  het  Fransche  leger  ongeveer 
een  3000  man  gekost,  aan  gesneuvelden;  maar  meer  nog  werd 
het  verzwakt  door  ziekten,  ontstaan  door  het  natte  weer,  door 
vermoeienissen,  en  ook  door  ontberingen.  Want  wél  waren  de 
Fransche  magazijnen  in  de  noordelijke  grensplaatsen  genoegzaam 
voorzien;  maar  de  aanvoer  uit  die  magazijnen  naar  het  leger 
voor  Namen  was  niet  zonder  bezwaren.  Zoo  wordt  vermeld  dat, 
tijdens  de  aanvallen  tegen  fort  Koning  Willem,  een  Fransch 
konvooi  van  7  ^  800  wagens  met  leeftocht  en  paardevoêr  en 
begeleid  door  600  man  voetvolk  en  dragonders,  tusschen  Beau- 
mont  en  Philippeville  werd  aangevallen  door  eene  afdeeling  van 
de  bezetting  van  Charleroi;  die  afdeeling  —  600  man  voetvolk 
onder  den  kolonel  Heiden,  en  400  ruiters  onder  den  kolonel 
De  Bay  —  sloeg  het  Fransche  geleide,  en  nam  of  vernielde  toen 
het  konvooi,  vóórdat  de  ter  hulp  toesnellende  bezettingen  van 
Beaumont  en  van  Philippeville  dit  konden  beletten. 

Dat  het  verlies  van  zulk  een  konvooi  een  groot  nadeel  was 
voor  het  Fransche  leger,  behoeft  geen  uitvoerige  toelichting; 
vooral  voor  de  ruiterij  was  dit  nadeelig.  Aanvankelijk  had  men 
het  paardevoêr  gevonden  in  de  landstreek  waar  men  was;  maar 
spoedig  moest  dit  ophouden;  en  van  den  i3en  Juni  afhebben 
er  regelmatige  uitdeelingen  plaats  van  fourage,  uit  de  magazijnen ; 
onder  andere   aan  haver  werd  uitgedeeld  voor  ieder  paard  een 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  159 

halve  Fransche  bohseau  daags;  —  wij  laten  dat  woord  boisseau 
onvertaald;  want  namen  wij  daarvoor  ^cheper  dan  zou  men 
misschien  denken  aan  »het  Amsterdamsche  schepel**,  en  dat  is 
niet  hetzelfde:  de  Fransche  boisseau  stond  gelijk  met  13  kop 
van  onze  nieuwe  maat;  het  Amsterdamsche  schepel  met  27  kop.  — 
Alleen  bij  het  leger  van  LuxembouVg  werden  30000  boisseaux 
haver,  daags,  uitgedeeld;  dus  —  volgens  Bartjens  —  waren  er 
bij  dat  leger  60000  paarden.  Verkeerd  zou  het  zijn  dit  cijfer 
aan  te  nemen  voor  de  sterkte  van  de  ruiterij;  want  men  had 
een  menigte  pairden  noodig  voor  de  staven,  voor  de  hoofd- 
officieren, voor  de  bespanningen  van  het  geschut  en  van  de  tal- 
looze  wagens  beladen  met  de  bagage  en  met  het  tentgereedschap ; 
misschien  dat  niet  veel  meer  dan  de  helft  van  het  cijfer  —  een 
30000  paarden  —  tot  de  ruiterij  heeft  behoord. 

Wij  willen  thans,  met  een  enkel  woord,  een  oordeel  uitbrengen 
over  de  handelingen  van  de  wederzijdsche  partijen  bij  en  tijdens 
dit  beleg  van  Namen. 

De  handelingen  aan  de  Fransche  zijde  verdienen  hoogen  lof; 
de  inneming  van  Namen  in  1692  is  een  grootsch  en  roemrijk 
wapenfeit  geweest.  Boileau,  die  twintig  jaar  vroeger  den  roem 
van  Lodewijk  XIV  had  bezongen  bij  den  overtocht  van  den 
Rijn  aan  »het  tolhuis*',  was  ook  nu  de  zanger  van  Namens  val, 
en  weer  even  ondichterlijk  als  vleiend  voor  zijn  Koning.  Na 
met  veel  bombast  den  oorlogsstorm  te  hebben  geschetst  waardoor 
Namen  werd  geteisterd,  stelt  hij  daarin  den  Koning  voor: 

»Contemplez  bien  ces  approches, 
voyez  détacher  ces  roches, 
voyez  ouvrir  ce  terrein, 
et  dans  les  eaux,  dans  la  flamnie, 
Louis,  ^  tout  doDDant  l'ame, 
marcher  tranquille  et  serein. 

Voyez  dans  celte  tempête 
partout  se  montrer  aux  yeux 
la  plume  qui  ceint  sa  tête 
d'uQ  cercle  si  glorieux. 
A  sa  blancheur  remarquable 
toujours  un  sort  favorable 
s'attache  dans  les  combals; 
et  toujours  avec  la  gloire, 
Mars,  et  sa  soeur  la   victoire, 
suivent  eet  astre  a  grands  pas." 

»Ik  heb  mij  hierin  gewaagd  aan  nieuwigheden,**  schrijft  Boileau 
aan  zijn  vriend  Racine,  hem  de  ode  toezendende  op  de  inneming 
van   Namen;    tik   heb  zelfs  gewaagd  van  de  witte  pluim  die  de 


Digitized  by 


Google 


l6o  KRIJGS-   IN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Koning  op  zijn  hoed  heeft.  Maar  ik  ben  van  nieening,  dat  als 
men  in  verzen  wat  nieuws  wil  zeggen,  men  gewagen  moet  van 
zaken  die  nog  niet  in  verzen  zijn  behandeld...  De  ode  zal 
achttien  stanzas  hebben;  dat  maakt  honderd  en  tachtig  verzen. 
Ik  dacht  niet  dat  zij  zoo  groot  zou  worden." 

Het  is  alsof  men  een  behanger  hoort  spreken:  ivoor  die 
kamer  zijn  zooveel  vierkante  ellen  tapijt  noodig;  voor  die  kamer 
zooveel;  —  ik  dacht  niet,  dat  ik  zooveel  goed  zou  noodig  heb- 
ben." —  Boileau  is  een  zeer  verstandig  man;  zijne  hekeldichten 
zijn  uitmuntend;  maar  voor  het  overige  moet  men  hem  niet 
toetsen  aan  het  » gevoel,  verbeelding,  heldenmoed"  van  Da  Costa; 
want  dan  blijft  er  niet  veel  van  hem  over;  dan  komt  men  tot 
de  overtuiging,  dat  hij  een  zeer  ondichterlijk  dichter  is  geweest. 

Maar  laten  wij  Boileau  en  Lodewijk  XIV  —  den  Koning  met 
de  drie  schanskorven  —  op  zij  stellen;  erkennen  moet  men,  dat 
die  veldtocht  van  1692  in  de  Nederlanden  luisterrijk  is  geweest 
voor  den  Franschen  wapenroem.  't  Is  waar,  de  strijdkrachten 
van  Frankrijk  aldaar  waren  toen  groot;  het  leger  was  talrijk, 
goed  samengesteld,  goed  uitgerust ;  bij  het  beleg  heeft  niets  ont- 
broken wat  tot  het  welslagen  noodig  was;  —  dat  alles  zijn 
middelen  om  tot  de  overwinning  te  komen ;  maar  dat  alles  is 
niet  genoeg;  men  moet  ook  partij  weten  te  trekken  van  die 
middelen;  er  is  een  goede  aanvoering  noodig,  de  hoofdzaak  bij 
een  oorlog;  en  aan  die  goede  aanvoering  heeft  het  Frankrijk  in 
1692  in  de  Nederlanden  niet  ontbroken. 

Twee  mannen  hebben  hier  geschitterd :  Luxembourg  enVauban. 

Luxembourg  heeft  op  meesterlijke  wijze  zijn  taak  volbracht, 
het  dekken  van  de  belegering  van  Namen,  't  Is  waar,  het  geluk 
heeft  hem  daarbij  gediend;  het  slechte  weer  en  de  menigvuldige 
regens  die  dagen  lang  het  Willem  III  onmogelijk  maakten  om 
de  Méhaigne  over  te  trekken,  waren  gunstige  omstandigheden 
voor  het  Fransche  leger,  en  gunstige  omstandigheden  waarop 
men  niet  had  kunnen  rekenen.  Maar  ook  zonder  die  omstandig- 
heden zouden  de  kansen  op  de  overwinning  voor  de  bondge- 
nooten  niet  groot  zijn  geweest,  want  Luxembourg's  stelling  achter 
de  Méhaigne  was  met  zooveel  bekwaamheid  gekozen,  dat  daar- 
door de  kans  op  de  overwinning  voor  de  Franschen  zeer  groot 
was,  een  verloren  veldslag  hun  geen  overgroot  nadeel  zou  heb- 
ben toegebracht,  en  een  gewonnen  veldslag  hen  in  staat  zou 
hebben  gesteld  om  den  bondgenooten  beslissende  verliezen  toe 
i^«9  te  brengen;  —  wat  wil  men  van  een  legerhoofd  meer  vorderen: 
wiskundige  zekerheid  van  de  overwinning,  kan  niemand  ooit 
geven.  —  Ook  later  weet  Luxembourg  met  zooveel  beleid  te 
werk  te  gaan,  dat  hij  voor  de  bondgenooten  steeds  den  weg 
naar  Namen  afsluit;  of,  zoo  zij  tot  daar  willen  doordringen,  hen 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  '  l6l 

dwingt  eene  sterke  stelling  aan  te  vallen,  waar  —  vooral  bij  de 
taktiek  van  die  dagen  —  de  verdediger  altijd  verreweg  de  meeste 
kansen  heeft  op  de  overwinning. 

Vauban  heeft  zich  bij  deze  belegering  van  Namen  weer  be- 
toond als  de  groote  meester  in  de  kunst  om  eene  vijandelijke 
vesting  te  doen  vallen,  in  den  minsten  tijd  en  met  de  minste 
opofferingen ;  daarin  vooral  ligt  zijn  grootheid,  veel  meer  dan  in 
het  bouwen  van  vestingen.  Zeker,  Vauban  werd  hier  —  evenals 
Luxembourg  —  door  de  omstandigheden  begunstigd:  hij  had  te 
doen  met  een  nog  niet  geheel  voltooide  vesting,  en  door  het 
verraad  van  den  vroegeren  commandant  van  Namen  kende  hij 
den  toestand  van  die  vesting;  —  gunstige  omstandigheden,  maar 
alleen  mannen  van  bekwaamheid  weten  daarvan  partij  te  trekken. 
De  wijze  waarop  Namen  werd  aangevallen,  en  de  voortvarend- 
heid en  orde,  daarbij  betoond,  verdienen  hoogen  lof.  Coehoorn 
heeft  den  naam,  dat  wanneer  hij  eene  vijandelijke  vesting  be- 
legert, hij  zijn  toevlucht  vooral  neemt  tot  de  aanwending  van  eene 
zeer  krachtige  artillerie ;  maar  ook  Vauban  versmaadt  dat  middel 
niet,  als  hij  het  noodig  oordeelt;  onder  andere  is  het  beleg  van 
Namen  in  169a  daarvan  het  bewijs. 

Gaat  men  nu  over  tot  de  beschouwing  van  de  tegenpartij,  dan 
moet  het  oordeel  minder  gunstig  luiden. 

De  verdediging  van  Namen  in  1692  is  slecht  geweest.  Het  fort 
Koning  Willem,  ja,  öé.t  heeft  zich  goed  verdedigd;  en  de  eer 
daarvan  komt  hoofdzakelijk  toe  aan  Coehoorn,  hij  was  niet  alleen 
een  groot  vestingbouwkundige,  maar  ook  een  dapper  soldaat, 
een  oorlogsman  van  den  goeden  stempel.  Of  nu  zijne  verwonding 
oorzaak  is  geweest,  dat  fort  Koning  Willem  zich  vroeger  heeft 
overgegeven  dan  het  anders  zou  hebben  gedaan,  —  is  een 
moeilijk  te  beantwoorden  vraag:  als  dit  niet  was  gebeurd,  zou 
dat  dan  wél  zijn  gebeurd?  dit  soort  van  vragen  te  behandelen, 
is  meestal  een  ijdel  werk.  Maar  wat  hiervan  zij,  zooveel  staat 
vast:  Coehoorn  heeft  zijn  plicht  gedaan;  de  verdediging  van 
fort  Koning  Willem  is  goed  geweest.  —  Maar  die  verdediging  is 
ook  het  eenige  lichtpunt  bij  de  geheele  verdediging  van  Namen. 

Zie,  allereerst,  wat  er  met  de  stad  gebeurt.  In  den  nacht  van 
29  op  30  Mei  worden  de  loopgraven  geopend,  en  reeds  den 
S^n  Juni  wordt  de  capitulatie  gesloten;  —  een  wederstand  van 
een  week  tijds.  Ja  maar,  in  een  week  tijds  kan  veel  zijn  voor- 
gevallen, kunnen  veel  heldenfeiten  zijn  verricht;  —  hier  is  — 
wij  spreken  van  de  verdediging  —  niets  bijzonders  voorgevallen, 
hier  is  niets  geboekt  wat  maar  in  het  minst  op  een  heldenfeit 
gelijkt.  De  loopgraven  worden  geopend,  zonder  dat  er  iets  be- 
proefd wordt  om  dit  tegen   te  gaan;  de  aanvaller  brengt  zijne 

WILLEM  iir.  —  III.  II 


Digitized  by  VjOOQIC 


102  KRIJGS'   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

batterijen  in  werking,  zonder  dat  er  iets  gedaan  wordt  om  dit 
te  verhinderen  *,  de  loopgraven  naderen  al  meer  en  meer  de  ves- 
ting, zonder  dat  er  een  uitval  wordt  ondernomen  om  dien  voort- 
gang te  keeren.  Carnot  is  van  oordeel,  dat,  bij  een  beleg,  de 
verdediger  in  het  begin  slechts  een  dauwen  wederstand  moet 
bieden,  ten  einde  zooveel  te  meer  zijne  krachten  te  sparen  voor 
den  hoofdstrijd  bij  de  bressen;  wat  het  flauwe  van  den  weder- 
stand bij  het  begin  van  het  beleg  betreft,  heeft  de  verdediger 
van  de  stad  Namen  trouw  het  voorschrift  gevolgd,  door  Carnot 
in  later  eeuw  gegeven;  maar  toen  het  er  op  aankwam  om  den 
beslissenden  strijd  bij  de  bressen  te  voeren,  toen  schoof  hij  Car- 
not's  voorschrift  op  zij,  en  gaf,  zonder  dien  strijd  af  te  wachten, 
de  stad  dadelijk  over.  De  verdediging  van  de  stad  Namen  in 
1692  is  beneden  alle  kritiek  geweest;  het  zou  een  ijdel  verspillen 
van  woorden  zijn,  dit  nog  in  het  breede  te  willen  aanloonen. 

Met  het  kasteel  van  Namen  is  het  niets  beter  gegaan;  ook 
ddt  heeft  zich  maar  een  week  lang  verdedigd ;  —  en  het  kasteel 
van  Namen  had,  ook  door  zijn  ligging,  een  veel  grootere  sterkte 
dan  de  stad ;  en  terwijl  men,  voor  de  spoedige  overgave  van  de 
stad,  nog  het  sprookje  kon  aanvoeren,  dat  men  de  burgerij  niet 
wilde  blootstellen  aan  de  noodlottige  gevolgen  van  een  gelukten 
storm,  miste  men  bij  het  kasteel  zelfs  die  nietige  uitvlucht.  Wil 
men  den  staf  breken  over  de  handelingen  van  den  verdediger, 
dan  is  het  voldoende  om  te  wijzen  op  de  jammerlijke,  ellendige 
manier,  waarop  bij  Terra  Nova  is  te  werk  gegaan. 

Ziehier  op  welke  wijze  Racine  de  spoedige  overgave  van  het 
kasteel  van  Namen  verklaart.  Na  xie  vermeestering  van  Terra 
Nova  te  hebben  vermeld,  laat  hij  daarop  volgen: 

»Nog  bleven  er  twee  andere  werken  over,  bijna  gelijksoortig,  niet 
minder  moeielijk  aan  te  vallen  dan  de  vorige,  en  die  groote  graéhten 
hadden,  zeer  diep,  in  den  rotsgrond  uitgehouwen.  Achter  dat  alles 
kwam  dan  het  eigenlijke  kasteel  (Ie  corps  du  chateau),  alleen  reeds 
voldoende  om  een  aanvaller  lang  tegen  te  houden,  en  hem  de 
laatste  schreden  die  hij  te  doen  had,  zeer  duur  te  doen  betalen. 

Maar  de  opperbevelhebber,  die  zag  dat  zijne  bezetting  ont- 
moedigd was,  zoo  door  het  onophoudelijke  vuur  met  kanons- 
kogels en  bommen,  als  door  de  onvermoeide  dapperheid  der 
belegeraars,  en  die  merkte  hoe  weinig  staat  er  was  te  maken  op 
de  ijdele  beloften  van  ontzet  waarmede  de  Prins  van  Oranje 
hem  sinds  een  maand  paaide,  dacht  er  slechts  aan  om  zich  op 
eervolle  voorwaarden  over  te  geven,  en  vroeg  eene  capitulatie." 

Ook  Beaurain  zegt,  dat  de  belegerden,  >vreezende  veel  te 
zullen  lijden  van  de  bommen,  en  uitgeput  van  vermoeienis,  en 
geen  hoop  hebbende  op  ontzet,  den  3osten,  om  zes  uur  's  och- 
tends, de  Chamade  sloegen,  en  vroegen  om  te  capituleeren." 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  163 

In  het  dagboek  van  Huygens  (2*  deel,  blz.  89)  komt  voor: 
dat  een  Rhijngraaf  van  Salms,  die  in  het  kasteel  van  Namen 
was  geweest,  na  de  overgave  zeide:  »dat  sij  daer  in  't  eynde 
schier  niets  als  boonen  gegeten  hadden,  en  seer  slecht  water  ge- 
hadt  om  te  drincken." 

En  eindelijk  zegt  de  Europische  Mercurius  van  de  overgave 
van  het  kasteel  van  Namen :  1  maar  d'officiers  welke  het  Kasteel 
verdeedigden.  moeten  malkander  noodzaakelijk  niet  wel  hebben 
verstaan,  dewijl  men  andersins  heel  beswaarlijk  kan  begrijpen, 
dat  het  zich  zo  haast  zou  hebben  overgegeven,  zijnde  er  noch 
zo  veele  werken  te  veroveren." 

Is  er  in  die  verschillende  oordeelvellingen  iets  dat  onze  mee- 
ning weerspreekt,  dat  het  kasteel  van  Namen  zich  slecht  heeft 
verdedigd?  —  Wij  gelooven  van  niet. 

iMen  at  er,  op  het  laatst,  haast  niets  anders  als  boonen,  en 
men  dronk  er  zeer  slecht  water";  —  dat  is,  zeker,  zeer  onaan- 
genaam; met  een  krachtige  erwtensoep  en  een  goed  glas  bier 
kan  men  het  beter  stellen ;  maar  toch,  slecht  eten  en  slecht 
drinken  mag  nooit  als  een  reden  worden  aangevoerd  om  de  over- 
gave van  eene  vesting  te  wettigen. 

De  bezetting  was  1  uitgeput  van  vermoei  jenis  ;'*  —  hoe  kan  dat? 
Het  front  van  aanval  bij  het  kasteel  was  niet  groot;  de  sterkte 
van  de  bezetting  was  4500  man;  dus  kon  er  bij  een  goede  rege- 
ling van  den  dienst  geen  sprake  zijn  van  uitputting  door  ver- 
moeidheid. 

De  belegerden  leden  door  's  vijands  geschutvuur;  of,  zooals 
Beaurain  zegt,  zij  vreesden  »veel  te  zullen  lijden  van  de  bom- 
men," —  eene  verdediging  die  om  zulk  een  reden  wordt  gestaakt, 
is  eene  jammerlijke  verdediging. 

Maar  men  had  tgeen  hoop  op  ontzet";  —  zelfs  al  was  daar 
hoegenaamd  geen  hoop  op,  toch  had  de  verdediging  zoo  lang  mo- 
gelijk moeten  worden  volgehouden;  en  bovendien,  men  had  geen 
recht  om  aan  dat  ontzet  te  wanhopen. 

Al  die  verontschuldigingen  voor  de  haastige  overgave  van  het 
kasteel  van  Namen,  beduiden  dus  inderdaad  niets;  en  de  ware 
reden  van  die  overgave  zal  wel  geweest  zijn  het  plichtverzuim 
van  de  bevelhebbers;  of,  zooals  verzachtenderwijze  de  Europische 
Mercurius  zegt,  »d'officiers  welke  het  Kasteel  verdeedigden, 
moeten  malkander  noodzaakelijk  ni^t  wel  hebben  verstaan."  De 
hoofdschuldige  was,  zooals  vanzelf  spreekt,  de  opperbevelheb- 
ber, de  Prins  De  Barbangon.  De  openbare  meening  viel  dien 
bevelhebber  dan  ook  sterk  aan  over  zijn  plichtverzuim  en  ge- 
brek aan  moed  bij  de  verdediging  van  Namen;  en  die  aanvallen 
gingen  zóó  ver,  dat  's  Prinsen  gedrag  bij  die  gelegenheid  werd 
onderworpen  aan  een  onderzoek  door  een  Spaanschen  krijgsraad 
te    Madrid,   en   dat  die  krijgsraad  op  den   i"  Mei  1693  eene 


Digitized  by 


Google 


104  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

openlijke  verklariDg  uitgaf,  waarbij  Barbangon  in  zijn  eer  werd 
gehandhaafd,  en  laster  werd  genoemd  alles  wat  te  zijne  nadeele 
was  gezegd  van  zijn  gedrag  te  Namen.  —  Is  die  verklaring  van 
den  Spaanschen  krijgsraad  aan  te  nemen  als  onfeilbare  waarheid  ? 
Is  het  lastertaal  als  men  zegt,  dat  Barbangon  zijne  vesting  slecht 
heeft  verdedigd?  —  Wij  gelooven  van  niet. 

Maar  ook  Willem  III  is  bij  deze  gelegenheid  niet  vrij  geble- 
ven van  blaam,  of  afkeurende  beoordeeling.  Aan  het  hoofd  te 
staan  van  een  sterk  en  goed  leger;  een  maand  tijds  te  hebben 
om  Namen  te  hulp  te  komen,  en  dan  niets  te  doen  om  die  groote 
vesting  te  behouden,  geen  veldslag  leveren  om  haar  te  ontzet- 
ten; —  natuurlijk  dat  zoo  iets  op  het  algemeen  een  zedelijken 
indruk  moest  maken,  die  niet  gunstig  was  voor  den  veldheer  der 
bondgenooten. 

Aan  de  Fransche  zijde,  bij  de  afgodische  bewonderaars  van 
Lodewijk  XIV,  namen  de  jubelkreten  geen  einde,  en  sprak  men 
met  minachting  en  hoon  van  iFrankrijk*s  grooten  tegenstander, 
f  Machtige  kampvechters  van  Spanje,'*  —  roept  Boileau  uit  — 
»snel  nu  naar  de  Méhaigne,  de  overtocht  is  u  vrijgelaten;  men 
biedt  u  den  veldslag  aan.  maar  gij  durft  dien  niet  aannemen;'* 
—  en  verder  zegt  hij  nog,  »dat  zelfs  binnen  Brussel's  muren  de 
vaalkleurige  Nassau  (Nassau  blème)  siddert  voor  den  Franschen 
koning." 

Racine  heeft  gepaster  toon,  in  zijn  officieel  verhaal  van  het  be- 
leg van  Namen;  maar,  vleier  van  Lodewijk  XIV  —  geheel  Frank- 
rijk was  dit  toen,  —  rechtvaardigt  hij  de  werkeloosheid  van  Wil- 
lem III  daarmede,  dat  deze  verstandig  genoeg  was  om  in  te  zien, 
dat  het  ijdel  was  om  zich  te  verzetten  tegen  een  krijgsonderneming 
die  door  den  Franschen  koning  in  persoon  werd  bestuurd: 

»In  Europa  heeft  men  op  zeer  verschillende  wijze  gesproken 
over  de  houding  van  den  Prins  van  Oranje  tijdens  dit  beleg;  en 
velen  hebben  de  redenen  willen  doorgronden  die  hem  belet 
hebben  slag  te  leveren,  toen  het  zaak  scheen  om  alles  te  wagen 
ten  einde  den  val  te  voorkomen  van  eene  zoo  belangrijke  stad, 
welker  verlies  hem  voortdurend  zou  worden  verweten.  Men  heeft 
zelfs  beweegredenen  vermeld  die  hem  geen  eer  aandoen.  Maar 
als  men  kalm  oordeelt  over  een  vorst,  wiens  waarde  wordt  er- 
kend, dan  moet  men  zeggen,  dat  het  door  hem  genomen  besluit 
van  groot  verstand  getuigt,  omdat  de  ondervinding  van  het  ver- 
leden hem  had  geleerd  hoe  ijdel  het  was  om  eene  onderneming 
tegen  te  gaan  die  door  den  Koning  zelf  werd  bestuurd;  en  hij 
zag  in,  dat  Namen  verloren  was,  zoodra  hij  hoorde  dat  de  Koning 
in  persoon  het  belegerde.  En  bovendien  twee  geduchte  legers 
des  Konings  bijna  voor  de  poorten  van  Brussel  ziende,  heeft  hij 
geoordeeld  dat  hij  geen  veldslag  mocht  wagen^  daar  eene  neder- 


Digitized  by 


Google 


MAMEK.  165 

laag  gevolgd  zou  zijn  door  den  ondergang  van  de  Nederlanden, 
misschien  door  zijn  eigen  ondergang,  door  het  uiteenspringen 
van  een  verbond,  dat  hij  met  zooveel  moeite  had  tot  stand  ge- 
bracht." 

Maar,  was  in  1692  de  openbare  meening  Willem  III  ongunstig, 
hoe  moet  nu  het  oordeel  zijn  over  zijn  veldheersbeleid  tijdens 
het  beleg  van  Namen? 

Bij  het  bespreken  van  die  vraag  stellen  wij  op  den  voorgrond : 
dat  Willem  III  in  1692  de  geheele  macht  en  dus  ook  de  geheele 
verantwoording  van  een  legerhoofd  heeft  gehad.  Vroeger,  bij 
andere  veldtochten^  is  dit  niet  altijd  zoo  geweest;  in  1674 onder 
andere  was  het  Keizerlijke  leger  onder  De  Souches  zoo  goed 
als  onafhankelijk  van  den  Stadhouder,  en  handelde  dit  soms  ge- 
heel in  strijd  met  diens  inzichten ;  de  verkeerde  handelingen  in 
1674  —  onder  andere  het  opbreken  van  het  beleg  van  Oude- 
naarden, toen  Condé  tot  ontzet  oprukte  —  zijn  dus  in  geenen 
deele  te  wijten  aan  Willem  III,  maar  wel  aan  De  Souches.  In 
1693  was  dit  echter  anders:  de  keurvorst  van  Beieren  en  de 
onderbevelhebbers  van  Willem  III  konden  raad  geven;  het  bleef 
bij  raad:  hij  deed  toch  wat  hij  wilde.  In  1692  moet  men,  zijn  er 
misslagen  begaan  in  de  leiding  van  den  oorlog,  deze  niet  wijten 
aan  onderbevelhebbers  van  Willem  III,  maar  aan  hem  zelven. 

Maar  had  de  Stadhouder  dus  niet  te  kampen  met  de  tegen- 
streving  van  onderbevelhebbers,  wél  werd  hij  tegengewerkt  door 
omstandigheden  waaraan  hij  niet  kon  verhelpen.  Het  gewone 
nadeel  van  een  verbonden  leger  had  men  ook  hier  weer,  name- 
lijk dat  het  lang  duurde  voordat  het  leger  voltallig  was;  men  ver- 
loor tijd  met  het  wachten  op  de  Brandenburgsche  troepen :  eerst 
den  6eo  Juni  sluiten  deze  zich  bij  het  hoofdleger  aan.  Men  trekt 
daarop  naar  de  Méhaigne;  maar  toen  men  daar  komt,  heeft  er 
weer  een  omstandigheid  plaats  waaraan  Willem  III  niets  heeft 
kunnen  doen:  slecht  weer,  zware  regens,  die  den  overtocht  van 
de  rivier  gedurende  eenige  dagen  ondoenlijk  maken. 

Maar  eindelijk  houdt  dat  slechte  weer,  houden  die  regens  op; 
de  Méhaigne  kan  nu  worden  overgetrokken,  —  en  nu  doet  men 
den  overtocht  niet.  Wij  gelooven,  dat  men  zeer  verstandig 
heeft  gehandeld  door  dien  overtocht  niet  te  doen. 

De  rivier  overgegaan  zijnde  zou  men  op  den  rechteroever,  tot 
aan  de  stelling  van  Luxembourg,  een  half  uur  gaans  verder,  eene 
open  vlakte  vmden,  zeer  geschikt  voor  de  werking  van  de  over- 
machtige  Fransche  ruiterij ;  dat  de  stelling  van  Luxembourg  door 
opgeworpen  veldwerken  meer  sterkte  had  verkregen,  wordt  ner- 
gens gezegd;  toch  was  zoo  iets  te  verwachten,  en  men  kon  er 
ten  minste  op  rekenen,  dat  gedurende  dat  oponthoud  van  eenige 
dagen,  de  vijandelijke  stelling  zoo  gunstig  mogelijk  zou  zijn  inge- 


Digitized  by 


Google 


l66  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

richt  voor  den  veldslag  dien  men  verwachtte ;  Luxembourg's 
leger  was^  zoo  niet  sterker,  ten  minste  even  zoo  sterk  als  dat  van 
Willem  III;  —  neemt  men  dat  alles  in  aanmerking,  is  het  dan 
zoo  onwaarschijnlijk  om  te  gelooven,  dat  de  aanval  van  de  bond- 
genooten  op  's  vijands  stelline  zou  zijn  mislukt,  en  zij  eene  neder- 
laag zouden  hebben  geleden  r  En  wat  zou  het  gevolg  zijn  geweest 
van  zulk  een  nederlaag,  onmiddellijk  vóór  de  Méhaigne,  en  vóór 
de  bruggen,  evenveel  défilés  vormende?  —  Men  behoeft  nog 
geen  groot  krijgskundige  te  zijn  om  die  vraag  te  beantwoorden. 
Willem  III,  van  den  frontaanval  afziende,  wil  daarop  om  Luxem- 
bourg's  linkervleugel  heen  gaan,  en  zoo  aan  de  zijde  van  de  Sambre 
tot  Namen  doordringen ;  maar  Luxembourg  volgt  die  beweging, 
en  plaatst  zich  telkens  tusschen  het  vijandelijke  leger  en  Namen ; 
hij  kiest  daarbij  telkens  zoo  sterke  stellingen,  dat  de  bondge- 
nooten  het  niet  wagen  hem  aan  te  vallen;  en  zoo  gaat  dat 
voort,  tot  aan  den  val  van  het  kasteel,  Namen's  laatste  bolwerk. 

Hierbij  moet  men  op  de  volgende  punten  letten:  vooreerst, 
dat  omtrekkingen,  en  marschen  in  het  algemeen  toen  zeer  moeie- 
lijk  en  omslachtig  waren;  de  toenmalige  legers  waren  niet  zeer 
beweegbaar;  het  manoeuvreeren  was  hun  zwakke  zijde.  Ten 
tweede :  dat  Luxembourg,  die  zich  op  den  binnencirkel  bewoog, 
altijd  kleiner  afstand  had  af  te  leggen  dan  Willem  III,  die  den 
buitencirkel  volgde.  En  ten  derde:  dat  het,  bij  de  toenmalige 
vechtwijze,  meestal  gemakkelijk  viel  om  eene  stelling  zulk  eene 
sterkte  te  geven,  dat  zij  moeielijk  of  niet  was  aan  te  vallen. 

Die  laatste  omstandigheid  vooral  geeft  een  eigenaardig  ken- 
merk aan  de  oorlogen  van  dien  tijd:  zeer  dikwijls  was  het  toen 
mogelijk  een  veldslag  te  ontwijken,  door  zich  te  plaatsen  in  eene 
stelling,  zóó  sterk,  dat  de  vijand  haar  niet  durfde  aanvallen.  Later 
is  dat  veranderd:  toen  de  infanterie  de  colonne-formatie  en  het 
tirailleur-ge vecht  had  aangenomen,  en  de  artillerie  te  velde  meer 
beweegbaar  en  talrijker  was  geworden,  werd  het  zeer  moeielijk 
om  onaanvalbare  stellingen  te  vinden,  waar  eene  mindere  macht 
rustig  eene  meerdere  kon  afwachten:  de  aanvaller,  met  zijn  veel 
meer  beweegbaar  leger,  viel  die  stelling  in  front  aan  of  omtrok 
haar  en  deed  flankaanvallen  of  sloot  haar  geheel  in. 

In  onze  dagen  echter  schijnt  dat  kenmerk  van  onaanvalbaar- 
heid  weer  aan  eene  stelling  gegeven  te  kunnen  worden,  —  wan- 
neer men  eenigen  tijd  heeft,  en  wanneer  men  slechts  zorgt  dat 
de  stelling  niet  geheel  wordt  ingesloten ;  tot  die  uitkomst  is  men 
vooral  gebracht  door  de  toepassing  van  de  veldverschansing  op 
de  taktiek  en  door  de  verbetering  van  de  vuurwapens,  iets,  ge- 
heel in  het  voordeel  van  den  verdediger.  De  Turken  —  waarlijk 
geen  overvliegers  in  krijgskunst,  maar  die  de  groote  krijgs- 
deugden  van  dapperheid  en  zelfverloochening  in  hooge  mate  bc- 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  167 

zitten  —  hebben  getoond  wat  cene  stelling  als  die  te  Plewna 
vermag;  hunne  groote  fout  is  geweest,  dat  zij  zich  te  Plewna 
hebben  laten  insluiten ;  want  om  dien  kring  van  insluiting  te  door- 
breken, zijn  zij  toen,  op  hunne  beurt,  aanvallers  moeten  worden 
op  de  goed  versterkte  stellingen  van  hunne  vijanden. 

Staatkundige  beweegredenen  kunnen  ook  hebben  medegewerkt 
om  Willem  lil  te  weerhouden  van  slag  te  leveren. 

Pas  was  de  overwinning  ter  zee,  bij  La  Hogue,  behaald;  de 
landing  van  koning  Jakobus  in  Engeland  was  daardoor  belet, 
een  opstand  in  Engeland  voorkomen,  de  troon  van  Willem  III 
meer  verzekerd ;  —  dit  waren  belangrijke  uitkomsten ;  maar  men 
had  geen  recht  er  op  te  rekenen,  dat  er  nu  voor  goed  eene  be- 
slissing was  verkregen,  en  dat  de  staatkundige  toestand,  door  de 
omwenteling  van  1688  geschapen,  voortaan  onaangevochten  zou 
blijven.  Integendeel ;  in  Groot-Britanje  woelde  nog  altijd  de 
Jakobitische  partij,  en  had  nog  geenszins  de  hoop  opgegeven 
om  den  overweldiger  —  200  noemde  zij  Willem  111  —  weer  van 
den  troon  te  stooten;  zij  rekende  nog  altijd  op  bijstand  uit 
Frankrijk,  daar  Tourville's  nederlaag  te  herstellen  was;  en  een 
geheele  ommekeer  van  zaken  in  Engeland  wachtte  misschien 
slechts  op  eene  groote  nederlaag,  door  Willem  III  in  de  Neder- 
landen geleden.  Het  is  zeer  zeker  dat  Heinsius,  en  anderen,  den 
toestand  van  zaken  toen  zóó  hebben  ingezien ;  en  evenzeer  staat 
het  vast  dat  zij  toen  aan  den  Stadhouder  den  raad  hebben  gegeven, 
geen  slag  te  leveren  en  zich  liever  het  kleinere  nadeel  van  het 
verlies  van  Namen  te  getroosten,  dan  zich  bloot  te  stellen  aan  het 
grootere  nadeel  van  eene  beslissende  nederlaag. 

Willem  111  heeft  dien  raad  gevolgd,  —  in  hem  nog  al  iets 
vreemds;  het  bewijst  echter,  dat  hij  zich  naar  de  omstandigheden 
wist  te  voegen,  en  dat  hij  wist  te  onderscheiden  tusschen  stout- 
heid en  roekeloosheid,  tusschen  volharding  en  het  hardnekkig 
doorzetten  van  eenmaal  ontworpen  plannen.  Het  niet  slag  leve- 
ren om  Namen  te  ontzetten,  is  in  1692  eene  verstandige  hande- 
ling geweest;  —  het  was  echter  volstrekt  geen  schitterende  hande- 
ling; en  het  lijdt  geen  twijfel,  dat  de  tijdgenooten  daarover 
ongunstig  hebben  geoordeeld,  en  dat  de  veldheersnaam  van 
Willem  lil  daardoor,  voor  het  oogenblik,  aan  luister  heeft  verloren. 


^ 


Digitized  by 


Google 


l68  KRIIGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

HOOFDSTUK  XXV. 

1692:    STEENKERKB. 

Denkelijk  heeft  Willem  III  gemeend,  dat  de  krenking,  door 
hem  ondervonden  met  het  verlies  van  Namen,  door  een  schitte- 
rend wapenfeit  moest  worden  hersteld;  denkelijk  heeft  die  mee- 
ning aanleiding  gegeven  tot  den  slag  van  Steenkerke,  het  tweede 
groote  wapenfeit  in  dezen  veldtocht  en  dat  wij  thans  zullen  be- 
schouwen. 

Den  3ea  juH  verliet  Lodewijk  XIV  het  leger,  na  den  dag  te 
voren  de  vestingwerken  van  het  veroverde  Namen  in  oogen- 
schouw  te  hebben  genomen;  over  Dinant  keerde  de  Fransche 
koning  met  kleine  dagreizen  naar  Versailles  terug;  in  die  hof- 
stad rustte  hij  uit  op  zijne  lauweren. 

Het  Fransche  leger  in  de  Nederlanden  onderging  toen  eenc 
vermindering,  —  zooals  dit  regel  was,  zoodra  de  Koning  ophield 
met  in  persoon  op  het  oorlogstooneel  tegenwoordig  te  zijn. 
Vooreerst  werd  van  het  leger  de  bezetting  afgenomen  voor 
Namen:  14  bitaljons  voetvolk,  i  regiment  ruiterij  en  i  regiment 
dragonders;  —  alles  onder  djn  generaal  Guiscard.  Dan  werd 
De  Coigny  met  eene  afdeeling  van  4  bataljons  en  41  eskadrons 
afgezonden  naar  de  Duitsche  grenzen,  naar  den  Rijn,  om  daar 
den  maarschalk  De  Lorge  te  versterken;  van  die  afdeeling  van 
Dd  Coigny  werden  echter  nog  2  regimenten  dragonders  afge- 
nomen, die  gevoegd  werden  bij  eene  kleine  legermacht  waarmede 
de  generaal  d'Harcoart  op  de  noordelijke  grens  van  het  Luxem- 
burgsche  bleef;  d'Harcourt  moest  dat  gewest  beschermen  tegen 
de  aanslagen  van  Flemming  en  Tserclaes,  die  toen,  met  de  Bran- 
denburgsche  en  Luiksche  troepen,  nabij  Hoey  stonden.  Na  aftrek 
van  deze  afdeelingen,  en  van  enkele  bataljons  die  de  bezettingen 
van  de  grensvestingen  versterkten,  bleef  Luxembourg  aan  het 
hoofd  van  een  leger  van  81  bataljons  en  214  eskadrons;  het 
leger  van  BoufHers,  dat  om  zoo  te  zeggen  met  dat  van  Luxem- 
bourg een  geheel  uitmaakte,  bestond  uit  19  bataljons  en  52 
eskadrons;  —  gezamenlijk  dus  100  bataljons  en  266  eskadrons; 
naar  schatting  dus  een  60000  man  voetvolk  en  een  40000  rui- 
ters, zoo  wat  een  100  000  man,  dus  een  leger  van  nog  aanzien- 
lijke sterkte.  Bovendien  waren  nog  18  eskadrons  bestemd  om  de 
liniën  te  bewaken,  die  Fransch  Vlaanderen  beschermden. 

Hoe  sterk  het  leger  van  Willem  III  toen  was,  is  niet  met 
juistheid    te    zeggen;    wij   hebben  het  vroeger  begroot   op   een 


Digitized  by  VjOOQIC 


STESNKERiCE.  169 

70030  man,  en  het  had  nog  geen  noemenswaarde  verliezen  ge- 
leden; maar  nu  beweert  Beaurain,  dat  het  binnenkort  versterkt 
zou  worden  door  8000  Hannoveranen ,  en  door  troepen  uit 
Engeland.  Die  Fransche  schrijver  zegt,  dat  de  getalsterkte  van 
de  bondgenooten  niet  kleiner  was  dan  die  van  de  Franschen; 
Luxembourg  —  voegt  hij  er  bij  —  »was  niet  in  staat  om  een 
beleg  te  ondernemen;  zijne  troepen  hadden  rust  noodig,  en  de 
ruiterij  had  veel  geleden  door  het  slechte  weêr  en  door  de 
schaarschte  van  het  paardevoêr.''  —  Dit  kan  zijn;  en  het  is  dus 
mogelijk  dat  onze  schatting  van  de  sterkte  van  het  Fransche 
leger  wat  te  hoog  is:  —  toch  hebben  wij  bij  die  schatting  het 
Fransche  bataljon  en  eskadron  iets  minder  genomen  dan  de 
normale  sterkte  van  6  k  700  infanteristen  en  van  160  ruiters. 
Het  waarschijnlijkste  is,  dat  de  wederzijdsche  legermachten,  in 
sterkte,  elkander  niet  veel  ontliepen;  wel  te  verstaan,  wanneer 
Willem  III  zijne  geheele  macht  bijeen  had;  en  dit  was  niet  het 
geval,  daar  de  Brandenburgsche  en  Luiksche  troepen  nabij  Hoey 
stonden,  tegenover  de  Fransche  afdeeling  van  d'Harcourt,  die 
niet  meegeteld  is  bij  de  sterkte  der  legers  van  Luxembourg  en 
Boufflers. 

Luxembourg,  die  zelf  geene  belegering  wilde  ondernemen,  had 
voornamelijk  tot  taak,  den  vijand  te  verhinderen  dit  te  doen; 
daarom  moest  hij  naar  de  zijde  van  Enghien  trekken,  eensdeels 
om  Brussel  in  onrust  te  houden,  en  anderdeels  om  spoedig  naar 
de  zeezijde  te  kunnen  trekken,  als  de  bondgenooten  aan  die 
zijde  Frankrijk  wilden  binnendringen. 

Den  2en  Juli  verliet  Luxembourg  zijne  legerplaats  ten  noorden 
van  de  Sambre,  ging  achter  die  rivier  terug,  en  plaatste  zich  op 
den  rechteroever  te  Saint-Gérard,  een  kleine  3  uur  ten  zuiden 
van  de  Sambre,  tusschen  Charleroi  en  Namen;  hier  bleef  hij 
eenige  dagen,  zoo  om  zijne  troepen  rust  te  gunnen,  als  om  den 
vijand  te  beletten  'sKonings  reis  naar  Versailles  te  storen.  Den 
6en  Juli  trok  Luxembourg,  in  westelijke  richting,  op  Thuin ;  ter- 
wijl, op  een  kleinen  dagmarsch  van  hem,  Boufflers  te  Florennes 
kwam.  Den  yen  ging  Luxembourg  weer  op  den  linkeroever  van 
de  Sambre  over,  en  sloeg  hij  zijn  kamp  op  nabij  die  rivier,  te 
Merbe-Ponerie,  een  uur  westelijk  van  Thuin;  Boufflers  kwam 
toen  nabij  Philippeville. 

Bij  Luxembourg's  infanterie  waren  er,  op  die  marschen,  een 
menigte  achterblijvers;  zoodat  de  Maarschalk,  om  hen  te  be- 
schermen, het  zelfs  noodig  oordeelde,  eene  afdeeling  af  te  zen- 
den naar  de  zijde  van  Charleroi,  om  de  vijandelijke  bezetting 
aldaar  te  beletten  iets  te  ondernemen  tegen  die  achterblijvers. 
De  vermoeienissen  bij  het  beleg  van  Namen  worden  opgegeven 
als  de  oorzaak  van  dien  slechten  toestand  waarin  de  Fransche 
infanterie  zich  toen  bevond. 


Digitized  by 


Google 


170  KKUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Luxembourg  was  genoodzaakt  den  8sten  Juli  in  zijne  leger- 
plaats bij  Merbe-Potterie  te  blijven^  omdat  hij  een  konvooi 
moest  afwachten  dat  te  water  van  Maubeuge  aankwam.  De  voe- 
ding van  de  legers  veroorzaakte  toen  veel  bezwaren,  en  belem- 
merde de  vrijheid  van  beweging.  Kwam  men  in  eene  landstreek 
waar  in  den  laatsten  tijd  geen  oorlog  was  gevoerd,  dan  kon  men 
daar  levensmiddelen  vinden  voor  het  leger ;  maar  bleef  het  leger 
daar  eenigen  tijd,  —  zooals  dikwijls  het  geval  was,  —  dan  was 
die  landstreek  spoedig  uitgeput,  en  dan  moesten  de  troepen  ge- 
voed worden  door  toevoer  van  elders.  Het  was  een  buitenkansje 
voor  een  legerhoofd,  als  hij  zijn  kamp  kon  opslaan  in  een  land- 
streek die  rijkelijk  leeftocht  en  paardevoêr  opbracht;  zoo  vindt 
men  vermeld,  dat  toen  Luxembourg  den  loen  Juli  te  Soignies 
aankwam,  hij  den  wensch  uitte  dat  de  bewegingen  van  de  bond- 
genooten  hem  vrijheid  zouden  laten  om  eenigen  tijd  in  die  vrucht- 
bare landouwe  te  blijven,  waar  vooral  zijn  ruiterij  goed  in  hare 
behoeften  kon  voorzien.  Wilde  men  met  het  leger  een  reeds 
kaal  gegeten  gewest  binnenrukken,  dan  moest  ten  minste  brood 
worden  meegevoerd  voor  de  troepen;  en  dan  hing  natuurlijk  de 
grootte  van  den  marsch  en  de  duur  van  het  verblijf  in  dat  gewest 
hoofdzakelijk  af  van  het  aantal  wagens  waarover  men  kon  be- 
schikken voor  dat  broodvervoer :  toen  Luxembourg  in  de  laatste 
helft  van  Juli  door  den  Koning  werd  aangespoord  om  voort  te 
rukken  op  Halle  ten  einde  den  bondgenooten  onrust  in  te  boe- 
zemen voor  Brussel,  moest  de  Fransche  veldheer  afzien  van  die 
handeling,  omdat  zijne  wagens  maar  voor  vier  dagen  brood 
konden  aanvoeren,  en  dus  zijn  verblijf  bij  Halle  niet  lang  ge- 
noeg kon  duren  om  den  vijand  bevreesd  te  maken  voor  een 
aanval  op  Brussel. 

Behalve  door  de  bezwaren  waarmede  de  voeding  van  de  troe- 
pen gepaard  ging,  werden  de  marschen  toenmaals  ook  zeer  be- 
moeilijkt door  den  toestand  van  de  wegen,  die  toen  in  zulk  een 
slechten  staat  waren  dat  men  zich  heden  ten  dage  daarvan  nauwe- 
lijks een  denkbeeld  kan  maken.  Den  loen  Juli  trekt  Luxembourg 
van  Ville-sur-Haisne,  —  zoo  wat  een  uur  ten  oosten  van  Mons  — 
in  noordelijke  richting  op  Soignies;  het  is  een  marsch  van  2  k 
3  uur  gaans,  meer  niet;  toch  bereikt  slechts  een  deel  van  het 
Fransche  leger  den  loen  het  kamp  westelijk  van  Soignies;  het 
overige  komt  daar  eerst  den  volgenden  dag.  De  zware  regen  die 
er  viel  —  wordt  gezegd  —  had  de  diep  ingezonken  wegen  ver- 
anderd in  ondoorkoorobare  waterpoelen. 

Wij  staan  stil  bij  deze  bijzonderheden,  om  daardoor  het  tra^e, 
flauwe,  gebrekkige  van  de  toenmalige  oorlogsvoering  eenigszins 
te  verklaren;  dat  gebrekkige  moet  niet  altijd  geweten  worden 
aan  gemis  aan  bekwaamheid  en  veerkracht  bij  den  veldheer: 
het  was  zeer  dikwijls  het  noodwendig  gevolg  van  de  samenstelling 


Digitized  by 


Google 


STEENKERKE.  I7I 

der  toenmalige  legers^  van  de  wijze  waarop  moest  worden  voor- 
zien in  hunne  voeding  en  verpleging,  en  van  de  eigenaardige 
gesteldheid  van  de  landstreek^  vooral  van  den  slechten  toestand 
der  landwegen.  Die  slechte  toestand  der  landwegen  had  ook  tot 
natuurlijk  gevolgd  dat  het  vrije  bezit  van  de  vaart  op  rivieren  en 
kanalen  toen  bij  het  oorlogvoeren  van  oneindig  meer  gewicht 
was  dan  in  onze  dagen. 

Luxembourg,  den  9cn  Juli  te  Ville-sur-Haisne  gekomen,  trok  den 
loen  op  Soignies,  waar  hij  het  overige  van  de  maand  bleef.  Wij 
hebben  reeds  gezien  dat  hiertoe  gedeeltelijk  besloten  werd  omdat 
de  landstreek  rondom  Soignies  goed  voorzag  in  de  voeding  van 
zijn  leger,  vooral  in  het  onderhoud  van  zijne  ruiterij;  maar  ge- 
deeltelijk werd  dit  standhouden  ook  teweeggebracht  door  de 
vrees  dat  de  tegenpartij  eene  poging  zou  doen  om  Namen  te 
hernemen.  Willem  III  had  na  de  overgave  van  die  vesting  stel- 
ling genomen  te  Genappe,  en  bleef  daar  geruimen  tijd  stand- 
houden; zijne  dreigende  nabijheid,  en  het  bijeenbrengen  te  Luik 
van  zwaar  geschut  en  van  andere  belegeringsmiddelen  uit  Hol- 
land, deden  aan  de  Fransche  zijde  de  vrees  ontstaan,  dat  de 
vijand  het  beleg  van  Namen  voorhad,  en  bewogen  Luxembourg 
de  bezetting  van  die  vesting  te  versterken  met  lo  bataljons  van 
Boufflers. 

Aan  den  anderen  kant  kregen  de  Fransche  bewindhebbers 
berichten  uit  Engeland,  dat  er  op  den  Theems  troepen  werden 
ingescheept,  die  bestemd  waren  om,  in  verband  met  afdeelingen 
van  het  leger  van  Willem  III,  Duinkerken  of  Calais  aan  te  val- 
len ;  op  's  Konings  last  zond  Luxembourg  daarom  het  regiment 
van  Guiche  naar  Duinkerken,  en  dat  van  Bourbon  naar  Calais. 

In  het  journaal  van  Huygens  wordt  ook  gewaagd  van  eene 
poging  der  bondgenooten  om,  in  het  begin  van  Juli,  Mons  te 
verrassen;  de  Fransche  schrijvers  zwijgen  daarover;  maar  wél 
gewagen  zij  van  de  vrees  die  er  toen  bestond,  dat  Willem  III 
de  liniën  wilde  aanvallen  die  Fransch  Vlaanderen  dekten. 

Toen  dan  ook  het  leger  van  de  bondgenooten  den  31  sten  Juli 
opbrak  in  noordwestelijke  richting,  en  over  Brainc-le-Leud  den 
isten  Augustus  te  Halle  de  Senne  overging,  en  zich  op  den  lin- 
keroever der  rivier,  onmiddellijk  ten  westen  van  Halle,  te  Lem- 
beek,  nedersloeg,  achtte  Luxembourg  het  noodig  die  beweging 
te  volgen,  en  den  istcn  Augustus  van  Soignies  op  Enghien  en 
Steenkerke  te  trekken.  De  beide  legers  waren,  te  Lembeek  en 
te  Steenkerke.  nog  geen  3  uur  gaans  van  elkander  verwijderd. 
Boufflers,  die  zich  om  Luxembourg  bewoog  als  een  wachter  om 


Digitized  by 


Google 


172  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

de  planeet,  kwam  toen  te  Manuy-Saint-Jean^  op  ongeveer  2^3  uur 
afstands  zuidwestelijk  van  Luxembourg's  legerplaats  te  Steenkerke. 

Maar  noch  Namen,  noch  Calais,  duinkerken  of  de  liniën  van 
Fransch  Vlaanderen  hielden  toen  Willem  III  bezig;  de  bedrei- 
ging van  die  liniën  en  vestingen  was  niets  anders  dan  een  schijn- 
vertooning,  ten  doel  hebbende  Luxembourg's  leger  te  verzwakken 
door  het  afzenden  van  troepen  naar  de  bedreigde  punten.  Het 
Fransche  leger  slag  leveren,  ziedaar  wat  de  Stadhouder  toen 
voorhad;  —  en  daar  waren  verschillende  redenen,  die  dit  slag 
leveren  toen  tot  eene  goede  en  verstandige  handeling  maakten. 

Het  was  aan  geen  twijfel  onderhevig  dat  het  niet  te  hulp 
komen  van  het  belegerde  Namen  een  indruk  had  gemaakt, 
nadeelig  voor  den  krijgsroem  van  Willem  III  en  voor  het  ver- 
trouwen dat  de  bondgenooten  in  hem  stelden ;  en  om  dien  indruk 
uit  te  wisschen  zou  niets  meer  dienstig  kunnen  zijn  dan  het  be- 
halen van  eene  overwinning  op  het  Fransche  leger;  daardoor 
zou  het  bewijs  worden  gegeven,  dat  dit  leger  niet  het  overwicht 
had  op  de  bondgenooten,  en  dat  het  niet  daaraan  was  toe  te 
schrijven  dat  men  geen  *  veldslag  had  geleverd  om  Namen  te 
redden.  Behaalde  men  eene  overwinning  op  Luxembourg,  dan 
kon  dit  groote  gevolgen  hebben:  want  het  jaargetijde  was  nog 
niet  zóó  ver  gevorderd,  of  men  kon  nog  zeer  goed  eene  be- 
langrijke vesting  van  den  vijand  belegeren,  of  zelfs  een  inval 
doen  in  Frankrijk;  maar  ook  zonder  die  gevolgen  zou  alleen 
reeds  de  zedelijke  indruk  van  de  behaalde  overwinning  een  groot 
voordeel  zijn. 

Maar  was  er  veel  kans  om  die  overwinning  te  behalen? 

Op  die  vraag  moet  het  antwoord  zijn:  zekerheid  van  de  over- 
winning te  behalen,  is  er  bij  een  veldslag  nooit;  wil  men  zonder 
die  zekerheid  geen  slag  leveren,  dan  levert  men  nooit  slag;  men 
kan  hier  alleen  van  waarschijnlijkheid  spreken;  en  verschillende 
omstandigheden  maakten  het  voor  Willem  III  waarschijnlijk,  dat 
hij  zijn  tegenstander  zou  slaan.  Veertien  jaar  vroeger,  in  1678, 
te  Saint-Denis,  had  de  Stadhouder  het  leger  van  Luxembourg 
geslagen,  dat  sterker  was  dan  het  zijne  en  in  eene  sterke  stelling 
stond;  in  1692  was  de  stelling  van  de  Franschen  bij  Enghien 
en  Steenkerke  niet  zoo  sterk  als  die  bij  Saint-Denis;  en  wat  de 
getalsterkte  aangaat,  —  met  volkomen  juistheid  kan  hiervan  niets 
worden  gezegd;  maar  denkelijk  was  het  leger  van  den  Stad- 
houder toen  niet  het  zwakste  van  de  twee,  vooral  daar  hij 
Luxembourg  op  zoo  beleidvolle  wijze  tot  verschillende  detachee- 
ringen had  uitgelokt.  Het  terrein  was  ook  gunstig  voor  Willem  III, 
want  in  en  vóór  de  stelling  van  Luxembourg  was  dat  terrein  be- 
dekt met  bosschen  en  houtgewas,  en  doorsneden  met  heggen; 
het  was  weinig  geschikt  voor  de  aanwending  van  ruiterij,  bijna 
alleen  voor  voetvolk;   en  Willem  III  oordeelde   met  recht  dat, 


Digitized  by 


Google 


STEENKBRKE.  173 

• 

mocht  zijne  ruiterij  soms  onderdoen  voor  de  Fransche,  zijne  uit- 
muntende infanterie  de  hunne  overtrof.  —  En  eindelijk,  daar 
was  een  bijzondere  omstandigheid,  die  aan  de  bondgenooten 
het  voordeel  der  verrassing  verschafte,  en  hen  in  staat  stelde 
om  Luxembourg  aan  te  vallen  vóór  dat  hij  zich  goed  had  kun- 
nen bereiden  tot  tegenwecr. 

De  keurvorst  van  Beieren,  de  landvoogd  van  de  Spaansche 
Nederlanden,  die  zich  bij  Willem  III  in  het  leger  der  bondge- 
nooten bevond,  had  in  zijn  gevolg  onder  anderen  een  Jacques 
Millevoix^  een  muzikant.  Die  Millevoix  had  zich  door  den  vijand 
laten  omkoopen  om  voor  spie  te  dienen,  en  stond  in  geregelde 
briefwisseling  met  Luxembourg,  aan  wien  hij  mededeelde  wat  er 
voorviel  in  het  leger  van  de  bondgenooten-,  —  verraderlijke  ver- 
standhoudingen van  dien  aard  behoorden  toen  niet  tot  de  zeld- 
zaamheden;  in  ónzen  tijd  komen  zij  minder  voor.  —  Een  brief 
van  Millevoix  aan  den  Franschen  veldheer  werd  onderschept, 
en  maakte  zijne  misdadige  handeling  kenbaar;  de  schuldige,  ge- 
grepen, verhoord,  overtuigd  van  het  misdrijf,  werd  veroordeeld 
om  levend  geradbraakt  te  worden;  de  rampzalige  deinsde  terug 
voor  zoo  wreed  een  dood;  en  om  den  zachteren  dood  met  den 
strop  te  sterven,  stemde  hij  er  in  toe,  een  briefje  aan  Luxem- 
bourg te  schrijven,  waarin  gemeld  werd,  dat  de  bondgenooten 
op  den  3^0  Augustus  eene  groote  fourageering  zouden  doen, 
en  daartoe  sterke  troepen afdeelingen  van  hen  naar  de  zijde  van 
het  Fransche  leger  zouden  trekken.  Dit  briefje  werd  Luxembourg 
in  handen  gespeeld  en  had  het  natuurlijk  gevolg,  dat  hij  er  aan- 
vankelijk in  het  geheel  geen  acht  op  sloeg,  toen  men  hem  in  den 
ochtend  van  den  3en  Augustus  kwam  berichten,  dat  sterke  vijan- 
delijke afdeelingen  het  Fransche  leger  naderden :  hij  wist  dat  dit 
geen  aanval  ten  doel  had,  maar  alleen  geschiedde  om  de  foura- 
geering te  dekken.  —  Den  6cn  Augustus  werd  Millevoix  opge- 
hangen; —  vreemd,  dat  men  in  het  journaal  van  Huygens  niets 
vindt  van  die  terechtstelling ;  dit  hoorde  daar  anders  juist  Ie  huis. 

Alvorens  over  te  gaan  tot  het  verhaal  van  den  slag  van  Steen- 
kerke,  is  eene  korte  terreinbeschrijving  hier  noodig. 

Het  riviertje  de  Senne,  in  noordelijke  richting  stroomende, 
heeft  op  zijn  linkeroever  het  dorp  Steenkerke,  waar  zich  eene 
beek,  van  Braine-le-Comte  komende,  op  den  rechteroever  in  het 
riviertje  werpt.  De  Senne  stroomt  vervolgens,  kronkelend  maar 
over  het  geheel  in  noordoostelijke  richting,  naar  de  stad  Halle; 
Halle  is  ongeveer  3  uur  gaans  van  Steenkerke  verwijderd;  en 
ongeveer  ten  noorden  van  Steenkerke  —  iets  westelijk  —  heeft 
men,  op  bijna  i\  uur  afstands,  het  stadje  Enghien.  Trekt  men 
nu  rechte   lijnen   van   Enghien   naar  Steenkerke  en  naar  Halle, 


Digitized  by 


Google 


174  KRTJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

t 

dan  maken  die  t^ee  lijnen  mét  den  loop  van  de  Senne  tusschen 
Steenkerke  en  Halle,  in  ruimen  zin  de  grenzen  uit  van  het  slag- 
veld van  den  3en  Augustus  1692.  In  ruimen  zin:  wij  bedoelen 
daarmee,  dat  er  buiten  dien  driehoek  —  laten  wij  gemakshalve 
de  Senne  beschouwen  als  een  rechte  lijn  —  toen  niet  is  gevoch- 
ten; en  binnen  dien  driehoek  slechts  op  een  gedeelte. 

Het  algemeene  karakter  van  dit  slagveld  was  bedekt  en  door- 
sneden terrein;  >als  ik  hier  spreek  van  vlakten,"  —  zegt 
Luxembourg  in  zijn  verslag  aan  den  Koning,  —  »dan  moet 
Uwe  Majesteit  zich  voorstellen,  dat  ik  spreek  van  een  grond 
die  geen  bosch  is,  maar  overigens  zoo  doorsneden  met  heggen 
en  slooten,  dat  daar  doorgangen  moeten  worden  gemaakt,  willen 
de  troepen  er  zich  goed  bewegen."  Vooral  op  een  groot  half 
uur  oostelijk  van  Enghien  had  men  groote  bosschen,  die  van 
Tirou,  en  andere:  maar  ook  kleine  bosschen  waren  verspreid 
over  het  geheele  slagveld.  De  grond  was  meestal  golvend  en 
heuvelachtig;  er  wordt  gesproken  van  > hoogten"  ;  het  blijkt 
echter  niet  dat  die  hoogten  zóó  aanmerkelijk  waren,  of  zóó  steile 
hellingen  hadden,  dat  zij  daardoor  een  aanvaller  bijna  onover- 
komelijke bezwaren  in  den  weg  legden.  De  landstreek  was  zeer 
bebouwd;  men  had  er  eene  menigte  hoeven,  molens,  kasteelen, 
dorpen;  en  behalve  de  niet  menigvuldige  landwegen  had  men 
nog  een  ouden  steenweg,  denkelijk  een  Romeinschen  weg,  maar 
die  den  naam  droeg  van  ^Chaussée  de  Brunehauf^\  —  zooals  in 
deze  streken  nog  veel  wegen  genoemd  worden  naar  Brunehilde, 
de  Frankische  vorstin,  die  aan  een  wild  paard  werd  vastgebon- 
den en  zóó  den  dood  vond.  Die  oude  Romeinsche  weg,  van  het 
noorden  naar  het  zuiden  gaande,  liep  tusschen  Enghien  en  de 
bosschen  van  Tirou;  een  half  uur  ten  zuiden  van  die  bosschen 
had  men,  oostelijk  van  dien  weg,  het  kasteel  van  Waret,  en  wes- 
telijk het  kasteel  van  Hoves;  —  die  beide  kasteelen  worden  hier 
genoemd,  omdat  Hoves  het  hoofdkwartier  is  geweest  van  Luxem- 
bourg; en  het  kasteel  van  Waret,  mét  het  dorp  Steenkerke  — 
zoo  wat  een  afstand  van  een  half  uur  gaans  —  de  uiteinden  van 
de  5trijdplaats  hebben  uitgemaakt.  De  kleine  beken  die  op  dit 
slagveld  voorkomen,  zijn  geheel  onbeduidend  en  behoeven  dus 
niet  vermeld  te  worden;  ook  de  Senne  was  een  kleine  rivier,  en 
had,  in  de  ruimte  tusschen  Steenkerke  en  Halle,  vele  bruggen. 
Halle  en  Enghien  waren  ommuurde  steden;  Enghien  had  aan 
de  zuidoostzijde  een  groot  park,  uitgebreider  dan  de  stad  zelve, 
wij  behoeven  ons  echter  niet  op  te  houden  bij  den  toestand  van 
dat  park  en  van  die  beide  steden,  daar  op  die  punten  niet  is  ge- 
vochten; en  om  dezelfde  reden  behoeven  wij  ook  niet  in  bijzoiv 
derheden  te  treden  aangaande  Steenkerke  en  andere  dorpen. 

Op  dit  terrein  nu  hadden,  op  den  avond  van  den  2en  Augus- 
tus, de  wederzijdsche  legers  de  volgende  stellingen: 


Digitized  by 


Google 


STEENKERKE.  175 

Beide  legers  kampeerden,  —  dat  staat  op  den  voorgrond.  Het 
kamp  van  Willem  III  breidde  zich  uit  over  eenc  uitgestrektheid 
van  een  anderhalf  uur  gaans,  westelijk  om  de  stad  Halle;  de 
linkervleugel  van  het  kamp  was  nabij  het  aan  de  Senne  gelegen 
Tubise;  het  hoofdkwartier  van  den  Stadhouder  was  te  Lem- 
beek,  achter  het  midden  van  het  kamp,  aan  de  Senne  en  na- 
genoeg halfweg  tusschen  Halle  en  Tubise.  Het  is  onnoodig  om 
verder  uit  te  weiden  over  de  inrichting  van  het  kamp  of  over 
het  terrein  in  den  omtrek,  dewijl  de  strijd  niet  dddr  heeft  plaats 
gehad. 

Het  kamp  van  Luxembourg  had  een  uitgestrektheid  van  onge- 
veer twee  uur  gaans;  de  rechtervleugel  sloot  te  Steenkerke  aan  de 
Senne,  en  breidde  zich  uit  naar  de  zijde  van  het  kasteel  van  Hoves, 
een  eenigszins  inspringend  punt,  van  daar  liep  het  kamp  in  noor- 
delijke richting,  geheel  in  de  nabijheid  en  westelijk  van  Enghien, 
en  bleef  in  die  richting  voortgaan  tot  meer  dan  een  half  uur  gaans 
voorbij  die  stad;  het  linker  uiteinde  van  het  kamp  sloot  aan  een 
paar  dorpen;  en  achter  den  linkervleugel  kampeerde  nog  eene 
kleine  afdeeling,  een  zoogenaamde  reserve.  Enghien  was  bezet 
door  eene  brigade  voetvolk  van  4  bataljons;  en  vóór  den  uiter- 
sten rechtervleugel,  bij  Steenkerke,  kampeerden,  op  eene  hoogte, 
de  infanterie-brigade  Bourbonnois  en  4  regimenten  dragonders, 
die  hier  als  infanterie  dienst  deden;  op  die  hoogte  stonden  ook 
3  batterijen  artillerie.  De  veiligheidsdienst  werd  waargenomen  door 
veldwachten  die  in  het  geheel  1050  man  infanterie  sterk  waren. 
In  onzen  tijd  zou  men  het  vreemd  vinden,  dat  die  veldwachten 
haast  evenzeer  in  den  rug  als  in  het  front  van  het  Fransche 
legerkamp  waren ;  in  die  dagen  moest  een  leger  te  velde  niet  minder 
maatregelen  nemen  tegen  desertie  en  maraudeeren  dan  tegen 
eene  overvalling  van  de  zijde  des  vijands.  Tegen  die  overvalling 
konden  dienen :  drie  veldwachten,  aan  de  Senne  geplaatst,  bij  de 
dorpen  Steenkerke,  Rebeeck  en  Quenaste,  —  het  laatste  dorp 
is  een  groot  uur  gaans  van  Steenkerke ;  eene  sterke  veldwacht  — 
130  man  —  bij  het  gehucht  Ie  Petit  Enghien^  een  half  uur  gaans 
ten  oosten  van  de  stad  Enghien,  en  eene  veldwacht  bij  den  molen 
van  Haute  Croix  —  of  Aucroi>c  —  een  half  uur  gaans  oostelijk 
van  den  uitersten  linkervleugel  van  het  Fransche  legerkamp. 

Die  verschillende  veldwachten  waren  op  groote  afstanden  van 
elkander,  stonden  niet  onderling  in  verband,  en  konden,  op  dit 
boschachtige  terrein  moeielijk  eene  bedekte  nadering  van  vijan- 
delijke afdeelingen  verhinderen ;  vooral  was  dit  moeielijk  wat  be- 
treft het  terrein  tusschen  de  Senne  en  de  bosschen  van  Tirou, 
—  de  grond  waar  men  's  vijands  nadering  het  meest  had  te  wachten. 
Om  eenigszins  te  voorzien  in  dit  gebrek,  werden  cavalerie-patrouilles 
afgezonden  in  de  richting  van  Halle,  tot  aan  het  dorp  Sainte-Re* 
nelle,  op  nog  bijna  anderhalf  uur  van  die  stad ;  daar  die  patrouilles 


Digitized  by 


Google 


I'/Ó  KRiJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

echter  slechts  weinig  schijnen  te  zijn  uitgezonden,  baatte  dit  veilig- 
heidsmiddel  niet  veel. 

Over  de  plaatsing  van  de  Fransche  artillerie  bestaat  ecnige 
onzekerheid ;  op  het  slagplan  bij  Beaurain  komt  zij  voor,  achter 
het  midden  van  het  kamp;  maar,  wanneer  was  zij  öéAr  ge- 
komen? —  Die  artillerie,  40  vuurmonden  sterk,  was  aanvanke- 
lijk te  Mons  geweest,  dus  afgescheiden  van  het  leger;  den  len 
Augustus  was  zij  —  volgens  Beaurain  —  weer  daarbij  aangetrok- 
ken; maar  Luxembourg's  verslag  aan  den  Koning  over  den  slag 
van  Steenkerke  zou  doen  twijfelen  aan  die  opgave  van  Beaurain; 
want  in  dat  verslag  wordt  gezegd:  >il  y  avoit  longtemps  que  les 
ennemis  nous  canonnoient  avant  que  Taction  commen^it,  sans 
que  Ie  canon  de  Votre  Majesté  püt  répondre,  parce  qu'il  n'éioit 
pas  encore  arrivé.  11  vint  bientót  apiès.*'  —  Dat  bientót  rijmt 
wel  niet  heel  juist  met  het  vroegere  longtemps.  —  Nu  is  het  wel 
mogelijk  dat  men  Luxembourg's  woorden  in  dezen  zin  moet 
verstaan:  niet  dat  de  Fransche  artillerie  toen  nog  niet  was  aan- 
gekomen van  Mons,  maar  dat  zij  nog  niet  was  aangekomen  van 
het  kamp.  Zooveel  is  zeker  dat  èn  bij  Luxembourg,  èn  bij  Wil- 
lem III  de  artillerie  heeft  deelgenomen  aan  den  slag  van  Steenkerke; 
zoodat,  wat  in  >  Decker 's  taktiek"  voorkomt  over  het  wegblijven 
van  die  artillerie  van  het  slagveld,  geheel  en  al  ongegrond  is. 

Over  de  sterkte  van  Luxembourg's  leger  ontbreekt  het  aan 
gegevens,  wat  de  ruiterij  betreft;  —  trouwens,  dit  doet  minder 
af,  daar  dit  wapen  te  Steenkerke  weinig  heeft  verricht.  Wat  het 
Fransche  voetvolk  betreft  wordt n  bij  Beaurain  genoemd  75  ba- 
taljons, behalve  7  regimenten  dragonders,  die  als  voetvolk  zijn 
opgetreden ;  van  die  75  bataljons  hebben  er,  zeker,  54  deelge- 
nomen aan  den  strijd;  van  de  21  andere  is  dit  onzeker.  Aan  het 
leger  van  Boufflers  wordt,  in  ééne  opgave,  eene  sterkte  toege- 
schreven van  een  20  000  man ;  maar  dii  leger  was  op  een  2  S  3 
uur  afstands  van  het  leger  van  Luxembourg;  de  ruiterij  en  de 
dragonders  van  Boufflers  hebben  deelgenomen  aan  den  slag  van 
Steenkerke;  van  zijne  infanterie  kan  dit  niet  met  zekerheid  worden 
gezegd;  zelfs  is  het  waarschijnlijk  dat  die  infanterie  het  slagveld 
eerst  na  den  strijd  heeft  bereikt.  Men  zal  niet  ver  van  de  waar- 
heid zijn  als  men  aanneemt,  dat,  aan  voetvolk  en  dragonders^ 
aan  de  Fransche  zijde  een  50  h.  60  000  man  op  het  slagveld  zijn 
verschenen,  en  dat  daarvan  minstens  een  40000  man  aan  den 
strijd  hebben  deelgenomen. 

Vindt  men  in  die  opgaven  aangaande  het  Fransche  leger  nog 
veel  duisters  en  onbepaalds,  niet  minder  is  dit  het  geval  wat  be- 
treft het  leger  van  Willem  III;  wat  echter  bekend  is  over  de 
aanvankelijke  beschikkingen,  door  den  Stadhouder  genomen  voor 
den  aanval  op  het  Fransche  leger,  getuigt  onwedersprekelijk  voor 
zijn  goed  beleid  als  veldheer. 


Digitized  by 


Google 


STKENKERKE.  I77 

Om  te  beletten  dat  de  vijand  bericht  kreeg  van  de  toebereid- 
selen  tot  den  aanval,  liet  Willem  III  in  den  avond  van  den  2«n 
Augustus  het  legerkamp  van  de  bondgenooten  nauwlettend  be- 
waken, zoodat  niemand  het  kon  verlaten.  Aan  de  infanterie  en 
aan  de  dragonders  werden  kruit  en  kogels  uitgedeeld;  —  dit 
was  toen  het  gebruik,  als  men  een  gevecht  voorzag;  in  den 
regel  was  de  soldaat  niet  voorzien  van  munitie,  —  denkelijk 
omdat  men  vreesde  dat  hij  er  een  slecht  gebruik  van  zou  maken. 
Het  leger  moest  in  drie  colonnes  uit  het  kamp  opbreken;  aan 
het  hoofd  van  elke  colonne  was  eene  afdeeling  van  400  werkers, 
bestemd  om  openingen  te  maken  in  de  heggen,  en  overgangen 
over  de  slooten ;  en  aan  elk  regiment  voetvolk  werden  24  pioniers- 
gereedschappen uitgegeven.  De  generaals,  die  de  colonnes  aan- 
voerden, ontvingen,  mét  de  opgave  van  de  troepen  die  onder 
hunne  bevelen  werden  gesteld,  tevens  de  aanwijzing  van  de  pun- 
ten waarheen  zij  den  marsch  moesten  richten;  zij  hadden  tot 
last  om,  zoodra  zij  nabij  den  vijand  waren  gekomen,  die  stel- 
lingen te  bezetten  die  hun  het  voordeeligst  zouden  voorkomen, 
zonder  zich  in  het  minst  om  de  slagorde  te  bekreunen. 

Die  beschikkingen,  die  men  grootendeels  kan  vinden  bij  De 
Quincy,  getuigen  van  verstand  en  van  krijgsbeleid.  De  opmarsch  uit 
het  kamp  naar  den  vijand  in  drie  colonnes,  berust  op  wat  men 
ziet  op  het  slagplan  bij  Beaurain ;  in  een  paar  opgaven  van  ónze 
zijde  wordt  van  slechts  twee  colonnes  gesproken;  maar  daarin 
wordt  ook  gewaagd  van  eene  voorhoede  onder  den  hertog 
van  Wurtemberg,  en  dit  kan  dan  de  derde  colonne  zijn  geweest; 
volgens  aanteekeningen,  door  den  hoogleeraar  Muller  in  Waldeck's 
papieren  gevonden,  zou  het  leger  van  Willem  III  toen  ingedeeld 
zijn  geweest  in  eene  voorhoede,  drie  legerkorpsen,  en  boven- 
dien nog  eene  kleine  reserve  aan  ruiterij.  Beaurain  stelt  de  geheele 
sterkte  van  het  leger  der  bondgenooten  —  op  het  slagveld  — 
op  61  bataljons  en  117  eskadrons;  het  is  moeielijk,  zich  te 
vergewissen  aangaande  de  nauwkeurigheid  van  die  opgave,  wat 
betreft  de  ruiterij;  dit  doet  echter  ook  weinig  af,  daar  dit  wapen 
slechts  een  ondergeschikte  rol  heeft  gespeeld  bij  dien  slag  van 
Steenkerke.  Ten  aanzien  van  het  voetvolk  komt  Beauram's  opgave 
vrij  wel  overeen  met  de  lËuropische  Mercurius",  die  de  verlie- 
zen opgeeft  van  58  bataljons  van  ons;  die  opgave  is  echter  weer 
geheel  in  strijd  met  wat  een  berichtgever  in  de  >Europische  Mer- 
curius"  zegt,  dat  te  Steenkerke  slechts  25  of  26  bataljons  van  ons 
slaags  zijn  geweest  met  meer  dan  48  Fransche  bataljons,  niet 
gerekend  de  Fransche  dragonders. 

Het  is  geen  zeldzaamheid  dat  de  geschiedschrijvers,  bij  het 
verhaal  van  groote  gebeurtenissen,  alle  eenstemmigheid  missen, 
en  elkander  geheel  tegenspreken;  dit  is  dan  ook  het  gevai  met 
Steenkerke;  houdt  men  zich  voor  dien  veldslag  uitsluitend  aan 

WILLEM  III.  —  III.  12 

Digitized  by  VjOOQIC 


178  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

één  schrijver,  en  laat  men  de  andere  buiten  aanmerking,  dan 
kan  men  zooveel  verschillende  voorstellingen  geven  van  dien 
veldslag,  ab  er  verschillende  schrijvers  zijn.  Dit  is  niet  de  goede 
wijze  om  tot  de  kennis  der  waarheid  te  komen;  daartoe  wordt 
veeleer  vereischt  dat  men  zich  aan  geen  enkelen  schrijver  onvoor- 
waardelijk bindt,  maar  de  verschillende  schrijvers  leest,  ver- 
gelijkt, onderling  toetst  en  zich  daardoor  een  beeld  vormt  van 
den  waarschijnlijken  loop  van  zaken.  Ddt  hebben  wij  trachten 
te  doen  met  betrekking  tot  dien  veldslag  van  Steenkerke,  en 
natuurlijk  daarbij  vooral  ook  geraadpleegd  Dr.  P.  L.  Müller's  werk 
y^JVilhelm  lil  von  Oranten  und  Georg  Friedrich  von  ff^aldeck^\  een 
werk  waarvan  de  kennis  onmisbaar  is  voor  wie  zich  bezighoudt 
met  de  studie  der  veldtochten  van  Willem  IIL 

In  dat  werk  van  Dr.  P.  L.  Muller  komen  opgaven  voor,  ont- 
leend aan  Waldeck*s  nagelaten  papieren  over  den  slag  van  Steen- 
kerke. Die  opgaven  zouden  zeer  groote  waarde  hebben,  wanneer 
zij  meer  duidelijk  en  meer  betrouwbaar  waren;  —  toch  is  het 
noodig  hier  enkele  bijzonderheden  daaruit  over  te  nemen. 

Volgens  Muller  zou  Willem  III,  bij  zijn  aanval  op  Luxembourg, 
in  werking  hebben  gebracht:  57  bataljons  voetvolk,  77  eska- 
drons ruiters,  22  eskadrons  dragonders,  24  stukken  zwaar  geschut 
en  36  regiments-kanonnen;  dit  zouden  Ëngelsche  troepen,  en 
troepen  van  de  Republiek  zijn  geweest;  terwijl  de  Spaansche, 
Beiersche,  Brandenburgsche  en  Hannoveraansche  troepen  »te  Lem- 
beek  schijnen  te  zijn  gebleven,  waarschijnlijk  om  Brussel  te  dek- 
ken tegen  Boufflers"  (Muller,  2«  deel,  blz.  98 — 99). 

Duidelijk  en  betrouwbaar  is  dit  niet:  waarom  moesten  er  troe- 
pen te  Lembeek  blijven,  om  Brussel  te  dekken  tegen  Boufflers? 
—  Boufflers  stond  2  II  3  uur  gaans  ten  zuidwesten  van  het 
kamp  van  Luxembourg^  en  zou,  wilde  hij  op  Brussel  trekken, 
zijn  weg  niet  nemen  over  Lembeek;  veeleer  was  dit  te  wachten 
van  Luxembourg,  wien  men  te  gemoet  trok.  Bovendien :  was  er 
toen  wel  noemenswaardige  macht  aan  Spanjaarden,  Beierschen, 
Brandenburgers  en  Hannoveranen  bij  het  leger  van  Willem  III? 
De  Brandenburgers  stonden,  met  de  Luiksche  troepen,  bij  Hoey, 
en  werden  daar  beziggehouden  door  de  Fransche  macht  van 
d'Harcourt. 

Eene  voorhoede,  en  drie  legerkorpsen,  was  —  volgens  Muller  — 
de  indeeling  van  het  leger  der  bondgenooten,  bij  den  aanval  op 
Luxembourg.  De  voorhoede,  onder  den  hertog  van  Wurtemberg, 
had  10  bataljons  voetvolk,  300  ruiters,  6  zware  kanonnen  en  800 
werkers:  de  drie  legerkorpsen  bestonden  evenzoo  uit  de  drie 
wapens,  maar  van  werkers  wordt  hier  geen  gewag  gemaakt,  het 
I*  legerkorps  werd  aangevoerd  door  Nassau-Sarbruck,  het  2*  door 
den  stadhouder  van  Friesland,  het  3*  door  Solms.  Bovendien  was 
er  nog  eene  reserve  ruiterij  van  17  eskadrons. 


Digitized  by 


Google 


STEENKERKS.  I79 

Of  men  nu  deze  opgave  geheel  mag  betrouwen,  is  onzeker. 
De  indeeling  die  zij  vermeldt,  stemt  niet  geheel  overeen  met  de 
opgave  van  de  verliezen  aan  dooden  en  gewonden,  —  eene  opgave 
die  trouwens  zeer  onvolledig  is.  Ook  is  het  niet  waarschijnlijk, 
dat  alleen  de  voorhoede  werkers  bij  zich  heeft  gehad,  en  de 
andere  colonnes  niet. 

De  vorming  van  zelfstandige  legerkorpsen,  uit  de  drie  wapens 
samengesteld,  is  als  een  vaste  formatie  aangenomen,  een  eeuw 
later,  né,  1789,  door  de  legers  van  de  Fransche  Republiek;  hier 
bij  Steenkerke,  schijnt  zij  slechts  voor  het  oogenblik  te  hebben 
gediend,  en  niet  blijvend  te  zijn  geworden :  gewoonlijk  bleef  men 
zich  houden  aan  de  indeeling  in  rechter-  en  linkervleugel,  voet- 
volk en  ruiterij  beide  op  twee  liniën,  het  voetvolk  in  het  midden, 
de  ruiterij  op  de  beide  vleugels. 

Den  3en  Augustus,  met  het  krieken  van  den  dageraad,  stelde 
Willem  III  zijn  leger  in  beweging,  en  kwam  daarmee  om  negen 
uur  *s  ochtends  in  slagorde  op  een  eenigszins  open  terrein,  noor- 
delijk van  het  dorp  Rebeeck.  De  voorhoede  der  bondgenooten, 
onder  den  hertog  van  Wurtemberg,  had  intusschen  den  marsch 
voortgezet,  en  kwam  aan  eene  boschrijke  hoogte,  onmiddellijk 
vóór  de  hoogte  op  den  uitersten  rechtervleugel  der  Franschen, 
die  bezet  was  door  de  brigade  Bourbonnois  en  de  4  regimenten 
dragonders;  de  beide  hoogten  waren  gescheiden  door  een  smal 
ravijn.  Willem  III,  die  ouder  gewoonte  geheel  vooraan  was,  ge- 
lastte aan  den  hertog  van  Wurtemberg  om  op  die  onbezette 
hoogte  de  voorhoede  te  plaatsen,  dddr  geschut  te  brengen,  en 
door  kanonvuur  op  de  brigade  Bourbonnois  en  de  Fransche 
dragonders  den  aanval  voor  te  bereiden  op  de  vijandelijke  stel- 
ling. Bij  die  voorhoede  —  uit  Denen,  Engelschen  en  Neder- 
landers bestaande,  —  had  zich  de  generaal  Fagel  aangesloten 
met  7  bataljons  van  de  Republiek;  zoodat  toen  17  bataljons  op 
dit  punt  waren  vereenigd.  De  Hollandsche  artillerie  kwam  —  vol- 
gens Dijkvelt  —  om  tien  uur  bij  de  voorhoede  aan,  en  opende 
toen  haar  vuur  op  de  tegenoverliggende  hoogte,  door  de  Fran- 
schen bezet;  andere  opgaven  zeggen,  dat  dit  kanonvuur  » vóór 
elf  uur"  begon.  Als  men  in  aanmerking  neemt,  hoe  weinig  marsch- 
vaardig  de  troepen  toen  waren  en  hoe  weinig  beweegbaar  het 
geschut,  dan  moest  men  tevreden  zijn,  dat  men  over  zoo  moeielijk 
terrein  in  zoo  korten  tijd  'svijands  stelling  had  bereikt.  Tegelijk 
met  dat  geschutvuur  begon  men  te  ischermutseeren";  wij  ge- 
looven  dat  men  onder  dit  woord  moet  verstaan  een  vuurgevecht 
met  kleine  afdeelingen  voetvolk. 

Dit  alles  was,  zooals  van  zelf  spreekt,  niet  zoo  onbemerkt 
voorgevallen,  of  Luxembourg  had  er  bericht  van  gekregen;  maar 
langen  tijd   bleef  hij   in  den  waan,  dat  het  Willem  III  niet  te 


Digitized  by 


Google 


l8o  KRU6S-  KN  GBSCHIBDKUNDIGB  BESCHOUWINGEN. 

doen  was  om  slag  te  leveren,  maar  alleen  om  een  groote  foura- 
geering  te  verrichten  —  zooals  de  spion  had  meegedeeld;  —  of 
om  een  marsch  op  Ninove  te  doen,  ten  einde  Vlaanderen  te 
bereiken.  £en  ruiter-patrouille,  die  naar  Tubise  was  gezonden, 
had  in  den  vroegen  ochtend  het  kamp  van  de  bondgenooten 
zien  opbreken,  zonder  dat  er  trom  of  trompet  werd  geroerd; 
daarvan  werd  bericht  gezonden  aan  Luxembourg,  die  daarop 
echter  geen  acht  sloeg.  Een  tweede  bericht  van  die  patrouille 
hield  in,  dat  eene  sterke  vijandelijke  macht,  waarbij  ook  geschut 
was,  in  de  richting  van  Sainte-Renelle  trok;  een  derde  bericht, 
dat  de  vijand,  Sainte-Renelle  rechts  latende,  naar  de  zijde  van 
Steenkerke  en  van  de  Senne  trok;  —  al  die  berichten  werden 
door  den  Franschen  veldheer  verklaard  door  's  vijands  voornemen 
om  de  aangekondigde  groote  fourageering  te  dekken ;  en  hij  werd 
in  die  meening  versterkt  toen  er  van  den  linkervleugel,  van  de 
veldwacht  bij  den  rooien  van  Uaute-Croix,  bericht  inkwam,  dat 
men  daar  in  de  nabijheid  vijandelijke  ruiterij  in  slagorde  had 
zien  komen,  waarvan  eenige  manschappen  het  te  veld  staande 
gewas  waren  begonnen  te  maaien.  Het  was  dus  eene  fourageering, 
—  zoo  oordeelde  Luxembourg;  —  van  een  veldslag  was  geen 
sprake. 

Maar  toen  nu,  tusschen  tien  en  elf  uur  's  ochtends,  het  kanon- 
vuur begon  te  bulderen,  moest  de  Fransche  veldheer  wel  inzien 
dat  hij  zich  had  bedrogen,  en  dat  een  ernstige  strijd  met  zijn 
geduchten  tegenstander  na  op  handen  was.  Luxembourg,  in  zekeren 
zin  verrast  en  overvallen,  was  de  man  niet  om  lang  weifelend 
en  onzeker  te  blijven  omtrent  wat  hij  te  doen  had;  met  die  vaar- 
digheid van  besluit,  die  een  der  voornaamste  eigenschappen  is 
van  een  bekwaam  veldheer,  zond  hij  de  bevelen  af,  om  het  leger 
onder  de  wapens  te  doen  komen^  en  de  meest  nabijzijnde  afdee- 
lingen  onverwijld  te  doen  trekken  op  Steenkerke,  waar  's  vijands 
aanval  het  eerst  dreigde.  Luxembourg  was  bij  dat  dorp,  toen  hij 
die  bevelen  uitvaardigde;  en  er  verliep  dus  een  geruime  tijd 
voordat  het  geheele  leger  die  bevelen  ontving,  daar  de  uiterste 
linkervleugel  toen  ongeveer  2  uur  gaans  verwijderd  was  van  den 
veldheer;  voeg  daarbij  de  mindere  beweegbaarheid  der  troepen 
van  dien  tijd,  en  het  zal  duidelijk  zijn,  dat  er  uren  moesten 
verloopen  alvorens  het  Fransche  leger  eenigszins  was  samenge- 
trokken. 

Het  schijnt  echter  dat  Luxembourg,  hier,  bij  deze  gelegenheid, 
uitmuntend  ondersteund  werd  door  zijne  onderbevelhebbers,  die 
vol  ijver  de  verschillende  brigaden  dadelijk  deden  oprukken  naar 
de  zijde  van  Steenkerke,  en  ze  daar,  naarmate  zij  aankwamen 
en  zonder  zich  om  de  slagorde  te  bekommeren,  op  vijf  liniën 
plaatsten;  achter  die  vijf  liniën  Fransche  infanterie  kwam  de 
Matton  du   Roi^   de   Gendarmerie,    en   andere   ruiterafdeelingen. 


Digitized  by 


Google 


STEENKERKE.  l8l 

Onverwijld  werd  ook  naar  Masnuy-Saint-Jean  —  2^3  uur  van 
Steenkerke  — ,  bericht  gezonden  van  het  gebeurde,  en  de  spoe- 
dige hulp  van  BoufHers  ingeroepen. 

Het  was  één  uur  in  den  namiddag,  toen  het  schermutselen 
overging  in  een  krachtigen  aanval.  De  hertog  van  Wurtemberg 
bestormde  met  zijne  17  bataljons  de  hoogte  waarop  de  brigade 
Bourbonnois  en  de  4  regimenten  Fransche  dragonders  stonden; 
de  bondgenooten  wierpen  die  Fransche  macht  overhoop  en  ver- 
overden eenige  stukken  geschut.  Op  die  hoogte  had  toen  een 
bloedige  strijd  plaats^  waarbij  het  voordeel  eenigen  tijd  geheel 
en  al  was  aan  de  zijde  van  de  bataljons  van  Willem  III;  rechts 
de  10  bataljons  der  voorhoede,  links  de  7  bataljons  van  Fagel, 
werpen  achtereenvolgens  de  drie  voorste  der  vijf  liniën  voetvolk 
van  Luxembourg  overhoop;  de  eerste  van  die  liniën  bestond  uit 
18,  de  tweede  uit  16,  de  derde  uit  8  bataljons.  De  overwinnaars 
drongen  door  tot  in  de  onmiddellijke  nabijheid  van  Steenkerke; 
en,  waren  zij  op  de  veroverde  hoogte  tijdig  versterkt  geworden 
door  andere  afdeelingen  van  Willem  III,  dan  is  het  waarschijnlijk 
dat  de  Stadhouder  eene  volkomen  overwinning  zou  hebben 
behaald. 

Maar  die  tijdige  versterking  bleef  weg;  —  waaraan  dat  weg- 
blijven is  te  wijten,  valt  niet  met  zekerheid  te  zeggen ;  er  is  hier 
iets  duisters;  —  naar  wij  meenen  heeft  de  zaak  zich  naar  de 
meeste  waarschijnlijkheid  aldus  toegedragen: 

Een  deel  van  de  infanterie  van  Willem  III  was  bestemd  om 
rechts  —  of  noordelijk  —  van  de  bataljons  van  Wurtemberg  op 
te  rukken ;  en  daarna,  door  eene  zwenking  links,  een  flankaanval 
te  doen  op  de  Fransche  bataljons,  die  op  de  hoogte  in  gevecht 
waren  met  de  voorhoede  van  de  bondgenooten.  Werd  die  be- 
weging goed  uitgevoerd,  dan  was  het  zeer  waarschijnlijk,  dat  het 
gedeelte  van  het  Fransche  leger  dat  nabij  Steenkerke  was,  op 
de  hoogte  oostelijk  van  dat  dorp,  een  geheele  nederlaag  zou 
hebben  geleden;  zelfs  Folard,  over  Luxembourg  en  den  slag 
van  Steenkerke  sprekende^  zegt: 

»le  même  général"  (Willem  III)   >le  surprit  encore  dans 

son  camp  k  Steinkerque  en   1692^  et  si  pleinement,  que  si 

une  colonne  d'infanterie   ne  se  ffit  égarée  de  sa  marche, 

nótre  armee  étoit  perdue  et  taillée  en  pièces."  (Folard,  4* 

deel,  blz.  178). 

De   beweging   die   moest   leiden   tot   een   flankaanval   op   de 

Fransche  infanterie,  werd  niet  goed  uitgevoerd ;  de  Hollandsche 

—  of  Engelsche  —  afdeeling  verdwaalde,  hield  te  veel  rechts 

aan,  en  kwam  terecht  nabij  het  kasteel  van  Waret,  in  stede  van 

bij  den  heuvel  ten  oosten  van  Steenkerke.  Algemeen  wordt  het 


Digitized  by 


Google 


l82  KRIJGS-   EN  GESCHIKDKUNOIGE  BESCHOUWINGEN. 

verkeerde  van  die  beweging  toegeschreven  aan  het  sneuvelen  van 
den  generaal  Mackay,  den  bevelhebber  dier  afdeeling.  Willem  III, 
de  verwachte  troepen  niet  ziende  opdagen  bij  den  heuvel^  ging 
ze  in  persoon  opzoeken  en  geleidde  ze  naar  de  zijde  van  Steen- 
kerke.  Maar  het  was  reeds  te  laat :  de  bataljons  van  Wurtemberg 
en  Fagel  hadden  den  heuvel  moeten  verlaten,  die  zoo  roemrijk 
was  gewonnen. 

Ziedaar  op  hoedanige  wijze  wij  meenen,  dat  de  zaken  zich 
zullen  hebben  toegedragen,  bij  dit  keerpunt  van  den  strijd.  Vraagt 
men,  of  die  uitlegging  ons  geheel  bevredigt,  of  zij  het  geheel 
duidelijk  maakt  waarom  die  slag  van  Steenkerke  voor  Willem  III 
eene  nederlaag  is  geworden  in  stede  van  eene  overwinning,  — 
dan  moeten  wij  die  vragen  ontkennend  beantwoorden;  er  blijft 
nog  veel  duisters  over:  volgens  de  indeeling  van  het  leger  van 
Willem  III,  bij  Dr.  P.  L.  Muller,  behoorde  de  generaal  Mackay 
bij  het  I*  legerkorps  onder  Nassau-Sarbruck,  maar  wordt  geen  gewag 
gemaakt  van  eene  afzonderlijke  colonne  Mackay  en  van 
hare  samenstelling;  en  het  blijft  bij  alle  schrijvers  onopgehelderd, 
waarom  de  Hollandsche  voorhoede,  in  haren  kampstrijd  om  de 
betwiste  hoogte,  niet  ondersteund  is  geworden  door  andere  bri- 
gaden voetvolk;  er  hebben  toch,  op  het  slagveld  van  Steen- 
kerke, 58  bataljons  van  Willem  IE  gevochten;  de  macht  van 
Wurtemberg  en  Fagel  bestond  uit  17  bataljons;  en  zeker  is  het 
dat  de  41  andere  bataljons  niet  alle  tot  de  afdeeling  van  Mackay 
hebben  behoord. 

Luxembourg,  nog  onzeker  of  de  bondgenooten  niet  andere* 
gedeelten  van  de  Fransche  stellingen  wilden  aanvallen,  had  de 
stad  Enghien  bezet  blijven  houden,  en  de  Fransche  linkervleugel, 
ten  noorden  van  die  stad,  vóór  haar  legerkamp  gelaten,  —  ten 
minste  aanvankelijk.  Al  het  overige  trok  naar  Steenkerke;  werd 
daar,  naarmate  het  aankwam,  in  slaglinie  geplaatst,  en  zonder 
toeven  ten  aanval  gevoerd  tegen  de  bataljons  van  Wurtemberg 
en  Fagel,  Die  aanvallen  —  dit  is  reeds  gezegd  —  mislukten: 
eene  eerste  linie  der  Fransche  infanterie  moest  terug;  evenzoo 
de  tweede;  evenzoo  de  8  Zwitsersche  bataljons,  die  de  derde 
linie  uitmaakten.  Maar  toen  kwam  de  vierde  linie  van  de  Fransche 
infanterie  in  gevecht,  4  bataljons  van  de  Gardes  frangaises  en  4 
bataljons  van  de  Gardes  suisses.  Die  keurtroepen  beslisten  de  over- 
winning; zonder  zich  met  vuren  op  te  houden,  vielen  zij  aan 
met  den  degen  en  met  de  piek,  op  de  Hollandsche  bataljons; 
en  deze,  reeds  verzwakt  door  den  gevoerden  strijd  en  de  geleden 
verliezen,  waren  niet  bestand  tegen  dien  onstuimigen  aanval;  zij 
werden  van  de  veroverde  hoogte  weer  afgeworpen,  het  vroeger 
vermeesterde  geschut  en  een  klein  getal  van  hunne  eigen  veld- 


Digitized  by 


Google 


STEENKERKE.  '  183 

Stukken  in   's  vijands  handen   achterlatende.  Waarschijnlijk  was 
het  toen  omstreeks  drie  uur  in  den  namiddag. 

Van  dat  oogenblik  af  was  de  uitkomst  van  den  veldslag  niet 
twijfelachtig  meer.  Wel  deed  Willem  III  nieuwe  aanvallen  ver- 
richten om  de  verloren  hoogte  te  hernemen,  en  gedurende  een 
paar  uur  werd  om  dit  punt  gestreden;  maar  die  hoogte  bleef 
toen  voortdurend  in  het  bezit  van  de  Franschen.  De  toestand 
van  Luxembourg  werd  met  ieder  uur  gunstiger;  de  wanorde, 
aanvankelijk  door  de  verrassing  teweeggebracht,  had  opgehouden ; 
het  behaalde  voordeel  deed  het  zelfvertrouwen  herleven;  de 
slaglinie  werd  telkens  versterkt  door  de  komst  van  nieuwe  regi- 
menten; ook  de  ruiterij  en  de  dragonders  van  Boufflers,  ver- 
schenen op  het  slagveld;  en  toen  men  ontwaarde  dat  de  linker- 
vleugel niet  werd  aangevallen,  deed  men  de  daar  aanwezige 
,  troepen,  door  de  bosschen  van  Tirou,  oprukken  tegen  de  bond- 
genooten. 

De  Franschen  werden  toen  aanvallers,  —  zonder  daardoor 
echter  belangrijke  uitkomsten  te  verkrijgen.  Er  hadden  verschil- 
lende gevechten  plaats,  waarbij  de  infanterie  van  Willem  III  goed 
partij  wist  te  trekken  van  de  voordeelen  van  het  terrein  om 
's  vijands  aanvallen  af  te  slaan.  De  ruiterij  der  bondgenooten, 
op  twee  liniën  geschaard  achter  den  rechtervleugel  van  het  voet- 
volk, belette  het  deboucheeren  van  den  vijand  uit  de  bosschen 
van  Tirou;  die  ruiterij  kwam  echter  bijna  niet  in  gevecht;  onder 
de  weinige  ruiterkorpsen  die  met  den  vijand  slaags  raakten, 
worden  genoemd  de  dragonders  van  Eppinger,  die,  op  den 
uitersten  linkervleugel,  nabij  de  Senne,  met  voordeel  streden 
tegen  eenige  Fransche  ruiterij. 

Willem  III,  overtuigd  dat  de  hoop  op  de  overwinning  ver- 
vlogen was,  deed,  tusschen  zes  en  zeven  uur  's  avonds,  den  terug- 
tocht beginnen,  die  in  goede  orde  en  zonder  verliezen  werd  vol- 
bracht. Van  eene  ernstige  vervolging  van  de  bondgenooten  was 
geen  sprake;  Luxembourg  zag  te  recht  in,  dat  dit  tot  niets  goeds 
kon  leiden :  en  tevreden  van  aan  eene  dreigende  nederlaag  te 
zijn  ontkomen,  deed  hij  zijn  leger  in  het  kamp  teruggaan;  Wil- 
lem III  betrok  weer  zijne  legerplaats  bij  Halle. 

De  toestand  van  beide  partijen  was  na  den  slag  dezelfde  als 
voor  den  slag;  alleen  waren  beide  eenige  duizend  man  ver- 
zwakt door  de  verliezen  op  het  slagveld.  Die  verliezen,  naar  ge- 
woonte nog  al  verschillend  opgegeven,  schijnen  bij  beide  partijen 
zoo  wat  even  groot  te  zijn  geweest:  bij  elke  partij,  aan  dooden 
en  gewonden,  een  6  k  7000  man.  Bovendien  verloren  de  bond- 
genooten aan  gevangenen  een  12  è  1300  man;  ook  eenige  artil- 
lerie-veldstukken  —  4  volgens  de  laagste  opgave,  10  volgens  de 
hoogste.  Wat  de  vaandels  en  standaarden  aangaat  zegt  Dijkvelt 


Digitized  by 


Google 


184  KRIJGS-  EK  GKSCHEBDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

in  zijn  verslag  aan  de  Staten-Generaal,  dat  de  bondgenooten 
er  volstrekt  geen  hebben  verloren,  maar  dat  de  dragonders  van 
Eppinger  een  Franschen  standaard  hebben  buit  gemaakt;  Luxem- 
bourg,  in  zijn  verslag  aan  den  Koning,  zegt  dat  het  Fransche 
leger  8  of  9  vaandels  en  standaarden  heeft  veroverd;  maar  — 
voegt  hij  er  bij  —  wij  kunnen  Uwe  Majesteit  er  maar  5  aanbieden : 
de  andere  zijn  verloren  gegaan.  —  Bij  een  beslissende  overwin- 
ning kan  de  overwinnaar  gewoonlijk  bogen  op  een  groot  aantal 
van  die  zegeteekenen,  niet  bij  dien  slag  van  Steenkerke,  waar  de 
nederlaag  geheel  onbeteekenend  is  gebleven.  —  Eene  opgave,  onder 
Waldeck's  papieren  gevonden  (zie  Muller.  2'  deel,  blz.  341),  stelt 
de  verliezen  der  bondgenooten  op  8530  man;  die  opgave  is  even- 
wel niet  volkomen  betrouwbaar. 

Ziedaar  den  veldslag  van  Steenkerke,  van  den  3en  Augustus 
1692.  —  Enkele  opmerkingen  daarover  mogen  hier  volgen. 

Dat  Luxembourg  zich  te  Steenkerke  heeft  laten  overvallen, 
is  onbetwistbaar;  en  ware  die  overvalliog  door  eene  nederlaag 
gevolgd,  dan  zouden  de  benijders  en  vijanden  van  het  Fransche 
legerhoofd  hem  bij  Lodewijk  XIV  denkelijk  wel  van  onbekwaam- 
heid hebben  beticht,  en  als  veldheer  ten  val  hebben  gebracht. 
Toch  zou  men  verkeerd  en  onbillijk  handelen,  Luxembourg  die 
overvalling  als  een  erge  zonde  toe  te  rekenen ;  want  de  verstand- 
houding die  hij  in  het  vijandelijke  leger  meende  te  hebben,  wet- 
tigde hem  om  langen  tijd  te  gelooven,  dat  de  bewegingen  van 
de  bondgenooten  niets  anders  ten  doel  hadden  den  eene  foura- 
geering,  en  geenszins  een  veldslag. 

Wil  men  aanmerken,  dat  de  veldwachten  van  Luxembourg 
slecht  waren  geplaatst,  en  de  gebrekkige  veiligheidsdienst  het 
leger  blootstelde  aan  eene  overvalling,  —  dan  zullen  wij  dit  geens- 
zins tegenspreken ;  bij  een  oorlog  in  ónze  dagen,  zou  zulk  een 
veiligheidsdienst,  met  volle  recht,  worden  afgekeurd  en  veroor- 
deeld. Maar  bij  de  beoordeeling  van  oorlogshandelingen  moet 
men  zich  verplaatsen  in  den  tijd  waarin  zij  voorvielen;  en  doet 
men  dit,  dan  zal  men  dien  gebrekkigen  veiligheidsdienst  bij  het 
Fransche  leger  minder  streng  veroordeelen ;  want  zóó  handelden 
toen  alle  legers;  de  veiligheidsdienst  werd  gewoonlijk  nergens 
beter  waargenomen ;  bijna  ieder  legerkamp  was  evenzeer  aan 
eene  overvalling  blootgesteld  als  het  Fransche  legerkamp  bij 
Steenkerke;  —  en  toch  kwamen  die  overvallingen  toen  niet  veel- 
vuldig voor;  het  is  bijna,  alsof  de  strijdende  partijen  toen  een 
stilzwijgende  overeenkomst  hadden  aangegaan  om  elkander  het 
leven  niet  al  te  moeielijk  te  maken,  en  dat  zij  daarom  het  mid- 
del der  overvallingen  maar  weinig  bezigden,  om  niet  in  de  nood- 
zakelijkheid te  vervallen  van  aan  den  veiligheidsdienst  eene  lastige 
uitbreiding  te  moeten  geven. 


Digitized  by 


Google 


STEENKERKB.  185 

Dit  zijn  de  » verzachtende  omstandigheden'' voor  Luxembourg's 
fout  van  zich  te  Steenkerke  te  hebben  laten  overvallen;  maar 
wat  hierbij  als  verzachtende  omstandigheid  het  meest  op  den 
voorgrond  moet  komen,  dat  is  de  vaardigheid  waarmede  hij  over- 
ging tot  de  beste  maatregelen  om  de  gevaren  van  die  overvalling 
af  te  weren;  daaraan  herkent  men  den  beproefden  oorlogsman^ 
den  bekwamen  veldheer ;  daaraan  beeft  hij  het  te  danken  gehad, 
dat  de  dreigende  nederlaag  werd  afgeweerd,  dat  hij  de  overwin- 
ning behaalde,  —  al  is  die  overwinning  dan  ook  onbeduidend 
geweest. 

De  bekwaamheid  van  den  veldheer  vond  hier  steun  bij  de 
dapperheid  van  het  leger,  vooral  bij  de  dapperheid  van  Luxem- 
bourg's  onderbevelhebbers ;  die  prinsen  van  den  bloede,  die  leden 
van  Frankrijk's  ouden  adel,  die  daar  vol  drift  en  vuur  hunne 
brigaden  aanvoerden  tegen  den  vijand,  bewijzen  weer  dat  er 
waarheid  is  in  Voltaire's  woorden: 

»des  courtisans  francais  tel  est  Ie  caractère: 

vils  flatteurs  a  la  cour,  héros  au  champ  de  Mars." 

Natuurlijk  was  dan  ook  Frankrijk,  Parijs,  het  hof  opgetogen 
van  blijdschap  over  de  behaalde  zege;  alom  werd  gewaagd  van 
den  moed  der  jeugdige  edellieden,  van  dien  hertog  van  Char- 
tres  —  den  lateren  hertog  van  Orleans,  den  Regent  —  die,  nauw 
den  kinderjaren  ontwassen,  reeds  deelnam  aan  het  bloedig  spel 
van  den  oorlog;  van  die  dapperen,  die,  in  hun  ongeduld  om  den 
vijand  te  gemoet  te  snellen,  nauw  den  tijd  namen  om  zich  te 
kleeden,  en  zelfs  —  voor  een  Fransch  hofman  van  die  dagen 
een  ongehoord  iets!  —  met  slordig  omgeknoopte  das  op  het 
slagveld  verschenen. 

Frankrijk  heeft  te  Steenkerke  zijn  krijgsroem  vermeerderd;  — 
maar  toch  moet  men  er  bijvoegen,  dat  het,  op  verre  na,  niet 
allen  Franschen  zijn  geweest,  die  daar  onder  Luxembourg's  aan- 
voering hebben  gestreden;  veel  vreerade  regimenten  had  hij  bij 
zijn  leger:  Italiaansche.  lersche,  Duitsche,  vooral  Zwitsersche. 
Men  vindt  in  de  «Europische  Mercurius"  opgeteekend,  dat  in 
ditzelfde  jaar  1692,  door  de  gezanten  van  den  Keizer  en  van  de 
Republiek,  krachtige  maar  vruchtelooze  vertoogen  werden  inge- 
diend bij  de  regeering  van  de  Zwitsersche  kantons,  over  het  te 
groot  aantal  Zwitsers  die  bij  Frankrijk  in  krijgsdienst  waren;  — 
te  groots  want  dat  Zwitsers  toen  in  vreemden  krijgsdienst  traden, 
dat  was  sinds  lang  een  algemeen  aangenomen  gebruik,  waar- 
tegen niet  veel  meer  viel  in  te  brengen;  maar  volgens  vroegere 
overeenkomsten  mocht  Zwitserland  niet  meer  dan  16000  man  in 
Franschen  krijgsdienst  laten  treden;  en  thans  had  men  bijna  het 
cijfer  van  40000  man  bereikt  In  1692  waren  er  29  Zwitsersche 


Digitized  by 


Google 


l86  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

bataljons  bij  de  Fransche  legers  voor  Namen;  en  de  sterkte 
van  het  Zwitsersche  bataljon  was  gewoonlijk  tweemaal  zoo  groot 
als  de  sterkte  van  het  Fransche. 

Die  bijzonderheden  worden  hier  bijgebracht,  alleen  om  maar 
weer  te  bevestigen  wal  reeds  meermalen  is  gezegd :  dat  er  in  dien 
tijd  geen  nationale  legers  waren,  en  dat  ook  de  legers  van  Lode- 
wijk  XIV  dit  niet  zijn  geweest.  De  aanvoerders  —  namelijk,  de 
hoogere  aanvoerders  —  waren  Franschen;  en  daarom  worden 
die  legers,  Fransche  legers  genoemd.  Men  heeft  dus  ook  het 
volste  recht  om  het  leger  van  Willem  III  —  voor  zoover  het  tot 
de  legermacht  van  de  Republiek  behoorde  —  een  Hollandsch 
leger  te  noemen,  al  is  hel  dat  daarbij  de  vreemdelingen  — 
Engelschen,  Schotten,  Denen,  Duitschers  —  talrijker  waren  dan 
de  eigenlijke  Nederlanders. 

Laten  wij  thans  een  woord  zeggen  over  de  handelingen  «van 
de  bondgenooten  bij  dien  slag  van  Steenkerke. 

Dat  Willem  III  gegronde  redenen  had  om  een  veldslag  te  leveren, 
dat  hij  door  beleidvolle  handelingen  de  kansen  op  het  behalen 
van  de  overwinning  grooter  had  gemaakt,  dat  zijne  beschik- 
kingen voor  den  opmarsch  van  het  leger  naar  's  vijands  stelling 
goed  waren,  —  dat  ailes  is  reeds  gezegd  en  aangetoond.  Maar, 
hoe  zijn  de  handelingen  van  den  Stadhouder  geweest,  gedurende 
den  veldslag?  —  Die  zijn  niet  genoeg  bekend,  om  daaruit  te  be- 
wijzen dat  hier  zijn  veldheersbeleid  uitstekend  is  geweest ;  maar 
ook  niet  om  aan  te  nemen,  dat  het  hier  gefaald  heeft. 

De  ware  oorzaak  dat  de  bondgenooten  te  Steenkerke  niet  de 
overwinning  hebben  behaald,  heeft  daarin  bestaan,  dat  hunne  voor- 
hoede —  de  bataljons  van  Wurlemberg  en  Fagel  —  niet  tijdig 
genoeg  ondersteund  werd  door  andere  infanterie;  maar  dit  ver- 
zuim, of  die  misslag,  wordt  volstrekt  niet  geweien  aan  het  leger- 
hoofd, maar  toegeschreven  aan  het  sneuvelen  van  Mackay,  den 
aanvoerder  van  de  afdeeling  die  Wurtemberg  en  Fagel  had  moeten 
ondersteunen;  Willem  III  wordt  daarover  volstrekt  niet  aange- 
vallen; dus,  hoezeer  men  niet  kan  bewijzen  dat  hij  geen  schuld 
heeft  gehad  aan  dat  verzuim,  zoo  moet  men  hem  evenwel  daar- 
van vrijpleiten,  daar  niemand  hier  optreedt  als  zijn  beschuldiger. 

De  eenige  aanmerking  die  gemaakt  wordt  op  de  leiding  van 
den  veldslag  bij  de  bondgenooten,  komt  van  de  zijde  van  Luxem- 
bourg;  maar  die  aanmerking  is  weinig  gegrond. 

In  zijn  verslag  aan  den  Koning  geeft  Luxembourg  zijne  ver- 
wondering te  kennen,  dat  de  bondgenooten  geene  artillerie  heb- 
ben gebracht  op  den  rechteroever  van  de  Senne,  om  van  daar 
hun  vuur  te  richten  op  de  Fransche  infanterie  en  dragonders,  die 
den  heuvel,  oostelijk  van  Steenkerke,  bezet  hielden.  Maar,  onder- 
stel  dat  die   artillerie  daar  gemakkelijk  was  te  brengen,  en  dat 


Digitized  by 


Google 


STEBNKERKE.  187 

zij  daar  goede  uitwerking  kon  doen  op  de  Fransche  troepen  op 
den  anderen  oever,  dan  zou  toch  die  handeling  onraadzaam  zijn 
geweest;  want  de  Fransche  troepen,  meester  zijnde  van  Steen- 
kerke  en  van  de  brug  bij  dat  dorp,  konden  ieder  oogenblik 
deboucheeren  op  den  rechteroever  van  de  Senne,  en  daar  de 
Hollandsche  artillerie  in  gevaar  brengen;  wilde  men  dus  die 
artillerie  niet  prijsgeven,  dan  moest  men  haar  beschermen  door 
eene  sterke  troepenafdeeling^  waardoor  de  slaglinie  noodwendig 
eene  te  groote  uitgebreidheid  zou  hebben  verkregen. 

Geen  gegronde  aanmerking  wordt  gemaakt  op  het  beleid  van 
Willem  III  bij  dien  slag  van  Steenkerke;  maar  wél  wordt  dat 
beleid  geroemd,  ook  door  Fransche  schrijvers,  door  tijdgenooten. 
Zoo  leest  men  bij  De  Quincy:  >de  Prins  van  Oranje  die  deze 
onderneming  (Steenkerke)  had  bestuurd,  handelde  hier  als  een 
bekwaam  legerhoofd,  (y  agU  en  prince  de  tête^.  Herhaaldelijk 
vuurde  hij,  door  woord  en  daad,  de  zijnen  ten  strijd  aan,  en  her- 
zamelde  ze,  zoo  vaak  dit  noodig  was.  Maar  toen  hij  zag  dat  de 
zaak  eene  ongunstige  wendmg  nam  voor  zijn  leger,  deed  hij  een 
aftocht,  een  groot  veldheer  waardig;  en  ware  een  deel  van  zijne 
troepen,  dat  ons  in  de  üank  moest  aanvallen,  niet  afgedwaald 
van  den  te  volgen  weg,  dan  zou  het  te  vreezen  zijn  geweest,  dat 
het  den  Heer  De  Luxembourg  zou  hebben  berouwd,  de  herhaalde 
berichten  over  's  vijands  opmarsch  zoo  te  hebben  veronachtzaamd.'* 

Dit  wat  den  veldheer  betreft,  nu  het  leger. 

Het  leger,  —  dat  is  hier  alleen  de  infanterie,  daar  de  ruiterij 
weinig  of  niet  gevochten  heeft.  Folard,  die  anders  de  Hollandsche 
infanterie  van  dien  tijd  uitbundig  prijst,  is  hier  onbillijk  te  haren 
opzichte:  >men  moet"  —  zegt  hij  —  »het  beleid  van  Willem 
III  niet  veroordeelen ;  want  met  veel  bekwaamheid  koos  hij  een 
slagveld,  waarop  alleen  zijne  infanterie  kon  werkzaam  zijn,  daar 
hij  op  zijne  ruiterij  weinig  vertrouwde;  maar  het  ongeluk  wilde 
dat  zijne  infanterie  al  niet  veel  beter  was ;"  —  ziedaar,  niet  woor- 
delijk maar  in  hoofdzaak,  wat  de  Fransche  schrijver  over  Steen- 
kerke zegt.  Dat  oordeel  over  de  Hollandsche  infanterie  te  Steenkerke 
is  geheel  onjuist :  die  infanterie  heeft  daar  uitmuntend  gevochten ; 
en  de  17  bataljons  van  Wurtemberg  en  Fagel  zijn  hier  ten  volle 
dat  Hollandsche  voetvolk  waardig  geweest,  dat  twee  jaar  vroe- 
ger, op  het  slagveld  van  Fleurus,  zich  zoo  roemrijk  had  onder- 
scheiden. 

Men  behoeft  niet  verder  te  gaan  dan  tot  het  uitvoerig  verslag 
van  Luxembourg  over  den  slag  van  Steenkerke,  om  de  overtui- 
ging te  erlangen  van  de  geduchte  kracht,  door  de  Hollandsche 
infanterie  aldaar  ten  toon  gespreid.  In  dat  verslag  wordt  de  aan- 
vankelijke nederlaag  der  Fransche  troepen  niet  openlijk  erkend, 
maar  schemert  die  toch  genoeg  door  in  weerwil  dat  het  leger- 


Digitized  by 


Google 


l88  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

hoofd  haar  tracht  te  verbloemen  met  ingewikkelde  woorden.  Toen 
de  Fransche  en  Zwitsersche  garden  aan  den  strijd  weer  een  gun- 
stige wending  gaven^  hernamen  zij  —  zegt  Luxembourg  —  »het 
geschut  dat  wij  hadden  verloren;"  —  vroeger  was  er  met  geen 
woord  van  gewaagd  dat  men  geschut  verloren  had.  —  Dat  de 
voorste  liniën  van  de  Fransche  infanterie  overhoop  zijn  geworpen, 
wordt  in  het  verslag  verzwegen;  het  heet  daar  nu  eens  »dat 
regiment  hield  wat  links  aan,"  of  >dat  regiment  voegde  2ich 
rechts,  bij  dat  andere,"  dan  weder  >dat  regiment  onderging  zulk 
een  hevig  vuur  dat  het  het  niet  veel  vooruit  kon  komen;"  van 
teruggaan,  van  overhoop  werpen  is  bij  dat  alles  geen  sprake ;  — 
maar  het  slagplan  bij  Beaurain  verklapt  de  nederlaag ;  daar  staat 
duidelijk  —  wij  nemen  de  woorden  onvertaald  over  — :  y^dnpo 
tition  des  troupes  du  Rot\  après  que  les  aïliés  eurent  mis  en  désordre 
les  trots  premières  ïignes  d^ infanterie^'' 

Het  voetvolk  van  Willem  III  vond,  toen  en  later,  zijne  voor- 
name kracht  in  zijn  geweervuur;  bedaard,  koelbloedig,  uitmun- 
tend geoefend  en  gewoon  aan  strenge  orde,  was  de  vuur-tactiek 
der  Hollandsche  infanterie  toen  een  even  krachtig  middel  om  te 
overwinnen,  als  later  het  geduchte  geweervuur  der  bataljons  van 
Wellington  dit  is  geweest.  Volgens  Beaurain  was  ook  de  bewa- 
pening van  de  infanterie  der  bondgenooten  veel  beter  dan  die 
van  de  Fransche  infanterie:  >men  weet"  —  zegt  hij  —  »hct 
voordeel  dat  de  vijand  aanvankelijk  behaalde  in  den  slag,  aan 
het  groot  aantal  geweren"  (met  vuursteensloten)  »dat  hij  had; 
bijna  alle  vreemde  troepen,  vooral  de  Engelschen,  waren  daar- 
mede gewapend;  'sKonings  troepen  hadden  nog  het  musket"  — 
(lontroer);  en  dit  verschil  in  bewapening  was  oorzaak,  dat  het 
vuur  van  de  bondgenooten  veel  krachtiger  was  dan  dat  der 
Fransche  infanterie.  Na  die  ondervinding  had  met  dezen  veld- 
tocht het  musket  moeten  vervallen;  werkelijk  was  dit  'sKonings 
voornemen;  en  ten  gevolge  van  het  verslag  dat  de  Heer  De  Luxeai- 
bourg  inzond  over  deze  ontmoeting,  vatte  Zijne  Majesteit  het 
besluit  op,  de  geheele  infanterie  te  bewapenen  met  geweren  en 
pieken;  Zijne  Majesteit  schreef  daarover  aan  de  generaals  van  de 
verschillende  legers,  hun  gelastende  om  daarover  de  meening  in 
te  winnen  van  de  bekwaamste  officieren,  opdat  men  bij  het  einde 
van  den  veldtocht  zou  kunnen  overgaan  tot  wat  men  het  beste 
oordeelde  voor  *s  Konings  dienst.  Maar,  daar  het  moeielijk  ging 
om  gedurende  den  tijd  van  de  winterkwartieren  geweren  te  geven 
aan  twee  derde  der  infanterie ;  en  daar  er  nog  een  oud  voor- 
oordeel was,  dat  aan  het  musket  een  overwicht  toekende  als  er 
langen  tijd  moest  worden  gevuurd,  nam  men  het  besluit  om  maar 
één  derde  van  de  compagnie  met  geweren  te  wapenen,  en  -het 
overige  met  musketten  en  pieken." 

£ene   bijzonderheid  mag   hier  niet  onvermeld  blijven  bij  dien 


Digitized  by 


Google 


STEBNICBRKE.  189 

Strijd  der  Hollandsche  infanterie  tegen  de  infanterie  van  Luxem- 
bourg;  het  is  deze,  dat  de  Hollandsche  bataljons  friesche  ruiters 
vóór  hunne  slaglinie  plaatsten,  om,  onder  bescherming  daaiyan, 
het  vuur  meer  ongehinderd  te  kunnen  voortzetten  en  het  den 
vijand  lastig  te  maken  om  met  de  blanke  wapens  aan  te  vallen. 
Onze  opgaven  gewagen  niet  van  die  bijzonderheid,  die  ons  ook 
vreemd  voorkomt,  en  moeielijk  aan  te  nemen:  hoe  werden  die 
friesche  ruiters  medegevoerd  door  de  infanterie;  hoe  werden  zij 
geplaatst;  en  was  er  van  zulk  een  Mcane-middéi  veel  te  ver- 
wachten, wanneer  —  zooals  uit  het  slagplan  bij  Beaurain  blijkt  — 
slechts  hier  en  daar  kleine  gedeelten  van  de  slaglinie  der  Hol- 
landsche infanterie  door  zulke  friesche  ruiters  waren  beschermd, 
maar  het  grootste  gedeelte  van  die  slaglinie  niet?  —  De  zaak 
komt  ons  moeielijk  verklaarbaar  voor,  zoodat  wij  ook  twijfelen 
aan  de  waarheid,  of  juistheid,  van  deze  opgave;  wij  hebben  haar 
echter  willen  vermelden,  omdat  zij  uitdrukkelijk  voorkomt  in 
Luxembourg's  legerbericht : 

. . .  „/«  ennemis  étant  sortis  des  bois^  et  étant  venus  fort  prés  de 
nous  poser  les  chey^aux  de  frise^  derrière  lesquels  ils  faisoient  un  feu 
trhS'Considérabli'*  enz. 

Indien  de  lezer  vindt,  dat  ons  verhaal  van  den  slag  van  Steen- 
kerke  hier  en  daar  duistere  punten  heeft,  dan  zullen  wij  dit  niet 
in  het  minst  tegenspreken,  maar  er  bijvoegen,  dat  wij  dit  ver* 
haal  zoo  duidelijk  hebben  gemaakt  als  mogelijk  was,  na  lezing 
en  vergelijking  van  de  verschillende  beschrijvingen  van  dien  veld- 
slag. In  het  bijzonder  hebben  wij  nagegaan  wat  daarover  b  ge- 
zegd door  mannen  die  toen  bij  de  strijdende  legers  waren;  — 
niet  dat  wij  in  het  algemeen  zulk  een  bijzondere  waarde 
hechten  aan  het  verhaal  van  een  veldslag,  door  iemand  die  den 
veldslag  heeft  bijgewoond :  zoo  iemand  ziet  soms  zeer  weinig,  en 
oordeelt  dikwijls  geheel  verkeerd.  Wij  herinneren  ons  dat  wij 
eens  aan  een  onzer  wapenbroeders,  die  in  1809  den  slag  van 
Wagram  had  bijgewoond,  bijzonderheden  daarover  vroeger;  zijne 
beschrijving  van  den  slag  van  Wagram  was  kort  en  bondig :  >Wij" 
(hij  behoorde  tot  het  leger  van  Eugène  Beauharnais,  den  onder- 
koning van  Italië),  >wij  hadden  witte  broeken  aan,  wij  trokken 
eene  groene,  modderige  beek  door"  (denkelijk  de  Rus ch beek); 
>toen  wij  aan  den  anderen  kant  kwamen,  schoten  de  Oosten- 
rijkers als  de  bliksem;  hals  over  kop  gingen  wij  weer  door 
de  beek  terug;  en  onze  witte  broeken  waren  bedorven."  Het  be- 
derven van  die  witte  broeken  was  voor  hem  de  groote  gebeur- 
tenis van  den  slag  van  Wagram. 

Maar  hooggeplaatste  deelgenooten  aan  een  strijd,  die  in  de 
gelegenheid  zijn  geweest  de  ware  toedracht  van  zaken  te  kennen, 
die  kunnen  dikwijls  belangrijke  opgaven  mededeelen ;  —kun- 
nen, ja;  maar  ook  hier  hebben  wij  ondervonden,  dat  zij  dit  niet 


Digitized  by 


Google 


190  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

altijd  doen.  Dijkvelt,  toen  gedeputeerde  te  velde  bij  het  leger 
van  Willem  III;  Huygens,  de  secretaris  van  den  Stadhouder; 
Luxembourg,  de  veldheer  van  het  Fransche  leger,  —  die  man- 
nen kunnen,  meer  dan  ieder  ander,  een  duidelijke  voorstelling 
geven  van  den  gevoerden  strijd.  Stel  er  u  niet  te  veel  van  voor, 
lezer,  —  een  kort  woord  over  wat  wij  gevonden  hebben  in  de 
opgaven  van  Dijkvelt,  Huygens  en  Luxembourg. 

Het  verslag  door  Dijkvelt  aan  de  Staten-Generaal  ingezonden, 
den  4eii  Augustus,  den  dag  na  den  veldslag,  heeft  die  verdienste, 
dat  het  eenige  tijdsbepaling  en  eenige  feiten  inhoudt ;  maar  niet  al 
die  feiten  zijn  waar,  en  dit  kan  dus  ook  twijfel  doen  ontstaan 
aangaande  de  tijdsbepaling.  Dijkvelt  zegt :  dat  het  leger  der  bond- 
genooten  >'s  morgens  heel  vroeg"  opbrak;  dat  Willem  III  >met 
de  avantgarde,  onder  het  commando  van  den  hertog  van  Wir- 
temberg,"  omstreeks  negen  uur  in  het  gezicht  van  den  vijand 
kwam;  dat  hij  toen  de  voorhoede  stelling  deed  nemen  op  »eeQ 
hoogen  berg,  hier  en  daar  met  hout  en  met  heggen  bezet,"  vóór 
's  vijands  slaglinie;  dat  men  om  tien  uur  begon  »te  schermut- 
seeren  en  met  kanon  op  malkanderen  te  schieten ;"  dat  omstreeks 
één  uur,  het  i  formeel  gevecht"  begon,  en  de  hertog  van  Wur- 
temberg  toen  «met  zijn  infantery,  en  met  de  verdere  battaillons 
die  daar  omtrent  mede  wierden  aangevoerd"  doordrong,  den 
vijand  overhoop  wierp  en  eenige  stukken  geschut  veroverde;  dat 
«daar  op  onze  verdere  infantery  aankomende,"  er  een  hevig  ge- 
vecht plaats  had  > ettelijke  uuren  gecontinueerd;  daar  door  weder- 
zijds veel  volk  is  gebleeven ;"  dat  de  overmachtige  vijand  te  ver- 
geefs getracht  heeft  »d*  onzen  van  den  gemelden  berg"  te  verdrijven, 
totdat  I  tegens  den  avond"  Boufflers  aankwam  en  zijn  legerkorps 
met  >veel  swaar  kanon"  in  werking  bracht,  «waar  door  aan  de 
brigade  van  Fagel,  onder  't  commandement  van  den  Prince  van 
Nassau-Sarbrukke,  op  den  voorschreven  berg  zeer  groote  schade 
is  gedaan;"  dat  Willem  III  toen,  omdat  hij  met  den  avond  en 
met  het  moeielijke  terrein  voor  eenige  wanorde  vreesde,  den 
terugtocht  deed  aanvangen ;  dat  die  terugtocht  in  volkomen  orde 
plaats  had,  en  de  vijand  wel  aanvankelijk  de  houding  aannam 
alsof  hij  vervolgen  wilde,  maar  spoedig  daarvan  afzag,  en  >  zon- 
der iets  te  ondernemen,"  naar  zijne  legerplaats  terugkeerde. 

Die  beschrijving,  door  Dijkvelt  van  den  veldslag  gegeven,  is 
duidelijk  en  begrijpelijk;  maar  in  sommige  gewichtige  punten  is 
zij  onwaar,  of  onjuist;  zij  wordt  ten  minste  geheel  tegengesproken 
door  de  andere  opgaven.  Zoo  is  het  onjuist,  het  voor  te  stellen, 
alsof  Boufflers  met  zijn  geheele  macht  en  met  zwaar  kanon  op 
het  slagveld  is  gekomen,  en  alsof  alleen  daardoor  en  toen  het 
reeds  tegen  den  avond  liep,  de  bondgenooten  de  eerst  veroverde 
hoogte  weer  hebben  verloren :  die  hoogte  was  reeds  veel  vroeger 
verloren,  vóór  dat  Boufflers  op  het  slagveld  kon  zijn.  Zoo  is  het 


Digitized  by 


Google 


STEENKERKE.  I9I 

onjuist^  te  zeggen  dat  de  eerste  aanval  op  de  door  de  Franschen 
bezette  hoogte,  behalve  door  de  voorhoede,  ook  nog  door  andere 
Hollandsche  bataljons  is  verricht :  alle  andere  opgaven  komen 
daarin  overeen,  dat,  behalve  door  de  lo  bataljons  van  Wurtem- 
berg,  die  eerste  aanval  alleen  is  gedaan  door  de  7  bataljons  van 
Fagel,  door  sommige  opgaven  beschouwd  als  behoorende  tot 
de  voorhoede.  Zoo  is  het  vooral  onjuist,  het  voor  te  stellen  alsof 
de  geheele  infanterie  van  Willem  III  geregeld  is  opgerukt  tegen 
de  vijandelijke  stelling,  en  daarbij  geheel  te  zwijgen  van  het  ver- 
dwalen van  de  colonne  van  Mackay:  zelfs  Fransche  schrijvers 
wijten  de  nederlaag  der  bondgenooten  aan  het  verdwalen  van 
die  colonne. 

In  het  voorbijgaan  eene  aanmerking  op  Macaulay.  Macaulay 
heeft  zeer  groote  waarde  als  geschiedschrijver,  maar  niet  als  krijgs- 
kundige; men  moet  niet  te  veel  bouwen  op  zijne  beschrijving 
van  een  veldslag;  soms  maakt  hij  er  maar  wat  van.  Zoo,  bij  de 
beschrijving  van  den  slag  van  Steenkerke,  stelt  hij  het  voor,  alsof 
de  Engelsche  troepen  van  Willem  III  op  roekelooze  wijze  zijn 
opgeofferd  door  hun  aanvoerder  Solms;  dit  stemt  niet  overeen 
met  de  opgave  van  de  verliezen,  voorkomende  in  de  >£uropi- 
sche  Mercurius";  want  daaruit  blijkt,  dat  de  Hollandsche  briga- 
den Fagel  en  Salis  aanmerkelijke  verliezen  hebben  geleden,  even- 
als de  Engelsche  brigaden  Ramsay  en  Ëllenberger,  maar  het  verlies 
van  de  andere  Engelsche  brigaden  voetvolk  van  weinig  beduiding  is 
geweest.  —  Wij  tellen  de  brigade  Ëllenberger,  onder  de  Engelsche 
troepen  :  zij  bestond  uit  Denen,  in  Engelsche  soldij.  De  Engelsche 
brigade  Ramsay  stond  onder  het  bevel  van  Nassau-Sarbruck, 
en  niet  onder  Solms;  —  het  is  dus  moeielijk  te  begrijpen  wat 
die  arme  Solms  eigenlijk  gedaan  heeft,  dat  hij  door  Macaulay 
zoo  wordt  aangevallen. 

Dijkvelt  zegt  van  het  Hollandsche  leger :  >  en  heeft  onze  militie 
zich  doorgaans  uittermaaten  wel  gequeeten."  Van  Willem  III  luidt 
het:  »den  Koning  heefc  (indien  het  geoorloftis  te  zeggen)  zich  al  te 
veel  geëxponeert ;  en  is  niet  alleen  van  het  .begin  tot  het  einde 
geduurig  geweest  in  't  vuur,  en  binnenschoots  van  het  kanon  en 
musketten;  maar  ook  van  tijd  tot  tijd,  en  onophoudelijk,  geree- 
den  door  het  heetste  van  de  eene  oord  aan  de  andere,  om  op. 
alles  order  te  stellen ;  en  heefl  zelfs  verschelde  battaillons  aange- 
voerd, in  't  marcheeren  na  den  vijand.  Zijne  Majesteit  is  ook 
altijd  d'eerste  geweest  aan  't  hoofd  van  de  troupen,  en  in  het 
aftrekken  de  uiterste  in  de  Arriergarde ;  zo  dat  het  moet  werden 
geconsidereerd  als  een  half  miracul,  en  God  de  Heere  niet  ge- 
noeg kan  werden  gedankt,  dat  Zijne  Geheiligde  en  dierbaarste 
persoon  geen  ongeluk  heeft  gehad,  en  tegens  alle  onheilen  is  be- 
waard geworden." 

Everard  van  Weede,  heer  van  Dijkvelt,  was  een  bekwaam  man. 


Digitized  by 


Google 


192  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

en  een  ijverig  aanhanger  van  den  grooten  Stadhouder,  —  wat 
hem  tot  eer  verstrekt,  —  maar  hij  is  ook  geweest  een  hoveling, 
een  vleier,  een  dme  damnée  van  Willem  III,  -^  en  dit  strekt  hem 
minder  tot  eer.  Waartoe,  telkens,  die  uitbundige  lofredenen  op  de 
dapperheid  van  Willem  UI  ?  Dat  die  dapperheid  buitengewoon  is 
geweest  en  zich  nooit  heeft  verloochend,  dat  is  een  feit  dat  vast- 
staat, dat  door  niemand  betwijfeld  wordt,  of  betwijfeld  kan  wor- 
den; maar  juist  daarom  was  het  overbodig  om  daar  zoo  telkens 
van  te  gewagen.  —  Maar  Dijkvelt  was  hoveling. 

Het  Journaal  van  Constantijn  Huygens  (de  zoon);  —  dat  kan 
misschien  veel  licht  geven  over  Steenkerke ;  want  Huygens,  secre- 
taris van  Willem  III,  zag  den  Stadhouder  bijna  alle  dagen,  dik- 
wijls zonder  dat  anderen  er  bij  waren,  en  kon  dus,  in  een  ver- 
trouwelijk gesprek,  wel  het  een  en  ander  hebben  gehoord ;  bovendien, 
al  was  Huygens  zelf  niet  op  het  slagveld  geweest,  dan  had  hij 
toch  wel  eenige  inlichtingen  kunnen  verkrijgen  van  de  bevelheb* 
bers  die  daar  hadden  gestreden  en  die  hij  dagelijks  ontmoette. 
En  toch,  als  men  dat  Journaal  van  Huygens  doorbladert,  dan 
vindt  men  daarin  niets,  of  bijna  niets,  dat  belangrijk  is  voor  de 
kennis  van  den  slag  van  Steenkerke.  En  dit  is  niet  moeielijk  te 
verklaren:  Willem  III  was  de  man  niet  om  veel  te  praten,  en 
schijnt  bovendien  weinig  achting  en  vertrouwen  aan  zijn  secre- 
taris te  hebben  geschonken ;  en  Huygens  was  een  veel  te  beperkt 
verstand  om  de  groote  zaken  goed  te  begrijpen,  juist  te  beoor- 
deelen,  en  het  belangrijke  te  onderscheiden  van  het  onbeduidende. 
Zoek  in  het  Journaal  van  Huygens  geen  nieuw  licht  over  de 
groote  gebeurtenissen  die  hij  heeft  bijgewoond;  —  maar  zijt  gij 
belust  op  de  chronique  scandaleuse  van  dien  tijd,  wilt  gij  weten 
hoe  toen  de  zoogenaamde  voorname  wereld  zich  met  vuile  achter- 
klap en  smerige  praatjes  bezig  hield,  of  stelt  gij  er  belang  in,  te 
vernemen  hoe  of  het^  dag  voor  dag,  met  de  dierbare  gezondheid 
was  van  Huygens  zelf,  wanneer  of  hij  het  pootje  kreeg,  of  buik- 
pijn, of  misselijkheid,  —  dat  alles  kunt  gij  trouw  geboekt  vinden 
in  dat  Journaal. 

Toen  den  31  sten  Juli  het  leger  der  bondgenooten  van  Genappe 
opbrak  naar  Halle  en  Lembeek,  werd  de  zware  bagage  langs 
een  omweg,  over  Brussel,  derwaarts  gezonden,  omdat  de  recht-- 
streeksche  weg,  dien  het  leger  volgde,  te  moerassig  was  voor  de 
zware  voertuigen.  Huygens  maakt  —  met  toestemming  van  den 
Stadhouder  —  ook  dien  omweg  over  Brussel ;  hij  wijdt  uit  in  den 
lof  van  die  landstreek:  »de  wegh  is  seer  aerdigh  en  plaisant, 
ende  het  landtschap  schoon;'*  hij  komt  door  het  dorp  >Waterlo", 
—  een  naam  toen  weinig  bekend,  in  later  tijd  bestemd  tot  zoo 
groote  vermaardheid;  het  bosch  van  Soignes  verrukt  hem.  >Soo 
schoon  en  van  sulcke  fraeije  boomen,  die  soo  dicht  ende  versch 
van  groen  ende   bladeren  ende  recht  van  stam  waeren,  dat  het 


Digitized  by 


Google 


STEENKERKE.  I93 

seer  aengenaem  was  om  te  sien,  de  grondt  daer  benevens  gedeckt 
zijnde  met  een  fluweelachtighe  pelouse  of  kort  grass,  mede  soo 
schoon  van  couleur,  dat  het  charmeerde."  —  Als  het  geheele 
Journaal  in  dien  toon  was  geschreven,  wij  zouden  er  vrede  mede 
hebben. 

Op  I  Augustus  vindt  men  aangeteekend  dat  Huygens  's  och- 
tends om  half  negen  uit  Brussel  is  vertrokken,  maar  >door  de 
quade  wegen  en  embarras  van  menichte  bagagie,"  eerst  om  drie 
uur  's  middags  te  Lembeek  aankwam,  in  het  hoofdkwartier  bij 
Willem  III:  thet  Gasteel  van  Lembeeck,  daar  de  Con."  (verkor- 
ting van  Koning;  na  1689  wordt  Willem  III  niet  anders  ge- 
noemd in  het  Journaal)  >op  logeerde,  was  seer  vervallen,  zijnde 
anders  van  een  aerdighe  situatie,  en  hebbende  achter  van  een 
balcon  een  schoon  gesicht.  Het  hoort  den  Prins  van  Steen- 
huysen  toe." 

Op  2  Augustus:  ...>A11  de  dispositie  wierd  gemaeckt  en  opge- 
schreven, om  sanderen  daeghs  de  Franschen  in  het  campement 
omtrent  Enguien  te  attacqueren. 

De  Con.  sond  all  de  Ministers  en  ook  Blatwait  van  hem  af, 
gevende  haer  verlof  om  naer  Hall,  Brussel  etc.  te  gaen,  maer 
seyde  mij  niet  met  all. 

All  de  bagagie  van  't  leger  wierd  over  de  Senne,  een  half  uer 
verbij  Hall,  gesonden,  en  daerbij  eene  escorte  gelaten  van  4  bat- 
taillons  en  eenighe  dragonders,  gecommandeert  door  Brigadier 
Wijnbergen . . ." 

Op  3  Augustus  —  een  Zondag  — :  >  De  Con.  reed  smergens 
ten  3  ueren  uyt,  en  het  leger  ging  op  de  marsch. 

lek  en  Blatwait  en  Mr.  Hill,  die  mede  geresolveert  hadde  bij 
de  bagagie  de  uytkomst  af  te  wachten,  gingen  omtrent  9  ueren 
bij  den  Hr.  van  Dijckvelt,  noch  half  krepel  van  de  jicht  zijnde, 
en  noode  hij  ons  te  gast,  maer  de  bagagie  over  de  Senne  en 
wech  moetende,  wierd  het  uytgestelt  tot  dat  daer  souden  wesen. 
Quamen  daer  en  aten  in  een  tent  omtrent  half  vieren,  hoorende 
het  groot  schieten  van  't  canon,  dat  duerde  tot  omtrent  half 
se  ven. 

Kregen  voor  die  tijdt  weynigh  tijdinge,  maer  hoorden  eyndelijck 
van  Mackay's  doot  en  van  Coronel  Moor,  man  van  JofF  Van 
der  Haven,  item  van  Cor.  Goos,  Isax  Swager,  met  vele  andere 
valsche  tijdingen . . ." 

Op  4  Augustus:  > hoorde  dat  de  Con.  savonts  te  voren  noch 
weder  te  Lembeeck  gekomen  was,  en  hebbende  met  Dijckveldt 
gesproken  en  hem  twee  kopjes  chocolate  gegeven,  reed  weder 
door  Hall  naer  Lembeeck,  en  trock  in  mijn  oude  quartier  in  't 
Stadt-huys. 

. . .  Men  meende  dat  er  van  onse  sijde  wel  omtrent  de  4000 
man  gebleven  was,  een  groot  deel  van  de  Engelsche  regimenten . , ." 

WILLEM  III.  —  III.  13 


Digitized  by  VjOOQIC 


194  KRIJGS-  EN  GESCHIBDKUNDIGB  BESCHOUWINGEN. 

Op  5  Augustus:  .  ..»Rooseboona  seyde  dat  de  Con.  geseght 
hadde,  dat  de  Franschcn  over  de  400  officiers  verloren  hadden." 

en  eindelijk  nog,  op  10  Augustus:  ...>Noyelle  seyde,  dat  er 
schrickelijck  veel  volck  van  de  Franschen  in  de  actie  gebleven  was." 

Dat  is  alles  wat  in  het  Journaal  van  Huygens  over  Steenkerke 
voorkomt;  veel  bijzonders  is  het  niet;  pour  tout  potage  leert  men 
er  uit,  dat  Dijkvelt  niet  tegenwoordig  is  geweest  bij  den  veld- 
slag, maar  rustig  zat  te  eten  terwijl  de  heldhaftige  Stadhouder 
den  dood  onder  de  oogen  zag;  Dijkvelt  heeft  dus  zijn  verslag 
over  de  gebeurtenissen  opgemaakt  naar  de  opgaven  van  anderen. 
—  Het  > Journaal*'  spreekt  ook  van  de  groote  verliezen  der 
Engelsche  regimenten,  en  stemt  dus  in  dat  opzicht  overeen  met 
Macaulay;  —  wij  hebben  reeds  gezegd,  dat  deze  bijzonderheid 
weersproken  wordt  door  den  Staat  der  geledene  verliezen. 

Een  derde  bericht  van  een  tijdgenoot  over  den  slag  van  Steen- 
kerke, is  het  verhaal  dat  Luxembourg,  onder  dagteekening  van 
den  4cn  Augustus,  daarvan  doet  aan  den  Koning.  Dat  verhaal, 
vertaald  voorkomende  in  de  Europische  Mercurius,  en  in  het 
oorspronkelijke  bij  Beaurain,  is  zeer  uitvoerig  en  treedt  in  zeer 
veel  bijzonderheden ;  —  zóó  zelfs,  dat  daardoor  de  dagteekening 
zeer  verdacht  voorkomt,  en  het  vermoeden  wordt  gewekt  dat 
Luxembourg  dit  verslag  eerst  veel  later  heeft  laten  opmaken, 
toen  hij  het  met  zichzelven  eens  was  geworden,  welke  voorstel- 
ling hij  zou  geven  van  den  gevoerden  strijd,  en  welke  Fransche 
regimenten  en  welken  Franschen  aanvoerders  hij  daarin  meer 
bijzonder  lof  zou  toezwaaien. 

De  veldheer  van  Lodewijk  XIV  kon  niet  volstaan  met  in  een- 
voudige, sobere  taal  den  gevoerden  strijd  en  de  behaalde  over- 
winning te  beschrijven;  neen,  hij  moest  die  gebeurtenis  schilder- 
achtig, dichterlijk  maken,  uitweiden  over  het  aandeel  dat  ieder  regi- 
ment had  genomen  aan  den  strijd,  en  vooral  de  namen  noemen 
en  den  roem  vermelden  van  de  prinsen  van  den  bloede  en  van 
die  edelen,  die  als  aanvoerders  onder  Luxembourg  waren  opge- 
treden. Nu,  in  dit  legerkamp,  mocht  Luxembourg  de  meerdere 
zijn  van  die  prinsen  en  edelen;  later,  in  de  hofbalen  van  Ver- 
sailles,  hield  die  meerderheid  op,  en  was  hij  hoveling  evenals  zij 
en  hij  wist  zeker  dat  hij  hunne  gramschap  en  haat  op  zich  zou 
laden,  als  hij  in  het  legerbericht  aan  den  Koning  hunne  namen 
verzweeg  en  niet  ruimschoots  lof  toezwaaide  aan  hunne  dapper- 
heid en  krijgsbeleid.  Vandaar  dan  ook,  dat  Luxembourg  zijn 
verslag  aan  den  Koning  zoodanig  inricht,  dat  al  die  hoogere 
bevelhebbers  hunne  namen  en  wapenfeiten  daarin  terugvinden; 
dat  verslag  is  eigenlijk  niets  anders  dan  een  voortdurende  » eer- 
volle melding." 

Wil  men  een  proef  hoe  Luxembourg  daarbij  te  werk  gaat, 
en  in   welke   uitvoerigheid  hij   daarbij  vervalt,  men  leze  wat  hij 


Digitized  by 


Google 


STEENRSRKE.  I95 

zegt  over  den  zeer  jongen  Orleans,  —  toen  nog  Hertog  van 
Chartres : 

ij'avois  supplié  M.  Ie  Duc  de  Chartres  de  se  tenir  k  la  réserve, 
qui  étoit  derrière  Ënghien^  lui  donnant  ma  parole  que  je  trouve- 
rois  un  temps  pour  Ie  faire  agir  et  satisfaire  k  Textrême  envie 
•qu'il  avoit  de  donner  des  marques  de  son  courage.  Il  vint  me 
trouver  pour  cela  dès  Ie  commencement,  lorsque  nous  observions 
les  enne  mis ;  mais  pour  ne  point  Texposer,  je  Ie  conjurai  de  s'en 
retourqer:  ce  qu'il  fit  avec  sa  douceur  ordinaire,  m'envoyant 
pourtant  des  gens  de  sa  Maison  pour  me  dire  qu'il  seroit  bien  aise 
de  voir  Ie  commencement  du  combat.  Comme  je  ne  me  laissai 
point  vaincre  k  leurs  instances,  M.  D'Arcy"  (de  gouverneur  van 
den  jongen  hertog)  >  me  vint  dire  de  sa  part,  qu'il  étoit  si  touche 
de  s'en  aller,  et  avoit  tant  d'envie  de  voir  quelque  chose,  qu'il 
vouloit  que  je  Ie  laissasse  un  moment.  Je  ne  pus  résister  k  ses 
empressemens,  non  plus  qu'  aux  prières  de  M.  D'Arcy.  C'est  ce 
•qui  fit  qu'il  demeura,  et  que  dans  Ie  commencement  du  combat 
il  regut  un  coup  dans  son  juste-au-corps,  qui  traversa  d'une  épaule 
il  l'autre.  La  frayeur  que  j'eus  du  hazard  qu'il  avoit  couru, 
m'obligea  de  lui  dire  qu'il  s'en  retournit  k  sa  brigade;  ce  qu'il 
me  promtt." 

Dit  is  de  taal  van  een  hoveling,  niet  van  een  legerhoofd. 

£n  zoo  gaat  het  telkens,  bij  elke  gelegenheid;  er  wordt  geen 
naam  genoemd,  of  er  wordt  een  bijzonder  woord  van  lof  bijge- 
voegd: >M.  Ie  Prince  de  Conti,  dont  la  capacilé  egale  Ie  courage, 
«et  fait  qu'il  a  l'oeil  k  tout  ce  qui  se  passé;"  —  of  wel:  >M.  Ie 
Duc  D'£lbeuf  étoit  k  ce  poste,  d'oü  il  ne  bougea  depuis  Ie  com- 
mencement jusqu'  k  Ik  fin,  et  fit  tout  ce  qu'on  doit  attendre  d'un 
■homme  de  sa  naissance  et  de  son  courage ;"  of  wel,  over  Ber- 
wick,  den  onechten  zoon  van  koning  Jakobus:  >M.  Ie  Duc  de 
Barwick  se  trouva  dès  Ie  commencement  lorsque  nous  allions 
reconnottre  les  ennemis,  et  agit  durant  tout  Ie  combat  aussi  bra- 
vement  que  j'ai  rendu  compte  k  votre  Majesté  qu'il  avoit  fait  la 
■campagne  passée."  En  zoo  kan  men  menig  voorbeeld  aanhalen 
van  de  wijze  waarop  Luxembourg  het  wierookvat  zwaait  onder 
•de  neuzen  van  hen  die  hij  meent  te  moeten  ontzien. 

Soms  neemt  de  lofspraak  van  Luxembourg  een  vorm  aan,  die 
ons  heden  ten  dage  wel  wat  vreemd  voorkomt ;  zooals  daar,  waar 
hij  van  Rochefort,  den  bevelhebber  van  het  regiment  Bourbonnois, 
zegt:  ,..>le  premier  bataillon  de  Bourbonnois,  oü étoit  Ie  mar- 
•quis  de  Rochefort,  soutint  encore  son  poste  sans  y  être  ébranlé: 
c'est  aussi  un  témoignage  que  je  dois  k  la  vérité,  de  dire  que  Ie 
colonel  est  un  fort  joli  et  fort  brave  gargon."  Potsierlijk  is  het 
^enigszins,  wanneer  in  Luxembourg's  verslag  ook  met  hoogen 
lof  wordt  gewaagd  van  zijn  t  Major  Général"  —  Chef  van  den 
i;eneralen  staf,  zouden  wij  nu  zeggen  — ;  en  wanneer  men  daarbij 


Digitized  by 


Google 


196  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

bedenkt,  dat  het  waarschijnlijk  die  >Major-Général"  zelf  is,  die 
dat  verslag  heeft  opgemaakt. 

De  twee  slagplannen  van  Steenkerke,  die  bij  Beaurain  voor- 
komen, hebben  hooge  waarde,  het  rapport  van  Luxembourg  niet : 
dat  is  er  maar  op  uit  om  de  zaak  te  kleuren,  aangenaam  voor 
te  stellen;  een  duidelijk  begrip  van  het  gebeurde  geeft  het  niet; 
tijdsbepaling  ontbreekt  bijna  altijd,  maar  aan  praatjes  geen  gebrek. 
Bij  voorbeeld,  bij  den  beslissenden  aanval  van  de  Fransche  en 
Zwitsersche  gardes  op  de  bataljons  van  Wurtemberg  en  Fagel  wor- 
den een  paar  Zwitsersche  bevelhebbers  bijna  sprekende  ingevoerd : 

...>elle"  (de  brigade  Fransche  gardes)  >marcha  avec  une  fierlé 
qui  n'étoit  interrompue  que  par  la  gaieté  des  officiers  et  des  sol- 
dats:  eux  mêmes,  ausse  bien  que  tous  les  généraux,  furent  d*avis 
de  n'aller  que  Tépée  k  la  main,  et  c'est  comme  cela  qu'ils  mar- 
chèrent.  Les  Gardes  Suisses,  imilateurs  des  Frangois,  marchè^ 
rent  avec  la  même  gaieté  et  la  même  hardiesse.  Reinold  vint 
proposer  de  n'aller  que  Tépée  k  la  main,  et  Vaguenaire"  (Wagener?) 
>  dit  que  c'étoit  la  meilleure  maniere.  Tout  aussitót  il  vola  au  centre 
de  son  bataillon,  et  Ie  mêna  k  la  même  hauteur  que  les  Gardes., 
droit  aux  ennemis,"  enz. 

Maar  al  genoeg  aanhalingen  om  een  denkbeeld  te  geven,  wat 
of  dat  verslag  van  Luxembourg  is:  een  lofrede  op  zijn  leger, 
zijne  onderbevelhebbers  en  zichzelf;  maar  geen  duidelijke  uit- 
eenzetting en  juiste  beoordeeling  van  wat  er  gebeurd  is ;  hij  stelt 
de  zaak  voor,  alsof  alles  geregeld  en  ordelijk  is  toegegaan,  als 
de  vrucht  van  de  verstandige  beschikkingen  van  den  veldheer, 
terwijl  het  toch  zeker  is,  dat  bij  een  onverwachten  veldslag,  bij 
eene  overvalling,  wanorde  moeielijk  kan  worden  vermeden,  en 
het  toeval  eene  voorname  rol  speelt.  Nu  is  het,  in  zekeren  zin^ 
aan  Luxembourg  niet  ten  kwade  te  duiden,  dat  hij  zijn  eigen 
beleid  van  de  gunstigste  zijde  voorstelt:  het  is  van  een  mensch 
niet  te  vorderen,  dat  hij  kwaad  zegt  van  zichzelf. 

Bovendien,  bij  een  oorlog  moet  een  veldheer,  in  zijne  be- 
richten of  verslagen,  niet  de  geheele  waarheid  zeggen;  hij  moet 
de  zaken  op  het  gunstigst  voorstellen;  liegen  is  voor  hem  vaak 
een  plicht;  —  want  het  is  zijn  plicht  om  geestdrift  en  zelfver- 
trouwen levendig  te  houden  bij  leger  en  volk.  Niemand  zal  van 
den  bevelhebber  een  er  belegerde  vesting  vorderen,  dat  hij  het 
aan  de  groote  klok  hangt,  dat  die  vesting  maar  schaars  voor- 
zien is  van  munitie  of  van  leeftocht,  of  slechts  een  onbeduidende 
bezetting  heeft;  integendeel,  deed  hij  dit,  hij  zou  misdadig  han- 
delen; er  is  een  waarheidsliefde,  die  aan  verraad  gelijk  is  te 
stellen.  Napoleon  wordt  dikwijls  veroordeeld  over  de  wijze  waarop 
hij  aan  de  waarheid  te  kort  doet  in  de  voorstelling  van  zijne 
oorlogsdaden;  —  die  veroordeeling  is  maar  ten  deele  gegrond  r 
toen    de   Fransche   keizer  op   Sint-Helena    over  zijne  oorlogei^ 


Digitized  by 


Google 


LATERE   KRIJGSVERRICHTINGEN   IN    1 69 2.  I97 

schreef,  bestond  er  geen  reden  meer  van  algemeen  belang  om 
van  de  waarheid  af  te  wijken,  en  had  hij  dus  toen  de  krijgsge- 
beurtenissen  moeten  beschrijven,  zooals  zij  werkelijk  zijn  geweest ; 
maar  toen  de  Fransche  keizer  van  de  slagvelden  zijne  bulle- 
tins naar  Parijs  afzond,  was  het  wel  degelijk  zijn  belang  en  zijn 
plicht,  om,  ook  ten  koste  van  de  waarheid,  de  zaken  op  het 
gunstigst  voor  te  stellen;  want  het  was  toen  zijn  belang  en  zijn 
plicht,  om  in  Frankrijk,  in  geheel  Europa,  het  geloof  aan  het 
overwicht  van  zijn  veldheersgenie  onverminderd  te  laten. 


Na  Steenkerke  zijn,  in  1692,  de  krijgsverrichtingen  in  de  Neder- 
landen van  een  weinig  belangrijken  aard;  zij  vorderen  slechts 
«en  korte  vermelding. 

Had  Luxembourg,  vóór  den  strijd  bij  Steenkerke,  eenige  be- 
zorgdheid voor  Namen,  deze  verdween  na  de  behaalde  over- 
winning. Volgens  Beaurain  was  die  strijd  van  ongunstigen  invloed 
op  de  bondgenooten :  de  desertie  nam  toe  bij  hun  leger,  dat 
ook  verminderde  in  zelfvertrouwen,  en  in  vertrouwen  op  de  aan- 
voering van  Willem  III;  terwijl  daarentegen  de  Fransche  infan- 
terie had  geleerd,  dat  zij,  door  stoutweg  aan  te  vallen  met  de 
blanke  wapenen,  het  vuur  van  de  vijandelijke  infanterie  niet  be- 
•hoefde  te  vreezen.  Als  een  blijk  van  de  ontmoediging  bij  de 
bondgenooten  haalt  de  Fransche  schrijver  aan,  dat  op  den 
5en  Augustus  eene  fourageering  die  de  bondgenooten  wilden 
doen  naar  de  zijde  van  Haute-Croix,  verhinderd  werd,  doordien 
■de  bedekking  —  een  2000  paarden  —  na  een  klein  gevecht  op 
•de  vlucht  werd  gedreven  door  600  ruiters  en  dragonders  van 
de  Franschen. 

Van  onze  zijde  wordt  de  toestand  der  wederzijdsche  partijen 
geheel  anders  voorgesteld.  Van  eene  toenemende  desertie  wordt 
gezwegen,  evenzoo  van  dat  gevecht  op  den  sen  Augustus,  dat 
«dan  ook  geheel  onbeduidend  schijnt  te  zijn  geweest.  Van  het 
overwicht  dat  de  Fransche  infanterie  zou  hebben  verkregen,  is 
miets  gebleken  bij  menigen  lateren  veldslag,  waarin  de  overwin- 
'ning  werd  beslist  door  het  geduchte  geweervuur  van  het  voetvolk, 
•door  Willem  III  gevormd.  En  zoo  weinig  was  het  zelfvertrouwen 
.geschokt  bij  de  bondgenooten,  dat  zij  voortdurend  bleven  in 
hunne  legerplaats  bij  Halte,  daardoor  hun  vijand  als  het  ware 
•uitdagende  tot  een  nieuwen  veldslag.  Luxembourg  vond  het  echter 
niet  raadzaam  om  die  uitdaging  aan  te  nemen;  integendeel,  om 
den  strijd  te  ontgaan,  brak  hij,  den  11  en  Augustus,  's  nachts,  in 
stilte  zijn  kamp  op,  met  zooveel  overhaasting  —  zeggen  ónze 
opgaven  —  dat  hij  de  zieke  krijgsgevangenen  achterliet. 

Men  moet  bij  die  strijdige  opgaven  natuurlijk  letten  op  de 
eenzijdigheid  en  overdrijving  die  gewoonlijk  daaraan  kleven.  De 


Digitized  by 


Google 


198  KRUGS-  EN  GESCHIBDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

bondgenooten  bleven  te  Halle,  en  daagden  dus  hunne  tegenpartij 
uit  tot  een  nieuwen  veldslag;  —  daar  kan  men  immers  tegen- 
over stellen:  Luxembourg  bleef  bij  Enghien,  en  toonde  daar- 
door dat  hij  een  nieuwen  veldslag  niet  ontweek;  dit  staat  vol- 
komen gelijk.  Zooveel  schijnt  echter,  dat  de  overwinning  bi> 
Steenkerke  voor  de  Franschen  zonder  eenig  gevolg  is  gebleven^ 
en  hun  niet  het  minste  overwicht  heeft  gegeven  op  de  bondgenooten.. 

Er  was  in  dezen  zomer  —  den  5eo  Augustus  —  eene  Engel- 
sche  en  Hollandsche  oorlogsvloot  in  het  Kanaal  verschenen, 
waarbij  een  aantal  transportschepen  eene  sterke  troepenafdeeling 
aan  boord  hadden.  Wat  die  expeditie  ten  doel  had,  is  niet  recht 
duidelijk;  —  of,  beter  gezegd,  het  is  duidelijk  dat  men  zelf  niet 
wist  wat  men  beoogde,  dat  men  maar  op  avontuur  uitging,  en 
dat  de  geheele  onderneming  onberaden  en  onbekookt  is  geweest. 
In  zee  werd  er  beraadslaagd  over  wat  men  eigenlijk  wilde  doen; 
eene  landing  in  Frankrijk,  —  dat  stond  vast;  maar  waar?  firest 
aanvallen,  —  dat  was  te  moeielijk;  Saint-Malo  —  evenzeer;  toen 
werden  opgenoemd  Hivre,  Calais,  Duinkerken,  —  maar  bij  elke 
van  die  oorlogshavens  werden  zwarigheden  geopperd,  die  vai> 
een  aanval  deden  afzien;  en  men  eindigde  met  onverrichterzake 
naar  Engeland  terug  te  keeren.  Ruim  zoo  verstandig  zou  het 
geweest  zijn  om  die  beraadslaging  te  houden  en  het  aanvalsplan 
vast  te  stellen,  niet  na  maar  voor  het  uitzeilen,  voor  het 
bijeenbrengen  van  de  expeditie. 

De  landingstroepen  zouden  nu  gebezigd  worden  in  de  Neder- 
landen; maar  het  werd  einde  Augustus  eer  zij  daarheen  ver- 
trokken, en  het  was  i  September  toen  zij  te  Oostende  voet  aan 
wal  zetten;  het  waren  15  Engelsche  bataljons,  volgens  ééne  op- 
gave een  getalsterkte  uitmakende  van  14  k  15000  man.  Geruimen 
tijd  vóór  dat  die  versterking  voor  de  bondgenooten  aankwam, 
waren  de  beide  legers  reeds  opgerukt  in  westelijke  richting; 
Luxembourg  had  het  eerst  die  beweging  aangevangen,  daar  hij 
te  recht  begreep  dat  Duinkerken  en  de  liniën  van  Vlaanderen 
thans  meer  werden  bedreigd  dan  Namen. 

In  den  nacht  van  11  Augustus  van  Enghien  opgebroken,  was 
Luxembourg  eenige  dagen  gebleven  in  een  kamp  bij  Bassily^ 
een  groot  uur  ten  noordwesten  van  Enghien,  op  den  weg  naar 
Lessines.  Den  isen  werd  de  marsch  voortgezet  op  Lessines,  waar 
het  Fransche  leger  eenige  dagen  bleef,  en  de  landstreek  af  fou- 
rageerde  naar  de  zijde  van  Ninove,  gedeeltelijk  ook  om  den 
vijand  te  verhinderen  daar  wat  op  te  halen  voor  zijn  leger. 
Boufders  was  de  beweging  van  het  hoofdleger  gevolgd,  en  stond 
met  zijn  legerkorps  te  Chièvres,  een  kleinen  dagmarsch  ten  zui- 
den van  Lessines, 


Digitized  by 


Google 


LATERE  RRIJGSVERRICHTINGEN   IN    1692.  I99 

Willem  III  had,  toen  de  vijand  den  i  len  Augustus  van  Enghien 
opbrak,  eenige  ruiterij  ter  vervolging  afgezonden,  die  echter  geen 
beletselen  in  den  weg  legde  aan  den  marsch  van  het  Franscbe 
leger.  Den  iQen  Augustus  brak  de  Stadhouder  op  van  Halle,  en 
trok  den  2osten  de  Dender  over,  en  plaatste  zich  bij  Ninove, 
evenals  Lessines  aan  die  rivier  gelegen,  maar  een  uur  of  drie 
meer  noordelijk.  In  den  nacht  van  den  25sten  op  den  26sten 
Augustus  trokken  de  bondgenooten  naar  de  Schelde,  op  Gavere, 
halfweg  Gent  en  Oudenaarden.  Den  27stcn  trok  Willem  III  de 
Lijs  over  te  Deynse,  en  zond  eene  sterke  afdeeling  naar  de  zijde 
van  Kortrijk.  Luxembourg  was  op  het  eerste  bericht  van  den 
marsch  der  bondgenooten  naar  Schelde  en  Lijs,  die  beweging  ge- 
volgd en  had  stelling  genomen  bij  Haerlebeeke,  tusschen  Deynse 
en  Kortrijk ;  door  die  stelling  werd  laatstgenoemde  stad  beschermd 
tegen  den  vijand.  Den  29steü  trok  Luxembourg  op  Kortrijk ;  ter- 
wijl de  macht  van  Boufflers  grootendeels  oprukte  naar  Meenen 
en  Iperen,  om  die  vestingen  te  verzekeren. 

De  Engelsche  bataljons,  den  isten  September  te  Oostende  ge- 
land, trokken  weinige  dagen  daarna  op  Nieuwpoort,  waar  zich 
eene  afdeeling  van  het  leger  van  Willem  III  bij  hen  voegde. 
Veurne  en  Dixmude  waren  door  de  Franschen  ontruimd  ]  Luxem- 
bourg had  zich  niet  sterk  genoeg  geacht  om  die  vestingen  te 
hulp  te  komen,  en  daarom  de  bezettingen  daaruit  genomen;  de 
bondgenooten  namen  daarop  Veurne  en  Dixmude  in  bezit,  en 
bedreigden  daardoor  Duinkerken  en  het  nabijgelegen  Sint-Winox- 
bergen.  Tot  een  aanval  op  die  beide  vestingen  kwam  het  echter 
niet :  beide  waren  te  goed  bezet  en  te  goed  voorzien,  en  Luxem- 
bourg was  nabij  om  ze  te  hulp  te  komen.  £r  gebeurde  hier  dan 
ook  niets  meer  van  eenig  belang;  en  den  26sten  September  ver- 
liet Willem  III  het  leger,  en  keerde  terug  naar  Holland ;  den 
28sten  ging  het  leger  uiteen  en  betrok  de  winterkwartieren.  De 
veldtocht  was  hier  geëindigd. 

Meer  oostelijk  hadden  in  de  Nederlanden  nog  eenige  krijgs- 
verrichtingen  plaats.  Allereerst  moet  melding  worden  gemaakt 
van  een  gevecht  dat  op  den  2 7 sten  Augustus  plaats  had  te  Séclin, 
halfweg  Namen  en  Hoey,  op  den  rechteroever  van  de  Maas: 
eene  Fransche  afdeeling  van  een  1000  man  van  de  bezetting  van 
Namen,  die  te  Séclin  hout  wilde  ophalen  voor  palissaden,  werd 
door  eene  half  zoo  sterke  afdeeling  van  de  bezetting  van  Hoey 
overvallen,  geheel  geslagen  en  op  de  vlucht  gedreven,  een  groote 
300  man  achterlatende  als  krijgsgevangenen.  Beaurain  zegt  geen 
woord  van  dat  gevecht;  de  opgaven  van  onze  zijde  zijn  echter 
te  stellig,  om  de  waarheid  der  gebeurtenis  in  twijfel  te  kunnen 
trekken. 


Digitized  by 


Google 


200  fCRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Die  kleine  tegenspoed  van  de  Fransche  wapenen  werd,  kort 
daarop,  hersteld  door  een  grooter  voordeel.  £en  30  eskadrons 
van  de  bondgenooten  —  troepen  van  Keulen  en  van  Gulik  — 
waren  naar  de  Ourthe  getrokken,  om  een  strooptocht  te  doen 
in  het  Luxemburgsche ;  maar  d'Harcourt,  hun  met  24  Fransche 
eskadrons  te  gemoet  trekkende,  sloeg  hen  den  loeo  September 
in  een  gevecht  tusschen  Bastogne  en  Marche-en-famine ;  de  over- 
winnaars verloren  slechts  een  200  ruiters,  de  bondgenooten  drie- 
maal zoo  veel.  Het  verhaal  van  dit  ruitergevecht  komt  voor  bij 
Beaurain,  en  stemt  nagenoeg  overeen  met  wat  de  Europische 
Mercurius  daarover  zegt. 

Toen  de  legers  van  Willem  III  en  van  Luxembourg  nabij 
Duinkerken  waren,  bevonden  zij  zich  in  eene  landstreek  die  de 
aanwending  van  groote  korpsen  ruiterij  niet  toeliet;  en  daarom 
werd  Boufflers  met  60  eskadrons  afgezonden  naar  Namen,  ten 
einde  door  het  doen  van  strooptochten  in  Braband  een  deel  van 
de  macht  der  bondgenooten  af  te  leiden  van  Vlaanderen  en  van 
de  zeekust.  Den  3611  September  van  Kortrijk  vertrokken,  kwam 
Boufflers  met  die  ruiterij  den  gen  te  Namen ;  d'Harcourt  voegde 
zich  met  een  deel  zijner  ruiterij,  na  het  behaalde  voordeel  in 
het  Luxemburgsche,  bij  Boufflers ;  en  beiden  trokken  daarop,  den 
2osten  September,  naar  de  zijde  van  de  Jeker,  de  Geete  en  de 
Dijle,  om  in  de  door  die  rivieren  besproeide  landstreek  brand- 
schattingen te  heffen.  Lang  duurde  echter  de  tocht  niet,  en  ver 
werd  deze  niet  voortgezet,  omdat  men  beducht  was  van  afge- 
sneden te  zullen  worden  door  het  oprukken,  aan  de  eene  zijde 
van  de  Luiksche  en  Keulsche  troepen  onder  Tserclaes  en  Flem- 
ming,  en  aan  de  andere  zijde  van  eene  kleine  troepenafdeeling^, 
door  Willem  III  naar  de  zijde  van  Leuven  afgezonden.  De  rui- 
terij van  Boufflers  en  d'Harcourt  keerde  terug  naar  Namen. 

Toen  men  de  krijgsverrichtingen  voor  1692  reeds  geëindigd 
waande  en  de  tijd  der  rust  van  de  winterkwartieren  aanbrak, 
werd  aan  de  Fransche  zijde  nog  een  aanslag  beproefd  op  Char- 
leroi. Die  aanslag  had  volgens  Beaurain  niets  anders  ten  doel 
dan  een  bombardement,  eensdeels  om  daardoor  te  beletten  dat 
in  die  vesting  eene  sterke  bezetting  huisvesting  vond,  en  van 
daar  strooptochten  maakte  op  het  Fransche  grondgebied,  en 
anderdeels  als  maatregel  van  weerwraak  over  het  bombardement 
waarmede  Engeland  en  de  Republiek  verschillende  Fransche 
oorlogshavens  hadden  bedreigd.  Van  onze  zijde  wordt  het  voor- 
gesteld, alsof  het  niet  enkel  was  toegelegd  op  het  bombardement, 
maar  ook  op  het  innemen  van  Charleroi;  en  werkelijk  komt  bij 
Beaurain  ook  voor,  dat  de  verwachting  om  de  benedenstad  van 
Charleroi  te  bemachtigen,  ijdel  bleek  te  zijn. 


Digitized  by 


Google 


LAT£RB   KRTJGSVERRICHTJNGEN   IN    1692.  20I 

De  ondernemiDg  kan  als  mislukt  worden  beschouwd.  Boufflers, 
met  eene  sterke  troepenafdeeling  voor  Charleroi  verschenen,  ont- 
dekt dat  de  inundatie  de  bestorming  van  de  benedenstad  ondoenlijk 
maakt.  In  den  nacht  van  den  1760  op  den  i8en  October  worden 
daarop  de  loopgraven  geopend,  en  twee  kanon-  en  twee  mortier- 
batterijen  aangelegd;  12  en  8  kanonnen,  en  12  en  4  mortieren, 
kwamen  in  die  batterijen,  die  den  1960  het  vuur  openden,  dat 
den  2osten  en  2isten  werd  voortgezet.  2500  bommen  werden  in 
de  stad  geworpen,  18000  kanonschoten  op  hare  vestingwerken 
gedaan,  een  kleine  100  man  van  de  bezetting  daardoor  gedood 
of  gewond,  en  een  40  huizen  afgebrand.  Daarna  trokken  de 
aanvallers  weer  weg.  Bij  de  bondgenooten  was  intusschen  eene 
troepenmacht  vereenigd  om  Charleroi  te  ontzetten;  Willem  III, 
op  het  punt  van  naar  Engeland  te  vertrekken,  kwam  ijlings  naar 
Brussel  over;  hij  keerde  echter  dadelijk  naar  Holland  terug,  toen 
het  gevaar  was  geweken. 

Hoewel  daarmede  eenigszins  vooruitloopende  op  het  jaar  1693, 
moet  hier  toch  nog  met  een  enkel  woord  worden  vermeld,  op 
welke  wijze  de  vestingen  Veurne  en  Dixmude  weer  verloren 
gingen  voor  de  bondgenooten. 

Voor  de  veiligheid  van  het  Fransche  grondgebied,  om  het  te 
beschermen  tegen  strooptochten  en  brandschattingen,  was  het 
zeer  dienstig  dat  Veurne  en  Dixmude  weer  in  handen  kwamen 
van  Frankrijk.  Zoolang  de  legers  te  velde  waren  had  Luxem- 
bourg  geen  kans  gezien  om  iets  te  ondernemen  tegen  de  beide 
vestingen;  maar  men  achtte  de  kans  gunstig  toen  eenmaal  de 
winterkwartieren  waren  betrokken:  met  snelheid  uit  die  winter- 
kwartieren  een  Fransche  legermacht  samentrekkende,  hoopte  men 
daarmede  Veurne  en  Dixmude  te  doen  vallen  vóór  dat  de  bond- 
genooten in  staat  zouden  zijn  om  tot  ontzet  op  te  rukken.  Bouf- 
flers  werd  met  die  taak  belast;  —  Luxembourg  had  toen  het 
leger  reeds  verlaten,  om  den  winter  door  te  brengen  aan  het 
hof  te  Versailles. 

Het  voornemen  geheim  te  houden,  en  daartoe  den  vijand  af 
te  leiden  door  andere  handelingen,  dit  was,  zooals  van  zelf 
spreekt,  eene  hoofdzaak  voor  deFranschen.  Boufilers  wilde  de  bond- 
genooten bezig  houden  bij  de  Sambre  en  de  Maas,  en  hen  doen 
gelooven  dat  het  Charleroi  gold,  of  Hoey,  of  zelfs  Luik,  waar- 
voor Coehoorn  toen  versterkingsplannen  ontwierp.  Reeds  in 
November  waren  verschillende  kleine  plaatsen  nabij  en  rondom 
Charleroi  door  de  Franschen  bezet  en  versterkt,  om  die  vesting 
eenigerroate  in  te  sluiten;  —  eene  HoUandsche  troepenmacht, 
onder  Rheede-Ginkel  —  of  Athlone,  zooals  hij  toen  werd  ge- 
noemd —  nabij   Brussel  samengetrokken,  voorzag  echter  Char- 


Digitized  by 


Google 


202  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

leroi  van  leeftocht  en  munitie  en  versterkte  de  bezetting  met 
een  500  man.  In  het  laatst  van  December  werd  Hoey  bedreigd  r 
eene  Fransche  legermacht  van  een  18000  man  kwam  in  den 
nacht  van  26  op  27  December  voor  die  vesting,  viel  verschillende 
buitenposten  aan,  maakte  loopgraven  en  batterijen,  bombardeerde 
gedurende  eenigen  tijd,  en  trok  daarop  terug,  den  28steD,  naar 
de  zijde  van  Namen. 

Van  onze  zijde  wordt  nog  al  hoog  opgegeven  van  die  onder- 
neming tegen  Hoey,  alsof  wel  degelijk  het  bemachtigen  van  die 
vesting  daarbij  ernstig  is  beoogd,  maar  de  Franschen  daarvan 
zouden  hebben  afgezien  door  den  dapperen  wederstand,  die  hun 
een  1200  man  zou  hebben  gekost.  Van  Fransche  zijde  wordt 
die  geheele  onderneming  tegen  Hoey  voorgesteld  als  niets  meer 
dan  eene  schijn  vertooning,  ten  doel  hebbende  om  de  legermacht 
van  de  bondgenooten  naar  Luikerland  te  doen  trekken,  en  dus 
te  verwijderen  van  Vlaanderen;  die  voorstelling  is  wel  de  waar- 
schijnlijkste; en  als  schijn  vertooning  heeft  die  aanslag  op  Hoey^ 
zeer  goed  beantwoord  aan  het  doel,  daar,  op  het  eerste  bericht 
dat  die  vesting  gevaar  liep,  de  keurvorst  van  Beieren  haar  te 
hulp  snelde  met  eene  sterke  macht  van  de  bondgenooten. 

Op  hetzelfde  oogenblik  —  28  December  —  verscheen  Boufflers 
met  48  bataljons  en  50  eskadrons,  spoedig  uit  de  kwartieren 
bijeengebracht,  voor  Veurne,  sloot  de  vesting  in,  en  verschanste 
het  terrein  naar  de  zijde  van  Nieuwpoort,  van  waar  alleen  het 
ontzet  van  Veurne  kon  komen.  Dat  ontzet  kwam  echter  niet;  de 
bondgenooten  rekenden  de  stelling  en  de  macht  van  Boufflers 
onaanvalbaar,  vooral  toen  die  macht  nog  versterkt  werd  door 
eene  afdeeling  van  12  bataljons  eri  32  eskadrons.  Den  6en  Januari 
1693  gaf  zich  Veurne  over;  de  bezetting  —  2500  man  onder 
den  graaf  van  Hornes  —  verkreeg  vrijen  uittocht,  met  krijgseer,. 
naar  Nieuwpoort.  Dixmude  werd  daarop  door  de  bondgenooten 
ontruimd,  en  door  de  Franschen  in  bezit  genomen;  —  en  toen 
keerden  de  beide  partijen  weer  terug  naar  hunne  winterkwartieren. 

Oppervlakkig  zou  men  geneigd  zijn  een  afkeurend  oordeel 
uit  te  spreken  over  die  spoedige  overgave  van  Veurne;  bij  nader 
onderzoek  ontdekt  men  echter,  dat  die  afkeuring  niet  de  bezet- 
ting moet  treffen:  Hornes  heeft  eigenlijk  niets  anders  gedaan 
dan  gehoorzamen  aan  de  bevelen  die  hij  kreeg.  Den  2eD  Januari 
was  de  keurvorst  van  Beieren  te  Nieuwpoort  gekomen;  den  vol- 
genden dag  kwam  daar  Athlone;  er  werd  een  krijgsraad  belegd^ 
om  te  onderzoeken  wat  er  gedaan  moest  worden ;  en  die  krijgs- 
raad besloot  met  eenparigheid  van  stemmen  —  zooals  Athlone 
aan  den  raadpensionaris  Heinsius  schrijft  —  >voor  als  noch  het 
ontset  niet  te  tenteren  maer  af  te  wachten  wat  Godt  door  quaet 
weder  of  andersints  geven  sal."  In  een  schrijven  van  den  keur- 


Digitized  by 


Google 


LATERE   KRIJGS VERRICHTINGEN   IN    1692.  205 

vorst  van  Beieren  aan  Hornes  wordt  aan  dezen  uitdrukkelijk 
gezegd:  >Gij  zult  uwe  mesures  weten  te  nemen,  om  niet  de 
uiterste  extremiteiten  af  te  wachten;  hetgeen  ik  mij  verplicht 
vinde  u  positief  te  zeggen,  nadien  de  codservatie  van  uw  guar- 
nisoen  van  grooter  belang  is,  als  die  van  de  plaats  zelfs."  Zulk 
een  schrijven  wettigt  de  overgave,  want  het  legerhoofd  —  dat 
was  de  Keurvorst  toen  —  zegt  zeer  duidelijk:  verdedig  u  niet 
tot  het  uiterste;  maar  zorg,  dat  de  bezetting  behouden  blijft; 
daaraan  is  meer  gelegen  dan  aan  het  behouden  van  de  vesting. 

Die  gebeurtenis  te  Veurne  wordt  hier  meer  in  bijzonderheden 
vermeld,  omdat  zij  een  eigenaardig  licht  werpt  op  de  begrippen 
van  krijgsplicht  van  die  dagen.  Bij  de  oorlogen  van  dien  tijd 
komt  meer  dan  ééne  verdediging  van  vestingen  voor,  die  wij, 
volgens  onze  hedendaagsche  begrippen,  als  zwak  en  laf  moeten 
veroordeelen,  maar  waarvoor,  volgens  de  begrippen  van  die 
dagen,  zeer  veel  kan  worden  gezegd  tot  rechtvaardiging^  of  tot 
verontschuldiging.  Thans  geldt  de  krijgsregel,  dat  de  bevelhebber 
van  eene  belegerde  vesting  de  verdediging  moet  voortzetten 
zoolang  hij  middelen  heeft  om  dit  te  doen;  de  overgave,  vóór 
dat  de  verdedigingsmiddelen  zijn  uitgeput,  is  in  den  regel  een 
misdaad  in  den  bevelhebber;  Napoleon's  decreet  van  1811  leert 
dit  ten  duidelijkste.  Bij  de  oorlogen  van  Lodewijk  XIV  daaren- 
tegen werd  aan  den  bevelhebber  van  eene  belegerde  vesting  ge- 
zegd: >niet  tot  het  uiterste  de  verdediging  voortzetten,  want  dan 
zoudt  gij  groot  gevaar  loopen  dat  de  bezetting  verloren  ging; 
terwijl  het  een  aangenomen  gebruik  is,  dat  de  bezetting  een 
vrijen  aftocht  verkrijgt  als  de  verdediging  bijtijds  ophoudt.  Dus, 
de  verdediging  zoolang  voortzetten  totdat  aan  de  eer  der  wape- 
nen is  voldaan,  maar  niet  langer,  want  anders  verkrijgt  de  be- 
zetting geen  vrijen  aftocht;  en  er  is  meer  gelegen  aan  het  be- 
houden van  de  bezetting  dan  aan  het  behouden  van  de  vesting." 

Het  behoeft  niet  uitvoerig  te  worden  aangetoond,  dat  het 
hedendaagsche  beginsel  voor  de  verdediging  van  eene  vesting, 
het  ware  militaire  beginsel  is;  terwijl  de  stelregels  van  vroeger 
soms  noodwendig  moesten  leiden  tot  zwakheid,  plichtverzuim, 
lafheid.  In  die  vroegere  dagen  kon  de  bevelhebber  van  eene 
belegerde  vesting  soms  moeielijk  komen  tot  een  helder  inzicht 
van  zijn  plicht:  hij  mocht  de  vesting  niet  zoo  lang  verdedigen, 
dat  daardoor  het  behoud  van  de  bezetting  gevaar  liep ;  —  maar 
tot  hoelang  dan?  Wanneer  was  er  genoeg  gedaan  voor  de  eer 
der  wapens;  wanneer  kon  de  hoop  op  ontzet  worden  beschouwd 
als  geheel  vervlogen  ?  —  dat  waren  moeielijk  op  te  lossen  vragen ; 
en  eene  verkeerde  oplossing,  vrucht  van  minder  juiste  inzichten^ 
is  misschien  de  eenige  schuld  geweest  van  een  bevelhebber,  die 
met  zijn  hoofd  heeft  geboet  voor  de  aan  lafheid  of  verraad  toe- 
geschreven overgave  van  zijne  vesting. 


Digitized  by 


Google 


204  KRIJGS-  E2i   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Dit  overzicht  van  de  krijgsverrichtingen  in  1692  mag  niet 
eindigen^  zonder  daarbij  met  een  woord  te  gewagen  van  den 
dood  van  een  der  legerhoofden  van  de  Republiek. 

Den  iQcn  November  1692  stierf  te  Arolsen  de  Prins  van  Wal- 
<ieck,  de  vertrouwde  van  Willem  III,  nog  meer  in  staatszaken 
dan  in  krijgsaangelegen heden ;  hij  had  een  gevorderden  leeftijd 
bereikt;  maar  had,  niettegenstaande  zijne  geheel  verzwakte  ge- 
zondheid, toch  nog  met  zelfopoffering  den  veldtocht  van  dit 
jaar  bijgewoond.  In  weerwil  van  zijne  uitgebreide  krijgskennis 
en  rijke  ondervinding,  behoorde  Waldeck  niet  tot  de  uitstekende 
legerhoofden :  hij  was  geen  veldheer  die,  tegen  de  regelen,  eene 
overwinning  behaalde;  maar  een  veldheer  die,  volgens  de  rege- 
len, eene  nederlaag  leed;  de  routine  van  den  oorlog  had  hij, 
niet  het  genie. 

Maar  het  was  een  braaf  en  rechtschapen  karakter,  een  man 
van  plichtgevoel,  van  onbaatzuchtige  zelfverloochening;  —  en 
treffend  is  de  gemoedelijke  toon,  waarop  hij  een  paar  dagen 
voor  zijn  dood,  aan  Heinsius  de  geheel  verwaarloosde  belangen 
van  het  Waldecksche  huis  aanbeveelt: 

•  Arolsen  Ie  8/18  Nov.  1692. 

Voyant  approcher  l'heure  de  ma  mort,  je  viens  de  vous  dire 
adieu.  Monsieur,  en  vous  remerciant  de  Taffection  que  vous 
m'avez  si  sincèrement  tesmoigné  pendant  Ie  tems,  que  vous 
tenez  les  renes  des  affaires.  Le  bon  Dieu  vous  recompense^  ce 
que  je  n'ay  pas  pu  faire  moy  mesme  par  des  agréables  services. 
Il  bénisse  vos  conseils  salutaires  et  vous  conserve  pour  la  gloire 
de  TEstat  et  le  service  du  publicq  encore  longues  années  en 
toute  sorte  de  prosperité;  mais  n'oubliez  pas.  Monsieur^  je  vous 
en  supplie,  d'assister  et  de  protéger  ma  familie,  laquelle  j'aban* 
donne  assez  désolée,  n*ayant  jamais  songé  k  autre  chose  que  de 
bien  servir  mes  maistres  et  la  cause  commune^  et  c*est  qui  me 
fera  espérer  que  TEstat  par  votre  bonne  récommendation  en 
voudra  bien  avoir  souvenance,  dont  je  seray  beaucoup  console 
k  Testat  oü  je  me  trouve,  qui  sois  jusqu'  au  tombeau  etc." 

Willem  III  betoont  zijn  deelneming  in  den  dood  van  zijn 
onderbevelhebber;  den  26sten  November  (6  December)  schrijft 
hij  aan  Heinsius: 

>De  confirmatie  van  de  doot  van  den  goeden  Vorst  van  W. 
bedroeft  mij  seer  en  is  voor  de  Republiek  en  mij  een  irreparabel 
verlies,  't  welck  al  sijne  vyanden  al  te  vroeg  sullen  moeten  be- 
kennen. Sijne  goede  en  trouwe  diensten  meriteren  wel  dat  de 
Staet  sijn  versoeck  op  sijn  dootbed  quame  toe  te  staen." 

(Archief  van  Heinsius,  2'  deel,  blz.  60 — 61). 


Digitized  by 


Google 


1693.  205 


HOOFDSTUK  XXVI. 

1693;   NEERWINDEN. 

De  oorlog,  in  1688  begonnen,  trad  nu  het  zesde  jaar  in;  en 
nog  was  het  geen  der  beide  partijen  gelukt  om  zooveel  voordeed 
te  behalen,  dat  zij  daardoor  een  beslissend  overwicht  had  ver- 
kregen, en  hopen  kon  de  tegenpartij  te  dwingen  tot  het  aan- 
nemen van  een  nadeeligen  vrede.  Aan  de  eene  zijde  was  Wil- 
lem III  onbetwist  gebieder  over  Engeland,  Schotland  en  Ierland ; 
en  alle  pogingen  van  Lodewijk  XIV  om  den  weggejaagde» 
Stuart  weer  op  den  troon  zijner  voorvaderen  te  verheffen,  waren 
verijdeld;  de  nederlaag  van  La  Hogue  scheen  elke  hoop  op 
eene  restauratie  van  Jakobus  II  den  bodem  te  hebben  ingeslagen. 
Aan  de  andere  zijde  hadden  de  Fransche  wapenen  wel  voordeelen 
behaald  in  de  Nederlanden,  aan  den  Rijn,  in  Italië  en  aan  de 
Spaansche  grenzen;  maar  dit  waren  geen  voordeelen  geweest 
van  eenigszins  afdoenden  aard:  Wat  beduidde  dat  voordeelig 
cavalerie-gevecht  bij  Leuze  ?  Het  kon  hoogstens  strekken  om  den 
nadeeligen  strijd  bij  Walcourt  te  doen  vergeten.  Fleurus  was 
eene  belangrijke  overwinning  geweest,  maar  die  geen  gevolgen 
had  gehad;  en  de  grootsche  belegering  van  Namen,  waarop» 
Frankrijk  zich  te  recht  verhoovaardigde,  was  kort  daarop  ge- 
volgd door  den  slag  van  Steenkerke,  die  zoo  duidelijk  bewees 
dat  het  nog  altijd  te  doen  had  met  een  onverzwakten  en  niet 
ontmoedigden  vijand.  In  één  woord,  op  het  voornaamste  tooneel 
van  den  oorlog  —  de  Zuidelijke  Nederlanden  —  kon  nog  geen 
der  beide  kampvechters  beweren  van  voorgoed  de  overwinning 
te  hebben  behaald;  het  bleef  eene  worsteling  zonder  uitkomst. 
Het  gezond  verstand,  nog  meer  dan  de  menschelijkheid,  had  er 
dus  toe  moeten  leiden  om  dan  maar  naar  den  vrede  te  streven, 
en  in  's  hemels  naam  een  oorlog  te  eindigen,  die  niet  aan  het 
doel  beantwoordde. 

Maar  gezond  verstand  en  menschelijkheid  zijn  niet  altijd  de 
drijfveeren  die  de  handelingen  eener  regeering  besturen;  —  ei> 
die  aanmerking  geldt  niet  alleen  de  eenhoofdige  regeering,  zij 
geldt  evenzeer  de  volksregeering :  bij  die  groote  vragen  over 
vrede  of  oorlog  handelt  een  volk  dikwijls  al  even  verkeerd  en 
onverstandig  als  een  despoot,  die  met  volstrekt  gezag  bekleed 
is.  —  Van  den  oorlog  tot  den  vrede  over  te  gaan,  zonder  dat 
de  gebiedende  noodzakelijkheid  dit  vordert,  is  voor  eene  regee- 
ring dan  ook  een  moeielijke  stap,  lastig  en  onaangenaam  om  te 
doen:  men  erkent  niet  gaarne,  dat  het  aan  krachten  ontbreekt 
om  het  doel  te  bereiken,  dat  men  beoogde  met  het  voeren  va» 


Digitized  by 


Google 


306  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

den  oorlog ;  men  voedt  de  hoop  dat  de  krijgskans  gunstiger  zal 
worden^  al  is  er  moeielijk  een  rechtmatige  grond  voor  die  hoop 
te  bedenken ;  men  waant  dat  's  vijands  krachten  uitgeput  zullen 
worden  en  hem  daardoor  de  wapens  uit  de  handen  zullen  vallen ; 
en  men  bedenkt  niet,  dat  die  uitputting  wederkeerig  is,  en  men 
zelf,  door  het  langdurige  van  den  oorlog,  de  hulpmiddelen  kwijt- 
raakt om  dien  oorlog  te  voeren.  Bij  vele  oorlogen  is  het,  alsof 
de  kampende  partijen  aan  niets  anders  denken  dan  aan  de  oude 
spreuk:  de  aanhouder  wint. 

Er  kon  ^een  vrede  worden  gesloten,  —  dit  stond  vast  — ,  zon- 
der dat  Willem  III  erkend  werd  als  de  wettige  gebieder  van  het 
Britsche  Rijk;  en  in  1693  kon  Lodewijk  XIV  nog  niet  besluiten 
tot  die  erkenning,  die,  in  zijn  oog,  een  inbreuk  was  op  het  god- 
delijk recht  der  vorsten.  Daarom  besloot  de  Fransche  koning 
zijne  krachten  in  te  spannen  om,  ook  nu,  den  oorlog  met  nadruk 
te  voeren;  van  het  reeds  zwaar  gedrukte  land  werden  nieuwe 
offers  gevraagd,  in  menschen  en  in  geld ;  Frankrijk  bracht  die 
offers,  —  maar  ten  koste  van  zijn  welzijn,  en  dan  nog  niet  in 
voldoende  mate,  want  wanbetaling  bracht  soms  oproer  tewe^ 
onder  de  Fransche  troepen ;  de  boog  was  reeds  te  sterk  ge- 
spannen. Toch  slaagde  men  er  in  om  12  nieuwe  regimenten  voet- 
volk, ieder  van  slechts  één  bataljon,  op  te  richten,  en  aan  de 
noordergrenzen,  bij  Schelde  en  Maas,  een  belegeringspark  bijeen 
te  brengen  van  150  kanonnen,  en  een  60  gewone  mortieren  en 
steenmortieren.  Alles  was  dus  weer  voorbereid  om  eene  vijande- 
lijke vesting  aan  te  vallen ;  en,  om  in  de  voeding  van  de  legers 
te  voorzien,  werden,  van  Doornik  tot  Namen,  op  verschillende 
plaatsen  groote  magazijnen  van  leeftocht  aangelegd. 

Het  was  noodig,  in  Frankrijk,  den  krijgsgeest  aan  te  wakkeren 
en  te  beloonen;  —  vandaar,  in  1693,  de  instelling  van  de  mili- 
taire orde  van  den  Heiligen  Lodewijk;  vandaar,  ook  toen,  de 
benoeming  van  zeven  nieuwe  maarschalken  van  Frankrijk.  Onder 
de  nieuwbenoemden  was  Catinat  de  uitstekendste ;  opvallend  en 
het  meest  blootgesteld  aan  de  kritiek  van  het  algemeen,  was  de 
benoeming  van  Tourville,  den  overwonnene  van  La  Hogue ;  »  wordt 
men  maarschalk  van  Frankrijk  na  eene  nederlaag,  wat  zal  men 
dan  worden  na  eene  overwinning!"  zoo  uitte  zich  de  hekelende 
spotzucht:  —  onbillijke  woorden;  want  die  nederlaag  was  vol- 
strekt niet  te  wijten  aan  Tourville,  maar  alleen  aan  den  Koning, 
die  dit  op  loffelijke  wijze  erkende  door  den  bekwamen  vlootvoogd 
te  begiftigen  met  den  maarschalksstaf.  Onder  de  nieuwe  maar- 
schalken was  ook  Boufflers,  die  later  door  de  verdediging  van 
Namen  en  van  Rijssel  getoond  heeft  die  eer  waardig  te  zijn.  De 
andere  benoemden  waren  van  minder  beduiding ;  onder  hen  was 


Digitized  by 


Google 


i693'  207 

ook  Villeroy,  die  door  zijne  weinige  bekwaamheid,  in  later  jaren, 
Frankrijk  meer  dan  één  krijgsramp  heeft  berokkend. 

In  1693  zou  Frankrijk  een  leger  onder  Noailles  in  het  Rous- 
sillonsche  hebben,  om  tegen  Spanje  werkzaam  te  zijn;  een  ander 
leger,  onder  Catinat,  in  Piémont;  een  derde  leger,  onder  De 
Lorge,  aan  den  Rijn.  De  zeemacht  werd,  zooveel  doenlijk,  weer 
in  goeden  staat  gebracht;  toch  ontveinsde  men  zich  niet,  dat 
men  niet  sterk  genoeg  was  om  een  grooten  zeeslag  te  leveren 
tegen  de  vereenigde  vloten  van  Engeland  en  van  de  Republiek; 
dat  men  zich  ter  zee  moest  bepalen  tot  minder  belangrijke  han- 
delingen, hoofdzakelijk  tot  de  kaapvaart;  en  dat  het  dus  niet  tot 
de  onmogelijkheden  behoorde,  dat  de  vijand  eene  landing  be- 
proefde in  Frankrijk.  Monsieur  —  de  hertog  van  Orleans  —  was 
belast  met  de  taak  om  die  landing  te  keer  te  gaan;  onder  hem 
waren  de  maarschalken  d'Humières  en  Bellefonds  —  twee  mis- 
lukte legeraanvoerders;  Normandië  en  Bretagne  achtte  men  het 
meest  bedreigd,  en  in  die  gewesten  was  dan  ook  eene  macht 
vereenigd,  bestaande  uit  11  batajlons  van  het  leger,  uit  eenige 
regimenten  dragonders,  en  uit  den  tweeden  en  derden  ban.  De 
samenstelling  van  die  troepenmacht  aan  de  kusten  van  het  Kanaal 
toont  aan,  dat  men  van  's  vijands  zijde  geen  onderneming  ver- 
wachtte op  eenigszins  groote  schaal. 

De  groote  massa  van  de  Fransche  strijdkrachten  moest  weer  in 
de  Spaansche  Nederlanden  werkzaam  zijn,  en  zou  door  den  Koning 
in  persoon  worden  aangevoerd.  Men  wilde  ditmaal  de  Maas 
als  operatielijn  aannemen  en  Luikerland  ver  meesteren,  vooral 
Luik,  de  hoofdstad.  Slaagde  men  daarin,  dan  kon  men  de  ves- 
tingen bedreigen  die  de  Republiek  had  op  het  lagere  gedeelte 
van  de  Maas,  en  den  oorlog  ook  overbrengen  in  de  gewesten 
tusschen  Maas  en  Rijn;  daar  was  het  terrem  gunstig  voor  de 
talrijke  en  goede  ruiterij  van  de  Franschen ;  en  werd  het  oorlogs- 
tooneel  meer  naar  den  Rijn  overgebracht,  dan  zouden  misschien 
sommige  Duitsche  vorsten,  beducht  voor  hun  eigen  grondgebied, 
de  partij  van  de  bondgenooten  verlaten. 

Het  oorlogsplan  was  niet  kwaad:  —  maar  het  werd  niet  uit- 
gevoerd, of  slechts  gebrekkig;  het  heeft  dus  slechts  tot  eene 
onbeduidende  uitkomst  geleid. 

Toch  waren  de  strijdmiddelen,  die  men  in  de  Nederlanden  wilde 
aanwenden,  van  meer  dan  gewone  sterkte.  Er  zouden  weer  twee 
legers  werkzaam  zijn;  het  eene,  in  naam  aangevoerd  door  den 
Koning  en  den  Dauphijn,  maar  inderdaad  door  Boufflers,  het  andere 
onder  de  bevelen  van  Luxembourg.  Het  leger  van  Luxembourg 
was  sterk  78  bataljons  en  160  eskadrons,  met  50  stukken  geschut; 
dat  van  Boufflers  52   bataljons  en  116  eskadrons,  met  52  stuk- 


Digitized  by 


Google 


2o8  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

ken  geschut ;  dus  te  zamen  130  bataljons^  276  eskadrons  en  102 
vuurmonden;  naar  schatting  geeft  dit  een  80000  man  voetvolk 
en  een  groote  40  000  ruiters ;  dus,  zonder  de  artillerie,  een  groote 
120000  roan.  De  beide  legers  waren  bestemd  om  altijd  in  ver- 
band met  elkander  te  blijven;  —  waartoe  het  noodig  was,  die 
krijgsmacht  in  de  Nederlanden  te  splitsen  in  twee  legers,  is  dan 
ook  moeielijk  in  te  zien ;  krijgskundige  redenen  voor  die  splitsing 
waren  er  niet,  en  denkelijk  zal  zij  haar  ontstaan  alleen  te  dan- 
ken hebben  gehad  aan  redenen  van  persoonlijken  aard,  aan  het 
verlangen  van  enkelen  om  een  onafhankelijk  bevel  te  bezitten. 
Behalve  die  twee  groote  legers  was  er  nog  eene  kleine  afdeeling 
van  4  bataljons  en  16  eskadrons,  onder  De  La  Valette,  bestemd 
om  de  liniën  te  bezetten  tusschen  de  Schelde  en  de  zeekust; 
eene  andere  kleine  afdeeling  van  4  regimenten  ruiters,  of  dragon- 
ders, onder  d'Harcourt,  moest  het  Luxemburgsche  dekken  tegen 
strooptochten. 

Den  21  sten  Mei  1693  trok  het  leger  van  den  Koning  —  of  van 
Boufflers  —  bij  Doornik  te  zamen;  het  zou  van  daar  trekken  in 
de  richting  van  Mons;  en  Lodewijk  zou  zich  den  28sien  Mei 
daarbij  voegen,  wanneer  het  gekomen  was  te  Lens,  een  plaatsje 
2  è,  3  uur  gaans  ten  noorden  van  Mons  —  en  niet  te  verwarren 
met  Lens  westelijk  van  Douay,  in  Fransch  Vlaanderen.  Luxembourg, 
die  den  2  7 sten  Mei  met  zijn  leger  te  Givries  was,  een  groot  uur 
ten  zuidoosten  van  Mons,  was  dus  zoo  goed  als  vereenigd  met 
het  leger  van  Boufflers;  en  de  Koning  kon  dus  met  zijn  120000 
man  oprukken  waarheen  hij  verkoos.  —  Maar  plotseling  kwam 
er  vertraging  en  stilstand. 

Den  i6en  Mei  had  Lodewijk  XIV  Versailles  verlaten  om  zich 
naar  het  leger  te  begeven,  maar  te  Quesnoy  komende  werd  hij 
ongesteld ;  natuurlijk  moesten  toen  alle  bewegingen  van  de  Fransche 
legers  worden  gestaakt,  want  zonder  den  Koning  mocht  er 
niets  plaats  hebben ;  hij  was  de  spil  waarom  alles  draaide.  Ernstig 
schijnt  die  ongesteldheid  van  den  Koning  echter  niet  te  zijn  ge- 
weest; ten  minste  schrijft  Racine,  die  mét  het  hof  mede  te  veld 
trok,  den  3osten  Mei  uit  Quesnoy  aan  zijn  vriend  Boileau :  >'tis 
overheerlijk  schoon  weer.  De  Koning,  die  een  bezetting  op  de 
keel  {une  fluxion  sur  la  gorgé)  heeft  gehad,  is  gezond  en  wel;  dus 
zullen  wij  spoedig  te  velde  zijn."  Uit  dien  brief  ziet  men  ook, 
dat  Madame  De  Maintemn  en  Père  La  Chaise  toen  met  den 
Koning  te  Quesnoy  waren ;  —  wij  hebben  nooit  gehoord,  dat 
Napoleon,  bij  zijne  veldtochten,  zijn  roaitresse  en  zijn  biechtvader 
bij  zich  had! 

Willem  III,  in  de  eerste  helft  van  April  uit  Engeland  vertrok^ 
ken,  had  eenigen  tijd  in  Holland  doorgebracht  en  kwam  in  het 


Digitized  by 


Google 


i693«  209 

laatst  van  Mei  te  Brussel,  waar  zich  het  leger  van  de  bondge- 
nooten  samentrok.  Omtrent  de  sterkte  en  samenstelling  van  dat 
leger  vindt  men  bij  Beaurain  en  in  de  Europische  Mercurius  vrij 
uitvoerige  opgaven,  die  wel  niet  geheel  overeenstem Qtien  maar 
toch  slechts  weinig  uiteenloopen. 

Volgens  Beaurain  was  het  leger  van  Willem  III  toen  sterk  61 
bataljons^  142  eskadrons  en  loi  stukken  geschut.  Onder  Willem  III 
en  den  keurvorst  van  Beieren  worden  als  de  voornaamste  bevel- 
hebbers genoemd :  de  maarschalk.  Prins  van  Nassau  Sarbrück ; 
de  generaal  graaf  van  Athlone;  de  luitenant-generaals  Ouwer- 
kerk,  's  Gravemoer  (Van  der  Duyn),  Portland  (Bentinck)  en 
Obdam;  en  de  generaal- majoors  Galloway,  La  Forest,  Nassau- 
Weilburg,  Tilly,  Scarborough,  Glocester,  Zuylestein  en  Ittersum. 
In  hoeverre  die  opgave  nauwkeurig  en  volledig  is,  is  moeielijk 
te  zeggen;  men  mist  er,  onder  anderen,  den  naam  van  Solms; 
en  dat  Solms  in  1693  bij  het  leger  is  geweest,  wordt  daardoor 
bewezen  dat  hij  in  den  slag  van  Neerwinden  is  gesneuveld. 

Volgens  de  Europische  Mercurius  was  het  leger  van  Willem  III 
sterk  70  bataljons  en  135  eskadrons.  Bij  het  voetvolk  had  men 
20  Hannoversche  bataljons,  8  Deensche,  23  Engelsche  en  Schot- 
sche,  en  19  Hollandsche ;  de  ruiterij  bestond  uit  35  eskadrons 
Spanjaarden,  37  Hollanders,  24  Engelschen,  6  Denen  en  33 
Duitschers. 

Men  ziet  dus,  dat  die  beide  opgaven  nog  zooveel  niet  uiteen- 
loopen; wat  de  ruiterij  aangaat,  is  het  verschil  onbeduidend :  142 
eskadrons,  of  135.  Bij  het  voetvolk  is  het  verschil  grooter;  de 
sterkte  bij  Beaurain  is  9  bataljons  minder  dan  in  de  Europische 
Mercurius;  maar  nu  kan  dit  daarmee  worden  gevonden,  dat 
Beaurain  er  bijvoegt,  dat  Willem  III  eene  sterke  troepenafdeeling 
{un  gros  corps  de  troupes)  naar  Luik  afzond,  dat  de  Mercurius  die 
afdeeling  heeft  begrepen  onder  de  geheele  sterkte,  en  Beaurain,  niet. 

Om  uit  de  sterkte  aan  bataljons  en  eskadrons  tot  de  geheele  ge- 
talsterkte van  het  leger  van  Wi.llem  III  te  besluiten,  vindt  men  in 
de  Europische  Mercurius  de  opgave,  dat  het  bataljon  500  man 
sterk  was,  en  het  eskadron  300  paarden.  Maar  is  die  opgave  te 
betrouwen  ?  —  Wat  het  voetvolk  aangaat,  ja ;  wat  de  ruiterij  be- 
treft, neen:  300  paarden  aannemen  voor  de  sterkte  van  het 
eskadron,  is  iets  onwaarschijnlijks  aannemen;  hoogstens  kan  men 
die  sterkte  stellen  op  200  paarden;  bij  het  Fransche  leger  was 
het  eskadron  zelfs  maar  160  paarden.  Stelt  men  nu  het  bataljon 
op  500  man  en  het  eskadron  op  200  paarden,  dan  krijgt  men 
voor  de  sterkte  van  het  leger  van  Willem  III  35000  man  voet- 
volk en  27  000  man  ruiterij ;  te  zamen  dus  een  60  k  65  000  man. 
Eéne  opgave  spreekt  van  eene  sterkte  van  80000  man;  —  het 
is  moeielijk  te  begrijpen,  hoe  men  tot  dat  cijfer  komt;  maar  zelfs 
als  men  dat  hoogste  cijfer  aanneemt,  dan  nóg  is  het  duidelijk, 

wiLLBM  ni.  —  III.  14 

Digitized  by  VjOOQIC 


2IO  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

dat  er  eene  zeer  groote  overmacht  was  aan  de  Fransche  zijde: 
ruim  I20  000  man  tegen  80000.  Er  kon  dus  voor  Willem  III 
geen  sprake  van  zijn  om  over  te  gaan  tot  een  beleg  of  tot  eene 
aanvallende  handeling,  zijne  taak  moest  zich  daartoe  bepalen, 
dat  hij  den  vijand  belette  groote,  beslissende  voordeelen  te  be- 
halen; —  en  die  taak  heeft  hij  op  uitmuntende  wijze  verricht. 

Den  2en  Juni  kwam  Lodewijk  XIV  bij  het  leger  van  Boufflers, 
te  Thieusies,  in  de  nabijheid  van  Mons;  den  3611  hield  hij  eene 
wapenschouwing  over  dat  leger;  dien  dag  trok  Luxembourg  met 
zijn  leger  van  Givries  op  Felluy,  op  slechts  een  groot  uur  af- 
stands  van  het  leger  des  Konings  te  Thieusies,  en  dus  zoo  goed 
als  daarmee  vereenigd.  Beide  legers  trokken  daarop  in  oostelijke 
richting  naar  de  zijde  van  den  Piéton  en  de  Méhaigne;  en  kwa- 
men, den  7  en  Juni,  het  leger  des  Konings  te  Gemblours,  dat  van 
Luxembourg  te  Tourines-les-Ordons,  een  paar  uur  ten  noorden 
van  Gemblours.  —  Toen  Willem  III  bericht  kreeg  dat  de  Fran- 
sche legermacht  naar  de  zijde  van  Luikerland  trok,  verliet  hij 
den  omtrek  van  Brussel  en  kwam  den  sen  Juni  met  zijn  leger 
bij  Leuven,  waar  hij  zijn  kamp  opsloeg  bij  de  abdij  van  het  Park, 
aan  de  zuidoostzijde  van  de  stad. 

Toen  werd  eene  beslissende  handeling  verwacht;  maar  die 
verwachting  bleef  ijdel.  Lodewijk  XIV,  met  eene  zoo  geduchte 
krijgsmacht  te  velde  getrokken,  had  zich  te  Versailles  gevleid 
overwinningen  te  behalen,  veroveringen  te  maken;  maar,  op  het 
oorlogstooneel  gekomen,  deinsde  hij  terug  voor  de  onzekerheid 
van  de  kansen  waaraan  hij  zich  blootstelde.  Luik  belegeren?  — 
maar  Luik  was  door  Coehoorn  versterkt  geworden,  en  van  eene 
genoegzame  bezetting  voorzien;  dat  beleg  kon  eens  mislukken! 
Willem  III  slag  leveren?  —  Het  belegeren  van  Luik  zou  denke- 
lijk gepaard  gaan  met  een  veldslag;  en  wie  waarborgde,  dat  die 
veldslag  eene  overwinning  zou  zijn  ?  Die  overwegingen  deden  den 
Franschen  koning  het  hart  in  de  schoenen  zinken. 

Laten  wij  duidelijk  zijn ;  met  de  woorden  hier  gebezigd,  willen 
wij  in  geenen  deele  zeggen,  dat  het  Lodewijk  XIV  aan  persoon- 
lijken moed  ontbrak;  integendeel,  dien  had  hij; —  maar  hij  had 
een  zoo  hoog  denkbeeld  van  zijne  waardigheid  en  grootheid,  dat 
de  gedachte  hem  onuitstaanbaar  was,  van  persoonlijk  in  den  oor- 
log een  tegenspoed  te  ondervinden,  eene  nederlaag  te  lijden; 
hij  deinsde  terug  voor  de  mogelijkheid,  dat  bij  een  veldslag, 
waar  hij  aan  het  hoofd  van  Frankrijk's  legers  stond,  Willem  III 
de  overwinnaar  zou  kunnen  zijn;  dat  was  eene  vernedering  waar- 
aan hij  zich  niet  wilde  blootstellen.  Die  geaardheid  van  den 
Franschen  koning  was  reeds  meermalen  gebleken:  bij  Bouchain 
in  1676,  bij  Mons  in  1691;  zij  bleek  ook  in  1693.  Lodewijk  XIV 
besloot  het  oorlogstooneel  te  verlaten;  —  maar  hoe  dit  op  be- 


Digitized  by 


Google 


i693'  211 

tamelijke  wijze  te  doen,  nadat  hij,  met  zooveel  ophef  en  verge- 
zeld van  geheel  zijn  hofstoet,  te  velde  was  getrokken,  als  naar 
eene  ontwijfelbare  zege?  —  Er  moest  een  voorwendsel  worden 
gevonden;  en  daartoe  werd  gebruik  gemaakt  van  eene  krijgsge- 
beurtenis  aan  den  Rijn,  de  vermeestering  van  Heidelberg  door 
de  Franschen. 

De  maarschalk  De  Lorge,  aan  het  hoofd  van  een  kleine  50  000 
man,  was,  half  Mei,  nabij  Philipsburg  den  Rijn  overgetrokken,  en 
had  zich,  na  een  zeer  kort  beleg,  den  2 2 sten  Mei  stormenderhand 
meester  gemaakt  van  de  stad  Heidelberg,  en  den  volgenden  dag, 
door  capitulatie,  van  het  kasteel.  Die  spoedige  vermeestering 
van  Heidelberg,  en  de  daarop  volgende  verwoestingen  en  wreed- 
heden waaraan  het  Fransche  leger  zich  schuldig  maakte,  wekten  in 
Duitschland  de  algemeene  verontwaardiging  op;  men  eischte  een 
offer;  en  de  bevelhebber  van  Heidelberg,  de  generaal  Heiders- 
dorf,  moest  het  ontgelden.  Te  recht,  of  ten  onrechte?  Was  Heiders- 
dorf  inderdaad  schuldig  aan  verraad  of  lafheid;  of  moest  hij 
boeten  voor  het  wanbestuur  der  regeering?  Niet  zelden  toch 
gelden  de  woorden  van  den  Franschen  dichter: 

»de  tout  temps 
les  petits  ont  pdli  des  sottises  des  grands." 

Hoe  het  zij,  Heidersdorf  werd  ter  dood  veroordeeld;  en  hoe- 
wel die  straf  veranderd  werd  in  levenslange  verbanning,  zoo  werd 
zij  toch  uitgevoerd  op  die  ruwe  en  vernederende  wijze,  die  toen 
gebruikelijk  was,  en  die  haar  erger  maakte  dan  de  doodstraf:  op 
een  vuilniskar  werd  de  veroordeelde,  geboeid,  voor  het  front 
van  het  leger  heengevoerd,  en  daarna  door  den  scherprechter 
met  zijn  verbroken  degen  in  het  aangezicht  geslagen ;  hij  was 
Duitsch-ridder ;  in  het  gebouw  van  die  ridderschap  werden  hem 
de  teekenen  dier  waardigheid  van  het  lijf  gescheurd,  en  hij  daarna 
het  gebouw  uitgeschopt.  —  In  die  dagen  was  men,  physiek  en 
moreel,  minder  gevoelig  dan  in  onzen  tijd. 

Dat  voordeel  aan  den  Rijn  behaald,  werd  aan  Fransche  zijde 
op  het  breedste  uitgemeten  als  het  voorspel  van  beslissende 
handelingen,  die  weldra  een  einde  aan  den  oorlog  konden  maken ; 
en  in  het  legerkamp  van  Gemblours  werd  daarop  een  krijgsraad 
gehouden  tusschen  den  Koning  en  de  hoogere  bevelhebbers,  om 
de  vraag  te  behandelen:  of  de  inneming  van  Heidelberg  geen 
wijziging  moest  teweegbrengen  in  het  oorlogsplan  in  de  Neder- 
landen ? 

Chamlay  was  hier  de  voornaamste  woordvoerder;  hij,  de  chef 
van  den  staf  van  Luxembourg,  de  raadsman  en  vertrouwde  van 
dien  veldheer,  had  zich  toen  ter  tijd  overal  weten  in  te  dringen 


Digitized  by 


Google 


212  KRIJGS-   EN  GESCmEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

en  noodzakelijk  te  maken;  telkens  en  overal  werd  hij  geraad- 
pleegd. Chamlay  was  een  man  van  bekwaamheid^  maar  tevens 
een  eerzuchtige,  een  hoveling;  hij  had  dus  zeer  goed  begrepen 
welke  raad  den  Koning  het  aangenaamst  zou  zijn.  Ziehier  wat 
Beaurain  daarover  zegt ;  —  waarbij  men  niet  moet  vergeten,  dat 
de  aanteekeningen  en  papieren  van  Luxembourg  zelf  gediend 
hebben  tot  de  samenstelling  van  het  werk  van  Beaurain: 

iTe  Gemblours  hoorde  de  Koning^  welke  maatregelen  de 
Prins  van  Oranje  had  genomen  om  's  Konings  ontwerpen  tegen 
te  werken;  terwijl  Zijne  Majesteit  te  Quesnoy  was,  had  zij  de 
tijding  gekregen  van  de  inneming  van  Heidelberg,  eene  gebeur- 
tenis waaraan  men  groot  gewicht  hechtte,  en  die  verandering 
scheen  te  moeten  brengen  in  het  geheele  oorlogsplan;  daarover 
werd  te  Gemblours  een  krijgsraad  gehouden,  waarin  de  Heer  De 
Chamlay,  die  sedert  den  dood  van  den  Heer  De  Louvois  's  Konings 
vertrouwen  had  gewonnen,  overtuigend  aantoonde,  dat  daar  Zijne 
Majesteit  de  middelen  zocht  om  een  einde  te  maken  aan  den 
oorlog,  het  meer  voordeel  opleverde  om  de  strijdkrachten  te 
doen  optreden  in  Duitschland;  dat  de  inneming  van  Heidelberg 
het  Duitsche  rijk  had  geschokt,  en  men  daarvan  partij  moest 
trekken  om  verder  door  te  dringen  in  dat  Rijk;  hij  twijfelde  er 
niet  aan,  dat  wanneer  men  met  een  o  ver  machtig  leger  Duitsch- 
land binnenrukte,  men  de  meeste  vorsten^  zelfs  den  Keizer,  zou 
nopen  om  vrede  te  maken;  dat  wanneer  men  hierin  slaagde,  de 
andere  bondgenooten  dat  voorbeeld  zouden  volgen;  hij  wees  er 
ook  op,  dat,  voordat  men  Luik  aanviel,  men  eerst  Hoey  moest 
nemen,  en  die  stad  zich  lang  genoeg  kon  verdedigen  om  den 
Prins  van  Oranje  den  tijd  te  geVen,  Luik  volledig  uit  te  rusten 
{tnettre  Liège  hors  éfimultè).  De  Heer  De  Chamlay,  wien  deze  raad 
werd  ingegeven  door  zijne  liefde  voor  de  waarheid  en  voor  het 
algemeene  welzijn,  liet  niet  na  er  bij  te  voegen:  dat  de  krijgs- 
verrichtingen  in  de  Nederlanden,  door  Zijne  Majesteit  bestuurd, 
haar  ongetwijfeld  meer  roem  zouden  aanbrengen,  maar  minder 
heilrijk  zouden  zijn  voor  hare  onderdanen.  De  Koning,  meer  be- 
dacht op  het  geluk  van  zijn  volk^  dan  op  zijn  eigen  roem  en 
den  luister  zijner  wapenen,  voegde  zich  naar  dien  raad ;  en  daar 
zijne  gezondheid  hem  niet  toeliet  om  langer  te  velde  te  blijven, 
besloot  hij  Mijnheer  den  Dauphijn  met  34  bataljons  en  75  eska- 
drons naar  Duitschland  af  te  zenden,  om  daar  zooveel  verove- 
ringen te  maken  als  hem  mogelijk  was.  Dadelijk  daarop  gingen 
de  troepen,  die  te  Gemblours  overbleven,  kampeeren  te  Chau- 
mont  en  te  Courois"  (in  de  nabijheid  van  Gemblours),  >en  de 
Koning  keerde  terug  naar  Versailles,  aan  den  Heer  De  Luxem- 
bourg het  bevel  latende  over  het  leger  in  de  Nederlanden,  dat, 
na  den  afmarsch  van  Mijnheer  den  Dauphijn,  was  samengesteld 
uit  96  bataljons  en  201  eskadrons." 


Digitized  by  VjOOQIC 


1693.  213 

Wat  is  die  Lodewijk  XIV  toch  een  edel  koning  geweest:  hij 
dorst  naar  krijgsroem,  hij  heeft  een  vurig  verlangen  om  in  de 
Nederlanden  het  oorlogsbeleid  te  voeren,  en  daar  overwinningen 
te  behalen,  waaraan  hij  niet  twijfelt;  —  maar  die  krijgslust,  die 
roemzucht  offert  hij  op  aan  het  welzijn  van  zijn  volk;  en  met 
een  bloedend  hart  stemt  hij  er  in  toe,  om,  zonder  aan  eene 
enkele  krijgshandeling  te  hebben  deelgenomen,  het  oorlogstooneel 
te  verlaten,  en  naar  Versailles  terug  te  keeren !  Het  is  bijna  zoo 
aandoenlijk,  als  toen,  bij  den  overtocht  van  den  Rijn  in  1672, 
hij  zich  beklaagde  dat  zijn  hooge  rang  hem  weerhield  om, 
evenals  zijne  ruiters,  de  rivier  te  doorwaden: 

» Louis,  les  animant  du  feu  de  son  courage^ 

se  plaint  de  sa  grandeur,  qui  Tattacbe  au  rivage." 

Of  —  om  ernstig  te  spreken  —  wat  een  onwaardig  komedie- 
spel!  Wat  een  behendige  drogredenen  van  de  hovelingen  om 
een  schijn  van  grootheid  te  geven  aan  eene  handeling  die  juist 
van  het  tegenovergestelde  getuigde!  »Het  is  in  Duitschland  dat 
onze  sterkste  legermacht  moet  optreden;  dddr  zijn  beslissende 
voordeelen  te  behalen,  dédr  is  de  vrede  te  verwerven." — Zoo? 
Waarom  dit  dan  niet  vroeger  ingezien ;  waarom  de  sterkste  leger- 
macht naar  de  Nederlanden  gezonden?  Die  inneming  van  Hei- 
delberg  kan  daarin  toch  zoo'n  groote  verandering  niet  hebben 
teweeggebracht,  —  een  onbeduidend  wapenfeit,  het  nemen  van 
eene  slecht  versterkte  stad,  flauw  verdedigd  door  eene  bezetting 
van  maar  een  paar  duizend  man !  £n  die  legermacht,  die  nu  uit 
de  Nederlanden  naar  den  boven-Rijn  wordt  gezonden,  die  heeft 
tijd  noodig  om  dat  nieuwe  oorlogstooneel  te  bereiken,  en  zal 
dus  daar  niet  veel  meer  kunnen  uitvoeren  ?  en  die  Dauphijn,  die 
daar  het  bevel  zal  voeren,  is  dat  een  bekwaam  legerhoofd, 
waarvan  veel  is  te  verwachten?  —  >0m  Luik  aan  te  vallen, 
moet  men  eerst  Hoey  vermeesteren";  —  maar  is  dat  iets,  dat 
men  eerst  den  yen  Juni  te  Gemblours  ontdekte?  Kon  men  dat 
niet  weten,  nog  vóór  het  vaststellen  van  het  oorlogsplan?  en 
wanneer  men,  toen,  daarin  geen  bezwaar  zag,  waarom  dan, 
nu,  wél? 

In  één  woord,  het  kost  geen  moeite  om  aan  te  toonen,  dat 
het  advies  van  Chamlay  hoegenaamd  geen  krijgskundige  waarde 
heeft,  en  alleen  is  uitgebracht  om  den  Koning  een  schoonschij- 
nend  voorwendsel  te  geven  om  het  leger  te  verlaten. 

Aardig  is  het  om  in  de  briefwisseling  van  Racine  en  Boileau 
op  te  merken  wat  zij  zeggen  van  die  terugkomst  des  Konings 
te  Versailles.  Nog  den  6en  Juni  schrijft  Boileau  uit  Parijs  aan 
zijn  vriend,  die  bij  het  leger  is: 

>Ik  twijfel  er  niet  aan.  Mijn  Heer,  of  gij  zijt  op  het  punt  om 


Digitized  by 


Google 


214  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

eene  groote  en  gelukkige  gebeurtenis  bij  te  wonen;  en,  bedrieg 
ik  mij  niet,  dan  zal  de  Koning  den  zegerijksten  veldtocht  ver- 
richten, dien  hij  nog  ooit  verricht  heeft.  Hij  zal  groot  genoegen 
doen  aan  den  Heer  De  la  Chapelle,  die,  als  wij  zijn  zin  wilden 
volgen,  ons  reeds  een  gedenkpenning  zou  doen  ontwerpen  op 
de  inneming  van  Brussel;  ik  ben  overtuigd  dat  hij  zelf,  in  zijne 
verbeelding,  die  gedenkpenning  reeds  hééft  ontworpen." 

Uit  Gemblours,  den  gen  Juni,  meldt  Racine  aan  zijn  vriend 
de  verandering  in  het  aanvankelijk  oorlogsplan,  en  geeft  niet 
onduidelijk  te  kennen  wat  de  ware  reden  is  van  die  verandering: 

»De  Koning  zendt  eene  sterke  afdeeling  van  zijn  leger,  onder 
Monseigneur*^  (de  Dauphijn),  »naar  Duitschland.  Hij  heeft  gemeend, 
dat  men  aan  die  zijde  partij  moest  trekken  van  een  zoo  gunstig 
begin  van  den  veldtocht;  te  meer  dewijl,  indien  de  Prins  van 
Oranje  hier  hardnekkig  blijft  nabij  groote  vestingen  en  achter 
kanalen  en  rivieren,  de  oorlog  hier  zeer  slepende  zou  kunnen 
worden,  en  misschien  minder  uitkomst  zou  opleveren  dan  men 
aan  den  Rijn  kan  verkrijgen." 

Boileau,  die  eerst  zoo  opgetogen  was  met  de  vooruitzichten 
op  den  krijgsroem,  door  Lodewijk  XIV  in  de  Nederlanden  te 
behalen,  is  nu  ook  weer  blij  dat  de  Koning  maar  terugkomt. 
Den  i3en  Juni  schrijft  hij  aan  Racine: 

»Ik  kan  u  niet  zeggen,  hoe  blij  ik  ben  dat  de  Koning  terug- 
komt. De  nieuwe  goedheid  die  Zijne  Majesteit  mij  heeft  betoond, 
met  aan  mijn  broeder  de  door  ons  verzochte  gunst  te  verleenen, 
heeft  mijn  ijver  en  oprechte  genegenheid  voor  haar  nog  ver- 
meerderd. Ik  ben  opgetogen,  nu  ik  weet  dat  's  Konings  gehei- 
ligde persoon  in  deze  volstrekt  geen  gevaar  zal  loopen;  en  de 
eene  roem  heeft  evenveel  waarde  als  de  andere:  het  komt  mij 
voor,  dat  men  even  goed  lauweren  kan  verwerven  aan  den  Rijn 
en  aan  de  Don  au,  als  aan  de  Schelde  of  Maas ..." 

Welzeker  kan  men  dat;  —  maar  het  kwam  er  hier  op  aan, 
de  redenen  te  kennen  en  te  beoordeelen  die  deden  afzien  van 
het  » verwerven  van  lauweren  aan  de  Schelde  of  Maas."  Van 
Boileau,  een  hofdichter,  was  zulk  een  onderzoek  echter  niet  te 
wachten ;  hij  was  vleier  en  lofredenaar,  het  tegenovergestelde  van 
een  onpartijdig  beoordeelaar.  Maar  de  geschiedenis  heeft  het 
recht  en  den  plicht  om  te  zeggen,  dat  die  handeling  van  1693 
geenszins  strekt  tot  roem  van  Lodewijk  XIV,  dat  zij  integendeel 
afbreuk  doet  aan  zijne  grootheid,  en  dat  zij  hem  kenmerkt  als 
een  man  die  te  kort  schoot  aan  geestkracht  en  aan  heldenmoed, 
de  meest  noodzakelijke  eigenschappen  voor  het  hoofd  van  eene 
machtige  monarchie. 

Wat  een  triomf  voor  zijn  tegenstander,  die,  door  het  ontzag 
dat  zijn  naam  inboezemde,  den  Franschen  koning  zooveel  vrees 
aanjoeg,  dat  hij,  onder  een  voorwendsel  dat  niemand  misleidde. 


Digitized  by 


Google 


1693.  215 

het  strijdperk  verliet  zonder  den  kamp  aan  te  vangen.  Onver- 
wrikt  had  Willem  III  het  gevaar  onder  de  oogen  gezien,  en  het 
daardoor  verminderd ;  dat  dreigend  onweder,  dat  over  de  Neder- 
landen moest  losbarsten,  was  voor  een  deel  naar  Duitschland 
afgedreven;  en  er  was  tijd  gewonnen,  voor  den  verdediger  eene 
groote  winst.  Nóg  werden  er  krachtige  inspanningen  gevorderd 
om  Frankrijk's  overmacht  het  hoofd  te  bieden;  maar  toch,  de 
kansen  waren  reeds  veel  gunstiger  geworden  voor  de  bondge- 
nooten ;  en  terwijl  het  bij  den  aanvang  van  den  veldtocht  scheen 
alsof  de  Spaansche  Nederlanden  onfeilbaar  moesten  verloren 
gaan,  kon  men  nu  de  hoop  koesteren  van  's  vijands  aanslagen 
grootendeels  te  zullen  verijdelen  en  hem  slechts  onbeduidende 
voordeelen  te  zien  behalen. 

Toch,  hoezeer  verminderd,  was  het  Fransche  leger  in  de 
Nederlanden  nog  altijd  veel  sterker  dan  dat  der  bondgen ooten : 
het  eerste  telde  een  60  è  70000  man  aan  voetvolk  en  een  groote 
30000  ruiters  of  dragonders,  dus  te  zamen  90  k  100 000  man; 
terwijl  het  leger  van  Willem  III,  naar  onze  schatting,  slechts 
60  k  65000  man  telde,  't  Is  waar,  in  een  brief  van  Athlone 
(Rheede-Ginkel)  van  den  2osten  Juli,  wordt  de  sterkte  van  het 
leger  der  bondgenooten  gesteld  op  in  de  80  bataljons  en  150 
eskadrons;  een  40000  man  voetvolk  en  30000  ruiterij,  te  zamen 
70000  man,  dus  een  5  k  10  000  man  meer  dan  ónze  schat- 
ting; —  toch  blijft  men  dan  nog  altijd  beneden  de  sterkte  van 
het  Fransche  leger.  Het  vertrek  van  den  Koning  gaf  nu  ook 
aan  Luxembourg  het  voordeel,  van  meer  zelfstandig  en  vrij  te 
werk  te  kunnen  gaan. 

Den  i5cn  Juni  brak  Luxembourg  zijn  kamp  op  te  Tourine,  en 
rukte  hij  het  leger  der  bondgenooten  te  gemoet;  hij  sloeg  zich 
dien  dag  neder  tusschen  Bossu  en  Ecluse,  —  of  Bossuyt  en 
Sluis;  want,  in  dit  gewest  van  eene  tweeslachtige  nationaliteit,  is 
het  onzeker  of  men  de  Fransche  namen  moet  bezigen,  of  de 
Brabandsche.  Te  Ecluse  was  het  PVansche  leger  maar  1  k  2  uur 
gaans  verwijderd  van  het  leger  van  Willem  III,  dat  nog  altijd 
ten  zuidoosten  van  Leuven  stond,  bij  de  abdij  van  het  park. 

Of  Luxembourg  toen  voornemens  was  om  het  leger  van  de 
bondgenooten  aan  te  vallen  en  slag  te  leveren,  is  zoo  geheel 
zeker  niet;  maar  hij  nam  er  toch  den  schijn  van  aan,  en  deed 
op  den  1760  Juni  eene  verkenning  van  's  vijands  stelling.  Die 
verkenning  bracht  Luxembourg  tot  het  inzicht,  dat  zulk  een 
aanval  ondoenlijk,  ten  minste  onraadzaam,  was:  de  stelling  van 
Willem  III  was  sterk ;  de  beide  uiteinden  van  de  slaglinie  waren 
goed  aangeleund,  de  rechter  aan  de  Dijle,  de  linker  aan  bos- 
schen;   in   geval   van  tegenspoed   was   de  terugtocht  goed  ver- 


Digitized  by 


Google 


2l6  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEIÏ. 

zekerd,  daar  men  in  de  onmiddellijke  nabijheid  was  van  Leuven, 
dat  het  geslagen  leger  kon  opnemen ;  een  flankaanval  kon  Luxem- 
bourg  niet  doen ;  en  een  frontaanval  was  ook  moeielijk,  doordien 
de  linkervleugel  van  de  bondgenooten  beschermd  werd  door  een 
beek  met  steile  wanden,  en  zich' voor  het  verdere  front  bosch- 
achtig,  ontoegankelijk  terrein  bevond,  waartusschen  slechts  enkele 
doorgangen  waren,  op  sommige  punten  zoo  weinig  breed,  >dat 
maar  twee  eskadrons  in  front*'  zich  daar  konden  bewegen. 
Beaurain,  aan  wien  wij  die  bijzonderheden  ontleenen,  verklaart 
dan  ook,  dat  het,  in  die  stellingen,  voor  de  wederzijdsche  legers 
eene  onmogelijkheid  was  om  een  algemeenen  veldslag  te  leveren. 

Bij  onze  hedendaagsche  tactiek,  met  hare  zooveel  meer  be- 
weegbare troepen,  met  het  verspreide  gevecht,  met  de  zoo 
groote  uitwerking  der  vuurwapens,  en  met  de  aanzienlijke  uit- 
breiding van  de  artillerie,  zou  —  zooals  van  zelf  spreekt  —  dat 
oordeel  van  Beaurain  niet  gelden.  Maar  men  moet  zich  in  dien 
vroegeren  tijd  verplaatsen;  de  legerhoofden  van  de  17e  eeuw 
handelden  volgens  de  tactiek  van  de  17e  eeuw,  niet  volgens  de 
hedendaagsche;  en  dat  Luxembourg  —  wien  het  niet  ontbrak 
aan  stoutheid  en  ondernemingsgeest  —  geen  aanval  durfde  wagen 
op  de  stelling  van  Willem  III,  bewijst  dat  die  stelling  werke- 
lijk zeer  sterk  was,  en  met  bekwaamheid  was  gekozen. 

Maar  toen  Luxembourg  afzag  van  een  veldslag,  wat  deed  hij 
toen?  —  in  den  eersten  tijd,  niets;  gedurende  bijna  eene  maand 
tijds  bleven  de  beide  legers,  werkeloos,  op  korten  afstand  tegen- 
over elkander  staan.  Een  maand  winst  voor  den  verdediger,  een 
maand  verlies  voor  den  aanvaller!  Geen  kleinigheid,  in  een  tijd 
toen  men  meestal  slechts  de  helft  van  het  jaar  met  krijgsver- 
richtingen  doorbracht. 

Maar  al  vochten  de  legers  niet,  zij  moesten  toch  eten;  dit  is 
te  allen  tijde  eene  hoofdzaak  geweest  bij  het  oorlogvoeren;  en 
de  helft  van  de  veldheerskunst  bestaat  daarin,  om  te  zorgen  dat 
de  troepen  geen  gebrek  lijden.  In  de  17e  eeuw  had  de  zorg 
voor  de  voeding  van  de  legers  te  velde  hare  eigenaardige  be- 
zwaren; *t  is  waar,  er  werd  toen  minder  voor  die  voeding  ge- 
vorderd, daar  men  niet  zoo  veeleischend  en  verwend  was  als  in 
onze  dagen;  maar  aan  den  anderen  kant  waren  de  middelen 
om  die  voeding  te  verkrijgen,  oneindig  schaarscher  en  beperkter 
dan  thans.  De  troepen  zelve  te  laten  voorzien  in  hunne  voeding, 
door  ze  in  te  kwartieren  bij  de  ingezetenen,  dat  ging  niet,  dat 
was  ondoenlijk  door  de  samenstelling  der  legers  zooals  die  toen 
was;  men  moest  die  legers  voeden  door  geregelde  uitdeelingcn, 
en  daartoe  was  het  noodig  fourageeringen  te  verrichten,  of  leef- 
tocht aan  te  voeren  uit  de  magazijnen  in  de  vestingen.  Maar 
het  middel  van  de  fourageeringen  kon  zelden  volstaan,  omdat 


Digitized  by  VjOOQIC 


1693.  2^7 

de  landen  toen  minder  bebouwd  waren  en  de  legers  meestal 
geruimen  tijd  bleven  in  dezelfde  landstreek;  en  de  aanvoer  van 
levensmiddelen  uit  de  magazijnen  werd  toen  zeer  bemoeilijkt, 
omdat  de  landwegen  toen  zoo  slecht  en  gebrekkig  waren. 

Willem  III,  die  reeds  den  500  Juni  in  zijn  kamp  bij  Leuven 
stond,  had  gezorgd  dat  de  fourageeringen  voornamelijk  verricht 
werden  in  de  landstreek  ten  zuiden  van  die  stad;  zoodat,  toen 
Luxembourg  in  die  landstreek  kwam,  hij  er  niet  veel  meer  vond. 
Vandaar  dat  het  Fransche  legerhoofd  vooral  zijn  toevlucht  moest 
nemen  tot  konvooien  met  levensmiddelen  uit  de  magazijnen  van 
Frankrijk's  noordelijke  vestingen,  soms  ook  uit  Mons.  Die  kon- 
vooien om  het  leger  van  Luxembourg  te  bereiken,  gingen  over 
Beaumont,  over  Philippeville,  over  Namen;  zij  moesten  soms 
omwegen  maken,  om  zich  minder  bloot  te  stellen  aan  vijande- 
lijke aanvallen.  Willem  III  had  uit  zijn  kamp  afdeelingen  ruiterij 
afgezonden  naar  Charleroi  en  naar  Hoey,  om,  vereenigd  met  de 
bezettingen  van  die  vestingen,  aanvallen  te  doen  op  de  kon- 
vooien die  naar  Luxembourg's  kamp  op  weg  waren;  en  het 
schijnt  dat  daardoor  de  marsch  van  die  konvooien  soms  werd 
vertraagd  en  de  voeding  van  het  Fransche  leger  belemmerd. 

Bij  eene  dier  ondernemingen  tegen  de  Fransche  konvooien 
ondergingen  de  bondgenooten  echter  een  gevoelig  nadeel.  Den 
4en  Juli  vertrok,  van  Beaumont  naar  het  leger  van  Luxembourg, 
een  konvooi  van  600  wagens,  beladen  met  meel,  brood,  wijn  en 
verderen  leeftocht,  en  met  twee  millioen  aan  geld;  ook  waren 
daarbij  eenige  honderden  runderen  en  schapen.  Tusschen  Beau- 
mont en  Philippeville  werd  dat  konvooi  aangevallen  door  eene 
afdeeling  der  bondgenooten,  uit  Charleroi  opgerukt,  en  sterk 
1500  man  voetvolk  en  1400  ruiters.  De  aanval  mislukte  geheel 
en  al;  het  konvooi  bereikte  veilig  Philippeville;  de  bondge- 
nooten werden  geslagen,  en  verloren  —  volgens  Beaurain  — 
behalve  de  gewonden  en  gevangenen,  een  200  man  aan  dooden. 
De  Europische  Mercurius  stelt  dit  verlies  wel  kleiner  voor;  maar 
erkent  toch  ook,  dat  de  bondgenooten  hier  de  nederlaag  heb- 
ben geleden. 

Den  Sstcn  Juli  brak  Luxembourg  zijn  kamp  op  bij  Bossu  en 
Ëcluse,  en  sloeg  zich  neder  tusschen  de  riviertjes  de  Groote  en 
de  Kleine  Geete,  bij  Heylisem,  omstreeks  een  uur  gaans  ten 
zuiden  van  Thienen,  of  Tirlemont.  Denkelijk  heeft  er  eene  twee- 
ledige reden  bestaan  voor  die  verandering  van  stelling:  het  zal 
bezwaarlijk  geweest  zijn  om  in  die  stelling  bij  Ëcluse  nog  langer 
te  voorzien  in  de  voeding  van  het  Fransche  leger;  en  Luxem- 
bourg wenschte  de  Maas  meer  nabij  te  komen,  om  een  aanval 
op  Hoey  en  Luik  te  kunnen  ondernemen.  Daar  het  Fransche 


Digitized  by 


Google 


2l8  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

leger  te  Ecluse  op  korten  afstand  van  den  vijand  stond,  moest 
de  marsch  op  Heylisem  met  de  noodige  voorzorgen  geschieden; 
Luxembourg  liet  het  daaraan  dan  ook  niet  ontbreken;  en  met 
zooveel  beleid  ging  hij  daarbij  te  werk,  dat,  hoezeer  Willem  III 
dadelijk  vooruitrukte  toen  hij  den  afmarsch  van  den  vijand  ont- 
dekte en  dien  vijand  door  60  eskadrons  deed  volgen,  de  Stad- 
houder het  evenwel  onraadzaam  achtte  om  het  Fransche  leger 
bij  dien  marsch  aan  te  vallen.  —  Van  8  tot  18  Juli  bleef 
Luxembourg  in  dat  kamp  bij  Heylisem. 

Volgens  Beaurain  werd  het  leger  van  Willem  UI  toentertijd 
versterkt  met  22  bataljons,  getrokken:  10  uit  Luik,  6  uit  Maas- 
tricht, 3  uit  Charleroi ;  de  3  andere  waren  uit  Holland  gekomen. 
Bij  onze  schrijvers  zoekt  men  tevergeefs  naar  die  bijzonderheid; 
en  het  waarschijnlijkste  is,  dat  die  versterking  grootendeels  niets 
anders  is  geweest  dan  het  terugkomen  van  afdeelingen,  vroeger 
uit  het  leger  afgezonden  naar  Luik,  Maastricht  en  Charleroi.  Zoo 
was  ook  de  ruiterij  van  Charleroi  weer  teruggekomen  bij  het 
leger.  Eene  andere  ruiterafdeeling  van  een  3000  paarden,  die, 
onder  Tilly,  bij  Hoey  had  gestaan,  was  van  daar  teruggegaan 
en  den  i3eu  Juli,  over  Luik,  te  Tongeren  aangekomen;  hier 
bleef  zij  ook  den  i4cn,  gekampeerd  ten  zuiden  van  de  stad,  op 
den  rechteroever  van  de  Jeker,  bij  het  kasteel  Hamal. 

Luxembourg,  hiervan  onderricht,  besloot  die  ruiterij  —  Luike- 
naars,  Lunenburgers  en  Hannoveranen  —  te  overvallen.  Eene 
sterke  afdeeling,  een  10  000  man  zeggen  onze  opgaven,  verliet 
in  den  avond  van  den  1400  het  kamp  te  Heylisem,  ging  iets 
beneden  Waremme  op  den  rechteroever  van  de  Jeker  over,  en 
naderde  in  stilte  het  kamp  van  de  bondgenooten  bij  Hamal.  De 
patrouilles,  door  Tilly  uitgezonden,  hadden  niets  van  den  vijand 
bespeurd ;  maar  omstreeks  middernacht  kwam  een  geestelijke  den 
bevelhebber  waarschuwen;  deze  had  maar  even  den  tijd  om 
zijne  ruiterij  te  ];aard  te  doen  stijgen,  en,  door  op  Maastricht 
terug  te  trekken,  aan  het  dreigend  gevaar  te  ontkomen;  maar 
zijne  achterhoede,  door  de  voorste  Fransche  eskadrons  aange- 
vallen, stoof  in  verwarde  vlucht  uiteen,  en  verloor  een  paar 
honderd  man  aan  dooden  en  gevangenen,  drie  standaarden,  en 
al  de  bagage. 

Die  voordeelen,  door  het  Fransche  leger  behaald,  waren  even- 
wel van  een  weinig  beduidenden  aard;  en  Willem  III,  'svijands 
sterkte  misschien  te  licht  schattende,  besloot  nu  op  zijne  beurt 
aanvallenderwijze  te  handelen.  Een  aanval  op  de  liniën  van 
Fransch  Vlaanderen  werd  voorgenomen,  en  daartoe  eene  macht 
bestemd  van  een  9  i  10  000  man  voetvolk  en  een  5000  ruiters, 
alles  onder  den   hertog  van  Wurtemberg.  Den   iien  Juli  verliet 


Digitized  by 


Google 


1693.  219 

het  grootste  gedeelte  dier  macht  het  legerkamp  bij  Leuven; 
enkele  bataljons  kwamen  uit  Gent  en  andere  vestingen  in  Vlaan- 
deren. Het  slechte  weer  vertraagde  den  marsch;  de  wegen  waren 
door  den  regen  bedorven;  zoodat  het  18  Juli  werd  voordat  men 
de  vijandelijke  liniën  kon  aanvallen:  de  ruiterij  was  reeds  een 
dag  of  vier  voor  die  liniën  geweest,  maar  Wurtemberg's  voetvolk 
had  niet  zoo  spoedig  kunnen  marcheeren. 

De  liniën  die  bestemd  waren  om  Fransch  Vlaanderen  te  dek- 
ken, moesten  de  ruimte  afsluiten  tusschen  de  Schelde  en  de  Lijs; 
rechts  begonnen  zij  te  Espierre  aan  de  Schelde,  en  eindigden 
links  aan  de  Lijs,  nabij  de  vesting  Meenen;  zij  hadden  eene 
lengte  van  omstreeks  4  uur  gaans.  De  linie  bestond  uit  eene 
borstwering,  met  daarvoor  liggende  gracht  van  6  meter  breedte 
en  2  è.  3  meter  diepte;  van  afstand  tot  afstand  had  men  in  die 
linie  kleine  gesloten  werken;  van  die  kleine  redouten  waren  er 
in  het  geheel  30,  —  maar  er  wordt  niet  van  gewaagd  dat  zij 
met  geschut  waren  bewapend.  De  Espierrette,  een  beek  of  kleine 
rivier,  stroomde  op  korten  afstand  langs  een  groot  gedeelte  van 
de  linie,  en  maakte  een  eerste  hindernis  uit  voor  den  aanvaller. 
De  verdedigende  macht,  onder  De  la  Valette,  wordt  door  de 
Europische  Mercurius  begroot  op  een  10  000  man  geregelde 
troepen,  behalve  de  gewapende  boeren ;  denkelijk  is  er  niet  veel 
overdrijving  in  dat  cijfer;  want  De  la  Valette  had  aanvankelijk 
wel  niet  meer  dan  4  bataljons  en  16  eskadrons,  maar  is  later 
versterkt  geworden  door  troepen  die  in  het  begin  des  jaars  in 
Normandië  en  Bretagne  waren  geplaatst  om  eene  vijandelijke 
landing  tegen  te  gaan,  maar  die  van  daar  werden  weggenomen 
toen  men  bespeurde  dat  zulk  eene  landing  niet  meer  was  te  vreezen. 

Maar  ook  hier  bleek  weer  de  onwaarde  van  die  uitgestrekte 
verschanste  liniën,  die  de  verdediger  niet  overal  kan  bezetten 
en  die  de  aanvaller  overal  kan  aantasten.  Toen  de  hertog  van 
Wurtemberg,  den  i8en  Juli,  na  eenig  geschutvuur,  drie  storm- 
colonnes  deed  voortrukken,  ondervonden  deze  slechts  geringen 
tegenstand,  en  waren  zij  in  een  half  uur  tijds  de  liniën  binnen- 
gedrongen, waarschijnlijk  op  punten  waar  geen  genoegzame  be- 
zetting was.  Bij  Moucron,  zoo  wat  halfweg  de  Schelde  en  de 
Lys,  deed  De  la  Valette  nog  eene  poging  om,  met  1800  man 
voetvolk  en  8  eskadrons  ruiterij,  den  binnengedrongen  vijand 
staande  te  houden;  die  poging  slaagde  echter  niet,  en  de  Fran- 
sche  bevelhebber  werd  gedwongen  om  achter  de  Lys  terug  te 
gaan.  De  geheele  onderneming  had  aan  de  bondgenooten  maar 
een  paar  honderd  man  gekost  aan  dooden  en  gewonden. 

Wurtemberg  deed  daarop  een  goed  deel  der  liniën  slechten, 
en  trok  toen  het  land  verder  in.  Den  23sten  Juli  vermeesterde  hij 
het  kasteel  van  Trésin,  tusschen  Rijssel  en  Doornik,  na  een  scherp 


Digitized  by 


Google 


220  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

gevecht  dat  aan  elke  der  beide  partijen  eenige  honderd  man 
kostte.  Toen  werden  Artois  en  Fransch  Vlaanderen  door  de  bond- 
genooten  op  brandschatting  gesteld,  die  daarmede  eene  som  van 
meer  dan  6  millioen  guldens  ophaalden;  —  een  gewichtig  voor- 
<leel  in  een  tijd  toen  het  oorlogvoeren  meebracht  dat  men  bij 
den  vijand  roofde,  om  daardoor  diens  oorlogsmiddelen  te  ver- 
minderen, de  eigene  middelen  te  vermeerderen. 

Dat  voordeel  door  de  bondgenooten  behaald  bij  de  Schelde, 
werd  spoedig  meer  dan  opgewogen  *  door  nadeelen  in  het  Luik- 
sche  en  in  Braband  geleden ;  en  Willem  III  ondervond  toen  hoe 
gewaagd  de  handeling  was  om  zich  te  verzwakken  tegenover  een 
stout  en  bekwaam  legerhoofd,  dat  gebruik  wist  te  maken  van  de 
minste  onvoorzichtigheid  van  zijn  tegenstander. 

Toen  Luxembourg  bericht  ontving,  dat  eene  troepenmacht  der 
bondgenooten  in  aantocht  was  naar  de  liniën  van  Fransch  Vlaan- 
deren, oordeelde  hij  met  reden  dat  het  weinig  zou  baten,  al  werd 
van  het  Fransche  hoofdleger  versterking  toegezonden  aan  De  la 
Valette;  daar  de  liniën  vermeesterd  konden  zijn  vóór  de  komst 
van  die  versterking.  Hij  achtte  het  verkieslijk  om  partij  te  trek- 
ken van  de  verzwakking  van  het  leger  van  Willem  III,  om  nu 
over  te  gaan  tot  de  uitvoering  van  de  reeds  lang  beraamde 
ondernemingen  tegen  Hoey  en  Luik. 

Allereerst  werd  besloten  Hoey  te  belegeren ;  en  om  dat  beleg 
te  dekken,  brak  Luxembourg  den  iScn  Juli  zijn  kamp  bij  Hey- 
lisem  op,  en  trok  in  zuidoostelijke  richting  naar  de  Maas;  dien 
dag  werd  de  marsch  voortgezet  tot  Walef,  een  vrij  groote  marsch ; 
—  Walef  is  zoo  wat  een  uur  gaans  ten  zuiden  van  Waremme. 
Den  iQen  was  de  marsch  onbeduidend;  het  leger  sloeg  zich  toen 
neder  te  Vignamont,  een  klein  uur  ten  noorden  van  Hoey;  het 
stond  hier  den  bondgenooten  in  den  weg,  als  deze  het  mochten 
beproeven  om  Hoey  te  hulp  te  komen.  Dien  dag  werd  de  ves- 
ting  berend  door  een  deel  van  het  leger  van  Luxembourg,  door 
troepen  uit  Namen,  en  door  de  kleine  afdeeling  van  d'Harcourt; 
de  maarschalk  Villeroy  werd  belast  met  het  opperbevel  over  die 
gezamenlijke  macht  en  met  het  beleid  van  de  belegering.  —  Dat 
beleid  heeft  niet  veel  hoofdbrekens  gekost;  Hoey  heeft  zich 
flauw  verdedigd. 

Die  vesting,  in  onze  krijgsgeschiedenis  vooral  vermaard  door 
de  verrassing  van  1594,  ligt  op  den  rechteroever  van  de  Maas, 
nagenoeg  halfweg  Namen  en  Luik,  ter  plaatse  waar  zich  eene 
kleine  rivier,  of  beek,  de  Hoyou  of  Hoyoul,  in  de  Maas  werpt. 
De  stad  werd,  door  eene  brug  over  de  Maas,  vereenigd  met  eene 
groote  voorstad  op  den  linkeroever;  bij  de  nadering  van  het 
Fransche  leger  was  die  brug  afgebroken,  en  de  vaart  op  de  Maas 
belet  door  een  staketsel.  Stad  en  voorstad  waren  ommuurd,  en 


Digitized  by 


Google 


1693-  221 

voorzien  van  wal  en  gracht;  maar  de  eigenlijke  sterkte  van  Hoey 
werd  toch  gevormd  door  het  kasteel,  gelegen  op  een  hooge 
rots  met  steile  wanden,  ten  westen  van  de  stad;  op  een  3  k 
400  el  of  meter  vóór  het  kasteel,  westelijk  daarvan,  had  men 
op  de  rots  het  fort  Picard;  en  tusschen  dat  fort  en  het  kasteel 
een  versterkte  toren.  Over  bewapening  en  bezetting  van  Hoey 
ontbreekt  het  aan  bijzondere  opgaven;  wat  men  er  van  weet  is^ 
dat  die  bezetting  bestond  uit  Luiksche  troepen,  en  dat  die  geen 
gunstig  voorkomen  hadden,  volgens  Saint-Simon,  —  den  ver- 
maarden schrijver  der  ,jAjémofres*\  die,  na  de  overgave,  tegen- 
woordig was  bij  den  uittocht  van  die  troepen.  Aan  dit  oordeel 
van  iemand  die  de  bezetting  maar  even  ziet,  is  juist  geen  groote 
waarde  te  hechten;  maar  de  verdediging  zelve  van  Hoey  geeft 
geen  gunstig  denkbeeld  van  de  bezetting,  —  ten  minste  geen 
gunstig  denkbeeld  van  haar  bevelhebber. 

26  mortieren  en  24  kanonnen,  van  Namen  aangevoerd,  komen 
den  2ostcn  Juli  in  8  batterijen;  eene  van  die  batterijen  —  voor 
14  mortieren  —  is  op  de  rots  waarop  het  fort  Picard  en  het 
kasteel  zijn  gelegen ;  de  zeven  andere  batterijen  richten  wel  haar 
vuur  ook  op  die  beide  sterkten,  maar  bevinden  zich  op  eene 
andere  hoogte,  ten  zuidwesten  van  de  stad.  De  Luiksche  bevel- 
hebber. Renesse,  tot  de  overgave  uitgenoodigd,  antwoordt  vol- 
gens de  £uropische  Mercurius,  >dat  hij  zich  kloekmoedig  meent 
te  verdedigen";  —  heeft  hij  dat  antwoord  gegeven,  dan  is  hij 
later  van  meening  veranderd. 

Reeds  den  21  sten  nemen  de  aanvallers  de  stad  in  bezit,  aan 
den  bevelhebber  en  de  bezetting  den  vrijen  aftocht  toestaande 
naar  het  kasteel.  Het  fort  Picard,  dat  den  toegang  naar  het 
kasteel  afsloot,-  geeft  zich  reeds  den  2 2 sten  over;  de  bezetting, 
300  man  sterk,  wordt  krijgsgevangen  naar  Namen  gebracht;  — 
volgens  onze  opgaven  zou  die  bezetting  aftocht  hebben  gevraagd 
naar  het  kasteel,  maar  dit  geweigerd  zijn  door  de  Franschen; 
Beaurain  daarentegen  beweert,  dat  de  Franschen  die  vraag  heb- 
ben ingewilligd,  maar  de  bevelhebber  van  het  kasteel  die  bezet- 
ting van  het  fort  Picard  daarin  niet  heeft  willen  opnemen. 

Nadat  nog  den  23stcn  de  versterkte  toren  tusschen  fort  Picard 
en  het  kasteel  vermeesterd  is  door  de  belegeraars,  treden  ook 
de  verdedigers  van  het  kasteel  in  onderhandeling  en  geven  di& 
sterkte  over,  onder  voorwaarde  van  vrijen  aftocht ;  den  24sten  Juli 
trekt  de  bezetting  met  krijgseer  uit  het  kasteel,  naar  Luik;  — 
wanneer  er  sprake  kan  zijn  van  krijgseer,  bij  zulk  een  flauwen 
wederstand.  Het  is  met  volkomen  recht,  dat  Willem  III,  in  een 
brief  aan  Heinsius,  spreekt  van  >de  infame  verdediging"  van 
Hoey;  en  Renesse  oordeelde  het  dan  ook  maar  raadzaam  om 
vooreerst  in  het  Fransche  leger  te  blijven. 


Digitized  by 


Google 


222  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

De  Stadhouder,  hoorende  dat  Hoey  werd  aangevallen,  had 
besloten  die  vesting  te  hulp  te  komen.  Den  2osten  Juli  brak  hij 
op  uit  zijn  kamp  bij  Leuven,  en  kwam  dien  dag  te  Thienen; 
den  2isteQ  te  Neerhespen,  aan  de  Kleine  Geete,  nabij  Leeuwe; 
en  den  2351011  te  Hopertingen,  tusschen  Sint-Truyen  en  Borchloon. 
Het  doel  van  die  bewegingen  was  Hoey  meer  nabij  te  komen, 
en  misschien  Luxembourg  slag  te  leveren;  toen  echter  den 
24stcn  het  bericht  inkwam,  dat  Hoey  was  bezweken  en  dat  in 
Luik  de  vrees  voor  de  Franschen  de  menigte  in  gisting  had  ge- 
bracht, veranderde  men  van  inzichten.  Het  was  nu  zaak  om  aan 
het  behoud  van  de  Bisschoppelijke  hoofdstad  te  denken;  zich 
met  het  geheele  leger  bij  Luik  te  plaatsen,  dit  kon  Willem  III 
niet,  daar  dan  Leuven  en  Brussel  werden  blootgesteld  aan  Luxem- 
bourg's  ondernemingen;  integendeel,  het  was  zaak  dat  het  leger 
der  bondgenooten  nu  die  beide  Brabandsche  steden  weer  meer 
nabijkwam;  —  toch  moest  er  eene  afdeeling  worden  afgezonden 
om  de  bezetting  van  Luik  te  versterken. 

10  bataljons  voetvolk  en  2  eskadrons  ruiterij,  —  ruim  5000 
man  te  zamen  —  werden  door  Willem  III  naar  Luik  afgezonden, 
en  kwamen,  in  den  ochtend  van  den  26sten  Juli,  binnen  die  stad; 
daardoor  klom  toen  de  bezetting  van  Luik  tot  een  30  bataljons ; 
men  zal  niet  ver  van  de  waarheid  zijn,  als  men  dit  stelt  op  een 
15000  man.  Het  leger  van  de  bondgenooten  ging  weer  terug  in 
westelijke  richting  en  kwam  den  2 5 sten  te  Neérhespen,  waar  het 
eenige  dagen  bleef;  —  te  lang,  zooals  de  uitkomst  heeft  bewezen. 

Luxembourg,  het  oorlogsplan  tegen  Luik  willende  uitvoeren 
en  hopende  op  eene  volksbeweging  ten  voordeele  van  Frankrijk, 
trok  den  25 sten  Juli  in  de  richting  van  die  stad  en  kwam  dien 
dag  te  Lesky,  een  paar  uur  gaans  ten  westen  van  Luik.  Maar 
de  volksbeweging  bleef  uit ;  Luik  had  eene  talrijke  bezetting ;  en 
toen  de  Fransche  veldheer,  in  den  ochtend  van  den  26sten  juli, 
eene  verkenning  deed  van  Luik,  overtuigde  hij  zich  dat  hij  daar 
zou  stuiten  op  sterke  verschansingen. 

Luik  in  zijn  tegenwoordige  gedaante  gelijkt  niet  meer  op  de 
stad  van  1693;  maar  d£  citadel  op  den  linkeroever  van  de  Maas, 
en  de  y^Chartreusi'*  op  den  rechteroever  bestonden  toch  ook  in 
dat  jaar,  hoewel  in  anderen  vorm  dan  thans;  van  beide  wordt 
gezegd,  dat  de  versterkingen  gebrekkig  waren  en  verbetering 
vereischten.  De  stad  op  den  linkeroever  en  de  voorstad  op  den 
rechteroever  der  Maas  waren  met  wal  en  gracht  omgeven,  — 
zooals  toen  gewoonlijk  alle  steden;  —  maar  de  verschillende 
groote  voorsteden  van  Luik,  op  den  linkeroever  van  de  Maas, 
lagen  buiten  de  omwalling. 

Het  bisdom  Luik  was  een  onafhankelijke  staat,  die  denkelijk 


Digitized  by 


Google 


1693.  223 

liefst  geen  deel  had  willen  nemen  aan  den  toen  ge  voerden  oor- 
log. Maar  een  kleine  staat,  ingesloten  tusschen  machtige  oorlog- 
voerende partijen,  kan  moeielijk  onzijdig  blijven;  en  Luik  had 
zich  dan  ook  maar  aangesloten  bij  de  bondgenooten.  Op  die 
aansluiting  kon  men  echter  niet  onvoorwaardelijk  bouwen;  want 
Frankrijk  had  veel  aanhangers  in  de  stad,  en  in  het  Bisdom. — 
Behalve  de  Luiksche  troepen  onder  Tserclaes,  had  men  in  Luik 
Brandenburgsche  troepen,  onder  Heiden,  en  troepen  van  de 
Republiek,  onder  Coehoorn. 

Aan  den  grooten  HoUandschen  ingenieur  werd  de  taak  opge- 
dragen om  Luik  in  staat  van  verdediging  te  brengen;  en  die 
taak  heeft  hem  bezig  gehouden  van  het  najaar  van  1692  tot  in 
1694.  Coehoorn  was  van  oordeel,  dat  Luik  moeielijk  te  ver- 
dedigen was,  wanneer  men  die  verdediging  niet  verrichtte  op 
een  afstand  van  de  stad;  en  daarom  liet  hij,  terwijl  hij  de 
citadel  en  de  Chartreuse  verbeterde,  tevens  verschanste  liniën 
aanleggen  op  de  hoogten  die  Luik  op  den  linkeroever  van  de 
Maas  nabij  komen.  Die  liniën,  vier  in  getal,  omgaven  de  voor- 
steden ;  van  de  boven-Maas  beginnende,  had  men  eerst  eene  linie 
vóór  de  voorstad  Saint-Gilles ;  dan  eene  linie  vóór  de  voorstad 
Sainte-Marguerite ;  tusschen  die  linie  en  de  stad  werd  de  abdij 
van  Saint-Laurent  ter  verdediging  ingericht;  eene  derde  linie 
was  op  de  hoogte  tusschen  de  voorsteden  Sainte-Marguerite  en 
Sainte-Walburge ;  de  vierde  was  vóór  laatstgenoemde  voorstad, 
ten  noorden  van  Luik.  De  voorstad  Saint-Leonard,  aan  de 
beneden-Maas,  werd  alleen  beschermd  door  een  klein  werk  op 
de  hoogte  onmiddellijk  ten  westen  van  die  voorstad.  Geheel 
voltooid  zijn  die  liniën  eerst  in  16^4;  in  welk  een  toestand  zij 
waren  den  26sten  Juli  1693,  blijkt  niet  met  zekerheid. 

Bij  die  versterking  van  Luik  ondervond  Coehoorn  nog  al 
tegenwerking  van  andere  hooge  bevelhebbers  der  Republiek; 
te  recht  of  ten  onrechte  waren  zij  van  oordeel,  dat  die  liniën  te 
uitgebreid  waren  en  voor  hare  verdediging  een  te  groote  troe- 
penmacht vorderden.  Dat  gaf  nog  al  eens  onaangenaamheden. 
Onder  de  tegenstanders  van  Coehoorn  wordt  vooral  de  generaal 
Van  Heukelom  genoemd;  maar  ook  de  hertog  van  Holstein- 
Plön,  die  Waldeck  als  veldmaarschalk  opvolgde,  schreef  eens 
aan  Coehoorn  deze  bitse  woorden:  »het  schijnt,  Mijnheer,  dat 
gij  maar  uw  eigen  hoofd  volgt,  zonder  naar  anderen  te  luis- 
teren; het  zal  mij  eens  benieuwen,  hoe  de  Koning"  (Willem 
III)  »dit  zal  opnemen,"  Maar  Coehoorn  was  tegen  zoo  iets  be- 
stand ;  hij  was  ingenieur,  en  Fries ;  als  Fries  gaf  hij  eene  eenmaal 
opgevatte  meening  niet  spoedig  op;  en  als  ingenieur  had  hij 
een  onwankelbaar  geloof  in  het  heilrijke  van  vestingen  en  ver- 
schanste liniën.  Trouwens,  in  de  dagen  van  Coehoorn  was  voor 
dat  geloof  meer  reden  dan  in  onzen  tijd. 


Digitized  by  VjOOQIC 


224  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BÏSCHOUWINGKN, 

Dat  daargelaten;  zooveel  is  zeker,  dat  die  liniën  in  1693  het 
behoud  van  Luik  zijn  geweest;  of,  om  juister  te  spreken,  die 
liniën  hebben  Luxembourg  toen  verhinderd  om  Luik  aan  te 
vallen.  Ziehier  wat  Beaurain  daarvan  zegt;  en  Beaurain  —  dit 
is  reeds  aangemerkt  —  heeft,  bij  het  samenstellen  van  zijn  werk^ 
de  opgaven  van  Luxembourg  zelf  geraadpleegd. 

>Den  26sten,  *s  ochtends  vroeg,  ging  de  Heer  De  Luxembourg  het 
verschanste  kamp  van  Luik  verkennen ;  en  nadat  hij  het  met  aan- 
dacht had  beschouwd,  was  hij  van  oordeel,  dat  het  te  nemen  was, 
maar  niet  zonder  dat  het  veel  volks  kostte  en  zonder  gevaar  te  loe- 
pen van,  misschien  zonder  nut,  de  beste  infanterie  van  zijn  leger  te 
verliezen:  het  terrein  vóór  de  verschanste  liniën  was  doorsneden 
met  groote  zware  heggen,  en  daarin  zou  men  openingen  moeten 
maken  onder  het  vuur  van  den  vijand ;  men  was  niet  zeker,  ver- 
meesterde  men  de  verschansingen,  den  vijand  even  zwaar  verlies 
toe  te  brengen  als  men  zelf  zou  lijden;  de  vijand  kon,  zoodra 
hij  zag  dat  de  linie  ergens  geforceerd  werd,  zeer  spoedig  in  de 
stad  terugtrekken:  het  verschanste  kamp  werd  door  een  ravijn 
in  tweeën  verdeeld,  zoodat,  a)s  men  het  eene  deel  had  genomen, 
men  zoo  goed  als  geen  nadeel  kon  toebrengen  aan  de  troepen 
die  het  andere  deel  verdedigden;  het  was  ook  te  duchten,  dat, 
nadat  men  bij  den  aanval  op  die  verschansingen  de  beste  infan- 
terie had  verloren,  de  Prins  van  Oranje  zou  trachten  *sKonings 
leger  slag  te  leveren  op  een  terrein,  waar  de  overwinning  niet 
enkel  door  de  ruiterij  beslist  zou  worden;  —  dit  alles  bracht 
den  Heer  De  Luxembourg  tot  de  meening,  dat  het  aanvallen 
van  die  verschanste  liniën  niet  het  middel  was  om  het  doel  te 
bereiken  dat  men  moest  beoogen:  een  voordeel  te  behalen  op 
den  vijand,  waarbij  deze  grooter  verlies  leed  dan  's  Konings  leger, 
en  hem  op  die  wijze  te  dwingen  om  de  troepenmacht  terug 
te  roepen  die  afgezonden  was  om  de  verschanste  liniën  van 
Espierre  te  bemachtigen."  {Hhtoire  militaire  de  Fiandre;  2"  deel, 
blz.  283.) 

Ziedaar  wat  Luxembourg  weerhield  om  de  sterkte  van  de 
verschanste  liniën  van  Luik  op  de  proef  te  stellen;  en  de 
redenen  voor  dit  niet-aanvallen  gegeven,  schijnen  gegrond  en 
verstandig. 

Het  Fransche  legerhoofd  begreep  evenwel,  dat  Willem  III,  door 
het  afzenden  van  die  afdeeling  van  Wurtemberg  naar  de  zijde 
van  Fransch  Vlaanderen  en  van  eene  versterking  naar  Luik,  het 
hoofdleger  der  bondgenooten  wel  met  een  20000  man  had  ver- 
zwakt; en  dat  er  dus  op  dat  oogenblik  eene  groote  overmacht 
was  aan  de  zijde  der  Franschen.  Luxembourg  was  een  te  be- 
kwaam en  te  krachtig  legerhoofd,  om  geen  partij  te  trekken  van 
die  overmacht;  en  hij  besloot  dus  om,  van  Luik  afziende,  snel 
naar  de   Geete's  te  trekken,  naar   de   zijde  van  Lceuwc,  naar 


Digitized  by 


Google 


1693.  225 

Neerwinden  en  Neerhespen,  waar  hel  leger  van  Willem  III  stond. 
Het  geheele  Fransche  leger  zou  dien  marsch  doen,  omdat  de 
mogelijkheid  bestond,  dat  die  marsch  tot  een  veldslag  leidde; 
dien  veldslag  achtte  Luxembourg  echter  niet  waarschijnlijk; 
hij  rekende  er  veel  meer  op,  dat  Willem  III,  overtuigd  van  de 
groote  overmacht  der  Franschen,  zich  bij  hunne  nadering  zou 
haasten  om  achter  de  Geete  terug  te  gaan;  maar  dan  wilde 
Luxembourg  met  zijne  sterke  en  uitmuntende  ruiterij  den  terug- 
gaanden  vijand  hefiig  vervolgen,  en  hem  bij  die  vervolging  groote 
verliezen  toebrengen;  het  gevecht  bij  Leuze  in  169 1  stond  hierbij 
den  Franschen  veldheer  voor  den  geest. 

Maar  het  was  zaak  om  Willem  III  ten  aanzien  van  dat  aan- 
valsplan te  misleiden  en  hem  te  doen  gelooven  dat  het  nog 
altijd  in  de  bedoeling  lag  om  Luik  aan  te  vallen ;  daarvan  werd 
dan  ook  de  schijn  aangenomen,  en  aan  elk  der  Fransche  batal- 
jons gelast  om  300  fascinen  te  maken,  voor  de  bestorming  van 
de  liniën.  De  afstand  van  het  kamp  van  Lesky  naar  de  stelling 
van  Willem  III  te  Neerwinden  was  een  8  uur  gaans;  toch  wilde 
Luxembourg  dien  afstand  afleggen  in  een  enkelen  marsch,  omdat 
hij  vreesde  dat  zijne  tegenpartij  anders  tijdig  terug  zou  trekken 
op  de  moeielijk  aan  te  vallen  stelling  bij  Leuven,  Reeds  den 
2  7sien  Juli  moest  die  marsch  naar  de  stelling  van  de  bondge- 
nooten  geschieden;  maar  onvoorziene  omstandigheden  verhin- 
derden dit:  het  was  dien  dag  zeer  slecht  weer,  zware  regen;  en 
een  paar  patrouilles,  naar  de  zijde  van  Neerwinden  uitgezonden, 
brachten  het  valsche  bericht  mede,  dat  de  bondgenooten  hunne 
stelling  déiéLT  reeds  hadden  verlaten,  op  den  linkeroever  van  de 
Kleine  Geete  waren  overgegaan,  en  naar  Thienen  marcheerden. 
Later  kreeg  Luxembourg  bericht,  dat  die  patrouilles  verkeerd 
waren  ingelicht,  en  de  bondgenooten  nog  altijd  bij  Neerwinden 
legerden;  toen  werd  de  onderneming  vastgesteld  op  den  28sten 
Juli;  en  den  28sten  Juli,  nog  vóór  het  morgenrood,  begon  het 
Fransche  leger  den  marsch,  die  aanleiding  gaf  tot  een  van  de 
belangrijkste  veldslagen  van  dezen  oorlog. 

Het  kan  niet  ontkend  worden,  dat  Willem  III,  bij  dit  gedeelte 
van  den  veldtocht,  te  veel  heeft  gewaagd:  zijn  leger  is  minder 
sterk  dan  het  Fransche,  en  nóg  verzwakt  hij  het  met  een  12  ^ 
15000  man,  die  de  liniën  van  Fransch  Vlaanderen  aanvallen; 
en  hij  doet  dit,  niet  tegenover  een  d'Humières  of  een  Villeroy, 
maar  tegenover  een  Luxembourg,  wiens  uitstekendheid  als  leger- 
hoofd hij  door  langdurige  ondervinding  kende.  Dit  was  overmaat 
van  stoutheid;  dit  was  een  misslag. 

Maar  na  dien  misslag,  na  het  afzenden  van  die  legerafdeeling 
van  Wurteraberg,  is  het  moeielijk  te  zeggen  wat  Willem  III 
anders  had  kunnen  doen,  dan  hij  gedaan  heeft.  Toen  het  beleg 

WILLEM  III.  —  IH.  15 

Digitized  by  VjOOQIC 


226  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

van  Hoey  begint,  trekt  de  Stadhouder  naar  de  zijde  van  het 
Fransche  leger;  of  hij  het  slag  wil  leveren,  —  dit  zal  van  de 
omstandigheden  afhangen,  dit  is  onzeker;  de  spoedige  overgave 
van  Hoey  maakt  een  einde  aan  die  onzekerheid,  en  doet  het 
voornemen  om  slag  te  leveren  vervallen,  —  indien  het  bestaan 
heeft.  Maar  nu  wordt  Luik  bedreigd,  en  moet  de  bezetting  van 
die  stad  worden  versterkt;  door  die  afzending  van  5000  man 
naar  Luik  werd  het  leger  alweer  verzwakt,  en  werd  dus  het  ge- 
vaar verhoogd  waarin  het  verkeerde;  maar  die  afzending  was 
eene  noodzakelijkheid,  men  kon  er  niet  buiten.  Maar  waarom 
dan,  met  het  zoo  verzwakte  leger,  niet  dadelijk  teruggetrokken 
op  de  sterke  stelling  bij  Leuven?  —  Omdat  men  zich  dan  te 
veel  verwijderde  van  Luik,  en  die  stad  dan  geheel  prijsgaf  aan 
de  ondernemingen  van  Luxembourg. 

In  één  woord^  het  valt  gemakkelijk  aan  te  toonen,  dat  alle 
handelingen  die  het  leger  van  Willem  III  toen  in  zulk  een  ge- 
vaarlijken toestand  hebben  gebracht,  geen  misslagen  zijn  geweest; 
maar  dat  zij  de  onvermijdelijke  gevolgen  waren  van  een  vroe- 
geren  misslag:  het  afzenden  van  die  12  èi  15000  man  naar  de 
liniën  van  Fransch  Vlaanderen. 

Zoo  staan  de  zaken,  toen  patrouilles,  op  den  middag  van  den 
28sicn  Juli  door  de  bondgenooten  uitgezonden,  terugkomen  met 
een  paar  Fransche  krijgsgevangenen,  die,  ondervraagd,  den  op- 
marsch  berichten  van  Luxembourg's  leger;  andere  patrouilles, 
daarop  uitgezonden,  stuiten  op  sterke  massa's  van  den  vijand, 
die  in  aantocht  zijn  naar  de  stelling  der  bondgenooten.  Wil- 
lem III  en  zijne  onderbevelhebbers  stijgen  te  paard  en  plaatsen 
zich,  met  eene  bedekking  van  ruiterij,  bij  eene  veldwacht  tus- 
schen  de  dorpen  Neerwinden  en  Rumsdorp;  van  hier  zien  zij 
hoe,  tusschen  drie  en  vier  uur  des  namiddags,  eene  sterke  afdee- 
ling  Fransche  ruiterij  het  stadje  Landen  bereikt,  en  dat  doet 
bezetten  door  afgezeten  dragonders;  in  de  verte  ziet  men  aan 
alle  zijden  sterke  vijandelijke  colonnes  oprukken,  zoodat  er  geen 
twijfel  meer  kan  bestaan  aan  'svijands  voornemen  om  slag  te 
leveren.  Wat  nu  gedaan,  in  dit  gevaarvol  oogenblik  ? 

Sommige  der  generaals  van  Willem  IIÏ,  en  ook  de  Gedepu- 
teerden te  velde,  opperen  de  raeening  om  den  slag  te  ontwijken 
en  snel  terug  te  trekken  achter  de  Kleine  Geete ;  maar  met  volle 
recht  verwerpt  de  Stadhouder  die  raeening:  hij  zegt,  dat  de 
bagage  terug  moet  gaan  vóór  dat  het  leger  teruggaat;  dat  dit 
tijd  vordert,  omdat  veel  paarden  nog  in  de  weide  zijn;  dat  er 
bovendien  maar  weinig  bruggen  zijn  over  de  Geete ;  dat  het  dus 
lang  zal  duren  voordat  het  leger  den  terugtocht  kan  beginnen, 
en  er  dus  alle  waarschijnlijkheid  is,  dat  de  vijand  vóór  dien  tijd 
zal  aanvallen;  en  dat  daarom  het  terugtrekken  een  veel  gevaar- 
lijker handeling  is  dan  het  standhouden  en  slag  leveren. 


Digitized  by 


Google 


NEBRWINDEN.  227 

Dit  waren  verstandige  gronden  voor  het  aannemen  van  den 
strijd,  't  Is  waar,  's  vijands  overmacht  was  groot ;  —  volgens  de 
waarschijnlijkste  opgaven  telde  Luxembourg's  leger  een  70000 
man,  dat  van  Willem  III  slechts  40  k  45000  — ;  maar  die 
overmacht  kon  worden  opgewogen  door  de  sterkte  der  stelling 
van  de  bondgenooten,  door  de  deugdelijkheid  van  hunne  troe- 
pen, en  vooral  door  den  heldenzin  en  de  ontembare  geestkracht 
van  den  veldheer.  —  Er  werd  tot  den  veldslag  besloten. 

Luxembourg  had  dat  niet  verwacht;  en  bij  de  regeling  van 
den  marsch  van  den  28sten  Juli  was  aan  de  infanterie-colonnen 
zelfs  voorgeschreven  om  dien  dag  den  marsch  niet  verder  voort 
te  zetten  dan  tot  Waremme  en  de  Jeker,  en  daar  hun  kamp  op 
te  slaan;  alleen  ruiterij  en  dragonders  zouden  verder  gaan. 
Hierin  kwam  echter  verandering  toen,  in  den  loop  van  den 
marsch,  aan  Luxembourg  met  zekerheid  werd  bericht  dat  de 
bondgenooten  bleven  standhouden  en  den  aanval  schenen  af  te 
wachten;  ook  de  Fransche  infanterie  moest  toen  den  marsch 
voortzetten.  Maar  hoewel  de  ruiterij  reeds  's  namiddags  bij  het 
stadje  Landen  en  in  de  nabijheid  van  's  vijands  stelling  kwam, 
zoo  kon  toch  dat  wapen,  alleen,  den  strijd  niet  aanvangen;  en 
het  werd  avond  vóór  dat  de  Fransche  infanterie  Landen  be- 
reikte; dien  dag  kon  er  dus  van  slag  leveren  geen  sprake  zijn. 
Geen  wonder  is  dit,  wanneer  men  in  aanmerking  neemt,  dat 
dien  dag  het  Fransche  leger  een  zeer  grooten  marsch  had  ge- 
daan: het  had  zeker  8  uren  afstands  afgelegd. 

£ene  bijzondere  omstandigheid  gaf  ook  nog  aanleiding  tot 
tijdverlies.  Regimenten,  die  in  de  slagorde  vooraan  hadden 
moeten  staan,  waren,  bij  de  regeling  van  den  marsch,  aan  den 
staart  der  colonnen  gekomen ;  zij  hadden  daarin  berust,  zoolang 
zij  meenden  dat  het  een  gewone  marsch  was;  toen  zij  echter 
hoorden  dat  er  slag  zou  worden  geleverd,  eischten  die  regimenten 
om  aan  het  hoofd  der  colonnen  te  komen;  en  de  inwilliging 
van  dien  eisch  veroorzaakte  natuurlijk  oponthoud. 


Toen  de  morgen  van  den  29steD  Juli  1695  aanbrak,  zag  de 
Fransche  veldheer  het  leger  zijner  vijanden  tot  den  strijd  gereed, 
en  ontdekte  hij  met  verbazing,  dat  het  van  den  nacht  gebruik 
had  gemaakt,  om,  met  ongeloofelijke  voortvarendheid,  eene  ge- 
duchte sterkte  te  geven  aan  de  stelling  die  het  bezette. 

Die  stelling  breidde  zich  uit  over  eene  lengte  van  een  groot 
uur  gaans,  van  de  Kleine  Geete  nabij  het  dorp  Heylisem,  tot 
aan  het  dorp  Neerlanden  en  de  daarlangs  stroo mende  beek,  die 
zich  in  de  Kleine  Geete  werpt,  bij  het  stadje  Leeuwe,  op  een  kleine 
2  uur  gaans  achter  de  slaglinie  der  bondgenooten.  De  stelling 
werd  uitgemaakt  door  eene   hoogte,  die   den  zuidelijk  gelegen 


Digitized  by 


Google 


228  KRUOS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

grond  —  de  plaats  waar  het  Fransche  leger  was  —  domineerde; 
en  die  aan  dit  eene  voordeel  dat  andere  paarde,  dat  de  terrein- 
verlaging aan  de  binnenzijde  toeliet  om  de  troepen  grootendeels 
te  onttrekken  aan  het  gezicht  en  aan  het  vuur  van  den  vijand. 
De  rechtervleugel  was  goed  aangeleund  aan  de  Kleine  Geete, 
een  riviertje  dat  moeielijk  anders  dan  over  de  bruggen  o  verge- 
trokken kon  worden.  Op  een  groote  looo  el  (meter)  van  de 
Geete  had  men,  op  dien  rechtervleugel,  het  dorp  Neerwinden ; 
en  tusschen  Neerwinden  en  de  rivier,  maar  eenigszins  vooruit- 
springende ten  aanzien  van  de  slaglinie,  het  dorp  Laer;  zoowel 
Neerwinden  als  Laer  waren  dorpen  bestaande  uit  stevige  steenen 
huizen,  verbonden  door  heggen,  en  met  een  kerk  in  het  midden; 
de  sterkte  van  die  dorpen  werd  verhoogd  door  het  opwerpen 
van  dwarswallen  in  het  inwendige.  De  linkervleugel  kon  ook 
als  goed  verzekerd  worden  beschouwd;  men  had  d^dr  een  ravijn, 
dat,  loopende  over  eene  lengte  van  8  k  900  el,  eindigde  bij  de 
beek  van  Landen ;  dat  ravijn  had  vrij  steile  wanden,  en  was  dus 
gemakkelijk  te  verdedigen;  en  tusschen  het  ravijn  en  het  stadje 
Landen  had  men,  voorwaarts  van  de  slaglinie,  Rumsdorp,  een 
van  zware  heggen  voorzien  dorp.  De  beek  van  Landen  had, 
achter  de  slaglinie,  waadbare  plaatsen;  die  werden  onbruikbaar 
gemaakt  door  verhakkingen ;  en  bovendien  werd  het  dorp  Neer- 
landen  bezet,  aan  de  overzijde  van  de  beek  gelegen.  Het  mid- 
den van  de  stelling,  het  opene  en  aanvalbare  gedeelte  tusschen 
het  dorp  Neerwinden  en  het  begin  van  het  ravijn,  —  eene  lengte 
van  een  2500  k  3000  el  —  werd  afgesloten  door  eene  verschanste 
linie,  die  daar  *s  nachts  werd  opgeworpen,  en  die  zich  ook  achter 
het  ravijn  uitbreidde  tot  aan  de  beek  van  Landen. 

Over  die  verschanste  linie  zijn  de  opgaven  niet  eenstemmig; 
sommigen  kennen  haar  eene  groote  sterkte  toe ;  —  onder  anderen 
doet  dit  Lodewijk  XIV  zelf,  in  zijn  brief  aan  den  aartsbisschop 
van  Parijs,  over  het  te  houden  Te  Deum;  —  eene  andere  opgave 
zegt,  dat  die  verschanste  linie  niet  veel  beduidde;  —  die  laatste 
opgave  is  de  waarschijnlijkste;  want  in  één  nacht  tijds  graaft 
men  geen  diepe  gracht,  en  werpt  men  geen  steile,  hooge  borst- 
wering op.  Maar,  onbeduidend  op  zich  zelve,  gaf  die  verschanste 
linie  toch  het  groote  voordeel,  dat  zij  den  verdediger  eenigszins 
beschutte  voor  'svijands  vuur,  en  dat  zij  eene  belemmering  uit- 
maakte voor  den  aanvaller,  vooral  voor  de  ruiterij.  De  stelling 
der  bondgenooten  —  zegt  eene  Fransche  opgave  —  was  onge- 
naakbaar voor  de  ruiterij;  en  daar  vooral  dit  wapen  de  kracht 
van  Luxembourg's  leger  uitmaakte,  is  het  duidelijk  dat  die  in 
haast  opgeworpen  linie  wel  degelijk  de  overmacht  van  het 
Fransche  leger  zeer  verminderde.  Dat  die  linie  op  zichzelve 
onbeduidend  was,  blijkt  ook  nog  uit  de  omstandigheid  dat  zij 
een   open  gedeelte  had,   dat  men  uit  gebrek  aan  tijd  niet  had 


Digitized  by 


Google 


NEERWINDEN.  229 

kunnen  afmaken,  en  dat  men  toen  maar  afsloot  met  in  elkander 
geschoven  wagens  van  de  bagage. 

Heeft  het  onze  korte  beschrijving  niet  geheel  ontbroken  aan 
duidelijkheid,  dan  zal  men  begrijpen  dat  die  stelling  van  Wil- 
lem III  te  Neerwinden  in  hooge  mate  getuigt  voor  zijne  be- 
kwaamheid als  veldheer;  het  verschansen  van  het  slagveld  en 
het  bezetten  en  versterken  van  dorpen  komt  hierbij  voor  op 
eene  wijze,  voor  die  tijden  buitengewoon  en  die  men  zelfs  niet 
terugvindt  bij  de  latere  veldslagen  van  Frederik  II.  —  Kortelijk 
vermelden  wij  nu  op  welke  wijze  het  leger  der  bondgenooten  in 
die  stelling  werd  geplaatst. 

Allereerst  moeten  wij  nog  opmerken,  dat  gedurende  den 
nacht  de  bagage  van  het  leger  —  en  in  dien  tijd  was  zulk  een 
bagage  geen  kleinigheid!  —  werd  teruggezonden,  deels  naar 
Leeuwe,  deels  naar  Thienen.  Tevens  verlieten  het  leger  al  die 
personen  die  met  de  krijgszaken  niets  te  doen  hadden,  zooals 
Blathwait,  de  Engelsche  secretaris  van  Willem  III,  en  Constantijn 
Huygens,  de  Hollandsche.  De  laatste  geeft  in  zijn  journaal  hier 
weer  een  treffend  blijk,  welke  verhevene  gedachten  hem  ver- 
vulden bij  zoo  groote  aanstaande  gebeurtenissen;  onder  dagtee- 
kening  van  28  Juli  1693  wordt  van  oorlogszaken  slechts  schaars 
gewaagd,  maar  komt  de  belangrijke  bijzonderheid  voor:  dat  men 
>deed  braeden,  om  koudt  eten  sanderen  daeghs  te  hebben."  — 
Die  man  wekt  een  onverwinbaar  gevoel  op  van  weerzin  en  min- 
achting ! 

Terwijl  de  bagage  werd  weggezonden,  nieuwe  bruggen  over 
de  Geete  werden  geslagen,  de  dorpen  versterkt  en  de  verschanste 
linie  opgeworpen  werd,  schaarde  het  leger  van  Willem  III  zich 
tevens  in  die  slagorde  waarin  het  's  vijands  aanval  wilde  afwachten. 

Bij  de  opgave  van  de  plaatsing  der  troepen  in  eene  verdedi- 
gende stelling  wordt  het  allereerst  de  plaatsing  vermeld  van  de 
artillerie,  —  want  naar  de  plaatsing  van  de  batterijen  regelt  zich 
de  plaatsing  van  de  andere  wapens;  laten  wij  dus  eerst  spreken 
van  de  artillerie  der  bondgenooten,  —  al  is  het  dat  dit  wapen 
in  de  zeventiende  eeuw  op  lange  na  niet  die  uitwerking  en  dat 
belang  had,  dat  het  tegenwoordig  heeft. 

Het  geschut  van  de  bondgenooten  —  80  vuurmonden,  volgens 
de  meeste  opgaven;  Beaurain  zegt  90  —  werd  geheel  geplaatst 
achter  de  verschanste  linie,  in  het  centrum  der  stelling;  het  moet 
daar  zeer  goed  hebben  gestaan,  en  eenparig  wordt  gewaagd  van 
de  groote  uitwerking  van  zijn  vuur;  het  moet  overmachtig  zijn 
geweest  ten  aanzien  van  de  artillerie  van  Luxembourg.  Twee 
oorzaken  verklaren  die  overmacht:  vooreerst  was  de  Fransche 
artillerie,  in  weerwil  van  de  groote  sterkte  van  het  Fransche 
leger,  minder  sterk  dan  die  der  bondgenooten,  daar  zij  slechts 


Digitized  by 


Google 


230  KRUGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

70  vuurmonden  telde;  en  ten  tweede  kon  de  artillerie  van  WD- 
lem  III  veel  vroeger  haar  vuur  beginnen,  daar  zij  al  dadelijk 
eene  borstwering  vóór  zich  had  die  haar  dekte,  terwijl  voor  de 
Fransche  artillerie  die  dekkende  borstwering  nog  eerst  moest 
worden  opgeworpen.  —  £ene  opgave  van  onze  zijde  spreekt  ook 
van  artillerie  in  de  dorpen  Neerwinden  en  Laer ;  uit  de  gevechten 
om  die  dorpen  blijkt  hiervan  echter  niets. 

Wil  men  een  blijk,  hoeveel  minder  toen  het  belang  was  van 
de  artillerie,  en  hoe  dit  wapen  toen  nog  werd  beschouwd  als 
eene  bijzaak,  dan  kan  men  dit  afleiden  uit  deze  enkele  omstan- 
digheid: de  artillerie  van  Willem  ni  was  hier  80  vuurmonden 
sterk ;  bij  eene  veldartillerie  van  80  vuurmonden  zou  men  tegen- 
woordig meer  dan  één  generaal  hebben,  haar  bevelhebber  zou 
een  van  de  hoogste  rangen  van  het  leger  bekleeden ;  —  de  artil- 
lerie van  Willem  III  te  Neerwinden  had  aan  haar  hoofd  een 
kolonel.  Gouion. 

De  infanterie  van  de  bondgenooten  stond  hier  in  eene  eerste 
linie,  vóór  hunne  ruiterij,  die,  uit  den  aard  der  zaak,  aanvan- 
kelijk geen  deel  kon'  nemen  aan  den  strijd.  Op  den  rechter- 
vleugel waren  de  dorpen  Laer  en  Neerwinden  sterk  bezet  door 
Hannoversche  en  Brandenburgsche  bataljons  en  door  de  £ngelsche 
brigade  Ramsay,  volgens  eene  opgave  5,  volgens  eene  andere  3 
bataljons  tellende;  op  den  linkervleugel  waren  het  dorp  Neer- 
landen  en  de  heggen  nabij  Rumsdorp  bezet  door  bataljons  van 
de  Republiek  en  door  Deensche  bataljons;  de  overige  infanterie 
stond  in  het  centrum,  achter  de  verschanste  linie;  geen  infanterie 
als  reserve. 

De  ruiterij  stond  achter  het  voetvolk,  achter  den  rechtervleugel 
op  drie  liniën,  achter  het  centrum  en  den  linkervleugel  op  twee; 
de  drie  liniën  ruiterij  achter  Laer  en  Neerwinden  werden  aan- 
gevoerd door  den  keurvorst  van  Beieren;  de  ruiterij  van  den 
linkervleugel,  waarover  Athlone  bevel  voerde,  had,  ter  hoogte 
van  Neerlanden,  een  haaksgewijze  stelling  ingenomen,  front 
makende  naar  de  beek,  en  zich  uitbreidende  tot  aan  het  dorp 
Dormael,  een  half  uur  gaans  van  Leeuwe;  in  het  centrum  wor- 
den verschillende  bevelhebbers  genoemd  bij  de  ruiterij,  Obdam, 
Nassau-Sarbruck,  Bentiock  en  Van  der  Duyn  van  'sGravemoer; 
de  stadhouder  van  Friesland  schijnt,  met  Solms  en  Fagel,  aan 
het  hoofd  te  hebben  gestaan  van  de  infanterie  bij  Neerlanden 
en  Rumsdorp.  Willem  III,  zonder  harnas,  maar  duidelijk  ken- 
baar aan  de  ster  van  de  orde  van  den  Kousenband,  was  overal 
waar  strijd  en  gevaar  het  grootst  waren. 

Bij  het  verhaal  van  een  hedendaagschen  veldslag  wordt  dui- 
delijk en  bepaald  opgegeven,  op  welk  punt  van  de  stelling  ieder 
deel  en  onderdeel  des  legers  heeft  gestaan  en  gestreden;  bij 
onze  oudere  schrijvers  moet  men   zoo   iets  niet   zoeken;   men 


Digitized  by 


Google 


NEER  WINDEN.  23 1 

moet  zich  tevredenstellen  met  algemeene,  onbepaalde  opgaven, 
die  geen  juist  denkbeeld  geven  van  het  gebeurde,  maar  veel 
onzekers  en  duisters  overlaten.  Wil  men  weten,  hoe  het  Hol- 
landsche  leger  gestreden  heeft  te  Séneffe  of  te  Neerwinden, 
men  doet  dan  het  best  met  Fransche  krijgskundige  schrijvers 
te  raadplegen ;  —  natuurlijk,  raadplegen  met  het  noodige  onder- 
zoek, met  de  noodige  kritiek;  onvoorwaardelijk  geloof  moet  men 
dien  Franschen  schrijvers  niet  schenken;  hunne  waarheidsliefde 
laat  te  wenschen  over;  —  maar  zij  zijn  duidelijk,  zij  zijn  te  be- 
grijpen. Dijkvelt  zond,  onder  dagteekening  van  30  Juli,  dus  kort 
na  den  strijd,  een  verslag  daarvan  aan  de  Staten-Generaal ;  Wil- 
lem UI  doet  dit  onder  dagteekening  van  den  2en  Augustus;  het 
verslag  van  Dgkvelt  is  niet  kwaad,  dat  van  Willem  III  veel  beter; 
maar  toch,  beide  verslagen  staan  in  duidelijkheid  ver  achter  bij 
het  verhaal  dat  Beaurain  geeft.  Vooral  is  duidelijk  wat  die 
schrijver  zegt  over  de  plaatsing  van  het  Fransche  leger  vóór 
dat  nog  de  strijd  aanving ;  —  wij  willen  dit  hier  kortelijk  overnemen. 

Aanvankelijk  was  Luxembourg*s  macht  bijna  gelijkelijk  ver- 
deeld tegenover  de  geheele  slaglinie  van  den  vijand,  en  zou  die 
slaglinie  dan  ook  over  het  geheele  front  worden  aangevallen; 
het  zou  dus  zijn,  wat  men  met  den  kunstterm  bestempelt  van: 
evenwij digen  veldslag.  De  meeste  veldslagen  van  dien  tijd 
waren  evenwijdige  veldslagen;  bij  de  methodieke  wijze  van  oor- 
logvoeren van  die  dagen  meende  men  dat  dit  zoo  behoorde  bij 
een  fatsoenlijken  veldslag;  een  krijgskundig  schrijver  van  dien 
tijd  —  Feuquières,  indien  wij  ons  niet  vergissen  —  maakt  zelfs 
bezwaar,  den  naam  van  veldslag  te  geven  aan  den  bloedigen  en 
grootschen  strijd  van  Séneffe,  omdat  dddr  de  verschillende  deelen 
van  de  wederzijdsche  legers  niet  gelijktijdig,  maar  achtereenvolgens 
op  het  slagveld  zijn  verschenen. 

De  Fransche  rechtervleugel,  aangevoerd  door  den  Prins  de 
Conti,  bestond  uit  25  bataljons  voetvolk  en  16  eskadrons  dra- 
gonders. Het  voetvolk  stond  op  verschillende  liniën,  bij  het  dorp 
Rumsdorp,  op  den  linkeroever  van  de  beek  van  Landen;  de 
dragonders,  afgestegen  zijnde,  waren  de  beek  overgegaan,  en 
moesten  op  den  rechteroever  het  dorp  Neerlanden  aanvallen. 

De  Fransche  linkervleugel  was  bestemd  om  Laer  en  Neer- 
winden aan  te  vallen;  tegenover  die  dorpen  schaarden  zich,  op 
ééne  linie,  29  bataljons  voetvolk,  onder  de  generaals  Rubantel, 
Montchevreuil  en  Berwick,  de  onechte  zoon  van  koning  Jakobus. 
Tot  steun  van  die  29  bataljons  stonden,  in  eene  tweede  linie, 
nog  3  bataljons  voetvolk  en  4  eskadrons  afgezeten  dragonders; 
en  daarachter  bevonden  zich  de  maarschalken  Joyeuse  en  de 
generaal  De  Ximenès  met  49  eskadrons  ruiterij,  op  twee  liniën 
geschaard,  gereed  om,  zoodra  Laer  en  Neerwinden  zouden  zijn 


Digitized  by 


Google 


232  KRTJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGB   BESCHOUWINGEN. 

genomen,  door  die  dorpen  heen  op  de  vlakte  te  deboucheeren 
en  daar  's  vijands  ruiterij  op  te  zoeken. 

Het  Fransche  centrum  had  eene  slagorde,  die  bevreemding 
opwekt  en  waarvan  het  nut,  of  het  doel,  moeielijk  is  te  raden: 
het  stond  op  niet  minder  dan  8  Hniën;  de  eerste  en  derde  linie 
waren  ruiterij;  de  tweede  en  vierde  voetvolk;  de  vier  laatste 
liniën  weer  ruiterij.  Hoezeer  het  geheel  verkeerd  is,  de  begin- 
selen van  de  hedendaagsche  krijgskunst  toe  te  passen  op  de 
oorlogen  van  de  17e  eeuw,  zoo  kan  men  toch  met  den  besten 
wil  van  de  wereld  geen  verstandige  reden  bedenken  voor  die 
slagorde  van  het  centrum  van  Luxembourg's  leger.  Wat  een 
vreemde  dooreenhaspeling  van  liniën  voetvolk  en  van  liniën 
ruiterij!  en  wat  een  aantal  liniën  achter  elkander  geplaatst,  als 
wilde  men  er  voor  zorgen  dat  van  de  vijandelijke  kanonskogels 
er  toch  zoo  weinig  mogelijk  verloren  zouden  gaan!  Waarlijk, 
van  krijgskundig  beleid  getuigt  die  opstelling  van  Luxembourg's 
centrum  niet. 

De  eerste  en  derde  linie  bestonden,  te  zamen,  uit  25  eskadrons 
ruiterij ;  —  hierbij  bevond  zich  de  vermaarde  Maison  du  Roi\  die 
aan  haar  hoofd  den  hertog  van  Chartres  had,  den  lateren  Regent; 
de  maarschalk  De  Villeroy  en  de  generaals  Rosen  en  Feuquières 
voerden  die  ruiterij  aan.  De  tweede  linie  bestond  uit  11,  de 
vierde  uit  21  bataljons  voetvolk;  de  vier  laatste  liniën  maakten 
te  zamen  89  eskadrons  uit. 

De  geheele  sterkte  van  Luxembourg's  leger  wordt  gesteld  op 
93  bataljons  voetvolk  en  183  eskadrons  ruiters  en  dragonders; 
hieronder  is  niet  begrepen  eene  macht  van  20  eskadrons  ruiters 
en  dragonders,  waarmede  d'Harcourt  in  den  loop  van  den  strijd 
op  het  slagveld  verscheen;  hij  was  van  Hoey  opgerukt,  —  op 
het  hooren  van  het  kanonvuur,  zegt  eene  opgave;  op  bekomen 
bevel  van  Luxembourg,  zegt  een  andere  opgave,  wel  de  waarschijn- 
lijkste. Uit  die  opgave  over  de  samenstelling  van  Luxembourg*s 
leger  volgt,  dat  er  denkelijk  geen  overdrijving  is  in  de  schatting, 
die  dit  leger  eene  sterkte  van  een  70000  man  toekent,  en  het 
dus  een  30000  man  sterker  maakt  dan  het  leger  van  Willem  III. 
Het  geheele  Fransche  leger  schijnt  te  zijn  gebleven  op  den 
rechteroever  van  de  Kleine  Geete;  op  den  linkeroever,  nabij 
Heylisem,  stonden  eenige  weinige  eskadrons  van  de  bondge- 
nooten,  om  den  marsch  van  de  bagage  naar  Thienen  te  be- 
schermen tegen  aar^slagen  van  Fransche  afdeelingen;  maar  er 
wordt  geen  melding  gemaakt  van  zulke  aanslagen,  of  van  het 
verschijnen  van  Fransche  troepen  op  den  linkeroever. 

De  beweegbaarheid  van  de  troepen  was  in  dien  tijd  niet 
bijzonder  groot;  zoodat  het  geen  verwondering  kan  baren  dat 
het  acht  uur  's  ochtends  werd,  voordat  het  Fransche  leger  in  de 


Digitized  by 


Google 


NEERWINDEN.  233 

slagorde  stond  Jie  hierboven  is  opgegeven.  Het  geschut  van  de 
bondgenooten  opende  reeds  om  vier  uur  's  ochtends  zijn  vuur, 
dat  aan  de  Franschen  gevoelige  verliezen  toebracht;  eerst  tus- 
schen  vijf  en  zes  uur  werd  dit  vuur  beantwoord  door  de  70 
vuurmonden  van  Luxembourg,  die  zich  vóór  het  Fransche  cen- 
trum hadden  ingegraven.  Uit  den  aard  van  de  zaak  volgt,  dat 
de  bondgenooten  door  het  kanonvuur  minder  leden  dan  hunne 
tegenpartij;  toch  ondergingen  zij  daardoor  een  smartelijk  ver- 
lies: een  der  eerste  schoten  bracht  eene  doodelijke  wonde  toe 
aan  den  dapperen  Solms;  op  het  slagveld  achtergebleven  en  in 
'svijands  handen  gevallen,  stierf  hij  weinige  dagen  daarna;  in 
hem  verloor  Willem  III  een  bekwaam  en  krachtvol  onderbevel- 
hebber. 

Ëenige  uren  lang  duurde  het  Fransche  geschutvuur,  voorna- 
melijk gericht  op  het  centrum  van  de  bondgenooten  en  op  Neer- 
winden en  Laer.  Geloovende  den  vijand  genoegzaam  te  hebben 
geschokt  door  dit  vuur,  doet  Luxembourg,  ruim  negen  uur. 
Neerwinden  en  Laer  bestormen  door  het  voetvolk  van  Rubantel, 
Mont  Chevreuil  en  Berwick.  Die  aanval,  met  Fransche  onstui- 
migheid verricht,  schijnt  aanvankelijk  volkomen  te  gelukken: 
Laer  wordt  geheel  genomen ;  in  Neerwinden  dringen  de  Fransche 
bataljons  op  verschillende  punten  binnen ;  en  de  Fransche  ruiterij, 
dadelijk  partij  trekkende  van  dit  voordeel,  rijdt  door  het  dorp 
Laer  heen,  en  deboucheert  op  de  vlakte  aan  de  andere  zijde, 
om  daar  de  ruiterij  van  de  bondgenooten  op  te  zoeken.  Bezons, 
met  18  eskadrons,  is  vooraan;  maar  Joyeuse,  met  de  hoofdmacht 
van  de  ruiterij,  is  gereed  om  die  voorste  afdeeling  te  volgen. 

Maar  spoedig  verandert  de  kans.  Willem  III  herzamelt  de  ge- 
slagen verdedigers  van  Laer;  hij  doet  den  strijd  in  Neerwinden 
met  nadruk  volhouden,  en  trekt  bataljons  uit  het  centrum  tot 
zich,  om  daarmede  den  rechtervleugel  te  versterken.  Er  heeft 
een  woedende  kamp  binnen  Neerwinden  plaats,  die  eindigt  met 
de  nederlaag  van  de  Franschen;  Beaurain  wijt  dit  voor  een  deel 
daaraan,  dat  de  aanvalscolonnen  van  de  Franschen  in  het  dorp 
ieder  op  zichzelve  te  werk  gingen;  terwijl  de  bondgenooten, 
door  de  uitmuntende  wijze  waarop  zij  het  inwendige  van  het 
dorp  hadden  versterkt,  meer  met  eenheid  konden  handelen,  voet 
voor  voet  den  grond  betwisten,  en  telkens  nieuwe  bataljons  doen 
oprukken  in  het  dorp.  De  Fransche  bevelhebbers  brengen,  voor 
en  na,  de  29  bataljons  van  de  eerste  linie,  en  de  3  bataljons 
en  de  afgezeten  dragonders  van  de  tweede,  in  de  dorpen;  niets 
baat;  voor  en  na  teruggedrongen,  moeten  zij  eerst  Neerwinden 
en  daarna  ook  Laer  geheel  ontruimen;  in  verwarring  worden  zij 
teruggeworpen  op  de  vlakte;  een  hunner  bevelhebbers,  Mont 
Chevreuil,  sneuvelt;  een  ander,  Berwick,  valt  in  's  vijands  handen. 


Digitized  by 


Google 


234  KRIJGS-   £N  GESCHIBDKUNDIGB  BESCHOUWINGEN. 

Bezons  was  met  zijn  i8  eskadrons  reeds  doorgedrongen  op 
de  vlakte  achter  Laer,  en  daar  met  de  ruiterij  van  de  bondge- 
nooten  in  gevecht  geraakt;  ook  dat  gevecht  liep  nadeelig  af 
voor  de  Franschen,  vooral  door  de  wending  die  de  dorpsge- 
vechten hadden  genomen.  De  Fransche  bevelhebber  haastte  zich 
om  terug  te  gaan  door  Laer,  of  op  zij  van  dat  dorp^  en  zijne 
vluchtende  eskadrons  te  herzamelen  achter  Joyeuse's  ruiterij. 

Kort  na  het  begin  van  dien  aanval  op  Neerwinden  en  Laer 
deed  het  Fransche  centrum  ook  eene  poging  om  de  verschanste 
linie  van  de  bondgenooten  te  doorbreken;  —  eene  poging 
slechts,  waarvan  men  echter  spoedig  afzag.  De  voorste  linie  van 
dat  centrum  —  ruiterij  —  die  op  ongeveer  een  looo  el  afstands 
van  die  verschansing  stond,  reed  daarheen,  als  wilde  zij  ze  be- 
stormen; nu  bestond  die  afdeeling  wel,  voor  de  helft,  uit  de 
Maison  du  Rot\  die  toen,  en  niet  zonder  grond,  werd  gehouden 
voor  de  dapperste  ruiterij  van  de  wereld ;  en  nu  heeft  de  krijgs- 
geschiedenis  wel  een  enkel  voorbeeld  van  het  nemen  van  schansen 
door  ruiterij,  —  onder  andere  bij  den  slag  van  Borodino  in 
1812;  —  maar  toch  is  het  in  den  regel  eene  dwaasheid,  eene 
roekelooze  opoffering  van  troepen,  om  met  ruiterij  vijandelijke 
verschansingen  te  willen  nemen.  Dit  ondervond  men  ook  hier: 
de  Fransche  ruiterij,  die  —  volgens  Saint-Simon  —  de  vijande- 
lijke verschansingen  naderde  tot  op  minder  dan  een  pistoolschot 
afstands,  ontving  toen  zulk  een  geducht  geweervuur  dat  zij  ijlings 
terugkeerde  »met  veel  grootere  snelheid  dan  waarmee  zij  ge- 
komen was."  In  ééne  Fransche  opgave  wordt  het  Feuquières 
eenigszins  verweten,  dat  hij  met  zijne  troepen  geen  deel  heeft 
genomen  aan  dien  aanval;  indien  dit  het  geval  is  geweest,  dan 
heeft  Feuquières  zeer  verstandig  gehandeld:  van  zulk  een  aanval 
was  niets  goeds  te  wachten;  hoogstens  kan  men  dien  eenigszins 
daarmee  verontschuldigen,  dat  men  door  dien  aanval  beoogde 
de  bondgenooten  te  verhinderen  om  de  troepen  achter  de  ver- 
schanste linie  te  doen  oprukken  naar  Neerwinden  en  Laer. 

De  Fransche  rechtervleugel  deed  hare  aanvallen  bij  Rumsdorp 
en  op  Neerlanden  iets  later  dan  de  aanvallen  op  Neerwinden 
en  op  het  centrum.  Omtrent  dien  strijd  bij  Neerlanden  zijn  de 
opgaven  uiteenloopend :  van  ónze  zijde  wordt  beweerd,  dat  Neer- 
landen tot  tweemaal  toe  door  den  vijand  werd  aangevallen;  dat 
de  Franschen  wel  iri  het  dorp  zijn  doorgedrongen,  maar,  na  een 
hardnekkigen  strijd,  er  weer  geheel  zijn  uitgeworpen ;  Willem  III, 
eerst  bij  Neerwinden  gestreden  hebbende,  was  dadelijk  daarop 
naar  Neerlanden  gerend,  en  had  ook  hier,  door  zijne  dapperheid, 
de  dapperheid  zijner  bataljons  verdubbeld.  Beaurain  daarentegen 
beweert   dat   de   Fransche    dragonders    Neerlanden   hebben   ge- 


Digitized  by 


Google  \j 


NEERWINDEN.  235 

nomen;  —  hij  voegt  er  echter  bij,  dat  bij  den  strijd  om  de 
heggen  van  Rumsdorp  het  nadeel  aan  de  Fransche  zijde  is  ge- 
weest; dat  de  Fransche  bataljons  toen  gestuit  zijn  tegen  het 
ravijn  en  de  daarachter  liggende  verschansing;  en  dat  die  batal- 
jons toen  zoo  groote  verliezen  hebben  geleden  door  'svijands 
vuur,  dat  zij  in  verwarring  zijn  teruggegaan,  en  dat  ook  de 
heggen  bij  Rumsdorp  door  de  bondgenooten  weer  bezet  werden. 
De  waarschijnlijkheid  is  er  dus  voor,  dat  ook  het  dorp  Neer- 
landen  in  het  bezit  is  gebleven  van  de  bondgenooten.  Trouwens, 
op  Beaurain's  slagplan  van  Neerwinden  komt  hier  de  aanduiding 
voor:  f  mislukte  aanval  van  de  Fransche  infanterie  op  den  lin- 
kervleugel der  bondgenooten."  {attaque  sans  succes,  faite  par  V in- 
fanterie franfoise  contre  la  gauche  des  alliés), 

Luxembourg  was  de  man  niet,  om  na  dien  eersten  tegenspoed 
dadelijk  af  te  zien  van  den  strijd;  integendeel,  hij  besloot  dien 
onverwijld  te  hervatten ;  maar  nu  meer  uitsluitend  tegen  's  vijands 
rechtervleugel  bij  Neerwinden  en  Laer,  terwijl  hun  centrum  en 
linkervleugel  voor  het  oogenblik  onaangevallen  zouden  blijven. 
Uit  de  tweede  en  de  vierde  linie  van  het  Fransche  centrum 
worden  1 2  bataljons  voetvolk,  onder  De  Guiche  en  Stoppa,  naar 
de  zijde  van  Neerwinden  en  Laer  gezonden ;  de  geslagene  batal- 
jons van  den  Franschen  linkervleugel  sluiten  zich  aan  bij  die 
versche  troepen;  en  allen  werpen  zich  nu  gezamenlijk  op  de 
beide  dorpen,  wier  bezit  beslissend  zou  zijn  voor  de  uitkomst 
van  den  veldslag.  ^ 

Ook  bij  dien  tweeden  aanval  is  het  voordeel  aanvankelijk  aan 
de  zijde  der  Franschen:  Laer  wordt  door  hen  geheel  genomen; 
en  in  Neerwinden  dringen  zij  zoo  krachtig  doQr,  dat  alleen  de 
uiterste  rand  van  het  dorp  nog  in  het  bezit  blijft  van  de  bond- 
genooten. Maar  Willem  III  is  weer  ter  hulp  toegesneld,  met 
eenige  bataljons  uit  het  centrum ;  de  komst  van  die  nieuwe  troe- 
pen doet  de  krijgskans  keeren ;  de  bondgenooten,  op  hunne  beurt 
aanvallers,  dringen  den  vijand  al  meer  en  meer  terug  en  her- 
nemen het  grootste  gedeelte  van  Neerwinden  en  van  Laer.  Bij 
dit  hevige  en  bloedige  dorpsgevecht  was  de  infanterie  van  den 
Stadhouder  in  het  voordeel,  wat  Beaurain  aan  twee  oorzaken 
toeschrijft:  vooreerst  waren  hare  vuurwapens  beter  dan  die  van 
het  Fransche  voetvolk;  en  ten  tweede  was  er  bij  de  bondge- 
nooten eenheid  van  handeling,  terwijl  de  Fransche  infanterie  als 
het  ware  versnipperd  was,  omdat  men  verzuimde  —  of  den  tijd 
niet  had  —  om  de  heggen  en  kleine  muren  op  te  ruimen,  die 
in  het  dorp  de  verschillende  Fransche  colonnen  van  elkander 
gescheiden  hielden.  Wat  hiervan  zij,  zooveel  is  zeker,  dat  de 
Fransche  bataljons,  na  eene  hardnekkige  worsteling,  weer  met 
groot  verlies  uit  de  dorpen  worden  verdreven ;  toch  blijven  zij  zich 


Digitized  by 


Google 


236  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGB  BESCHOUWINGEN. 

Staande  houden  bij  enkele  heggen,  aan  de  uiterste  omheining;  — 
een  voordeel  dat  bij  den  eersten  aanval  niet  was  verkregen. 

De  zon  had  nu  reeds  de  middaghoogte  bereikt,  de  uren  lang 
volgehouden  strijd  had  duizenden  Franschen  op  het  slagveld 
doen  vallen,  en  nog  was  de  stelling  van  de  bondgenooten  zoo 
goed  als  in  haar  geheel  gebleven.  Geen  wonder  dat  sommige 
der  hoogere  bevelhebbers  van  het  Fransche  leger  de  meening 
begonnen  te  uiten,  dat  het  raadzaam  was  om  den  kamp  af  te 
breken,  en  zich  niet  langer  vruchteloos  uit  te  putten  in  het 
streven  naar  een  moeielijk  te  behalen  overwinning.  Maar  bij 
wien  die  meening  ook  ingang  mocht  vinden,  niet  bij  Luxem- 
bourg ;  de  leerling  van  Condé  toonde  ook  hier,  dat  de  stoutheid 
van  zijn  meester  hem  ten  deel  was  gevallen.  De  laatste  krachten 
wilde  hij  inspannen,  om  bij  Neerwinden  of  bij  de  verschansingen 
met  zijne  infanterie  door  te  breken,  en  daardoor  de  overmach- 
tige  en  goede  Fransche  ruiterij  in  werking  te  kunnen  brengen ;  — 
die  ruiterij  was  toen  nog  versterkt,  doordien  d'Harcourt  met  zijn 
20  eskadrons  op  dat  oogenblik  op  het  slagveld  verscheen. 

Alwat  er  nog  aan  voetvolk  beschikbaar  was  bij  het  Fransche 
leger,  zou  deelnemen  aan  dien  derden  aanval  op  'svijands  stel- 
ling. In  het  centrum  stonden  er,  in  de  vierde  linie,  nog  13 
bataljons  voetvolk;  Luxembourg  deed  die  naar  Neerwinden  en 
Laer  trekken,  om,  mét  de  bataljons  die  daar  reeds  gestreden 
hadden,  die  dorpen  nogmaals  te  bestormen;  Conti  zou  hier  den 
aanval  besturen. 

In  de  tweede  linie  van  het  centrum  kon  men  nog  beschikken 
over  7  bataljons,  het  beste  voetvolk  van  het  Fransche  leger: 
4  bataljons  Gardes  frangahes  en  3  bataljons  Gardes  suisses.  Die 
keurbende  moest  Neerwinden  aanvallen,  daar  waar  dit  dorp  aan 
de  verschanste  linie  sloot;  de  Gardes  frangaises  zouden  het  dorp 
aanvallen,  de  Gardes  suisses  de  verschanste  linie.  Meer  rechts 
zou  Feuquières  eenige  bataljons  van  den  rechtervleugel  uit  Rums- 
dorp  doen  oprukken,  naar  ddt  deel  der  vijandelijke  stelling  waar 
de  verschanste  linie  vervangen  was  door  in  elkander  geschoven 
wagens;  hij  zelf  zou  met  de  ruiterij  van  het  centrum  die  batal- 
jons volgen,  en,  zoodra  de  mogelijkheid  daar  was,  door  eene 
opening  in  de  verschanste  linie  op  de  vlakte  aan  de  andere  zijde 
deboucheeren ;  evenzoo  zou  de  gardebrigade  op  den  voet  worden 
gevolgd  door  de  eskadrons  van  de  Maison  du  Koi  en  van  de 
ruiterbrigade  Phélippeaux;  evenzoo,  de  bataljons  die  Neerwinden 
en  Laer  moesten  aanvallen,  door  de  talrijke  ruiterij  van  den 
Franschen  linkervleugel.  Het  voetvolk  moest,  het  kostte  wat  het 
wilde,  de  dorpen  en  de  verschanste  linie  vermeesteren;  de  rui- 
terij, zoodra  er  maar  de  minste  mogelijkheid  toe  was,  door  die 
dorpen  en  linie  heen  trekken,  en,  op  de  vlakte  aan  de  andere 
zijde,  den  strijd  opnemen. 


Digitized  by 


Google 


NEERWINDEN.  237 

Die  laatste  en  uiterste  inspanning,  op  krachtvolle  wijze  ge- 
regeld en  met  groote  dapperheid  uitgevoerd,  gelukt;  zij  beslist 
den  strijd;  zij  geeft  aan  het  Fransche  leger  eene  volkomene 
overwinning,  —  al  is  het  dan  ook  geweest  een  lang  betwiste  en 
duur  gekochte  overwinning. 

Het  allereerst  dringt  Feuquières  de  vijandelijke  stelling  bin- 
nen ;  hij  heeft  bespeurd  dat  de  Stadhouder,  om  met  meer  macht 
bij  Neerwinden  op  te  treden,  zijn  centrum  heeft  verzwakt;  hier- 
van trekt  de  Fransche  aanvoerder  partij;  hij  doet  eenige  batal- 
jons, onder  Créquy,  van  Rumsdorp  oprukken  naar  het  deel  der 
linie  dat  door  de  wagens  werd  uitgemaakt;  die  aanval  gelukt, 
de  wagens  worden  weggeruimd,  door  de  opening  trekt  Feu- 
quières met  zijne  ruiterij  en  schaart  die  in  slagorde  binnen  de 
linie,  front  makende  naar  Neerwinden ;  de  andere  Fransche  infan- 
terie, uit  Rumsdorp,  volgt;  en  van  het  behaalde  voordeel  wordt 
dadelijk  kennis  gegeven  aan  Luxembourg. 

Dat  bericht  doet  de  aanvallen  op  Neerwinden  en  Laer  met 
onstuimigheid  hervatten.  De  Fransche  infanterie,  in  het  bezit 
gebleven  van  de  uiterste  omheining,  vindt  nu  minder  bezwaar 
om  in  de  dorpen  door  te  dringen;  nóg  heeft  zij  te  doen  met 
een  zich  dapper  verdedigenden  vijand;  maar.  die  vijand  heeft 
aan  strijdkracht  verloren,  en  komt  in  verwarring  toen  hij  ontdekt 
dat  het  Fransche  leger  op  andere  punten  is  doorgedrongen.  De 
bataljons,  die  Willem  III  uit  het  centrum  naar  Neerwinden  wil 
doen  trekken,  kunnen  dat  dorp  niet  meer  bereiken,  daar  zij 
daarin  worden  verhinderd  door  het  doordringen  van  de  ruiterij 
van  Feuquières.  Het  einde  is  dat  de  bondgenooten,  na  een 
dapperen  wederstand,  geheel  worden  verdreven  uit  Laer  en  uit 
Neerwinden;  en  het  Fransche  voetvolk  nu  de  omheining  van 
die  dorpen  bezet,  om  het  deboucheeren  van  hare  ruiterij  te  be- 
schermen. 

Willem  III  wendde  toen  nog  zijn  uiterste  krachten  aan,  om 
dat  deboucheeren  te  beletten ;  hij  had  Athlone,  met  het  grootste 
deel  van  de  ruiterij  die  aanvankelijk  den  linkervleugel  uitmaakte, 
de  Geete  doen  naderen  en  zich  doen  plaatsen  achter  de  ruiterij 
van  den  rechtervleugel;  hij  zelf  viel,  met  voetvolk  en  ruiterij, 
de  Fransche  en  Zwitsersche  garden  aan,  die  in  de  onmiddellijke 
nabijheid  van  Neerwinden  waren  doorgebroken.  De  Maison  du  Rot 
was  die  garden  op  den  voet  gevolgd,  reed  ze  voorbij  en  poogde, 
voorwaarts  daarvan,  eene  slaglinie  te  vormen;  maar  met  onstui- 
migheid aangevallen  door  den  Stadhouder,  worden  de  voorste 
eskadrons  in  verwarring  teruggeworpen.  De  Fransche  en  Zwit- 
sersche garden  houden  zich  daarentegen  staande,  slaan  den 
aanval  af  van  5  bataljons  der  bondgenooten,  en,  de  verschan- 
singen al  meer  en  meer  slechtende,  geven  zij  daardoor  aan  de 
nakomende  troepen  gelegenheid  om  binnen  de  stelling  van  de 


Digitized  by 


Google 


238  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

bondgenooten  te  dringen,  en  zich  aan  te  sluiten  bij  de  Fransche 
en  Zwitsersche  garden. 

Moet  men  dit  doordringen  van  den  vijand  bij  Neerwinden 
ook  wijten  aan  de  omstandigheid,  dat  de  Hollandsche  artillerie 
toen  haar  vuur  staakte,  en  terugging?  —  Willem  III,  in  zijn  verslag 
van  den  strijd,  van  dit  doordringen  des  vijands  gewagende,  zegt : 
lons  kanon  aan  die  kant  niet  meer  zo  wel  waargenomen  wer- 
dende";  en  in  een  ander  verslag  vindt  men  de  bijna  gelijklui- 
dende woorden:  >ons  kanon  van  die  zijde  ook  zo  veel  dienst 
niet  meer  doende".  Het  is  zeer  waarschijnlijk  dat  de  Hollandsche 
artillerie,  toen  zij  Feuquières  de  verschanste  linie  zag  binnen- 
dringen, is  teruggegaan  om  niet  in  's  vijands  handen  te  vallen; 
zelfs  is  het  moeielijk,  dat  teruggaan  te  misprijzen;  —  toch  werd 
het  gewraakt,  en  het  had  de  afzetting  van  haar  bevelhebber, 
Gouion,  ten  gevolge.  Die  bevelhebber  beweerde  niet  eigenmachtig 
te  zijn  teruggegaan,  maar  op  last  van  den  generaal  Obdam; 
Obdam  ontkende  dat  hij  dien  last  had  gegeven;  en,  bij  eene 
samenkomst  bij  Willem  III,  hield  Gouion  zijne  bewering  vol, 
met  eene  heftigheid  die  hem  den  eerbied  voor  den  Koning  uit 
het  oog  deed  verliezen:  >wat  Sakrament,  Sire!"  waren  de 
woorden  die  den  kolonel  meer  dan  eens  ontvielen,  en  die  hem 
dan  een  »foei,  foei  mijnheer"  van  den  vorst  op  den  hals 
haalden.  Juist  die  hevigheid  van  taal  wekt  het  vermoeden  op, 
dat  Gouion  wel  degelijk  bevel  had  gekregen  om  terug  te  gaan ;  — 
toch  werd  hij  in  het  ongelijk  gesteld,  en  in  het  bevel  over  de 
artillerie  vervangen  door  Verschuer,  den  bevelhebber  die,  tien 
jaar  later,  bij  Eeckeren  heeft  geschitterd. 

Ook  door  Neerwinden  en  Laer,  en  ter  zijde  van  die  dorpen, 
is  allerwege  de  Fransche  ruiterij  doorgedrongen  op  de  vlakte 
en  heeft  zich  daar  in  slagorde  geschaard;  zij  valt  nu  aan  op  de 
voorste  linie  van  de  ruiterij  van  den  keurvorst  van  Beieren.  Op 
den  linkervleugel  van  die  linie  staat  de  Hannoveraansche  ruiterij, 
die,  geheel  ontmoedigd,  zonder  gevecht  teruggaat ;  dat  teruggaan 
heeft  de  nederlaag  ten  gevolge  van  de  Spaansche  ruiterij,  die  den 
rechtervleugel  der  linie  uitmaakte.  Het  ruitergevecht  dat  daar 
op  volgt,  is  natuurlijk  niet  in  bijzonderheden  en  met  juistheid 
op  te  geven :  een  ruitergevecht  is  altijd  een  verwarde  handeling. 
Genoeg  zij  het,  te  zeggen,  dat  ook  de  Hollandsche  alsmede  de 
Ëngelsche  ruiterij  bij  afwisseling  in  gevecht  komen,  en  nu  eens 
overwinnen  en  dan  weer  overwonnen  worden;  maar  dat  de 
groote  overmacht  van  de  Fransche  ruiterij  al  meer  en  meer  doet 
inzien,  dat  men  den  vijand  niet  langer  kan  tegenhouden,  dat 
men  den  strijd  moet  opgeven.  Om  drie  uur  's  namiddags  beveelt 
Willem  III  den  terugtocht. 


Digitized  by 


Google 


NSEKWINDEN.  239 

Bg  dien  terugtocht  kon  het  leger  van  de  bondgenooten  onmo- 
gelijk bijeen  blijven,  dewijl  hun  rechtervleugel  door  het  door- 
dringen van  Feuquières  bij  de  verschanste  linie  geheel  afgescheiden 
was  van  den  linker.  Van  dien  linkervleugel  stonden  9  HoUandsche 
en  Deensche  bataljons,  onder  Fagel,  nog  achter  het  ravijn  nabij 
Rumsdorp,  en  waren,  door  het  doordringen  van  de  Fransche 
ruiterij,  zoo  goed  als  afgesneden;  maar  die  infanterie,  even  uit- 
muntend als  de  HoUandsche  bataljons  op  het  slagveld  van 
Fleur us,  volbracht  haren  terugtocht  in  volmaakte  orde  en  zonder 
noemenswaard  verlies.  Het  is  niet  bij  ónze  schrijvers  dat  wij 
deze  roemvolle  bijzonderheid  vinden;  wij  ontleenen  haar  aan 
Beaurain ;  ziehier  wat  hij  daarover  zegt  {Histoire  militaire  de  Flandre^ 
2*  deel,  blz.  296): 

»Die  9  bataljons  bleven  onverwrikt,  hoewel  van  zeer  nabij 
vervolgd  en  bijna  omsingeld  door  de  Fransche  ruiterij,  aange- 
voerd door  den  Heer  De  Feuquières;  zij  gaven  eenige  salvo's 
op  de  eskadrons  die  hun  te  nabij  kwamen;  en,  ondersteund 
door  12  i  15  eskadrons,  gelukte  het  die  infanterie  om  terug  te 
trekken  en  de  bruggen  over  de  Geete  te  bereiken,  het  meest 
nabij  Leeuwe.  De  brigaden  Fransche  infanterie,  die  op  den 
rechtervleugel  stonden,  werden  opgehouden  door  de  vijandelijke 
afdeelingen  in  de  heggen  van  Rumsdorp;  ook  opgehouden  door 
de  moeielijkheden  van  het  terrein;  zij  konden  de  HoUandsche 
infanterie  niet  genoeg  nabij  komen  om  haar  in  de  vlakte  aan  te 
vallen;  en  die  infanterie  trok  ongedeerd  terug." 

Wij  merken  hierbij  aan,  dat  Beaurain  bij  vergissing  spreekt 
van  f  bruggen  over  de  Geete";  het  waren  de  bruggen  over  de 
beek  van  Landen,  bij  Dormael. 

De  terugtocht  van  den  rechtervleugel  van  de  bondgenooten 
was  minder  voorspoedig. 

Wel  is  waar  kwam  de  infanterie  ongedeerd  op  den  linkeroever 
van  de  Geete;  maar  de  ruiterij,  die  den  aftocht  moest  dekken, 
had  het  harder  te  verantwoorden.  Die  ruiterij  viel  gedurig  aan 
op  de  steeds  voortdringende  ruiterij  van  Luxembourg;  het  is 
onmogelijk  om  hierbij  in  het  bijzonder  te  vermelden  wat  het 
deel  is  geweest  van  elke  der  nationaliteiten  waaruit  de  cavalerie 
van  Willem  III  bestond;  wat  er  verricht  is  door  de  Engelsche 
regimenten,  wat  door  de  HoUandsche,  wat  door  de  Duitsche, 
wat  door  de  Spaansche;  alleen  worden  met  bijzonderen  lof  ge- 
noemd de  drie  HoUandsche  regimenten  van  Zuilestein,  Ittersum 
en  Dompré,  en  de  compagnie  HoUandsche  Gardes-du-corps^  door 
Ouwerkerk  aangevoerd.  Die  cavalerie-gevechten  werden  met  af- 
wisselende uitkomsten  gestreden;  nu  eens  overwonnen  de  bond- 
genooten, dan  weer  werden  zij  overwonnen;  maar  toch,  de  uit- 
komst was  dat  zij  al  meer  en  meer  grond  verloren,  en  al  meer 
en  meer  teruggedrongen  werden  door  den  overmachtigen  vijand. 


Digitized  by 


Google 


240  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Bij  eene  laatste  poging  om  dien  vijand  tot  staan  te  brengen, 
valt  Willem  III,  roet  het  regiment  van  Ruvigny  —  of  Galloway  — , 
grootendeels  bestaande  uit  Fransche  réfugiés^  op  de  ruiterij  van 
Luxembourg  aan,  werpt  eenige  eskadrons  overhoop,  maar  wordt 
daarna  op  zijne  beurt  geslagen  door  andere  Fransche  ruiter- 
benden.  De  luitenant-kolonel  van  Ruvigny  valt  in  's  vijands  han- 
den ;  >  mijne  heeren,"  zegt  hij  tot  hen  die  hem  gevangen  nemen, 
en  wijzende  op  den  wegrennenden  Stadhouder,  »gij  zoudt  meer 
hebben  aan  dien  man  dan  aan  mij."  Maar  na  gestreden  te  heb- 
ben zoolang  strijden  mogelijk  was,  zag  de  Stadhouder  in,  dat 
het  tijd  was  om  aan  ontkomen  te  denken;  met  moeite  gelukte 
het  hem  om  eene  der  bruggen  bij  Neerhespen  te  bereiken  en 
daar  de  Geete  over  te  gaan;  van  zijne  vluchtende  ruiters  waren 
velen  minder  gelukkig:  op  den  voet  gevolgd  door  den  overwin- 
naar, wierpen  zij  zich  in  de  rivier  of  kwamen  daarin  terecht, 
door  het  breken  van  sommige  niet  sterk  genoeg  gebouwde 
bruggen;  een  aantal  ruiters  vond  op  die  wijze  den  dood  in  het 
water;  —  blijkbaar  is  er  echter  eene  grove  overdrijving  in  de 
bewering  van  een  der  berichtgevers,  dat  van  de  ruiterij  der 
bondgenooten  er  meer  in  de  Geete  zijn  verdronken  dan  op  het 
slagveld  gesneuveld;  meer  waarschijnlijk  is  eene  Fransche  op- 
gave, die  het  getal  der  verdronkenen  stelt  op  7  k  800  ruiters. 

Alleen  tot  aan  de  Geete  zette  de  overwinnende  Fransche  rui- 
terij de  vervolging  voort;  zij  bleef  op  den  rechteroever,  en  liet 
de  bondgenooten  verder  ongehinderd  aftrekken ;  —  toch  was  het 
toen  pas  tusschen  drie  en  vier  uur  des  namiddags,  en  de  zomer- 
dag was  dus  nog  lang  niet  ten  einde. 

Het  slagveld  en  bijna  de  geheele  artillerie  van  Willem  III 
bleven  in  de  macht  van  den  overwinnaar;  de  nederlaag  van 
den  Stadhouder  was  dus  onbetwistbaar;  —  maar  het  was  een 
glorievolle  nederlaag;  en  aan  Luxembourg  kwam  zijne  overwin- 
ning duur  te  staan.  Zooals  gewoonlijk  loopen  de  cijfers  van  de 
verliezen  zeer  uiteen;  moeielijk  is  het  daaromtrent  iets  te  be- 
palen; en  het  heeft  ook  geen  groot  belang,  of  het  eene  of  het 
andere  leger  een  duizendtal  soldaten  meer  of  minder  op  het  slag- 
veld heeft  gelaten.  De  opgave  bij  Beaurain  —  eene  half-of&cieele 
opgave,  daar  zij  ontleend  is  aan  de  aanteekeningen  van  Luxem- 
bourg zelf —  stelt  het  verlies  van  de  bondgenooten  op  18000 
man,  dat  van  het  Fransche  leger  op  7  k  8000;  die  opgave  is 
klaarblijkelijk  overdreven;  maar  even  overdreven  is  eene  opgave 
van  de  Hollandsche  zijde,  dat  het  leger  van  Willem  UI  in  den 
slag  van  Neerwinden  niet  meer  dan  een  5000  man  zon  hebben 
verloren.  De  meeste  waarschijnlijkheid  is  er  voor,  dat  de  ver- 
liezen van  Luxembourg  niet  kleiner  zijn  geweest  dan  die  van 
Willem  III,  denkelijk  grooter. 


Digitized  by 


Google 


NEERWINDEN.  24 1 

Laten  wij  die  meening  met  een  enkel  woord  toelichten  en 
verdedigen. 

In  dien  strijd  bij  Neerwinden  vangt  het  geschutvuur  reeds  in 
den  vroegen  ochtend  aan;  om  negen  uur  worden  de  dorpen 
bestormd;  eerst  in  den  namiddag  komt  de  beslissing.  Tot  aan 
die  beslissing,  tot  aan  het  doordringen  in  de  stelling  der  bond- 
genooten  streden  de  Fransche  troepen  onder  ongunstige  omstan- 
digheden: zij  vielen  aan;  zij  moesten,  onbedekt,  vooruitrukken 
tegen  een  stilstaanden  en  bedekten  vijand,  die  beschermd  werd 
door  heggen,  door  muren,  door  opgeworpen  borstweringen;  die 
vijand  beschikte  over  meer,  of  betere,  vuurwapens,  en  had  betere 
vuurtactiek;  er  valt  dus  niet  aan  te  twijfelen,  dat  bij  die  aan- 
vallen, —  ten  minste  drie  in  getal  —  de  verliezen  van  de  Fran- 
schen  veel  grooter  moeten  geweest  zijn  dan  die  van  hunne 
vijanden;  en  het  is  zeer  twijfelachtig,  of  dit  later  opgewogen 
heeft  tegen  de  verliezen  die  de  bondgenooten  leden  toen  een- 
maal hunne  slaglinie  doorbroken  was. 

Lodewijk  XIV,  in  een  brief  aan  den  aartsbisschop  van  Parijs, 
stelt  Neerwinden  voor  als  eene  volkomen,  als  eene  beslissende 
overwinning:  »na  die  verschrikkelijke  nederlaag"  —  zegt  hij  — 
>is  er  niets  wat  de  bondgenooten  niet  hebben  te  vreezen,  niets 
wat  ik  niet  gerechtigd  ben  te  hopen."  De  koninklijke  trots  spreekt 
uit  die  woorden;  misschien  ook  dat,  in  de  bedwelming  over  de 
behaalde  zege  en  bij  de  overdreven  opgaven  in  het  eerste  oogen- 
blik  van  het  slagveld  ingekomen^  de  monarch  meende  dat  die 
woorden  geen  grootspraak  inhielden;  —  toch  had  ééne  beden- 
king voldoende  moeten  zijn  om  hem  te  doen  inzien  dat  de  be- 
haalde zege  van  een  weinig  beslissenden  aard  was:  indien  het 
waar  was  dat  het  kleinere  leger  van  Willem  III  tienduizend  man 
meer  verloren  had  dan  het  sterkere  leger  van  Luxembourg, 
waarom  heeft  er  dan  geen  vervolging  plaats  gehad  ?  De  Fransche 
veldheer  beschikte  toch  over  eene  sterke  en  uitmuntende  ruiterij ; 
en  men  kon  de  overblijfselen  van  het  geslagen  vijandelijke  leger 
nog  gedurende  vele  uren  nazetten,  vóór  dat  de  nachtelijke  duis- 
ternis dit  verhinderde. 

Maar  die  vervolging  heeft  niet  plaats;  de  Geete  wordt  niet 
overschreden;  —  waaraan  is  dit  toe  te  schrijven?  —  Eenvoudig 
daaraan,  dat  het  leger  van  Willem  III  niet  zoo  geheel  geslagen 
was ;  en  dat  het  leger  van  Luxembourg  door  den  strijd  bij  Neer- 
winden zooveel  had  verloren,  dat  het  geen  kracht  meer  had  om 
te  vervolgen;  —  want  het  is  niet  aan  te  nemen,  dat  de  Fransche 
ruiterij  van  de  vervolging  afzag  omdat  hare  paarden  uitgeput 
waren,  daar  zij  in  geen  twee  dagen  waren  gevoederd.  Die  ver- 
klaring van  de  niet-vervolging  is  een  sprookje:  waren  de  paar- 
den der  Fransche  ruiterij  te  uitgeput  om,  na  eene  behaalde 
overwinning,  te   vervolgen;   wat  hadden   die  paarden  dan  moe- 

WILLEM  III.  —  III.  16 


Digitized  by 


Google 


242  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

ten   doen   om,  na  eene  geleden   nederlaag,   aan   den  vijand  te 
ontkomen  ? 

Kan  men  dus  gemakkelijk  aantoonen  dat  Luxembourg's  leger, 
naar  alle  waarschijnlijkheid,  te  Neerwinden  groote  verliezen  heeft 
geleden,  men  vindt  die  waarschijnlijkheid  zoo  goed  als  in  zeker- 
heid veranderd  door  opgaven  van  de  Fransche  zijde  zelve. 
Beaurain,  sprekende  over  wat  Luxembourg  had  kunnen  doen 
na  de  behaalde  overwinning,  zegt  onder  andere,  als  verklaring 
dat  toen  werd  afgezien  van  een  aanval  op  Luik;  dit  zijn  de 
woorden  van  den  Franschen  schrijver:  »de  verliezen  die  's  Konings 
infanterie  in  den  slag  bij  Neerwinden  had  geleden,  verhinderden 
om  aan  den  aanval  op  de  verschansingen  van  Luik  te  denken." 
{Histoire  militaire  de  Flandre^  2*  deel,  blz.  297). 

Neerwinden  is  eene  nederlaag  geweest,  die  Willem  III  heeft  te 
wijten  gehad  aan  de  onvoorzichtigheid  om  zijn  leger  te  ver- 
zwakken door  het  afzenden  van  eene  sterke  afdeeling  naar 
Vlaanderen,  en  aan  de  bekwaamheid  en  snelheid  waarmede 
Luxembourg  zijn  voordeel  wist  te  doen  met  dien  misslag.  Maar, 
dit  eenmaal  erkend  zijnde,  moet  men  er  bijvoegen,  dat  bij  den 
veldslag  zelf  de  veldheer  der  bondgenooten  niet  heeft  achter- 
geslaan  bij  zijn  tegenstander,  veeleer  dat  hij  dien  heeft  overtroffen. 

Dat  een  leger  van  40  è  45000  man  goede  troepen  geslagen 
wordt  door  een  leger  van  70000,  even  goede,  heeft  niets  dat 
moet  bevreemden ;  integendeel,  wanneer  er  eenige  stof  tot  be- 
vreemding is  te  zoeken,  dan  is  het  wel  daarin,  dat  het  zwakkere 
leger  een  halven  dag  den  strijd  volhoudt,  en  de  uitkomst  lang 
onzeker  laat.  Maar,  waarom  dien  ongelijken  strijd  gevoerd?  — 
Eenvoudig  daarom,  omdat  het  terugtrekken  gevaarlijker  zou  zijn 
geweest  dan  het  slag  leveren.  Dat  Willem  III  den  vijand  te 
Neerwinden  heeft  afgewacht,  is  geen  misslag  geweest,  maar  eene 
goede  en  verstandige  handeling;  evenzoo  is  het  geen  misslag 
geweest  in  Luxembourg,  dat  hij  pas  den  295100  Juli  heeft  slag 
geleverd :  op  den  28sten  had  het  Fransche  leger  een  zóó  grooten 
marsch  verricht,  dat  het  onmogelijk  was  om  nog  dien  dag  de 
vijandelijke  stelling  aan  te  vallen. 

De  wijze  waarop  Willem  III  gebruik  maakte  van  den  nacht 
vóór  den  strijd  om  zijne  stelling  te  versterken,  getuigt  in  hooge 
mate  voor  zijne  bekwaamheid  als  legerhoofd.  De  slag  van  Neer- 
winden kan  altijd  als  voorbeeld  worden  aangehaald,  hoe  van 
dorpen  en  van  veldverschansingen  partij  kan  worden  getrokken 
op  een  slagveld.  De  plaatsing  van  de  troepen,  de  leiding  van  de 
dorpsgevechten,  de  groote  geestkracht  waarmede  de  strijd  tot 
het  laatste  toe  werd  gevoerd  door  het  leger  der  bondgenooten^ 
dit  alles  verdient  hoogen  lof,  en  is  alleen  reeds  voldoende  om 
Willem  III  tot  een  groot  veldheer  te  stempelen. 


Digitized  by 


Google 


NEERWINDEN.  243 

De  handelingen  van  Luxembourg  kan  men  niet  zoo  onbeperkt 
roemen.  Waarom  maakte  hij  geen  gebruik  van  zijne  groote  over- 
macht om  eene  omtrekkende  beweging  tegen  zijn  wederpartij  te 
ondernemen?  Waarom  bepaalde  hij  zich  tot  een  frontaanval? 
Waarom  dien  aanval  aanvankelijk  over  het  geheele  vijandelijke 
front  verdeeld?  waarom  niet  dadelijk  zijne  macht  grootendeels 
aangewend  op  één  punt,  het  beslissende?  Waarom  het  centrum 
geplaatst  in  acht  achter  elkander  staande  liniën,  die  aan  's  vijands 
geschutvuur  de  grootste  uitwerking  verschaften?  —  Die  vragen 
kunnen  niet  worden  opgelost  op  eene  wijze  die  Luxembourg's 
uitstekendheid  als  veldheer  onverminderd  laat;  — maar  ten  volle 
blijkt  die  uitstekendheid  in  de  volharding  en  geestkracht  waar- 
mede hij  den  eenmaal  begonnen  strijd  voortzet,  en  daardoor  tot 
de  overwinning  komt. 

De  dapperheid  van  het  eene  zoowel  als  van  het  andere  leger 
verdient  allen  lof.  Verkeerd  zou  het  zijn,  daarop  te  willen  afdin- 
gen bij  de  bondgenooten,  door  te  wijzen  op  het  achteruitgaan 
van  het  geschut  en  op  het  zonder  gevecht  teruggaan  van  de 
Hannoversche  cavalerie:  dat  ruiterij  zonder  gevecht  teruggaat, 
gebeurt  bij  het  beste  leger,  overkomt  de  beste  ruiterij;  en  dat 
de  Hollandsche  artillerie  hare  plaatsing  in  de  slaglinie  verliet,  is 
denkelijk  eene  noodzakelijke  handeling  geweest,  waarin  niets  valt 
af  te  keuren ;  men  heeft  in  dat  teruggaan  eene  der  oorzaken  ge- 
zien van  de  ondervonden  nederlaag :  er  moet  altijd  eene  oorzaak 
gezocht  worden  bij  een  tegenspoed.  Maar  over  het  geheel  heeft 
het  leger  van  Willem  III  te  Neerwinden  op  uitmuntende  wijze 
gestreden;  evenzoo  het  leger  van  Luxembourg j  beide,  waren 
den  legerhoofden  waardig,  —  en  dit  is  geen  gennge  lof.  Roemt 
men  aan  onze  zijde  Athlone,  Fagel  en  zooveel  andere  uitstekende 
onderbevelhebbers,  ook  Frankrijk  kan  bogen  op  Conti,  Feu- 
quières  en  andere  bekwame  aanvoerders,  die  Luxembourg  hier 
ter  zijde  hebben  gestaan  en  veel  hebben  bijgedragen  tot  het 
behalen  van  de  overwinning  door  het  Fransche  leger. 

De  persoonlijke  dapperheid  van  Luxembourg  schitterde  ook 
op  dit  slagveld;  de  persoonlijke  dapperheid  van  Willem  III  is 
buiten  allen  twijfel:  en  het  is  reeds  vroeger  gezegd,  dat  het  een- 
tonig en  vervelend  wordt  daarvan  telkens  te  gewagen;  indiener 
iets  geschiedkundig  is  bewezen,  dan  is  het  wel,  dat  nooit  in 
oorlogsgevaar  Willem  III  vrees  heeft  gekend,  dat  hij  in  helden- 
zin Caesar  heeft  geëvenaard.  Wij  zullen  dus  niet  verder  uitweiden 
over  dit  onderwerp;  niet  wijd  en  breed  beschrijven,  hoe  de 
Stadhouder,  nu  eens  voetvolk,  dan  weder  ruiterkorpsen  tegen  den 
vijand  aanvoerde;  hoe  zijne  paarden  werden  gedood,  zijn  sjerp 
afgeschoten,  en  zijn  lichaam  gekneusd  door  een  vijandelijken 
kogel;  hoe  hij  van  het  eene  punt  van  het  slagveld  naar  het 
andere  snelde,  overal  was  waar  de  strijd  het  hevigst,  het  gevaar 


Digitized  by 


Google 


244  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

het  grootst  was,  en  een  van  de  laatsten  was  om  de  strijdplaats 
te  verlaten;  —  dat  alles  is  te  overbekend;  ook  van  Fransche 
zijde  werd  de  oorlogsroem  gehuldigd,  door  den  Stadhouder  te 
Neerwinden  verworven:  Luxembourg  zwaait  daaraan  hoogen  lof 
toe,  en  Racine  zegt  in  een  zijner  brieven  dat  Willem  lU  toen 
wonderen  van  dapperheid  heeft  verricht. 

In  één  woord,  Neerwinden  is  een  wapenfeit  geweest,  glorievol 
voor  onze  krijgsgeschiedenis,  glorievol  voor  het  huis  van  Oranje. 
Ontken  het  niet,  dat  het  eene  nederlaag  is  geweest,  —  het  zou 
dwaasheid  zijn  dit  te  willen  betwisten;  maar  eene  nederlaag  na 
zoo  heldhaftigen  kamp,  eene  nederlaag  zoo  spoedig  hersteld, 
overtreft  in  luister  menige  overwinning.  Ten  volle  zijn  op  Wil- 
lem III  hier  toepasselijk  de  woorden  die  de  Fransche  dichter 
zijn  vaderland  toeroept,  dat  zich  zoo  spoedig  uit  den  tegenspoed 
weer  weet  te  verheffen: 

#ta  peux  tomber,  mais  c^est  comme  la  foudre 
qui  se  relève  en  grondant  daos  les  airs." 


In  de  eerste  oogenblikken  na  Neerwinden  schijnt  Willem  lU 
zich  de  verliezen  grooter  te  hebben  voorgesteld  dan  zij  werkelijk 
waren;  het  leger  was  uiteen,  en  men  had  nog  geen  volkomen 
juist  bericht  waar  de  verschillende  deelen  zich  bevonden,  en  in 
welk  een  toestand  zij  verkeerden.  De  linkervleugel  was  op  Leeuwe 
teruggetrokken,  en  van  daar  op  Diest;  van  den  rechtervleugel 
had  de  keurvorst  van  Beieren  een  groot  deel  naar  Thienen  ge- 
voerd; hierbij  voegde  zich  Willem  III  toen  hij  het  slagveld  ver- 
liet, trok  verder  met  die  macht  terug,  en  vernachtte  den  aQsien 
te  Bautersem,  halfweg  Thienen  en  Leuven. 

Den  3osteQ  werd  de  marsch  voortgezet  tot  bij  Leuven ;  en  den 
istea  Augustus  werd  een  kamp  betrokken  bij  Eppinghem,  op  den 
linkeroever  van  de  Senne,  tusschen  Mechelen  en  Vilvoorden; 
den  3en  kwamen  daar  ook  de  troepen  die  hun  aftocht  over 
Leeuwe  en  Diest  hadden  gemaakt;  Wurtemberg,  uit  Vlaanderen 
ontboden,  was  den  2en  Augustus  te  Aalst  gekomen,  en  had  zich 
verder  bij  het  hoofdleger  aangesloten.  De  verspreide  vluchte- 
lingen —  het  onvermijdelijke  gevolg  van  een  verloren  veldslag  — 
waren  weer  bij  hunne  regimenten  gekomen;  en  geen  week  na 
de  geleden  nederlaag  was  het  leger  der  bondgenooten  weer  even 
sterk,  of  sterker,  dan  vóór  den  veldslag,  en  weer  geheel  bereid 
om  opnieuw  den  strijd  te  aanvaarden. 

Het  zelfvertrouwen,  misschien  een  oogenblik  geschokt,  was 
geheel  hersteld.  »Wij  moeten  ons  beste  doen  om  weder  te  cal- 
lefateren,  en  hoopen  dat  Godt  de  Heere  ons  haest  een  beter 
geluck   geven   sal";   zoo   schrijft  Athlone  den  3en  Augustus  aan 


Digitized  by 


Google 


VERDERE   K RIJGSVERRICHTINGEN  IN    1693.  245 

Heinsius;  en  den  dag  te  voren  had  Willem  III  aan  den  raad- 
pensionaris onder  andere  geschreven:  lick  geloof  dat  ons  verlies 
soo  groot  niet  en  sal  sijn  als  in  't  eerst  hadde  gemeent,  en  ick 
hoop  dat  wij  weder  haest  in  staet  sullen  sijn  om  met  een  for- 
midabel leger  den  vyant  te  kunnen  het  hoofd  bieden."  De  Stad- 
houder betuigt,  in  denzelfden  brief,  zijne  tevredenheid  »over  de 
kordaetheyt  van  de  menschen  in  HoUandt'',  die  zich  niet  hadden 
laten  nederslaan  door  het  bericht  van  het  ondervonden  nadeel; 
hij  wenscht  den  Raadpensionaris  over  de  zaken  te" spreken;  en 
deze  komt  dan  ook,  den  6en  Augustus,  in  het  kamp  te  Éppinghem. 

Ziedaar  hoe  het  eene.  leger  zich  herstelde  van  de  ondervonden 
nederlaag;  ziehier  wat  het  andere  leger  deed,  na  de  behaalde 
overwinning. 

Luxembourg  had  den  29sten  Juli  op  het  slagveld  doorgebracht; 
en  was  den  3osten  niet  vooruitgerukt,  maar  teruggekeerd  naar 
zijn  kamp  bij  het  stadje  Landen,  —  Landen  fermé^  zooals  dit 
bij  de  Franschen  wordt  genoemd.  Hier  blijft  hij  ook  den  31  sten 
Juli  en  den  isten  Augustus;  den  2en  Augustus  stelt  het  Fransche 
leger  zich  eindelijk  in  beweging,  —  echter  niet  om  vooruit  te 
rukken,  maar  om  terug  te  gaan  op  de  Jeker,  op  een  kamp  nabij 
Waremme.  Nabij  Waremme  bleef  Luxembourg  bijna  veertien 
dagen  werkeloos.  Alleen  werd  er,  den  4en  Augustus,  eene  afdee- 
ling  van  40  eskadrons  ruiterij  en  800  dragonders,  onder  Rosen, 
naar  de  zijde  van  Bree  en  Peer  gezonden,  om  daar,  en  ook  in 
Noord-Braband,  brandschattingen  te  heffen ;  die  Fransche  ruiterij 
ging  echter  spoedig  weer  terug,  op  het  bericht  dat  Athlone,  met 
3  è,  4000  paarden,  uit  het  kamp  van  Éppinghem  was  opgerukt 
om  Noord-Braband  te  beschermen. 

De  Fransche  opgaven,  die  Neerwinden  voorstellen  als  eene 
volslagen  nederlaag  van  het  leger  der  bondgenooten,  zijn  wel 
wat  verlegen  om  de  werkeloosheid  van  Luxembourg  na  die  be- 
haalde overwinning  te  verklaren,  en  geen  wonder:  is  Neerwinden 
zulk  een  volkomene  overwinning  geweest,  dan  bewijst  die  wer- 
keloosheid dat  Luxembourg  een  onbekwaam  legerhoofd  was;  was 
Luxembourg  geen  onbekwaam  legerhoofd,  dan  moet  Neerwinden 
niet  zulk  eene  volkomen  overwinning  zijn  geweest ;  —  het  laatste 
was  de  waarheid  het  meest  nabij. 

Het  lag  in  den  aard  van  de  zaak,  dat  wanneer  Neerwinden 
aan  het  Fransche  leger  een  beslissend  overwicht  had  gegeven  op 
de  tegenpartij,  van  dat  overwicht  gebruik  had  moeten  worden 
gemaakt  om  Luik  te  vermeesteren;  dit  zou  voor  Frankrijk  een 
groot  voordeel  zijn  geweest;  en  te  meer  was  het  zaak  om  daar- 
naar te  streven,  omdat  in  de  stad,  en  in  het  Bisdom,  Frankrijk 
veel  aanhangers  had ;  zoozeer  zelfs  dat,  dadelijk  na  Neerwinden, 


Digitized  by 


Google 


246  KRIJGS-   £N  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

eenige  dier  aanhangers,  leden  van  het  Luiksche  domkapittel,  in 
hechtenis  werden  genomen  en  naar  Maastricht  gehracht.  Maar 
Luik  aanvallen,  dat  ging  niet  —  zegt  Beaurain;  —  en,  zooals 
reeds  gezegd  is,  is  hij  hier  genoodzaakt  om  te  erkennen,  dat  die 
aanval  onmogelijk  was  geworden  door  de  groote  verliezen  die 
de  Fransche  infanterie  te  Neerwinden  had  geleden ',  het  zou  zijn, 
die  infanterie  geheel  opofferen  (la  détruire  entièrement\  zelfe  al 
wist  men  zeker  dat  de  aanval  zou  gelukken;  want  in  de  liniën 
bij  Luik  hadden  de  bondgenooten  31  bataljons  voetvolk  en  5 
regimenten  ruiters  of  dragonders. 

Onze  opgaven  stellen  die  macht  bij  Luik  op  iets  minder  voor; 
maar  groot  is  het  verschil  niet;  en  zooveel  is  zeker,  dat  het 
Fransche  leger  zich  niet  sterk  genoeg  achtte  om  die  macht  aan 
te  vallen;  en  dat,  in  weerwil  van  den  indruk  door  den  slag  bij 
Neerwinden  teweeggebracht,  en  in  weerwil  van  de  zich  duidelijk 
uitende  Franschgezindheid  van  een  deel  der  Luiksche  bevolking ! 
Is  er  meer  bewijs  noodig,  dat  de  verliezen  der  Franschen  te 
Neerwinden  zeer  groot  zijn  geweest?  —  Maar  Beaurain  geeft  nog 
een  andere  reden  op,  waarom  Luik  toen  niet  werd  aangevallen: 
»het  was  de  vraag"  —  zegt  hij  (Hhtoire  militaire  de  Flandre^ 
2*  deel,  blz.  297  en  298)  —  »of  het  wel  voordeelig  was  om  die 
stad  te  vermeesteren,  terwijl  's  Konings  legers  niet  sterk  genoeg 
waren  om  Maastricht  te  belegeren ;  of  het  niet  beter  was,  haar 
aan  den  vijand  te  laten,  die  zeer  hechtte  aan  het  behoud  van 
Luik,  en  daarom  gedwongen  was  om  daar  altijd  een  legertje  te 
laten,  wat  eene  goede  en  voordeelige  diversie  was  voor  's  Konings 
troepen."  —  Deze  reden,  door  Beaurain  opgegeven,  doet  denken 
aan  den  vos  in  de  fabel,  en  de  zure  druiven. 

Maar  dan  had  Luxembourg  de  belegering  kunnen  verrichten 
van  Leuven,  —  of  ten  minste  van  Leeuwe?  —  Ook  niet,  ant- 
woordt Beaurain;  —  en  Beaurain  is,  hier,  Luxembourg  zelf.  — 
Voor  dat  belegeren  van  Leuven,  of  van  Leeuwe,  was  noodig 
zwaar  geschut,  en  mortieren,  en  bommen;  het  was  moeielijk  om 
dat  alles  spoedig  aan  te  voeren,  omdat  er  gebrek  was  aan  paar- 
den; leeftocht  zou  men  bij  Leuven  niet  vinden^  en  de  caissons 
waren  niet  bij  machte  om  brood  aan  te  voeren.  Dat  alles  maakte 
de  belegering  van  Leuven,  of  van  Leeuwe,  onmogelijk.  —  Ja, 
zulke  redenen  zijn  altijd  te  vinden;  op  dfe  wijze  kan  men  bij 
elke  voorgenomen  handeling  bewijzen  dat  zij  onmogelijk  is. 

Luxembourg  achtte  alleen  het  belegeren  van  Ath,  of  van  Char- 
leroi, eene  uitvoerbare  zaak;  hij  stelde  dit  aan  Lodewijk  XIV 
voor;  na  uiteengezet  te  hebben  wat  de  voordeden  waren  en  be- 
zwaren, verbonden  aan  elke  van  die  handelingen,  vroeg  hij 
's  Konings  beslissing.  De  Koning  besliste  voor  het  beleg  van 
Charieroi. 


Digitized  by 


Google 


VERDERE  KRIJGS^ERRICHTINGEN   IN    1693.  247 

Het  is  waarschijnlijk  dat  Luxembourg,  had  hij  kans  gezien  om 
belangrijke  uitkomsten  te  verkrijgen,  wel  wat  meer  uit  zichzelf 
zou  hebben  gehandeld;  nu  vroeg  hij  'sKonings  bevelen,  om  de 
verantwoordelijkheid  van  zich  af  te  werpen  van  het  onbedui- 
dende der  latere  krijgsverrichtingen ;  hij  zag  in,  dat  er  met  zijn 
leger  toen  niet  veel  bijzonders  meer  viel  uit  te  voeren;  want 
niet  alleen  dat  dit  leger  zeer  in  sterkte  was  verminderd,  maar 
ook  de  krijgstucht  liet  veel  te  wenschen  over.  Wanbetaling  deed 
meermalen  oproer  ontstaan  onder  de  Fransche  troepen,  onder 
andere  ook  in  de  legerplaats  bij  Nivelles,  waar  Luxembourg  den 
lyen  Augustus  kwam: 

>In  die  legerplaats  was  een  vrij  belangrijke  muiterij  onder  de 
soldaten  ontstaan  ten  gevolge  van  wanbetaling ;  het  geld  was  op, 
de  hulpmiddelen  schaarsch;  en  daar  men  de  troepen  niet  kon 
verzorgen,  was  men  gedwongen  tot  oogluiking  voor  de  wanorde- 
lijkheden die  dagelijks  plaats  vonden;  gedurende  eenige  nachten 
hadden  er  bij  verscheidene  regimenten  samenrottingen  plaats  om 
de  achterstallige  soldij  te  eischen.  De  ergste  muiters  werden  ge- 
straft, de  anderen  gepaaid  door  het  uitdeelen  van  eenig  geld 
onder  de  troepen;  en  de  Koning  nam  maatregelen  om,  tot  het 
einde  van  den  veldtocht,  de  soldij  geheel  te  doen  betalen." 
(Histotre  militaire  de  Flandre^  2'  deel,  blz.  305). 

Ten  einde  eenigszins  te  voorzien  in  de  verminderde  sterkte 
van  Luxembourg's  infanterie,  werden  toen  11  bataljons  voetvolk 
naar  de  Nederlanden  gezonden ;  die  bataljons  waren  aanvankelijk 
in  Normandië  voor  de  kustverdediging  bestemd  geweest;  maar 
men  achtte  deze  toen  minder  noodig. 

Hoewel  er  aan  de  Fransche  zijde  besloten  was  om  Charleroi 
aan  te  vallen,  duurde  het  nog  geruimen  tijd  eer  het  beleg  van 
die  vesting  aanving;  de  geheele  maand  Augustus  en  de  eerste 
dagen  van  September  werden  door  Luxembourg  doorgebracht 
met  marschen  en  bewegingen  die  geheel  en  al  onbeduidend 
waren.  Die  werkeloosheid  wordt  weer  verklaard  door  gebrek 
aan  fourages,  door  schaarschte  van  levensmiddelen,  en  door  ge- 
mis van  een  genoegzaam  aantal  paarden  voor  het  geschut ;  maar, 
zegt  Beaurain,  »daar  waren  hovelingen,  afgunstig  van  Luxem- 
bourg's roem,  die  niet  schroomden  zijn  beleid  te  laken,  en  in 
hunne  gesprekken  te  kennen  gaven,  dat  het  wenschelijk  ware  ge- 
weest om  na  den  veldslag  verder  door  te  dringen  in  'svijands 
land."  Die  hovelingen  hadden  —  volgens  Beaurain  —  hierin 
groot  ongelijk:  —  wij  zijn  niet  van  die  meening. 

Het  loont  de  moeite  niet,  om  die  marschen  en  bewegingen 
van  het  Fransche  leger  uitvoerig  te  vermelden.  Genoeg  zij  het 
te  peggen,  dat  Luxembourg  den  isen  Augustus  van  nabij  Waremme 
trok  op  BonefFe  aan  de  Méhaigne,  den  lóen  Sombreffe  bereikte, 


Digitized  by 


Google 


248  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

den  lyen  Nivelles,  den  19*0  Soignies;  daar  bleef  hij  geruinien 
tijd,  de  komst  afwachtende  der  bataljons  uit  Normandië.  Den 
gen  September  verlaat  het  Fransche  leger  Soignies  en  komt  aan 
de  Haisne,  te  Haisne-Saint-Paul  en  Haisne-Saint-Pierre ;  den  vol- 
genden dag  bereikt  het  den  Piéton,  waar  het  zich  op  den  lin- 
keroever nederslaat,  tegenover  Gouy  en  Trasignies.  De  aanleiding 
en  reden  van  die  marschen  van  Luxembourg  te  willen  opzoeken, 
leidt  tot  niets. 

De  Stadhouder,  om  's  vijands  leger  te  beletten  iets  te  onder- 
nemen tegen  de  Brabandsche  steden  en  tegen  Ath,  verliet  de 
legerplaats  te  Eppinghem  den  i2eii  Augustus,  en  trok  achtereen- 
volgens op  Anderlecht  bij  Brussel,  op  Lerabeek  bij  Hal,  en  ein- 
delijk, in  het  laatst  van  Augustus,  op  Gaesbeek,  om  Ath  meer 
nabij  te  komen.  Het  kwam  tot  geen  ontmoeting  tusschen  de 
beide  legers;  geen  van  beide  zocht  die. 

Het  eenige  wapenfeit  dat  nu  nog  vermelding  verdient  bij  dien 
veldtocht  van  1693,  is  de  belegering  van  Charleroi.  Het  was  om 
die  belegering  te  dekken,  dat  Luxembourg  aan  den  Piéton  kwam, 
en  daar  bleef. 

Charleroi  was  eene  vesting,  die  in  deze  oorlogen  vaak  werd 
aangevallen,  en,  door  hare  sterkte,  die  aanvallen  dikwijls  deed 
mislukken.  De  stad  zelve  ligt  op  den  linkeroever  van  de  Sambre ; 
maar  op  den  rechteroever  heeft  men  de  benedenstad,  toen  ver- 
sterkt door  een  gebastionneerden  hoofdwal  met  natte  gracht,  en 
moeielijk  aan  te  vallen  wegens  eene  inundatie  die  haar  bijna 
geheel  omgaf.  De  stad  Charleroi,  op  een  hoogte  gelegen,  was 
een  regelmatig  gebastionneerde  zeshoek,  met  droge  gracht,  en 
voorliggende  lunetten  en  hoornwerken;  zij  was  voorzien  van  een 
mijnstelsel,  en  werd  beschermd,  aan  de  westzijde,  door  het  moe- 
ras van  Darmay,  gevormd  door  het  afdammen  van  eene  beek^ 
die,  in  de  richting  van  het  noorden  naar  het  zuiden  stroomende, 
zich  in  de  Sambre  werpt.  Dat  moeras  van  Darmay,  in  de  onmid- 
dellijke nabijheid  van  de  bovenstad,  had  eene  breedte  van  100  k 
150  el;  en  onmiddellijk  aan  de  westzijde  van  het  moeras  had 
men  hoogeren  grond,  waarop  het  dorp  Darmay  is  gelegen,  bijna 
een  half  uur  gaans  van  Charleroi  verwijderd.  De  vesting  had 
verschillende  kleine  buitenwerken,  waaronder  vermelding  ver- 
dienen een  kleine,  in  het  moeras  gelegen  redoute,  in  het  noor- 
delijk gedeelte;  en  de  redoute  van  Darmay,  over  het  moeras, 
aan  de  zuidzijde,  niet  ver  van  de  Sambre. 

Over  den  toestand  van  de  vestingwerken  van  Charleroi  wordt 
niets  bijzonders  vermeld,  —  deze  schijnt  goed  te  zijn  geweest; 
over  uitrusting  en  bewapening  vindt  men  geen  bepaalde  opgavjen, 
men   mag  dus  aannemen  dat  beide  voldoende  waren;  de  bezet- 


Digitized  by 


Google 


VERDERE  KRIJGSVERRICHTINGEN  IN    1693.  249 

ting  was  4000  man  sterk,  grootendeels  Spaansche  troepen^  maar 
ook  voor  een  deel  Hanno versche ;  bevelhebber  was  de  markies 
Del  Castillo. 

In  het  Archief  van  Heinsius  (2«  deel,  blz.  76,  in  een  nool) 
komt  eene  verdenking  voor,  alsof  Del  Castillo  in  verstandhouding 
heeft  gestaan  met  de  Franschen,  alsmede  een  gezegde,  alsof 
Charleroi  zich  maar  kort  heeft  verdedigd;  —  dit  is  geheel 
onjuist:  er  is  schijn  noch  schaduw  van  zulk  eene  verraderlijke 
verstandhouding;  en  de  verdediging  van  Charleroi  heeft  eene 
maand  lang  geduurd,  en  is,  over  het  geheel,  goed  en  krachtig 
geweest,  een  van  de  beste  verdedigingen  van  eene  Spaansche 
vesting  tijdens  die  oorlogen.  Spanje  had  toen  eene  ellendige 
regeering,  en  vandaar  dat  ook  het  Spaansche  krijgswezen  toen 
zooveel  te  wenschen  overliet;  maar  de  schildering  daarvan  wordt 
wel  eens  overdreven,  en  men  is  wel  eens  geneigd  om  eiken 
tegenspoed  van  de  bondgenooten  maar  uitsluitend  te  wijten  aan 
de  Spanjaarden.  Wil  men  billijk  zijn,  dan  moet  men  erkennen, 
dat  hier,  bij  de  verdediging  van  Charleroi,  de  Spanjaarden  hun 
plicht  hebben  gedaan. 

Met  het  beleg  van  Charleroi  was  belast,  de  maarschalk  De 
Villeroy  in  naam,  Vaaban  metterdaad;  de  groote  ingenieur  zou 
aan  den  Franschen  koning  de  verzekering  hebben  gegeven,  dat 
de  vesting  in  minder  dan  veertien  dagen  tijds  zou  vallen ;  indien 
dit  zoo  is  —  men  mag  aan  de  waarheid  twijfelen,  want  het  staat 
alleen  in  de  Europische  Mercurius  —  dan  heeft  Vauban  toen 
meer  beloofd  dan  hij  kon  doen.  De  aanvalsmiddelen  waren  alles- 
zins voldoende:  den  Qcn  en  loen  September  werd  de  stad  inge- 
sloten door  30  bataljons  en  33  eskadrons;  die  macht  kwam  deels 
uit  Namen,  deels  uit  Frankrijk,  deels  uit  Luxembourg's  leger. 
Dadelijk  werd  begonnen  aan  het  maken  van  eene  circumvallatie- 
linie;  12000  schansgravers  waren  daartoe,  den  i2«n  September, 
voor  Charleroi  aangekomen;  en  in  den  nacht  van  den  isen  op 
den  i6en  werden  de  loopgraven  geopend.  De  artillerie,  het  hoofd- 
wapen  bij  eene  belegering,  was  zeer  sterk:  139  kanonnen,  waar- 
onder 57  van  33  en  24  ^;  voorts  57  mortieren  van  18,  12  en 
8  duim,  en  4  steenmortieren.  Zeer  zeker  een  aanzienlijk  belege- 
ringspark, vooral  als  men  in  aanmerking  neemt,  dat  Charleroi 
toch  eigenlijk  behoorde  tot  de  kleine  vestingen. 

Op  hulp  van  buiten,  op  ontzet  had  Charleroi  niet  te  rekenen. 
Wel  schrijft  Willem  III  aan  Heinsius,  den  loen  September,  op 
het  eerste  bericht  van  de  insluiting:  lick  ben  besigh  om  alles 
te  prepareren  om  het  te  traghten  t'  ontsetten";  maar  op  die 
woorden  laat  hij  dadelijk  volgen:  »het  manquement  van  fourage 
en  de  groote  sieckte  onder  het  volck  embarasseert  ons  niet  wey- 
nigh/'  De  Stadhouder  was  niet  de   man,  om,  als  hij  handelen 


Digitized  by 


Google 


250  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

wilde,  zwarigheden  te  maken,  of  spoedig  >geëmbarasseert"  te 
zijn;  als  hij  dus  zóó  schrijfi,  kan  men  er  op  rekenen,  dat  hij 
het  verstandiger  vindt  om  niet  te  handelen;  hij  oordeelde,  dat 
het  te  gewaagd  was  om  Luxembourg,  die  in  zijne  sterke  stelling 
van  den  Piéton  het  beleg  dekte,  daar  aan  te  vallen  en  slag  te 
leveren ;  en  dat  het  voorzichtiger  was  om  zich  het  kleine  nadeel 
te  getroosten  van  het  verlies  van  Charleroi.  £en  oogenblik  wordt 
eene  legerafdeeling  van  de  bondgenooten  naar  de  zijde  van 
Vlaanderen  gezonden,  om  eenigszins  eene  diversie  te  maken; 
maar  spoedig  ziet  men  in,  dat  dit  weinig  baat;  die  legerafdeeling 
wordt  teruggeroepen ;  er  wordt  verder  niets  gedaan  om  Charleroi 
te  helpen;  Willem  III  ziet  geheel  daarvan  af,  en,  den  veldtocht 
geëindigd  achtende,  verlaat  hij  den  24steQ  September  het  leger 
en  keert  naar  Holland  terug. 

Ziehier,  kortelijk,  den  gang  van  het  beleg: 

De  benedenstad  werd  niet  aangevallen,  maar  alleen  beschoten, 
of  beworpen,  door  eenige  batterijen,  vooral  met  mortieren  be- 
wapend; van  de  bovenstad  was  de  westzijde,  die  vóór  zich  het 
moeras  van  Darmay  had,  het  front  van  aanval;  maar  ook  aan 
de  oostzijde  van  dat  moeras  werd  een  aanval  gericht  op  een 
der  noordelijke  fronten  van  Charleroi.  Reeds  den  lycn  opende 
de  Fransche  artillerie  haar  vuur,  dat  zeer  overmachtig  was  en 
reeds  den  i9en  het  geschut  der  vesting  grootendeels  tot  zwijgen 
bracht;  de  verschillende  batterijen,  van  den  i7en  tot  den  24steD 
September  door  den  belegeraar  opgeworpen,  waren,  in  het  geheel, 
bewapend  met  48  kanonnen  en  47  mortieren.  De  belegerden 
poogden  hunne  minderheid  in  geschut  eenigszins  te  doen  opwegen 
door  herhaalde  uitvallen,  en  brachten  daardoor  den  vijand  soms 
gevoelige  verliezen  toe ;  Beaurain  maakt  die  verliezen  kleiner  dan 
de  Europische  Mercurius  dit  doet;  maar  toch,  ook  uit  den 
Franschen  schrijver  blijkt,  dat  die  uitvallen,  op  krachtdadige 
wijze  verricht,  den  gang  van  het  beleg  aanmerkelijk  hebben  ver- 
traagd. De  loopgravenwacht  bestond  iederen  dag  uit  8  bataljons: 
5  bij  den  aanval  op  het  noordelijke  front,  3  bij  den  aanval  aan 
de  zijde  van  Darmay. 

Den  24sien  wordt  de  redoute  in  het  moeras  door  de  Franschen 
genomen;  zij  bezigen  daartoe  6  kleine  schuiten,  twee  aan  twee 
aaneengekoppeld,  met  een  planken  vloer  overdekt,  en  daarop 
20  soldaten  vervoerende.  Die  60  man  ondervinden  geen  tegen- 
stand van  de  Spaansche  bezetting  der  redoute,  die  zich  over- 
geeft; —  dit  zal  weinig  verwonderen  als  men  in  aanmerking 
neemt,  dat  die  bezetting,  aanvankelijk  50  man  sterk,  reeds  negen 
of  tien  dagen  in  die  kleine  schans  was  geweest,  zonder  afgelost 
te  worden  of  ondersteuning  te  krijgen,  en  nu,  door  de  geleden 
verliezen,  tot  op  17  man  was  verminderd. 

Den    26sien   September    werd    ook    de    redoute  van   Darmay, 


Digitized  by 


Google 


VERDERE   KRIJGSVERRICHTINGEN   IN    1693.  251 

's  avonds  om  tien  uur,  door  den  belegeraar  stormenderhand  ge- 
nomen. Nadat  de  Franschen,  door  het  doorsteken  van  den  dam, 
het  water  van  het  moeras  van  Darmay  in  de  Sambre  hadden 
laten  afloopen,  werden  de  loopgraven  door  het  nu  droge  moeras 
naar  de  zijde  van  Charleroi  voortgezet  en  in  verband  gebracht 
met  den  anderen  aanval  tegen  het  noordelijk  front  van  de  vesting. 

Het  zou  te  uitvoerig  zijn,  al  de  verschillende  pogingen  te  ver- 
melden tegen  den  bedekten  weg  en  de  vestingwerken  van  Char- 
leroi, of  de  verschillende  uitvallen  waardoor  de  Spanjaarden  den 
voortgang  van  de  belegeraars  poogden  te  vertragen;  genoeg  zij 
het  te  zeggen,  dat  de  zeer  sterke  Fransche  artillerie  een  belangrijk 
aandeel  heeft  gehad  aan  de  inneming  van  de  vesting;  dat  het 
vuur  van  die  artillerie  in  Chaileroi  groote  vernieling  aanrichtte, 
en  bressen  schoot,  ook  in  den  hoofdwal ;  dat  de  loopgraven  van 
den  aanvaller  dag  aan  dag  vooruitgingen,  maar  niet  zonder 
tegenstand  en  strijd;  dat  de  Franschen,  onder  andere  den  8sten 
October,  bij  het  bestormen  van  den  bedekten  weg,  —  volgens 
Beaurain  —  een  300  man  verloren  aan  dooden  en  gewonden; 
dat  echter  de  Spanjaarden,  ziende  dat  's  vijands  mijngravers  zich 
reeds  hadden  genesteld  in  de  bressen  van  twee  bastions,  den 
iicn  in  onderhandeling  traden. 

Spoedig  was  men  het  eens  aangaande  de  voorwaarden  van 
de  overgave;  en  den  13611  October  verliet  de  Spaansche  bezet- 
ting, met  wapens  en  krijgseer,  de  vesting  en  trok  af  naar  de 
zijde  van  Brussel.  Bij  het  uittrekken  telde  die  bezetting  nog  maar 
1500  man;  —  nu  kunnen  er  nog  wel  eenige  honderden,  ziek  of 
gewond,  zijn  achtergebleven;  maar  wanneer  men  in  aanmerking 
neemt  dat  die  bezetting  bij  het  begin  van  het  beleg  4000  man 
sterk  was,  dan  is  het  duidelijk  dat  zij  niet  gespaard  is  geworden 
bij  deze  verdediging  van  Charleroi. 

In  October  houden  alle  krijgsverrichtingen  in  de  Nederlanden 
op,  en  betrekken  de  wederzijdsche  legers  de  winterkwartieren. 
De  veldtocht  van  1693  is  geëindigd. 

Die  veldtocht  is  voordeelig  geweest  voor  Frankrijk:  het  heeft 
Hoey  en  Charleroi  vermeesterd,  en  te  Neerwinden  de  overwin- 
ning behaald.  En  toch  had  Willem  lU  alle  reden  om  over  dezen 
veldtocht  tevreden  te  zijn;  herinnert  men  zich,  met  hoe  groote 
overmacht  Frankrijk  in  de  Nederlanden  optrad,  welke  grootsche 
voornemens  het  had,  hoe  het  beoogde  het  bisdom  van  Luik  te 
veroveren  en  den  oorlog  over  te  brengen  in  de  landstreek  tus- 
schen  Maas  en  Rijn;  en  hoe  die  voornemens  onuitgevoerd  zijn 
gebleven,  de  zuivere  winst  voor  Frankrijk  heeft  bestaan  in  het 
nemen  van  twee  kleine  vestingen,  en  die  overwinning  van  Neer- 
winden niets  heeft  beslist,  en  haast  roemvoller  is  geweest  voor 
den  overwonnene  dan  voor  den  overwinnaar;  herinnert  men  zich 


Digitized  by 


Google 


253  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

dit  alles,  dan  komt  men  tot  het  besluit  dat  in  1693  de  zaken 
van  de  bondgenooten  in  de  Nederlanden  niet  zijn  achteruitgegaan. 
Evenmin  op  de  andere  oorlogstooneelen^  of  althans  niet  van 
belang;  het  meeste  voordeel  had  Frankrijk  verkregen  in  Italië, 
waar  Catinat  in  de  eerste  dagen  van  October,  bij  MarsaiUe, 
eene  overwinning  had  behaald,  en  daardoor  de  onzekere  trouw 
van  den  hertog  van  Savoye  aan  de  zaak  der  'bondgenooten  aan 
het  wankelen  bracht.  —  Op  zee  hadden  de  vereenigde  Ëngelsche 
en  Hollandsche  eskaders,  in  de  baai  van  Lagos  een  gevoelig 
nadeel  geleden;  en  het  bombardeeren  van  Saint-Malo  door  de 
Ëngelsche  zeemacht  (December  1693)  woog  hiertegen  niet  op.  — 
Het  vermeesteren  van  Rosas  in  Catalonië,  van  Heidelberg  in 
Duitschland  moet  ook  worden  geboekt  in  het  voordeel  van 
Frankrijk;  —  maar  dat  waren  kleine,  onbeduidende  voordeelen, 
die  niets  beslissends  hadden.  Als  de  oppergod  op  den  Olympus 
het  krijgsgeluk  van  Grieken  en  Trojanen  tegenover  elkander  in 
de  schaal  legde,  kon  hij  nog  niet  beslissen  aan  welke  zijde  die 
schaal  oversloeg.  Grieken  en  Trojanen  —  Frankrijk  en  de  bond- 
genooten —  moesten  dus  den  kamp  nog  verder  voortzetten;  en 
zeker  was  het,  dat  Frankrijk  door  dien  kamp  veel  meer  leed 
dan  zijne  vijanden,  en  dat  het  dien  dus  het  eerst  zou  moeten 
opgeven;  vooral  Engeland  kon  toen  zeggen,  wat  Byron  tijdens 
den  kamp  tegen  Napoleon  heeft  gezegd: 

»and  Gaul  shall  weep,  before  Albion  shall  cry." 


HOOFDSTUK  XXVII. 

1694;   KRIJGS  VERRICHTINGEN   IN   DE   NEDERLANDEN,    TER   ZEE, 
IN   DUITSCHLAND,   ITALIË   EN   SPANJE. 

Wie  over  den  veldtocht  van  1694  in  de  Nederlanden  een  uit- 
voerig en  belangrijk  verslag  wil  geven,  die  moet  de  kunst  ver- 
staan om  veel  te  kunnen  zeggen  over  niets,  —  of  bijna  niets; 
en  daar  die  kunst  ons  vreemd  is  gebleven,  zoo  zullen  wij  kort 
zijn  over  dien  veldtocht ;  een  veldtocht  zooals  er,  in  die  vroegere 
eeuwen,  meer  voorkomen,  en  waarbij  men  geneigd  is  om  onge- 
duldig uit  te  roepen:  »maak  dan  toch  in  's  hemels  naam  maar 
vrede,  liever  dan  zóó  oorlog  te  voeren!" 

Dat  er  in  1694  in  de  Nederlanden  niets,  of  bijna  niets,  ge- 
beurde, is  aan  verschillende  omstandigheden  toe  te  schrijven; 
voor  een  deel  van  staatkundigen  aard. 

£r  heeft,  in  het  begin  van  dit  jaar,  iets  zeldzaams  plaats: 


Digitized  by 


Google 


i694-  253 

Willem  III  geeft  een  oogenblik  toe  aan  ontmoediging;  hij  ver- 
langt naar  vrede;  hij  dringt  er  bij'  Heinsius  op  aan,  dat  deze 
door  de  zaakgelastigden  der  bondgenooten  in  Den  Haag  een 
ontwerp  van  vrede  zal  doen  aannemen,  zoo  spoedig  mogelijk, 
kan  het  zijn  nog  vóór  dat  de  veldtocht  begint:  >Ick  beken  aan 
UEd."  —  schrijft  hij  aan  Heinsius,  den  2/12  Januari  1694  — 
>  dat  ik  gaerne  van  't  werck  soude  afsijn,  als  het  maer  eenigzins 
bijquam,  en  dat  vóór  het  aenvangen  van  de  campagne,  want  als 
die  eens  begonnen  sal  sijn,  soo  valt  daer  niet  meer  te  nego- 
tieren  als  naer  men  den  uytslagh  van  deselve  sal  hebben  gesien, 
soo  dat  het  werck  soo  veel  doenlijck  dient  te  werden  verhaest." 
(Van  der  Heim.  Archief  van  Heinsius,  3'  deel,  blz.  61). 

Die  vlaag  van  ontmoediging  bij  den  Stadhouder  is  maar  voor- 
bijgaande geweest ;  en  zij  is  lichtelijk  te  verklaren,  eensdeels  door 
den  tegenstand  dien  hij  in  Engeland  ondervond,  waar  het  Par- 
lement hem  op  alle  mogelijke  wijzen  dwarsboomde,  en  beperkte 
in  de  middelen  om  den  oorlog  te  kunnen  voeren ;  en  anderdeels 
door  de  omstandigheid,  dat  het  hem  toentertijd  was  gebleken, 
dat  de  kuiperijen  der  rustelooze  en  bekwame  Fransche  agenten 
het  zaad  der  oneensgezindheid  in  Holland  met  goed  gevolg 
hadden  gestrooid,  en  zelfs  een  bloedverwant  van  Willem  III 
hadden  overgehaald  tot  misdadige  verstandhouding  met  Frankrijk. 

Hendrik  Casimir  van  Nassau,  de  stadhouder  van  Friesland  en 
Groningen,  is  een  van  die  menschen  geweest  wier  eerzucht  groo- 
ler  is  dan  hunne  bekwaamheid;  en  die,  te  hooghartig  om  zich 
te  vergenoegen  met  een  tweede  rol,  door  dwaze  ijdelheid  streven 
naar  de  eerste,  waartoe  zij  geheel  ongeschikt  zijn.  In  stede  van 
het  genie  van  Willem  III  te  huldigen  en  diens  grootsche  inzich- 
ten te  erkennen  en  te  bevorderen,  meende  de  Friesche  stad- 
houder dat  hij  niet  behoefde  onder  te  doen  voor  zijn  neef,  en 
even  goed  als  deze  het  hoofd  van  de  Republiek  kon  zijn;  — 
het  was  Phaëton,  die  de  zonnewagen  wilde  leiden.  Hendrik 
Casimir,  te  recht  of  ten  onrechte  zich  over  verongelijking  be- 
klagende, wilde  het  hoofd  van  de  oppositie  worden  tegen  Wil- 
lem III;  hij  stelde  zich  in  gemeenschap  met  zendelingen  van 
Lodcwijk  XIV,  trad  in  onderhandeling,  beloofde  zijn  hulp  en 
medewerking  tot  het  tot  stand  brengen  van  den  vrede  met 
Frankrijk,  en  vorderde  daarvoor  geldelijke  belooning  van  den 
Franschen  monarch.  In  één  woord,  de  Friesche  stadhouder 
maakte  zich  schuldig  aan  dezelfde  misdaad,  waarvoor  Halewijn, 
de  Dortsche  burgemeester,  het  jaar  te  voren  tot  levenslange  ge- 
vangenis was  veroordeeld. 

Met  twee  maten  meten  behoort  bij  Willem  III  niet  tot  de 
zeldzaamheden ;  hij  lette  meer  op  het  staatsbelang  dan  op  het 
recht.  Het  staatsbelang  vorderde  de  gestrenge  bestraffing  en  den 


Digitized  by 


Google 


254  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

val  van  Halewijn,  die  groote  bekwaamheid  had  en  gevaarlijk 
kon  worden  voor  het  stadhouderlijk  gezag  en  de  eenheid  in  de 
Republiek;  het  staatsbelang  vorderde  het  ongestraft  laten  van 
Hendrik  Casimir,  die  geen  groote  bekwaamheid  had  en  dus 
weinig  gevaarlijk  was,  en  wiens  gerechtelijke  vervolging  een  smet 
zou  hebben  geworpen  op  het  Nassausche  vorstenhuis. 

Spoedig  was  de  Friesche  stadhouder  geheel  onschadelijk  ge- 
maakt j  de  bekwame  diplomatie  van  Willem  III  en  Heinsius  — 
om  juister  te  spreken:  hun  uitmuntend  spionnen-stelsel  —  was 
spoedig  op  het  spoor  van  de  handelingen  der  Fransche  agenten^ 
en  in  het  bezit  van  den  draad  hunner  intriges.  Zooals  men  bij 
de  mijnen-oorlog  soms  partij  trekt  van  de  mijn  zelve  die  door 
den  vijand  is  aangelegd,  zoo  wisten  Willem  III  en  Heinsius  hun 
voordeel  te  doen  met  de  onderhandelingen,  door  de  zendelingen 
van  Lodewijk  XIV  in  Holland  aangeknoopt;  die  zendelingen 
meenden  alleen  te  doen  te  hebben  met  den  Frieschen  stadhouder 
en  met  andere  on  vergenoegden  in  de  Republiek,  terwijl  zij  wer- 
kelijk, en  zonder  het  te  weten,  hunne  opgaven  ontvingen  van 
Willem  III  en  van  Heinsius,  en,  even  zoo  zonder  het  te  weten, 
den  Stadhouder  en  den  Raadpensionaris  mededeelingen  inzonden 
betreffende  de  gesteldheid  van  zaken  in  Frankrijk.  Geldelijke 
ongelegenheid  had  den  Frieschen  stadhouder  zoo  geheel  in  de 
macht  gebracht  van  Willem  III,  dat  eerstgenoemde  spoedig  het 
ijdele  inzag  van  zijne  staatkundige  kuiperijen,  en  reeds  in  1695, 
door  tusschenkomst  van  Heinsius,  zijne  nederige  verontschuldi- 
gingen maakte  bij  Willem  III.  De  dood  maakte  in  1696  een 
einde  aan  het  leven  van  Hendrik  Casimir;  een  leven  dat  roem- 
loos is  geweest,  de  dapperheid  op  het  slagveld  uitgezonderd. 

Met  al  die  zorgen  belast,  en  wetende  dat  in  1694  in  de 
Nederlanden  een  Fransch  leger  zou  optreden  dat  sterk  moest 
zijn  daar  de  Dauphijn  zelf  het  zou  aanvoeren,  meende  Willem  III 
dat  hij  zich  tot  de  verdediging  zou  moeten  bepalen,  en  dat  hij 
tevreden  zou  moeten  zijn  als  hij  den  vijand  maar  verhinderde 
om  veroveringen  te  maken.  Maar  aan  de  zeezijde  zou  de  oorlog 
aanvallend  worden  gevoerd  door  de  bondgenooten ;  Engelscbe 
en  HoUandsche  eskaders  zouden  Brest,  Hivre,  Dieppe,  Duin- 
kerken aanvallen  en  nemen,  of  vernielen ;  op  die  ondernemingen 
ter  zee  bouwde  men  groote  verwachtingen,  —  die  door  de  uit- 
komst niet  zijn  verwezenlijkt. 


Waren  de  inzichten  van  Willem  III  in  1694  dus  van  dien 
aard,  dat  zij  geen  krachtigen  aanvallenden  oorlog  beoogden,  bij 
de  tegenpartij  was  het  haast  evenzoo.  Ziehier  wat  Beaurain  daar- 
over zegt  (Hhtotre  militaire  de  Flandre^  2*  deel,  blz.  331): 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGKN   IN    DE   NEDERLANDEN.  255 

iln  weerwil  van  de  voordeden,  door  de  Fransche  troepen 
behaald  op  de  bondgenooten  bij  de  voorgaande  veldtochten, 
hadden  de  talrijke  legers  die  Lodewijk  XIV  gedwongen  was  ge- 
weest op  de  been  te  houden  om  op  alle  grenzen  den  vijand  het 
hoofd  te  bieden,  en  de  groote  uitgaven  om  die  legers  te  onder- 
houden, het  rijk  uitgeput  aan  menschen  en  aan  geld,  ten  gevolge 
waarvan  het  Frankrijk  zeer  moeielijk  viel  om  de  middelen  bijeen 
te  brengen,  noodig  tot  het  voortzetten  van  den  oorlog ;  het  mis- 
gewas  der  veldvruchten  vermeerderde  in  1694  die  moeielijkheden 
en  bezwaren;  in  sommige  provinciën  was  de  oogst  zóó  slecht, 
dat  men  koren  uit  den  vreemde  moest  doen  aanvoeren,  om  in 
de  voeding  der  bevolking  te  voorzien.  Om  die  redenen  zag 
Lodewijk  XIV  er  van  af,  dit  jaar  nieuwe  veroveringen  te  maken: 
Zijne  Majesteit  beoogde  alleen  het  behoud  van  de  veroveringen, 
de  vorige  jaren  door  hare  legers  gemaakt;  zij  beoogde  niets 
meer  dan  het  tegengaan  van  's  vijands  aanslagen.  Maar  om  den 
vijand  in  den  waan  te  brengen,  dat  Frankrijk  zich  niet  geheel 
tot  de  verdediging  zou  bepalen,  kreeg  de  Dauphijn  het  opper- 
bevel over  het  leger  in  de  Nederlanden,  en,  onder  hem,  de 
maarschalk  De  Luxembourg  de  leiding  van  dat  leger." 

Dat  wil  zeggen:  Luxembourg  opperbevelhebber  metterdaad, 
de  Dauphijn  in  naam.  De  plaatsing  van  's  Konings  zoon  aan  het 
hoofd  van  die  legermacht  was  dus  —  volgens  Beaurain  —  eene 
schijnvertooning  om  den  vijand  zand  in  de  oogen  te  strooien, 
en  hem  te  doen  gelooven  aan  aanvallende  voornemens,  die  men 
niet  had.  Het  kan  zijn;  toch  moet  aangemerkt  worden,  dat  een 
leger  door  Luxembourg  aangevoerd  eene  werkelijke  kracht  had; 
en  dat  ook  de  getalsterkte  van  dat  leger  alles  behalve  onbedui- 
dend was,  zooals  men  uit  de  volgende  opgaven  kan  zien. 

Het  leger  van  den  Dauphijn  moest  eene  sterkte  hebben  van 
81  bataljons  en  162  eskadrons;  naar  schatting  een  kleine  50000 
man  voetvolk  en  een  25000  ruiters,  te  zamen  dus  75000  man; 
dat  leger  zou  aan  de  Sambre  samentrekken,  en  van  daar  naar 
de  Méhaigne  oprukken.  BoufBers  zou  aan  de  Maas  blijven  met 
eene  afdeeling  van  15  bataljons  (9  è  10  000  man  voetvolk)  en 
23  eskadrons  (3  k  4000  ruiters),  te  zamen  dus  een  13000  man; 
die  afdeeling  van  BoufHers  moest  de  legermacht  van  de  bond- 
genooten te  Luik  in  het  oog  houden,  de  konvooien  beschermen 
die  van  Namen,  of  Hoey,  naar  het  hoofdleger  zouden  gaan,  en, 
zoo  noodig,  zich  aansluiten  bij  dat  hoofdleger.  d'Harcourt,  met 
12  eskadrons  (een  kleine  2000  ruiters),  moest  de  oostelijke  gren- 
zen van  het  Luxemburgsche  beschermen,  en  zich  daartoe  plaat- 
sen aan  de  Ourthe,  nabij  Laroche  of  Durbuy.  De  liniën  tusschen 
de  Schelde  en  de  Noordzee  zouden  verdedigd  worden  door  De 
la  Valette,  met  10  bataljons  (6  k  7000  man  voetvolk)  en  22  eska- 


Digitized  by 


Google 


256  KRIJGS-   EM  GESCHICDKUKDIGE  BESCHOUWINGEN. 

drons  (3  k  4000  ruiters),  te  zatnen  dus  ongeveer  een  10  000  man. 
Laubanie,  die  binnen  Mons  het  bevel  voerde^  moest  van  daar 
de  Haisne  en  de  Trouüie  bewaken;  en  Boisseleau  en  Guiscard, 
de  bevelhebbers  van  Charleroi  en  van  Namen,  zouden  met  de 
bezettingen  van  die  vestingen  de  Sambre  beschermen  en  de  ge- 
meenschap met  Mons  verzekeren. 

Dus,  zonder  de  bezettingen  van  Mons,  Namen  en  Charleroi, 
wier  sterkte  niet  wordt  vermeld,  had  Frankrijk  in  1694  toch  een 
honderd  duizend  man  te  velde,  in  de  Nederlanden;  geen  onbe- 
duidende legermacht.  Wij  moeten  hierbij  echter  aanmerken,  dat 
wij  ons  bij  de  schatting  van  de  getalsterkte  van  het  Fransche 
leger  gehouden  hebben  aan  de  gewone  sterkte  van  het  bataljon, 
6  è  700  man,  en  van  het  eskadron,  160  paarden;  en  dat  er 
twijfel  kan  bestaan,  of  de  Fransche  bataljons  en  eskadrons  toen 
wel  die  sterkte  hebben  bereikt.  Wij  gronden  dien  twijfel  op  het 
gebrekkige  onderhoud  van  het  Fransche  leger  in  1694;  Beaurain 
zegt  daarvan: 

9  Dit  begin  van  den  veldtocht  was  uitermate  moeielijk:  de 
Fransche  troepen  hadden  geen  soldij  ontvangen,  en  tot  den 
isten  Juli  was  men  buiten  machte  om  hun  het  vleesch  te  ver- 
schaffen dat  zij,  te  velde,  van  den  Koning  kregen;  om  daarin 
te  voorzien,  en  muiterij  en  desertie  te  voorkomen,  lieten  De 
Rosen**  (de  bevelhebber  van  het  hoofdleger  vóór  de  komst  van 
den  Dauphijn  en  van  Luxembourg)  » en  de  maarschalk  De  Bouf- 
flers  uit  'svijands  land  runderen  wegnemen  door  daartoe  uitge- 
zonden afdeelingen;  en  op  die  wijze  voorkwamen  zij  de  nadee- 
lige  gevolgen,  die  uit  gemis  van  soldij  en  van  leeftocht  hadden 
kunnen  ontstaan."  {Histoire  militaire  de  Flandre^  2*  deel,  blz.  335). 

Bij  de  legers  van  dien  lijd  was  desertie  altijd  een  gewone 
zaak;  hoeveel  te  meer  moest  dit  het  geval  zijn  bij  een  leger  dat 
zóó  slecht  betaald  en  verzorgd  werd  als  het  Fransche  leger  in 
1694.  Het  is  dus  niet  onwaarschijnlijk  dat  de  sterkte  van  hon- 
derd duizend  man,  die  wij  aangenomen  hebben  voor  het  geheele 
bedrag  der  legermacht  die  Lodewijk  XIV  toen  te  velde  had  in 
de  Nederlanden,  te  hoog  is  gesteld.  Maar  de  bondgenootcn, 
bouwende  op  de  gewone  sterkte  van  de  Fransche  bataljons  en 
eskadrons,  moesten  toch  dat  cijfer  aannemen  als  waarschijnlijk; 
en  de  sterkte  die  men  een  leger  toeschrijft  maakt  soms  even- 
veel indruk  als  de  sterkte  die  het  werkelijk  heeft. 

Over  de  sterkte  die  het  leger  van  Willem  III  in  de  Neder- 
landen had,  in  1694,  zijn  de  opgaven  uiteenloopende  en  tamelijk 
verward.  De  Europische  Mercurius,  de  >  Order  van  Bataille"  der 
bondgenooien  opgevende,  komt  tot  het  besluit  dat  de  geheele 
sterkte  is  geweest:  95  bataljons  voetvolk,  178  eskadrons  ruiterij, 
54  eskadrons  dragonders  en  140  stukken  geschut,  dus  ongeveer 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN   IN   DE  NEDERLANDEN.  257 

een  50000  man  voetvolk  en  een  40000  ruiters  of  dragonders; 
te  zamen  een  90000  man,  de  artillerie  niet  medegerekend.  Bij 
de  aanvoerders,  onder  Willem  III,  worden  genoemd:  de  keur- 
vorst van  Beieren,  Vaudemont,  de  hertog  van  Wurtemberg, 
Holstein-Plön  en  Athlone;  verder  worden  genoemd,  onder  de 
luitenant-generaals,  generaals-majoor  en  brigadiers:  Churchill 
(Marlborough),  Rantzau,  Tettau,  Nassau-Weilburg,  Fagel,  Heu- 
kelom,  Ouwerkerk,  Dompré,  Van  Dedem,  Noyelles,  Bentinck 
(Portland),  Zuilestein,  Salis,  Eppinger;  —  y^fen passe-ef  des  meilleurs'\ 

De  >Ordre  de  Bataille"  die  Beaurain  geeft,  komt  niet  geheel 
overeen  met  die  van  de  Europische  Mercurius;  Beaurain  stelt  de 
infanterie  op  mindere  sterkte:  slechts  83  bataljons  in  stede  van 
95 ;  de  ruiterij  daarentegen  sterker :  20 1  eskadrons,  in  plaats  van 
178;  de  dragonders  hetzelfde:  54  eskadrons;  wat  het  geschut 
aangaat,  is  het  verschil  weinig  beduidend:  Beaurain  geeft  op  120 
kanonnen  en  12  mortieren;  dus  te  zamen  132  vuurmonden,  in 
plaats  van  140. 

Maar  nu  komt  er  bij  Beaurain  eene  bijvoeging,  die  de  zaak 
weer  geheel  verandert:  behalve  de  83  bataljons  bij  het  leger 
waren  er  bij  Luik  nog  40  andere  bataljons,  namelijk  14  Bran- 
denburgsche,  20  Hollandsche  en  6  Luiksche.  Telt  men  die  40 
bataljons  mede,  dan  komt  men  voor  de  infanterie  der  bondge- 
nooten  tot  een  veel  hooger  bedrag  dan  in  de  Europische  Mer- 
curius. Bovendien  —  voegt  Beaurain  er  bij  —  was  het  bataljon 
bij  de  bondgenooten  sterker  dan  het  bataljon  bij  de  Franschen. 

Natuurlijk  is  het,  bij  zoo  uiteenloopende  opgaven,  thans  onmo- 
gelijk om  met  zekerheid  te  bepalen,  hoe  sterk  het  leger  van 
Willem  III  in  1694  is  geweest;  men  moet  zich  vergenoegen  met 
de  waarschijnlijkheid.  Naar  onze  meening  is,  in  1694,  het  leger 
van  Willem  III  sterker  geweest  dan  het  F  ransche,  maar  zal  het 
verschil  denkelijk  geen  10 000  man  hebben  bedragen.  Het  zij 
herhaald:  hier  wordt  volstrekt  niet  gesproken  met  wiskundige 
zekerheid,  die  trouwens  ook  door  geen  der  beide  partijen,  wat 
de  sterkte  der  tegenpartij  betreft,  zal  verkregen  zijn.  In  den 
oorlog  weet  men  nooit  met  zekerheid,  hoe  sterk  de  vijand  is; 
maar  bij  de  oorlogen  van  Lodewijk  XIV  was  het  al  zeer  veel 
als  men  wist  hoe  sterk  het  eigen  leger  was. 

Het  was  toen  een  vast  gebruik,  dat  aan  de  legers  te  velde 
brood  werd  uitgedeeld;  andere  leeftocht  kon  ontbreken,  maar 
het  brood  moest  er  zijn.  Nu  vindt  men  bij  Beaurain  opgetee- 
kend,  dat  in  Juni  1694  bij  het  leger  van  den  Dauphijn  —  of 
van  Luxembourg  —  dagelijks  werden  uitgegeven  1 10  950  rations 
brood,  waaronder  9800  rations  buitengewone  uitdeeling  {pour 
r extraordinaire);  bij  de  legerafdeeling  van  Boufflers  17500;  en 
bij   die   van   De   la  Valette    11 000  rations  daags.  Kon  men  nu 

WILLEM  III.   —   III.  17 


Digitized  by 


Google 


258  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

zeggen  zooveel  rations  brood,  zooveel  soldaten,  dan  had  men 
een  gemakkelijk  middel  om  de  juiste  sterkte  van  het  Fransche 
leger  te  kennen;  maar  wij  vreezen  dat  dit  middel  niet  is  aan  te 
wenden,  daar  het  zeer  wel  mogelijk  is,  dat  soms  meer  dan  één 
ration  aan  offtcieren  werd  gegeven;  of  ook  wel,  rations  aan  vol- 
gelingen van  het  leger,  aan  menschen  die  eigenlijk  niet  tot  het 
leger  behoorden.  Aan  dat  cijfer  der  uitgedeelde  rations  brood 
kan  men  dus  slechts  een  betrekkelijke  waarde  hechten;  daaruit 
blijkt  alleen,  dat  het  cijfer  der  soldaten  van  het  Fransche  leger 
niet  grooter  is  geweest  dan  dat  cijfer  der  rations  brood; 
maar  wel  kan  het  kleiner  zijn  geweest. 

Het  was  half  Juni  voordat  het  Fransche  hoofdleger,  het  leger 
van  den  Dauphijn  of  van  Luxembourg,  uit  zijne  kantonnementen 
ten  zuiden  van  de  Sambre  opbrak,  en  zich  samentrok,  eerst  te 
Gemblours,  daarna  te  Jandrain,  iets  ten  noorden  van  de  Méhaigne, 
vervolgens  te  Sint-Truyen ;  Boufflers,  ook  de  Maas  overgetrokken 
zijnde,  kwam  in  de  nabijheid  van  den  rechtervleugel  van  het 
hoofdleger.  —  Willem  III  had  zijn  leger  toen  samengetrokken 
naar  de  zijde  van  Thienen,  op  den  linkeroever  van  de  Groote 
Gecte. 

Wij  hebben  onzen  tijd  en  onze  moeite  er  niet  voor  over,  om  ons 
hier  bezig  te  houden,  met  dag  voor  dag  de  bewegingen  gade  te 
slaan  van  de  wederzijdsche  legers;  zulk  eene  studie  loont  de 
inspanning  niet  die  men  er  aan  besteedt,  en  wij  willen  geen 
misbruik  maken  van  het  geduld  onzer  lezers,  —  aannemende 
dat  wij  lezers  vinden.  Genoeg  zij  het  te  zeggen,  dat  het  hoofd- 
doel van  Luxembourg  schijnt  geweest  te  zijn,  zich  te  plaatsen 
tusschen  het  leger  van  Willem  III  en  Luik,  om  daardoor  de 
bondgenooten  te  nopen  die  stad  te  beschermen,  en  hen  daardoor 
te  beletten  met  hunne  hoofdmacht  naar  Vlaanderen  te  trekken; 
dat  Willem  III  van  zijne  zijde  de  gemeenschap  van  het  Fransche 
leger  met  Namen  en  met  Hoey  trachtte  te  bedreigen,  ten  einde 
daardoor  den  aanvoer  van  konvooien  te  verhinderen,  en  op  die 
wijze,  door  gebrek  aan  levensmiddelen,  Luxembourg  te  dwingen 
om  weer  terug  te  gaan  achter  de  Maas  en  de  Sambre ;  dat  noch 
de  eene  noch  de  andere  partij  een  veldslag  zocht,  maar  dien 
vermeed  door  het  bezetten  van  sterke  stellingen,  een  middel  dat 
toen  afdoende  was;  dat  alles  zich  bepaalde  tot  pogingen  om  te 
fourageeren,  of  om  in  's  vijands  land  te  stroopen,  —  een  wijze 
van  oorlogvoeren  die  toen  niet  vreemd  was,  maar  die  men  in 
onze  dagen  zou  veroordeelen  als  geheel  onbeduidend;  en  dat 
eindelijk,  in  de  tweede  helft  van  Augustus,  toen  Willem  III  de 
zekerheid  had,  dat  het  Fransche  leger  haast  gebrek  aan  fourage 
zou  hebben  en  dus  niet  lang  meer  kon  blijven  ten  noorden  van 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN   IN   DE   NEDERLANDEN.  259 

Maas  en  Sambre,  hij  met  het  leger  der  bondgenooten  opbrak 
naar  de  zijde  van  de  Schelde  en  van  Vlaanderen,  en  onverwijld 
ook  door  Luxembourg's  leger,  in  evenwijdige  richting,  de  marsch 
derwaarts  werd  aangevangen. 

Die  marsch  van  de  Méhaigne  naar  de  Schelde  (i8 — 24  Augus- 
tus), is  haast  een  wedloop  van  de  wederzijdsche  legers^  wie  van 
beide  laatstgenoemde  rivier  het  eerst  zou  bereiken.  De  Franschen 
waren  de  winnende  partij,  bij  dien  wedloop.  Toen  de  bondge- 
nooten den  24sten  Augustus  aan  den  rechteroever  van  de  Schelde 
kwamen,  halfweg  Doornik  en  Oudenaarden,  vonden  zij  den  ande- 
ren oever,  ten  noorden  van  Espierre  en  Helchin,  reeds  bezet 
door  het  Fransche  leger;  en  was  dus,  op  ddt  punt,  de  overtocht 
van  de  rivier  onmogelijk  gemaakt.  Om  die  uitkomst  te  ver- 
krijgen had  Luxembourg's  leger  zich  buitengewone  inspanningen 
moeten  getroosten,  en  snelle  en  aanhoudende  marschen  moeten 
doen;  men  vindt  vermeld,  dat  daarbij  de  Fransche  soldaten 
hunne  tenten  en  hunne  ransels  achterlieten,  onder  bewaking  van 
hen  die,  door  vermoeidheid,  den  marsch  niet  langer  konden 
volhouden.  Te  Condé  was  voor  de  doortrekkende  troepen,  brood 
en  bier  bijeengebracht. 

Willem  III  trok  toen  de  Schelde  lager  af,  en  ging  den  27sten 
Augustus,  te  Oudenaarden,  die  rivier  over.  De  macht  der  bond- 
genooten was  toen  tusschen  Schelde  en  Lijs;  zij  scheen  Kortrijk 
te  bedreigen;  en  dit  noopte  Luxembourg  om  den  2 7 sten  Augus- 
tus stelling  te  nemen  nabij  die  vesting,  op  den  linkeroever  van 
de  Lijs.  Toen  Willem  III  ook  de  Lijs  was  overgegaan,  versterkte 
Luxembourg  zijne  stelling  bij  Kortrijk  zoodanig,  dat  zij  moeielijk 
was  aan  te  vallen.  Dixmude  werd  door  de  bondgenooten  bezet 
en  versterkt;  hiertoe  bepaalden  zich  ook  hunne  verrichtingen  in 
Vlaanderen;  —  maar  Willem  III  i willende  de  veldtocht  niet 
vruchteloos  voorbij  laaten  gaan"  —  zoo  zijn  de  naïeve  woorden 
van  de  Europische  Mcrcurius  —  deed  toen  Hoey  belegeren. 

Een  deel  van  de  Hollandsche  troepenmacht  bij  Luik  was  aan- 
vankelijk Willem  III  gevolgd  bij  zijn  marsch  naar  Schelde  en 
Lijs ;  maar  kreeg  daarna  bevel  om  naar  de  Maas  terug  te  keeren 
en  Hoey  in  te  sluiten;  die  troepenmacht  —  16  bataljons  voet- 
volk onder  Coehoorn,  en  3000  paarden  —  kwam  den  i6en  Sep- 
tember voor  de  vesting  en  vond  die  reeds  berend  door  Luiksche 
troepen  onder  Tilly;  tegelijk  kwam  daar  ook  aan,  de  hertog  van 
Holstein-Plön  die  met  de  leiding  van  het  beleg  belast  was;  — 
ten  minste  in  naam,  want  inderdaad  had  Coehoorn  die  leiding 
in  handen. 

Dat  beleg  heeft  niets  buitengewoons  opgeleverd,  en  kan  kor- 
telijk  worden  vermeld. 


Digitized  by 


Google 


26o  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

De  Fransche  bevelhebber  binnen  Hoey  was  Regnac;  de  be- 
zetting bedroeg,  volgens  ónze  opgaven,  1400  man  voetvolk  en 
I  compagnie  dragonders;  volgens  Beaurain,  slechts  900  man;  — 
die  laatste  opgave  is  de  waarschijnlijkste:  eensdeels,  omdat  er 
bij  de  overgave,  bij  het  uittrekken,  slechts  700  man  waren,  en 
het  niet  denkbaar  is  dat  in  de  weinige  dagen  van  het  beleg 
(17 — 27  September)  de  bezetting  tot  op  de  helft  zou  zijn  ver- 
smolten; en  anderdeels  omdat  de  door  Beaurain  opgegevene 
getalsterkte  voldoende  was  voor  de  verdediging  van  een  vesting 
van  kleinen  omvang,  en  die  men  denkelijk  niet  te  hulp  zou  kunnen 
komen.  Want  wel  had  Luxembourg,  op  het  eerste  bericht  van 
de  vijandelijke  voornemens  tegen  Hoey,  ruiterij  afgezonden  tot 
versterking  van  d'Harcourt,  die  in  het  Luxemburgsche  was  ge- 
bleven ;  maar  hoewel  die  bevelhebber  daardoor  een  60  eskadrons 
—  9  ^  10  000  paarden  —  onder  zijne  bevelen  zou  krijgen,  zoo 
zou  die  versterking  echter  te  laat  komen  om  Hoey  daarmee  te 
ontzetten;  —  trouwens,  ware  zij  tijdig  aangekomen,  dan  is  het 
nog  zeer  de  vraag,  of  dat  ontzet  zou  worden  beproefd.  In  één 
woord,  Hoey  was  toen  eene  aan  zichzelve  overgelaten  vesting, 
en  dus  was  de  uitkomst  van  het  beleg  niet  twijfelachtig. 

De  stad  Hoey,  die  moeielijk  te  verdedigen  was,  werd  door 
de  Franschen  ontruimd  en  gaf  zich  reeds  den  i8en  over;  het 
beleg  gold  eigenlijk  het  kasteel,  dat  niet  mocht  worden  aan- 
gevallen van  de  stadszijde,  terwijl  wederkeerig  beloofd  was  geen  vuur 
te  richten  uit  het  kasteel  op  de  stad.  Den  igen  vingen  de  aan  vals- 
werkzaamheden  tegen  het  kasteel  aan;  Coehoorn  had  te  beschikken 
over  een  sterk  belegeringspark:  60  kanonnen  en  30  mortieren, 
volgens  onze  opgaven;  67  kanonnen  en  37  mortieren,  volgens 
Beaurain;  een  verschil  dat  niet  veel  beduidt.  Het  kostte  moeite 
en  tijd  om  die  vuurmonden  op  de  rots  te  krijgen,  waarop  het 
kasteel  was  gelegen;  maar  toen  de  belegeraar,  den  2  2sten  Sep- 
tember, het  vuur  van  zijne  batterijen  opende,  was  het  vuur  van 
de  vesting  spoedig  tot  zwijgen  gebracht.  Den  24sien  wordt,  door 
800  man  Brandenburgsche  troepen,  de  bres  van  het  fort  Picard 
bestormd;  dat  fort  wordt  genomen,  ook  het  Fort  rouge^  meer 
nabij  het  kasteel  gelegen,  en  de  versterkte  toren  van  Saint-Lémard, 
Den  25stea  opent  Coehoorn  het  vuur  zijner  batterijen  op  het 
kasteel,  met  zoo  goed  gevolg  dat  daarin  spoedig  een  bres  ge- 
schoten is;  de  belegeraar  maakt  een  mijngang  bij  die  bres, 
Regnac  treedt  daarop  in  onderhandeling  en  geeft  den  27sten  het 
kasteel  over,  voor  de  bezetting  een  vrijen  aftocht  met  krijgseer 
bedingende,  naar  Namen. 

De  inneming  van  Hoey  bewijst  dat,  in  1694,  de  wapenen  der 
bondgenoot  en  het  overwicht  hebben  gehad  in  de  Nederlanden. 
Maar   dit   voordeel  beduidde   toch   eigenlijk  zeer  weinig,  en  het 


Digitized  by  VjOOQIC 


KRIJGSVERRICHTINGEN   TER   ZEE.  26 1 

bleef  het  eenige;   spoedig   daarop   betrokken   de    wederzijdsche 
legers  de  winterkwarlieren,  en  er  gebeurde  niets  meer. 

Want  het  verdient  schier  geen  vermelding,  dat  de  HoUandsche 
generaal  Tilly  —  een  broeder  van  den  aanvoerder  der  Luiksche 
troepen  —  den  28sten  September,  uit  zijne  legerplaats  bij  Ath, 
bijna  te  midden  van  zijne  troepen,  werd  opgelicht  door  eene 
kleine  Fransche  afdeeling,  uit  Mons  afgezonden;  een  feit  alleen 
te  verklaren  door  de  buitengewone  stoutheid  van  die  Fransche 
afdeeling,  en  door  de  nalatigheid  waarmede  de  veldwachten  van 
Tilly  den  veiligheidsdienst  waarnamen;  dit  laatste  wordt  eenigs- 
zins  bewezen,  doordien  een  ritmeester  die  het  bevel  voerde  over 
eene  dier  veldwachten,  door  een  krijgsraad  werd  veroordeeld 
maar  later  begenadigd.  Laubanie,  de  Fransche  bevelhebber  van 
Mons,  zond  dadelijk  na  het  gebeurde  een  bericht  naar  het 
HoUandsche  kamp  bij  Ath,  dat  de  generaal  Tilly,  behouden  en 
wel,  te  Mons  was  aangekomen;  eene  beleefdheid,  die  wel  wat 
had  van  bespotting.  Tilly  werd,  een  maand  later,  ontslagen  voor 
een  losgeld  van  vijftienhonderd  gulden. 

Dergelijke  feiten  hebben  weinig  krijgskundig  belang,  en  kunnen 
misschien  alleen  dienen  om  de  militaire  gebruiken  van  dien  tijd 
eenigszins  toe  te  lichten.  Als  zulk  eene  toelichting  kan  ook  die- 
nen, het  ter  dood  brengen,  op  den  i4en  September,  in  de  leger- 
plaats te  Rousselaere,  van  een  Franschman,  die  het  artilleriepark 
van  de  bondgenooten  had  willen  in  brand  steken:  nadat  hem 
de  rechterhand  was  afgehouwen,  werd  hij  levend  verbrand;  — 
het  was  toen  geen  menschelijke  tijd:  ook  in  ónzen  tijd  zou  de 
doodstraf  op  zulk  een  feit  worden  toegepast,  maar  niet  op  zoo 
wreede  wijze.  De  misdadiger  verklaarde,  dat  hooge  bevelhebbers 
van  het  Fransche  leger  hem  hadden  aangespoord  tot  zijne  onder- 
neming; met  standvastigheid  onderging  hij  zijn  wreeden  dood, 
roemende  dat  hij  stierf  voor  de  zaak  van  zijn  Koning  en  van 
zijn  godsdienst;  —  zoo  moeielijk  is  het  soms  voor  een  verhit 
brein  om  te  onderscheiden  wat  goed  en  wat  kwaad  is. 


Was  de  uitkomst  van  den  veldtocht  van  1694  in  de  Neder- 
landen voor  Willem  III  zeer  onbeduidend,  ook  zijne  onder- 
nemingen ter  zee  tegen  Frankrijk  bleven  verre  beneden  de  ver- 
wachting. 

Sedert  den  zeeslag  van  kaap  La  Hogue,  meende  men  dat  de 
Engelsche  en  HoUandsche  oorlogsvloten  het  onbetwiste  meester- 
schap ter  zee  zouden  hebben;  dit  was  ook  zoo,  in  dien  zin,  dat 
Frankrijk  zich  vooreerst  niet  meer  waagde  aan  een  grooten  zee- 
slag; maar  het  bracht  den  bondgenooten  afbreuk  genoeg  toe 
door  kleine  eskaders  en  door    kapers.    Vooral   Jean   Bart,   de 


Digitized  by 


Google 


202  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Duinkerker  held,  verwierf  nieuwen  krijgsroem  door  het  slaan  van 
het  Hollandsche  eskader  van  Hidde  de  Vries  (29  Juli).  De  Vries, 
gevangen  genomen,  bezweek  aan  zijne  wonden,  en  z  ij  n  e  dapper- 
heid kan  dus  niet  worden  verdacht;  maar  bij  sommige  scheeps- 
bevelhebbers,  die  onder  hem  hebben  gestreden,  is  dit  minder 
zeker;  Willem  III  noemde  dit  zeegevecht  ten  minste  i schande- 
lijk" voor  ons;  —  maar  de  Stadhouder  is  dikwijls  overdreven 
streng  in  zijn  oordeel  over  oorlogshandelingen.  —  Jean  Bart 
werd  toen  door  Lodewijk  XIV  in  den  adelstand  verheven,  eene 
onderscheiding  die  hij  door  zijne  groote  dapperheid  verdiende, 
al  moge  dan  ook  de  kaapvaart  niet  de  eervolste  wijze  zijn  om 
die  dapperheid  te  doen  blijken. 

Een  maand  vroeger  dan  dat  gevecht  tusschen  Hidde  de  Vries 
en  Jean  Bart,  had  de  scheepsmacht  der  bondgenooten  een  andere 
nederlaag  geleden.  Eene  vereenigde  Engelsche  en  Hollandsche 
oorlogsvloot,  met  eene  sterke  afdeeling  landingstroepen  —  Engel- 
schen  —  was  naar  de  kusten  van  Bretagne  gestevend,  om  daar 
Brest  aan  te  vallen  en  te  nemen;  —  nog  altijd  schijnt  bij  de 
Engelschen  de  wensch  levendig  te  zijn  geweest  om  een  vast  punt 
aan  den  Franschen  wal  te  bezitten;  nog  altijd  schijnen  zij  het 
verlies  van  Calais,  in  de  zestiende  eeuw,  niet  te  zijn  vergeten.  — 
Die  onderneming  tegen  Brest  mislukte  geheel  en  al,  denkelijk 
door  verraad;  Macaulay  legt  aan  Marlborough  het  schandelijke 
feit  ten  laste,  van  het  Fransche  hof  intijds  te  hebben  bekend  ge- 
maakt met  het  voornemen  van  die  landing  in  Bretagne;  onwaar- 
schijnlijk is  die  zware  beschuldiging  niet;  want  Marlborough  — 
toen  heette  hij  nog  Churchill  —  heeft  zich  meer  dan  eens  schul- 
dig gemaakt  aan  handelingen,  die  bewijzen  dat  hij  nooit  erg 
geplaagd  is  geweest  door  een  nauwgezet  geweten,  of  een  kiesch 
eergevoel. 

Hoe  dit  ook  zij,  de  Fransche  regeering,  tijdig  gewaarschuwd, 
had  hare  maatregelen  genomen,  eene  troepenmacht  bij  Brest 
vereenigd,  en  door  Vauban  de  zeekust  in  de  nabijheid  doen 
versterken;  met  dat  gevolg,  dat  toen  den  i8en  Juni  de  Engelsche 
generaal  Talmash,  bij  de  baai  van  Camaret  —  aan  de  zuidzijde 
van  Brest  —  de  landing  begon,  hij  door  de  Fransche  troepen 
spoedig  teruggeworpen  werd.  Een  Hollandsch  oorlogsschip  ging 
verloren;  andere  bodems  werden  zwaar  beschadigd  door  het 
vuur  van  de  Fransche  batterijen;  Talmash  en  eenige  honderd 
man  sneuvelden;  en  onverrichterzake  moest  de  oorlogsvloot  der 
bondgenooten  weer  wegzeilen. 

Om  die  tegenspoeden  te  wreken,  werden  in  den  zomer  van 
1694  door  de  zeemacht  der  bondgenooten  aanslagen  ondernomen 
tegen  verschillende   Fransche   oorlogshavens   aan   het  Kanaal,  of 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN  IN  DUITSCHLAND,  ITALIË,  EN  SPANJE.     263 

aan  de  Noordzee:  Dieppe,  Havre-de-Grace  (tegenwoordig  ge- 
woonlijk Havre  genoemd),  Calais  en  Duinkerken.  Die  aanslagen 
hadden  niet  ten  doel  het  vermeesteren  van  die  oorlogshavens, 
maar  alleen,  ze  te  vernielen  door  de  aanwending  van  een  bom- 
bardement, of  van  helsche  machines,  vuurschepen,  in  den  trant 
van  die  waarmede  Gianibelli,  tijdens  het  beleg  van  Antwerpen 
(*  584)1  Parma's  brug  over  de  Schelde  vernielde.  Die  onder- 
nemingen van  de  zeemacht  der  bondgenooten  mislukten  hier, 
slaagden  daar;  het  meest  schijnt  Dieppe  geleden  te  hebben,  dat 
nagenoeg  geheel  vernield  werd  door  de  ingeworpen  bommen; 
ook  Havre- de  Grflce  moet  veel  hebben  geleden.  Het  was  een 
barbaarsche  wijze  van  oorlogvoeren,  maar  die  toen  in  gebruik 
was,  en  die  zelfs  in  onze  dagen  nog  voorstanders  vindt. 


In  Duitschland  waren  de  krijgsverrichtingen  van  1694  zonder 
eenig  belang.  Prins  Lodewijk  van  Baden  en  de  Fransche  maar- 
schalk De  Lorge  stonden  hier  tegenover  elkander,  nu  eens  op 
den  rechteroever  van  den  Rijn,  dan  weder  op  den  linker;  maar 
zoowel  op  den  eenen  als  op  den  anderen  oever  voerden  zij 
eigenlijk  niets  uit  dat  vermelding  verdient;  niet  dan  onbedui- 
dende marschen  en  bewegingen,  en  onbeduidende  schermutse- 
lingen. Noch  de  eene,  noch  de  andere  der  oorlogvoerende  par- 
tijen behaalde  hier  in  1694  eenig  voordeel. 


In  Italië  was  evenmin,  in  1694  iets  gebeurd  wat  vermelding 
verdient.  Catinat  stond  hier  tegenover  den  hertog  van  Savoye, 
in  wiens  leger  zich  toen  ook  Prins  Eugenius  bevond.  De  ves- 
ting Casal,  door  de  Franschen  bezet,  werd  al  meer  en  meer 
ingesloten  door  den  Hertog;  er  hadden  kleine  gevechten  plaats, — 
ook  tusschen  de  Fransche  troepen  en  de  Waldenzen;  hier  en 
daar  werd  een  post,  een  kleine  sterkte  aangevallen  en  vermees- 
terd;.maar  eigenlijk  gebeurde  hier,  in  het  noorden  van  Italië, 
niets  dat  genoemd  mag  worden.  Het  uitgeputte  Frankrijk  was, 
in  dit  jaar,  niet  bij  machte  tot  groote  inspanningen;  en  de  her- 
tog van  Savoye  had  misschien  niet  veel  lust  om  den  oorlog 
krachtig  door  te  zetten.  Vergeleken  bij  de  krijgsverrichtingen  in 
Duitschland  en  Italië,  zou  men  zelfs  geneigd  zijn,  den  veldtocht 
van  1694  in  de  Nederlanden  minder  onbeduidend  te  noemen. 


Alleen  in  Spanje  traden  de  Fransche  wapenen  in  1694  met 
kracht  op,  en  behaalden  zij  niet  onbelangrijke  voordeelen. 

De  maarschalk  De  Noailles,  met  een  Fransch  leger  van  een 
30000  man  Catalonië  binnengerukt  zijnde,  behaalde  den  2  7sien  Mei, 


Digitized  by 


Google 


264  KRI[GS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

bij  de  rivier  de  Ter,  een  volkomen  overwinning  op  een  Spaansche 
legermacht  -van  een  16000  man.  Noailles  vermeesterde  daarop 
verschillende  vestingen  in  het  noorden  van  Catalonië:  Palamos, 
Girona,  Hostalrich  en  Castelfollit:  de  belegeringen  van  die  sterk- 
ten duurden  niet  lang,  en  de  verdediging  was  niet  bijzonder 
krachtig,  wat  toegeschreven  kan  worden,  eensdeels  aan  den 
indruk  teweeggebracht  door  den  veldslag  bij  de  Ter,  en  ander- 
deels aan  de  omstandigheid,  dat  zich  bij  het  Spaansche  leger 
veel  Daitschers  en  Italianen  bevonden,  die  er  geen  bezwaar  in 
zagen  om  over  te  loopen  tot  den  overwinnaar,  tot  de  sterkste 
partij.  Noailles  drong  zelfs  door  tot  nabij  Barcelona,  maar  zag 
af  van  het  aanvallen  van  die  hoofdstad,  toen  daar  eene  Engelsche 
en  Hollandsche  vloot  onder  Russell  en  Callenberg  verscheen,  en 
een  4000  man  versterkingstroepen  uit  Spanje  aan  wal  zette. 

Neemt  men  alles  te  zamen,  dan  ziet  men,  dat  in  1694  het 
krijgsgeluk  zich  nog  in  geenen  deele  tegen  Frankrijk  had  ver- 
klaard; —  maar  de  middelen  om  den  oorlog  vol  te  houden, 
begonnen  te  verminderen;  het  land  raakte  uitgeput  aan  men- 
schen  en  aan  geld;  en  Lodewijk  XIV,  die  reeds  zijn  groote 
veldheeren  Condé  en  Turenne  had  verloren,  verloor  nu  ook 
Luxembourg.  Beaurain  besluit  het  verhaal  van  den  veldtocht 
van  1694  in  de  Nederlanden  met  deze  woorden: 

iDie  veldtocht  was  de  laatste  van  den  maarschalk  De  Luxem- 
bourg; de  vroegere  gebeurtenissen  hadden  bewezen,  dat  hij  wist 
te  overwinnen  als  hij  wilde  strijden.  In  1694  geen  andere  taak 
hebbende,  dan  om  den  overmachtigen  vijand  te  verhinderen  om 
grond  te  winnen  aan  Frankrijk's  grenzen,  wist  hij  hem  ontzag 
in  te  boezemen  door  stoute  handelingen,  zoodat  die  vijand  niets 
anders  vermocht  dan  het  Fransche  leger  te  bemoeielijken  in  het 
levensonderhoud.  Luxembourg  stierf  in  Januari  1695,  toen  zijn 
beproefd  oorlogsgenie  hem  nog  zoo  noodig  maakte  als  leger- 
hoofd.  Zijne  handelingen,  roemvol  voor  den  Staat,  zijn  waard 
om  der  nakomelingschap  ten  voorbeeld  te  dienen;  de  vreemde- 
ling bewonderde,  de  Koning  en  geheel  Frankrijk  betreurden 
hem.**  {Histoire  milnaire  de  Flandre^  2*  deel,  blz.  384). 

Wat  zullen  wij  zeggen  over  die  woorden  van  den  lofredenaar 
van  Luxembourg?  —  Onwillekeurig  komt  ons  daarbij  in  de  ge- 
dachte, het  puntdicht  van  Corneille  bij  den  dood  van  den  kar- 
dinaal De  Richelieu: 

*Qu*on  dise  tanl  qu'on  veuille  du  fameux  Cardinal, 
ma  prose  ni  mes  vers  n*en  diront  jamais  rien. 
Il  m*a  fait  trop  de  bien,  pour  en  dire  du  mal; 
il  m*a  fait  trop  de  mal  pour  en  dire  du  bien." 


Digitized  by 


Google 


1695.  265 

Zoo  wekt  ook  Luxembourg  gemengde  gewaarwordingen  op: 
het  is  onbetwistbaar  dat  hij,  in  1672,  den  welverdienden  haat  en 
verfoeiing  van  de  Hollanders  op  zich  heeft  geladen;  het  is 
onbetwistbaar,  dat  hij  een  laag  en  verachtelijk  karakter  heeft 
gehad;  —  maar  even  onbetwistbaar  is  het,  dat  hij  een  uitstekend 
oorlogsman,  een  groot  legerhoofd  is  geweest.  Hij  was  de  leerling 
van  Condé;  in  stoutheid  en  bekwaamheid  heeft  hij  zijn  meester 
geëvenaard. 


HOOFDSTUK  XXVIII. 

1695;  namen;  beleg  van  de  stad. 

Zoo  onbeteekenend  als  de  veldtocht  van  1694  was,  zoo  be- 
langrijk is  die  van  1695  in  de  Nederlanden  geweest;  hij  is  eene 
schitterende  bijdrage  geweest  tot  den  krijgsroem  van  Nederland, 
tot  de  grootheid  van  Willem  III  als  leger  hoofd. 

Die  vorst  werd  in  den  aanvang  van  het  jaar  getroffen  door 
een  slag,  die  zijn  kracht  scheen  te  moeten  breken :  den  yen  Ja- 
nuari was  zijn  vrouw,  koningin  Maria,  aan  de  kinderpokken  ge- 
storven. Schaarsch  is  het  echtelijk  geluk  in  de  vorstelijke  krin- 
gen; en  vaak  is  daar  het  rouwbetoon  over  den  dood-  van  eene 
gade  niets  anders  dan  eene  ijdele  vertooning,  door  gebruik  en 
welvoegelijkheid  voorgeschreven,  niets  anders  dan  eene  officieele 
huichelarij,  minachting  en  afkeer  opwekkend  bij  hem  die  haar 
doorziet.  Hier,  bij  den  dood  van  koningin  Maria,  was  dat  echter 
niet  het  geval;  zij  was  wel  degelijk  voor  Willem  III  een  trouwe, 
teedere  echtgenoote  geweest;  en  haar  dood  vervulde  hem  met 
een  zoo  groote  droefheid,  dat  men  in  de  eerste  dagen  eene 
ernstige  vrees  koesterde  voor  het  behoud  van  zijn  leven,  of  van 
zijn  verstand.  Maar  met  die  mannelijke  geestkracht,  die  zijn 
kenmerkende  karaktertrek  is  geweest,  kwam  hij  weldra  zijne 
droefheid  te  boven,  en  bereidde  hij  zich  opnieuw  voor  tot  het 
vervullen  der  grootsche  plichten  die  hem  waren  opgelegd  als 
kampvechter  voor  Europa's  vrijheid. 

De  vijanden  van  Willem  III  vleiden  zich  een  oogenblik  met 
de  hoop,  dat  de  dood  van  Maria  Stuart  een  einde  zou  maken 
aan  zijne  heerschappij  over  Groot-Brittanje ;  het  Engelsche  volk 
—  meenden  zij  —  had  hem  als  heerscher  aangenomen,  alleen 
ter  wille  van  zijne  vrouw;  nu  koningin  Maria,  de  telg  van  het 
oude  Britsche  vorstenhuis,  gestorven  was,  was  er  ook  geen  reden 
meer  om  koning  Willem,  den  vreemdeling,  te  behouden ;  nu  kon 


Digitized  by 


Google 


206  KRIJGS-    EN   GESCHIEÜKLNDIGE   BESCHOUWING tN. 

hij  weer  van  den  Engelschen  troon  afzien,  zooals  in  vroeger  tijd 
de  Spaansche  Filips  II  daarvan  had  afgezien  na  den  dood  van 
zijne  vrouw,  de  Engelsche  koningin  y^bloody  Mary\  \  Is  waar, 
Willem  III  was  op  wettige  wijze  erkend  als  koning;  maar  hing 
toch  niet  alles  af  van  den  volkswil,  van  de  genegenheid  des 
volks,  die  Willem  III  zich  niet  had  weten  te  verwerven? 

Het  is  een  feit,  dat  Willem  III  toen  niet  bemind  was  in  Enge- 
land; —  maar  het  Engelsche  volk  was,  ook  toen,  te  verstandig 
om  zich  geheel  te  laten  beheerschen  door  zijne  neigingen;  het 
zag  in,  dat  die  vreemdeling,  die  zoo  koel,  zoo  terugstootend 
was,  die  zich  zoo  weinig  schikte  naar  de  Engelsche  manieren  en 
gewoonten,  die  zoo  weinig  zijn  afkeer  verborg  voor  het  slechte 
dat  toen  het  Britsche  staatsieven  aankleefde,  —  toch  eigenlijk 
een  groot  en  heldhaftig  karakter  was,  een  verstandig  koning, 
toen  onmisbaar  voor  Engeland's  welzijn  en  vrijheid.  Daarom 
bleef  Engeland,  ook  na  den  dood  van  koningin  Maria,  aan 
Willem  III  verbonden;  en,  beperkte  het  diens  gezag  soms  bin- 
nen te  enge  grenzen,  het  had  niet  de  minste  aanvechting  om 
dat  gezag  omver  te  werpen.  Lodewijk  XIV  en  de  aanhangers 
van  Jakobus  hebben,  na  den  dood  van  koningin  Maria,  gehoopt 
op  afval  en  oproer  in  Engeland;  die  hoop  is  ijdel  gebleven. 

Frankrijk  zou,  in  1695,  nogmaals  in  het  strijdperk  moeten 
treden  tegen  het  verbondene  Europa;  en  Frankrijk  begon  aan 
krachten  te  verliezen. 

Voor  Lodewijk  XIV  waren  de  donkere  dagen  aangebroken; 
bij  den  aanvang  van  zijne  regeering  was  alles  luister,  alles  zon- 
neglans;  hij  werd  vergood  door  Frankrijk,  gevreesd  en  geëerd 
door  het  overige  Europa;  men  dong  naar  zijne  vriendschap, 
men  deed  alles  om  zijne  vijandschap  te  voorkomen;  schrandere 
staatslieden,  groote  legerhoofden,  uitmuntende  legers  en  vloten, 
een  goed  gevulde  schatkist  gaven  hem  een  beslist  overwicht  op 
alle  staten  van  Europa ;  overal  deed  hij  zich  als  meester  gelden ; 
geluk  en  roem  schenen  onafscheidelijk  aan  zijn  troon  verbonden. 

Hoe  was  dat  alles  verkeerd! 

De  leeftijd  was  voor  den  Franschen  koning  gekomen,  waarin 
de  krachten  van  geest  en  lichaam  afnemen,  en  de  toekomst 
met  meer  bezorgdheid  wordt  te  gemoet  gezien,  dan  met  dat 
hoopvol  zelfvertrouwen,  dat  zooveel  sterkte  bijzet.  Lodewijk  was 
niet  meer  de  afgod  van  het  Fransche  volk,  dat  nu,  door  zware 
lasten  gedrukt  en  uitgeput,  telkens  tot  oproer  dreigde  over  te 
slaan;  een  deel  van  dat  volk,  het  nijverste,  het  rijkste,  was  door 
ondragelijken  gewetensdwang  het  land  uitgedreven,  en  deed  nu 
gansch  Europa  weergalmen  van  zijne  verwenschingen  tegen  den 
dwingeland;  dat  Europa  had  de  vroegere  vrees  voor  het  over- 
wicht van   Frankrijk 's  macht  afgelegd,  en  zag  den  dag  der  ver- 


Digitized  by 


Google 


1695.  207 

gelding  aanbreken  waarop  het  wraak  zou  kunnen  nemen  over 
lange  jaren  van  onrecht  en  geweld;  de  sterke  oorlogsvloten  van 
vroeger  bestonden  niet  raeer,  en  waren  vervangen  door  de  kleine 
smaldeelen,  door  de  kaperschepen  der  Jean  Barts  en  Du  Guay- 
trouins;  wel  werden,  ten  koste  van  groote  inspanningen,  de  legers 
op  geduchte  getalsterkte  gehouden,  maar  de  deugdzaamheid  en 
innerlijke  kracht  dier  legers  waren  verminderd,  vooral  ook  omdat . 
de  slecht  gevulde  schatkist  niet  toeliet  om  voldoende  te  voorzien 
in  al  de  behoeften  van  den  oorlog;  en,  —  wat  het  ergste  voor 
Frankrijk  was,  wat  het  meest  het  verval  van  een  land  aanduidt  — , 
de  menschen  begonnen  te  ontbreken,  de  mannen  van  geestkracht 
en  bekwaamheid,  geschikt  om  de  zaken  van  staat  en  van  oorlog 
goed  te  leiden  en  te  besturen!  Colbert,  Louvois,  zij  waren  niet 
meer  daar,  om  Lodewijk  in  de  regeeringstaak  te  ondersteunen; 
Condé,  Turenne,  Luxembourg,  zij  voerden  de  Fransche  legers 
niet  meer  aan;  die  mannen  waren  opgevolgd  door  zwakken  en 
onbekwamen;  opgevolgd  waren  zij,  niet  vervangen. 

In  oorlogszaken  hangt  bijna  alles  af  van  de  waarde  van  den 
opperbevelhebber;  en  de  maarschalk  De  Villeroy,  die  in  1695 
aan  het  hoofd  werd  geplaatst  van  de  Fransche  legermacht  in  de 
Nederlanden,  was  niet  berekend  voor  die  taak.  Het  was  een 
ongelukkige  keus. 

Die  keus  had  Villeroy  te  danken  aan  hofgunst:  hij  was  de 
zoon  van  den  vroegeren  opvoeder  van  Lodewijk  XIV,  en  zóó 
in  gunst  bij  den  Koning,  dat,  toen  zelfs  in  de  slaafsche  hof- 
kringen gemord  werd  over  Villeroy's  onbekwaamheid,  Lodewijk 
de  onbillijke,  haast  ongerijmde  woorden  bezigde:  »men  valt  hem 
maar  aan,  omdat  men  weel  dat  ik  hem  voorsta."  's  Konings 
ingenomenheid  met  Villeroy  zou  te  begrijpen  zijn  geweest,  ware 
het  enkel  om  den  mensch  te  doen;  want  uit  alles  blijkt,  dat 
Villeroy  is  geweest  een  eerlijk,  rechtschapen  man,  op  wiens 
zedelijk  karakter  geen  aanmerkingen  zijn  te  maken;  Villeroy 
was,  wat  wij  verstaan  onder  »fatsoenlijk  man",  wat  de  En- 
gelschen  begrijpen  onder  de  woorden  ia  gentleman",  wat  de 
Franschen  van  de  zeventiende  eeuw  noemden  lun  galant 
hom  me".  Villeroy  streefde  er  ook  naar,  zich  bij  zijne  officieren 
bemind  te  maken:  te  hunnen  behoeve  had  hij,  bij  het  leger  in 
1695,  honderd  paarden  op  zijn  stal;  hij  hield  drie  open  tafels; 
en  zijn  beurs  was  ter  beschikking  van  hem  die  het  noodig  had. 
Dat  zijn  allemaal  goede  hoedanigheden  in  een  legerhoofd,  maar 
toch,  het  zijn  zaken  van  ondergeschikt  belang;  de  hoofdzaak 
is  de  bekwaamheid  als  veldheer;  daarop  komt  het  aan;  en  die 
bekwaamheid  miste  Villeroy  geheel  en  al.  Nu  is  die  bekwaam- 
heid ook  niet  zoo'n  alledaagsch  iets;  ten  onrechte  spreekt  men 
er  soms  over,  alsof  men  een  groot  veldheer  maar  voor  het  op- 


Digitized  by 


Google 


268  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

rapen  heeft:  een  groot  veldheer  is  even  zeldzaam  als  een  groot 
dichter. 

Het  leger,  waarover  Villeroy  in  1695  in  de  Nederlanden  te 
beschikken  had,  was  in  getalsterkte  niet  beneden  de  legermacht 
die  Frankrijk  in  de  laatste  jaren  op  dit  oorlogstooneel  deed 
optreden.  Volgens  De  Quincy  bestond  de  legermacht,  onmid- 
dellijk onder  de  bevelen  van  Villeroy,  uit  73  bataljons  en  153 
eskadrons^  dit  was  dus,  een  48  k  50000  man  voetvolk  en  een 
24  k  25000  ruiters  of  dragonders,  te  zamen  72  k  75000  man. 
Bovendien  was  Boufflers  aan  de  Maas,  met  eene  afdeeling,  die, 
volgens  een  andere  opgave,  12000  man  sterk  was:  en  Montal 
met  een  10 000  man  bij  Veurne  en  Duinkerken;  in  het  geheel 
zal  dit  dus  een  90  k  100  000  man  hebben  uitgemaakt. 

Het  spreekt  van  zelf,  dat  dit  cijfer  niet  met  wiskundige  nauw- 
keurigheid kan  worden  vastgesteld;  te  meer  niet,  omdat,  toen 
Willem  III  eenmaal  de  belegering  van  Namen  had  aangevangen 
en  dus  de  vestingen  van  Fransch  Vlaanderen  niet  meer  werden 
bedreigd,  Villeroy  een  deel  der  bezettingen  van  die  vestingen 
bij  zijn  leger  kan  hebben  aangetrokken;  vandaar,  dat  de  sterkte 
van  het  leger  waarmede  de  Fransche  maarschalk  tot  ontzet  van 
Namen  is  opgerukt,  verschillend  wordt  opgegeven:  de  minste 
opgave  is  een  70  k  80  000  man ;  een  andere  opgave  spreekt  van 
100  000  man,  ééne  zelfs  van  120000;  —  de  laatste  is  klaarblij- 
kelijk overdreven  groot ;  maar  eene  andere  opgave  die  dit  Fransche 
leger  op  een  60000  man  wil  terugbrengen,  is  zoo  overdreven 
klein,  dat  zij  buiten  aanmerking  moet  blijven. 

Naar  onze  meening  is  het  Fransche  leger  van  1695,  wat  de 
getalsterkte  betreft,  vrij  wel  gelijk  geweest  aan  het  daartegenover 
staande  leger  van  Willem  III;  maar  de  militaire  waarde  van  de 
Fransche  troepen  was  minder  dan  die  der  bondgenooten ;  en 
vooral  de  aanvoering  maakte  Frankrijk's  minderheid  ontwijfelbaar. 
Niet,  dat  er  aan  de  Fransche  zijde  geen  bekwame,  krachtvolle 
aanvoerders  waren:  het  is  voldoende,  de  namen  te  noemen  van 
Boufflers  en  Montal;  —  maar  de  opperbevelhebber  deugde  niet, 
en  daarvan  hangt  bijna  alles  af.  Dan  had  men  ook  weer,  onder 
de  Fransche  bevelhebbers,  vorstelijke  personen,  onder  anderen 
den  hertog  van  Maine,  een  der  basterden  des  Konings;  en  de 
aanwezigheid  van  zulke  personen  bij  een  leger  werkt  gewoonlijk 
slecht,  —  tenzij  die  vorstelijke  personen,  bij  uitzondering,  be- 
giftigd zijn  met  veldheerstalent;  of  dat  zij  —  zooals  bij  de 
Pruisen  —  geheel  en  al  als  een  gewoon  bevelhebber  worden 
behandeld,  en  aan  al  de  strenge  wetten  der  krijgstucht  onder- 
worpen blijven. 

In  1693  waren  de  liniën  tusschen  Schelde  en  Lijs,  die  Fransch 


Digitized  by 


Google 


1695.  209 

Vlaanderen  dekten,  door  de  bondgenooten  vermeesterd  en  groo- 
tendeels geslecht.  In  April  1695  werden  die  linien  door  de 
Franschen  weer  opgemaakt,  maar  nu  iets  noordelijker,  iets  ver- 
der van  de  Fransche  grenzen:  de  linien  van  1693  sloten  aan  de 
Lijs  te  Meenen,  en  aan  de  Schelde  bij  Espierre;  die  van  1695 
liepen  van  Kortrijk  aan  de  Lijs,  tot  aan  het  dorp  Avelghem  aan 
de  Schelde.  De  nieuwe  linie  werd  opgeworpen  door  20000 
schansgravers,  beschermd  door  Boufflers  met  een  20  k  30000 
man;  na  de  voltooiing  der  linie  ging  die  Fransche  legermacht 
weer  naar  hare  winterkwartieren  terug,  omdat  het  jaargetijde  nog 
te  guur  was  om  de  troepen  te  velde  te  laten  blijven,  en  het 
land  nog  geen  paardevoer  opleverde  voor  de  ruiterij. 

In  de  Europische  Mercurius  vindt  men  eenige  afmetingen  van 
het  profiel  dier  linien:  de  borstwering  had  eene  hoogte  van  9 
voet  (bijna  3  el,  of  meter),  en  eene  dikte  van  6  a  7  voet  (ongeveer 
2  el);  de  gracht  had  eene  diepte  van  8  voet  (2,5  el),  en  was 
breed,  van  boven  18  voet  (ruim  5,6  ei),  maar  van  onderen 
slechts  8^9  voet  (2,5  è.  2,8  el);  »ter  oorzaak'*  —  wordt  er  met 
groote  wijsheid  bijgevoegd  —  idat  men  dusdanige  aarde  werken 
zeer  schuin  moet  maaken,  op  dat  ze  niet  komen  af  te  zakken."  — 
Van  afstand  tot  afstand  had  men  in  de  linien  redouien,  of  bas- 
tions, behoorlijk  gepalissadeerd,  en  in  alles  met  een  honderd 
vuurraonden  bewapend. 

De  zee  overstekende,  kwam  Willem  III  den  24siea  Mei  in 
Holland  aan,  en  na  een  kort  verblijf  aldaar  verliet  hij  den 
4ea  Juni  het  Loo  en  kwam  den  volgenden  dag  te  Gent  aan, 
waar  hij  den  keurvorst  van  Beieren  vond. 

De  legermacht  der  bondgenooten  was  toen  samengetrokken 
in  twee  groote  massa's,  in  Vlaanderen  en  Braband.  Het  hoofd- 
leger stond  tusschen  Thielt  en  Deynse,  op  den  linkeroever  van 
de  Lijs;  het  bestond  uit  70  bataljons  en  80  eskadrons,  naar 
schatting  35000  man  voetvolk  en  16000  ruiters  of  dragonders; 
te  zamen  een  5 1 000  man,  Engelsche  troepen,  of  troepen  van  de 
Republiek.  Een  tweede  leger,  bestaande  uit  troepen  der  Republiek 
en  uit  Spaansche  en  Beiersche  regimenten,  stond  tusschen  Brussel 
en  Dender  monde;  het  telde  36  bataljons  —  18000  man  voet- 
volk —  en  130  eskadrons  —  26000  ruiters  of  dragonders,  te 
zamen  44000  man.  —  Verder  had  men  nog,  bij  de  Maas,  een 
legerafdeeling  van  Brandenburgsche  en  Luiksche  troepen,  met 
eenige  bataljons  van  de  Republiek;  die  afdeeling  stond  bij  Falais, 
aan  de  Méhaigne,  een  paar  uur  ten  noordwesten  van  Hoey;  zij 
bestond  uit  25  bataljons  voetvolk  —  i8  Brandenburgsche  en  7 
van  de  Republiek,  te  zamen  12500  man  — ;  en  32  eskadrons  — 
17  Brandenburgsche  en  15  Luiksche,  te  zamen  6400  paarden — ; 
in   het  geheel  dus  bijna  19000  man.  —  Eindelijk,  voor  het  be- 


Digitized  by 


Google 


270  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

zetten  der  vestingen  van  West-Vlaanderen ,  had  de  generaal 
Ellenberg,  bij  Dixmude^  eene  macht  van  20  bataljons  —  10  000 
man  voetvolk  —  en  10  eskadrons  —  2000  paarden;  te  zamen 
een  12000  man. 

Telt  men  de  sterkte  van  al  die  afdeelingen  te  zamen,  dan 
komt  men  tot  een  geheel  bedrag  van  bijna  126000  man,  een 
grooter  cijfer  dus  dan  wij  hebben  gevonden  voor  de  legermacht 
van  Villeroy.  Te  dien  aanzien  moeten  echter  twee  aanmerkingen 
gelden :  vooreerst  hebben  wij  bij  de  schatting  van  de  getalsterkte, 
het  bataljon  gesteld  op  500  man,  en  het  eskadron  op  200  paar- 
den ;  maar  voor  die  sterkte  van  het  bataljon  staan  wij  veel  meer 
in  dan  voor  die  sterkte  van  het  eskadron:  op  grond  van  vroe- 
gere opgaven  bij  onze  oude  schrijvers  hebben  wij  die  sterkte 
geschat  op  200  paarden;  maar  het  kan  zeer  goed  zijn  dat  die 
schatting  te  hoog  is,  en  men  dus  de  ruiterij  van  de  bondge- 
nooten  moet  verminderen  met  eenige  duizend  man.  Ten  tweede 
kan  die  afdeeling  van  Ellenberger  —  12000  man  —  eigenlijk 
niet  tot  het  leger  te  velde  worden  gerekend,  dewijl  zij  moest 
dienen  als  bezetting  van  de  vestingen  in  Vlaanderen.  Geeft  men 
acht  op  die  twee  aanmerkingen,  dan  zal  men  tot  het  besluit 
komen,  dat  er  in  1695  geen  groot  verschil  heeft  bestaan,  wat 
de  getalsterkte  betreft,  tusschen  de  wederzijdsche  legers  in  de 
Nederlanden. 

Het  hoofdleger  van  de  bondgenooten  zou,  onder  Willem  III, 
worden  aangevoerd  door  den  Prins  De  Vaudemont,  een  zoon 
van  den  vroegeren  hertog  van  Lotharingen,  en  een  bekwaam 
legerhoofd.  Bij  dit  hoofdleger  had  men  verder  den  hertog  van 
VVurtemberg,  die  zich  bij  Steenkerke  had  onderscheiden ;  Nassau- 
Sarbruck ;  Bellassis ;  Noyelles,  die  het  voetvolk  van  de  Republiek 
onder  zijne  bevelen  had;  onder  de  generaal-majoors  worden  ge- 
noemd: Churchill  —  de  latere  Marlborough  — ,  Ramsay,  La 
Melonière  en  Miremont.  Ouwerkerk  was  aan  het  hoofd  van  de 
ruiterij,  en  had  onder  zich  La  Forest  en  Eppinger.  De  kolonel 
Goor  had  het  bevel  over  de  artillerie,  —  hare  sterkte  wordt 
niet  vermeld;  en  kwartiermeester-generaal  was  Dopff,  die  ook 
tijdens  den  Spaanschen  successie-oorlog  die  betrekking  heeft  be« 
kleed,  en  daarvoor  veel  geschiktheid  schijnt  te  hebben  gehad, 
al  moge  Goslinga,  in  zijne  gedenkschriften,  met  geringschatting 
van  hem  gewagen. 

Het  tweede  leger,  tusschen  Brussel  en  Dendermonde,  stond 
onder  het  bevel  van  den  keurvorst  van  Beieren;  daarbij  bevond 
zich  Holstein-Plön ;  Athlone,  de  overwinnaar  van  Ierland,  voerde 
de  ruiterij  aan.  Verder  worden  onder  de  bevelhebbers  bij  dit 
leger  genoemd:  Tilly,  Ittersum,  Nassau-Weilburg,  De  Hubert, 
Warfuzé,  Fagel  en  Salis.  De  artillerie  stond  onder  den  generaal 
Tettau. 


Digitized  by 


Google 


1695.  271 

Het  legerkorps  bij  de  Méhaigne  werd  aangevoerd  door  den 
Branden burgschen  generaal  Heyden  en  den  Luikschen  generaal 
Berloo. 

Ziedaar  de  legermacht,  waarover  Willem  III  in  1695  had  te 
beschikken,  en  waarmede  hij  zich  slerk  genoeg  achtte  om  aan- 
vallend te  werk  te  gaan. 

Heeft  Willem  III,  al  dadelijk,  een  bepaald  oorlogsplan  gehad; 
heeft  al  dadelijk  bij  hem  het  voornemen  bestaan  om  Namen  te 
belegeren?  —  Van  der  Heim  (Archief  van  Heinsius,  2*  deel, 
blz.  29)  beantwoordt  die  vraag  ontkennend,  en  zegt,  dat  uit 
een  schrijven  van  den  Stadhouder  aan  Heinsius  blijkt,  »dat  het 
plan"  (om  Namen  te  belegeren)  >niet  lang  te  voren  was  vastge- 
steld." In  dat  schrijven  van  den  960  Juni  1695,  uit  het  kamp  te 
Arselle  in  West- Vlaanderen,  zegt  Willem  lïl  aan  den  Raadpen- 
sionaris: >ick  en  kan  UEd.  nogh  niet  seggen  wat  wij  sullen 
ondernemen,  al  soo  het  sigh  eenighsins  naer  de  movementen 
van  den  vyant  sal  moeten  reguleren,  maer  ick  hoop  dat  sij  het 
aen  alle  kanten  niet  en  sullen  kunnen  bewaeren,  maer  dat  sij 
ons  occasie  sullen  geven,  om  iets  te  kunnen  ondernemen  van 
importantie."  (Archief  van  Heinsius,  2*  deel,  blz.  97). 

Die  woorden  van  Willem  IIÏ  bewijzen  eigenlijk  niets.  Vooreerst 
merken  wij  aan,  dat  het  niet  de  gewoonte  is  van  een  goed 
legerhoofd  om  met  zijne  oorlogsplannen  te  koop  te  loopen  en 
luid  uit  te  bazuinen  wat  hij  voornemens  is  te  doen;  allerminst 
was  Willem  III  met  die  slechte  eigenschap  behept :  hij  uitte  zich 
nooit  veel,  en  verdient  veel  meer  den  bijnaam  van  tde  zwijger" 
dan  de  groote  grondlegger  van  de  Nederlandsche  Republiek. — 
Maar  in  zijne  brieven  aan  Heinsius  was  hij  zeer  vertrouwelijk ;  — 
ja,  over  staatszaken;  over  krijgszaken,  minder;  daarover  zegt  hij 
niet  meer  dan  volstrekt  noodig  is.  Afkeer  van  de  inmenging  van 
niet- militairen  in  militaire  aangelegenheden,  was  eene  kenmer- 
kende eigenschap  in  Willem  III;  de  hedendaagsche  reporters, 
die  overal  waar  oorlog  wordt  gevoerd  heensnellen  om  af  te 
neuzen  wat  er  gebeurt  en  dit  door  de  dagbladen  wereldkundig 
te  maken,  zouden  bij  hem  eene  slechte  ontvangst  hebben  ge- 
vonden. 

Wat  de  Stadhouder  aan  Heinsius  schrgft  bevat  niets  dan  alge- 
meenheden, die  eigenlijk  uit  den  aard  der  zaak  voortvloeien: 
»onze  ondernemingen  zullen  zich  regelen  naar  de  bewegingen 
van  den  vijand;"  —  ja,  dat  zal  wel  waar  zijn;  om  zoo  iets  te 
voorspellen  behoeft  men  nog  geen  toovenaar  te  zijn;  wanneer 
Villeroy  met  zijn  leger  in  de  onmiddellijke  nabijheid  van  Namen 
blijft,  dan  wordt  het  beleg  van  Namen  eene  onmogelijkheid,  — 
volgens  de  krijgskunde  van  dien  tijd.  Maar  dit  zegt  daarom  niet, 
dat  het  belegeren   van   Namen  niet  in  het  plan  van  Willem  III 


Digitized  by 


Google 


272  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

heeft  gelegen;  integendeel,  wij  gelooven  dat  die  onderneming 
van  den  beginne  aan  door  hem  is  beoogd;  en  wij  gronden  die 
meening  ook  daarop,  dat  men  niet  zoo  in  een  oogenblik  een 
kolossaal  belegeringspark  en  uitgebreide  aanvalsmiddelen  bijeen- 
brengt, als  onmisbaar  waren  voor  den  aanval  van  een  zoo  groote 
en  sterke  vesting. 

Men  moet  zich  verplaatsen  in  de  oorlogsvoering  dier  tijden^ 
om  te  beseffen  wat  een  beleg  van  Namen  inhield;  dat  stond 
gelijk  met  een  beleg  van  Troje,  of  —  juister  gesproken  —  dat 
stond  gelijk  met  het  leveren  van  een  grooten  veldslag:  van  de 
uitkomst  van  zulk  een  beleg  hing  de  gang  van  den  oorlog  af^ 
de  veldheersroem  van  hem  die  dat  beleg  ondernam;  —  Wil- 
lem III  had  dat  ondervonden  bij  het  mislukken  van  het  beleg 
van  Maastricht  in  1676. 

In  Mei  had  Villeroy*s  leger  zich  samengetrokken  tusschen 
Mons,  Condé  en  Valenciennes.  Zoolang  het  Fransche  leger  daar 
was,  viel  er  voor  Willem  III  niet  te  denken  aan  het  belegeren 
van  Namen:  daar  dit  leger  de  vesting  kon  bereiken,  vroeger 
dan  de  bondgenooten,  of  ten  minste  vóór  dat  de  bondgenooten 
haar  op  voldoende  wijze  hadden  ingesloten.  Het  kwam  er  dus 
op  aan,  de  Fransche  legermacht  van  Namen  te  verwijderen;  en 
hiertoe  moest  dienen  het  bedreigen  van  de  Fransche  vestingen 
en  liniën  in  Vlaanderen. 

Villeroy  was  reeds  eenigszins  eene  beweging  in  westelijke  rich- 
ting begonnen:  uit  het  kamp  bij  Blaton  —  een  groot  uur  ten 
noorden  van  Condé  —  waar  hij  zich  den  3^0  Juni  had  neder- 
geslagen,  trok  hij  den  6ea  in  noordelijke  richting  op  Leuse,  tus- 
schen Doornik  en  Ath;  de  legerafdeeling  van  Boufflers  kwam 
dien  dag  te  Fleurus.  Op  het  bericht  dat  Willem  III  bij  het  leger 
der  bondgenooten  was  gekomen,  brak  de  Fransche  maarschalk 
den  8sten  van  Leuse  op,  om  de  Schelde  te  naderen;  den  loen 
Juni  was  hij  te  Cordes,  tusschen  Doornik  en  Oudenaarden;  dien 
dag  kwam  Boufflers  te  Havré,  iets  ten  oosten  van  Mons.  Den 
i2ea  Juni  ging  Villeroy  op  den  linkeroever  van  de  Schelde  over, 
bij  het  dorp  Pottes,  nagenoeg  even  ver  van  Doornik  als  van 
Oudenaarden;  het  Fransche  hoofdleger  plaatste  zich  toen  achter 
de  liniën  tusschen  Schelde  en  Lijs;  den  17 en  Juni  kwam  daar 
ook  het  grootste  gedeelte  der  legerafdeeling  van  Boufflers;  een 
klein  gedeelte,  onder  d'Harcourt,  was  nog  achter,  maar  volgde 
met  snellen  marsch.  Op  die  wijze  kwam,  omstreeks  half  Juni, 
nagenoeg  de  geheele  Fransche  legermacht  aan  de  westzijde  van 
de  Schelde, 

Een  bewijs  dat  Willem  III  van  den  beginne  aan  de  belegering 
van   Namen   beoogde,   kan  men  ook  daarin  vinden  dat  hij,  den 


Digitized  by 


Google 


i695.  273 

6en  Juni,  dadelijk  bij  zijn  komst,  aan  den  keurvorst  van  Beieren 
bevel  zond  om  Athlone  met  40  eskadrons  ruiters  of  dragonders 
naar  de  zijde  van  de  Maas  te  doen  trekken,  naar  Thienen  en 
Landen ;  daar  moesten  de  7  Hollandsche  bataljons  van  de  leger- 
afdeeling  aan  de  Méhaigne,  zich  bij  Athlone  aansluiten.  De 
Keurvorst  ontving  bevel  om,  zoodra  hij  bericht  kreeg  dat  Vil- 
leroy  op  den  linkeroever  van  de  Schelde  was  overgegaan,  van 
zijne  zijde  de  Dender  over  te  trekken  en  op  Oudenaarden  te 
rukken.  Den  i4ea  Juni  was  het  leger  van  den  Keurvorst  te 
Ninove,  waar  het  de  Dender  was  overgegaan;  den  i6en  ging 
het  de  Schelde  over  bij  het  dorp  Ename,  in  de  nabijheid  van 
Oudenaarden;  en  den  17 en  stond  het  op  korten  afstand  vóór  de 
Fransche  liniën  tusschen  Schelde  en  Lijs.  Ter  vervanging  van 
de  40  eskadrons  van  Athlone,  had  Willem  III  den  generaal  La 
Forest,  met  22  eskadrons,  doen  overgaan  van  het  hoofdleger 
naar  het  leger  van  den  Keurvorst. 

Eenige  dagen  had  Willem  III  doorgebracht  met  hel  in  ©ogen- 
schouw nemen  van  zijn  leger-,  een  noodzakelijke  maatregel  bij 
het  krijgswezen  van  die  tijden,  daar,  zonder  die  voorzorg,  een 
legerhoofd  volstrekt  geen  zekerheid  h^-d  omtrent  de  getalsterkte 
en  het  gehalte  van  zijne  troepen.  Men  vindt,  bij  de  vermelding 
van  die  wapenschouwing,  ook  aangeteekend,  dat  de  ruiterij  toen 
pas  in  het  kamp  aankwam :  men  had  haar  zoo  lang  mogelijk  ge- 
kantonneerd  gelaten  in  de  nabijzijnde  dorpen.  Den  i2en  Juni  brak 
Willem  III  met  zijn  leger  op,  van  Thielt  en  Deynze,  en  trok  op 
Rousselaere;  den  1360  werd  de  marsch  voortgezet  tot  in  de  nabij- 
heid van  de  Fransche  liniën,  tusschen  Iperen  en  Comines  aan  de 
Lijs;  —  de  troepen  van  Villeroy  kwamen  dien  dag  ook  in  die  liniën. 

Het  Fransche  'legerhoofd  was  in  onrust  en  onzekerheid,  door 
die  bewegingen  zijns  vijands.  Aan  de  zijde  van  Duinkerken 
schenen  de  bondgenooten  in  Frankrijk  te  willen  doordringen; 
misschien  wel  om  die  stad  te  nemen,  dat  zeerooversnest  dat  hun 
zooveel  afbreuk  deed;  —  maar  ook  Iperen,  Meenen,  Kortrijk, 
het  fort  De  Knokke,  de  liniën  tusschen  Lijs  en  Schelde,  werden 
bedreigd;  welk  punt  moest  men  het  eerst  te  hulp  komen,  voor 
welk  moest  men  het  meest  zorgen?  —  Villeroy  wist  niet,  hoe 
die  vraag  te  beantwoorden;  hij  was  als  de  kampvechter,  die  den 
degen  van  zijne  tegenpartij,  in  snelle  opvolging,  verschillende 
deelen  zijns  lichaams  ziet  bedreigen,  en  die  dan,  om  den  ge- 
vreesden  stoot  af  te  weren,  in  angstige  overhaasting  de  bewe- 
gingen van  zijn  vijand  volgt;  —  Luxembourg  zou  die  bedrei- 
gingen hebben  beantwoord  met  een  tegenaanval;  zoo  iets  was 
van  Villeroy  niet  te  verwachten. 

Willem  III  deed,  om  den  vijand  te  misleiden,  op  twee  punten 
schijnaanvallen  verrichten. 

WILLEM  IIL  —  III.  '  18 


Digitized  by 


Google 


274  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   DESCHOUWINGEN. 

Aan  de  eene  zijde  nam  het  leger  van  den  keurvorst  van 
Beieren  de  houding  aan,  alsof  het  de  liniën  tusschen  Lijs  en 
Schelde  wilde  doorbreken;  de  Keurvorst  liet  door  zijne  troepen 
fascinen  maken  voor  het  dempen  van  de  grachten;  en,  na  eene 
verkenning  op  den  1900  Juni,  deed  hij  eene  vijandelijke  afdeeling, 
die  vóór  het  dorp  Belleghem  stond  —  buiten  de  liniën,  zoo  wat 
in  het  midden  —  en  zich  daar  versterkt  had,  door  Fagel  aan- 
vallen en  terugwerpen  binnen  de  verschansingen. 

Aan  de  andere  zijde  rukte  de  hertog  van  Wurtemberg  op 
tegen  het  fort  De  Knokke,  aan  de  samenvloeiing  van  de  Isere 
en  de  Iperlee,  zoo  wat  een  uur  gaans  ten  zuidoosten  van  Dix- 
mude.  In  de  nabijheid  van  dat  fort  hadden,  tusschen  den  lyen 
en  den  21  sten  Juni,  gevechten  plaats  tusschen  Wurtemberg  en 
Montal,  die  daar  de  Fransche  troepen  aanvoerde;  —  ééne 
Fransche  opgave  noemt,  niet  Montal,  maar  Lamotte  als  bevel- 
hebber, en  zegt  dat  de  aanval  van  de  bondgenooten  zoo  krachtig 
werd  afgeslagen  dat  zij,  na  veel  verloren  te  hebben,  in  over- 
haasting en  wanorde  terug  moesten  gaan.  De  Ëuropische  Mer- 
curius  zegt  van  het  eerste  der  gevechten  bij  De  Knokke:  9men 
weet  niet  wel,  hoeveel  volks  deze  actie  aan  wederzijde  kwam  te 
kosten;  doch  het  gemeen  gevoelen  is,  dat  er  den  hertog  van 
Wirtemberg  omtrent  tweehonderd,  en  de  vyanden  bij  de  vier- 
honderd man  verlooren."  —  Het  schijnt  dus,  dat  die  gevechten 
bij  het  fort  De  Knokke  nog  al  ernstig  zijn  geweest. 

Toch  waren  die  gevechten  maar  schijnaan vallen,  bestemd  om 
den  vijand  bezig  te  houden  en  zijne  aandacht  af  te  leiden  van 
Namen;  aan  Athlone  en  Heyden  —  den  aanvoerder  van  de 
Brandenburgers  —  was  intusschen  bevel  gezonden  om  naar  die 
vesting  op  te  rukken,  en  haar  te  berennen;  zoodra  dit  verricht 
kon  zijn,  zouden  Willem  III  en  de  Keurvorst,  met  een  deel  van 
hunne  legermacht,  Vlaanderen  verlaten  en  oprukken  naar  Namen. 
Den  23sten  Juni  verricht  het  leger  der  bondgenooten  eene  groote 
fourageering,  en  den  25sien  ontvangt  het  een  belangrijk  konvooi^ 
van  Brugge  komende ;  Fransche  partijgangers  hadden  dit  konvooi 
aangevallen,  maar  waren  teruggeslagen  door  de  bedekking,  aan- 
gevoerd door  Bentinck. 


Toen  nu,  op  den  2  7  sten  Juni,  bericht  inkwam  van  Athlone  dat  hij 
oprukte  om  Namen  te  berennen,  en  men  tevens  vernam  dat  de 
Franschen,  eindelijk  inziende  wat  bedreigd  werd,  eene  troepen- 
afdeeling  wilden  afzenden  naar  die  vesting,  deed  Willem  III 
onverwijld  de  beweging  naar  de  Maas  beginnen. 

In  den  nacht  van  den  27sten  op  den  28sten  Juni  brak  het  leger 
van  den  Beietschen  keurvorst  op,  van  Gaster,  aan  de  gehelde, 
vóór  de  Fransche  liniën;   over  Ninove  en  Halle  kwam  het,  met 


Digitized  by 


Google 


NAMBN.  275 

snelle  marschen,  den  3eo  JuU  voor  Namen;  20  eskadrons  van 
den  Keurvorst,  onder  den  generaal  Tilly,  waren  het  leger  vooraf- 
gegaan om  zich  aan  te  sluiten  bij  Athlone. 

Willem  III  ging  den  28steii  Juni  met  zijn  leger  op  Rousselaere 
terug;  daar  kreeg  Vaudemont  het  opperbevel,  en  ging  de  Stad- 
houder zelf  den  29sten  Juni  vooruit  naar  het  leger  van  den 
Keurvorst,  naar  Namen;  het  regiment  ruiterij  van  Keppel,  het 
regiment  dragonders  van  DopfiF,  2  compagnieën  Gardes-du-corps^ 
en  grenadiers  te  paard,  maakten  de  bedekking  uit  van  Willem  III. 
Van  het  leger  van  Vaudemont  werden,  daarna,  nog  20  ^  25 
bataljons  afgezonden,  om  deel  te  nemen  aan  het  beleg  van 
Namen;  een  10 000  man,  zegt  de  Ëuropische  Mercurius,  en  dit 
cijfer  is  nog  al  waarschijnlijk.  Den  3en  Juli,  gelijktijdig  met  het 
leger  van  den  Keurvorst,  kwam  Willem  III  voor  Namen  aan ;  — 
welken  spoed  hij  ook  gemaakt  had,  toch  kwam  hij  niet  vroeg 
genoeg. 

Villeroy,  eindelijk  beseflende  dat  het  Namen  was  waarop  de 
vijand  doelde,  had  den  28sten  Juni,  uit  het  leger  tusschen  Lijs 
«n  Schelde,  eene  krijgsmacht  afgezonden  om  de  bezetting  van 
die  vesting  te  versterken.  BoufHers  voerde  die  krijgsmacht  aan, 
en  was  bestemd  om  als  opperbevelhebber  binnen  Namen  op  te 
treden;  Megrigny,  de  bekwame  ingenieur,  de  leerling  van  Vauban, 
was  bij  hem ;  een  aantal  andere  Fransche  ingenieurs  vergezelden 
Megrigny;  ook  tal  van  vrijwilligers  waren  daarbij,  brandend  van 
verlangen  om  deel  te  nemen  aan  de  grootsche  wapenfeiten, 
waartoe  een  beleg  als  dat  van  Namen  noodwendig  moest  leiden ; 
en  7  regimenten  dragonders  —  infanteristen  te  paard  —  verge- 
zelden Boufflers.  £ene  sterke  afdeeling  voetvolk  was  eveneens 
bestemd  om  met  den  Franschen  maarschalk  naar  Namen  te 
gaan;  —  maar  Boufflers  begreep  te  recht,  dat  men  er  niet  op 
mocht  rekenen,  dat  men  ook  dat  voetvolk  binnen  Namen  zou 
kunnen  brengen,  dat  het  al  wel  zou  zijn,  als  de  ruiterij  daar- 
binnen kwam;  en  daarom  trok  hij,  zonder  zich  om  die  infan- 
terie te  bekommeren,  mét  zijne  ingenieurs,  mét  zijne  vrijwilligers, 
mét  zijn  dragonders  ijlings  voort  Voort  ging  het,  eerst  naar  de 
Sambre,  toen  naar  de  Maas,  langs  een  omweg  om  de  heir- 
scharen  der  bondgenooten  te  ontwijken,  maar  het  nadeel  van 
dien  omweg  vergoedende  door  de  grootste  marschsnélheid,  door 
de  minste  rust  of  oponthoud.  Den  2eii  Juli,  met  den  dageraad, 
trekt  Boufflers  te  Dinant  de  Maas  over;  en,  na  op  den  rechter- 
oever dier  rivier  zijne  paarden  de  volstrekt  noodzakelijke  rust 
te  hebben  geschonken,  zet  de  Maarschalk  den  marsch  voort,  en 
komt  om  zes  uur  des  namiddags  binnen  Namen;  hij  heeft  nog 
den  tijd  om  de  paarden  van  zes  der  dragonder-regimenten  naar 


Digitized  by 


Google 


276  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Dinant  terug  te  zenden;  het  zevende  regiment  zou  als  ruiterij 
optreden. 

Toen  BoufHers  op  de  hoogten  van  Sainte  Barbe  kwam,  vlak 
bij  de  Namensche  voorstad  op  den  rechter  Maasoever,  begon 
juist  de  ruiterij  der  bondgenooten,  beneden  die  stad,  op  dien 
oever  over  te  gaan,  om  de  insluiting  van  Namen  te  voltooien; 
de  Fransche  maarschalk  had  dus  geen  oogenblik  later  moeten 
komen.  De  vraag  is  zelfs,  of  al  de  voortvarendheid  van  BoufHers 
hem  zou  hebben  gebaat,  wanneer  de  bondgenooten  gedaan  had- 
den wat  zij  hadden  kunnen  doen.  Met  zekerheid  valt  hierover 
niets  te  zeggen;  maar  er  is  toch  wel  eenige  grond  om  te  ge- 
looven,  dat  de  insluiting  van  Namen  met  meer  spoed  verricht 
had  kunnen  zijn.  Die  vesting  werd,  van  de  Sambre  tot  aan  den 
linker  Maasoever  beneden  Namen,  ingesloten  door  Athlone;  en 
tusschen  de  Sambre  en  de  boven-Maas,  door  de  Brandenburgsche 
en  Luiksche  troepen,  onder  Heyden;  —  maar  op  den  rechter- 
oever van  de  Maas,  naar  de  zijde  van  de  landstreek  Condroz^ 
werd  de  insluiting  eerst  later  verricht.  Den  2cn  Juli  kreeg  Wil- 
lem III  bericht,  dat  naar  de  zijde  van  Condroz  de  toegang  tot 
Namen  nog  open  was;  de  Stadhouder  zond  toen  bevel  aan 
Athlone,  om  onverwijld  een  deel  van  zijne  macht  te  doen  over- 
gaan op  den  rechteroever  van  de  Maas,  ten  einde  de  insluiting 
van  Namen  te  voltooien.  Athlone  had  dit  bevel  niet  afgewacht, 
maar  reeds  in  den  namiddag  van  den  2en,  beneden  Namen,  een 
deel  van  zijne  macht  doen  overgaan  op  den  rechteroever  van 
de  Maas;  maar  toen  was  het  te  laat:  reeds  trok  Boufflers  Namen 
binnen. 

Wij  herhalen  het:  met  zekerheid  valt  niets  te  zeggen,  of,  bij 
die  insluiting  van  Namen,  de  bondgenooten  zich  hebben  schuldig 
gemaakt  aan  traagheid,  aan  tijdverlies;  en  aan  wien  die  misslag 
moet  worden  geweten,  aan  Athlone  of  aan  Heyden:  daar  waar 
dezelfde  taak  aan  twee  menschen  wordt  opgedragen,  ontbreekt 
het  soms  aan  eenheid  van  handeling,  of  schuift  de  een  die  han- 
deling op  den  ander. 

De  sterkte  der  legermacht  die  de  insluiting  van  Namen  ver- 
richtte, wordt,  in  ééne  opgave,  begroot  op  een  20000  man;  — 
die  begrooting  is  stellig  te  laag,  daar  alleen  de  troepenmacht 
van  Heyden  bijna  die  sterkte  had.  Het  schijnt  dat,  van  den  lin- 
keroever der  Sambre  boven  Namen,  tot  aan  den  linkeroever  der 
Maas  beneden  de  stad,  de  insluiting  alleen  door  ruiterij  werd 
verricht;  ten  minste,  in  een  brief  van  Obdam  aan  den  raadpen- 
sionaris Heinsius  —  van  den  óen  Juli,  van  voor  Namen  —  komt 
voor:  ..,»Nous  avons  marché  continuellement  pour  investir 
Namur,  ce  qui  estait  fort  gaillard  sans  infanterie  devant  une 
place  qui  est  toute   entourée  de  bois   et  de   déülés  et  dont  la 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  277 

garnison  consistoit  en  8  mille  hommes  alors  (et  qui  a  esté  ren- 
forcée  depuis  de  Tautre  costé)  car  il  falloit  nous  partager  en 
divers  quartiers  assez  peu  communicables  pour  nous  secourir 
mutuellement  en  cas  de  besoin,  de  maniere  que  s'ils  avoient 
voulu,  ils  nous  auroient  pu  jouer  un  méschant  tour  avant  Tarri- 
vée  du  Roy,  ce  qui  fist  que  de  8  jours  nous  n'avons  pü  dormir 
ny  jour,  ny  nuit,  estant  quasi  tousjours  k  cheval  pour  n'estre 
point  surpris..."  (Dit  laatste  moet  men  natuurlijk  niet  in  te  let- 
terlijken zin  opnemen.  —  Die  brief  van  Obdam  komt  voor  in 
Van  der  Heim's  » Archief  van  Heinsius",  2'  deel,  blz.  98). 

9  Het  zal  een  harde  noot  zijn  om  te  kraken",  zeide  Willem  III 
over  het  te  beginnen  beleg  van  Namen,  —  in  zijn  schrijven  aan 
Heinsius,  van  den  560  Juli.  Dat  die  noot  inderdaad  nog  al  hard 
was,  blijkt  uit  wat  wij  weten  over  den  toenmaligen  toestand  van 
die  vesting. 

Het  Namen  van  1695  was  een  veel  sterkere  vesting  dan  het 
Namen  van  1692.  In  1692,  bij  de  belegering,  was  de  vesting 
nog  niet  voltooid;  daartoe  had  Coehoom  den  tijd  nog  niet  ge- 
had; maar  die  voltooiing  was  verricht  gedurende  de  drie  jaren 
dat  Frankrijk  in  het  bezit  van  Namen  was  geweest;  Vauban  had 
gedaan  wat  zijn  Hollandsche  mededinger  had  willen  doen.  Maar 
Vauban  had  meer  gedaan;  de  aanval  van  1692  had  eeleerd,  dat 
het  noordoostelijke  front  van  Namen  nabij  de  poort  Samt-Nicolas, 
het  zwakste  deel  van  de  vesting  was;  en  om  die  zwakheid  te 
verhelpen  was  eene  nieuwe  verdedigingslijn  aangelegd,  voorwaarts 
van  de  beek  van  Vesdrin,  op  de  hoogten  ten  noordoosten  van 
de  stad.  Die  nieuwe  verdedigingslijn  bestond  uit  vier  op  zichzelf 
staande  bastions,  of  lunetten,  van  metselwerk  voorzien  en  in  de 
keel  gesloten;  zij  had  eene  uitgestrektheid  van  een  14  ^  1500  el, 
gerekend  links  van  het  bastion  Saint- Antoine  nabij  de  beek  van 
Vesdrin,  tot  rechts  aan  het  bastion  Balart,  dat  nog  een  3  k  400 
el  verwijderd  was  van  de  Maas,  en  den  toegang  dekte  naar  de 
werken  bij  de  poort  van  Saint-Nicolas. 

De  ligging  van  die  vier  nieuwe  buitenwerken  —  bastions  of 
lunetten,  hoe  men  ze  wil  noemen  —  was  met  veel  bekwaamheid 
zoodanig  gekozen,  dat  zij  leunden  aan  ravijnen  met  steile  wanden, 
die  het  een  belegeraar  moeielijk  zouden  maken  om  ze  geheel  te 
omgeven  en  van  de  stadswerken  af  te  snijden.  Alleen  had  die 
linie  van  buitenwerken  een  zeer  kwetsbaar  punt  aan  haar  rechter 
uiteinde:  ddir  was,  tusschen  de  Maas  en  de  zuidelijke  hellingen 
der  hoogten  van  Bougé  een  open  vlakte  van  een  300  el  breedte, 
waarover  een  belegeraar  met  zijne  loopgraven  de  werken  bij  de 
poort  van  Saint-Nicolas  onmiddellijk  kon  bereiken,  en  daardoor 
de  geheele  linie  van  buitenwerken  onnut  kon  maken.  Vreemd, 
dat  aan  de  Fransche  zijde  die  ruimte  tusschen  de  rivier  en  de 


Digitized  by 


Google 


278  KRIJGSr   EN  GESCHIEDKUNDIGB  BESCHOUWINGEN. 

hoogten  van  Bougé  niet  tijdig  is  afgesloten  door  het  een  of 
ander  werk ;  vreemd  ook,  dat  de  bondgenooten  bij  de  belegering 
niet  dadelijk  hunne  aanvalswerken  hoofdzakelijk  op  die  ruimte 
hebben  aangelegd,  maar  integendeel  hunne  krachten  voornamelijk 
hebben  ingespannen  om  vooruit  te  komen  op  de  hoogte  van 
Bougé,  in  de  ruimte  tusschen  het  bastion  Balart  en  het  een  60a 
el  noordelijker  gelegen  bastion  Saint-Fiacre. 

Dat  de  belegeraar  van  1695,  ten  minste  aanvankelijk,  de 
hoogte  van  Bougé  als  front  van  aanval  heeft  uitgekozen,  is  zeer 
zeker  een  misslag  geweest;  en  te  meer  een  misslag,  omdat  op 
die  hoogte  nog  andere  verschansingen  door  de  Franschen  waren 
aangelegd,  voorwaarts  van  het  bastion  Balart.  Bij  eene  hoeve, 
Coquelet,  zoo  wat  een  600  el  ten  noordoosten  van  het  bastion 
Balart,  was  door  de  Franschen  eene  verschanste  linie  aangelegd, 
wier  beide  uiteinden  leunden  aan  een  steil  ravijn,  dat  de  schei- 
ding uitmaakt  tusschen  de  hoogte  van  Bougé  en  de  hoogte 
waarop  het  bastion  Saint-Fiacre  was  gelegen.  Nu  zegt  ééne 
Fransche  opgave  wel,  dat  die  linie  bij  Coquelet  eigenlijk  niets 
beduidde,  dat  Coquelet  zelfs  niets  meer  was  dan  een  duiventil, 
en  dat  het  onbegrijpelijk  is  dat  de  bondgenooten  hier  zóó  om- 
zichtig en  geregeld  hebben  aangevallen ;  —  maar  blijkbaar  is  die 
voorstelling  niets  anders  dan  grootspraak,  om  de  dapperheid  van 
de  verdedigers  te  meer  te  doen  uitkomen;  en  goede  troepen  — 
zooals  die  van  Boufilers  —  geven  eene  groote  sterkte,  ook  aan 
eene  onbeduidende  borstwering,  als  deze  hen  maar  beschermt 
tegen  's  vijands  vuur  en  de  nadering  van  dien  vijand  bemoei- 
lijkt; —  men  herinnere  zich  slechts  de  Turksche  verschansingen 
bij  Plewna  (1878):  die  waren  ook  onbeduidend  op  zichzelve; 
maar  de  Turken,  die  ze  verdedigden,  waren  dapper. 

Waren  dus  de  verdedigingsmiddelen  van  de  stad  Namen  grooteren 
beter  dan  in  1692,  aan  de  zijde  van  het  kasteel  kon  men  hetzelfde 
opmerken.  Het  fort  Coehoorn  —  of  fort  Willem,  want  het  draagt 
beide  namen  —  was  geheel  afgewerkt;  La  Cassotte  en  het  Dui- 
velshuis  waren  in  goeden  staat;  tusschen  La  Cassotte  en  de 
werken  van  Terra  Nova  was  een  gekazematteerd  bastion  gebouwd ; 
en  in  den  loop  van  het  beleg  werden  die  buitenwerken  door 
loopgraven  verbonden  met  Terra  Nova  en  met  Coehoorn.  Om 
het  kasteel  en  zijne  buitenwerken  nog  meer  te  verzekeren  tegen 
een  aanval,  had  Vauban,  op  een  600  el  voorwaarts  van  La 
Cassotte,  eene  verschanste  linie  aangelegd,  die  de  ruimte  afsloot 
tusschen  de  Sambre  en  het  hoogere  gedeelte  van  de  Maas.  Die 
linie  —  een  12  k  1400  el  lang  en,  naar  haren  ontwerper,  de 
» linie  van  Vauban"  genoemd,  was  in  de  rots  uitgehouwen  en 
had  eene  zeer  groote  sterkte,  bij  een  aanval  in  front;  men 
rekende  er  op,  dat  zij  dan  een  belegeraar  een  verlies  van  een 
6000  man  zou  kosten;  —  schattingen  van  dien  aard  komen  bij 


Digitized  by 


Google 


MAMBM,  279 

de  vroegere  schrijvers  meermalen  voor.  —  Maar  die  linie  van 
Vauban  had  weinig  of  geen  waarde,  wanneer  de  vijand  in  den 
rug  van  die  linie  kon  komen ;  dit  nu  was  aan  de  linkerzijde  van 
de  linie,  aan  de  zijde  van  de  Maas,  moeielijk  of  ondoenlijk,  door- 
dat de  hoogte  waarop  de  linie  was  gelegen  aan  die  zijde  steile 
hellingen  had;  en  aan  de  rechterzijde  van  de  linie,  naar  den 
kant  van  de  Sambre,  kon  de  linie  van  Vauban  alleen  ddn  in  de 
keel  worden  aangevallen,  wanneer  de  belegeraar  was  doorge- 
drongen op  den  rechteroever  dier  rivier,  in  den  boog  dien  zij 
maakt  tusschen  de  linie  en  de  stad.  Voor  den  belegerde  was  het 
dus  zaak  om  de  in  dien  boog  gelegen  vaste  punten  —  de  abdij 
van  Salsine  en  het  huis  La  Balance  —  goed  te  bezetten  en 
krachtig  te  verdedigen,  om  daardoor  den  belegeraar  te  beletten 
.hier  de  Sambre  over  t?  gaan;  de  troepen,  met  die  verdediging 
belast,  liepen  weinig  gevaar,  daar  zij  in  het  ergste  geval  een 
wijkplaats  konden  vinden  binnen  het  fort  Coehoorn,  een  1000  k 
1200  el  verwijderd  van  Salsine  en  van  La  Balance.  —  Wij  zullen 
zien,  dat  de  Franschen  te  weinig  zorg  hebben  gedragen  voor  de 
verdediging  van  dit  gedeelte  van  de  Sambre,  en  dat  de  bond- 
genooten  met  bekwaamheid  partij  hebben  getrokken  van  dien 
misslag. 

Zooals  van  zelf  spreekt,  hebben  wij  hier  alleen  in  groote 
trekken  den  toestand  van  de  vesting  Namen  in  1695  aangeduid; 
voor  ons  bestek  is  dat  voldoende;  wij  hebben  niet  noodig  ieder 
vestingwerk  te  noemen.  Op  één  punt  wenschten  wij  echter  onze 
lezers  juister  te  kunnen  inlichten;  een  voornaam  punt:  de  bom- 
vrije lokalen  binnen  de  vesting;  —  daaromtrent  is  moeielijk  iets 
bepaalds  te  zeggen.  Slechts  hier  en  daar  vindt  men  soms  eene 
opgave  omtrent  die  bomvrije  lokalen;  zoo  wordt  onder  andere 
gezegd,  dat  het  nieuw  gebouwde  bastion  tusschen  La  Cassotte 
en  Terra  Nova  >gekazematteerd''  was;  —  ja,  maar  wat  was  de 
omvang  van  die  kazeiftatten  ?  Waarschijnlijk,  of  bijna  zeker,  zijn 
er  kazematten  geweest  in  fort  Coehoorn,  in  het  kasteel,  in  Terra 
Nova;  maar,  hoeveel  kon  er  in  die  kazematten  worden  gebor- 
gen ?  —  Op  die  .vraag  hebben  wij  geen  antwoord  kunnen  vinden. 
Wij  zijn  de  meening  toegedaan,  dat  die  bomvrije  lokalen  op 
lange  na  niet  voldoende  zijn  geweest  voor  eene  zoo  sterke  be- 
zetting: in  dien  tijd,  toen  het  worpgeschut  een  veel  minder  ge- 
bezigd aanvalsmiddel  was,  nam  de  belegerde  ook  minder  voor- 
zorgen tegen  de  verticale  vurerf  van  den  belegeraar. 

De  bewapening,  uitrusting  en  bezetting  van  Namen  in  1695 
beantwoordden  ten  volle  aan  de  uitgebreidheid  van  de  vesting- 
werken,  en  aan  de  hoop  die  men  koesterde  dat  zij  langen  tijd 
'svijands  aanval  zouden  kunnen  weerstaan.  O  n  z  e  opgaven  stem- 


Digitized  by 


Google 


38o  KRIJOS-   EN  GESCHIBDKUNDIGE  BBSCHOUWINGEN. 

men  te  dien  opzichte  vrij  wel  overeen  met  de  Fransche;  er  is 
ten  minste  geen  noemenswaardige  afwijking.  De  vesting  —  wordt 
gezegd  —  was  voor  zes  maanden  van  leeftocht  voorzien;  mis- 
schien is  dit  eenigszins  overdreven ;  in  een  Fransch  dagboek  over 
de  verdediging  van  Namen  komt  ten  minste  voor,  dat  men  op 
den  9eii  Augustus  nog  voor  twee  maanden  leeftocht  had;  en 
dat  men  op  dien  dag  voor  het  eerst  60  paarden  slachtte;  iet  on 
en  servit  sur  la  table  de  M.  Ie  Maréchal,  qui  en  mangea  Ie  pre- 
mier, avec  les  ofïiciers  principaux;  ce  qui  fit  qu'  après  cela  per- 
sonne  n'en  eut  du  scrupule."  (Journal  de  ce  qui  s'est  passé  au 
siège  de  la  ville  et  du  Chasteau  de  Namur,  par  Ie  Secretaire 
d'un  ofücier  général,  qui  estoit  dans  la  place,  lequel  a  pris  soin 
de  n'y  rien  obraettre  de  la  vérité.  —  A  Paris,  chez  Michel  Brunet 
dans  la  grande  salie  du  Palais,  au  Mercure  galant.  MDCXCV.  — 
blz.  160). 

Maar,  zelfs  al  was  er  den  gen  Augustus  nog  maar  voor  twee 
maanden  aan  levensmiddelen  in  Namen,  dan  was  dit  toch  een 
voldoende  voorraad;  men  had  niet  te  vreezen  dat  de  vesting 
zou  moeten  vallen  door  hongersnood:  kon  men  tot  9  Octobcr 
den  belegeraar  het  hoofd  bieden,  dan  was  er  alle  kans  voor,  dat 
het  een  mislukt  beleg  zou  zijn. 

Evenals  van  leeftocht  was  Namen  ook  genoeg  voorzien  van 
geschut  en  munitie:  er  waren  120  kanonnen  binnen  de  vesting, 
8  mortieren,  12000  granaten,  eene  overgroote  hoeveelheid  kogels 
en  bommen,  1300000  pond  buskruit,  16000  musketten  ter  om- 
wisseling van  onbruikbare,  en  een  groot  aantal  andere  wapens ;  — 
in  één  woord,  voor  dien  tijd  eene  overvloedige  bewapening  en 
uitrusting. 

De  sterkte  van  Namen's  bezetting  wordt  vrij  eenparig  op  een 
15000  man  begroot;  » uitgelezen  troepen",  wordt  gezegd  van 
onze  zijde,  in  een  half-ofïicieel  verhaal  van  het  beleg;  en  er  is 
alle  grond  om  in  die  woorden  niets  meer  te  zien  dan  de  een- 
voudige waarheid.  Die  bezetting  bestond,  aan  voetvolk  uit  18 
bataljons  en  4  afzonderlijke  compagnieën,  yycompagnies  franches*'* ; 
bij  dit  voetvolk  sloten  zich  aan  i  compagnie  mineurs,  i  com- 
pagnie kanonniers,  en  8  regimenten  dragonders,  waarvan  er  7 
met  BoufBers  waren  gekomen. 

In  dien  Maarschalk  vooral  moet  de  kracht  van  Namen  worden 
gezocht:  hij  was  waard  om  belast  te  worden  met  de  zorg  voor 
eene  zoo  gewichtige  vesting,  waard  om  aan  het  hoofd  te  staan 
van  eene  zoo  sterke  en  dappere  bezetting.  Boufllers  heeft  ge- 
schitterd bij  de  verdediging  van  Namen,  evenals  later  bij  de 
verdediging  van  Rijssel;  men  kan  hem,  misschien,  niet  rang- 
schikken onder  de  groote  veldheeren,  maar  toch,  zeer  zeker, 
onder  de  aanvoerders,  die  door  voortvarendheid,  geestkracht  en 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  281 

heldenmoed  de  dapperheid  van  hunne  soldaten  weten  te  verdub- 
belen. Onder  Boufflers  voerde  de  generaal  Guiscard  het  bevel, 
die  reeds  in  1674,  bij  het  beleg  van  Grave,  onder  Chamilly 
geleerd  had  hoe  men  eene  vesting  verdedigt.  In  het  dagboek 
van  Huygens  wordt  gesproken  van  een  gerucht,  dat  er  binnen 
Namen  een  minder  goede  verhouding  is  geweest  tusschen  Boufflers 
en  Guiscard;  die  opgave  wordt  door  niets  bevestigd,  en  wordt 
geheel  en  al  tegengesproken  door  de  opgaven  van  Fransche  zijde. 
Denkelijk  is  dan  ook  dit  «gerucht"  niets  anders  dan  eene  dier 
vele  praatjes,  waaraan  het  hoofdkwartier  van  een  leger  rijk  is, 
en  die  Huygens  maar  zonder  onderzoek  of  oordeel  opneemt  in 
zijn  dagboek. 

Toen  Boufflers  binnen  Namen  was  gekomen,  hield  hij  zich 
onmiddellijk  bezig  met  het  regelen  van  de  wijze  waarop  de 
verdediging  van  die  vesting  moest  plaats  hebben.  De  eene  helft 
der  bezetting  werd  opgenomen  in  het  kasteel  van  Namen;  de 
andere  helft  kampeerde  in  de  vestingwerken  van  de  stad;  daar 
hield  zich  Guiscard  op;  de  Maarschalk,  in  het  kasteel.  De  ver- 
schanste linie  bij  Coquelet  werd  bezet  door  een  500  man,  die 
alle  dagen  afgelost  werden,  —  behalve  de  bevelhebber  die  daar 
voortdurend  bleef;  die  bevelhebber  was  Reignac,  de  vroegere 
verdediger  van  Hoey.  In  de  abdij  van  Salsine  werd  eene  bezet- 
ting geplaatst  van  100  man ;  eene  bezetting  van  50  in  La  Balance. 
De  beek  van  Vesdrin  werd  afgedamd,  om  daardoor  eene  onder- 
waterzetting te  verkrijgen.  Ook  in  de  Sambre  werd  een  dam  ge- 
maakt; daarmede  beoogde  men  eene  inundatie  te  verkrijgen  bij 
Salsine  en  La  Balance,  om  daardoor  den  overtocht  van  de 
Sambre  aan  den  vijand  te  beletten;  die  dam  heeft  echter  vol- 
strekt niet  beantwoord  aan  het  doel,  omdat  er  te  weinig  water 
was  in  de  rivier.  Munitie  en  leeftocht  werd,  zooveel  mogelijk, 
uit  de  stad  overgebracht  naar  het  kasteel.  Het  geschut  werd 
nog  geplaatst  op  de  meest  bedreigde  werken;  onder  andere 
kwamen  er,  op  de  linie  noordoostelijk  van  de  stad,  nog  den 
8sten  Juli  7  kanonnen  in  de  redoute  Saint-Fiacre,  en  2  in  de  redoute 
Epinois. 

De  eerste  handelingen  van  den  belegeraar  moesten  natuurlijk 
bestaan  in  het  verdeden  van  het  leger,  om  daardoor  Namen 
geheel  af  te  sluiten  van  het  overige  van  het  oorlogstooneel.  De 
gesteldheid  van  het  terrein  rondom  de  vesting  bracht  van  zelf 
mede,  dat  de  belegeraar  zijne  macht  splitste  in  drie  groote 
afdeelingen:  eene  voor  de  landstreek,  van  den  linkeroever  der 
Sambre  boven  Namen,  tot  aan  den  linkeroever  van  de  Maas  be- 
neden de  stad;  eene  voor  de  landstreek  tusschen  Sambre  en 
Maas  boven  Namen,  van  den  rechteroever  van  eerstgenoemde 


Digitized  by 


Google 


282  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

rivier  tot  aan  den  linkeroever  der  laatste ;  en  eene  voor  de  land- 
streek Le  Condroz,  op  den  rechteroever  der  Maas,  van  boven 
tot  beneden  •  Namen.  Ziedaar  de  drie  >  kwartieren'*,  waarin  het 
leger  der  bondgenooten  zich  splitste. 

In  het  eerste  kwartier,  ten  noorden  van  de  stad  en  van  Sambre 
en  Maas^  kwam  Willem  III  zelf  met  23  bataljons  en  120  eska- 
drons; hij  had  bij  zich,  als  onderbevelhebbers,  Holstein-PIön, 
Athlone,  Obdam,  Tettau,  Warfusé,  Tilly,  La  Forest,  De  Hubert^ 
Ittersum,  Salis  en  Fagel. 

De  landstreek  tusschen  Sambre  en  Maas,  westelijk  van  bet 
kasteel  van  Namen,  werd  bezet  door  den  keurvorst  van  Beieren, 
met  24  bataljons  en  20  eskadrons.  De  Keurvorst  had  bij  zich  — 
behalve  Spaansche  en  Beiersche  generaals  en  een  Brandenburgsch 
generaal  —  Coehoorn,  de  spil  waarom  de  belegering  heeft  ge- 
draaid. 

Het  kwartier  van  Condroz,  op  den  rechteroever  van  de  Maas, 
werd  bezet  door  Heyden  en  andere  Brandenburgsche  generaals^ 
en  door  den  Luikschen  generaal  Berloo;  hier  legerden  10  batal- 
jons en  60  eskadrons. 

In  het  geheel  maakt  dit  uit,  57  bataljons  en  200  eskadrons. 
Wij  hebben  echter  gezien,  dat  er  nog  een  aantal  bataljons  in 
aantocht  waren  om  het  leger  voor  Namen  te  versterken;  na  de 
komst  van  die  versterkingen  wordt  dat  leger  geschat  op  84 
bataljons  en  200  eskadrons,  denkelijk  een  80000  man.  Men  zal 
echter  zien,  dat  die  sterkte  nog  al  heeft  afgewisseld ;  —  trouwens, 
dit  is  een  punt  van  ondergeschikt  belang :  als  men  het  beleg  van 
eene  vesting  tot  een  goed  einde  brengt,  dan  is  dit  niet  omdat 
men  die  vesting  belegert  met  honderd  duizend  man,  maar 
omdat  men  die  vesting  beschiet  met  honderd  kanonnen. 
Bij  een  beleg  is  de  artillerie  het  beslissende  wapen;  en  het  is 
voldoende  als  de  getalsterkte  van  het  voetvolk  groot  genoeg  is 
om  de  uitvallen  tegen  te  gaan,  en  de  verliezen  te  kunnen  ver- 
duren, die  de  bestormingen  der  aangevallen  werken  met  zich 
meebrengen.  Nu  was  daarvoor  de  getalsterkte  van  het  leger  van 
Willem  III  groot  genoeg,  al  heeft  dan  ook  de  bestorming  van 
Namen 's  vestingwerken  vrij  wat  soldaten  gekost. 

Den  4en  Juli  had  Willem  III  eene  verkenning  verricht  van  de 
omstreken  van  Namen,  en  den  aanleg  gelast  van  de  circumval- 
latie- linie,  een  noodzakelijk  versterkingsmiddel  bij  de  belegeringen 
van  dien  tijd.  Terwijl  de  troepen  hunne  kampen  opsloegen,  werd 
tevens  gearbeid  aan  die  circumvallatie-linie,  die  den  8sten  of  den  9en 
Juli  zoo  goed  als  voltooid  was.  Van  de  Maas,  een  groote  2000  el 
beneden  Namen,  was  eene  doorloopende  verschanste  linie,  tot 
nabij  de  beek  van  Vesdrin ;  een  klein  gedeelte,  bij  die  beek,  was 
niet    verschanst,    omdat    men    daar    bosch   had,   dat  men   door 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  285 

eenige  verhakkingen  onaanvalbaar  maakte.  Tusschen  de  beek 
van  Vesdrin  en  den  linkeroever  van  de  Sambre  werd  de  land- 
streek, voor  de  eerste  helft,  voorzien  van  eene  verschanste  linie ; 
de  tweede  helft,  sluitende  aan  de  Sambre,  was  een  uitgestrekt 
bosch  waarin  verhakkingen  werden  gemaakt.  De  ruimte  tusschen 
Sambre  en  Maas  was  afgesloten,  deels  door  verschanste  liniën, 
deels  door  verhakkingen  in  de  vele  bosschen  die  daar  waren; 
de  circumvallatie-linie  begon  hier,  van  de  Sambre  nabij  de  abdij  van 
Maloigne,  tot  aan  de  Maas,  een  3  k  4000  el  boven  Namen.  Op 
den  rechteroever  van  de  Maas,  in  Le  Condroz,  breidde  de  circum- 
vallatie-linie zich  uit,  van  het  punt  waar  de  linie  tusschen  Sambre 
en  Maas  eindigde,  tot  het  punt  beneden  Namen,  waar  de  linie 
op  den  linkeroever  der  Maas  begon;  die  linie  in  Le  Condroz 
bestond,  wat  de  westelijke  helft  aangaat,  uit  verhakkingen  in  de 
uitgestrekte  bosschen  bij  de  abdij  van  Geronsart;  de  oostelijke 
helft  bestond  uit  verschansingen. 

Drie  bruggen  maakten  de  gemeenschap  uit  tusschen  de  ver- 
schillende deelen  der  circumvallatie-linie :  eene  over  de  Maas,  be- 
neden Namen,  op  het  punt  waar  de  verschansingen  op  de  beide 
oevers  begonnen,  eene  over  de  Maas,  boven  Namen,  tusschen 
de  verhakkingen  in  de  bosschen  van  Geronsart  op  den  rechter- 
oever en  de  verschansingen  op  den  linker-;  en  eene  over  de 
Sambre,  bij  /a  maison  blanche^  geheel  binnen  de  circumvallatie-linie» 
Die  drie  bruggen  waren  gedekt  door  bruggenhoofden,  of  wat 
daarvoor  kon  doorgaan.  —  Op  het  plan,  bij  het  half  officieel 
verslag  van  het  beleg,  van  onze  zijde  in  1696  in  het  licht  ge- 
geven, komt  nog  een  tweede  brug  over  de  Sambre  voor,  een 
groote  1000  el  hooger  dan  »la  maison  blanche";  onwaarschijnlijk 
is  het  bestaan  dier  tweede  brug  niet,  daar  de  geringe  breedte 
van  de  Sambre  het  niet  moeilijk  maakte  om  haar  te  slaan. 

Eene  eigenlijke  contrevallatie-linie,  eene  verschanste  linie  tegen 
de  vesting,  werd  niet  aangelegd,  hoezeer  de  sterkte  der  bezetting 
van  Namen  wel  eenige  aanleiding  gaf  tot  het  aanleggen  van  zulk 
eene  linie.  Men  bepaalde  zich  diaartoe,  met  enkele  redouten  op 
te  werpen  op  hoofdtoegangen  naar  de  stad;  en  met  het  maken 
van  eene  verschanste  linie  tusschen  Sambre  en  Maas,  tegenover 
de  » linie  van  Vauban",  en  een  groote  1000  el  daarvan  ver- 
wijderd. Tevens  werd  het  dorp  Bouge  in  staat  van  verdediging 
gebracht;  —  van  de  Fransche  zijde  trachtte  men  die  laatste 
werkzaamheid  te  belemmeren  door  kanonvuur  uit  het  bastion 
Balart. 

Het  zwaar  geschut  en  het  overige  van  het  belegeringspark 
moest  in  schuiten,  of  schepen,  van  Maastricht  komen,  de  Maas 
opvarende;  daar  de  rivier  toen  niet  veel  water  had,  werd  het 
II  Juli  voordat  dit  park  —  en  nog  maar  voor  een  gedeelte  — 


Digitized  by 


Google 


284  KRIJGS-  SN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

was  aangekomen;  het  werd  geplaatst  op  den  linkeroever  van  de 
Maas,  beneden  Namen,  onmiddellijk  nabij  de  circumvallatie-linie ; 
ook  de  aangevoerde  leeftocht  kwam  daar.  Om  die  aanvoeren  te  be- 
schermen tegen  elke  vijandelijke  onderneming,  werden  3  regi- 
menten dragonders  —  twee  Luiksche  en  een  Brandenburgsch  — 
uit  het  leger  afgezonden  naar  de  zijde  van  Hoey  én  van  Luik. 

Een  groot  gedeelte  van  de  ruiterij  —  100  eskadrons,  onder 
Athlone  —  verliet  op  den  5en  Juli  de  legerplaats  voor  Namen, 
om  zich  bij  den  Piéton  neder  te  slaan;  die  afzending  van 
Athlone*s  ruiterij  had  het  voordeel  dat  men  daardoor  vroeger 
bericht  kon  krijgen  van  eene  mogelijke  nadering  van  Villeroy's 
leger,  en  den  marsch  van  dat  leger  kon  belemmeren;  maar 
tevens  zond  men  die  ruiterij  ook  weg,  omdat  men  er  weinig 
dienst  van  had  vóór  Namen,  het  moeielijk  viel  om  dddr  te  voor- 
zien in  het  onderhoud  van  zooveel  paarden,  en  men  aan  den 
Piéton  meer  fourages  zou  vinden. 

Den  loen  Juli  vereenigde  Willem  III  de  generaals  in  het  dorp 
Herpain  op  den  rechteroever  van  de  Maas;  Herpain  was  het 
hoofdkwartier  van  Heyden,  den  aanvoerder  van  de  Branden- 
burgsche  troepen.  Daar  werd  het  belegeringsplan  besproken,  en 
bepaald  dat  allereerst  de  stad  Namen  zou  worden  aangevallen, 
en  wel,  evenals  in  1692,  aan  de  zijde  van  de  poort  Saint-Nicolas. 
Eene  loopgraaf,  uitgaande  van  het  dorp  Bouge,  zou  op  de  hoogte 
gericht  worden  op  de  verschansingen  van  Coquelet,  en  op  het 
bastion  Balart;  eene  tweede  loopgraaf  zou,  tusschen  de  hoogte 
van  Bouge  en  de  Maas,  uitgaan  van  het  Jezuïeten-klooster,  en 
de  werken  naderen  bij  de  poort  Saint-Nicolas;  aan  de  overzijde 
van  de  Maas,  op  den  rechteroever,  zouden  de  Brandenburgers 
hunne  nadernissen  maken  tusschen  de  hoogte  van  Sainte-Barbe 
en  de  rivier,  en  door  het  vuur  van  hunne  batterijen  die  vesting- 
werken  van  de  stad  teisteren,  waartegen  de  nademissen  op  den 
linkeroever  waren  gericht.  Al  dadelijk  moesten  de  Brandenburgers 
op  de  hoogte  van  Sainte-Barbe  eene  batterij  voor  10  stukken 
opwerpen,  die  van  daar  haar  vuur  zouden  openen  op  het  bastion 
Balart,  om  daardoor  het  openen  van  de  loopgraven  op  den  lin- 
ker Maasoever  te  beschermen. 

Van  de  wijze  van  aanvallen  van  het  kasteel  van  Namen  werd 
toen  nog  niet  gesproken. 

Alvorens  verder  te  gaan,  zal  hier  met  een  enkel  woord  de 
vraag  worden  besproken :  wie  eigenlijk  den  gang  der  belegerings- 
werkzaamheden  tegen  Namen  heeft  ontworpen  en  geleid? 

Het  staat  vast,  dat  dit  niet  Willem  III  zelf  is  geweest :  daar- 
toe ontbrak  het  hem  te  veel  aan  de  speciale  kennis  van  den 
ingenieur;   zoo  iets  behoorde  toen  niet  tot  de  vereischten  van 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  285 

een  legerhoofd:  Condé  en  Turenne  hebben  evenmin  bewijs  ge- 
geven dat  zij  die  kennis  bezaten.  Wat  ook  vaststaat,  dat  is,  dat, 
aanvankelijk,  Coehoorn  niet  belast  is  geweest  met  de  leiding 
van  het  beleg,  en  dat,  toen,  de  wijze  van  aanvallen  te  wenschen 
heeft  overgelaten;  maar  dat,  later,  Coehoorn  wél  die  leiding 
heeft  gehad,  en  dat  van  dat  oogenblik  af  alles  uitmuntend  is 
gegaan.  De  vraag  is  nu  maar:  wanneer  is  Coehoorn  met  dat 
opperste  gezag  bekleed  geworden ;  en  wat  heeft  daartoe  aanleiding 
gegeven  ? 

Gosewijn  Theodoor  baron  van  Coehoorn  zegt,  in  de  levens- 
schets van  zijn  beroemden  vader,  daarover  het  volgende:  ...»De 
heer  Van  Tettau,  Grootmeester  van  de  artillerie,  en  de  heer 
Dupui,  Directeur-Generaal  der  fortificatiën,  hadden  het  bestuur 
over  de  aanvallen,  die  niet  gelukkig  slaagden;  men  verloor  veel 
volks,  en  men  scheen  niet  veel  te  vorderen.  Daar  hij"  (Coe- 
hoorn) «dikwijls  de  werken  bezocht  en  ze  goed  had  beschouwd, 
zeide  hij,  dat  men  op  eene  verkeerde  wijze  te  werk  ging,  en 
dat,  als  men  zoo  voortging,  men  de  vesting  nooit  zou  innemen; 
hij  was  zoo  vrij  om  dit  herhaaldelijk  te  zeggen  aan  den  Graaf 
van  Portland"  (Bentinck)  »die  het  ten  laatste  aan  den  Koning 
zeide.  Zijne  Majesteit  deed  dadelijk  een  krijgsraad  bijeen  komen, 
waarvan  hij"  (Coehoorn)  ideel  uitmaakte;  hij  hield  zijne  meening 
vol  tegen  den  geheelen  krijgsraad,  die  de  oude  wijze  van  aan- 
vallen voorgeslagen  had;  hij  beweerde  dat  men  een  langdurig 
en  zeer  moeielijk  beleg  moest  vermijden,  evenals  het  verlies  van 
een  menigte  officieren  en  soldaten,  dat  onvermijdelijk  was  bij 
zulk  een  wijze  van  aanvallen;  hij  kende  de  vesting,  vele  harer 
werken  had  hij  gebouwd,  en  op  grond  daarvan  gaf  hij  den  raad 
om  de  talrijke  bezetting  te  doen  vallen  door  een  onophoudelijk 
vuur  van  kanonskogels  en  van  bommen,  en  onder  begunstiging 
van  dat  vuur  de  loopgraven  vooruit  te  doen  gaan. 

Hier  had  hij  het  eerst  de  eer,  bekend  te  worden  bij  den 
Keurvorst  van  Beyeren;  ziehier,  hoe:  toen  die  vorst,  die  den 
krijgsraad  bijwoonde,  zag  op  welke  wijze  of  hij  sprak  en  zijne 
meening  uitte,  werd  hij  dadelijk  met  hem  ingenomen,  en  vroeg 
hij  den  Koning,  wie  toch  die  wijsgeer  was,  die  zoo  ernstig 
sprak;  de  Monarch  antwoordde,  dat  die  wijsgeer  C...  heette," 
(waarom  of  Gosewijn  Theodoor  hier  den  naam  niet  voluit  schrijft, 
behoort  tot  de  geheimenissen  van  zijn  stijl),  »dat  diezelfde  wijs- 
geer Namen  zou  doen  vallen;  de  Koning  voegde  er  bij,  dat  hij 
hem  van  vroeger  kende,  van  Maastricht,  waar,  onder  de  gansche 
bezetting,  geen  officier  was  die  hem  evenaarde  in  dapperheid  en 
in  kennis  van  de  exercitiën.  Sinds  dien  tijd  was  de  Keurvorst 
zeer  met  hem  ingenomen,  en  heeft  hem  later  altijd  hoog  geacht. 
Na  afloop  van  den  krijgsraad  gelastte  de  Koning  aan  den  heer 
Tettau,   om  in  alles  in  overeenstemming  met  hem"  (Coehoorn) 


Digitized  by 


Google 


286  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

»te  werk  te  gaan;  maar  daar  kwam  niets  van.  Eens,  dat  een 
bestorming  naar  de  zijde  van  Coquelet  en  de  poort  Saint-Nicolas 
met  verlies  was  afgeslagen  en  de  Koning  zeer  ontstemd  was  over 
dien  tegenspoed,  zeide  de  Keurvorst  aan  Zijne  Majesteit:  dat 
men  Coehoorn  moest  laten  begaan;  dat,  liet  men  hem  vrij  han- 
delen, in  weinig  tijds,  in  minder  dan  tweemaal  vier  en  twintig 
uren,  de  stad  zou  vallen;  dat  hij  dit  verzekerde  en  zelfe  zijn 
hoofd  er  onder  verbeurde,  mits  men  maar  de  wijze  van  aanvallen 
veranderde  naar  zijne  inzichten.  De  Koning  antwoordde,  dat 
men  hem  pas  verzekerd  had,  dat  hij  er  zich  niet  meê  wilde 
moeien;  en  dat  hem  dit  gezegd  was,  door  den  heer  Tettau  zelf, 
wien  hij  gelast  had  hem  in  alles  te  raadplegen."  (Als  men  vitten 
wil  op  den  stijl  van  Gosewijn  Theodoor,  dan  kan  men  aanmer- 
ken, dat  het  niet  altijd  duidelijk  is  wie  met  them"  of  met  >hij" 
wordt  bedoeld ;  men  moet  dit  raden  uit  de  toedracht  van  zaken), 
t  Daarop  werden  beide  ontboden.  Den  heer  Tettau  werd  ge- 
vraagd, of  hij,  zooals  gelast  was,  alles  in  overeenstemming  met 
den  anderen  had  gedaan;  het  antwoord  was,  dat  hij  hem,  door 
een  ordonnans  te  paard,  'sKonings  bevel  had  toegezonden;  dit 
werd  erkend,  maar  er  werd  bijgevoegd,  dat  hij  herhaalde  malen 
voorstellen,  met  redenen  omkleed,  aan  Tettau  had  gedaan,  zon- 
der dat  deze  daarnaar  had  willen  luisteren,  of  daarover  in  bijzon- 
derheden had  willen  treden;  waarop  de  Koning  zoo  driftig  werd, 
dat  hij  Tettau  harde  verwijten  toevoegde,  en  hem  beval  zich  niet 
meer  te  moeien  met  het  beleg,  en  het  geheele  beleid  daarvan 
aan  hem  gaf"  (hier  is  »hem",  Coehoorn),  met  last  om  in  de 
aanvalswerken  al  die  veranderingen  te  maken,  die  hij  dienstig 
achtte;  dit  deed  hij,  en  in  minder  dan  tweemaal  vier  en  twintig 
uur,  sloegen  de  belegerden  de  Chamade  en  gaven  de  stad  over." 
(Sijpestein's  uitgave  van  »het  leven  van  Menno  baron  van  Coe- 
hoorn, beschreven  door  zijnen  zoon  Gosewijn  Theodoor  baron 
van  Coehoorn;"  blz.  12 — 13). 

In  dat  levensverhaal  dat  Gosewijn  Theodoor  van  zijn  vader 
geeft,  en  dat,  natuurlijk,  niet  spaarzaam  is  aan  loftuitingen,  door 
kinderliefde  ingegeven,  —  komen  soms  onnauwkeurigheden  voor, 
en  men  kan  er  niet  ten  volle  op  vertrouwen ;  in  hoofdzaak  schijnt 
echter  de  voorstelling,  hoe  Coehoorn  belast  werd  met  het  uit- 
sluitend beleid  over  de  belegering,  waarheid  te  zijn,  en  deze 
wordt  dan  ook  algemeen  als  zoodanig  aangenomen.  In  hoofd- 
zaak, zeggen  wij;  want  in  enkele  bijzonderheden  is  het  verhaal 
onnauwkeurig:  daarin  wordt  het  voorgesteld,  alsof,  dadelijk  na 
een  mislukten  storm,  Coehoorn  met  het  bevel  over  den  aanval 
werd  bekleed,  en  de  stad  zich  twee  dagen  later  overgaf;  dit  is 
onjuist;  die  mislukte  storm  heeft  plaats  gehad  op  den  2 7 sten  Juli, 
en  pas  den  3en  Augustus  werd  op  de  wallen  van  Namen  de 
Chamade  geslagen;  er  heeft  nog  wel  een  latere  storm  plaats  ge- 


Digitized  by 


Google 


NAMEX.  287 

had,  op  den  2en  Augustus;  maar  die  is  niet  mislukt,  en  is  voor- 
namelijk oorzaak  geweest  dat  de  stad  zich  den  volgenden  dag 
overgaf. 

Het  komt  ons  voor,  dat  de  zaak  zich  zóó  heeft  toegedragen: 
van  den  beginne  aan  heeft  Coehoorn  het  opperbeleid  gehad,  of 
de  eerste  viool  gespeeld,  over  de  genie-werkzaamheden  aan  de 
Sambre,  tusschen  die  rivier  en  het  hoogere  gedeelte  van  de  Maas, 
alsmede  over  de  werken  der  Brandenburgers  op  den  rechteroever 
dier  rivier.  De  aanvallen  naar  de  zijde  van  de  poort  Saint-Nicolas 
en  op  Coquelet,  schijnen  ontworpen  en  bestuurd  te  zijn  geweest 
door  Dupui,  den  inspecteur-generaal  van  fortificatiën,  en  Tettau, 
den  opperbevelhebber  der  artillerie.  Kort  vóór  de  overgave  van 
de  stad  Namen  ontving  Dupui  de  wonde,  waaraan  hij  weinig 
tijds  daarna  overleed;  Tettau  schijnt  toen  ook  op  zij  te  zijn  ge- 
schoven, en  door  Coehoorn  vervangen.  De  Merveilleux  —  een 
van  de  ingenieurs  der  Republiek,  die  de  belegering  van  Namen 
bijwoonde  —  heeft  daarover  reeds  in  1695  een  werkje  uitge- 
geven yjla  Campagne  de  Natuur*"* ;  daarin  leest  men  (blz.  84),  dat, 
na  de  overgave  der  stad,  »Sa  Majesté"  (Willem  III)  »pleinement 
persuadée  de  la  parfaite  sufüsance  et  habileté  du  Général-Major 
De  Coehorn,  Colonel  d'un  regiment  d'infanterie  hoUandaise, 
rhonnora  de  la  charge  de  Lieutenant  Général,  en  lui  remettant 
en  me  me  tems  la  direction  absolue  de  tous  les  travaux  qui  se 
devoient  faire  devant  cette  forteresse ;  il  fut  seconde  par  les  soins 
infatigables  du  Colonel  Tobias  Reinard  et  du  Lieutenant-Colonel 
Vleugel,  principaux  directeurs  des  approches.'* 

Het  is  ons  voornemen  niet,  dag  voor  dag  het  beleg  van  Namen 
te  beschrijven,  iedere  schermutseling  te  vermelden,  de  weder- 
zijdsche  verliezen  op  te  geven,  elke  batterij  te  noemen  die  opge- 
worpen werd,  en  bij  elke  nadernis  te  zeggen  hoeveel  ellen  loop- 
graaf men  telkens  vooruitkwam-  Gold  het  een  hedendaagsch 
beleg,  dan  zouden  al  die  bijzonderheden  een  wetenschappelijk 
belang  kunnen  hebben;  dat  belang  is  er  niet  bij  een  beleg  van 
de  zeventiende  eeuw.  Daarom  zullen  wij  er  ons  toe  bepalen,  met 
alleen  in  groote  trekken  te  schetsen  hoe  Namen  in  1695  ge- 
wonnen werd,  en  ons  alleen  ophouden  bij  de  voornaamste  wapen- 
feiten die  toen  het  beleg  van  die  vesting  hebben  gekenmerkt. 

In  den  nacht  van  den  11  en  op  den  i2en  Juli  worden  de  loop- 
graven geopend  op  de  hoogte  van  Bouge,  uitgaande  van  het 
dorp  en  gericht  op  Coquelet;  eerst  twee  dagen  later,  in  den 
nacht  van  den  ijen  op  den  1460,  begint  men  de  nadernis  tus- 
schen de  hoogte  van  Bouge  en  de  Maas;  die  nadernis  gaat  uit 
van  het  klooster  der  Jezuïeten.  Aan  den  overkant  van  de  Maas, 
op  den  rechteroever,  hebben  de  Brandenburgers  reeds  den  i2en 
Juli,  van  enkele  batterijen   op  de  hoogte  van  Sainte-Barbe,  het 


Digitized  by 


Google 


288  KKUGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

vuur  geopend  op  hel  bastion  Balart  en  op  de  werken  bij  de 
poort  Saint-Nicolas^  aan  den  overkant  van  de  rivier;  hier  worden^ 
langs  de  Maas,  ook  loopgraven  geopend  in  de  richting  van  de 
voorstad  van  Jambe,  aanvankelijk  van  beneden,  later  ook  van 
boven  van  die  voorstad.  Die  beide  nadernissen  van  de  Branden- 
burgers langs  de  rivier  zijn  later  zoo  wat  tegenover  Jambe,  met 
elkander  in  verbinding  gebracht. 

De  batterijen,  zoo  bij  den  aanval  van  de  Brandenburgers,  als 
bij  die  op  den  linker  Maasoever,  namen  dag  aan  dag  toe.  In 
de  yyRelatim  de  la  Campagne  de  Flandre  et  du  siège  de  Namur  en 
rannée  1695"  —  een  half-officieel  werk,  in  1696  uitgegeven  in 
Den  Haag  bij  y^Henry  van  Bulderen^  marchand-libraire^  dam  Ie 
Vooten^  il  Penseigne  de  Mezeray  —  komen  al  die  batterijen  voor, 
op  het  plan  van  het  beleg;  en  in  de  uitlegging  wordt  zelfs  ge- 
zegd :  yjbatteriei  de  canon  d'^autant  de  pièces  qu*<m  y  voit  d^ embra%ure% 
marquéi'* ;  en :  ^atterie%  de  mortiers  d^autant  de  pièces  qiiil  y  a  de 
poinis  marquéi^  Dat  is  zoo  nauwkeurig  als  het  maar  kan^  —  zal 
men  zeggen;  —  dat  is  ook  zoo,  maar  —  daar  is  een  tmaar" 
bij.  Vooreerst  vordert  het  een  goed  gezicht,  die  klein  geteekende 
schietgaten  te  onderscheiden,  en  te  tellen;  en  ten  tweede  weet 
men  dan  nog  niet,  hoeveel  van  die  batterijen  gelijktijdig  in 
werking  zijn  geweest;  alle,  zeker  niet;  de  vuurmonden  zijn  van 
de  eene  batterij  overgebracht  op  de  andere;  want  alleen  op  den 
rechteroever  van  de  Maas,  bij  den  aanval  van  de  Brandenburgers, 
telt  men,  in  het  geheel,  80  k  90  kanonnen  en  mortieren ;  en  zóó 
sterke  artillerie  is  daar  stellig  niet  in  werking  geweest. 

De  Fransche  opgaven  spreken  er  hunne  verwondering  over 
uit,  dat  een  leger  van  80000  man,  aan  de  onbeduidende  ver- 
schansingen bij  Coquelet  zooveel  gewicht  heeft  gehecht,  om  ze 
geregeld  te  belegeren.  Wij  hebben  reeds  vroeger  gezegd,  dat  het 
van  den  belegeraar  een  misslag  is  geweest,  zijn  aanval  ook  op 
die  verschansingen  te  richten;  hij  had  zich  daarmee  niet  moeten 
ophouden,  maar  uitsluitend  moeten  aanvallen  op  het  terrein  tus- 
schen  de  hoogte  van  Bouge  en  den  linker  Maasoever;  drong  de 
belegeraar  aan  die  zijde  door  tot  aan  de  vestingwerken  der  stad 
bij  de  poort  Saint- Nicolas,  dan  zouden  de  buitenlinie  van  de  vier 
lunetten,  en  de  verschansingen  van  Coquelet,  van  zelf  moeten 
vallen;  de  rechtstreeksche  aanval  op  die  buitenlinie  was  een 
onnoodige  verspilling  van  tijd,  werk,  munitie,  —  en  vooral  van 
menschenlevens. 

Het  was  dus  niet  noodig  om  de  verschansingen  bij  Coquelet 
aan  te  vallen;  —  maar,  moesten  zij  aangevallen  worden,  dan 
gebood  de  voorzichtigheid  om  dit  op  eene  geregelde  wijze  te 
doen;  dadelijk  een  stormaanval  te  ondernemen,  zou  denkelijk 
eene  nederlaag,   of  eene  zeer    duur    gekochte  overwinning   ten 


Digitized  by 


Google 


NAMKN.  289 

gevolge  hebben  gehad.  Want  die  verschansingen  bij  Coquelet, 
onbeduidend  op  zichzelve,  waren  sterk  omdat  zij  verdedigd 
werden  door  goede  troepen,  die  telkens  ondersteund  konden 
worden  door  de  bezetting  van  Namen.  Boufflers  had  ingezien, 
welk  een  voordeel  het  voor  de  Franschen  was  om  den  vijand 
hier  lang  tegen  te  houden;  daarom  werden  er  al  dadelijk,  be- 
halve de  gewone  bezetting  van  Coquelet,  4  bataljons  ter  be- 
schikking gesteld  van  Reignac;  die  macht  vermeerderde  gaande- 
weg, zoodat  bij  eene  beslissende  gelegenheid,  bij  Coquelet  8 
Fransche  bataljons  waren;  10,  volgens  ééne  opgave.  Het  terrein 
aldaar  was  om  zoo  te  zeggen  een  verschanst  slagveld  geworden, 
waar  dagen  lang  de  wederzijdsche  legers  den  strijd  voerden; 
Boufflers,  Guiscard  waren  herhaaldelijk  aldaar;  want  de  Fransche 
aanvoerders  namen  uitmuntend  den  plicht  van  een  aanvoerder 
waar,  om  in  de  gevaren  te  deelen  van  hunne  soldaten. 

Herhaaldelijk  doen  de  Franschen  uitvallen  naar  de  zijde  van 
Bouge,  en  naar  de  aanvalswerken  op  den  lagen  grond  tusschen 
den  linker  Maasoever  en  de  hoogte  van  Bouge.  Die  uitvallen 
hebben  het  gewone  gevolg:  zij  worden  afgeslagen,  maar  ver- 
tragen de  werken  van  den  belegeraar ;  de  verliezen  van  de  beide 
partijen  worden,  naar  gewoonte,  verschillend  opgegeven,  maar 
schijnen  elkander  niet  veel  te  hebben  ontloopen;  aan  de  Hol- 
landsche  zijde  wordt  onder  de  gewonden  genoemd  generaal 
Fagel,  —  een  naam,  roemvol  prijkende  zoowel  in  onze  militaire 
als  in  onze  staatkundige  geschiedenis. 

De  nadernissen  der  bondgenooten,  op  de  hoogte  van  Bouge 
en  aan  den  voet  dier  hoogte,  gaan  intusschen  vooruit,  en  gedurig 
worden  daar  nieuwe  batterijen  opgeworpen.  Hetzelfde  doen  de 
Brandenburgers  op  den  rechter  Maasoever;  hunne  batterijen 
teisteren  de  vestingwerken  bij  Saint-Nicolas  aan  den  overkant 
van  de  rivier,  en  schieten  bres  in  de  rechterflank  van  het  bastion 
Balart.  —  Op  een  geheel  ander  punt,  op  de  hoogten  op  den 
linkeroever  van  de  Sambre,  tegenover  de  abdij  van  Salsine,  doet 
Coehoorn  batterijen  opwerpen,  bestemd  om  door  haar  vuur, 
later,  den  overgang  van  die  rivier  te  beschermen. 

Zoo  gingen  de  zaken  voort,  tot  den  i8en  Juli;  dien  dag  had- 
den er  twee  belangrijke  gevechten  plaats. 

Het  eerste  viel  voor  bij  de  voorstad  Jambs,  op  den  rechter 
Maasoever;  hier  deden  de  Franschen  een  uitval  tegen  de  nader- 
nissen nabij  de  rivier,  bovenwaarts  van  de  voorstad;  die  uitval 
is  geslaagd.  Om  twee  uur  des  namiddags  viel  Grammont  uit 
Jambe,  met  eene  macht  die  door  ons  op  een  1200  man,  door 
de  Franschen  op  bijna  1000  wordt  begroot.  Begunstigd  door  de 

WILLEM  iir.  —  III.  19 

Digitized  by  VjOOQIC 


290  KRIJGS-   EM  GBSCHIEDKUKDIGE  BESCHOUWINGEN. 

hopvelden  (Jtoublonnières)  die  hen  verborgen  voor  het  gezicht  van 
den  vijand,  slopen  200  Fransche  grenadiers  langs  den  oever  de 
Maas  hooger  op.  om,  op  een  gegeven  sein,  aan  alle  kanten 
hunne  granaten  te  werpen  in  de  loopgraven  van  de  Branden- 
burgers; de  grenadiers  werden  gevolgd  door  500  man  gewoon 
voetvolk^  die  de  loopgraven  rechtstreeks  moesten  aanvallen,  ter- 
wijl eindelijk  250  dragonders,  dadelijk  na  het  verlaten  van  Jambe, 
ijlings  moesten  rennen  naar  het  punt  waar  de  loopgraaf  van  de 
Brandenburgers  aanving,  om  hun  den  terugtocht  af  te  snijden. 
Volgens  de  Fransche  opgaven  gelukte  die  onderneming  vol- 
komen, en  konden,  van  de  1000  man  die  in  de  loopgraaf  waren, 
slechts  180  zich  redden;  het  verlies  van  de  Brandenburgers  zou 
dus  een  800  man  zijn  geweest.  Onze  opgaven  verminderen  dat 
verlies  tot  op  250  man,  en  beweren  dat  ook  het  verlies  van  de 
Franschen  gevoelig  is  geweest.  De  uitvallende  troepen  werden 
weder  teruggedreven  binnen  Jambe^  maar  niet  dan  nadat  zij  de 
loopgraven  van  den  belegeraar  voor  een  deel  hadden  geslecht. 

Bioediger  en  belangrijker  was  de  strijd  die,  op  den  avond  van 
denzelfden  dag^  plaats  had  op  de  hoogte  van  Bouge,  bij  het 
bestormen  en  nemen  van  de  verschansingen  van  Coquelet. 

Zeven  uur  's  avonds  was  bepaald  als  de  tijd  voor  die  bestor- 
ming, dus  nog  op  klaarlichten  dag.  Voorop  zouden  gaan  800  Hol- 
landsche  en  Engelsche  grenadiers;  zij  stonden  daartoe  verdeeld  in 
8  kleine  afdeelingen,  zich  uitbreidende^  links  van  nabij  het  dorp 
Bouge,  tot  rechts,  niet  ver  van  Coquelet.  B^n  20  è.  30  pas  achter 
de  grenadiers  waren  8  è,  900  schansgravers  bestemd  om,  dadelijk 
na  het  gelukken  van  den  storm,  borstweringen  te  maken  tot 
dekking  van  de  bestormers;  bij  die  schansgravers  was  Dupul» 
met  22  ingenieurs;  10  hunner  zouden  dadelijk  vooruitgaan  met 
de  bestormers;  de  12  anderen,  onder  De  Merveilleux,  als  reserve 
achterblijven.  Dan  kwamen  16  Engelsche  en  HoUandsche  batal- 
jons; de  HoUandsche  bataljons,  onder  Salis,  Friesheim  en  Heu- 
kelom,  zouden  aanvallen  aan  de  zuidzijde,  de  Engelsche  batal- 
jons, onder  Ramsay  en  Cutts,  aan  de  noordzijde  van  Coquelet. 
Achter  die  infanterie  stond  La  Forest  met  12  of  13  eskadrons; 
ieder  ruiter  was  voorzien  van  fascinen,  om  die  aan  te  brengen 
waar  dit  noodig  was.  Aan  de  rechterzijde  van  die  bestormende 
macht  stond  nog  eene  kleine  afdeeling  voetvolk  en  ruiterij,  om 
eiken  flankaanval  te  kunnen  tegengaan;  aan  de  linkerzijde  was 
zulk  een  flankaanval  niet  te  duchten.  Tettau  had  het  bevel  over 
de  geheele  aanvallende  macht,  die  door  de  Fransche  schrijvers 
begroot  wordt  op  een  15000  man;  —  veel  overdrijving  is  er 
denkelijk  niet  in  die  begrooting. 

De  verdediger,  voor  wien  de  toebereidselen  tot  de  i>estorming 
niet  verborgen  konden  blijven,  had  Bouflüers  kennis  gegeven  van 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  291 

den  nabijzijnden  strijd;  de  Maarschalk,  die  toen  in  de  voorstad 
van  Jambe  was,  zond  Grammont  ijlings  met  eenige  bataljons 
naar  Coquelet;  en  kwam  later  in  persoon  ook  aldaar.  In  het 
half  officieele  verslag  van  het  beleg,  van  onze  zijde  uitgegeven, 
wordt  de  Fransche  krijgsmacht  bij  Coquelet  toen  geraamd  op 
8  bataljons  voetvolk,  eene  afdeeling  dragonders,  en  al  de  grena- 
diers van  de  bezetting;  De  Merveilleux  spreekt  van  10  bataljons. 
De  strijd,  om  zeven  uur  's  avonds  aangevangen,  eindigt  om  tien 
uur;  toen  wijken  de  Franschen  binnen  den  bedekten  weg  van 
Namen,  en  blijven  de  bondgenooten  meester  van  de  verschan- 
singen van  Coquelet. 

Met  afwisselende  kansen  was  die  strijd  gevoerd.  Aanvankelijk 
had  een  der  bommen  van  den  belegeraar  de  munitie  van  den 
belegerde,  in  een  klein  magazijn  geplaatst,  doen  springen;  Bouf- 
flers  deed,  om  dit  ongeval  te  verhelpen,  munitie  aandragen  uit 
Namen.  Reignac  had  in  een  gedeelte  van  de  borstwering  een 
veertigtal  bommen  doen  ingraven ;  toen  de  bestormers  die  borst- 
wering beklommen,  werden  de  bommen  ontstoken ;  en  het  sprin- 
gen bracht  bij  de  bondgenooten  zooveel  verliezen  en  verwarring 
teweeg,  dat  Reignac,  op  zijn  beurt  aanvallende,  hen  een  aanmer- 
kelijk eind  weegs  terugdreef;  de  dappere  Fransche  bevelhebber 
werd  echter  spoedig  weer  teruggeworpen,  en  moest  ten  laatste 
den  strijd  opgeven. 

Groot  waren,  aan  weerszijden,  de  verliezen:  De  Quincy  schat 
die  der  bondgenooten  op  4000  man  aan  dooden  en  gewonden, 
en  die  der  Franschen  op  15  ^  1600;  een  andere  Fransche  op- 
gave zegt,  dat  de  bondgenooten  1800  man  aan  dooden,  1500 
aan  gewonden  verloren,  en  verkleint  het  eigen  verlies  tot  op  een 
800  man.  De  opgaven  van  onze  zijde  zijn  hiermede  in  strijd: 
het  half  officieele  verslag  zegt,  dat  van  de  Fransche  troepenmacht 
bij  Coquelet  de  helft  is  verloren  gegaan,  terwijl  het  verlies  van 
de  bondgenooten  een  1000  èi  1200  man  heeft  bedragen;  De 
Merveilleux  stelt  óns  verlies  op  een  1400  man;  de  Franschen 
—  zegt  hij  —  geven  hun  verlies  op  als  een  800  man;  maar  het 
is  wel  1800  man  geweest  —  Men  ziet  dus,  dat  er  weer  onzeker- 
heid is  omtrent  het  cijfer  der  verliezen. 

Maar  wat  niet  onzeker  is  geweest,  dat  is  de  uitstekende  dap- 
perheid, aan  weerszijden  betoond ;  daaromtrent  zijn  alle  berichten 
eenstemmig,  dat  hier  goede  troepen  hebben  gestreden,  aangevoerd 
door  goede  bevelhebbers.  De  legerhoofden  zelve  waren,  om  zoo 
te  zeggen,  op  de  strijdplaats :  aan  de  eene  zijde  was  Boufflers 
ijverig  in  de  weer,  om  Fransche  soldaten,  >die  met  te  veel  over- 
haasting teruggingen''^  weer  vooruit  en  in  gevecht  te  brengen; 
en  aan  de  andere  zijde  waren  Willem  III  en  de  keurvorst  van 


Digitized  by 


Google 


292  KRIJGS'  EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Beieren,  geharnast,  op  de  strijdplaats  om  de  handelingen  der 
hannen  te  bestaren.  Zulke  aanvoerders  zouden  elke  zwakheid 
der  strijders  onverantwoordelijk  hebben  gemaakt;  die  zwakheid 
is  dan  ook  nergens  gebleken;  integendeel,  er  was  heldenmoed 
aan  weerszijden.  De  Merveilleux  zegt,  dat  de  Franschen  den 
aanval  der  onzen  hebben  afgewacht  tmet  groote  dapperheid" 
(avec  heaucoup  de  fierti) ;  en  Willem  III,  die  voor  zijn  leger  altijd 
veel  guller  is  geweest  met  blaam  dan  met  lof,  laat  toch,  in  het 
onder  zijn  toezicht  geschreven  verhaal  van  het  beleg,  het  vol- 
gende zeggen,  over  het  gedrag  van  de  Engelsche  en  Hollandsche 
troepen  bij  dezen  storm: 

» Le  Roi  füt  tres  satisfait  du  courage  et  de  la  conduite  de  ses 
troupes,  dans  cette  action.  Aussi  peut- on  dire  qu'il  ne  s'est  jamais 
rien  vü  de  plus  vigoureux.  Des  gens  k  découvert,  tambour  Mtant, 
attaquer  leurs  ennemis  derrière  un  retranchement  bien  palissade, 
sans  craindre  ni  la  mousqueterie,  ni  l'éclat  des  grenades  et  des 
bombes,  ni  le  fracas  horrible  des  canons,  des  fourneaux  et  des 
fougades"  (fougasses  ?),  »pousser  Tennemi  Tépée  dans  les  reins, 
jusques  dans  la  pallissade  de  la  contrescarpe  de  la  place,  est  une 
action  de  bravoure  qui  a  tres  peu  d'exemples."  {Relation  de  la 
Campagne  de  Flandre^  en  Vannée  1695,*  —  blz.  23). 

Om  de  kracht  van  de  uitdrukking  niet  te  verzwakken,  nemen 
wij  deze  plaats  uit  dat  werk  onvertaald  over.  Wij  gelooven  dat 
het  onbetwistbaar  is,  dat  die  bestorming  der  verschansingen  van 
Coquelet  op  den  i8eii  Juli  1695  roemvol  is  geweest  voor  de 
Hollandsche  wapens ;  —  wij  moeten  er  echter  bijvoegen,  dat  het 
een  noodeloos  wapenfeit  is  geweest;  dat  men,  ook  zonder 
die  bestorming,  de  stad  Namen  had  kunnen  doen  vallen.  Eene 
Fransche  opgave  legt  — »  denkelijk  ten  onrechte  —  Willem  III 
de  woorden  m  den  mond:  »dat  de  strijd  bij  Coquelet  meer  had 
van  een  veldslag  dan  van  een  schermutseling,  en  dat  nooit  een 
duiventil  met  grooter  dapperheid  is  verdedigd  en  aangevallen" ;  — 
het  is  niet  waarschijnlijk,  dat  de  Stadhouder  op  zoo  verkleinenden 
toon  heeft  gewaagd  van  die  verschansingen  bij  Coquelet;  maar 
d^t  is  zeker,  dat  de  Franschen  een  blijk  van  bekwaamheid  heb- 
ben gegeven  met  het  verdedigen  van  die  verschansingen, 
de  bondgenooten  echter  geen  blijk  van  bekwaamheid  met  het 
aanvallen:  men  had  die  duiventil  ongemoeid  moeten  laten; 
Namen  zou  dan  vroeger  zijn  bezweken,  en  met  minder  opofferingen. 

Van  Maastricht  kwam,  den  i9en  Juli,  weer  een  groot  aantal 
kanonnen  en  mortieren  voor  den  belegeraar  aan ;  die  vuurmonden 
kwamen  in  vaartuigen  de  Maas  op ;  eenigen  tijd  was  er  te  weinig 
water  in  de  rivier,  en  moest  dus  een  deel  van  het  belegeringspark 
over  land  worden  aangevoerd.  Maar,  over  land  of  over  water 
gekomen,   het  belegeringsgeschut   was  er,  en  werd  dan  ook  op 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  293 

krachtdadige  wijze  aangewend  tegen  Namen.  Op  den  rechter- 
oever van  de  Maas  vooral  waren  de  batterijen  der  Brandenbur- 
gers zeer  werkzaam:  zij  maakten  aanmerkelijke  bressen  in  de 
stadswallen  aan  de  overzijde  van  de  rivier^  met  name  ook  in  de 
rechterface  van  het  bastion  dat  onmiddellijk  aan  de  Maas  sluit, 
en  vandaar  soms  genoemd  wordt  „bastion  de  la  Meuse\  soms  ook 
yjbaztim  Saint-Nkolai'' ^  naar  de  zich  daar  dichtbij  bevindende 
poort  van  dien  naam;  ook  in  de  kleine  contregarde  vóór  dat 
bastion  Saint-Nicolas,  schoten  de  Brandenburgsche  batterijen 
bres;  en  ten  laatste  vernielden  zij  ook,  —  maar  met  veel 
moeite  en  veel  tijdverlies  —  den  stevigen  steenen  beer,  die  het 
water  van  de  hoofdgrachten  van  Namen  belette  af  te  loopen  in 
de  Maas.  1 

De  voorstad  van  Jambe,  te  veel  geteisterd  door  het  geschut- 
vuur  van  de  bondgenooten,  werd  den  2osten  Juli  door  de  Fran- 
schen  ontruimd,  na  haar,  gedeeltelijk,  in  brand  te  hebben  ge- 
stoken; ook  de  daar  aanwezige  brug  vernielden  zij.  Coehoorn 
deed  toen  Jambe  bezetten,  en  dddr  de  beide  nadernissen  ver- 
eenigen, die,  langs  de  Maas,  boven  en  beneden  Jambe,  op  die 
voorstad  waren  gericht  geweest. 

Op  de  hoogte  van  Bouge,  en  beneden  die  hoogte  langs  de 
Maas,  gingen  de  loopgraven  van  den  aanvaller  steeds  vooruit; 
het  bastion  Balart  werd  weldra  daardoor  omgeven,  en  zoo  goed 
als  afgesneden  van  de  stad;  en  toen  de  mineurs  van  den  be- 
legeraar zich  begonnen  in  te  graven  aan  de  saillant  van  het 
bastion,  achtte  de  Fransche  bevelhebber  verderen  wederstand 
ondoenlijk,  en  gaf  zich  over,  in  den  ochtend  van  den  26sten  Juli, 
met  zijne  bezetting  van  4  officieren  en  51  soldaten.  De  belege- 
raar zette  zijne  nademissen  toen  alleen  voort  in  den  lagen  grond 
tusschen  het  bastion  Balart  en  de  Maas,  naar  de  poort  Saint- 
Nicolas  ;  alleen  d^r  —  begreep  hij  nu  —  moest  de  stad  Namen 
worden  aangevallen;  —  hij  had  dit  van  den  beginne  aan  moeten 
begrijpen. 

Een  hevig  en  onverpoosd  geschutvuur,  ook  van  worpgeschut, 
werd  door  den  belegeraar  gericht  op  het  front  van  Saint-Nico- 
las; de  Franschen,  voornemens  aldaar  binnen  verschansingen  te 
maken,  moesten,  door  's  vijands  vuur,  van  dat  voornemen  afzien. 
Natuurlijk  werden  de  vorderingen  van  de  bondgenooten  gekocht 
met  verliezen,  teweeggebracht  door  het  vuur  en  de  kleine  uit- 
vallen uit  Namen;  twee  HoUandsche  regimenten  —  Salis  en 
Lottum  —  die  bij  de  bestorming  van  den  i8en  Juli  zeer  groote 
verliezen  hadden  geleden,  werden  door  Willem  III  naar  Maas- 
tricht teruggezonden,  en  vervangen  door  twee  andere  regimenten 
—  Dutheil  en  Anhalt  —  in  die  vesting  in  bezetting. 


Digitized  by 


Google 


294  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Den  2  7  «ten  Juli  heeft  er  weer  een  belangrijke  en  bloedige  strijd 
plaats,  tusschen  aanvaller  en  verdediger.  Die  strijd  is  tweeledig: 
aan  de  eene  zijde  wordt  de  bedekte  weg  voor  hel  front  van 
Saint-Nicolas  bestormd;  en  aan  de  andere  zijde  de  overgang 
ondernomen  van  de  Sambre  bij  La  Balance,  Die  laatste  onder- 
neming is  volkomen  gelukt ;  de  eerste  is,  voor  de  bondgenooten, 
meer  nederlaag  geweest  dan  overwinning,  in  weerwil  van  de 
schitterende  dapperheid,  ook  hier  ten  toon  gespreid  door  de 
bataljons  van  Willem  III. 

Om  vijf  uur  des  namiddags  zou  de  bestorming  plaats  hebben 
bij  Saint-Nicolas:  8  bataljons  waren  daartoe  bestemd,  voor  de 
eene  helft  Engeïschen,  voor  de  andere  helft  Hollanders;  de 
eerste  onder  Ramsay  en  Hamilton,  de  tweede  onder  Lindeboom 
en  Friesheim;  die  bataljons  zouden  voorafgegaan  worden  door 
6oo  grenadiers,  ook  voor  de  helft  Engeïschen  en  Hollanders, 
en  door  6oo  schansgravers,  in  zes  afdeelingen  gesplitst,  elk 
aangevoerd  door  ingenieurs.  Dupui,  de  directeur-generaal  van  for- 
tificatiën,  was  hier  aanwezig  om  de  genie-werkzaamheden  te  leiden. 

De  Engeïschen,  den  rechtervleugel  uitmakende,  snellen,  in 
weerwil  van  het  moorddadig  vuur  des  vijands,  naar  den  bedekten 
weg,  verdrijven  den  vijand  van  daar,  en  beginnen  zich  toen  in 
te  graven  op  de  kruin  van  het  glacis;  wolzakken,  fascinen  en 
schanskorven  worden  daarbij  aangewend;  maar  door  een  toeval 
geraken  deze  in  brand,  en  wordt  daardoor  de  pas  opgeworpen 
borstwering  weer  voor  een  deel  vernield.  Toch  bleven  de  Engeï- 
schen standhouden,  met  die  hardnekkige  dapperheid  die  hun 
landaard  eigen  is;  het  geschutvuur  uit  de  werken  van  Saint- 
Nicolas  en  uit  het  bastion  Saint-Fiacre  maakte  zulke  verwoes* 
tingen  in  hunne  rijen,  dat  zij  —  naar  eene  Fransche  opgave  — 
» zeker  zouden  zijn  teruggegaan,  wanneer  niet  de  hoofden  der 
bondgenooten  de  voorzorg  hadden  genomen  om  hunne  soldaten 
vóór  den  storm  dronken  te  maken  met  brandewijn";  —  eene 
onwaardige  beschuldiging,  die  bij  meer  dan  één  wapenfeit  is 
ingebracht,  om  den  roem  van  's  vijands  dapperheid  te  verduis- 
teren. Hoe  het  zij,  de  Engeïschen  herstelden  die  half  afgebrande 
borstwering,  en  bleven  op  het  glacis;  hoewel  dit  hun  zware  ver- 
liezen kostte,  en  het  hun  onmogelijk  was  om  door  te  dringen 
in  den  bedekten  weg. 

Links  van  de  Engeïschen,  naar  de  zijde  van  de  Maas,  waren 
de  Hollandsche  bataljons  onmiddellijk  langs  den  oever  van  de 
rivier  doorgedrongen,  en  hadden  de  bres  bereikt  in  de  rechter- 
face  van  de  contregarde  vóór  het  bastion  Saint-Nicolas;  hier 
vielen  zij  aan  met  eene  veerkracht,  die  hun  Engeïschen  wapen- 
broeders eenigszins  ten  goede  kwam:  de  Franschen,  zich  nu 
vooral  bezig  houdende  met  de  Hollandsche  bataljons,  werden 
daardoor    afgeleid   van    den    kamp    tegen    de    Britten.    Het    is 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  295 

ondoenlijk  om  een  juist  en  nauwkeurig  verslag  te  geven  van  wat 
de  troepen  van  Lindeboom  en  Friesheim  hier  hebben  verricht: 
onophoudelijk  werpen  van  granaten;  geweervuur;  geschutvuur, 
uit  de  vesting;  kleine  mijnen,  die  de  Franschen  laten  springen; 
voortdringen  van  de  Hollanders  het  eene  oogenblik,  hun  terug- 
werpen door  de  verdedigers  het  andere  oogenblik;  dat  alles 
wisselt  elkander  herhaaldelijk  af,  gedurende  de  vier  of  vijf  uren 
dat  hier  werd  gestreden.  Toen,  om  tien  uur  's  avonds,  de  be- 
storming geheel  had  opgehouden,  waren  de  Hollanders  meester 
gebleven  van  de  saillant  der  contregarde,  waar  zij  zich  ingroeven ; 
evenzoo  hadden  zij  ingravingen  gemaakt  op  een  klein  gedeelte 
van  het  glacis  nabij  de  Maas;  terwijl  ook  de  Engelschen  bleven 
standhouden  in  hunne  ingraving  op  het  glacis.  Dit  was  alles  wat 
men  door  de  bestorming  had  verkregen;  eene  onbeduidende 
uitkomst,  volstrekt  niet  beantwoordende  aan  wat  men  had  ge- 
hoopt en  verwacht;  het  was  —  wij  herhalen  het  —  voor  de 
bondgenooten  meer  nederlaag  dan  overwinning. 

Vooral  moet  men  van  eene  nederlaag  spreken,  als  men  let  op 
de  verliezen  van  de  bondgenooten  bij  die  bestorming:  om  een 
onbeduidend  deel  van  het  glacis  bij  Saint-Nicolas  te  winnen, 
waren  stroomen  bloeds  vergoten.  Volgens  Dt  Quincy  zou  die 
bestorming  aan  de  bondgenooten  hebben  gekost,  een  3000  man 
aan  dooden  en  gewonden,  terwijl  het  verlies  van  de  Fransche 
troepen  daarentegen  niet  meer  dan  een  4  k  500  man  zou  heb- 
ben bedragen.  Nu  is  De  Quincy  geen  zeer  betrouwbaar  schrijver, 
en  men  behoeft  de  cijfers  die  hij  hier  opgeeft,  niet  als  waar  aan 
te  nemen;  daarin  is  stellig  overdrijving;  —  maar  evenzeer  is  er 
overdrijving,  wanneer  in  het  half  officieele  verhaal,  van  de  zijde 
van  Willem  III  afkomstig,  de  verliezen  van  de  bondgenooten 
als  weinig  beduidend  worden  opgegeven,  wanneer  gezegd  wordt, 
dat  maar  een  40  k  50  Engelschen  sneuvelden,  toen  zij  hunne 
half  vernielde  ingraving  herstelden;  en  dat  3  k  400  man  dooden 
en  gewonden  het  geheele  bedrag  is  van  wat  de  bestorming  heeft 
gekost.  De  Merveilleux  stelt  het  verlies  van  de  bondgenooten  bij 
dien  storm  op  een  600  man  aan  dooden  en  gewonden ;  dit  cijfer 
komt  denkelijk  de  waarheid  meer  nabij.  8  ingenieurs  waren  ge- 
sneuveld, 15  gewond;  onder  de  laatste  behoorde  Dupui,  die 
aan  zijne  wonden  overleed.  Onder  de  gesneuvelden  was  de 
overste  Veleveld,  van  het  regiment  van  Heiden;  onder  de  ge- 
wonden de  overste  Labadie,  die  de  Hollandsche  grenadiers  had 
aangevoerd. 

Dat  Willem  III  aan  den  strijd  deelnam  en  zijn  leven  in  gevaar 
stelde,  behoeft  niet  gezegd  te  worden:  dat  was  de  gewone  gang 
van  zaken ;  daarin  was  niets  opmerkelijks.  Wat  echter  wél  opmer- 
kelijk was,  dat  is,  dat  Godfrey  Rich,  het  hoofd  van  de  eerste 


Digitized  by 


Google 


296  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Londensche  bank,  naast  hem  in  de  loopgraaf  door  een  kanons- 
kogel werd  gedood;  Rich  was  in  het  leger  voor  Namen  ge- 
komen, om  met  den  Koning  over  geldzaken  te  spreken,  en  had, 
zeer  tegen  den  zin  van  Willem  III,  ooggetuige  willen  zijn  van 
de  bestorming.  Van  Eek,  een  luitenant  van  de  garde,  verloor 
een  arm  door  denzelfden  kogel  die  den  Engelschen  bankier  had 
gedood. 

Ook  hier  wordt,  in  het  half  officieel  verhaal,  de  dapperheid 
geprezen  van  de  troepen  van  Willem  III:  >men  kan  geen  lof 
genoeg  geven  aan  den  moed  en  onyerschrokkenheid  door  onze 
infanterie  hier  betoond."  {Campagne  de  1695,  blz.  27);  en  verder 
wordt  nog  gezegd,  dat  tde  Engelsche  en  de  Hollandsche  grena- 
diers zich  daar  schitterend  hebben  onderscheiden"  (blz.  28).  Van 
de  verdediging  wordt  gezegd:  >wat  het  merkwaardigst  is  geweest 
bij  de  verdediging  door  den  belegerde,  dat  is,  dat  eenige  offi- 
cieren, om  hunne  soldaten  aan  te  moedigen,  zich  met  den  degen 
in  de  hand,  geheel  zonder  beschutting,  vertoonden  op  het  glacis 
van  den  bedekten  weg;  en  dat  dertig  k  veertig  man  zich  ook 
geheel  onbedekt  plaatsten  boven  op  het  halve  bastion,  om  de 
bres  van  de  contregarde  te  verdedigen;  maar,  ddt  uitgezonderd, 
is  hunne  verdediging  noch  zeer  krachtig,  noch  zeer  hardnekkig 
geweest"  (blz.  28).  —  Die  laatste  uitdrukking  laat  geen  recht 
wedervaren  aan  de  troepen  van  Boufflers:  eene  verdediging,  die 
den  vijand  geheel  tegenhoudt  en  hem  groote  verliezen  toebrengt, 
mag  wel  degelijk  krachtig  en  hardnekkig  worden  genoemd. 

De  andere  onderneming  van  de  bondgenooten  op  den  2  7  sten 
Juli,  werd  bekroond  met  een  beslissend  voordeelige  uitkomst; 
die  uitkomst  hebben  zij  te  danken  gehad,  zoowel  aan  hun  eigen 
beleid  en  veerkracht,  als  aan  de  misslagen  en  verkeerde  hande- 
ling van  Namen's  verdedigers. 

Het  gold  hier,  voor  de  bondgenooten,  om  bij  La  Balance  en 
de  abdij  van  Salsine  over  te  gaan  op  den  rechteroever  van  de 
Sambre.  Voor  die  onderneming  waren  aanvankelijk  bestemd  een 
groote  1200  man,  grenadiers  en  musketiers;  voor  de  eene  helft 
troepen  van  den  keurvorst  van  Beieren,  voor  de  andere  helft 
Hollandsche  troepen.  Korten  tijd  nadat  de  bestorming  bij  Saint- 
Nicolas  is  begonnen,  zakken  vier  vaartuigen  der  bondgenooten 
de  Sambre  af;  die  vaartuigen,  ter  verdediging  ingericht,  —  hoe, 
wordt  niet  gezegd  — ,  hebben  een  150  musketiers  aan  boord; 
nabij  La  Balance  springen  die  musketiers  op  den  rechteroever 
aan  wal,  vallen  dat  versterkte  huis  aan,  en  verdrijven,  na  een 
onbeduidenden  tegenstand,  de  Fransche  bezetting,  die  de  wijk 
iieemt  naar  het  kasteel.  Met  de  vier  vaartuigen  wordt  toen  dade- 
lijk, bij  I^  Balance,  een  brug  geslagen  over  de  Sambre;  de 
aangewezen   troepen   trekken  daarover,  verschansen  zich  op  den 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  297 

rechteroever,  en  worden  later  nog  gevolgd  door  eenige  ruiterij. 
Van  uit  het  kasteel  heeft  men  dien  rivierovertocht  gezien,  en 
heeft  men  dadelijk  Boufflers  gewaarschuwd;  deze  snelt  uit  de 
stad  naar  het  kasteel,  maar  doet  niets  om  den  vijand  weer  terug 
te  werpen  achter  de  Sambre;  integendeel,  hij  gelast  de  ontrui- 
ming van  de  abdij  van  Salsine,  die  daarop  dadelijk  wordt  bezet 
door  100  man  van  den  Keurvorst.  —  De  geheele  onderneming 
heeft  aan  de  bondgenooten  maar  een  verlies  van  een  40  man 
gekost. 

Hier  is  aan  de  Fransche  zijde  ontegenzeggelijk  een  groote 
misslag  begaan. 

Die  >  linie  van  Vauban",  die  zulk  een  groote  sterkte  had  waa- 
neer zij  in  front  werd  aangevallen,  verloor  alle  waarde  wanneer 
de  vijand  haar  aanviel  aan  de  keelzijde;  daarom  moest  dat 
laatste  belet  worden  \  daarom  moest  den  belegeraar  belet  worden 
om,  bij  La  Balance  en  Salsine,  over  te  gaan  op  den  rechteroever 
van  de  Sambre;  —  en  het  voornemen  van  de  bondgenooten  om 
hier  de  rivier  over  te  gaan  was  eenigszins  gebleken  door  het 
aanleggen  van  batterijen  op  den  linkeroever,  tegenover  Salsine 
en  La  Balance:  vijf  batterijen,  volgens  De  Merveilleux;  op  het 
plan  van  de  belegering  in  de  „Campagne  de  1695"  komen  er 
maar  vier  voor. 

Boufflers  schijnt  eenigszins  het  belang  te  hebben  ingezien,  van 
aan  den  belegeraar  hier  den  overgang  van  de  Sambre  te  betwis- 
ten; vandaar  het  bezetten  van  La  Balance  en  van  de  abdij  van 
Salsine;  —  maar  dat  was  niet  genoeg,  dat  was  veel  te  weinig, 
dat  was  eene  onbeduidende  verdediging  tegen  een  aanval  die 
zoo  beslissende  gevolgen  kon  hebben.  Men  had  hier  veel  sterkere 
macht  moeten  aanwenden;  men  had,  door  ingravingen  of  door 
kleine  schansen.  La  Balance  en  Salsine  in  verband  moeten  bren- 
gen met  het  kasteel,  of  met  zijne  voorliggende  werken;  men  had 
gereed  moeten  zijn  om  den  belegeraar,  als  hij  hier  de  rivier 
overging,  dadelijk  aan  te  vallen  en  terug  te  werpen;  men  had, 
in  één  woord,  de  Sambre  hier  moeten  verdedigen  op  dezelfde 
uitmuntende  wijze  als  men  de  verschansingen  bij  Coquelet  ver- 
dedigd heeft;  —  en  die  verschansingen  waren  daarvoor  veel 
minder  gunstig  dan  de  rivier. 

De  verdediging  van  Namen  door  Boufflers,  is,  over  het  geheel, 
zeer  goed  geweest;  —  maar  die  zwakke  verdediging  van  de 
Sambre  kan  met  volle  recht  als  eene  beschuldiging  worden 
ingebracht  tegen  zijn  beleid.  In  het  Fransche  y^Journal  du  siège  de 
Namur''*  (blz.  98 — 99)  komt  iets  voor,  wat  naar  eene  veront- 
schuldiging zweemt:  tmen  had  den  overtocht  van  de  Sambre 
kunnen  betwisten  aan  den  vijand;  maar  de  troepen  waren  zóó 
vermoeid,  dat  wanneer  zij  een  échec  hadden  geleden,  het  onmo- 


Digitized  by 


Google 


298  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

gelijk  ZOU  zijn  geweest  om  het  kasteel  te  verdedigen."  Die  ver- 
ontschuldiging beduidt  niets:  het  is  niet  met  vermoeide  troepen 
dat  men  de  Sambre  moest  verdedigen,  maar  met  troepen,  uit- 
sluitend voor  die  taak  bestemd,  en  dus  nog  niet  vermoeid  door 
den  strijd  op  een  ander  gedeelte  van  de  vesting;  daarvoor  was 
de  bezetting  van  Namen  talrijk  genoeg. 

De  bestorming  op  den  2 7 sten  Juli  werd  nu  weer  gevolgd  door 
het  maken  van  nadernissen  op  het  front  van  Saint-Nicolas^  en 
vooral  door  geschutvuur;  de  steenen  brug  over  de  Sambre.  die 
van  de  stad  naar  het  kasteel  leidde,  stond  bloot  aan  het  vuur 
van  eene  batterij  op  den  rechter  Maasoever;  het  kennelijk  doel 
van  den  belegeraar  was  hierbij  om  door  het  vernielen  van  die 
brug  de  gemeenschap  tusschen  stad  en  kasteel  te  verbreken,  en 
dus,  bij  een  gelukte  bestorming  op  de  stad,  hare  bezetting  ver- 
loren te  doen  gaan.  Om  dien  toeleg  te  verijdelen  deed  Boufflers 
op  een  hooger  gedeelte  van  de  Sambre  een  schipbrug  slaan 
tusschen  stad  en  kasteel;  tevens  deed  hij  van  de  steenen  brug 
een  paar  bogen  afbreken,  om,  na  het  verlies  van  de  stad,  de 
bondgenooten  te  beletten  om  gebruik  te  maken  van  die  brug. 

In  den  nacht  van  29  op  30  Juli  verwacht  BoufHers  een  storm- 
aanval,  zoo  aan  de  stadszijde  bij  het  front  Saint-Nicolas,  als  tus- 
schen Sambre  en  Maas  bij  de  linie  van  Vauban;  men  meent 
groote  toebereidselen,  groote  drukte  bij  de  bondgenooten  te 
hebben  ontwaard;  en  twee  gedeserteerde  Engelsche  soldaten 
berichten  den  nabijzijnden  aanval,  en  verzekeren  dat  een  paar 
duizend  stormladders  zijn  uitgedeeld.  Boufflers  doet  zijne  geheele 
bezetting  onder  de  wapens  komen,  wijst  elk  gedeelte  zijn  post 
aan,  en  bezet  vooral  het  zeer  geteisterde  front  van  Saint-Nicolas, 
waar,  in  het  halve  bastion  dat  onmiddellijk  aan'  de  Maas  sluit, 
reeds  een  bres  is  die  men  zelfs  te  paard  kan  beklimmen.  De 
dappere  Fransche  bataljons  wachten  met  ongeduld  de  nadering 
van  den  vijand;  —  maar  het  ééne  nachtelijke  uur  voor,  het 
andere  na,  verloopt,  zonder  dat  een  aanvaller  opdaagt;  het  vuur 
van  den  belegeraar  bij  Saint-Nicolas  is  voor  het  oogenblik  ver- 
minderd ;  maar  daarentegen  doet  hij  dddr  het  overschot  springen 
van  den  steenen  beer,  reeds  half  vernield  door  zijn  geschutvuur. 
De  nacht  gaat  voorbij,  zonder  strijd;  maar  nauw  is  de  morgen 
van  den  3osten  Juli  aangebroken,  of  de  > linie  van  Vauban"  wordt 
aangevallen,  en  spoedig  vermeesterd. 

Coehoorn  had  hier  de  leiding  van  den  aanval.  Den  dag  te 
voren  waren  twee  ingravingen  van  de  Franschen,  vóór  de  linie 
van  Vauban,  door  den  belegeraar  vermeesterd;  ónze  opgaven 
geven  nog  al  hoog  op  van  die  zaak,  en  spreken  van  het  ver- 
meesteren van  >twee  liniën";  het  half  officieel  verslag  zwijgt  er 
echter  over,  evenzoo  de  Fransche  opgaven ;  en  daar  er  ook  niets 


Digitized  by 


Google 


NAMEN.  299 

gezegd  wordt  van  de  verliezen,  kan  men  aannemen  dat  het  ge- 
beurde onbeduidend  is  geweest.  Niet  zoo  de  vermeestering  der 
linie  van  Vauban;  daartoe  waren  omvattende  toebereidselen  ge- 
maakt. In  front  zou  die  linie  worden  aangevallen  door  den 
generaal  Schwerin,  —  of  Schwerin,  die  in  1757  bij  Praag  den 
heldendood  stierf,  een  afstammeling  van  hem  is  geweest?  — , 
met  500  grenadiers,  500  fuseliers  en  1000  schansgravers.  Van 
de  zijde  van  Salsine  zou  de  linie  in  de  keel  worden  aangetast 
door  den  keurvorst  van  Beieren,  of  door  Coehoorn,  met  een 
3000  man  voetvolk  en  een  1000  man  ruiterij,  Spaansche  en 
Beiersche;  eenige  bataljons  stonden  nog  als  reserve  gereed,  om, 
zoo  noodig,  die  macht  te  Salsine  te  versterken.  Aan  de  linker- 
zijde zou  de  linie  in  de  keel  worden  aangevallen  door  de  Bran- 
denburgers, die  daartoe  van  den  rechter  Maasoever  op  den 
linker  moesten  overgaan,  en  trachten  de  steile  hellingen  te  be- 
klimmen van  de  hoogte  waarop  de  linie  van  Vauban  gelegen 
was.  Die  Brandenburgsche  afdeeling,  aangevoerd  door  den  gene- 
raal Fiemming,  zou  bestaan  uit  500  grenadiers  en  2000  man 
gewone  infanterie,  benevens  eenige  ruiterij ;  hoe  dit  laatste  wapen 
hier  van  eenig  nut  heeft  kunnen  zijn,  ten  minste  aanvankelijk, 
is  moeielijk  te  begrijpen. 

Het  oprukken  van  de  bondgenooten  van  de  zijde  van  Salsine 
naar  de  linie  van  Vauban,  maakte  die  linie  onverdedigbaar;  en 
Bouffiers  had  dan  ook  last  gegeven  aan  den  bevelhebber  der 
bezetting  van  die  linie,  om  daar  niet  lang  stand  te  houden,  maar 
tijdig  terug  te  trekken  op  het  achterliggende  La  Casotte.  Zoo 
geschiedde  het;  en  na  een  korten  tegenstand  viel  de  linie  in  de 
macht  der  bondgenooten.  Hadden  de  aanvallers  zich  daartoe 
bepaald,  hun  verlies  zou  onbeduidend  zijn  geweest;  maar,  door 
hunne  dapperheid  vervoerd,  en  vol  geestdrift  over  het  behaalde 
voordeel,  snelden  zij  verder,  en  wilden  nu  ook  den  bedekten 
weg  van  La  Casotte  vermeesteren;  terwijl,  op  een  ander  punt, 
eene  afdeeling  voetvolk  vooruitrukte,  om  eenig  geschut  te  ver- 
meesteren dat  den  dag  te  voren  buiten  het  fort  Coehoorn  had 
gestaan.  Hierin  slaagde  men  niet:  het  geschut  was  door  de 
Franschen  reeds  binnen  het  fort  gebracht,  en  deze  mislukte 
poging  berokkende  den  aanvaller  een  niet  onbeduidend  verlies. 
Bij  La  Casotte  wierpen  de  bestormers  gedurende  een  half  uur 
een  paar  duizend  granaten  in  den  bedekten  weg,  maar  hadden 
ook  veel  te  lijden  van  het  vuur  der  aldaar  staande  Fransche 
infanterie.  Boufflers,  op  de  plaats  van  den  strijd  gekomen,  doet 
toen  een  uitval  bij  La  Casotte;  met  vier  regimenten  dragonders 
te  voet  werpt  hij  de  bondgenooten  in  verwarring  terug,  maar 
wordt  op  zijn  beurt  teruggeworpen.  Het  eindigt  daarmede,  — 
toen  te  zes  uur  's  ochtends  het  gevecht  wordt  gestaakt  — ,  dat 
de   Franschen  meester   blijven   van   den  bedekten  weg  van   La 


Digitized  by 


Google 


300  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Casotte,  de  bondgenooten  van  de  linie  van  Vauban;  van  deze 
linie  uitgaande  wordt  er  toen  dadelijk  begonnen  aan  nadernissen 
tegen  La  Casotte. 

Dit  gevecht  van  den  3osten  Juli  kostte  aan  de  bondgenooten 
2  k  300  man  aan  dooden  en  gewonden;  De  Quincy  voert  dit 
verlies  op  tot  het  cijfer  van  6  k  700  man.  Over  de  verliezen  van 
de  verdedigers  ontbreekt  het  aan  bepaalde  opgaven;  De  Mer- 
veilleux  acht  die  niet  minder  te  zijn  geweest  dan  de  verliezen 
van  de  aanvallers;  het  Fransche  y^Journal  du  siège  de  Namur*^  is 
van  eene  tegenovergestelde  meening;  op  bladzijde  119 — 120  kan 
men  daar  lezen :  dat  's  ochtends  om  elf  uur  —  denkelijk  30  Juli  — 
de  keurvorst  van  Beieren  een  parlementair  zond  naar  BoufHers, 
met  het  voorstel  om  de  dooden  en  gekwetsten  weg  te  voeren, 
die  aan  weerszijden  gevallen  waren  bij  het  gevecht  om  de  linie 
van  Vauban,  en  dat  Boufflers  toen  geantwoord  heeft:  >bij  mijn 
weten  is  de  linie  van  Vauban  niet  aangevallen;  ik  heb  ze  laten 
ontruimen,  omdat  ik  het  niet  meer  dienstig  achtte  ze  te  be- 
houden ;  liggen  daar  dooden  of  gewonden  van  de  bondgenooten, 
die  kunnen  gerust  worden  weggehaald ;  maar  wederkeerig  behoeft 
dit  niet  te  zijn,  want  Franschen  zijn  daar  niet  gevallen." 

Heeft  Boufflers  werkelijk  zulk  een  antwoord  gegeven,  dan  is 
daarin  een  staaltje  te  zien  van  echt  Fransche  grootspraak.  »Ik 
heb  die  linie  niet  willen  verdedigen,  ik  heb  ze  vrijwillig  ver- 
laten ;**  —  vrijwillig  f  Ja,  omdat  die  linie  niet  meer  verdedigbaar 
was,  toen  eenmaal  —  door  uwe  schuld  —  de  belegeraar  bij 
La  Balance  op  den  rechteroever  van  de  Sambre  was  gekomen; 
ware  dat  niet  het  geval  geweest,  dan  zou  die  linie  eene  zeer 
groote  sterkte  hebben  gehad;  daaromtrent  bestaat  geen  twijfeL 
>Die  linie"  —  zegt  De  Merveilleux  (blz.  58—59) —  >was  geheel 
uitgehouwen  in  de  rots,  en  had  vóór  zich  eene  gracht  van  5  k 
6  el  breedte,  en  meer  dan  3  el"  (meter)  t  diepte."  Hij  spreekt 
verder  van  traversen,  van  batterijen,  van  eene  redoute  van  met- 
selwerk in  het  midden  van  de  linie,  en  eindigt  met  deze  woor- 
den: teen  overgroote  arbeid  en  ongeloofelijke  kosten  waren 
besteed  aan  die  linie,  die  —  naar  de  meening  van  de  Fran- 
schen —  de  bondgenooten  minstens  een  maand  moest  tegen- 
houden, en  welker  vermeestering  hun  leger  een  zeer  belangrijk 
verlies  zou  moeten  kosten."  Ook  de  half  officieele  ^Campagne  de 
1695"  stemt  hiermede  in:  >zoo"  —  wordt  daar  gezegd  —  » ver- 
meesterde  men  die  geduchte  verschansing,  die  groote  in  de  rots 
uitgehouwen  linie;  de  vijand  had  zich  gevleid,  dat  het  nemen 
van  die  linie  ten  minste  6000  man  Verlies  zou  kosten;  en  waar- 
lijk, dat  nemen  zou  zeer  moeielijk  zijn  gevallen,  ware  de  vijand 
den  versterkten  post  bij  La  Balance  behoorlijk  te  hulp  gekomen." 

Over  het  gedrag  van   de  troepen  van  Willem  III  spreekt  de 


Digitized  by 


Google 


NAMEN. 


30I 


„Campagne  de  1695"  met  hoogen  lof;  na  eerst  gezegd  te  hebben: 
»  de  Koning  was,  naar  gewoonte,  bij  dit  gevecht  tegenwoordig,"  — 
volgt  er  later:  »het  verlies  van  ieder  infanterist  had  men  moeten 
kunnen  afkoopen  met  eene  groote  somme  gelds;  zóó  dapper  en 
onverschrokken  heeft  de  infanterie  zich  daar  betoond."  Bij  de 
opgave  van  de  verliezen  wordt  gezegd,  dat  van  de  Beiersche 
grenadiers  een  officier  sneuvelde,  een  ander  gewond  werd;  ook 
van  de  HoUandsche  grenadiers  werden  eenige  officieren  gedood 
of  gewond;  de  Brandenburgers  verloren  geen  officieren. 

Nog  maar  weinige  dagen  zou  de  tegenstand  duren  van  de 
stad  Namen;  zij  zette  echter  dien  tegenstand  voort  zoolang  dit 
mogelijk  was,  en  bezweek  niet  dan  na  een  laatsten  roemvoUen  strijd. 

Terwijl  Coehoorn,  aan  de  zijde  van  het  kasteel,  zijne  nader- 
nissen voortzette  van  de  linie  van  Vauban  naar  La  Casotte,  was 
aan  de  stadszijde  de  artillerie  van  de  bondgenooten  onvermoeid 
werkzaam  tegen  de  werken  van  Saint- Nicolas.  Zeer  sterk  moet 
die  artillerie  zijn  geweest,  —  al  is  er  mogelijk  overdrijving  in  de 
Fransche  opgave,  in  het  y^Journal  du  siège  de  Namur*\  die  haar 
begroot  op  meer  dan  120  kanonnen  en  40  mortieren;  den 
isten  Augustus  was  er  voor  Namen  weer  een  konvooi  van  Meche- 
len  aangekomen,  bestaande  uit  25  kanonnen  —  vier-en- twintig- 
ponders —  en  200  wagens  met  bommen,  kogels  en  andere 
munitie.  De  artillerie  van  den  belegeraar  had  dus  alle  middelen 
om  hare  stem  te  doen  hooren,  en  van  die  middelen  maakte  zij 
een  ruim  gebruik. 

Een  klein  kruitmagazijn  in  het  half  bastion  Saint- Nicolas  sprong 
door  een  bom  in  de  lucht,  en  vergrootte  de  verwoesting  in  dat 
werk;  en  van  de  overzijde  van  de  Maas  maakten  de  batterijen 
van  de  Brandenburgers  het  den  Franschen  onmogelijk  om  bin- 
nenverschansingen  aan  te  leggen;  die  batterijen  schoten  in  den 
stadswal  aan  de  rivierzijde  eene  bres,  groot  genoeg  —  zegt  eene 
Fransche  opgave  —  voor  een  geheel  bataljon;  nu  moest  de  be- 
stormer,  om  die  bres  te  bereiken,  wel  eerst  de  Maas  over;  maar 
in  die  rivier  was  eenigen  tijd  zoo  weinig  water,  dat  er  ernstige 
vrees  bestond  voor  eene  bestorming  aan  die  zijde.  Sterke  regen- 
vlagen, die  de  Maas  weer  ondoorwaadbaar  deden  worden,  maakten 
een  einde  aan  die  vrees,  en  dwongen  den  belegeraar  om  zijne 
aanvallen  te  bepalen  tot  den  linker  Maasoever.  In  den  avond 
van  den  2"!  Augustus  heeft  daar  weer  eene  bestorming  plaats. 

Alleen  de  gewone  loopgravenwacht,  dien  dag  onder  het  bevel 
van  den  generaal  Lindeboom,  zou  aan  die  bestorming  deelnemen, 
welke  op  twee  punten  moest  worden  verricht.  Rechts  zou  lord 
Cutts,  een  Britsch  officier  van  uitstekende  dapperheid,  met  200 
Engelsche  grenadiers  aanvallen  op  den  bedekten  weg  van  het 
ravelijn  voor  de  poort  Saint-Nicolas ;  links  zou  de  generaal  Van 


Digitized  by 


Google 


302  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Dedem^  met  200  HoUandsche  grenadiers,  onmiddellijk  langs  de 
Maas  doordringen,  om  aan  te  vallen  op  het  zoo  goed  als  ver- 
woeste half-bastion  Saint- Nicolas;  die  eerste  aanvallers  werden 
ondersteund  door  afdeelingen  van  de  regimenten  uit  de  loop- 
graven wacht,  en  gevolgd  door  een  400  schansgravers;  daarbij 
waren  eenige  ingenieurs,  onder  den  kolonel  Tobias  Reinard,  — 
of,  zooals  de  naam  bij  Sijpestein  voorkomt:  Thobias  Reynhard. 

Om  zeven,  of  acht,  uur  's  avonds  vangt  de  bestorming  aan. 

Cutts,  met  zijne  Ëngelschen,  vermeestert  na  een  kort,  hevig 
gevecht  een  goed  deel  van  den  bedekten  weg  van  het  ravelijn ; 
in  een  half  uur  tijds  heeft  hij  zich  daar  ingegraven  zonder  groote 
verliezen  geleden  te  hebben. 

Moeielijker  en  bloediger  taak  hadden  de  Hollanders.  Van 
Dedem,  met  de  zijnen  langs  den  rivieroever  gaande,  beklimt  de 
bres  van  het  half-bastion  Saint- Nicolas,  en  drijft  de  Fjranschen 
uit  dat  werk,  tot  achter  eene  traverse  bij  de  courtine  van  de 
poort  Saint-Nicolas.  Bij  die  traverse  blijft  de  verdediger  hard- 
nekkig standhouden;  hij  begrijpt  dat  alles  hiervan  afhangt,  en 
dat,  als  hij  d^dr  zwicht,  de  bestormers  Namen  binnendringen. 
Aanvallen  en  tegen-aanvallen  wisselen  toen  elkander  af;  en  de 
hevige  strijd,  aan  weerszijden  met  gelijke  dapperheid  gevoerd, 
wordt  eenige  uren  voortgezet,  —  tot  middernacht,  zegt  ééne 
opgave.  Het  einde  is,  dat  de  Franschen  meester  blijven  van  het 
grootste  gedeelte  van  het  half-bastion,  maar  er  niet  in  kunnen 
slagen  om  de  Hollanders  te  verdrijven  uit  de  ingraving  die 
intusschen  gemaakt  is  op  de  bres,  in  de  nabijheid  van  de  rivier. 

Volgens  De  Quincy  bedroeg  het  verlies  van  de  bondgenooten 
bij  deze  bestorming  een  4  k  500  man;  onze  opgaven  begrooten 
het  op  een  200  man,  voor  twee  derde  Hollanders.  Maar  ook 
de  verdedigers,  die  op  eene  in  puin  liggende  borstwering  hadden 
gestreden  en  met  hunne  lichamen  de  ontbrekende  wallen  moesten 
vervangen,  hadden  zware  verliezen  geleden;  gevallen  waren  hier 
een  aantal  hunner  soldaten,  een  aantal  dappere  Fransche  offi- 
cieren, die  hier  met  evenveel  zelfopoffering  hun  leven  prijsgaven 
voor  de  glone  van  hun  Koning  als  eenmaal  Leonidas  en  de 
zijnen  voor  de  vrijheid  van  hun  vaderland. 

De  storm  van  den  2en  Augustus  had  de  bondgenooten  wel 
niet  binnen  Namen  gebracht,  maar  toch  de  kracht  van  Namen 
geheel  gebroken.  Toen  de  bataljons  van  Willem  III  dan  ook  in 
den  ochtend  van  den  3en  Augustus  opnieuw  gereed  stonden  om 
den  strijd  te  hervatten,  en  Boufflers  nogmaals  den  storm  wilde 
afwachten,  toonden  zijne  onderbevelhebbers  hem  aan,  dat  het 
ondoenlijk  was  om  den  wederstand  langer  vol  te  houden:  de 
bressen  zijn  in  den  ellendigsten  toestand,  zeide  Mégrigny;  er  is 
geen  oogenblik   te  verliezen  om   de    Chamade  te  slaan,  voegde 


Digitized  by 


Google 


OPERATIÊN  IN  VLAANDEREN  EN  BRABAND.         303 

Guiscard  er  bij.  De  Maarschalk,  hoe  onwillig  ook,  moest  toe- 
geven aan  den  gebiedeoden  eisch  der  noodzakelijkheid.  Tegen 
elf  uur  's  ochtends  werd  de  Charaade  geslagen  op  het  half-bastion 
Saint-Nicolas ;  dddr  verschenen,  aan  de  eene  zijde  Guiscard,  aan 
de  andere  zijde  de  Engelsche  generaal  Ramsay,  toen  bevelhebber 
van  de  loopgravenwacht ;  ieder  hunner  vergezeld  van  twee  offi- 
cieren —  het  was  toen  een  ceremonieele  tijd  —  gingen  zij 
elkander  op  de  bres  halfweg  te  ge  moet,  omhelsden  elkander,  en 
traden  toen  in  onderhandeling;  's  avonds  werd  de  capitulatie 
gesloten,  en  den  4eii  Augustus  de  stad  door  de  bondgenooten 
in  bezit  genomen.  De  Fransche  bezetting  trok  ongehinderd  naar 
het  kasteel,  in  de  stad  een  1800  zieken  en  gewonden  achterlatende. 
Zoo  viel  de  stad  Namen.  Alvorens  den  val  van  het  kasteel  te 
verhalen,  is  het  noodig  een  blik  te  werpen  op  wat  op  andere 
gedeelten  van  het  oorlogstooneel  voorviel,  en  wat  natuurlijk 
invloed  moest  hebben  op  den  gang  van  het  beleg  van  Namen. 


HOOFDSTUK  XXIX. 

operatiè^*  in  vlaanderen  en  braband ;  beleg  van  het 

kasteel  van  namen;  krijgs verrichtingen  ter 

zee;  aan  des  rijm;  in  italiê;  in  spanje. 

Toen  Willem  III  den  28sten  Juni  zijn  leger  verliet  en  het  bevel 
daarover  opdroeg  aan  den  Prins  De  Vaudemont,  stond  dit  leger 
iets  ten  noorden  van  Rousselaere,  op  den  linkeroever  van  de 
Lijs,  front  makende  naar  die  rivier;  of,  juister  gezegd,  front 
makende  naar  het  riviertje  de  Mandere,  dat  zich  een  weinig 
boven  Deynse  in  de  Lijs  werpt ;  het  kamp  van  de  bondgenooten 
had  eene  uitgestrektheid  van  nagenoeg  een  uur  gaans,  sloot  met 
den  rechtervleugel  aan  het  dorp  Denterghem,  en  breidde  zich 
met  den  linkervleugel  uit  naar  het  dorp  Zeveren.  Hier  bleef 
Vaudemont  een  veertien  dagen  standhouden ;  hij  had  de  dubbele 
taak  te  vervullen,  om  de  vestingen  in  Vlaanderen  te  beschermen 
tegen  Villeroy;  en  om,  als  Villeroy  naar  Namen  oprukte,  hem 
daarheen  te  volgen  en  zich  aan  te  sluiten  bij  Willem  III.  —  Na 
het  vertrek  van  verschillende  afdeelingen  naar  Namen,  had  het 
leger  van  Vaudemont  nog  eene  sterkte  van  35000  man. 

Toen  Villeroy  het  bericht  kreeg  dat  de  bondgenooten  Namen 
bedreigden,  had  hij  —  zooals  vroeger  gezegd  is  —  Boufflers 
met  eene  ruiterafdeeling  derwaarts  gezonden;  maar,  wat  er  ge- 


Digitized  by 


Google 


304  KRIJGS-  EN    GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

daan  moest  worden  met  de  hoofdmacht  van  het  Fransche  leger, 
daaromtrent  schijnt  hij  het  met  zichzelf  niet  eens  te  zijn  geweest. 
Eerst  —  zou  men  zeggen  —  is  Villeroy  voornemens  Namen 
dadelijk  te  hulp  te  komen;  hij  gaat  over  op  den  rechteroever 
van  de  Schelde,  en  zendt  ruiterij  vooruit  naar  de  zijde  van  Ath 
en  van  Charleroi;  en  de  vrees  dat  die  Fransche  ruiterij  zijne 
konvooien  zal  verontrusten,  doet  Willem  III,  den  i4en  Juli,  een 
twintigtal  eskadrons  afzenden  naar  de  zijde  van  Hoey  en  van 
Luik.  Maar  spoedig  geeft  de  Fransche  maarschalk  dit  voornemen 
op  om  Namen  rechtstreeks  te  hulp  te  komen;  hij  besluit  nu 
Vaudemont  aan  te  vallen  en  slag  te  leveren ;  het  Fransche  leger 
is  80000  man  sterk,  meer  dan  dubbel  zoo  sterk  als  dat  der 
bondgenooten ;  er  is  dus  alle  kans  op  het  behalen  van  eene 
groote  overwinning,  die  natuurlijk  aan  de  verdediging  van  Namen 
ten  goede  moet  komen. 

Dat  besluit  van  Villeroy  is  een  goed  besluit  geweest;  —  maar 
een  goed  besluit  helpt  niet  veel,  het  moet  ook  goed  worden 
uitgevoerd;  en  aan  die  goede  uitvoering  heeft  het  ontbroken. 

Aanvankelijk  schijnen  de  bewegingen  van  Villeroy's  leger  het 
beste  te  doen  voorspellen;  een  snelle  marsch  brengt  dat  leger 
van  den  rechteroever  der  Schelde  lot  op  korten  afstand  van 
Vaudemont's  kamp:  den  i2en  Juli,  om  tien  uur  's  avonds,  opge- 
broken van  het  dorp  Potles,  gaat  Villeroy  de  Schelde  en  de 
Lijs  over,  en  is,  in  den  ochtend  van  den  i3en,  met  de  voorhoede 
nabij  het  dorp  Roosebeeke  aan  de  Mandere;  in  den  loop  van 
den  dag  komt  het  geheele  Fransche  leger  bij  dat  riviertje,  en 
des  namiddags  om  zes  uur  zijn  de  voorste  troepen  in  de  onmid- 
dellijke  nabijheid  van  het  dorp  Denterghem.  Uit  een  paar  voor- 
liggende kasteelen,  of  huizingen,  worden  de  voorposten  van 
Vaudemont  verdreven. 

Het  legerhoofd  van  de  bondgenooten,  den  vijand  nu  onmid- 
dellijk op  zijn  rechterflank  hebbende,  zag  de  noodzakelijkheid 
in  om  van  stelling  te  veranderen.  Vaudemont  had  reeds  in  den 
ochtend  van  den  1300  bericht  gekregen,  dat  Villeroy  van  den 
rechteroever  van  de  Schelde  op  den  linker  was  overgegaan  en 
naar  de  Lijs  oprukte;  maar  toch  bleef  de  aanvoerder  van  de 
bondgenooten  nog  een  goed  deel  van  den  dag  in  dezelfde  stel- 
ling, omdat  hij  nog  onzeker  was,  of  de  bewegingen  van  den 
vijand  iets  meer  waren  dan  eene  schijnvertooning,  om  een  marsch 
naar  Namen  te  verbergen.  In  den  namiddag  verkreeg  men  echter 
de  zekerheid  dat  het  geheele  Fransche  leger  op  den  linkeroever 
van  de  Lijs  was  overgegaan,  evenzoo  het  riviertje  de  Mandere 
overtrok,  en  fegen  Denterghem  oprukte.  Vaudemont,  die  zich  aan 
geen  flankaanval  wilde  blootstellen,  deed  toen  oogenblikkelijk  een 
rechthoekige  frontverandering  op  het  midden  verrichten;  vóór 


Digitized  by 


Google 


OPERATIES   IN   VLAANDEREN   EN   BRABAND.  305 

den  avond  was  die  beweging  afgeloopen.  De  nieuwe  slaglinie 
van  de  bondgenooten^  nagenoeg  even  lang  als  de  vorige,  sloot 
met  den  linkervleugel  onmiddellijk  aan  de  Mandere,  terwijl  de 
rechtervleugel  zich  uitbreidde  tot  voorbij  het  dorp  Arsele.  Voor 
het  front  van  de  stelling  stroomde  een  beek,  die  zich  bij  Den- 
terghem  in  de  Mandere  wierp;  die  beek  was  op  ie  grooten  af- 
stand van  de  stelling  om  goed  te  worden  verdedigd ;  toch  kon 
zij  den  opmarsch  van  den  aanvaller  belemmeren,  of  diens  terug- 
tocht, werd  de  aanval  afgeslagen. 

Vaudemont  was  bekend  met  's  vijands  groote  overmacht,  maar 
had  toch  aanvankelijk  het  voornemen  om  den  strijd  niet  te  ont- 
wijken; hij  nam  hier  zijn  toevlucht  tot  hetzelfde  hulpmiddel  dat 
Willem  III,  twee  jaar  vroeger,  bij  Neerwinden,  met  zoo  goed 
gevolg  had  aangewend:  de  veldverschansing.  Nog  in  den  avond 
werd  er  begonnen  aan  het  opwerpen  van  eene  doorloopende 
borstwering,  eerst  vóór  den  linkervleugel;  gedurende  den  gan- 
schen  nacht  werd  die  schansarbeid  voortgezet,  zoodat,  in  den 
ochtend  van  den  i4en  Juli,  het  geheele  front  der  slaglinie  be- 
schermd werd  door  eene  doorloopende  borstwering.  Vroeger  is 
reeds  gezegd,  dat  zulk  een  verdedigingsmiddel,  op  zichzelf  onbe- 
duidend, groote  waarde  krijgt  als  het  gebruikt  wordt  door  goede 
troepen,  die  in  zulk  een  dekkingsmiddel  een  gewichtig  voordeel 
vinden.  Noyelles,  de  aanvoerder  van  de  HoUandsche  infanterie, 
is  belast  geweest  met  dien  schansarbeid,  en  schijnt  die  taak  zeer 
goed  te  hebben  volbracht.  Over  het  geheel  getuigt  het  gunstig 
voor  het  leger  van  Willem  III,  dat  èn  de  frontverandering  èn  de 
verschanste  linie  in  zoo  korten  tijd  zijn  tot  stand  gekomen. 

y^Je  les  tiem  donc^  ces  Anglais^\  riep  Napoleon,  vóór  Watcrloo, 
toen  hij  W^ellington's  leger  voor  zich  zag  standhouden.  Villeroy 
kan  iets  dergelijks  gezegd  hebben,  toen  hij  bespeurde  dat  het 
leger  van  Vaudemont  den  aanval  van  de  Franschen  scheen  te 
zullen  afwachten.  Aan  eene  groote  overwinning  op  den  i4en  Juli 
behoefde  niet  te  worden  getwijfeld:  de  aanzienlijke  overmacht 
van  de  Franschen  waarborgde  die.  Villeroy  zond  dan  ook,  nog 
den  i3en,  een  renbode  naar  den  Koning,  om  den  nabijzijnden 
strijd  aan  te  kondigen,  en  zijne  grootsche  verwachtingen.  Met 
spanning  en  ongeduld  bleef  men  aan  het  Fransche  hof  de  komst 
te  gemoet  zien  van  den  volgenden  bode  uit  het  leger;  en  mocht 
aan  dat  hof  menigeen  vervuld  zijn  met  onrust  over  het  leven  van 
verwanten  die  aan  dien  strijd  zouden  deelnemen,  toch  was  Frank- 
rijk's  krijgsroem  hun  te  lief  om  niet  reikhalzend  uit  te  zien  naar 
het  bericht  van  eene  groote  overwinning.  Eene  grievende  teleur- 
stelling was  het  dus,  toen  de  eerstkomende  zendeling  uit  het  leger 
geen  veroverde  Engelsche  en  HoUandsche  vaandels  aanbracht,  maar 
niets  anders  dan  het  bericht,  dat  er  niet  was  gestreden  en  dat 
het  leger  van  de  bondgenooten  aan  alle  gevaar  was  ontkomen. 

WILLEM  in.  —  III.  20 


Digitized  by 


Google 


306  KR^GS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Die  uitkomst  is  evenzeer  toe  te  schrijven  aan  Vaudemont*s 
bekwaamheid  als  aan  de  onbekwaamheid  van  Villeroy. 

De  Fransche  maarschalk,  partij  trekkende  van  zijne  groote 
overmacht,  besloot  den  vijand  den  14^11  Juli  niet  alleen  in  front 
aan  te  vallen,  maar  tevens  diens  rechtervleugel  te  omtrekken;  — 
een  besluit  dat  volstrekt  niet  is  af  te  keuren,  maar  dat  weer  op 
jammerlijke  wijze  werd  uitgevoerd:  veel  te  traag,  veel  te  laat. 
Het  was  drie  uur  in  den  namiddag  voordat  het  Fransche  leger 
in  slagorde  kwam  tegenover  de  stelling  van  de  bondgenooten, 
en  dat  de  'omtrekkende  afdeeling  het  dorp  Caneghera  bereikte, 
in  het  verlengde  van  de  slaglinie  van  Vaudemont  en  op  ongeveer 
een  kwartieruur  afstands  van  diens  rechtervleugel.  Die  omtrek- 
kende afdeeling  —  ruiterij  en  dragonders  —  was,  volgens  ééne 
opgave,  15000  man  sterk;  de  een  noemt  Montal  als  haar  aan- 
voerder; de  ander,  Berwick,  den  basterd  van  koning  Jakobus; 
het  kan  zijn,  dat  beiden  bij  die  afdeeling  zijn  geweest;  en  in  déi 
geval  zal  de  ware  aanvoerder  wel  geweest  zijn,  Montal,  de  grijze 
Fransche  bevelhebber,  aan  oorlogsondervinding  zoo  rijk. 

Toen  Vaudemont  bespeurde,  dat  hij  niet  alleen  in  front  zou 
worden  aangevallen,  maar  ook  bedreigd  werd  in  de  rechterflank, 
begreep  hij  dat  het  langer  standhouden  een  te  gewaagde  hande- 
ling zou  zijn;  na  eene  korte  raadpleging  met  zijne  onderbevel- 
hebbers deed  hij,  om  vijf  uur  des  namiddags,  den  terugtocht 
aanvangen,  die  met  uitstekend  beleid  werd  geregeld,  en  met 
voorbeeldige  orde  uitgevoerd. 

Om  den  vijand  zoo  lang  mogelijk  in  den  waan  te  laten  dat 
men  slag  wilde  leveren,  deed  men  op  den  linkervleugel  het  ge- 
schutvuur  aanhouden,  dat  zich  reeds  den  ganschen  dag  had  doen 
hooren;  maar  intusschen  trok  Schlundt,  de  luitenant- kolonel  van 
de  artillerie,  in  stilte  weg  met  het  geschut  van  het  centrum  en 
van  den  rechtervleugel,  en  sloeg  daarmee  den  weg  in  naar 
Deynse.  Al  dadelijk  werd  Ouwerkerk,  met  de  ruiterij  van  den 
rechtervleugel,  en  de  brigade  Collier  —  Engelsche  infanterie  — 
geplaatst  en  pofence  achter  den  rechtervleugel,  om  front  te  maken 
tegen  de  Fransche  afdeeling  van  Montal  —  of  van  Berwick  — 
bij  Caneghem,  en  op  die  wijze  de  omtrekking  van  dien  rechter- 
vleugel te  verijdelen.  Ouwerkerk  hield  daar  eenigen  tijd  stand 
tegenover  Montal,  stelde  zich  daarna  rechts  in  beweging,  en  trok 
snel  over  de  dorpen  Vinck  en  Nevele  in  de  richting  van  Gent; 
5  eskadrons  dragonders,  waarmede  Ëppinger  toen  juist  aankwam 
van  de  zijde  van  Brugge,  sloten  zich  aan  bij  Ouwerkerk,  en 
vormden  zijne  achterhoede.  Terwijl  Ouwerkerk  met  de  ruiterij 
van  den  rechtervleugel  en  de  infanterie  van  Collier  dus  wegtrok, 
was  Schlundt  met  het  grootste  deel  van  de  artillerie  meer  bin- 


Digitized  by 


Google 


OPERAÏlËN  IN  VLAANDEREN  EN  BRABAND.         307 

nenwaarts  getrokken,  over  Zeveren  naar  Deynse;  het  grootste 
deel  van  het  voetvolk  van  Vaudemont  trok  terug  over  het  dorp 
Wouterghein,  achter  den  linkervleugel;  het  overige  der  infanterie 
ging  terug  over  Wouterghem  en  Grammen,  meer  nabij  de  Lijs,  — 
de  artillerie  van  den  linkervleugel  was  bij  die  colonne;  en  ein- 
delijk trok  Rochefort,  met  de  ruiterij  van  den  linkervleugel,  terug 
onmiddellijk  langs  de  Lijs. 

Om  dien  terugtocht  te  verbergen  was  het  geschutvuur  zoolang 
mogelijk  gaande  gehouden,  en  had  men  eenige  huizen  in  brand 
gestoken,  vóór  het  front  van  de  stelling;  in  die  stelling  bleef 
Vaudemont  nog  geruimen  tijd,  met  eenige  van  zijne  onderbevel- 
hebbers en  hunne  staven,  die  allen  zich  hadden  geplaatst  op  één 
gelid,  om  eene  sterke  ruitermacht  voor  te  stellen ;  daarna,  ijlings 
wegrijdende,  voegde  het  legerhoofd  zich  bij  de  aftrekkende 
colonnes,  die  intusschen,  vaardig  en  in  orde,  waren  teruggegaan. 
Om  zeven  uur  's  avonds  was  het  grootste  deel  van  het  voetvolk 
reeds  de  vlakte  voorbij,  ten  westen  van  het  dorp  Grammen ;  alle 
gevaar  was  toen  zoo  goed  als  geweken. 

Hoe  goed  de  terugtocht  van  Vaudemont's  leger  werd  bestuurd 
en  uitgevoerd,  zoo  kon  die  toch  niet  geheel  onopgemerkt  blijven 
bij  de  tegenpartij,  die  in  slagorde  stond  voor  de  stelling  van  de 
bondgenooten.  Sommige  Fransche  bevelhebbers  —  de  Prins  De 
Conti,  en  de  hertog  van  Bourbon  {Monsieur  Ie  Duc)  —  wilden 
dadelijk  overgaan  tot  den  aanval,  maar  durfden  dit  niet  doen  op 
eigen  gezag;  zij  zonden  naar  Villeroy,  om  machtiging  tot  den 
aanval;  maar  de  Maarschalk  was  niet  dadelijk  te  vinden,  zoodat 
het  zeven  uur  's  avonds  werd  vóór  dat  die  machtiging  kwam. 
Het  was  te  laat;  de  Franschen  vonden  dé  stelling  van  de  bond- 
genooten verlaten;  de  vogel  was  gevlogen. 

£r  had  nog  een,  weinig  beteekenende,  vervolging  plaats.  Bij 
hèt  dorp  Vinck  werd  het  voetvolk  van  Collier  nog  even  aange- 
vallen door  Fransche  ruiterij,  maar  die  aanval  werd  afgeslagen. 
Een  paar  eskadrons  Fransche  dragonders,  over  Denterghem  en 
Wouterghem  voortrukkende,  sloten  zich  aan  bij  de  terugtrekkende 
ruiterij  der  bondgenooten,  alsof  zij  daartoe  behoorden;  —  zulk 
eene  misleiding  was  toen  zoo  moeielijk  niet,  omdat  de  toenmalige 
legers  bestonden  uit  menschen  van  allerlei  tongen  en  talen.  De 
Fransche  officieren  hadden  hunne  dragonders  groene  takjes  op 
de  hoeden  laten  plaatsen,  evenals  bij  de  bondgenooten;  zij  lieten 
den  Engelschen  marsch  blazen,  en  kwamen  zelfs  in  gesprek  met 
Engelsche  ofRcieren,  die  hen  voor  vrienden  aanzagen.  Toen  de 
Fransche  officieren  de  kans  schoon  zagen,  vielen  zij,  in  de 
nabijheid  van  Grammen,  de  twee  laatste  bataljons  der  bondge- 
nooten aan  en  brachten  die  eenig  verlies  toe;  dit  was  echter 
geheel  onbeduidend.  Niet  verder  dan  tot  nabij  Deynse  had  de 
vervolging  plaats;   de  nacht  was  ingevallen;  en   de   Franschen 


Digitized  by 


Google 


3o8  KRUGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

bepaalden  zich  toen  tot  het  in  brand  steken  van  het  dorp 
Zeveren,  en  van  eenige  gehuchten,  om  daarmede  hunne  woede 
te  koelen  over  het  ontkomen  van  den  vijand.  Bij  een  oorlog  in 
die  dagen  moest  de  arme  landzaat  boeten  voor  al  het  kwaad 
dat  een  leger  overkwam. 

Vaudemont  had,  aanvankelijk,  den  marsch  gestaakt  bij  Odonck, 
een  dorp  aan  de  Lijs,  ongeveer  een  uur  beneden  Deynse;  hij 
oordeelde  het  echter  te  gewaagd  om  daar  lang  te  blijven ;  zoodat 
de  terugtocht  na  eenige  uren  rust  werd  voortgezet.  Den  1560  Juli, 
's  ochtends  om  negen  uur,  was  het  leger  der  bondgenooten  ge- 
heel vereenigd  tusschen  Gent  en  het  nabijgelegen  dorp  Maria- 
kerke; tegen  den  middag  trok  het  door  Gent,  en  sloeg  zich 
neer  tusschen  die  stad  en  het  dorp  Melle,  op  den  weg  naar 
Brussel.  Het  leger  was  behouden:  —  en  hoewel  het,  in  een  let- 
terlijken zin,  niet  juist  was,  wat  Vaudemont  aan  Willem  III 
schreef,  dat  men  bij  dien  terugtocht  >noch  man,  noch  paard, 
noch  kar,  noch  stuk  kanon  had  verloren*',  zoo  was  het  geleden 
verlies  toch  geheel  onbeduidend  geweest,  en  het  behoud  van 
het  leger  eene  grootsche  uitkomst.  Te  recht  zeide  Willem  III 
dan  ook,  dat  Vaudemont  door  dien  terugtocht  nog  grooter  be- 
kwaamheid als  legerhoofd  had  betoond,  dan  hij  door  een  ge- 
wonnen veldslag  had  kunnen  betoonen. 

De  oneer  van  dien  dag  van  den  i4en  Juli  1695  komt  neer  op 
de  Fransche  legerhoofden. 

Saint-Simon  schrijft  al  de  schuld  toe  aan  den  hertog  De  Maine, 
den  basterd  van  Lodewijk  XIV.  De  Maine  voerde  den  linker- 
vleugel aan  van  het  Fransche  leger  tegenover  het  dorp  Arsele^ 
en  moest  den  aanval  beginnen;  hij  kreeg  ook  bevel  daartoe, 
maar  hij  voerde  dat  bevel  niet  uit :  eerst  moest  's  vijands  stelling 
worden  verkend.  Toen  die  verkenning  gedaan  was,  moest  de 
Hertog  eerst  biechten;  —  het  zij  verre  van  ons,  van  te  willen 
spotten  met  godsdienstzin;  die  is  zeer  goed  bestaanbaar  met 
dapperheid;  De  Ruyter  zocht  zijne  sterkte  in  het  gebed,  vóór 
dat  hij  den  strijd  begon;  —  maar  hier  was  die  godsdienstzin 
niets  anders  dan  een  dekmantel  om  de  lafheid  te  verbergen ;  de 
Hertog  wilde  den  strijd  niet  beginnen ;  en  vruchteloos  bleven  de 
aansporingen  van  zijne  officieren,  wanhopig  over  dit  schandelijk 
gedrag  van  hun  aanvoerder. 

Dat  men  niet  aanviel,  dat  de  tijd  werd  verspild,  dat  men  eerst 
optrok  tegen  de  stelling  der  bondgenooten,  toen  het  leger  der 
bondgenooten  die  stelling  reeds  geheel  had  verlaten,  —  dat  alles 
was  de  schuld  van  de  lafhartigheid  van  den  hertog  De  Maine. 
Villeroy,  als  een  volmaakt  hoveling,  zweeg  echter  in  zijne  ver- 
slagen over  den   Hertog,  en   nam  de  schuld  van  het  gebeurde 


Digitized  by 


Google 


OPERATIËM   IN  VLAANDEREN   EN   BRABAND.  309 

geheel  op  zich;  niemand  aan  het  Fransche  hof,  al  wist  hij  wat 
er  was  voorgevallen,  waagde  het  om  op  te  treden  als  beschul- 
diger van  den  Hertog;  maar  door  de  Hollandsche  nieuwsbladen 
{les  gazeftes  de  Hollande)  vernam  Lodewijk  XIV  eindelijk  de  ware 
toedracht  van  zaken;  de  vader  werd  op  hevige  wijze  geschokt 
door  het  bericht  van  de  oneer  van  zijn  zoon.  Toch  onderging 
de  schuldige  geen  andere  straf  dan  voor  korten  tijd  van  het  hof 
te  worden  gebannen. 

Zóó  zegt  Saint-Siraon,  Bij  het  lezen  van  dien  schrijver  denkt 
men  onwillekeurig  aan  het  gezegde:  >Wie  dien  man  gelooft,  en 
Onzen  Lieven  Heer  afvalt,  die  is  er  ongelukkig  aan  toe".  Wel 
is  waar  is  die  gemeenzame  spreekwijze,  waarmede  een  weinig 
geloofwaardig  mensch  aangeduid  wordt,  niet  ten  volle  toepasselijk 
op  Saint-Simon,  maar  toch  is  het  gewaagd  om  een  onvoorwaar- 
delijk vertrouwen  te  schenken  aan  wat  hij  zegt.  Saint-Simon  is 
een  groot  geschiedschrijver,  —  maar  zijn  waarheidsliefde  laat  te 
wenschen  over;  de  hartstocht  is  bij  hem  te  veel  in  het  spel;  en 
bij  de  woedende  haat  die  hem  bezielde  tegen  de  basterden  van 
Lodewijk  XIV,  is  het  zeer  goed  mogelijk  dat  hij  het  onwaardige 
gedrag  van  den  hertog  De  Maine  wat  te  sterk  heeft  gekleurd.  Wat 
hiervan  zij,  zooveel  is  zeker  dat  de  ware  schuldige  toch  altijd 
Villeroy  is;  Villeroy  was  opperbevelhebber,  en  dus  verantwoor- 
delijk voor  wat  er  gebeurd  is;  een  opperbevelhebber  mag  zich 
niet  verontschuldigen  met  de  ongehoorzaamheid  van  onderbevel- 
hebbers; hij  moet  zich  doen  gehoorzamen,  en  hen  straffen  die 
te  kort  doen  aan  die  gehoorzaamheid.  De  Ëngelsche  admiraal 
Byng  is  doodgeschoten  voor  een  feit,  oneindig  minder  erg  dan 
wat  Saint-Siraon  aan  den  hertog  De  Maine  ten  laste  legt. 

Villeroy,  teleurgesteld  in  zijne  verwachting  om  het  leger  der 
bondgenooten  te  slaan,  besloot  toen  van  zijne  groote  overmacht 
gebruik  te  maken  tegen  de  vestingen  in  Vlaanderen. 

Allereerst  wilde  hij  Nieuwpoort  aantasten,  waarin  geen  sterke 
bezetting  was,  en  waar  de  Franschen  verstandhouding  in  de  stad 
meenden  te  hebben.  De  generaal  Rubantel  trok  derwaarts  met 
eene  Fransche  afdeeling,  en  nam  stelling  te  Schoore,  tusschen 
Nieuwpoort  en  Dixmude ;  daardoor  werd  de  bezetting  van  laatst- 
genoemde plaats  belet  om  eene  versterking  te  werpen  binnen 
Nieuwpoort.  Villeroy,  met  een"  ander  deel  van  zijn  leger,  volgde 
Rubantel;  maar  de  hoofdmacht  van  dat  leger  kwam  te  Rousselaere- 

Den  juisten  datum  van  die  komst  van  Rubantel  te  Schoore,  zoo 
in  de  onmiddellijke  nabijheid  van  Nieuwpoort,  hebben  wij  niet 
kunnen  uitvinden ;  maar  het  is  zoo  goed  als  zeker,  dat  hier  weer 
te  traag,  te  langzaam  is  gehandeld,  en  dat  daardoor  de  onder- 
neming op  Nieuwpoort  tot  niets  heeft  geleid.  Vaudemont,  werk- 
zaam en  voortvarend,  had,  dadelijk  «bij  zijne  komst  te  Gent,  den 


Digitized  by 


Google 


3IO  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

generaal  Beliasis,  met  12  bataljons  en  1 2  stukken  geschut  afgezon- 
den naar  Nieuwpoort  en  Plassendael,  en  die  eerste  afdeeling  doen 
volgen  door  eene  tweede,  naar  Brugge  en  Oostende;  die  tweede 
afdeeling,  onder  den  hertog  van  Wurtemberg,  was  sterk  12  batal- 
jons, 33  eskadrons  ruiters  en  dragonders,  en  12  stukken.  Toen 
Villeroy  nabij  Nieuwpoort  kwam,  vond  hij  dan  ook,  èn  die  ves- 
ting, èn  Oostende  en  Brugge,  èn  de  tusschenliggende  kanalen, 
sterk  bezet,  gedekt  door  inundatiën,  en  verzekerd  tegen  eiken  aanval. 

Toen  liet  de  Fransche  maarschalk  het  oog  vallen  op  Dixmude. 
In  die  vesting  was  eene  bezetting  van  8  bataljons  voetvolk  en 
I  regiment  dragonders,  —  Duitsche,  Deensche  of  Engelsche  troe- 
pen, alles  onder  het  bevel  van  den  generaal  Ellenberger,  een 
Duitscher  of  Deen  van  geboorte,  maar  in  dienst  van  de  Repu- 
bliek. Dixmude  was  geen  sterke  vesting,  en  had  alleen  aarden 
werken  en  geen  bekleedingsmuren ;  —  naar  ons  gevoelen  is  dat 
juist  geen  nadeel  voor  eene  vesting;  maar  in  dien  tijd  dacht  men 
er  anders  over,  en  noemde  men  eene  vesting  zwak,  als  zij  geen 
gemetselde  escarp  en  contrescarp  had ;  —  die  zwakheid,  meende 
men,  werd  echter  opgewogen  door  de  sterkte  van  de  bezetting, 
een  groote  4000  man  tellende,  en  genoegzaam  voorzien  van 
munitie  en  leeftocht.  Men  vertrouwde  dus  op  eene  krachtige, 
eervolle  verdediging. 

Dat  vertrouwen  werd  beschaamd  door  hét  plichtverzuim  van 
den  bevelhebber.  Den  2  5  sten  Juli  komt  eene  Fransche  troepen- 
macht, onder  Montal,  voor  Dixmude,  en  opent  nog  dien  nacht 
de  loopgraven;  en  reeds  den  2 7 sten  treedt  Ellenberger  in  onder- 
handeling, en  geeft  den  volgenden  dag  de  vesting  over;  de  be- 
zetting wordt  krijgsgevangen.  Van  eene  bestorming,  van  bressen, 
van  verloren  buitenwerken,  is  geen  sprake;  de  nadernissen  van 
den  aanvaller  hadden  nog  niet  eens  het  glacis  bereikt;  van  de 
bezetting  is  slechts  een  dertigtal  manschappen  gedood,  of  ge- 
wond; —  in  één  woord,  het  was  eene  schandelijke  verdediging, 
het  was  geen  verdediging:  en  rechtvaardig  is  het  doodvonnis, 
in  November  daaraanvolgende  over  Ellenberger  uitgesproken  en 
aan  hem  voltrokken. 

Maar  omkooping,  verraad,  behoeft  men  aan  dien  jammerlijken 
bevelhebber  niet  ten  laste  te  leggen ;  men  heeft  dit  in  het  eerste 
oogenblik  gedaan,  zooals  dat  in  zulke  gevallen  altijd  plaats  heeft ; 
maar  er  is  geen  schijn  van  bewijs  voor  zoo  iets,  en  alles  pleit 
er  tegen  om  hier  aan  omkooping  of  verraad  te  denken.  Aan 
lafheid  dan?  —  Ook  dit  is  moeielijk  aan  te  nemen  bij  een  oud 
krijgsman  als  Ellenberger,  die,  als  gewoon  soldaat  begonnen,  zich 
door  krijgsdeugd  tot  de  hoogste  militaire  rangen  had  verheven; 
en  die,  in  zijn  lange  loopbaan,  overal  waar  hij  onder  aanvoering 
van  anderen  stond,  ten  volle  zijn  plicht  heeft  betracht.  Denkelijk 


Digitized  by 


Google 


OPERATIEN   IN  VLAANDEREN   EN   RRABAND.  31I 

moet  men  het  misdrijf  van  Ellenberger  weer  wijten  aan  onkunde, 
aan  bekrompenheid  van  geest,  —  de  oorzaak  van  zooveel  kwaads, 
ook  in  den  oorlog:  hij  zal  niet  ingezien  hebben  dat  er  zooveel 
verkeerds  in  was,  zijne  vesting  zoo  maar  dadelijk  over  te  geven ; 
hij  zal  gedacht  hebben,  dat  het  er  weinig  op  aankwam,  dat  die 
vesting  geen  waarde  had;  en  dat  de  bezetting,  volgens  het  be- 
staande Cartel^  toch  dadelijk  moest  worden  vrijgelaten,  tegen 
losgeld,  of  tegen  uitwisseling  met  andere  krijgsgevangenen.  Dat 
plicht  en  eer  gebiedend  voorschreven  om  Dixmude  te  verdedi- 
gen, zoolang  als  die  verdediging  mogelijk  was,  —  die  waarheid 
schijnt  Ellenberger  niet  indachtig  te  zijn  geweest;  —  had  hij  de 
Romeinsche  geschiedenis  gekend,  hij  zou  anders  hebben  gehan- 
deld. «Engeland  verwacht  dat  ieder  zijn  plicht  zal  doen",  — 
zeide  Nelson  vóór  den  slag  van  Trafalgar;  —  uitmuntend;  maar 
het  komt  er  allereerst  op  aan  om  te  weten  wat  die  plicht  is; 
en  dat  leert  men  het  best  uit  de  lessen  en  voorbeelden  van  de 
geschiedenis.  Niet  juist  geleerdheid^  maar  ontwikkeling  des  gees- 
tes,  is  een  vereischte  in  den  krijgsbevelhebber. 

Als  een  bijdrage  tot  de  kennis  van  de  zeden  en  gewoonten 
van  dien  tijd,  nemen  wij  hier  over,  wat  in  de  Europische 
Mercurius  (6*  stuk,  2*  deel,  blz.  306 — 307)  voorkomt  over  de 
onthoofding  van  Ellenberger;  hij  was  in  hechtenis  te  Gent,  in 
de  herberg  »den  gulden  appel";  den  4en  November  werden  door 
den  krijgsraad  vonnissen  geveld,  over  hem  en  andere  hoofdoffi- 
cieren;  en  nadat  die  vonnissen  door  Willem  III  waren  goedge- 
keurd, werden  zij  den  3osten  November  voltrokken: 

»De  bovenstaande  sententiën  ■  door  den  Lord  Bellasis  met  des 
Konings  goedkeuring  uit  Engeland  weder  terug  gebracht  zijnde, 
vergaderde  de  krijgsraad  op  Maandag,  den  28  November,  in 
de  herberg  Den  Gulden  appel,  en  velde  het  vonnis  des  doodts 
tegens  den  Generaal-Majoor  Ellenberger,  die  zich  daarop  aan- 
stondts  in  den  rouw  kleedde,  en  tot  een  zaligen  uitgang  bereidde. 
Dinsdags,  na  den  middag,  toogen  den  Hertog  van  Wirtemberg, 
de  Graaf  van  Nassau,  en  de  generaal  Forest,  uit  de  stad,  en 
zonden  des  avondts  een  order  aan  den  Adjudant  Generaal  van 
Wirtemberg,  om  tegen  des  anderen  daags  morgens,  ten  zes  uuren, 
een  gedeelte  van  het  garnisoen  in  de  wapenen  te  brengen.  Ter 
bestemde  tijd  posteerden  zich  dan  drie  Compagnieën  paarden  en 
evenveel  te  voet,  bij  de  herberg  den  Gulden  appel.  Met  klokslag 
van  acht  uuren  kwam  Ellenberger,  na  van  een  ieder  afscheid 
genomen  te  hebben,  uit  zijne  kamer,  en  trad  in  een  swarte  koets, 
verzeld  door  den  Capitein  Ellenberger,  zijnen  neef,  een  anderen 
officier  van  zijne  vrienden,  en  een  predikant  van  de  Gerefor- 
meerde religie;  en  zijnde  begeleid  door  vier  honderd  voetknechten 
en  zestig  ruiters,  reed  de  koets  ter  Dampoort  uit,  den  Dender- 


Digitized  by  VjOOQIC 


3X2  KRIJGS-   EN  GBSCHIKDfCUNDIGB  BESCHOUWINGEN. 

mondschen  weg   op,  tot  aan  een  molen,  de  plaats  der  executie, 
al  waar  men   vier  bataillons  Deensche  troupen  geposteerd  had. 
Vlak  op   d'  aarde  lag,   omtrent    een    roede  in  't  vierkant,   een 
swart   kleed  gespreid,   daar  een  laage  armstoel,  met  baay  over- 
dekt, op  stond.   Alhier   gekomen,   bewaX  hij   aan  den  gemelden 
Capitein  Ellenberger  te  gaan  verneemen  of  de  scherprechter  ge- 
reed  was;   en   hebbende   verstaan   van  ja,   stuurde  hij  hem  zes 
goude   Louisen,  met  vermaaning  van  zich  wel  in  zijne  plicht  te 
kwijten ;  waar  na  ter  koets  uittreedende,  zeide  hij,  dat,  dewijl  er  van 
hem  uitgestrooid  was,  dat  hij  correspondentie  met  den  vyand  had 
gehouden,  hij  d'  omstanders  bad  het  geduld  te  hebben  van  een 
korte  schriftelijke  verklaaring  aan  te  hooren,  welke  hij  zijnen  Audi- 
teur toereikte,  en  beval  overluid  te  leezen,  zijnde  van  dezen  inhoud : 
Dat  hij  nu  ter  plaatse  zijnde  daar  hij  den  dood  verwachtte, 
om   vervolgens   voor   God   te   verschijnen,,  verklaarde  nooit 
eenige   kwaade   intentie   tegens  Zijne  Koninglijke  Majesteit 
van  Engeland  gehad,  veel  minder  met  den  vyand  gecorres- 
pondeerd,  of  geld   voor  d'  overgaave  van   Dixmuiden    ge- 
nooten   te   hebben,  zijnde   daaraan   zo   onschuldig   als    een 
kind  in  's  moeders  ligchaam,  en  dat  hij  zulks  op  zijne  zalig- 
heid  kon   verzekeren;   doch   dat  hij  zich  wegens  het  ander 
toeval  gaarne  aan  den  dood  wilde  onderwerpen:  wenschende 
dat  de  Wapenen  van  Zijne  Koninglijke  Majesteit  en  de  hooge 
Geallieerden  te  water  en  te  land  mochten  gezegend,  en  tegens 
hunne  vyanden  voorspoedig  wezen  enz. 
't  Geschrift  geleezen   zijnde,   zeide  hij,  dat  hij   stierf  als  een 
eerlijk  man,  en  niet  als  een  verraader;  nam  afscheid  van  d'om- 
standers;   deed   zelve  zijne  das,  en  lichtte  zijne  paruik  af;  hielp 
zijnen  kamerdienaar  het  kamizool  en  hembd  nederstrijken ;  zette 
zich  aldus,  zonder  eenige  vrees  of  ontroering  te  betuigen,  in  den 
gemelden  stoel ;  en  heffende  d'  oogen  ten  hemel,  onder  het  zeg- 
gen van,  Jesus,  ik  leef,  ik  sterf,  ontfing  den  slag:  waar  na 
het  ligchaam,  benevens  het  hoofd,  in  een  kist  wierd  gelegt,  en 
na  het  Sas  van  Gent  gevoerd. 

Aldus  eindigde  zijn  leven  op  een  ongelukkige  wijs,  Johannes 
Antonius  Ellenberger,  ter  ouderdom  van  acht-en-vijftig  jaaren,  na 
van  slecht"  (gewoon)  » soldaat  langs  alle  trappen  tot  de  waar- 
digheid van  Major  Generaal  opgeklommen  te  zijn,  en  een  en 
twintig  veldtochten  met  groote  lof  bijgewoond  te  hebben;  heb- 
bende zich  overal  zo  wel  gedraagen,  dat  hij  nooit  voor  een 
krijgsraad  te  recht  gesteld,  en  nooit  in  arrest  was  geweest." 

De  schuld  van  Ellenberger  valt  niet  te  loochenen,  evenmin 
als  het  rechtvaardige  van  het  doodvonnis;  —  toch  wekt  hij  mede- 
gevoel op;  en  in  de  wijze  waarop  dat  vonnis  werd  uitgevoerd, 
is  iets  bevredigends,  iets  fatsoenlijks,  dat,  zelfs  bij  zulk  een  treur- 
spel, weldadig  aandoet. 


Digitized  by 


Google 


OPERATIÊN  IN  VLAANDEREN  EN  BRABAND.         313 

Een  paar  dagen  later  vermeesterden  de  Franschen  ook  Deynse. 
Den  29sten  Juli  komt  Feuquières,  met  een  deel  van  Villeroy's 
leger,  voor  die  vesting;  en  reeds  den  3osten  geeft  Fergus  d'Offa- 
rel^  de  bevelhebber,  zich  over  met  zijne  bezetting  van  2400  man, 
bestaande  uit  zijn  Schotsch  regiment,  en  uit  het  Friesche  regi- 
ment van  Scheltinga;  —  er  was  geen  loopgraaf  geopend,  geen 
kanonschot  gelost,  geen  vestingwerk  genomen,  geen  soldaat  ge- 
sneuveld; —  in  één  woord,  er  was  niet  gevochten.  De  Merveil- 
leux  verontschuldigt  die  schandelijke  overgave  eenigszins  daar- 
mee, dat  Deynse  slecht  versterkt  was  en  slecht  bewapend:  niets 
dan  8  kanonnen  van  klein  kaliber,  3  kanonniers,  en  zeer  weinig 
munitie.  Door  den  krijgsraad  werd  Oflfarel  veroordeeld  tot  eer- 
looze  cassatie  en  levenslange  gevangenschap;  Scheltinga  werd 
> gesuspendeert  van  zijne  Charge";  andere  hoofdofficieren  der 
bezettingen  van  Dixmude  en  Deynse  werden  gestraft  met  geld- 
boeten y^ad  pias  causas^  of  godvruchtige  werken",  —  zoo  luidt 
het  in  het  vonnis. 

Dixmude  en  Deynse  werden  door  de  Franschen  ontmanteld; 
wel  een  bewijs  van  de  geringe  waarde  dier  vestingen.  In  strijd 
roet  het  bestaande  cartel  werden  de  krijgsgevangen  bezettingen 
niet  vrijgelaten,  maar  naar  Frankrijk  gebracht;  een  groot  aantal 
soldaten  dier  bezettingen  haalde  men  over  om  in  Franschen 
krijgsdienst  over  te  gaan;  —  dat  zal  misschien  wel  de  voor- 
naamste reden  zijn  geweest,  waarom  men  het  cartel  overtrad. 

De  vermeestering  van  Dixmude  en  Deynse  had  niet  zooveel 
invloed  op  Willem  III,  om  hem  Ie  bewegen  tot  het  opbreken 
van  het  beleg  van  Namen;  en  om  die  vesting  te  redden  besloot 
Villeroy  nu  over  te  gaan  tot  eene  andere  handeling:  het  bom- 
bardeeren van  Brussel.  Om  die  hoofdstad  van  de  Spaansche 
Nederlanden  te  hulp  te  komen,  zou  Willem  III  —  zoo  dacht 
de  Fransche  maarschalk  — ,  zoo  niet  zijn  geheele  leger,  dan  toch 
een  sterk  deel  daarvan,  afzenden  naar  de  zijde  van  Brussel;  en 
dan  had  Villeroy  alle  kans  om  Namen  te  ontzetten.  Die  ver- 
wachting van  den  Franschen  maarschalk  is  niet  verwezenlijkt: 
Willem  III  heeft  Namen  niet  losgelaten,  en  zich  niet  bekreund 
om  Brussel;  hij  heeft  hier  gehandeld  als  in  1629  zijn  grootvader 
Frederik  Hendrik,  die  het  beleg  van  Den  Bosch  bleef  voort- 
zetten, zelfs  toen  de  Spaansche  en  Keizerlijke  legers  voor  de 
poorten  van  Utrecht  stonden. 

Reeds  bij  het  begin  van  het  beleg  van  Namen  was  Athlone 
met  eene  sterke  ruiter  macht  —  een  loo  eskadrons  —  aan  den 
Piéton  geplaatst,  om  Villeroy  op  te  houden,  als  deze  tot  ontzet 
mocht  komen  opdagen.  Villeroy  kwam  vooreerst  niet;  en  Ath- 
lone ging  toen  van  zijne  zijde  over  tot  kleine  aanvallen.  Den 


Digitized  by 


Google 


314  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

21  Sten  Juli  werd  de  kleine  vesting  Binche  overvallen  en  genomen, 
door  eene  afdeeling  ruiterij  van  de  bondgenooten  onder  den 
graaf  Van  der  Lippe;  de  Fransche  bevelhebber  van  Binche 
sneuvelde  hier,  met  een  deel  van  zijne  400  man  sterke  bezet- 
ting; het  overige  werd  krijgsgevangen.  —  Dat  kleine  Binche  is 
bij  de  oorlogen  van  Willem  III  zóó  dikwijls  genomen  en  her- 
nomen, dat  het  ook  haast  zou  kunnen  genoemd  worden  >de 
ligtekooi  van  den  oorlog",  —  de  bijnaam^  dien  de  Spanjaarden^ 
tijdens  den  tachtigjarigen  oorlog,  aan  de  vesting  Rijnberk  gaven. 

Vaudemont,  begrijpende  dat  het  Fransche  leger  na  de  inneming 
van  Dixmude  en  Deynse  tot  ernstiger  ondernemingen  zou  over- 
gaan, achtte  zijne  macht  te  gering  om  dat  te  beletten;  hij  vroeg 
versterking.  Willem  III  deed  daarop,  in  de  eerste  dagen  van 
Augustus,  5  bataljons  voetvolk  en  3  brigaden  ruiterij,  —  eene 
Engelsche  onder  Montigni,  en  twee  Hollandsche  onder  Dom  pré 
en  De  Rhoe  (Van  Rhoon  ?)  — ,  van  Namen  op  Brussel  trekken, 
waar  zij  zich,  later,  bij  Vaudemont  aansloten.  De  overgave  van 
de  stad  Namen  gaf  gelegenheid  om  met  minder  sterke  macht 
het  beleg  voort  te  zetten ;  daarom  werd  dan  ook,  den  6en  Augus- 
tus, Nassau- Sarbruck  met  30  bataljons  en  35  eskadrons  afgezonden 
uit  het  leger  voor  Namen  naar  de  zijde  van  Mazy  en  Genappe, 
om,  zoo  noodig,  zich  aan  te  sluiten  bij  Athlone.  De  legermacht, 
die  voor  Namen  bleef,  moet  toen  nog  een  50  bataljons  en  even- 
veel eskadrons  hebben  uitgemaakt. 

Eene  kleine  macht  achterlatende  in  Vlaanderen,  een  5  è.  6000 
man  onder  Montal,  trok  Villeroy  met  zijn  leger  naar  de  zijde 
van  Braband  op;  niet  spoedig  evenwel:  eerst  werden  eenige 
dagen  doorgebracht  in  een  kamp  te  Wackene,  nabij  Deynse; 
den  4eii  Augustus  brak  men  van  daar  op,  en  kwam  te  Avelghem, 
een  dorp  op  den  linkeroever  van  de  Schelde,  lusschen  Doornik 
en  Oudenaarden;  den  sen  ging  het  Fransche  leger  die  rivier 
over,  brood  medevoerende  voor  zes  dagen;  den  6en  kwam  het 
te  Renay,  slechts  een  paar  uur  gaans  oostelijk  van  Avelghem; 
den  Ssten  stond  het  tusschen  Enghien  en  Steenkerke,  op  het 
slagveld  van  1692.  Uit  Mons  verwachtte  het  leger  een  aantal 
wagens  met  bommen  en  andere  munitie;  het  voornemen  van  een 
bombardement  aan  te  wenden,  werd  daardoor  merkbaar. 

Die  beweging  van  den  vijand  vernemende,  begon  Vaudemont 
oogenblikkeHjk,  in  nagenoeg  evenwijdige  richting,  te  trekken  naar 
de  zijde  van  Brussel;  den  6eo  Augustus  stond  hij  tusschen  Gent 
en  Dendermonde,  den  7eii  te  Dieghem,  tusschen  Brussel  en  Vil- 
voorden; geen  trage  marsch  voorwaar.  De  hertog  van  Wurlem- 
berg   verliet  toen   ook   Vlaanderen,  en   trok   naar  de  zijde  van 


Digitized  by 


Google 


OPfiRATlËN   IN   VLAANDEREN   SN   BRABANO.  315 

Brussel^  kwam  den  5en  Augustus  te  Gent, .  en  vereenigde  zich 
den  9en^  nabij  Brussel,  met  Vaudemont.  Wurtemberg  had  bij 
zich,  volgens  ééne  opgave,  lo  bataljons  voetvolk  en  2  regimenten 
ruiterij;  eene  andere  opgave  spreekt  van  12  bataljons.  De  Her- 
tog had,  alvorens  Vlaanderen  te  verlaten,  de  vestingen  aldaar 
tegen  's  vijands  aanslagen  verzekerd  door  de  bezettingen  te  ver- 
sterken en  inundatiën  te  stellen;  omtrent  het  bedrag  van  die 
versterkingen  zijn  de  opgaven  zeer  uiteenloopena:  volgens  som- 
mige opgaven  kwamen  er  te  Brugge  4  bataljons,  te  Oostende  3, 
en  te  Nieuwpoort  1 1 ;  eene  andere  opgave  geeft  wel  voor  Brugge 
en  Oostende  dezelfde  getallen,  maar  zegt  dat  er  te  Nieuwpoort 
maar  een  bataljon  kwam;  —  de  laatste  opgave  is  de  waar- 
schijnlijkste. 

Vaudemont,  die  door  een  goed  deel  van  zijne  ruiterij  de 
vaart  van  Brussel  naar  Vilvoorden  deed  bezetten,  trok  met  het 
grootste  deel  zijner  macht  de  hoofdstad  door,  en  plaatste  zich 
aan  hare  zuidzijde,  met  den  rechtervleugel  aan  de  schans  Mon- 
terey,  op  den  rechteroever  der  Senne,  bij  het  punt  waar  die 
rivier  de  stad  inkwam ;  de  linkervleugel  kwam  bij  het  dorp  Eisen 
te  staan,  vlak  bij  Brussel,  aan  de  zuidoostzijde.  De  troepen  van 
Wurtemberg  kwamen  meer  aan  de  westzijde  van  Brussel,  naar 
den  kant  van  Anderlecht.  De  stelling  werd  zooveel  mogelijk  door 
ingravingen  versterkt,  en  in  de  stad  zelve  alles  ingericht  ter  ver- 
dediging. Er  wordt  gezegd,  dat  de  legermacht  der  bondgenooten, 
in  en  bij  Brussel,  een  20000  man  bedroeg. 

Willem  III  wilde,  zooveel  hij  kon,  Brussel  te  hulp  komen;  en 
hij  deed  daarom  Athlone  met  zijn  16000  ruiters  of  dragonders, 
en  de  30  bataljons  en  35  eskadrons  van  Nassau-Sarbruck  opruk- 
ken in  noordelijke  richting;  den  loen  Augustus  stond  die  macht 
te  Waterloo,  —  een  naam  toen  nog  onbekend,  in  later  eeuw 
bestemd  tot  eene  zoo  groote  vermaardheid.  Den  loen  Augustus 
vertrok  ook  Willem  III  uit  de  legerplaats  voor  Namen,  en  kwam 
dien  dag  te  Waterloo;  hij  bracht  nog  een  versterking  aan  van 
20  eskadrons.  De  geheele  macht,  die  zich  toen  te  Waterloo  be- 
vond, wordt  begroot  op  een  40  000  man ;  —  wat  het  "waarschijnlijk 
maakt,  dat  de  gemiddelde  sterkte  van  het  bataljon  toen  500  man 
geweest  is,  en  van  het  eskadron  160. 

40000  man  te  Waterloo,  en  20000  te  Brussel,  die  zich  gemak- 
kelijk in  weinig  uren  tijds  konden  vereenigen,  en  dan  eene  sterke 
stelling  innemen  bij  Sin t-An na-Pee,  een  dorp  iets  ten  westen  van 
Anderlecht,  zouden  denkelijk  Villeroy  belet  hebben  om  Brussel 
aan  te  vallen.  Maar,  werd  op  die  wijze  Braband's  hoofdstad  be- 
schermd, dan  gaf  men  daardoor  tevens  Villeroy  volle  vrijheid 
om  op  te  rukken  uit  zijne  legerplaats  bij  Steenkerke,  en  stelling 
te  nemen  tusschen  Namen  en  het  leger  der  bondgenooten  bij 
Brussel ;  en  dan  was  het  moeielijk,  of  onmogelijk  om  het  ontzet 


Digitized  by 


Google 


3l6  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

van  Namen  te  bektten.  Willem  III  zag  dit  in,  en  besloot  het 
mindere  op  te  offeren  aan  het  meerdere,  liever  Brussel  bloot- 
stellen aan  een  bombardement,  dan  afzien  van  de  inneming  van 
Namen;  daarom  moest  de  legermacht  te  Waterloo  niet  verder 
oprukken  naar  Brussel,  maar  steeds  vrij  blijven  om  op  Namen 
terug  te  gaan.  —  Nadat  hij,  in  dien  zin,  voorschriften  had  ge- 
geven aan  Vatuiemont,  vertrok  de  Stadhouder  den  i2en  Augus- 
tus weer  naar  Namen. 

Villeroy  was  een  paar  dagen  te  Enghien  en  te  Steenkerke  ge- 
bleven, om  een  groot  konvooi  van  een  5000  wagens  af  te  wach- 
ten, dat  van  Mons  kwam;  den  loen  Augustus  kwam  hij  te  Halle, 
en  in  den  namiddag  van  den  11  en  in  de  vlakte  westelijk  van 
Brussel;  de  rechtervleugel  van  het  Fransche  leger  kwam  nab^ 
Anderlecht,  de  linker  bij  de  dorpen  Berchem  en  Ganshoven.  De 
door  de  bondgenooten  bezette  en  min  of  meer  versterkte  posten 
werden,  na  eenigen  wederstand,  vermeesterd  door  de  Franschcn, 
die  toen  .dadelijk  begonnen  aan  het  opwerpen  van  batterijen  en 
het  maken  van  loopgraven.  Toen  dit  gedaan  was  zond  Villeroy, 
den  1360  Augustus,  een  brief  aan  den  Prins  De  Bergues,  den 
Spaanschen  bevelhebber  van  Brussel,  waarin  dezen  bericht  werd^ 
dat  de  Fransche  maarschalk,  op  bevel  zijns  Konings,  Brussel 
moest  bombardeeren,  om  wraak  te  nemen  over  het  bombar- 
deeren van  de  Fransche  zeehavens  door  de  vloten  der  bondge- 
nooten; maar  dat  door  de  Franschen  van  dit  oorlogsmiddel 
zou  worden  afgezien,  zoodra  de  bondgenooten  beloofden  dat 
ook  te  doen. 

Die  kennisgeving  was  klaarblijkelijk  niets  anders  dan  eene 
soort  van  rechtvaardiging  van  het  voorgenomen  bombardement, 
geen  middel  om  dat  bombardement  nog  te  voorkomen;  want 
Willem  III,  die  de  gevraagde  belofte  moest  doen,  was  niet  bin- 
nen Brussel;  en,  terwijl  de  brief  van  Villeroy  heette  om  twaalf 
uur  's  middags  te  zijn  afgezonden,  ontving  de  bevelhebber  van 
Brussel  dien  eerst  om  vijf  uur;  en  reeds  om  half  zes  vielen  de 
Fransche  bommen  in  de  stad.  Het  bombardement  duurde  den 
geheelen  nacht  van  den  1360,  ook  den  i4eü  Augustus,  dag  en 
nacht;  den  i5en  hield  het  tegen  den  middag  op,  —  omdat  er 
geen  bommen  meer  waren. 

Met  hoeveel  en  met  welke  vuurmonden  het  bombardement 
werd  verricht,  en  hoeveel  bommen  en  gloeiende  kogels  er  wer- 
den geworpen  en  geschoten,  slaan  wij  over,  als  van  te  weinig 
belang;  genoeg  zij  het  te  zeggen,  dat  op  een  aantal  punten  in 
de  stad  branden  ontstonden,  die,  aangewakkerd  door  den  hevigen 
wind,  een  goed  deel  van  de  benedenstad  van  Brussel  in  asch  en 
puin  legden;  —  de  bovenstad  leed  weinig.  De  schade  werd  op 
millioenen  begroot;  De  Quincy  spreekt  van  23  millioen, —  den- 


Digitized  by 


Google 


OPERATIÈN   IN  VLAANDEREN   EN  BRABAND.  317 

keiijk  francs.  De  keurvorst  van  Beieren  was  dadelijk  naar  Brussel 
gesneld,  waar  zijne  vrouw  zich  bevond,  in  den  laatsten  tijd  van 
haar  zwangerschap;  zij  beviel  ontijdig,  —  zoo  men  zegt,  door 
den  schrik  over  het  bombardement. 

Indien  vorstelijke  personen  dus  niet  vrijbleven  van  de  rampen 
die  de  oorlog  met  zich  meebrengt,  zoo  kan  men  oordeelen  wat 
de  Brusselsche  burger  bij  dit  bombardement  heeft  geleden ;  toch 
bleef  de  bevolking  rustig.  In  een  schrijven  van  den  lyen  Augus- 
tus aan  den  raadpensionaris  Heinsius  zegt  de  hertog  van  Wur- 
temberg,  dat  de  goede  geest  van  de  Brusselsche  burgerij  haar 
dit  bombardement  geduldig  deed  doorstaan:  «verbazend  was 
het,  de  kalmte  van  de  burgers  op  te  merken,  die  dit  geduldig 
verdroegen,  zonder  beweging  te  maken...  Dezelfde  burgers  die 
hunne  huizen  hadden  verloren,  troosteden  zich  met  de  hoop  dat 
het  kasteel  van  Namen  genomen  zou  worden." 

Denkelijk  maakt  de  Hertog  zich  hier  een  weinig  illusie:  het 
is  niet  waarschijnlijk  dat  eene  zege,  door  de  wapenen  der  bond- 
genooten  behaald,  den  Brusselschen  burger  getroost  zal  hebben 
over  het  verlies  van  zijne  have  en  erve:  daartoe  was,  toen,  het 
nationaliteits-gevoel  bij  hem  te  weinig  ontwikkeld;  de  oorlog  die 
gevoerd  werd,  had  ook  weinig  nationaals  voor  hem ;  want,  waren 
het  vreemden  die  hem  aanvielen,  het  waren  ook  vreemden  die 
hem  verdedigden.  De  rust  van  de  burgerij  moet,  meer  waar- 
schijnlijk, worden  toegeschreven  aan  de  goede  militaire  maat- 
regelen, door  de  bondgenooten  genomen:  i6  eskadrons  patrouil- 
leerden in  Brussel;  lo  bataljons  stonden  op  verschillende  punten 
van  de  stad;  en  8000  man  hielden  de  vestingwallen  en  de  bui- 
tenposten bezet.  Waar  eene  zoo  sterke  krijgsmacht  aanwezig  is, 
is  een  stad  meestal  rustig. 

Het  ligt  in  den  aard  van  de  zaak,  dat  die  vernieling  van  een 
goed  deel  van  Brussel,  kreten  van  verontwaardiging  deed  opgaan 
h\]  de  bondgenooten;  volkomen  in  hun  recht  zouden  zij  hierbij 
zijn  geweest,  hadden  zij  niet  hetzelfde  gedaan,  hadden  zij  zelve 
het  bombardement  niet  aangewend  tegen  de  Fransche  oorlogs- 
havens;  nu  mogen  Saint-Malo  en  Hivre  steden  zijn  geweest  van 
veel  minder  beteekenis  dan  Brussel,  het  feit  blijft  daarom  toch 
hetzelfde. 

Men  weet  dat  de  meeningen  zeer  verdeeld  zijn  over  het  ge- 
oorloofde van  het  bombardement.  Onze  meening  is  deze:  het 
bombardement  is  geoorloofd,  als  men  alleen  te  doen  heeft  met 
eene  vijandelijke  vesting  waarin  geen  burgerij  is;  —  het  geval 
dat  voorkwam  bij  het  beleg  van  de  citadel  van  Antwerpen,  in 
1832.  Het  bombardement  is  geoorloofd  tegen  een  opgestane 
stad,  waar  de  bevolking  aan  den  strijd  deelneemt,  en  vesting- 
werken  maakt  van  hare  huizen;  —  het  geval  dat  voorkwam  bij 


Digitized  by 


Google 


3l8  KRIJGS-   EN   GESCHlEDiCUNDIGB  BESCHOUWINGEN. 

het  bombardement  van  de  stad  Antwerpen,  iu  1830.  Maar  het 
bombardement  is  niet  geoorloofd,  het  is  een  onedel  en  oneerlijk 
oorlogsmiddel,  als  men  het  aanwendt  tegen  een  vreedzame  bur- 
gerij, met  het  inzicht  om,  door  de  rampen  die  men  uitstort  over 
die  burgerij,  den  bevelhebber  van  de  aangevallen  vesting  te 
nopen  tot  eene  spoedige  overgave. 

Deze  meening  van  ons,  over  het  al  of  niet  geoorloofde  van 
het  bombardement,  vindt  volstrekt  geen  algemeene  instemmiDg; 
integendeel,  de  heerschende  meening  is,  dat  het  bombardement 
altijd  mag  aangewend  worden,  waar  het  krijgskundige  voordeelen 
oplevert;  die  stelregel  hebben  de  Duitschers  in  1870  tegen  de 
Fransche  vestingen  aangewend,  —  soms  mét,  soms  zónder  goed 
gevolg.  Deelt  men  die  thans  heerschende  meening,  dan  heeft 
men  niet  het  recht  om  den  staf  te  breken  over  Villeroy;  dan 
zal  men  misschien  verzachtende  omstandigheden  vinden  voor 
wat  Luxembourg  in  1672 — 1673  deed,  voor  de  verwoesting  van 
de  Paltz  door  Louvois,  en  voor  soortgelijke  gruwelen. 

Men  moet  ook  in  het  oog  houden,  dat  die  wreede  handelingen 
niet  te  wijten  zijn  aan  ééne  partij,  dat  beide  partijen  elkander 
hierin  niet  veel  hadden  te  venvijten,  dat  er  aan  beide  zijden  van 
de  landpalen  gezondigd  werd:  de  verwoestingen,  in  1704  in 
Beieren  aangericht  door  Marlborough,  verschillen  zoo  heel  veel 
niet  van  de  verwoesting  van  de  Paltz;  en,  mogen  wij  bij  de 
oorlogen  van  de  negentiende  eeuw  in  vele  opzichten  mensche- 
lijker  zijn  dan  onze  voorouders  bij  de  oorlogen  van  de  zeven- 
tiende, dan  is  dit  toch  niet  in  alle  opzichten;  soms  moet  men 
zeggen :  wat  toen  gedaan  werd,  was  slecht,  maar  wat  nu  gedaan 
wordt,  is  niets  beter. 

Toen  het  bombardement  van  Brussel  was  afgeloopen,  zond 
Villeroy  zijn  zwaar  geschut  den  i6en  Augustus  terug  op  Ënghien; 
den  i7en  trok  ook  het  leger  derwaarts,  in  zes  marsch-colonnen ; 
het  bleef  den  i8en  te  Ënghien,  en  kwam  den  igen  te  Soignies. 
Villeroy,  niet  de  man  om  uit  zichzelf  te  handelen,  had  aan  den 
Koning  nadere  bevelen  gevraagd;  die  bevelen  kwamen  nu,  en 
hielden  in,  dat,  het  kostte  wat  het  wilde.  Namen  moest  worden 
ontzet.  Dat  was  gemakkelijker  gezegd  dan  gedaan. 

Zoodra  men  te  Brussel  de  aftrekkende  beweging  van  het 
Fransche  leger  bespeurde,  was  de  generaal  Van  Heukelom  met 
10  bataljons  van  daar  op  Waterloo  getrokken,  om  zich  bij 
Athlone  te  voegen;  den  iSen  Augustus  volgde  Vaudemont  met 
het  overige  van  zijne  macht.  Het  leger  der  bondgenooten  nam 
toen  stelling  met  den  linkervleugel  bij  Genappe,  de  rechter  naar 
de  zijde  van  het  bosch  van  Soignies;  dat  leger  bestond  toen  uit 
76  bataljons  voetvolk  en  160  eskadrons  ruiterij;  dus,  naar  schat- 


Digitized  by 


Google 


OPERATIËN  IN  VLAANDEREN  EN  BRABAND.         319 

ting,  38000  man  voetvolk  en  een  25000  ruiters  of  dragonders, 
te  zamen  een  63  000  man.  Een  deel  van  Vaudemont's  ruiterij  is 
bovendien  achtergebleven  tot  het  bezetten  van  de  vaart  van 
Brussel  op  Vilvoorden. 

Te  Soignies  ontving  Villeroy  nog  verschillende  versterkingen, 
deels  getrokken  uit  de  bezettingen  van  Frankrijk*s  noordelijke 
vestingen,  deels  bestaande  uit  eene  afdeeling  van  eenige  duizend 
man,  die  van  het  Fransche  Rijn-leger  was  afgezonden  naar  de 
Nederlanden.  De  geheele  sterkte  van  Villeroy's  leger  klom  daar- 
door tot  een  bedrag  van  102  bataljons  en  200  eskadrons;  dus, 
naar  schatting,  een  63000  man  voetvolk  en  32000  ruiters  of 
dragonders,  te  zamen  een  95  000  man.  De  Merveilleux  schat  die 
sterkte  van  het  Fransche  leger  op  slechts  90000  man;  —  zelfs 
al  neemt  men  dit  kleinste  cijfer  aan  als  het  ware,  dan  was  dit 
toch  een  zeer  sterk  leger;  en  als  men  daarbij  in  aanmerking 
neemt,  dat  de  verdediging  van  het  Namensche  kasteel  nog  ge- 
durende de  geheele  maand  Augustus  is  voortgezet,  dan  zou  men 
oppervlakkig  zeggen,  dat  het  ontzet  van  die  sterkte  niet  heeft 
behoord  tot  de  onwaarschijnlijke  zaken.  Toch  heeft  dat  ontzet 
niet  plaats  gehad;  de  zwarigheden  zijn  te  groot  geweest. 

Den  2osteD  Augustus  verliet  het  leger  van  Vaudemont  de  stel- 
ling bij  Genappe,  om  Namen  meer  nabij  te  komen;  het  stelde 
zich  op  bij  Mazy,  op  den  linkeroever  van  den  Ormeau;  en  kon 
daar  den  overgang  van  die  beek  —  of  kleine  rivier  —  aan  Vil- 
leroy betwisten,  als  deze  aan  die  zijde  tot  Namen  wilde  door- 
dringen. Te  Mazy  was  Vaudemont's  leger  op  slechts  een  paar 
uur  afstands  van  de  legermacht  voor  Namen ;  beide  legers  waren 
toen  dus  zoo  goed  als  vereenigd;  troepen  gingen  gedurig  over 
van  het  eene  leger  naar  het  andere,  naar  gelang  dit  noodig  was ; 
en  Willem  III  zelf  ging,  herhaaldelijk,  uit  de  aanvalswerken  voor 
Namen,  om  te  Mazy,  of  nabij  die  plaats,  Villeroy  het  hoofd  te 
bieden.  Het  ligt  in  den  aard  van  de  zaak,  dat  Vaudemont's 
leger  toen  eene  afwisselende  sterkte  moet  hebben  gehad.  De 
macht  der  bondgenooten  was  vermeerderd  met  een  10  000  man 
Hessische  troepen,  van  het  Duitsche  leger  aan  den  Rijn  gezon- 
den naar  de  Nederlanden,  toen  men  vernomen  had  dat  het 
Fransche  leger  aan  den  Rijn  hetzelfde  had  gedaan;  van  die 
Hessische  troepen  kwam  de  infanterie  voor  Namen,  de  cavalerie 
bij  het  leger  te  Mazy;  dat  leger,  thans  ook  aangevoerd  door 
den  Stadhouder  zelven,  had  vroeger  ook  versterkingen  gekregen 
van  het  belegeringskorps,  en  bestond  toen  uit  95  bataljons  en 
ruim  200  eskadrons;  denkelijk  47  k  48000  man  voetvolk  en 
nagenoeg  33  000  ruiters  of  dragonders,  te  zamen  een  80  000  man. 
Het  zij  echter  herhaald :  die  sterkte  moet  afwisselend  zijn  geweest. 


Digitized  by 


Google 


320  KRIJGS-  SN  GBSCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Den  23sten  Augustus  brak  Villeroy  op  van  Soignies,  en  trok 
in  de  richting  van  Nivelles;  hij  kwam  dien  dag  nabij  Arquenne 
en  Séneffe,  nabij  het  slagveld  van  1674.  Die  beweging  duidde 
het  voornemen  aan,  om  naar  de  zijde  van  den  Ormeau  tot  Namen 
door  te  dringen:  en  Vaudemont's  leger  begon  daarom  verschan- 
singen op  te  werpen  achter  die  beek,  in  den  omtrek  van  Mazy. 
Den  26stea  trok  Villeroy  op  Marbais,  en  kwam  met  den  rech- 
tervleugel te  Fleurus  en  den  linker  te  Meliori,  een  dorp,  een 
kleine  twee  uur  westelijk  van  Gemblours;  's  avonds  om  tien  uur 
werden  in  het  Fransche  leger  drie  salvo's  met  het  geschut  ge- 
geven, om  daardoor  aan  Boufflers  kenbaar  te  maken,  dat  er 
hulp  opdaagde.  Nadat  de  Fransche  maarschalk  den  27steQ  eene 
soort  van  verkenning  had  verricht,  schijnt  hem  dit  bewogen  te 
hebben  om  af  te  zien  van  het  forceeren  van  den  overtocht  van 
den  Ormeau  bij  Mazy,  maar  die  beek  over  te  gaan  op  een  hoo- 
ger  gelegen  punt,  waar  geen  vijand  was,  en  dan  tot  Namen  door 
te  dringen  in  de  ruimte  tusschen  den  Ormeau  en  de  Méhaigne. 
Den  28sten  Augustus  trok  het  Fransche  leger  op  Gemblours,  en 
ging,  's  avonds,  tusschen  die  plaats  en  het  iets  hooger  gelegen 
dorp  Sauvenier,  den  Ormeau  over,  met  het  voornemen,  den  29sten 
in  zuidelijke  richting  op  te  rukken  tegen  de  stelling  van  de 
bondgenooten. 

Maar  die  stelling  had  eene  geduchte  sterkte,  die  weinig  goeds 
deed  verwachten  van  een  aanval.  Het  is  voor  ons  thans  zonder 
belang  om  in  bijzonderheden  te  vermelden  hoe  de  verschillende 
deelen  van  het  leger  van  Willem  KI  in  die  stelling  waren  ge- 
plaatst, en  welke  verschikkingen  en  veranderingen  daarbij  voor- 
vielen, naarmate  van  de  berichten  die  men  kreeg  van  'svijands 
bewegingen;  zulk  eene  uitvoerige  vermelding  zou  vervelend  zijn, 
èn  voor  onze  lezers,  èa  voor  ons.  Wij  willen  er  ons  toe  bepalen, 
die  stelling  in  groote  trekken  aan  te  duiden. 

In  den  ochtend  van  den  29sten  Augustus,  toen  het  Fransche 
leger  oprukte  tegen  die  stelling,  had  zij  eene  frontlengte  van 
anderhalf  uur  gaans,  van  Mazy,  waar  de  linkervleugel  stond,  tot 
Osten,  eene  landhoeve  bij  de  Méhaigne,  waar  de  rechtervleugel 
was  geplaatst.  Zulk  eene  frontlengte  zou  ons  bij  de  Napoleon- 
tische veldslagen  nog  al  aanmerkelijk  voorkomen;  —  maar  men 
moet  niet  vergeten,  dat  de  troepen  op  het  einde  van  de  zeven- 
tiende eeuw  veel  minder  beweegbaar  waren,  en  geheel  vreemd 
aan  het  gevecht  in  verspreide  orde;  een  moerassig  doorsneden 
terrein,  bosscheo,  een  weinig  beduidende  beek  maakten  toen 
gewichtige,  soms  onoverkomelijke  hindernissen  uit;  en  bij  de 
stelling  van  de  bondgenooten  had  men  zulke  hindernissen  in 
menigte.  De  linkervleugel  leunde  aan  Mazy  en  aan  de  aldaar 
opgeworpen  verschansingen;  vóór  den  rechtervleugel  stroomde 
een   arm   van   de  Méhaigne,  —  wel  is   waar   geen   diep   water. 


Digitized  by 


Google 


OPERATIËN   IN   VLAANDEREN   EN   BRABAND.  32 1 

maar  dat  toch  voor  eene  gesloten  troepenafdeeling  moeielijk  was 
over  te  trekken,  wanneer  daarachter  een  genoegzaam  sterke  ver- 
dediger was;  ook  waren  d^dr  de  landhoeven  van  Osten  en  van 
Brouart  —  of  Bruyère  —  bezet  en  versterkt;  de  aanval  op  dien 
rechtervleugel  had  dus  niet  veel  kans  van  slagen.  Nu  bleef  nog 
in  het  midden  eene  ruimte  over  van  een  groot  half  uur  gaans, 
van  waar  de  Méhaigne  begint,  tot  nabij  Mazy;  maar  in  die 
ruimte  had  men  het  dorp  Saint-Denis,  dat  sterk  was  bezet  en 
goed  ter  verdediging  ingericht;  evenzoo  waren  de  bosschen  be- 
zet, die  zich  noordwaarts  van  Saint-Denis  bevonden,  naar  de 
zijde  van  Argenton  en  Gemblours;  de  wegen  in  die  bosschen 
waren  afgesloten  door  verhakkingen;  en  de  open  gedeelten  tus- 
schen  die  bosschen  en  dorpen  waren  aangevuld  door  opgeworpen 
verschansingen.  Wanneer  men  nu  nog  in  aanmerking  neemt,  dat 
in  de  frontlijn  van  die  stelling  meer  dan  loo  veldstukken  in  bat- 
terij stonden,  —  voor  de  helft  12-,  9-  en  6-ponders,  voor  de 
helft  van  kleiner  kaliber  — ;  dat  die  stelling  bezet  was  dooreen 
80000  man,  zeer  goede  troepen;  dat  het  legerhoofd  Willem  III 
was;  dan  is  het  zeer  duidelijk,  dat  er,  bij  een  aanval  op  die 
stelling,  voor  Villeroy  zeer  weinig  kansen  waren  op  eene  over- 
winning, en  dat  het  hem  dus  niet  als  een  misslag  is  toe  te  reke- 
nen, indien  hij  dien  aanval  niet  heeft  ondernomen. 

Toch  moest  men  op  zulk  een  aanval  bedacht  zijn.  Te  mid- 
dernacht, tusschen  28  en  29  Augustus,  krijgt  Willem  III  bericht, 
dat  de  vijand,  bij  Gemblours  en  Sauvenier,  den  Ormeau  begint 
over  te  gaan,  en  op  het  dorp  Argenton  trekt.  Oogenblikkelijk 
worden  de  noodige  bevelen  uitgevaardigd;  en  vóór  dat  nog  de 
dag  aanbreekt,  is  het  leger  van  den  Stadhouder  gereed  tot  den 
strijd.  Eene  zware  mist  en  regen,  in  den  ochtend  van  den  29stcn, 
verhindert  iets  van  den  vijand  te  bespeuren;  maar  tegen  den 
middag,  toen  het  goed  weer  wordt,  ziet  men  eene  Fransche 
troepenmacht,  grootendeels  ruiterij,  de  stelling  van  de  bondge- 
nooten  naderen,  bijna  tot  onder  het  bereik  van  het  geschutvuur; 
het  was  Villeroy,  die  met  een  20  eskadrons  en  1000  grenadiers 
die  stelling  kwam  verkennen.  Die  verkenning  leverde  voor  de 
Franschen  geen  bevredigende  uitkomst  op;  men  bespeurde  dat 
er,  tusschen  de  Méhaigne  en  Mazy,  drie  doorgangen  of  open 
terreingedeelten  waren  tusschen  de  bosschen,  maar  dat  die  door- 
gangen, reeds  moeielijk  door  ravijnen  en  door  moerassigen  grond, 
waren  afgesloten  door  opgeworpen  verschansingen.  Villeroy,  zijne 
onderbevelhebbers  raadplegende,  stelde  hun  de  vraag,  of  het 
raadzaam  was  om  aan  te  vallen  en  slag  te  leveren ;  het  antwoord 
was  ontkennend;  —  een  krijgsraad  gaat  zelden  over  tot  een 
krachtig  besluit;  hier  zou  dit  trouwens  ook  een  onverstandig 
besluit  zijn  geweest.  Reeds  tusschen  drie  en  vier  des  namiddags 
ging  het  Fransche  leger  terug  op  Gemblours;  en,  overtuigd  dat 

WILLEM  II r.  —  III.  21 


Digitized  by 


Google 


322  KRljGS-   EN   GESCHIBDRUNDIGB   BESCHOUWINGEX. 

er  dien  dag  geen  aanval  meer  was  te  dachten^  zood  Willem  UI 
nog  om  zes  uur  's  avonds  3000  grenadiers  uit  het  leger  naar 
Namen  terug^  om  daar  deel  te  nemen  aan  de  bestorming  van 
het  kasteel,  die  den  volgenden  dag  moest  plaats  hebben. 

Aan  die  zijde  was  's  vijands  stelling  te  sterk ;  —  Villeroy  wilde 
het  nu  eens  aan  eene  andere  zijde  beproeven. 

In  den  ochtend  van  den  3osteQ  Augustus  trekt  het  Fransche 
leger  van  Gemblours,  over  Perwez,  naar  de  Méhaigne;  en  slaat 
zich  neder  aan  de  noordzijde  van  dat  riviertje,  tusschen  Perwez 
en  Taniers.  Willem  III  was  die  beweging  van  den  vijand  gevolgd, 
en  breidde  zijne  stelling  rechts  uit,  achter  de  Méhaigne,  tot  nabij 
Boneffe;  bij  dat  dorp  waren  een  40  Fransche  eskadrons  het 
riviertje  overgegaan,  en  kwamen  daar  in  gevecht  met  een  30 
eskadrons  van  de  bondgenooten,  onder  La  Forest. 

Dat  ruitergevecht  wordt  op  uiteenloopende  wijze  vermeld. 
Volgens  ónze  opgaven  —  de  £uropische  Mercurius  en  De  Mer- 
veilleux  —  had  La  Forest,  met  een  deel  van  zijne  ruiters  aan- 
vallende, daardoor  den  vijand  in  een  hinderlaag  gelokt,  waar  de 
afgestegen  dragonders  van  Ëppinger  en  Dopflf  stonden;  deze 
had r) en  door  hun  vuur  de  Fransche  eskadrons  in  verwarring  ge- 
bracht, die  daarop  waren  geslagen  met  een  verlies  van  150 
paarden,  terwijl  de  ruiterij  van  de  bondgenooten  maar  een  50 
paarden  verloor.  Volgens  De  Quincy  daarentegen  behaalde  de 
Fransche  ruiterij  de  overwinning;  ook  geeft  hij  eene  omgekeerde 
verhouding  van  de  sterkte,  en  zegt,  dat  de  Franschen  maar  30, 
en  de  bondgenooten  40  eskadrons  hebben  geteld.  De  waarschijn- 
lijkheid  is  er  voor,  dat  dit  ruitergevecht  niet  veel  te  beduiden 
heeft  gehad;  in  de  half  officieele  y^Campagne  de  1695^^  wordt  dan 
ook  maar  gezegd,  dat  La  Forest  »eene  kleine  schermutseling 
{quelque  légere  escarmouchey^  met  den  vijand  had,  tot  aan  een 
défilé  dat  door  de  dragonders  van  Dopff  was  bezet,  en  dat  de 
Fransche  ruiterij  tegenhield. 

Den  31  sten  Augustus  deed  Villeroy  weer  eene  verkenning,  en 
raadpleegde  hij  weer  zijne  onderbevelhebbera,  of  het  goed  zon 
zijn  de  Méhaigne  over  te  trekken  en  slag  te  leveren;  dit  werd 
niet  goed  gevonden.  Men  voerde  dus  dien  dag  niets  uit,  ook 
den  isten  September  niet;  en  den  2cn  trok  men  weg,  toen  de 
mare  kwam  dat  het  Namensche  kasteel  was  gevallen.  —  Wij 
hebben  nu  den  kamp  te  behandelen  die  den  val  dier  sterkte 
teweegbracht. 


Den  4eQ  Augustus  waren  de  poorten  van  Namen  in  bezit  ge- 
nomen door  de  belegeraars;  den  sen  trok  de  Fransche  bezetting^ 
een  7000  man,  over  de  Sambre  naar  het  kasteel  terug,  en  werd 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   HET  KASTEEL   VAN  NAMEN.  323 

de  Stad  bezet  door  6  bataljons  van  de  bondgenooten,  onder 
Heiden;  in  den  ochtend  van  den  6en  braken  de  Franschen  de 
Sambre-brug  af,  die  de  gemeenschap  uitmaakte  van  de  stad  met 
de  zoogenaamde  benedenstad,  aan  den  voet  van  het  kasteel  ge- 
legen; Guiscard,  het  laatst  binnen  Namen  gebleven  zijnde,  werd 
toen,  in  een  boot,  de  Sambre  overgezet.  Op  het  middaguur  van 
den  6eQ  Augustus  hield  de  wapenstilstand  op,  en  begon  het  beleg 
van  het  kasteel  van  Namen. 

Die  geduchte  vesting,  op  hare  hooge  rots  gelegen,  aan  twee 
zijden  beschermd  door  Maas  en  Sambre,  aan  de  andere  zijden 
door  krachtige  voorliggende  werken,  scheen  de  sterkste  wapen- 
macht  van  een  vijand  te  kunnen  trotseeren,  zoolang  het  haar 
niet  mangelde  aan  soldaten,  aan  wapenen,  aan  leeftocht,  en, 
vooral,  aan  een  dapper  en  bekwaam  aanvoerder ;  —  en  dat  alles 
had  zij  in  ruime  mate. 

Men  kan  de  Fransche  troepenmacht,  die  toen  het  kasteel  van 
Namen  en  zijne  onderhoorigheden  bezette,  gerustelijk  schatten 
op  eene  sterkte  van  een  loooo  man;  men  neemt  dan  aan,  dat 
de  Fransche  bezetting  sedert  het  begin  van  het  beleg,  tijdens  de 
verdediging  van  de  stad,  aan  gesneuvelden,  gewonden  en  zieken 
een  5000  man  heeft  verloren,  een  cijfer  dat  denkelijk  niet  te 
laag  is  gesteld.  Die  schatting  van  een  10  000  man  voor  de  sterkte 
der  Fransche  bezetting  op  den  6en  Augustus,  wordt  eenigszins 
waarschijnlijk  gemaakt  door  de  opgave  van  De  Merveilleux,  dat 
de  Fransche  macht,  bij  het  ontruimen  van  de  stad,  7000  man 
telde:  er  zullen,  in  het  kasteel  met  zijne  onderhoorigheden,  wel 
een  3000  man  zijn  geweest. 

Aan  wapenen  —  en  bij  de  verdediging  van  eene  vesting  wil 
dit  zeggen,  aan  artillerie  en  munitie  — ,  heeft  het  in  het  kasteel 
van  Namen  ook  niet  ontbroken;  want  bij  de  overgave  hebben 
de  belegeraars  d^r,  en  in  de  voorliggende  werken,  gevonden: 
»72  kanonnen  van  verschillend  kaliber;  4  mortieren,  behalve 
nog  eenige  die  onbruikbaar  waren;  300000  pond  kruit;  6000 
kanonkogels;  3000  bommen;  40000  handgranaten;  150  vaten 
salpeter;  8000  musketten;  50000  pond  aan  lonten;  en  al  andere 
voorraad  naar  evenredigheid." 

Nu  mag  in  die  opgave  wel  wat  onbepaalds  zijn;  —  bij  voor- 
beeld aangaande  de  kalibers  van  het  geschut,  en  de  hoeveelheid 
salpeter  die  in  ieder  vat  was;  —  toch  is  het  zeker  dat  die  opgaaf 
doet  zien,  dat  het  kasteel  van  Namen  toen  voorzien  was,  niet 
slechts  van  eene  genoegzame,  maar  zelfs  van  eene  rijkelijke  bewa- 
pening; —  altijd,  naar  de  militaire  begrippen  van  die  dagen. 

Hoe  die  artillerie  in  het  kasteel  en  de  buitenwerken  geplaatst 


Digitized  by 


Google 


324  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

was,  hebben  wij  niet,  met  juistheid,  kunnen  ontdekken;  slechts 
hier  en  daar  hebben  wij  enkele  aanduidingen  gevonden. 

Maar  de  soldaat  moet  niet  alleen  vechten,  hij  moet  ook  eten. 

Ook  te  dien  opzichte  was  het  kasteel  van  Namen  in  een  vol- 
doenden toestand;  want  het  Fransche  y^Journal  du  siège  de  Namur^ 
zegt,  dat  er  op  den  960  Augustus  nog  een  voorraad  aan  levens- 
middelen was  voor  twee  maanden;  —  en  twee  maanden  was 
hier  zoo  goed  als  eene  eeuwigheid;  want  vóór  het  verstrijken 
van  dien  tijd  kon  het  slechte  weer  invallen,  dat  de  voortzetting 
van  het  beleg  zou  bemoeilijken,  't  Is  waar,  op  het  kasteel  van 
Namen  at  men  soms  paardevleesch,  —  maar  men  was  daarover- 
heen; de  bommen  van  den  belegeraar  vernielden  wel  eens  de 
ovens  waarin  het  brood  werd  gebakken,  —  maar  dan  maakte 
men  weer  andere  ovens.  In  één  woord:  de  voeding  op  het  kas- 
teel van  Namen  liet  wel  wat  te  wenschen  over;  zij  was  niet  vol- 
maakt; men  was  daar  niet  in  Abraham's  schoot;  —  maar  is  het 
in  eene  belegerde  vesting  ooit  anders  gesteld? 

En  eindelijk  de  hoofdzaak:  de  aanvoering.  In  dat  opzicht  was 
het  kasteel  van  Namen  zoo  goed  bedeeld  als  men  maar  wen- 
schen kon.  Behalve  Guiscard  en  veel  andere  dappere  en  bekwame 
officieren,  moet  hier  vooral  worden  genoemd  de  maarschalk 
Boufflers,  de  opperbevelhebber:  een  man  vol  geestkracht,  vol 
moed,  een  held.  Vroeger  is  aangetoond,  dat  het  spoedig  ver- 
liezen van  de  >  linie  van  Vauban"  moet  worden  geweten  aan  een 
misslag  van  Boufflers;  maar,  in  weerwil  van  dien  éénen  misslag 
—  wie  begaat  er  geen !  —  is  het  ontwijfelbaar  dat  hij  is  geweest 
een  uitstekend  opperbevelhebber,  een  schitterend  voorbeeld  voor 
ieder  die  belast  wordt  met  de  grootsche  maar  moeielijke  taak 
om  een  belegerde  vesting  aan  den  vijand  te  betwisten. 

Met  zulke  middelen  ter  verdediging,  zou  het  kasteel  van  Namen 
in  1695  misschien  niet  zijn  bezweken,  ware  het  aangevallen, 
evenals  in  1692,  aan  de  westzijde,  aan  den  kant  van  La  Cassotte 
en  Terra  Nova  en  op  de  bedachtzame,  stelselmatige  wijze  van 
Vauban  1  Maar  Coehoom,  die  in  1695  de  belegering  heeft  be- 
stuurd, besloot  den  aanval  hoofdzakelijk  te  verrichten  van  de 
stadszijde,  en  van  den  overkant  van  de  Maas,  en  bij  dien  aan- 
val middelen  te  bezigen,  zóó  geweldig,  dat  zij  in  dien  tijd  half 
als  revolutionnair  werden  aangemerkt. 

Het  kasteel  van  Namen  aan  te  vallen  aan  de  oostzijde,  gaf 
ddt  groote  voordeel,  dat  de  batterijen  binnen  de  stad  Namen 
en  aan  de  Sambre,  dan  op  slechts  een  200  el  afstands  waren 
van  de  rechterflank  van  fort  Willem  en  van  Terra  Nova,  het 
muurwerk  van  die  sterkten  konden  zien,  en  dus  spoedig  bres 


Digitized  by 


Google 


BELEG  VAN   HET  KASTEEL   VAN   NAMEN.  325 

daarin  konden  schieten;  veel  beter  dan  batterijen  in  de  nader- 
nissen aan  d^  westzijde,  aan  den  kant  van  La  Cassotte,  die  op 
meer  dan  het  dubbele  van  den  afstand  zouden  zijn  van  het 
muurwerk  waarin  zij  bressen  zouden  moeten  maken;  —  boven- 
dien was  d^n  de  vermeestering  van  La  Cassotte  noodig,  alvorens 
fort  Willem  en  Terra  Nova  te  kunnen  aanvallen.  Door  batterijen 
op  de  stadswallen  van  Namen,  en  door  batterijen  aan  de  zuid- 
zijde van  het  kasteel  op  den  rechteroever  van  de  Maas,  kon 
men  ook  de  benedenstad  aan  den  voet  van  het  kasteel  vernielen, 
of  ten   minste  bressen  schieten  in  de  muren  die  haar  omgaven. 

Maar  wat  had  men  daaraan?  Hoe  die  bressen  te  bestormen, 
waar  Maas  en  Sambre  nog  tusschen  beide  waren?  en  zelfs,  al 
kon  men  die  bestorming  doen,  a1  gelukte  die,  al  werd  men 
meester  van  die  benedenstad,  was  het  dan  toch  geen  onmoge- 
lijkheid om  van  daar  het  kasteel  aan  te  vallen,  op  de  rots  ge- 
legen, en  alleen  genaakbaar  over  een  hooge  steenen  trap? 

De  tegenwerpingen,  in  die  vragen  besloten,  zijn  slechts  schijn- 
baar gegrond « 

Ja,  de  Sambre  en  de  Maas  zouden  de  bestorming  van  de  be- 
nedenstad hebben  belet,  wanneer  die  rivieren  ondoorwaadbaar 
waren  geweest,  maar  dit  waren  zij  niet  bij  cene  eenigszins  aan- 
houdende droogte;  en  in  het  verhaal  van  dit  beleg  vindt  men 
opgeteekend,  dat  er  toen  dagen  zijn  geweest,  waarin  bij  de  be- 
nedenstad de  Sambre  gemakkelijk  was  te  doorwaden,  een  enkelen 
keer  zelfs  de  Maas;  en,  indien  het  al  onmogelijk  was  om  van 
de  benedenstad  het  kasteel  te  bestormen,  zoo  zou  toch  de  ver- 
meestering van  de  benedenstad  door  de  bondgenooten,  het  voort- 
zetten van  de  verdediging  van  het  kasteel  moeielijk  hebben  ge- 
maakt, omdat  het  drinkwater  voor  de  bezetting  grootendeels  moest 
komen  uit  de  benedenstad.  Wat  de  bressen  aangaat  in  de  rech- 
terflanken van  fort  Willem  en  van  Terra  Nova,  die  konden  mis- 
schien niet  bestormd  worden  van  de  overzijde  van  de  Sambre, 
maar  toch  wél  van  den  rechteroever  dier  rivier,  uit  de  nader- 
nissen, uitgaande  van  de  zijde  van  Salsines. 

(Wanneer  hier  gesproken  wordt  van  rechterflanken  van  fort 
Willem  en  van  Terra  Nova,  dan  moet  men  het  woord  flank 
niet  opnemen  in  de  beperkte  beteekenis  waarin  het  voorkomt  in 
het  gebastionneerde  stelsel;  hier  wordt  bedoeld:  de  rechter- 
zijden van  die  beide  werken). 

Het  door  Coehoom  gekozen  aanvalsfront  is  dus  denkelijk  het 
beste  geweest;  intusschen  werd  de  val  van  het  kasteel  van  Namen 
niet  alleen  bewerkt  door  die  gelukkige  keus,  maar  ook  door  de 
buitengewoon  krachtige  artillerie,  tegen  die  vesting  aangewend. 
Het  Fransche  y^Journal  du  siège  de  Namur''''  stelt  de  geheele  sterkte 
der  artillerie,  door  de  bondgenooten  tegen  het  kasteel  in  werking 


Digitized  by 


Google 


326  KRIjGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

gebracht,  op  bij  de  200  kanonnen  en  mortieren;  —  dit  cijfer 
is  denkelijk  niet  zeer  overdreven,  —  indien  het  overdreven  is;  — 
want  in  de  half  officieele  opgave  van  onze  zijde,  in  de  ^Crav- 
pagne  de  1695",  wordt  gezegd,  dat  op  den  i6cn  Augustus  tegen 
het  kasteel  en  zijne  onderhoorigheden,  80  zware  vuurmonden  in 
batterij  stonden;  maar  op  den  2osten  Augustus  was  dit  reeds 
geklommen  tot  161 ;  en,  daar  er  op  den  27steD  nog  eene  batterif 
van  10  vuurmonden  bij  kwam,  klom  het  geheele  cijfer  tot  171. 
Uit  De  Merveilleux  zou  men  kunnen  opmaken,  dat  hij  de  geheele 
sterkte  van  de  artillerie  des  belegeraars  op  207  vuurmonden  stelt, 
maar  er  is  eenige  onduidelijkheid  in  de  opgave  van  dien  schrijver. 
Zooveel  is  echter  zeker,  dat,  al  neemt  men  het  kleinste  cijfer  — 
de  half  officieele  opgave  van  onze  zijde  — ,  een  geduchte  sterkte 
aan  artillerie  hier  tegen  het  Namensche  kasteel  werd  aangewend. 

Maar,  heeft  Coehoorn  al  veel  vuurmonden  in  het  belegerings- 
park gehad,  had  hij  ook  te  beschikken  over  veel  munitie?  De 
belegeraars  hadden  een  kleine  200  vuurmonden  in  batterij ;  maar 
hebben  die  vuurmonden  druk  geschoten? 

Alle  opgaven  stemmen  daarin  overeen,  om  die  vragen  beves- 
tigend te  beantwoorden.  In  het  Fransche  „JoumaP^  verwondert 
men  zich,  dat  de  stukken  van  den  belegeraar  een  zoo  onver- 
poosd schieten  hebben  kunnen  uithouden,  en  wordt  de  meening 
geuit,  dat  die  vuurmonden  gedurig  met  andere  zijn  omgewis- 
seld; —  eene  meening,  die  minder  waarschijnlijk  is.  De  Quincy 
zegt,  dat  de  bondgenooten  Namen  niet  zouden  hebben  vermees- 
terd  f^ans  la  prodigieuse  artillerie  qü*ih  y  emplojèrent  et  qui  Pouvrit 
de  tous  cotes^"*;  —  de  toon  die  de  Fransche  schrijver  hier  aanslaat, 
klinkt  bijna  alsof  hij  wilde  zeggen:  »dat  is  geen  eerlijk  spel  ge- 
weest, op  die  wijze  is  het  overwinnen  gemakkelijk";  —  hetzelfde 
wat  enkelen  bij  ons,  aanvankelijk,  hebben  gezegd,  toen  de  Fran- 
schen  in  1832  een  zoo  sterke  artillerie  aanwendden  tegen  de 
citadel  van  Antwerpen;  noch  daar,  noch  bij  het  Namensche 
beleg  van    1695   is  den  belegeraar  hieromtrent  iets  te  verwijten. 

Wil  men  een  overtuigend  blijk  hebben,  dat  er  bij  deze  bele- 
gering van  Namen  door  onze  artillerie  met  ruime  hand  gebruik 
is  gemaakt  van  hare  munitie,  men  leze  in  het  Archief  van  Hein- 
sius  (2*  deel,  blz.  104),  wat  den  460  September  1695  uit  Namen 
aan  den  Raadpensionaris  is  geschreven,  door  Van  Vredenburch  van 
Adrichem,  toen  gedeputeerde  te  velde  bij  het  leger  van  Willem  III. 

...» Gbteren  ben  ick  uyt  het  quartier  van  Méhaigne  opge- 
broocken  ende  coomen  logeren  in  deze  stadt,  maer  voor  hoe 
langh  weet  ick  niet.  Ick  hebbe  naeuwkeurigh  de  posten  op 
dewelcke  de  artillerye  is  gebruyckt  besien,  ende  ben  nu  niet 
meer  verwondert  dat  de  petitiën  van  behoeften  jaerleyx  soo 
coomen  te  exorbiteren,  zijnde,  mijns  oordeels,  onbegrijpelijck 
de  wanordre   daeromtrent,    dervende  mij   vanteren,  indien  het 


Digitized  by  VjOOQIC 


BELEG   VAN   HET  KASTEEL   VAN    NAMEN.  327 

van  mijn  departement  was,  ick  het  landt  hondert  duy zenden 
zoude  doen  profiteren;  maer  hier  over  breeder  in  mijn  rapport 
't  geen  in  tijt  en  wijlen  aen  mijne  Heeren  en  Confraters  hoop 
te  doen." 

Hoe  jammer  dat  die  Mijnheer  Van  Vredenburch  van  Adrichem 
niet  beiast  is  geweest  met  het  bestuur  over  de  artillerie  voor 
Namen:  hij  zou  ze  op  betere  manier  hebben  aangewend;  hij 
zou  de  munitie  met  mondjesmaat  hebben  uitgegeven;  hij  zou 
het  land  tonnen  gouds  hebben  bespaard ;  —  't  is  waar,  Namen 
zou  dan,  misschien,  niet  genomen  zijn  geworden;  en,  brengt 
men  ook  ddt  in  rekening,  dan  schijnt  het  haast,  alsof  de  manier 
van  Coehoorn  toch  nog  de  verkieslijkste  is  geweest. 

Bij  hel^  beleg  van  1692  zijn  tegen  het  kasteel  geen  batterijen 
aangewend  van  de  stadszijde,  bij  het  beleg  van  1695  wél;  — 
mocht  dat,  was  dat  geoorloofd,  was  dat  goed?  —  In  de  levens- 
beschrijving van  Coehoorn,  door  zijn  zoon  Gosewijn  Theodoor, 
wordt  dienaangaande  gezegd  (blz.  13 — 14): 

...»Hij"  (Coehoorn)  >deed  daarop  eenige  batterijen  opwerpen 
op  den  stadswal,  en  in  eenige  tuinen  in  de  stad,  om  daarmede 
bres  te  schieten  in  het  oude  kasteel.  In  den  beginne  had  de 
vijand  hier  veel  tegen  in  te.  brengen,  voorwendende  dat  dit  in 
strijd  was  met  de  Capitulatie;  maar  daar  men  hem  onder  het 
oog  bracht,  dat  het  geschiedde  op  's  Konings  bevel,  die  de 
Capitulatie  niet  had  geteekend  —  die  men,  opzettelijk,  alleen 
door  den  Keurvorst  van  Beyeren  had  laten  teekenen  —  berustte 
hij  er  stilzwijgend  in.*' 

Wat  Gosewijn  Theodoor  hier  zegt,  is  eene  zeer  slechte  ver- 
dediging van  het  bezigen  van  batterijen  in  de  stad  tegen  het 
kasteel:  de  capitulatie  verbiedt  dit  wel,  maar  de  capitulatie  bindt 
den  Koning  niet,  die  ze  niet  heeft  onderteekend.  Hoe!  Moest 
dan  de  Fransche  bevelhebber  van  Namen  niet  in  de  vaste  over- 
tuiging verkeeren,  dat  de  onderteekening  van  de  capitulatie  door 
den  Keurvorst  geschiedde  met  voorkennis  en  goedkeuring  van 
Willem  III;  en  was  het  met  eer  en  goede  trouw  overeen  te 
brengen  om,  daarna,  die  verbintenis,  door  den  Keurvorst  aan- 
gegaan, te  verbreken,  de  belofte,  door  den  Keurvorst  gedaan, 
te  verloochenen;  was  dat  niet  een  ergelijke  kwade  trouw,  een 
onwaardig  bedrog,  een  echte  Jezuïetenstreek  ? 

Zoo  zou  men  over  die  handeling  moeten  oordeelen,  wanneer 
de  voorstelling,  door  Gosewijn  Theodoor  gegeven,  waar  en  juist 
was;  maar  dat  is  zij  niet:  zij  is  geheel  onjuist,  of  onwaar. 

In  de  capitulatie  van  Namen  staat  niets,  niets  hoegenaamd, 
wat  maar  in  het  minst  kan  uitgelegd  worden  als  eene  verbin- 
tenis om  geen  geschutvuur  van  de  stadszijde  tegen  het  kasteel 
aan  te  wenden ;  Willem  III  had  dus  het  volste  recht  om  dit  wél 


Digitized  by 


Google 


328  KRUGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE    BESCHOUWINGEN. 

te  doen :  hiermede  schond  hij  geen  belofte,  verbrak  hij  geen  ge- 
geven woord ;  te  dien  opzichte  had  hij  zijne  volle  vrijheid  behouden. 
Van  de  Fransche  zijde  is  wel  beweerd,  dat  de  bondgenooten 
hadden  beloofd,  niet  te  vuren  van  de  stadszijde*,  —  maar  dit  is 
een  uit  de  lucht  gegrepen  bewering;  er  wordt  niet  gezegd  wie 
die  belofte  had  gedaan;  en  toen  den  loen  Augustus  Guiscard 
zich  over  deze  aangelegenheid  wendde  tot  Brouay,  den  bevel- 
hebber der  bondgenooten  in  de  stad,  gaf  deze  een  geheel  onbe- 
vredigend antwoord :  „/J  quoy  il  ne  répondit  rien  de  posftff''\  — 
zegt  het  Fransche  „Journal  du  siège  de  Namur'*  (blz.  162). 

Later  zeiden  de  verdedigers  van  het  kasteel  legen  de  belege- 
raars: >als  de  stad  schiet  op  het  kasteel,  dan  schiet  het  kasteel 
ook  op  de  stad."  —  » Niets  billijker  dan  dat,'*  —  was  het  ant- 
woord der  belegeraars  —  »gij  moogt  op  de  stad  schieten;  maar 
weet,  dat  gij  dan  meteen  schiet  op  de  1800  zieke  of  gewonde 
Franschen,  die  nog  in  de  stad  worden  verpleegd."  Den  21  sten 
Augustus  werd  dan  ook,  van  het  kasteel,  het  vuur  van  9  kanon- 
nen en  vati  9  mortieren  op  de  stad  gericht;  maar  het  zeer  over- 
machtige  vuur  van  den  bslegeraar  bracht  die  Fransche  artillerie 
geheel  tot  zwijgen;  het  beschieten  of  bewerpen  van  de  stad  ver- 
flauwde al  zeer  spoedig  en  hield  binnen  een  paar  dagen  geheel  op. 

Wanneer  het  geldt  de  krijgskundige  beschrijving  van  een  heden- 
daagsch  beleg,  dan  moet,  dag  voor  dag,  vermeld  worden  wat  er 
door  de  beide  partijen  is  gedaan:  welke  batterijen  er  zijn  aan- 
gelegd; wanneer,  en  hoe,  die  zijn  bewap2nd;  hoeveel  ellen  loop- 
graaf de  belegeraar  heeft  gemaakt;  welke  de  uitwerking  is  ge- 
weest van  het  wederzijdsche  vuur;  hoe  men  de  beschadigingen 
heeft  hersteld,  door  dat  vuur  teweeggebracht;  welke  uitvallen  er 
zijn  gedaan;  hoeveel  troepen  de  belegeraar  heeft  gehad  in  de 
nadernissen,  de  belegerde  in  de  werken  der  vesting;  welke  ver- 
liezen elke  partij  heeft  geleden  enz.  Eene  beschrijving  van  een 
hedendaagsch  beleg  moet,  wil  zij  krijgskundige  waarde  hebben, 
opgaven  inhouden  aangaande  die  punten. 

Maar  niet  alzoo  bij  de  beschrijving  van  een  beleg,  dat  bijna 
twee  eeuwen  geleden  is,  niet  alzoo  bij  de  beschrijving  van  het 
beleg  van  Namen  van  1695.  Raadpleegt  men  de  verschillende 
opgaven  over  dat  beleg  —  voornamelijk:  onze  y^Campagne  de 
1695",-  De  Merveilleux;  en  het  Fransche  y^Journal  du  siège  de 
Namur'*^ ;  —  dan  bestaat  zeer  goed  de  mogelijkheid  om  met  tame- 
lijke juistheid  en  volledigheid  eene  krijgskundige  voorstelling  te 
geven  van  wat,  dag  voor  dag,  bij  dat  beleg  is  voorgevallen;  — 
maar  wat  heeft  de  krijgswetenschap  aan  zulk  eene  voorstelling, 
die  noodwendig  studie  en  arbeid  vordert,  en  noodwendig  toch 
veel  leemten  zal  hebben?  —  Daaraan  heeft  de  krijgswetenschap 
weinig  of  niets;  zij  leert  daaruit  weinig  of  niets;   uit  een  heden- 


Digitized  by 


Google 


BELEG  VAN  HET  KASTEEL  VAN  NAMEN.  329 

daagsch  beleg,  uit  een  beleg  van  de  citadel  van  Antwerpen,  van 
Sebastopol,  van  Straatsburg,  van  Béfort,  —  ja,  daaruit  kan  de 
krijgswetenschap  leeren,  raaar  niet  uit  een  beleg  van  Namen  van 
1695,  dat  ons  —  wat  de  krijgskunst  betreft  —  haast  even  vreemd 
is  geworden  als  de  belegering  van  Saguntum  door  Hannibal,  of 
de  belegering  van  Jeruzalem  door  Titus.  Sedert  1695  's  het 
artilleriewezen  —  de  ziel  van  den  vestingoorlog  —  zoo  hemels- 
breed veranderd,  dat  bijna  niets  van  wat  is  voorgevallen  bij  óns 
beleg  van  Namen,  zijne  toepassing  zou  kunnen  vinden  bij  een 
hedendaagsch  beleg. 

Wij  zullen  hier  dan  ook  niet  op  uitvoerige,  wetenschappelijke 
wijze  beschrijven,  hoe  in  1695  het  kasteel  van  Namen  bezweken 
is  voor  Coehoorn's  aanval;  zulk  eene  beschrijving  zou  toch 
weinig  of  geen  waarde  hebben  voor  den  wetenschappelijken 
lezer;  voor  den  o n wetenschappelijken  zou  zij  vervelend  en  ver- 
moeiend zijn,  —  even  vervelend  en  vermoeiend  als  voor  den 
schrijver  zelf.  Wij  zullen  er  ons  toe  bepalen,  den  gang  der  ge- 
beurtenissen in  groote  trekken  te  vermelden,  aanwijzen,  wat  de 
voornaamste  bezwaren  zijn  geweest,  waarmede  men  te  worstelen 
heeft  gehad,  en  zeggen,  hoe  men  door  dapperheid  en  geestkracht 
die  bezwaren  is  te  boven  gekomen. 

Willem  III  die,  tot  de  overgave  van  de  stad,  zijn  hoofdkwar- 
tier gevestigd  had  gehouden  in  een  hoeve.  La  rouge  cense  of  La 
maison  rouge,  ten  noorden  van  de  Sambre,  had,  tijdens  het  beleg 
van  het  kasteel,  zijn  hoofdkwartier  tusschen  Sambre  en  Maas, 
in  de  abdij  van  Maloigne,  niet  ver  van  het  verblijf  van  Coe- 
hoorn;  de  keurvorst  van  Beieren,  tot  op  dien  tijd  gehuisvest  in 
die  abdij,  bracht  toen  zijn  verblijf  over  in  een  Karmeliten-klooster, 
zuidelijk  van  de  abdij  van  Maloigne,  en  niet  ver  van  den  lin- 
keroever van  de  Maas.  In  den  nacht  van  den  6en  op  den  7  en 
Augustus  begon  het  geschutvuur  tegen,  en  van,  het  kasteel  van 
Namen;  de  eerstvolgende  dagen  werden  door  den  belegeraar 
doorgebracht  met  het  opwerpen  van  verschillende  batterijen,,  en 
met  het  maken  van  twee  nadernissen,  de  eene  uitgaande  van  de 
linie  van  Vauban,  en  de  andere  van  La  Balance  en  Salsines. 

De  loopgravenwacht  werd  toen  vastgesteld  op  eene  sterkte  van 
3400  man,  onder  bevel  van  één  generaal-majoor,  één  brigadier 
en  vier  kolonels;  bovendien  waren  in  de  nadernissen  meestal 
een  700  schansgravers;  —  in  de  laatste  dagen  van  het  beleg 
klom  de  loopgravenwacht  in  sterkte  tot  bij  de  5000  man.  Die 
wacht  was,  tot  op  dien  tijd,  samengesteld  uit  geheele  bataljons; 
thans  week  men  van  die  handeling  af,  en  nam  detachementen 
uit  ieder  bataljon,  of  regiment;  —  op  dezelfde  wijze  als  thans 
nog,  volgens  óns  garnizoens-reglement,  de  wachtparade  wordt 
samengesteld.   Dit  is   eene   verkeerde  samenstelling;  het  is  veel 


Digitized  by 


Google 


330  KRIJGS-   KN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

beter,  de  wachten  samen  te  stellen  uit  bestanddeelen  van  een  en 
hetzelfde  korps;  500  man,  tot  één  regiment  behoorende,  hebben 
oneindig  meer  kracht  en  samenhang,  dan  500  man  uit  tien  ver- 
schillende regimenten  getrokken;  die  waarheid  behoort  tot  het 
ABC  van  de  krijgskunst,  niet  juist  van  de  krijgskunst  van  onzen 
tijd,  maar  van  de  krijgskunst  van  alle  tijden. 

Naar  gelang  de  nieuwe  batterijen  van  den  belegeraar  werden 
bewapend,  begonnen  zij  ook  haar  vuur  te  openen  op  het  kasteel 
en  zijne  onderhoorige  werken;  den  lacQ  Augustus  was  dit  vuur 
reeds  vrij  ernstig;  en  den  i6en  waren  reeds  78  vuurmonden  in 
werking  tegen  het  kasteel:  40  kanonnen  en  12  mortieren  uit 
batterijen  nabij  de  Brusselsche  poort,  in  de  stad,  en  12  kanon- 
nen en  10  mortieren  uit  batterijen  aan  de  overzijde  van  de  Maa&y 
nabij  de  faubourg  de  Jambe,  Het  vuur  van  de  reeds  bestaande 
batterijen  begunstigde  het  aanleggen  van  nieuwe,  onmiddellijk 
bij  de  Sambre,  in  de  stadswallen  en  stadstuinen;  die  nieuwe 
batterijen  moesten  dienen  tegen  fort  Willem,  en  tegen  Terra 
Nova.  In  de  Campagne  de  1695  wordt  het  onverklaarbaar  ge- 
vonden, dat  de  belegerde  het  aanleggen  van  die  batterijen  bij 
de  Sambre  zoo  lijdelijk  bleef  aanzien;  daar  hij  dit  toch  bad 
kunnen  tegengaan,  niet  alleen  door  kanonvuur,  maar  zelfs  door 
geweerschoten  uit  de  werken  van  Terra  Nova.  Die  lijdelijkheid 
—  wordt  er  bijgevoegd  —  kan  alleen  verklaard  worden  door 
het  onophoudelijk  geschutvuur  van  onze  zijde<,  dat  den  verdediger 
opgesloten  hield  in  zijne  bomvrije  lokalen,  zoodat  men  in  de 
binnenruimte  van  het  kasteel  haast  niemand  zag.  —  Hoe  heeft 
men,  uit  de  stad,  die  binnenruimte  van  het  kasteel  kunnen  zien  P 
Misschien  van  een  der  torens? 

Dat  het  geschutvuur  van  de  bondgenooten  groote  uitwerking 
had,  kan  men  ontwaren  uit  het  Fransche  Journal  du  siège  de 
Namur;  daarin  wordt  onder  andere  gezegd,  dat  op  den  i  len  Augus- 
tus .door  dat  vuur  op  het  kasteel  meer  dan  60  man  werden  ge- 
dood of  gewond;  en  van  den  i4en  Augustus  wordt  gezegd:  »de 
vijand  wierp  zulk  een  groot  aantal  bommen,  dat  men  niet  wist 
waar  zich  te  beveiligen.  Mortieren  had  hij  in  verschillende  bat- 
terijen, en  die  onderhielden  zulk  een  kruisvuur  dat  het  onmo- 
gelijk was  om  zich  daartegen  te  dekken.'* 

Volgens  dat  Fransche  journaal  waren  de  verdedigers  vooral 
bezorgd  voor  de  benedenstad,  die  geducht  geteisterd  werd  door 
het  geschut  van  Coehoorn;  en  waar,  in  den  zwakken  hoofdwal, 
eene  bres  was  geschoten  die  op  den  1500  Augustus  reeds  eene 
breedte  had  van  een  120  el.  De  Franschen  hadden,  zoo  goed 
en  zoo  kwaad  als  dit  kon,  in  de  benedenstad  binnenverschan* 
singen  gemaakt,  en  daarbij  sterke  afdeelingen  geplaatst,  om  eene 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   HET   KASTEEL  VAN   NAMEN.  33 1 

bestorming  af  te  slaan;  bij  ééne  gelegenheid  stond  die  verdedi- 
gende macht  zestien  uren  aan  één  stuk  onder  de  wapens,  om 
den  vijand  af  te  wachten;  —  maar  de  vijand  kwam  niet.  Het 
gevaar  van  eene  bestorming  was  min  of  meer  dreigend,  naar 
gelang  er  meer  of  min  water  was  in  de  rivieren;  enkele  dagen 
regende  het  sterk  en  werden  de  rivieren  daardoor  ondoorwaad- 
baar,  zoodat  er  geen  bestorming  was  te  duchten;  maar  den 
i3en  Augustus  was  de  waterstand  in  de  Sambre  maar  4^5 
palm;  ook  den  isen  was  de  rivier  gemakkelijk  doorwaadbaar; 
totdat  er  dien  dag  een  sterke  regen  viel,  die  ook  den  i6en  aan- 
hield, de  rivieren  weer  aanmerkelijk  deed  wassen,  en  dus,  voor 
het  oogenblik,  de  benedenstad  weer  waarborgde  tegen  eene  be- 
storming. 

Boufflers  wilde  zijn  toevlucht  nemen  tot  uitvallen;  —  maar 
gedurig  gaf  hij  toe  aan  den  raad  van  zijn  onderbevelhebbers, 
die  van  dit  middel  geen  gebruik  wilden  maken,  om  geen  ge- 
vaar te  loopen  van  later  niet  sterk  genoeg  te  zijn  om  eene  be- 
storming af  te  slaan.  Uitvallen,  met  zeer  kleine  afdeelingen,  had- 
den er  echter  van  tijd  tot  tijd  plaats,  om  daardoor  den  belege- 
raar in  onrust  te  houden,  en  de  werkzaamheid  aan  de  loopgraven 
te  vertragen. 

In  den  nacht  van  den  i8en  op  den  i9en  Augustus  had  er 
echter,  op  grooter  schaal,  een  uitval  plaats  uit  het  fort  Willem, 
tegen  de  loopgraven  naar  de  zijde  van  Salsines;  120  dragonders 
en  4  compagnieën  grenadiers  waren  aan  het  hoofd  van  dien  uit- 
val, en  werden  gevolgd  door  eene  sterke  afdeeling,  die  hen 
moest  steunen  bij  het  verder  doordringen.  Die  uitval  liep  echter 
niet  goed  af;  de  Franschen  werden  met  verlies  teruggeslagen, 
omdat  —  zooals  het  Journal  du  stege  de  Namur  zegt,  —  het 
voornemen  van  uit  te  vallen  aan  de  bondgenooten  bekend  was 
geworden,  en  deze  dus  op  hunne  hoede  waren.  Het  Journal 
voegt  er  bij,  dat  Boufflers,  die  van  een  uitspringenden  hoek  van 
den  bedekten  weg  de  uitvallers  gadesloeg,  daar  bijna  werd  ge- 
dood {manqua  d*y  estre  tué).  » Haast  was  de  man  dood"  —  zegt 
het  spreekwoord  —  >en  toen  leefde  hij  nog  zeven  jaar";  — 
Boufflers  heeft  nog  veel  langer  geleefd,  na  dien  mislukten  uitval, 
toen  hij  ook  haast  dood  was. 

Coehoorn  gaf  den  2osteD  Augustus  bericht  aan  Willem  III,  dat 
al  het  belegeringsgeschut  —  in  alles  161  vuurmonden  —  in  bat- 
terij stond,  en  den  volgenden  dag  het  vuur  kon  openen,  op  het 
uur  dat  Zijne  Majesteit  zou  verkiezen.  Den  21  sten,  's  ochtends 
om  zeven  uur,  begon  het  vuur  van  al  de  batterijen,  en  dit  werd 
voortgezet  tot  den  nacht. 

De  uitwerking  moet  vreeselijk  zijn  geweest.  Van  onze  zijde 


Digitized  by 


Google 


332  KKIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

wordt  daarover  gezegd,  in  de  Campagne  de  1695:  »de  donder 
van  het  geschut  was  verschrikkelijk.  Het  kanon  vernielde  de 
muren;  en  de  bommen  brachten  den  vreeselijksten  schrik  te 
weeg  onder  de  bezetting;  nooit  heeft  men  zoo'n  verwarring  ge- 
zien, als  toen  onder  de  belegerden.  Daar  de  binnenruimten  van 
het  fort  Coehoorn"  (fort  Willem)  >en  van  Terra  Nova  rijzende 
zijn,  kon  men  gemakkelijk  het  gewoel  zien  dat  daar  heerschte. 
De  paarden  hadden  tot  nu  toe  eenige  rust  gehad;  maar  nu  zag 
«len  ze,  verbijsterd  door  dit  verschrikkelijk  gedruisch,  overal 
losbreken,  in  het  wilde  loopen,  en  vele  zelfs  zich  naar  beneden 
«torten,  zonder  zich  te  bekreunen  om  grachten  en  palissaden." 

Het  Fransche  Journal  du  siège  de  Namur  stemt  hiermede  over- 
een. Reeds  op  den  iSen  Augustus  zegt  het,  dat  de  14  batterijen 
van  den  belegeraar  den  ganschen  dag  doorvuurden:  » nooit  heeft 
men  zulk  een  verwoesting  zien  aanrichten;  nergens  was  men 
veilig."  Op  den  2 1  sten  Augustus  —  zegt  het  —  brachten  de  be- 
legeraars 20  batterijen  in  werking,  met  bijna  200  kanonnen  of 
mortieren:  »daar  men  nog  nooit  zulk  een  geducht  leven  had 
gehoord,  waren  de  soldaten  en  de  dragonders  aanvankelijk  eenigs- 
zins  ontsteld.  De  Maarschalk  beijverde  zich  met  zich  overal  te 
vertoonen,  om  de  zijnen  gerust  te  stellen,  en  hen  aan  te  manen 
het  gevaar  kloekmoedig  onder  de  oogen  te  zien.  De  Ridder  De 
Boufflers,  zijn  naaste  bloedverwant,  de  eenige  van  denzelfden 
naam,  en  die  bij  hem  dienst  deed  als  adjudant,  werd  aan  zijn 
zijde  gedood.  Alle  bomvrije  lokalen  deed  hij  inruimen  voor  de 
bezetting;  en  voor  zichzelf  hield  hij  maar  zooveel  plaats  over, 
als  noodig  was  om  er  een  matras  te  leggen.  Dat  geduchte  vuur 
hield  aan  tot  den  nacht,  met  zooveel  geweld,  dat  men  elkander 
nauw  kon  verstaan,  en  dat  de  lucht  verduisterd  werd  door  den 
kruitdamp.  Dien  dag  werden  bijna  200  man  gedood  of  ge- 
wond." —  Eene  andere  opgave  spreekt  van  een  verlies  van  300  man. 

De  Fransche  artillerie  was  niet  in  staat  om  het  vol  te  houden 
tegen  de  artillerie  van  de  bondgenooten ;  —  de  gewone  gang 
van  zaken  bij  een  beleg.  Een  deel  van  het  geschut  van  het  kas- 
teel, —  15  k  18  kanonnen  en  mortieren  —  werd  aanvankelijk 
aangewend  tegen  de  stad  Namen,  maar  met  weinig  goed  ge- 
volg: men  schoot  daar  vijf  of  zes  huizen  omver,  beschadigde  er 
nog  eenige,  maar  moest  weldra  afzien  van  die  handeling,  daar 
de  overmachtige  artillerie  van  den  belegeraar  die  Fransche  vuur- 
monden  spoedig  tot  zwijgen  bracht.  Wil  men  een  blijk  van  de 
machteloosheid  waartoe  de  artillerie  van  de  vesting  was  ver- 
vallen, men  vindt  het  in  de  omstandigheid  dat  op  den  24sten 
Augustus,  op  klaarlichten  dag,  de  belegeraar  zijne  loopgraven 
deed  vooruitgaan,  »wolbalen  voor  zich  uit  schuivende,  om  zich 
te  dekken  tegen  de  musketschoten  uit  den  bedekten  weg  van 
fort  Willem;"  —   voor  kanonkogels    schijnt  hij   dus,  daar, 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   HET   KASTEEL   VAN   NAMEN.  335 

niet  meer  beducht  te  zijn  geweest.  Het  Fransche  Journal  zegt, 
dat  na  den  21  sten  Augustus  de  bezetting  dagelijks  door  het  vuur 
van  den  belegeraar  nooit  minder  dan  60  k  80  man  verloor; 
magazijnen  en  andere  gebouwen  werden  door  dat  vuur  verwoest ; 
en  den  26sten  Augustus  waren  er  vijf  groote  bressen :  een  in  de 
benedenstad:  een  in  de  rechterzijde  van  Terra  Nova,  die  bijna 
geheel  in  puin  lag;  en  drie  bressen  aan  de  rechterzijde  van  fort 
Willem,  —  bressen,  groot  genoeg  voor  een  bataljon. 

Let  men  op  die  verwoesting  en  vernieling,  door  het  geschut 
van  den  belegeraar  aangericht  in  het  Namensche  kasteel,  dan 
moet  men  de  verdediging  van  dat  kasteel  heldhaftig  noemen ;  — 
even  heldhaftig  als  de  verdediging  van  Antwerpen 's  citadel  in 
1832,  toen  zij  weken  lang  een  verwoestend  en  vernielend  ge- 
schutvuur  doorstond.  —  Dat  vuur  op  het  Namensche  kasteel 
moest  eene  groote  en  algemeene  bestorming  voorbereiden  en 
gemakkelijk  maken ;  in  afwachting  daarvan  had  er  nog  een  enkele- 
kleine aanval  plaats. 

Den  25steii  Augustus  vermeesterden  de  bondgenooten  de  lunet 
op  den  rechteroever  van  de  Sambre,  tusschen  de  stad  en  fort 
Willem;  twee  aan  elkander  gekoppelde  schuiten,  waarop  een 
zestigtal  grenadiers  waren,  zakten  des  namiddags  om  vijf  uur  de 
Sambre  af,  bereikten  de  keel  der  lunet,  en  namen  met  weinig 
moeite  dit  werk,  dat  slechts  door  15  of  16  man  was  bezet.  Om 
de  aandacht  van  de  Franschen  af  te  leiden,  hadden  er  tegelijker- 
tijd vertooningen  plaats  tot  een  aanval  naar  de  zijde  van  La 
Cassotte.  —  Volgens  Fransche  opgaven  had  er  dien  dag  nog  een- 
uitval  plaats  uit  de  benedenstad,  naar  het  hoogere  gedeelte  van 
de  Maas,  naar  den  weg  van  Dinant;  pas  aangekomen  Hessische 
troepen  zouden  daarbij  eenig  verlies  hebben  geleden :  40  dooden 
en  23  gevangenen.  Onze  opgaven  zwijgen  van  dit  kleine  nadeel. 

Tien  dagen  lang  woedde  het  vuur  van  Coehoorn's  batterijen; 
den  3osteD  Augustus  meende  mén  dat  het  'svijands  kracht  vol* 
doende  had  gebroken,  om  tot  de  bestorming  te  kunnen  over- 
gaan. De  belegeraar  wilde  eerst  nog  eene  poging  aanwenden, 
om,  zonder  bloedvergieten,  meester  te  worden  van  de  zoo  geteis- 
terde sterkte. 

Om  elf  uur  's  ochtends  hield  het  vuur  der  belegeraars  een- 
oogenblik  op,  en  vertoonden  zich  op  den  hoofdwal  der  stad, 
tegenover  het  kasteel,  Bentinck  en  Hoome,  verlangende  een 
niondgesprek  te  hebben  met  de  Fransche  bevelhebbers;  drie 
dier  bevelhebbers,  Laumont,  Sainte  Hermine  en  Grammont, 
kwamen  daarop,  op  het  tegenoverliggende  bastion  van  het  kas* 
teel.  Hoome  deed  toen  de  opeisching,  in  naam  van  den  keur- 
vorst van  Beieren;  hij  toonde  de  nutteloosheid  aan  van  eene- 


Digitized  by 


Google 


334  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

verdere  verdediging,  daar  Villeroy,  na  drie  dagen  te  hebben 
gestaan  tegenover  het  leger  van  Willem  III  zonder  het  te  dar- 
ven  aanvallen,  was  afgetrokken  naar'  de  Méhaigne.  Het  antwoord 
van  de  Fransche  officieren  was,  dat  zij  de  beslissing  van  Bouf- 
fiers  hierover  moesten  vragen ;  een  kort  uitstel  werd  hiertoe  ver- 
leend; maar  toen  de  tijd  van  dat  uitstel  reeds  lang  verstreken 
was  en  het  antwoord  nog  uitbleef,  verwijderden  zich  Bentinck 
en  Hoorne  en  staakten  zij  eene  poging,  die  wel  is  waar  een  goed 
doel  had,  maar  tevens  gepaard  ging  met  het  nadeel,  dat  de 
vijand  daardoor  gewaarschuwd  werd,  dat  het  oogenblik  van  de 
bestorming  nabij  was. 

Bouffiers  had  sedert  een  maand  niets  van  Villeroy  vernomen; 
den  26steQ  Augustus  had  men  kanonvuur  gehoord  naar  de  zijde 
van  Mazy,  en  daaruit  kunnen  opmaken  dat  het  Fransche  leger 
nabij  was;  den  volgenden  dag  had  men  van  een  overlooper  ver- 
nomen, dat  dit  inderdaad  het  geval  was;  maar  toen  verliepen  er 
weer  dagen,  zonder  dat  er  van  ontzet  iets  kwam ;  de  hoop  daarop 
begon  dus  te  verflauwen;  en  bij  den  geheel  ontredderden  toe- 
stand waarin  zijne  vesting  verkeerde,  zou  het  dus  zeer  natuurlijk 
zijn  geweest,  als  de  Fransche  maarschalk  tot  de  overgave  had 
besloten  en  een  einde  had  gemaakt  aan  eene  verdediging  die 
roemvol  was  geweest.  Maar  de  heldengeest  van  Boufflers  liet  hem 
niet  toe  om  te  zwichten,  zoolang  er  middelen  waren  ter  verdedi- 
ging; hij  bereidde  zich  ten  strijd.  De  opeisching,  het  samen- 
trekken van  sterke  afdeelingen  in  de  loopgraven,  en  het  uitdeelen 
van  pieken  en  rechte  zeisen  bij  den  belegeraar,  lieten  geen 
twijfel  over  of  de  storm  zou  aanvangen;  en  de  bezetting  van 
het  kasteel  stond  op  de  verschillende  posten  in  't  geweer,  gereed 
om  den  vijand  het  hoofd  te  bieden. 

Boufflers  zelf  plaatste  zich  met  500  man  in  Terra  Nova; 
Mégrigny,  d'Asfeld  en  De  Nogent  waren  bij  hem.  Bij  het  ge- 
kazematteerde  bastion  tusschen  Terra  Nova  en  La  Cassette  stond 
Guiscard  met  1000  man.  Van  het  fort  Willem  was  de  bedekte 
weg  sterk  bezet:  aan  de  rechterzijde  —  het  meest  bedreigde 
gedeelte  —  door  Reignac  met  600  man ;  aan  de  linkerzijde  door 
De  Quélus  met  300.  In  het  fort  zelf  was  De  Prince  met  500 
man,  terwijl  bovendien  het  ravelijn  nog  bezet  was  door  100  man 
onder  De  Montagnac;  —  De  Prince  was  nog  slechts  kort  bevel- 
hebber in  fort  Willem;  vroeger  had  daar  bevel  gevoerd,  De 
Moulinneuf;  maar  die  dappere  en  bekwame  officier  was  den 
2 5 sten  Augustus  doodelijk  gewond  geworden.  In  den  bedekten 
weg  van  La  Cassette  stond  Saint  Laurent,  met  1200  man,  terwijl 
bovendien  een  60  man,  onder  den  kapitein  De  la  Cime,  het 
Duivelshuis  bezet  hielden ;  —  bij  La  Cassotte  en  bij  fort  Willem 
verwachtte   men  den  storm   het  eerst;  minder  bij  Terra  Nova, 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   HET   KASTEEL  VAN   NAMEN.  335 

waarvan  's  vijands  loopgraven  nog  zoo  ver  waren  verwijderd.  De 
benedenstad  was  bezet  door  lyco  man,  onder  De  Lomont,  ter- 
wijl 'm  het  eigenlijke  kasteel,  het  donjon^  nog  500  man  waren, 
onder  Marigny. 

Telt  men  al  die  cijfers  op,  dan  komt  men  tot  een  geheel  be- 
drag van  6460  man,  voor  de  sterkte  die  de  Fransche  bezetting 
toen  had.  Dit  cijfer  komt  vrij  wel  overeen  met  de  sterkte  bij  de 
overgave,  in  verband  gebracht  met  de  verliezen,  door  de  Fran- 
schen  bij  die  bestorming  van  den  3osten  Augustus  geleden. 

Zijn  de  Fransche  opgaven  uitvoerig  en  duidelijk  in  de  ver- 
melding van  de  plaatsing  der  verdedigende  macht  op  den  3osteii 
Augustus,  ook  onze  opgaven  laten  weinig  te  wenschen  over,  wat 
de  beschikkingen  voor  de  bestorming  aangaat.  Ziehier  wat  dien- 
aangaande wordt  gezegd. 

Terra  Nova  zou  worden  bestormd',  want  —  wordt  gezegd  — 
juist  omdat  de  loopgraven  nog  op  zoo  grooten  afstand  waren 
van  de  bres  van  dat  werk  —  een  7  ^  800  pas  —  was  er  te 
meer  kans  dat  de  storm  zou  gelukken,  omdat  de  vijand  er  niet 
op  verdacht  zou  zijn.  —  Die  redeneering  is  wel  wat  vreemd;  er 
waren  evenwel  andere  redenen,  die  het  doen  van  dien  storm  op 
een  zoo  grooten  afstand  eenigszins  konden  verontschuldigen.  De 
bres  was  zeer  beklimbaar;  en,  niet  alleen  door  geschutvuur,  maar 
ook  door  het  geweervuur  van  400  infanteristen,  daartoe  sedert 
eenige  dagen  op  den  stadswal  geplaatst,  had  men  den  vijand 
belet  de  bres  af  te  graven,  of  aldaar  binnen  verschansingen  te 
maken.  Bovendien  zou  de  stormcolonne  aangevoerd  worden  door 
lord  Cutts,  een  Engelsch  of&cier  van  buitengewone  dapperheid, 
die  bij  den  strijd  altijd  daar  gevonden  werd,  waar  het  vuur  het 
hevigst  was,  en  daarom  van  zijne  soldaten  den  roemvollen 
bijnaam  had  verkregen  van  >de  Salamander".  —  Cutts  zou  3500 
man  aanvoeren,  Engelschen;  daarvan  zouden  300  grenadiers 
voorafgaan,  en  door  de  bataljons  worden  gevolgd. 

Om  Cutts,  bij  zijn  marsch  naar  de  bres  van  Terra  Nova,  te 
dekken  in  de  rechterflank  tegen  de  aanvallen  die  de  Franschen 
uit  fort  Willem  konden  doen,  zou  de  kolonel  De  Marsilly  met 
500  man  zich  plaatsen  in  eene  verlaging  van  het  terrein,  tusschen 
fort  Willem  en  Terra  Nova. 

De  bressen  van  fort  Willem  moesten  worden  bestormd  door 
een  3000  man,  nl.  2000  Hollanders,  1000  Beierschen;  de 
Beiersche  generaal  Rivera  zou  hen  aanvoeren.  Om  die  bestor- 
ming te  ondersteunen  moest  tegelijkertijd  de  bedekte  weg  aan 
de  linkerzijde  van  fort  Willem  worden  aangevallen,  door  den 
generaal  De  la  Cave,  met  2000  man  Hollandsche  en  Branden- 
burgsche  troepen.  Eindelijk  zou  de  generaal  Schwerin,  met  2000 
man,   aanvallen    op    La   Cassotte   en   het    Duivelshuis.    —    900 


Digitized  by 


Google 


336  KRUOS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

schansgravers,  in  drie  afdeelingen  gesplitst  en  door  ingenieurs 
aangevoerd,  zouden  de  stormcolonnen  vergezellen;  zij  hadden 
fascinen  bij  zich  en  delfgereedschap,  en  sommigen  hunner  waren 
van  ladders  voorzien.  —  Het  geheel  der  stormcolonnen  bedroeg 
een  lo  è.  12000  man. 

Toen  Bentinck  en  Hoorne  zich  na  de  vruchtelooze  opeisching 
van  de  vesting  verwijderd  hadden,  begonnen  de  batterijen  van 
den  belegeraar  weer  te  spelen ;  dit  vuur  hield  aan  tot  half  twee, 
toen  de  bestorming  begon;  een  ton  met  buskruit,  in  de  vlakte 
bij  Salsines  ontstoken,  is  het  voor  allen  zichtbare  sein  tot  dien  storm» 

Cutts  snelt  met  zijn  300  grenadiers  vooruit;  hij  laat,  door  zijne 
onstuimige  drift  vervoerd,  zijne  bataljons  verre  achter  zich;  hi> 
bereikt  de  bres  van  Terra  Nova  en  dringt  daar  binnen.  Een 
honderdtal  Fransche  soldaten  is,  in  het  eerste  oogenblik,  alles 
wat  hij  tegenover  zich  vindt;  maar  deze  houden  goed  stand,  en 
worden  versterkt,  eerst  door  een  ander  honderdtal,  daarna  door 
BoufBers  zelf,  die  met  den  degen  in  de  vuist  zijne  geheele  be- 
schikbare macht  tegen  de  Britten  aanvoert.  Tegelijkertijd  zendt 
Guiscard,  onderricht  van  het  gevaar  dat  bij  Terra  Nova  dreigt, 
eene  sterke  afdeeling  ter  hulp;  die  afdeeling  werpt  zich  op  de 
500  man  van  Marsilly,  en  slaat  die;  Marsilly  sneuvelt.  Cutts  en 
zijne  grenadiers  loopen  nu  gevaar  van  afgesneden  te  worden, 
indien  zij  langer  bij  de  bres  blijven;  zij  gaan  dus  ijlings  terug; 
daardoor,  en  door  het  teruggaan  van  Marsilly's  colonne,  worden 
ook  de  achterstaande  Ëngelsche  bataljons  in  verwarring  gebracht 
en  gaan  deze  ook  terug.  De  storm  is  hier  mislukt,  en  wordt  niet 
hervat;  —  tot  die  mislukking  heeft  bijgedragen  het  kanonvuur 
der  Franschen,  uit  een  bastion  van  het  kasteel  vlak  aan  de 
Sambre  gelegen,  niet  ver  van  de  bres  van  Terra  Nova. 

De  bestorming  door  de  colonne  van  Rivera  loopt  wat  minder 
slecht  af,  zonder  evenwel  geheel  te  gelukken.  Rivera  heeft  last, 
niet  juist  om  den  bedekten  weg  van  fort  Willem  te  vermees- 
teren, maar  om  die  sterkte  zelve  binnen  te  dringen  en  te  nemen 
door  de  meer  zuidelijk  liggende  bressen.  Die  last  wordt  verkeerd 
begrepen;  Rivera  houdt  te  veel  rechts  aan;  hij  sneuvelt,  bij  het 
begin  van  den  strijd;  zijn  opvolger,  een  prins  van  Holstein, 
wordt  zwaar  gewond  en  daardoor  buiten  gevecht  gesteld;  de 
colonne  is  een  oogenblik  zonder  bevelhebber;  en  in  plaats  van 
den  storm  door  te  zetten,  houdt  men  halt  op  een  twintig  pas 
afstands  van  den  bedekten  weg  en  begint  een  vuurgevecht  tegen 
de  daar  opgestelde  soldaten  van  Reignac.  Dat  vuurgevecht  houdt 
drie  uren  aan,  zonder  tot  eene  beslissing  te  leiden;  eindelijk, 
komt  Cutts  met  een  3  k  400  zijner  Engelschen,  en,  hoezer  ge- 
wond,  bestormt  die  dappere  aanvoerder  den  bedekten  weg,  werpt 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN  HET   KASTEEL   VAN   NAMEN.  337 

de  Franschen  daaruit,  en  graaft  zich  in.  Van  een  binnendringen 
door  de  bressen  kan  echter  geen  sprake  meer  zijn,  daar  men  te 
groote  verliezen  heeft  geleden. 

De  aanval  van  La  Cave  gelukt:  hij  verdrijft  de  soldaten  van 
Quélus  uit  den  bedekten  weg  van  de  linkerzijde  van  het  fort 
Willem,  en  graaft  zich  daar  in. 

Evenzoo  slaagt  Schwerin  bij  La  Cassotte:  met  hevigheid  aan- 
vallende op  den  bedekten  weg,  voorzien  van  ecne  dubbele 
palissadeering,  en  verdedigd  door  Saint- Laurent  met  1200  man, 
vermeestert  hij  dien  bedekten  weg  en  graaft  zich  daar  in ;  Saint- 
Laurent  trekt  terug  op  de  lunet  tusschen  La  Cassotte  en  Terra 
Nova.  Het  Duivelshuis  blijft  echter  in  de  macht  van  de  Franschen: 

Heeft  er  toen,  gelijktijdig,  ook  eene  bestorming  plaats  gehad 
van  de  benedenstad?  —  Ziehier  wat  het  Fransche  Journal  du 
siège  de  Namur  daarvan  zegt: 

>De  vijand,  die  de  benedenstad  wilde  bestormen,  gelijktijdig 
met  het  kasteel,  deed  een  schijnaanval  bij  de  poort  van  Bulley" 
(dit  was  de  poort  der  benedenstad,  waardoor  men  naar  het  hoo- 
gere gedeelte  van  de  Maas  ging,  de  weg  naar  Dinant),  »De  heer 
De  la  Marre,  die  dit  gedeelte  bezette,  verdreef  hem  met  weinig 
moeite;  —  maar  op  hetzelfde  oogenblik  deboucheerde  de  vijand 
uit  de  stad,  door  de  poort  van  Graver,  schaarde  zich  in  slag- 
orde en  ging  de  Sambre  over  die  doorwaadbaar  was;  toen  hij 
de  bres  wilde  beklimmen  bij  Grogneau,"  (de  poort  der  beneden- 
stad bij  de  samenvloeiing  van  Maas  en  Sambre),  >deed  de  heer 
De  Lomont  hem  aanvallen  door  honderd  dragonders,  onder 
bevel  van  de  heeren  Dantigny  en  den  Markies  De  Maury,  ge- 
steund door  den  heer  De  La  Borie  en  door  den  kapitein  der 
grenadiers  van  het  bataillon  van  Sobre.  Men  richtte  een  zoo 
hevig  vuur  op  den  vijand  en  men  doodde  hem  zooveel  volks, 
dat  het  water  der  rivier  rood  werd  van  het  bloed;  zoodat  hij, 
niet  langer  kunnende  standhouden,  de  vlucht  nam.  De  Markies 
De  Maury  sneuvelde  hier,  met  veel  andere  officieren.  De  heer 
De  Lomont  betoonde  hier  veel  dapperheid  en  beleid..." 

Dit  verhaal,  van  Fransche  zijde  gegeven  over  een  aanval  op 
de  benedenstad,  laat  bijna  geen  twijfel  over,  of  die  aanval  heeft 
plaats  gehad;  de  zaak  wordt  te  veel  in  bijzonderheden  vermeld, 
met  geuren  en  kleuren,  zoodat  het  niet  aangaat  om  het  feit  ge- 
heel te  loochenen;  men  kan  hier  aan  overdrijving  denken,  mis- 
schien, doch  geenszins  aan  geheele  verdichting.  Maar  opmerkelijk 
is  het,  dat  in  de  verhalen  van  onze  zijde  over  die  bestorming 
van  den  3osten  Augustus,  met  geen  enkel  woord  gewag  wordt 
gemaakt  van  een  aanval  op  de  benedenstad;  —  alleen  in  een 
brief  van  Van  Vredenburch  van  Adrichem,  van  den  31  sten  Augus- 
tus aan  Heeren  Gecommitteerde  Raden    wordt  gewaagd  van  vier 

WILLEM  III.  —  ni,  22 


Digitized  by 


Google 


338  KRIJGS-   KN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

verschillende  aanvallen  op  het  kasteel  en  zijne  onderhoorigheden, 
en  er  dan  bijgevoegd :  » zijnde  de  vijffde  maer  een  loze  attacqne 
geweest  op  dat  gedeelte  van  de  stadt,  dat  bij  de  vyanden  noch 
geoccupeert  is."  —  De  schrijver  van  dien  brief  was  toen  echter 
niet  te  Namen,  maar  bij  het  leger  aan  de  Méhaigne;  en  wat  hij 
over  de  bestorming  zegt,  laat  aan  juistheid  te  wenschen  over. 

Toen,  tegen  vijf  uur  des  namiddags,  de  bestorming  ophield, 
was  de  uitkomst  van  den  strijd,  dat  men  door  geen  van  de 
bressen  was  binnengedrongen,  of  zich  daar  had  kunnen  ingraven, 
maar  dat  men  meester  was  van  den  geheelen  bedekten  weg, 
over  eene  lengte  van  een  3000  pas,  van  de  noordelijkste  bres 
van  fort  Willem  tot  aan  het  uiteinde  van  den  bedekten  weg  van 
La  Cassette.  Die  uitkomst  moge  —  zooals  de  Campagne  de  1695 
zegt  —  glorievol  zijn  geweest  voor  de  aanvallers,  het  doel  van 
de  bestorming  was  toch  maar  ten  halve  bereikt;  en  die  bestor- 
ming had  stroomen  bloeds  gekost.  Er  is  zeker  overdrijving  in 
de  Fransche  opgave,  dat  bij  dien  strijd  van  den  3osten  Augustus 
de  bondgenooten  verloren  hebben  3000  man  aan  dooden  en 
2000  aan  gewonden;  zeker  is  het  echter,  dat  hunne  verliezen 
zeer  gevoelig  zijn  geweest;  in  de  half  officieele  Campagne  de  1695 
worden  zij  geschat  op  2opo  man  aan  dooden  en  gewonden; 
onder  de  gesneuvelde  hoofdofficieren  worden  genoemd :  de  gene- 
raal Rivera;  de  kolonels  Coltrop,  Marsilly,  Lindroot  en  Heecke- 
ren;  de  luitenant-kolonels  Chenet,  Fabrice,  Heim,  Hompesch  en 
Derendal;  en  de  majoor  Jungheer.  Onder  de  gewonden  komen 
voor:  de  generaals  Cutts  en  de  Prins  van  Holstein-Norburg ;  de 
kolonels  Prins  van  Hessen-Homburg  —  later  aan  zijne  wonden 
gestorven  — ,  Linsburg,  Eppinger,  Canits,  Hoorne,  Dohna^  Den- 
hoff,  Hamilton,  Mackay,  en  Melune;  de  luitenant-kolonel  Rolas; 
en  de  majoor  Sékeim. 

Maar  ook  de  bezetting  van  Namen's  kasteel  had  het  behoud 
van  hare  vesting  duur  gekocht:  van  elke  drie  Fransche  officieren 
was  er  één  gedood  of  gewond;  en  het  geheele  verlies  aan  ge- 
sneuvelden en  gewonden  wordt  door  het  Fransche  Journal  be- 
groot op  een  1500  man. 

Die  strijd  van  den  3osten  Augustus  1695  was  bloedig  geweest» 
maar  roemvol  voor  de  beide  partijen;  roemvol  —  wat  den  hel- 
denmoed betreft.  Maar  kan  men  het  beleid  van  de  aanvallers 
ook  roemvol  noemen?  —  dit  is  meer  twijfelachtig:  die  bestor- 
ming van  Terra  Nova  is  een  roekeloos  waagstuk  geweest;  men 
heeft  daarbij  te  veel  gerekend  op  de  vernieling,  door  Coehoom's 
artillerie  teweeggebracht,  te  weinig  op  de  buitengewone  dapper- 
heid van  Boufflers  en  van  zijne  soldaten. 


I 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN  HET  KASTEEL   VAN  NAMEN.  339 

De  uitkomst  van  den  strijd  van  den  3os^eii  Augustus  bracht 
bij  sommigen  in  het  leger  der  bondgenooten  ontmoediging 
teweeg.  Den  sen  September  —  na  de  overgave  van  het  kasteel  — 
schrijft  Obdam  aan  den  raadpensionaris  Heinsius  onder  andere 
het  volgende: 

iGij  zult  waarschijnlijk  met  de  laatste  post  de  overgave  van 
het  kasteel  van  Namen  vernomen  hebben,  waarvoor  de  groote 
en  goede  God  niet  genoeg  kan  worden  geloofd,  want  het  is  een 
wonder  des  Hemels,  dat  niemand  nog  zoo  spoedig  had  ver- 
wacht. Gij  kunt  u  niet  verbeelden,  hoe  dit  aangename  nieuws  de 
gezichten  deed  ophelderen.  Reeds  begon  men  de  ooren  te  laten 
hangen,  maar  nu  staan  zij  omhoog,  bijna  als  die  van  Midas; 
want  werkelijk,  als  het  kasteel  zich  niet  had  overgegeven,  dan 
zouden  wij  zeer  verlegen  zijn  geweest  door  den  onophoudelijken 
regen  die  dezer  dagen  is  gevallen,  en  die  eene  bestorming  zou 
hebben  belet;  en  bovendien  waren  wij  een  weinig  gehinderd 
door  gebrek  aan  leeftocht  en  ook  aan  foeraadje,  die  hier  niet 
meer  voorhanden  is,  zoo  dat  onze  arme  paarden  zich  moeten 
vergenoegen  met  een  zeer  sober  maal.  In  één  woord,  wij  allen 
zijn  over  blij  dat  dit  treurspel  is  afgeloopen,  want  het  heeft  veel 
brave  mannen  gekost..." 

Den  31  sten  Augustus  —  nog  vóór  de  overgave  van  het  kas- 
teel — ,  schrijft  Van  Vredenburch  van  Adrichem  aan  den  Raad- 
pensionaris. Vredenburch  is  toen  bij  het  leger  aan  de  Méhaigne ; 
maar  hij  heeft  bericht  gekregen  van  den  storm  van  den  3osten, 
en  maakt  zich  van  de  toen  verkregen  uitkomst  de  ergste  voor- 
stelling; evenzoo  kleurt  hij  het  onbeduidende  cavaleriegevecht 
van  den  3osieQ  Augustus  met  de  zwartste  verven;  zijn  brief  aan 
Heinsius  is  geheel  ontmoediging: 

>Mon  cher  amy,  de  zaecken  doen  zich  niet  favorabel  op;  een 
goedt  gedeelte  van  de  cavallery,  uytgezonden  om  te  recognos- 
ceeren,  heeft  het  slecht  laeten  leggen;  ende  vreest  men,  dat  de 
rest,  een  bataille  voorvallende,  het  niet  beeter  sal  maecken.  De 
attaques  van  gisteren  zijn  slecht  uytgevallen;  wij  hebben  seer  veel 
volck  verlooren;  discontentement  van  generaels,  defecten  van 
behoeften,  —  enfin  tout  crie;  ick  roerde  deze  zaecken  in  den 
brieflf  aen  gecommitteerde  Raeden,  tot  dewelcke  mij  verder  refe- 
rere,  niet  aen,  maar  neme  de  vrijmoedigheyt  om  UWEG.  in 
confidencie  te  communiceren.  Den  HemelVil  ons  bijstaen." 

De  afgesleten  aanvallen  op  de  Gedeputeerden  te  velde  bij  de 
legers  der  Republiek  zijn  in  den  regel  onbillijk  of  overdreven: 
er  zijn  zeer  bekwame,  krachtvolle  mannen  geweest  onder  die 
Gedeputeerden,  De  heer  Van  Vredenburch  van  Adrichem  schijnt 
echter  moeielijk  te  kunnen  worden  geteld  onder  die  bekwame, 
krachtvolle  mannen;  hij  doet  zich  hier  veeleer  voor  als  behoo- 
rende  tot  hen  die  De  Genestet  bestempeld  heeft  met  den  naam 


Digitized  by 


Google 


340  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

van   » bevende  alarmisten",  —  een  ras  dat  bij  ons  te  allen  tijde 
nog  al  vertegenwoordigers  heeft  gehad. 

De  dag  van  31  Augustus  werd  door  den  belegeraar  gebruikt 
om  de  ingravingen  in  den  bedekten  weg  te  verbeteren  en  uit 
te  breiden,  en  door  gcschutvuur  de  bressen  in  fort  Willem  en 
Terra  Nova  af  te  kammen ;  bij  de  belegerden  beproefde  Mégrigny 
om,  achter  de  bres  van  Terra  Nova,  eene  binnenverschansing  te 
maken,  —  een  onbegonnen  werk,  dat  tot  niets  leidde.  De  Prince, 
de  bevelhebber  in  fort  Willem,  zond  bericht,  dat  die  sterkte 
nagenoeg  verwoest  was,  en  aan  hare  verdere  verdediging  be- 
zwaarlijk viel  te  denken. 

In  den  ochtend  van  den  isten  September  ziet  men  de  batal- 
jons van  de  bondgenooten  weer  in  de  loopgraven  vergaderd,  om 
nogmaals  de  bestorming  te  verrichten,  als  de  korte  wapenschor- 
sing  zal  afgeloopen  zijn,  die  gediend  heeft  om  de  dooden  en 
gewonden  van  den  3osten  Augustus  weg  te  voeren.  Uit  het  leger 
aan  de  Méhaigne  zijn  4000  grenadiers  aangekomen,  om  deel  te 
nemen  aan  den  aanval  op  het  kasteel.  —  Maar  de  onderbevel- 
hebbers van  BoufBers  hebben  den  Maarschalk  eindelijk  doen 
inzien,  dat  het  verder  voortzetten  van  de  verdediging  onmogelijk 
is  geworden;  eindelijk  hebben  zij  hem  overreed  om,  hoe  onwil- 
lig ook,  in  onderhandeling  te  treden.  Guiscard  treedt  als  par- 
lementair op,  bij  fort  Willem;  de  generaal  Lindeboom,  die 
zich  in  de  loopgraven  aldaar  bevindt,  staat  hem  te  woord;  en 
na  eenige  besprekingen  worden  de  voorwaarden  van  de  overgave 
vastgesteld.  Den  2en  September  neemt  de  belegeraar  fort  Willem 
en  andere  buitenwerken  in  bezit ;  den  560  trekt  de  bezetting  uit, 
met  wapens  en  krijgseer,  en  slaat  zij  den  weg  in  naar  Frankrijk. 

Die  dag  van  den  5en  September  1695  was  een  dag  van  triomf 
voor  Willem  III.  Vóór  de  bres  van  Terra  Nova,  waardoor  de 
Fransche  bezetting  moest  aftrekken,  stond  een  sterk  gedeelte 
van  de  legermacht  der  bondgenooten,  voetvolk  en  ruiterij,  op 
twee  liniën  geschaard;  aan  het  hoofd  dier  troepen,  op  een  paar 
honderd  pas  van  Terra  Nova,  de  Stadhouder,  die  den  keurvorst 
van  Beieren,  den  landgraaf  van  H essen-Kassei,  en  de  voornaamste 
generaals  bij  zich  had.  Om  tien  uur  's  ochtends  kwam  de  Fransche 
bezetting  opdagen,  uit  Terra  Nova:  41 21  man  infanterie,  861 
dragonders  te  voet,  en  138  te  paard.  Boufflers  en  Guiscard, 
vooraan  rijdende,  brachten  met  den  degen  hunne  groete  aan 
den  Keurvorst;  —  aan  Willem  III,  naar  het  schijnt,  niet;  men 
erkende  hem  in  Frankrijk  nog  niet  als  Koning  van  Groot-Brit- 
tanje,  en  vandaar  dat  de  Fransche  officieren  hem  nog  niet  als 
zoodanig  eer  konden  bewijzen.  Guiscard,  zich  bij  den  Keurvorst 
begevende,  antwoordde  op  eenige  beleefde  vragen  die  hem  wer- 


Digitized  by 


Google 


BELEG  VAN  HET   KASTEEL   VAN  NAMEN.  34 1 

den  gedaan;  en  de  Keurvorst,  den  hoed  in  de  hand,  bracht  die 
antwoorden  over  aan  Willem  III,  die  in  zijne  onmiddellijke 
nabijheid  was.  Het  was  de  eeuw  van  vormen  en  plichtplegingen ;  — 
dit  belette  niet,  dat  de  Fransche  officieren  en  soldaten,  in  het 
voorbijtrekken,  luide  toejuichingen  voor  Willem  UI  deden  hoo- 
ren;  —  want  ddt  is  een  van  de  edele  karaktertrekken  van  het 
Fransche  volk,  dat  het  de  grootheid  huldigt  ook  in  een  vijand,  en 
dat  het  te  allen  tijde  sympathie  heeft  voor  dapperheid  en  krijgsdeugd. 

Guiscard  is  nog  bij  den  Keurvorst,  en  Boufïlers  alleen  aan 
het  hoofd  van  zijne  troepen,  toen  hij,  iets  verder,  aangesproken 
wordt  door  Dijckvelt,  die  hem  verzoekt  zich  eenigszins  zijwaarts 
te  begeven,  daar  hij  hem  een  geheime  mededeeling  heeft  te 
doen.  >Ik  heb  geen  geheimen  voor  de  officieren  die  hier  bij  mij 
zijn;  zeg  dus  hardop  wat  gij  te  zeggen  hebt,"  is  het  antwoord 
van  den  Maarschalk.  Dijckvelt  hervat  daarop,  dat  hij  last  heeft 
van  den  koning  van  Groot-Brittanje  om  Boufflers  in  hechtenis 
te  nemen ;  y^arréter  un  maréchal  de  Francé'\  roept  deze  daarop  in 
drift  uit,  slaat  de  hand  aan  zijn  pistool,  en  roept  den  zijnen  toe 
y^a  mou  dragons''\  Maar  reeds  heeft  een  officier  van  de  garde  van 
Willem  ni,  met  een  aantal  ruiters,  zich  om  den  Maarschalk  heen 
geplaatst,  en  hem  afgescheiden  van  de  Fransche  troepen;  en 
Boufflers,  het  nuttelooze  inziende  van  weerstand  bieden,  laat  zich 
naar  de  stad  Namen  geleiden.  Hier  zegt  Dijckvelt  aan  Boufflers, 
dat  diens  aanhouding  is  veroorzaakt  door  het  gevangen  houden 
van  de  bezettingen  van  Dixmude  en  Deynse,  die,  volgens  de  be- 
staande overeenkomsten,  veertien  dagen  na  de  overgave  van  die 
steden,  moesten  zijn  ontslagen;  de  Maarschalk  zal  dadelijk  in 
vrijheid  worden  gesteld,  wanneer  hij  op  zijn  eerewoord  wil  be- 
loven, dat  die  bezettingen  onverwijld  zullen  worden  vrijgelaten. 
Natuurlijk  kan  Boufflers  die  belofte  niet  geven,  maar  Guiscard 
vertrekt  onverwijld  naar  Frankrijk,  om  den  Koning  in  kennis  te 
stellen  met  het  gebeurde;  daarop  volgt  dadelijk  het  bevel  om 
de  bezettingen  te  ontslaan ;  en  ook  Boufflers  keert,  na  eene  kort- 
stondige gevangenschap,  naar  Frankrijk  terug. 

> Gevangenschap"  is  hier  eigenlijk  het  juiste  woord  niet;  het 
is  beter,  te  spreken  van  > beperking  van  vrijheid";  —  want  van 
de  Holiandsche  zijde  werd  Boufflers  bejegend  met  dien  eerbied 
en  onderscheiding,  waarop  zijn  hooge  rang  en  zijne  uitstekende 
verdiensten  hem  een  billijke  aanspraak  gaven;  in  Frankrijk  terug- 
gekeerd, roemde  hij  dan  ook  die  bejegening.  Te  Maastricht,  in 
de  Commandery  van  de  Duitsche  Orde  gehuisvest,  had  de  Maar- 
schalk daar  eene  eerewacht,  waaraan  hij  iederen  dag  het  wacht- 
woord gaf;  hij  hield  open  tafel;  en  toen  hij,  bij  zijne  invrijheid- 
stelling, naar  Dinant  werd  teruggebracht  onder  geleide  van  200 
dragonders,  deed  hij  aan  ieder  dragonder  twee  Lou'ts  d'^or  geven. 


Digitized  by 


Google 


342  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOXJWINGEN. 

en  schonk  aan  de  officieren  gouden  of  zilveren  degens.  In  één 
woord,  het  faire  grand  van  zijn  koninklijken  meester  wist  hij 
trouw  na  te  volgen. 

Lodewijk  XIV  beloonde  verschillende  bevelhebbers  van  de 
Namensche  bezetting  met  bevordering  en  eereteekenen ;  Boufflers 
werd  Hertog  en  Pair  van  Frankrijk,  en  ontving  twintig  duizend 
francs  rente,  om  zich  eene  hertogelijke  bezitting  te  koopen. 
Boufflers  —  volmaakt  hoveling,  maar  op  grootsche  wijze,  een 
hoveling  van  de  goede  soort  —  zeide,  dat  de  blijdschap  over 
die  belooning  bij  hem  niet  opwoog  tegen  het  leedgevoel  dat  hij 
zijne  vesting  had  moeten  overgeven.  Ëeckeren,  Rijssel,  Malpla- 
quet  getuigen  op  hoe  schitterende  wijze  Boufflers,  ook  na  Namen, 
zijn  trouw  aan  de  zaak  zijns  Konings  heeft  bezegeld. 

Volgens  de  Fransche  opgaven  heeft  de  bezetting  van  Namen, 
tijdens  de  belegering,  aan  dooden  en  gewonden  verloren  430 
officieren  en  7500  soldaten;  de  verliezen  van  den  belegeraar  be- 
grooten  zij  op  een  20000  man.  Dit  laatste  is  denkelijk  zeer 
overdreven ;  —  maar  al  neemt  men  maar  de  helft  van  dat  cijfer 
voor  het  verlies  van  de  bondgenooten,  dan  blijft  dat  verlies  toch 
nog  zeer  groot;  en  het  is  dus  niet  te  verwonderen,  dat  Wil- 
lem III  na  den  val  van  Namen  verder  niets  ondernam;  het 
jaargetijde  was  ook  te  ver  gevorderd,  en  de  uitkomst  die  men 
verkregen  had  was  al  groot  genoeg. 

De  handelingen  en  bewegingen  van  de  wederzijdsche  partijen, 
na  de  overgave  van  het  kasteel,  zijn  dan  ook  onbeduidend  ge- 
weest, en  het  loont  de  moeite  niet  om  zich  daarbij  op  te  hou- 
den. Na  in  Namen  eene  bezetting  van  24  bataljons  te  hebben 
geplaatst,  voegde  Willem  III  het  overige  van  de  belegerende 
macht  bij  het  hoofdleger;  beide  partijen  verwijderden  zich  van 
de  Méhaigne,  om  naar  Henegouwen  te  trekken,  naar  de  zijde 
van  Mons  en  Ath;  den  i4en  September  gaf  Willem  III  het 
opperbevel  over  aan  den  keurvorst  van  Beieren,  en  vertrok  naar 
Holland;  —  maar  er  gebeurde  niets  meer;  en  in  het  laatst  van 
September  betrokken  de  beide  legers  de  winterkwartieren.  De 
veldtocht  van  1695  in  de  Nederlanden  was  geëindigd. 

Die  veldtocht  was  schitterend  geweest  voor  de  bondgenooten, 
en  vooral  voor  hun  koninklijk  legerhoofd.  Door  schijnbewegingen 
het  vijandelijke  leger  naar  Vlaanderen  lokkende,  was  het  Wil- 
lem III  gelukt  om  Namen  in  te  sluiten  en  het  beleg  te  begin- 
nen; en  vergeefsch  waren  de  pogingen  van  Villeroy  om  dat  be- 
leg te  doen  opbreken:  de  kans  om  Vaudemont's  leger  eene 
gevoelige  nederlaag  toe  te  brengen  liet  de  Fransche  veldheer 
ongebruikt  verloren   gaan;   de  vermeestering  van  Dixmude  en 


Digitized  by 


Google 


BELEG  VAN   HET  KASTEEL   VAN   NAMEN.  343 

Deynse  beteekende  weinig,  daar  die  onbeduidende  vestingen 
weer  werden  verlaten,  en  de  bezettingen  later  moesten  worden 
vrijgegeven;  bet  bombardement  van  Brussel  was  een  groote 
materieele  schade,  vooral  voor  die  stad,  maar  als  militair  feit 
beduidde  het  niet  veel;  en  toen  men  tot  ontzet  van  Namen  op- 
rukte, bleef  het  P'ransche  leger  dagen  lang  werkeloos  tegenover 
het  leger  van  Willem  III  staan,  zonder  het  aan  te  vallen,  omdat 
men  —  en  te  recht  —  oordeelde  dat  de  bondgenooten  in  te 
sterke  stellingen  stonden  om  met  eenige  hoop  op  goed  gevolg 
te  worden  aangevallen.  Ën  zoo  gebeurde  het,  dat  Namen,  een 
groote  vesting  van  geduchte  sterkte,  goed  bewapend,  goed  voor- 
zien van  leeftocht  en  munitie,  door  eene  talrijke  en  uitgelezene 
bezetting  en  een  heldhaftigen  bevelhebber  op  de  dapperste  wijze 
verdedigd,  toch  moest  vallen,  en  vallen,  bijna  onder  de  oogen 
van  een  leger  van  honderd  duizend  man,  dat  tot  taak  had  haar 
te  ontzetten.  1695  overtrof,  en  overschaduwde,  1692;  de  gebeur- 
tenissen van  1695  g^ven  aan  het  overwicht  der  Fransche  wape- 
nen een  gevoeligen  knak,  plaatsten  het  veldheersbeleid  van 
WilUem  III  in  het  schitterendste  licht,  en  maakten  den  diepsten 
indruk  in  geheel  Europa. 

Aan  welke  oorzaken  moet  die  uitkomst  worden  toegeschre- 
ven? —  Hoofdzakelijk  aan  de  onbekwaamheid  bij  de  eene 
legeraanvoering,  aan  de  bekwaamheid  bij  de  andere. 

Het  is  vrij  overbodig  om  in  het  breede  te  willen  aantoonen, 
dat  Villeroy  de  vereischten  miste  van  een  goed  legerhoofd;  hij 
was  er  niet  voor  in  de  wieg  gelegd,  —  dat  is,  toen  en  later, 
gebleken;  en  de  spotliedjes  die  in  Frankrijk  op  hem  werden 
gemaakt,  hadden  de  waarheid  aan  hunne  zijde: 

•  VUleroy,  Villeroy, 
a  fort  bien  servi  Ie  Rol . . . 
Guillaume." 

Had  Willem  III  in  1695  nog  een  Luxembourg  tegenover  zich 
gehad,  wel  waarschijnlijk  dat  dan  de  uitkomst  van  den  veldtocht 
anders  ware  geweest;  nu  trok  de  Stadhouder  partij  van  de  mis- 
slagen van  zijn  tegenstander;  dit  verkleint  zijn  roem  niet,  want 
alleen  het  bekwame  legerhoofd  weet  zijn  voordeel  te  doen  met 
dergelijke  fouten.  Wat  ook  twee  groote  voordeelen  zijn  geweest 
voor  Willem  III,  dat  is,  dat  hij  gesteund  werd  door  bekwame 
onderbevelhebbers  en  door  een  zeer  goed  leger,  en  dat  hij,  als 
veldheer,  vrijheid  van  handelen  had. 

Het  eerste  voordeel  had  hij  aan  zichzelf  te  danken:  hij  had 
die  onderbevelhebbers,  hij  had  dat  leger  gevormd ;  wat  zij  waren, 
waren  zij  door  hem. 


Digitized  by 


Google 


344  KRÏJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Het  tweede  voordeel  had  hij  te  danken  aan  zijne  hooge  stel- 
ling als  Koning  van  Groot-Brittanje,  en  aan  het  overwicht  dat 
zijne  groote  krijgskundige  en  staatkundige  bekwaamheid  hem, 
eindelijk,  in  geheel  Europa  had  geschonken.  De  tijd  had  gewerkt 
in  het  voordeel  van  den  Stadhouder;  men  had  met  ieder  jaar 
al  meer  en  meer  de  overtuiging  gekregen,  dat  hij  de  man  was 
om  den  kamp  tegen  Frankrijk  te  leiden  en  te  besturen ;  het  ver- 
bondene Europa  huldigde  hem  als  haar  hoofd,  in  staats-  en 
krijgszaken;  het  vertrouwen  op  zijn  beleid  werd  telkens  grooter 
en  vaster;  hij  ondervond  geen  tegenwerking  meer  bij  de  zijnen; 
hij  oefende  een  gezag,  dat  weinig  beperking  kende.  In  Engeland 
ontmoette  hij  vaak  bittere  bestrijding,  maar  de  gelden  voor  den 
oorlog  werden  toch  ruimschoots  toegestaan;  in  de  Republiek 
deed  hij  wat  hij  wilde,  hij  was  daar  eigenlijk  koning,  —  alleen 
niet  in  naam;  Spanje  en  de  Duitsche  vorsten  volgden  gedwee 
zijne  voorschriften,  uit  noodzakelijkheid,  of  om  geldelijk  belang; 
hij  was  de  Agamemnon  der  coalitie,  —  en  een  Agamemnon  die 
geen  twistenden  Achilles  naast  zich  had. 

De  toestand  van  Willem  III,  als  veldheer,  is  bij  den  oorlog 
van  1688—1697  geheel  anders  dan  vroeger,  bij  den  oorlog  van 
1672 — 1678:  bij  dien  vroegeren  oorlog  is  de  Stadhouder  niet 
vrij  in  zijne  handelingen ;  hij  moet  zich  regelen  naar  zijne  bond- 
genooten,  deze  ontzien  en  raadplegen,  ieder  oogenblik  een 
krijgsraad  bijeenroepen,  om  te  bespreken  wat  er  gedaan  moet 
worden,  —  en  het  bespreken  door  een  krijgsraad  leidt  gewoon- 
lijk tot  niets  goeds  — ;  hij  moet  vaak  berusten  in  zwakke  of 
verkeerde  handelingen,  die  hij  afkeurt  en  veroordeelt;  en  het 
kost  hem  soms  minder  moeite  om  de  Fransche  legers  te  be- 
strijden, dan  om  zijne  bondgenooten  tot  die  bestrijding  te  brengen. 

Een  onzer  geschiedkundigen  —  de  hoogleeraar  Dr.  P.L.  Muller  — 
heeft  bij  de  behandeling  van  den  veldtocht  van  1676  in  de  Neder- 
landen, duidelijk  aangetoond  met  welke  bezwaren  en  tegenwer- 
king Willem  III  toen  had  te  kampen,  hoe  onbillijk  het  zou  zijn, 
het  gebrekkige  der  krijgsverrichtingen  van  dat  jaar  op  zijn  ver- 
antwoording te  brengen,  en  hoe  integendeel  telkens  de  neiging 
bij  hem  zichtbaar  is  om  die  gebrekkige  oorlogsvoering  te  ver- 
vangen door  stoute,  beslissende  handelingen.  Bij  zijn  tweeden 
oorlog  tegen  Frankrijk  heeft  de  Stadhouder  de  handen  vrij;  nu 
gaat  hij  dan  ook  krachtig  te  werk;  en  Steenkerke,  Neer  winden,  en 
vooral  Namen  getuigen  nu  van  zijne  uitstekendheid  als  legerhoofd. 

Bij  de  onderbevelhebbers,  door  wie  Willem  III  in  1695  goed 
werd  ondersteund,  moeten  vooral  genoemd  worden  Vaudemont 
en  Coehoorn. 

Toen  het  o  ver  machtige  leger  van  Villeroy  zich  onverwachts 
vertoonde  in  de  onmiddellijke  nabijheid  van  Vaudemont's  krijgs- 


Digitized  by 


Google 


BELEG  VAN  HKT  KASTEEL  VAN   NAMEN.  345 

macht,  liep  die  krijgsmacht  groot  gevaar  van  eene  geheele  neder- 
laag te  ondergaan;  die  nederlaag  zou,  denkelijk,  Namen  voor 
de  Franschen  hebben  behouden,  en  de  veldtocht  van  1695  ^^ 
de  Nederlanden  voor  de  boiidgenooten  tot  een  mislukten  veld- 
tocht hebben  gemaakt.  Dat  Vaudemont  zich  aan  dat  gevaar  had 
blootgesteld,  kan  hem  misschien  als  een  misslag  worden  toege- 
rekend; maar  die  misslag,  indien  het  er  een  is  geweest,  wordt 
geheel  uitgewischt  door  de  wijze  waarop  hij  zich  uit  dat  gevaar 
wist  te  redden,  door  zijn  meesterlijken  terugtocht  op  Gent.  — 
Ook  Noyelles  moet  zich  toen  door  bekwaamheid  hebben  onder- 
scheiden. 

Wat  Coehoorn  betreft,  aan  dezen  komt  eigenlijk  de  eer  toe 
van  de  inneming  van  Namen,  want  Willem  III  heeft  in  den 
vestingoorlog  alleen  geschitterd  door  dapperheid  en  geestkracht, 
niet  door  bekwaamheid ;  hij  volgde  bij  eene  belegering  den  raad 
van  zijne  ingenieurs;  waren  die  ingenieurs  weinig  bekwaam, 
zooals  in  1676  voor  Maastricht,  dan  werd  het  een  gebrekkig 
beleg;  waren  die  ingenieurs  mannen  van  groote  bekwaamheid, 
zooals  voor  Namen  in  1695,  dan  werd  het  beleg  daarentegen 
schitterend.  Coehoorn  had  zich  reeds  vroeger  een  naam  gemaakt, 
maar  na  de  inneming  van  Namen  had  hij  eene  Europeesche 
vermaardheid;  onder  de  belooningen  die  hem  voor  dat  wapen- 
feit ten  deel  vielen,  behoort  ook  zijne  verheffing  tot  baron,  door 
den  Spaanschen  koning;  maar  zijne  grootste  belooning  is  zeer 
zeker  geweest,  dat  hij,  na  het  beleg  van  Namen,  op  ééne  lijn 
werd  gesteld  met  Vauban.  Het  algemeen  zag  —  en  met  grond  — 
in  Coehoorn  en  Vauban  twee  sterren  van  de  eerste  grootte,  wat 
vestingbouw  en  vestingoorlog  betreft ;  in  dat  deel  van  de  krijgs- 
wetenschap,  of  van  de  krijgskunst,  zijn  die  beide  mannen  genieën 
geweest,  die,  noch  vroeger,  noch  later,  zijn  geëvenaard. 

Het  is  niet  te  verwonderen  dat  men  meer  dan  eens  eene  ver- 
gelijking heeft  gemaakt  tusschen  de  belegering  van  Namen  in 
1692,  en  die  in  1695.  Men  is  daarbij,  aan  weerszijden,  soms  in 
onjuistheden  vervallen. 

Zoo  is  aan  onze  zijde,  —  onder  anderen  door  De  Merveil- 
leux  —  beweerd,  dat  het  beleg  van  het  kasteel  van  Namen  maar 
tien  dagen  heeft  geduurd;  want  —  wordt  er  gezegd  —  dat 
beleg  is  eigenlijk  eerst  den  21  sten  Augustus  geregeld  begonnen. 
Dit  is  een  geheel  willekeurige  bewering,  die  op  geen  redelijken 
grond  berust.  Met  den  21  sten  Augustus  heeft  het  geschutvuur 
van  den  belegeraar  zijn  grootste  kracht  verkregen;  na  den  2isten 
Augustus  is  de  arbeid  aan  de  loopgraven  tegen  het  kasteel  met 
meer  nadruk  verricht;  —  ddt  kan  zijn;  maar  dat  zegt  daarom 
nog  niet,   dat  eerst  den  21  sten  Augustus  het  beleg  van  het  kas- 


Digitized  by 


Google 


346  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

teel  is  begonnen;  want  lang  vóór  den  2isten  Augustus  waren 
tegen  het  kasteel  reeds  loopgraven  geopend  en  batterijen  in  wer- 
king gebracht.  De  stad  Namen  en  het  kasteel  hebben  in  1695 
een  beleg  vereischt  van  een  kleine  twee  maanden:  begonnen  in 
de  eerste  dagen  van  Juli,  houdt  de  wederstand  eerst  den  i^ien 
September  geheel  op. 

Aan  Fransche  zijde  wil  men  er  zich  op  beroemen,  dat  de 
verdediging  in  1695  langer  heeft  geduurd  dan  in  1692,  en  aan 
den  belegeraar  veel  grootere  verliezen  heeft  gekost.  Men  vergeet 
echter  hierbij,  dat  de  omstandigheden  in  het  eene  jaar,  geheel 
anders  zijn  geweest  dan  in  het  andere.  In  1692  was  de  vesting 
Namen  nog  niet  afgebouwd,  nog  niet  voltooid ;  door  de  desertie 
van  een  vroegeren  bevelhebber  was  men  aan  de  Fransche  zijde 
tot  in  bijzonderheden  bekend  met  den  toestand  der  vesting;  de 
bezetting  was  in  1692  veel  minder  sterk  dan  in  1695;  en  — 
wat  een  hoofdzaak  is  —  de  verdediging  is  in  1692  slecht  ge- 
weest, —  de  verdediging  van  fort  Willem  uitgezonderd.  In  1695, 
daarentegen,  is  de  vesting  Namen  geheel  afgebouwd,  en  voorzien 
van  werken  die  er  in  1692  niet  waren;  de  vesting  is  van  alles 
voorzien  wat  voor  de  verdediging  kan  gevorderd  worden;  zij 
heeft  eene  talrijke  bezetting,  bijna  een  klein  leger,  en  aangevoerd 
door  een  man  van  onvolprezen  dapperheid,  die  de  verdediging 
voortzet,  zoo  lang  zij  voortgezet  kon  worden.  Wat  wonder  dan, 
dat  het  beleg  van  1695  langer  heeft  geduurd  dan  dat  van  1692, 
en  den  belegeraar  grooter  verlies  heeft  gekost!  Had  Vauban  te 
doen  gehad  met  dezelfde  vesting  als  Coehoorn,  Vauban  zou 
denkelijk  evenveel  tijd  noodig  hebben  gehad,  evenveel  soldaten 
hebben  moeten  opofferen ;  zelfs  is  het  twijfelachtig,  of  de  door 
Vauban  gevolgde  stelselmatige  en  bedachtzame  wijze  van  aan- 
vallen, het  Namen  van  1695  even  zeker  zou  hebben  doen  val- 
len als  de  geweldige  middelen,  door  Coehoorn  aangewend. 

Hier  valt  het  verschil  op,  tusschen  die  twee  groote  mannen. 
Wij  gewagen  hier  niet  van  vesting  bouw:  in  dit  opzicht,  geloo- 
ven  wij,  is  de  meerderheid  van  Coehoorn  onbetwistbaar.  Ook 
spreken  wij  niet  van  het  verdedigen  van  vestingen;  want  in 
dat  opzicht  kan  er  geen  sprake  zijn  van  eene  vergelijking  tus- 
schen Vauban  en  Coehoorn:  Vauban  heeft,  zoover  wij  ons  her- 
inneren, nooit  eene  vesting  verdedigd;  —  Oudenaarden  in  1674 
kan  niet  meetellen;  —  Coehoorn  slechts  een  enkelen  keer,  en 
nog  wel  in  eene  ondergeschikte  betrekking;  hij  wordt,  in  óét 
opzicht,  overschaduwd  door  de  vesting-verdedigers  van  den  nieu- 
weren tijd,  door  Seelig  op  de  citadel  van  Antwerpen,  door  Tot- 
leben  te  Sebastopol,  door  Denfert  te  Béfort. 

Maar  als  aanvallers  van  vestingen  kunnen  Vauban  en  Coe- 
hoorn met  elkander  vergeleken  worden,  en  dan  valt  het  uiteen- 


Digitized  by 


Google 


KRUGSVERRICHTINGKN  TER  ZEE.  347 

loopende  van  hunne  richting  op.  Vauban  bezigt,  om  eene  vijan- 
delijke vesting  te  doen  vallen,  wel  het  geschut  om  het  geschut 
van  de  vesting  tot  zwijgen  te  brengen,  en  de  vestingwerken 
onveilig  te  maken  en  daarin  bressen  te  openen;  maar  met  dat 
al  gaan  zijne  parallellen  en  loopgraven  gedurig  vooruit,  en  op 
geregelde  wijze,  voet  voor  voet,  wordt  de  vesting  genaderd,  tot- 
dat de  aanvaller  de  bres  genoeg  nabij  is  om  tot  de  bestorming 
over  te  gaan.  Coehoorn  daarentegen  tracht  door  een  verplette- 
rend geschutvuur  de  binnenruimte  van  de  vesting  te  vernielen; 
hij  schiet  bres  op  groote  afstanden,  en,  zonder  zich  veel  te  be- 
kommeren om  het  vooruitgaan  van  zijne  loopgraven,  laat  hij 
die  verwijderde  bressen  bestormen ;  —  bijna  op  de  wijze  waarop 
de  Engelschen  te  werk  gingen,  bij  hunne  belegeringen  in  het 
Spaansche  Schiereiland,  in  den  oorlog  van  1808 — 1814.  Vauban 
nam,  hoofdzakelijk,  zijn  toevlucht  tot  spade  en  houweel,  Coehoorn 
tot  het  kanon;  Vauban  was  spaarzaam  met  het  bloed  van  zijn 
soldaten ;  Coehoorn,  niet.  Is  het  noodig  er  nog  bij  te  voegen, 
dat,  als  belegeraar  van  vestingen,  Vauban  boven  Coehoorn  staat. 
Beiden,  zoowel  de  Franschman  als  de  Fries,  waren  zich  hunne 
waarde  bewust,  en  wisten  zich  te  doen  gelden ;  beiden  zijn  eerlijke, 
edele,  groote  karakters  geweest;  beiden  waren  mannen  waarop 
een  volk  zich  met  recht  verhoovaardigt. 


Eene  korte  opgave  van  de  krijgs verrichtingen,  elders  voorge- 
vallen, zal  dit  verslag  van  den  veldtocht  van  1695  besluiten. 

y^Le  trident  de  Neptune  est  ie  sceptre  du  monde^\  heeft  een  bekende 
Fransche  dichter,  van  den  derden  of  vierden  rang,  eens  gezegd; 
de  waarheid  van  dit  gezegde  is  aan  eenigen  twijfel  onderhevig, 
let  men  op  het  weinige  dat  in  1 695  is  verricht  door  de  Engelsche 
en  Hollandsche  vloten,  die  toen,  onbetwistbaar,  meester  waren 
ter  zee.  Maar  al  is  eene  vloot  meester  ter  zee,  en  in  staat  om 
van  daar  elke  vijandelijke  vloot  te  verdrijven,  daarom  vermag 
zij  soms  toch  nog  niets  tegen  het  vasteland,  tegen  de  oorlogs- 
havens;  dit  bleek  ook  in  1695.  In  Juli  en  Augustus  van  dat  jaar 
worden  door  de  Engelsche  en  Hollandsche  vloten  verschillende 
Fransche  oorlogshavens  gebombardeerd:  Saint-Malo,  Granville, 
Duinkerken  en  Calais.  Wij  laten  daar  de  vraag,  of  zulk  een 
bombardement  een  wettig  en  geoorloofd  oorlogsmiddel  is;  — 
ten  voordeele  van  de  aanwending  van  dat  middel  kan  men  zeg- 
gen, dat  die  oorlogshavens  eigenlijk  nesten  waren  voor  kaap- 
vaart, of  zeeroof,  dat  ook  de  Franschen  niet  terugdeinsden  voor 
de  aanwending  van  een  bombardement  tegen  een  vijandelijke 
stad,  en  dat  men  het,  over  het  geheel,  met  die  zaken  toen  zoo 
nauw  niet  nam.  Maar  de  vraag  moet  worden  gedaan:  waren  de 
uitkomsten,  door  zulk  een  bombardement  verkregen,  de  kosten 


Digitized  by 


Google 


34^  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

waard  van  de  uitrusting  der  vloten?  en  dan  moet  het  antwoord 
geheel  ontkennend  zijn.  In  Saint-Malo  en  Granville  werd  eenige 
verwoesting  aangericht,  echter  niet  van  groote  beteekenis;  de 
aanval  op  Duinkerken  mislukte  geheel  en  al ;  die  op  Calais  werd 
beraamd,  maar  niet  uitgevoerd.  Bij  dat  alles  kwam  nog,  dat 
schepelingen  waren  gedood  of  gewond,  dat  branders  en  zooge- 
naamde helsche  machines  nutteloos  waren  opgeofferd,  en  dat 
men  zelfs  een  paar  kleine  oorlogsschepen  had  verloren,  die,  op 
ondiepten  vastrakende,  door  gewapende  sloepen  der  Franschen 
werden  genomen  en  verbrand. 

Voeg  daarbij,  dat  de  Fransche  kapers  met  de  meeste  stoutheid 
hunne  ondernemingen  voortzetten  en  vooral  den  Engelschen 
handel  afbreuk  deden,  dan  is  het  duidelijk  dat  de  bondgenooten 
in  1695  geen  reden  hadden  om  zich  te  verhoo vaardigen  op 
hunne  zeetriomfen.  —  Als  een  bijzonderheid  vindt  men  vermeld, 
dat  een  Fransche  kaper  bij  Katwijk  een  deel  van  zijne  beman- 
ning aan  wal  bracht  om  visscherspinken  te  bemachtigen,  — 
echter  zonder  goeden  uitslag  — ,  en  dat  een  andere  kleine  kaper 
verdwaald  raakte  tot  bij  Dordt,  en  daar  genomen  werd. 


Aan  den  Rijn  waren  de  krijgsverrichtingen  geheel  onbedui- 
dend; dit  moest  deels  worden  toegeschreven  aan  de  omstandig- 
heid, dat  de  Keizer  toen  zijne  meeste  oorlogsmacht  moest  aan- 
wenden tegen  de  Turken,  die,  hoewel  niet  meer  wat  zij  waren 
in  de  dagen  der  Mohammeds  en  Solimans,  toch  nog  altijd  ge- 
vaarlijke vijanden  bleven,  die  meer  dan  eens  aan  de  keizerlijke 
troepen  gevoelige  verliezen  toebrachten;  deels  ook  daaraan, 
dat  Frankrijk  toen  zijne  meeste  strijdkrachten  in  de  Nederlanden 
aanwendde,  en,  in  verband  daarmede,  aan  den  Rijn  de  zaken 
maar  slepende  wilde  houden ;  —  trouwens,  de  krijgsverrichtingen 
slepende  te  houden,  was  een  gewoon  iets  bij  de  oorlogen  van 
dien  tijd. 

Aan  het  hoofd  van  het  Fransche  Rijnleger  was  de  maarschalk 
De  Lorges,  aan  het  hoofd  van  het  Duitsche  Prins  Lodewijk  van 
Baden;  aanvankelijk  was  het  Fransche  leger  een  40000  man 
sterk;  het  Duitsche,  dat  later  tot  over  de  50000  man  bedroeg, 
telde  in  den  beginne  maar  een  groote  20000  man,  omdat  ver- 
schillende contingenten  van  de  Duitschers  —  >  gewoon  zich  wat 
traag  te  bewegen",  zegt  de  Europische  Mercurius  —  eerst  later 
bij  het  leger  kwamen. 

In  Juni  ging  De  Lorges  met  het  Fransche  leger,  bij  Philips- 
burg,  over  op  den  rechteroever  van  den  Rijn;  in  Juli  keerde 
dat  leger  op  den  linkeroever  terug;  op  den  rechteroever  had 
het  geleefd  ten  koste  van  de  Duitsche  bevolking;  op  den  lin- 
keroever moest  het   de   eigen  bevolking  beschermen  tegen   de 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN   IN   ITALIË.  349 

stroopbenden  der  Duitschers.  De  sterkte  van  de  beide  legers  was 
nog  al  afwisselend,  omdat  zoowel  het  eene  als  het  andere  troe- 
pen afzond  naar  de  Nederlanden.  Door  ziekte  was  De  Lorges 
gedwongen  het  opperbevel  een  geruimen  tijd  neer  te  leggen,  dat 
toen  waargenomen  werd  door  den  maarschalk  De  Joyeuse;  men 
kan  echter  moeielijk  aan  die  omstandigheid  het  onbeduidende 
toeschrijven  van  de  krijgsverrichtingen :  zij  zouden  even  onbe- 
duidend zijn  gebleven,  al  ware  De  Lorges  voortdurend  in  de 
blakendste  gezondheid  geweest. 

In  October  eindigde  de  veldtocht.  Veldtocht  is  eigenlijk 
een  te  grootsch  woord  voor  eene  vertooning,  die  niet  veel  ver- 
schilde van  geheele  werkeloosheid;  tusschen  kleine  patrouilles 
hadden  kleine,  onbeduidende  gevechten  plaats,  —  zóó  klein,  zóó 
onbeduidend^  dat  zij  niet  de  minste  vermelding  verdienen.  Men 
doet  bijna  niet  te  kort  aan  de  waarheid,  als  men  van  den  veld- 
tocht  van  1695  aan  den  Rijn  zegt:  er  is  niets  gebeurd. 


Strikt  genomen  is  er,  in  1695,  ^^  Italië  meer  gebeurd  dan  aan 
den  Rijn,  maar  veel  meer  toch  niet.  Er  hebben  daar  toen  geen 
legers  tegenover  elkander  te  velde  gestaan;  alles  heeft  zich  be- 
paald tot  het  beleg  van  Casal. 

Die  vesting,  op  den  rechteroever  van  de  Po  gelegen,  12  è,  14 
uur  ten  oosten  van  Turijn,  had  behoord  aan  den  hertog  van 
Mantua,  maar  was  door  dezen  verkocht  aan  Lodewijk  XIV,  en 
sedert  beter  versterkt  en  voortdurend  voorzien  van  eene  Fransche 
bezetting.  Victor  Amadeus,  de  hertog  van  Savoye,  vond  het  niet 
aangenaam  om  in  zijne  hoofdstad  Turijn  zoo  bekneld  te  worden, 
aan  de  eene  zijde  tusschen  Casal,  en  aan  de  andere  zijde  tus- 
schen de  door  de  Franschen  bezette  vesting  Pignerol,  een  groo- 
ten  dagmarsch  westelijk  van  Turijn;  hij  vroeg  derhalve  de  hulp 
van  Spanje  en  van  den  Keizer  om  Casal  te  hernemen.  Natuurlijk 
kon  dit  niet  zoo  dadelijk  worden  beslist;  dit  vorderde  overleg, 
samenkomsten,  beraadslagingen;  dit  vorderde  tijd;  het  moment 
van  traagheid  speelt  een  groote  rol  bij  staats-  en  krijgshan* 
delingen  van  de  zeventiende  eeuw. 

Casal  was,  al  geruimen  tijd,  eenigszins  geblokkeerd;  maar 
daarmede  kwam  men  niet  verder,  hetzij  omdat  de  vesting  te 
goed  voorzien,  hetzij  omdat  de  blokkade  gebrekkig  was.  In 
April  begon  men  daarom  aan  een  beleg,  maar  brak  dit  na  een 
paar  dagen  weer  op  wegens  het  slechte  weer;  den  25sten  Juni 
hervatte  men  dat  beleg,  en  den  11  en  Juli  gaf  Casal  zich  over. 
De  voorwaarden  van  de  overgave  waren:  vrije  aftocht,  met 
krijgseer,  voor  de  bezetting;  slechting  van  de  vestingwerken ;  en 
teruggave  van  de  stad  aan  den  hertog  van  Mantua. 

Verder  gebeurde  hier  niets.  Men  moet  daarbij  het  oog  vestigen 


Digitized  by 


Google 


350  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

op  de  Staatkundige  verhouding  der  partijen,  om  die  werkeloosheid 
te  begrijpen.  yyLa  Savoie  et  urn  Duc  sont  plein  de  précipker^  wordt 
gezegd  in  een  der  geschiedkundige  drama's  van  Victor  Hugo; 
en  dit  bombastisch  vers  drukt  den  waren  toestand  van  zaken 
uit:  op  de  vorsten  uit  het  huis  van  Savoye  was,  toen  en  later, 
nooit  vast  te  bouwen;  bij  de  Europeesche  oorlogen  gingen  zij 
gedurig  van  de  eene  partij  tot  de  andere  over,  al  naarmate  hun 
staatsbelang  dit  medebracht;  Victor  Amadeus  was  in  1695  nog 
aan  de  zijde  van  de  bondgenooten,  maar  hij  was  reeds  in  onder- 
handeling met  Lodewijk  XIV;  vandaar  denkelijk  dat  Frankrijk 
toen  geen  leger  in  Italié  deed  optreden,  en  dat  de  Hertog  na 
de  overgave  van  Casal,  niets  meer  tegen  Frankrijk  onderneemt 
De  Spaansche  en  Keizerlijke  legermachten  waren  te  onbeduidend 
om  Savoye  te  dwingen  tot  krachtiger  handeling;  bovendien, 
1  krachtig  handelen"  was  toen  evenmin  het  kenmerk  van  Spanje 
als  van  den  Keizer. 

In  dien  tijd  treedt  Prins  Eugenius  hier  op;  maar  hij  is  nog 
niet  de  groote  veldheer  van  later  tijd;  hij  is  nog  in  zijn  proef- 
jaren. 


Wat  Spanje  aangaat,  in  1695  was  Catalonië  het  tooneel  van 
den  oorlog.  Het  Fransche  leger  werd  daar  aangevoerd,  eerst 
door  Noailles,  en,  toen  deze  door  ziekte  het  opperbevel  moest 
nederleggen^  door  Vendóme ;  aan  het  hoofd  van  de  Spanjaarden 
was  Gastanaga,  de  vroegere  landvoogd  der  Nederlanden.  De 
Fransche  troepen  hadden  hier  vooral  te  kampen  tegen  de  krijgs- 
haftige bevolking  van  Catalonië,  de  Miquelets^  een  soort  van 
landstorm;  het  moeielijke  bergland  bevoordeelde  hier  den  land- 
zaat. De  voornaamste  krijgsverrichtingen  vielen  voor  in  het 
noordoostelijk  deel  van  Catalonië,  nabij  de  rivier  de  Ter;  Cas- 
telfollit,  een  kleine  sterkte^  door  de  Franschen  bezet,  was  door 
de  Spanjaarden  ingesloten  en  bijna  uitgehongerd;  na  eene  eerste 
mislukte  poging,  slaagden  de  Franschen  er  eindelijk  in,  die 
sterkte  te  ontzetten.  Eene  vereenigde  Ëngelsche  en  HoUand- 
sche  vloot,  onder  den  admiraal  Russel,  kwam  in  het  begin  van 
Augustus  voor  Palamos,  eene  versterkte  zeehaven  ten  oosten 
van  Girona;  aan  de  landzijde  kwam  Gastanaga  met  een  leger 
van  20000  man;  en  het  beleg  van  Palamos  begon.  Dat  beleg 
kwam  echter  tot  geen  goed  einde:  op  het  valsche  bericht  dat 
de  Fransche  vloot  Toulon  had  verlaten,  zeilde  de  vloot  van 
Russel  van  Palamos  weg,  om  de  vijandelijke  zeemacht  op  te 
zoeken;  en  Gastanaga  brak  toen  het  beleg  van  Palainbs  op. 

Dus  ook  hier,  evenmin  als  aan  den  Rijn  en  in  Italië,  zijn  de 
krijgsverrichtingen  in  1695  van  eenig  belang  geweest;  niets  wat 
te  vergelijken  is  met  wat  in  de  Nederlanden  voorviel;  het  beleg 


Digitized  by 


Google 


VREDESONDERHANDELINGEN.  3  5 1 

van  Namen  overschaduwt  alles;  dit  was  toen  een  wapenfeit  dat 
de  gemoederen  evenzeer  in  beweging  bracht  als  in  ónze  dagen 
het  geval  is  geweest  met  het  beleg  van  Sebastopol. 


HOOFDSTUK  XXX. 

1696:  vredesonderhandelingen;  samenzwering  in  Engeland; 

civet;   KRIJGSVERRICHTINGEN   in  DUITSCHLAND,   in  ITALIË, 
IN   SPANJE   EN   ter   ZEE. 

De  Amsterdamsche  burgemeesters  wenden  zich  den  2  2  sten  Juni 
1696,  in  een  vrij  uitvoerigen  brief,  tot  den  raadpensionaris  Hein- 
sius,  om  bij  hem  aan  te  dringen  dat  hij  Willem  III  zal  aansporen 
tot  het  sluiten  van  vrede  met  Frankrijk;  van  dien  vrede  — 
zeggen  de  burgemeesters  —  zal  de  Stadhouder  alle  eer  en  roem 
hebben,  i  nadat  hij  'sjaers  te  vooren  de  glorieëuste  victorie,  de 
grootste  die  er  misschien  bedagt  kan  werden,  hadde  in  't  gesicht 
van  zo  een  magtig  vijandlijk  leger  weggedragen..."  (Van  der 
Heim,  Archief  van  Heinsius,  3"  deel,  blz.  201). 

Dat  oordeel  van  de  burgemeesters  van  Amsterdam  over  het 
beleg  en  de  inneming  van  Namen  in  1695^  gaf  toen  het  alge- 
meene  oordeel  in  Europa  weer;  algemeen  was  men  toen  daar- 
door tot  het  inzicht  gekomen,  dat  de  wapenmacht  der  bondge- 
nooten  die  van  Frankrijk  wel  opwoog;  dat  Willem  ni  gebleken 
was,  niet  alleen  een  machtig  koning  te  zijn^  maar  ook  een  uit- 
stekend legerhoofd;  dat  er  dus  niet  meer  aan  te  denken  viel, 
hem  ten  onder  te  brengen,  en  Europa  weer  afhankelijk  te 
maken  van  den  Franschen  koning;  en  dat  er  dus  eigenlijk  geen 
verstandige  reden  meer  bestond  om  den  oorlog  langer  voort  te 
zetten. 

Maar,  was  er  geen  verstandige  reden  om  den  oorlog  langer 
voort  te  zetten,  waarom  dan  maar  niet  dadelijk^  of  zeer  spoedig, 
vrede  gesloten  ?  — •  Beide  partijen  haakten  naar  dien  vrede, 
vooral  met  het  oog  op  de  regeling  van  de  Spaansche  erfopvol- 
ging, bij  den  eiken  dag  te  voorzienen  dood  van  den  ongeluk- 
kigen  Spaanschen  koning. 

Maar  spoedige,  rasse  handelingen  behoorden  niet  tot  de  staat- 
kunde van  dien  tijd,  evenmin  als  tot  zijne  krijgskunst:  beide 
waren  omslachtig,  vormelijk,  kunstig  —  om  niet  te  zeggen  ge- 
kunsteld. Lodewijk  XIV  kon  het  ook  niet  zoo  spoedig  over  zijn 
trots  verkrijgen,  zijn  tegenstander  te  erkennen  als  Koning  van 
Groot-Brittanje,  en   daardoor    de    zaak    van   Jakobus  II    op   te 


Digitized  by 


Google 


352  KRUGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

geven;  daarbij  waren  er  verschillen  over  Straatsburg,  over  Lotha- 
ringen^ over  Luxemburg,  over  nog  meer  andere  punten;  die 
verschillen  moesten  worden  uit  den  weg  geruimd,  en  de  hoog- 
moedige Fransche  koning  tot  toegeven  worden  gebracht;  aan 
het  Zweedsche  hof,  aan  het  Keizerlijke  hof,  hadden  daarover 
ingewikkelde  en  langdurige  besprekingen  plaats,  tusschen  de 
diplomaten,  die  al  hun  geslepenheid  aanwendden  om,  ook  in  de 
nietigste  zaken,  hunne  tegenpartij  eene  vlieg  af  te  vangen;  dat 
alles  ging  zeer  langzaam  en  omslachtig  in  zijn  werk;  en,  indien 
in  het  voorjaar  van  1697  te  Rijswijk  een  congres  is  bijeenge- 
komen dat  eindelijk  heeft  geleid  tot  het  sluiten  van  den  vrede, 
dan  moet  men  die  uitkomst  denkelijk  minder  danken  aan  de 
gezanten  te  Stokholm,  of  te  Weenen,  dan  wel  aan  de  werking 
van  ondergeschikte  agenten,  die  in  het  geheim  werden  aangewend 
tot  het  bespoedigen  van  den  vrede. 

Een  dier  agenten  was  zekere  Mollo;  vroeger  agent  van  den 
koning  van  Polen  geweest  zijnde,  was  hij  nu  jaren  lang  te 
Amsterdam  woonachtig,  daar  rijk  getrouwd,  en  verkeerde  hij  in 
de  beste  kringen.  Mollo  reist  in  1693  naar  Frankrijk,  komt  daar 
in  aanraking  met  den  Franschen  minister  De  Croissy,  en  houdt 
besprekingen  over  een  vrede  tusschen  Frankrijk  en  de  Repu- 
bliek; hij  doet  zich  daarbij  voor,  als  gemachtigde  van  vier  Hol- 
landsche  steden,  en. beroept  zich  zelfs  op  den  Amsterdamschen 
burgemeester  Hudde.  (Archief  van   Heinsius,   3*  deel,  blz.  16). 

Die  besprekingen,  of  onderhandelingen,  hebben  jaren  geduurd, 
maar  zijn  spoedig  ter  kennis  en  in  handen  gekomen  van  Heinsius 
en  van  Willem  III;  deze  besturen  nu  de  onderhandelingen,  — 
in  naam,  voor  Amsterdam.  Liever  dan  den  Raadpensionaris  zelf, 
of  dan  Dijckvelt,  wil  Willem  III  een  Mollo  als  agent  gebruiken ; 
omdat  men  zulk  een  persoon  als  Mollo  —  zegt  de  Stadhou- 
der —  >zoo  noodig  beter  kan  desavoueren  dan  een  persoon  van 
qualiteyt." 

Van  der  Heim  noemt  dit  »een  niet  zeer  loyaal  doel";  en 
werkelijk  is  het  dit  ook  niet:  iemand  die  in  het  gewone  leven 
zich  zoo  iets  zou  veroorloven,  zou  in  ieder  fatsoenlijk  gezelschap 
met  den  nek  worden  aangezien.  Maar  in  regeeringszaken  mag 
men  niet  zoo  streng  oordeelen;  yjla  politique  n'est  pas  oeuvre  de 
Samfs^\  heeft  een  Fransch  schrijver  gezegd;  en  die  spreuk  is 
vooral  van  toepassing  op  de  diplomatieke  handelingen  van  den 
eenen  staat  jegens  den  anderen.  Wie  daarbij  altijd  oprecht  wil 
zijn,  altijd  arglist  vermijden,  en  toch  de  belangen  van  zijn  land 
goed  behartigen,  —  die  stelt  zich  een  vraagstuk  voor,  dat  voor 
geen  goede  oplossing  vatbaar  is. 

Dat  Willem  III  niet  hoog  wegliep  met  Mollo,  en  hem  niet 
beschouwde  als  leen  persoon  van  qualiteyt",  kan  blijken  uit  wat 


Digitized  by 


Google 


SAMENZWERING  IN   ENGELAND.  353 

voorkomt  in  een  brief  van  den  Stadhouder  aan  Heinsius  (Ken- 
singion  26  Maart/ 5  April  1695);  er  is  meer  dan  ongenoegen,  er 
is  versmading  en  beleediging  in  de  volgende  woorden:  ihet 
valse  rapport  dat  Mollo  te  Amsterdam  heeft  gedaen,  als  of  wij 
begeerden  dat  Amsterdam  geen  verdere  kennisse  van  de  nego- 
tiatie  soude  hebben  is  onverdraegelijck,  en  hij  dient  met  voeten 
te  worden  geschopt.  lek  kan  niet  sien  hoe  men  sulcken  vuylick 
meer  kan  gebruycken  in  sulcke  importante  saeck.  lek  pretendeer 
met  hem  verder  niets  te  doen  te  hebben.  UEd.  gelieft  van 
mijnentwege  aen  de  H.H.  van  Amsterdam  te  verseeckeren,  dat 
ick  alles  geerne  met  hen  wil  communiceeren,  ende  dat  ick  noyt 
geen  andere  gedaghte  heb  gehadt;  hoopende  dat  sij  geen  ge- 
loof sullen  geeven  aen  sulcken  leugenaer  als  Mollo  is.  U£d. 
sult  voortaen  voor  getuygen  met  hem  moeten  spreecken,  ten 
eynde  hij  UEd.'s  woorden  niet  magh  verdraeyen  en  valsehe  rap- 
porten doen." 

Maar,  moesten  de  hoofden  van  Groot-Brittanje  en  van  de 
Republiek,  bij  de  geheime  onderhandelingen  met  Frankrijk,  zich 
soms  bedienen  van  middelen  die  niet  altijd  van  het  beste  allooi 
waren,  toch  was  hunne  staatkunde  eerlijk,  in  vergelijking  met  de 
middelen  door  de  tegenpartij  soms  gebezigd.  Misleiding,  bedrog, 
onwaarheid,  ook  omkooping,  werden  door  de  Engelsche  en 
Hollandsche  diplomaten  misschien  evenzeer  gebezigd  als  door  de 
ministers  en  gezanten  van  Lodewijk  XIV;  maar  deze  gingen 
verder;  en,  niet  tevreden  van  bij  hun  vijand  op  te  stoken  tot 
oproer  en  burgeroorlog,  ontzagen  zij  zich  niet  om  zelfs  hun 
toevlucht  te  nemen  tot  het  schandelijke,  het  eerlooze  middel  van 
sluipmoord. 


Geheel  in  het  begin  van  1696  zag  men  eene  ongewone  drukte 
aan  de  Fransche  kusten  van  het  Kanaal;  te  Calais  en  Duinker- 
ken werd  een  talrijke  vloot  van  transportschepen  vereenigd, 
ongeveer  een  500;  in  Duinkerken  was  bovendien  de  geduchte 
Jean  Bart,  met  een  tiental  oorlogsvaartuigen;  troepen  rukten 
aan  uit  het  binnenland,  en  kwamen  in  of  nabij  de  havensteden ; 
ééne  opgave  begroot  die  krijgsmacht  op  18  bataljons  voetvolk, 
3  regimenten  ruiterij  en  2  regimenten  dragonders,  in  het  geheel 
een  15  k  16000  man.  Natuurlijk  konden  die  toerustingen,  die 
de  eene  of  andere  onderneming  schenen  aan  te  duiden,  voor 
het  buitenland  niet  geheel  verborgen  blijven ;  maar,  wat  zou  die 
onderneming  zijn  ?  Waar  zou  Frankrijk  aanvallen  ?  —  daaromtrent 
verkeerde  men  in  het  onzekere. 

De  krijgsbevelhebbers  van  de  Republiek,  die  in  de  Zuidel^ke 
Nederlanden  waren,  meenden  dat  Ostende,  of  Zeeland,  bedreigd 
werdéb;  de  generaal  Fagel  stelde  zelfs  aan  den  raadpensionaris 

WILLEM  III.   —   m.  23 

Digitized  by  VjOOQIC 


354  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGB  BESCHOUWINGEN. 

Heinsius  voor,  dat  deze  hem  zoude  machtigen,  met  eene  troepen- 
macht uit  Vlaanderen  op  te  rukken  naar  Duinkerken  en  die  stad  te 
bombardeeren,  ten  einde  zoo  het  gevaar  af  te  wenden  van  zelf 
te  worden  aangevallen;  en  de  hertog  van  Holstein-Plön,  toen 
opperbevelhebber,  deelt  aan  den  Raadpensionaris  evenzeer  zijne 
bezorgdheid  mede  over  die  krijgstoerustingen  te  Duinkerken,  en 
vindt  het  vernederend  dat  men  die  zoo  moet  duchten;  ihet  is 
eene  schande  voor  ons"  —  zoo  eindigt  hij  zijn  brief  van  3  Maart 
1696  —  idat  wij  na  op  zoo  roemrijke  wijze  den  oorlog  ter  zee 
tegen  Engeland  en  Frankrijk  te  hebben  volgehouden,  thans 
moeten  bevreesd  zijn  voor  Jean  Bart,  met  zijn  8  of  10  oorlogs- 
schepen. Vergeef  mij  dat  ik  zoo  vrij  schrijf;  maar  het  ergert  mij." 
(Archief  van  Heinsius,  2*  deel,  blz.  117  en  118). 

Maar  noch  Zeeland,  noch  Ostende  werden  toen  bedreigd: 
het  gold  Groot-Brittanje.  Jakobus  II  wilde  eene  nieuwe  poging 
wagen,  om  den  Engelschen  troon  weer  te  beklimmen;  daartoe 
had  hij  uitgebreide  verstandhoudingen  aangeknoopt  met  zijne 
aanhangers  in  het  eüandrijk;  daartoe  was  Berwick,  zijn  onechte 
zoon,  in  stilte,  in  het  geheim,  in  Engeland  gekomen,  om  daar 
een  opstand,  een  omwenteling  voor  te  bereiden;  daartoe  kwam 
de  verdreven  Koning  zelf  te  Calais,  om  zich  met  de  Fransche 
legermacht  in  te  schepen  en  naar  Engeland  over  te  steken,  zoodra 
het  bericht  zou  zijn  gekomen,  dat  Willem  III  door  de  hand  van 
sluipmoordenaars  was  gevallen. 

Die  moord  zou  worden  uitgevoerd,  niet  door  een  enkel  mensch, 
maar  door  een  groot  aantal  saamgezworenen.  Een  veertig  of 
vijftig  Jakobieten,  goed  gewapend  en  te  paard,  wilden  Willem  III 
afwachten  als  hij  naar  Richmond  reed  om  te  jagen ;  een  deel  der 
saamgezworenen  zou  de  zwakke  lijfwacht  des  Konings  aanvallen  en 
verdrijven,  terwijl  het  andere  deel  zijn  rijtuig  zou  omringen  en 
hem  dooden ;  zoodra  de  moord  was  volbracht  zou  ijlings  daarvan 
bericht  worden  gegeven  aan  koning  Jakobus  te  Calais,  die  dan 
dadelijk  met  de  Fransche  legermacht  naar  Dover  zou  oversteken. 

Maar  een  paar  der  samenzweerders  ontdekten  den  toeleg  aan 
Bentinck,  kort  voor  het  oogenblik  —  geheel  in  het  begin  van 
Maart  —  dat  deze  tot  uitvoering  zou  komen.  Willem  ni,  op  het 
punt  uit  te  rijden  voor  de  jacht,  zijn  geliefde  uitspanning,  werd 
eindelijk  door  Bentinck  overreed  om  voor  ditmaal  te  huis  te 
blijven ;  spoedig  kwamen  er  nadere  berichten  in,  die  al  meer  en 
meer  de  eerste  opgaven  omtrent  den  voorgenomen  moord  be- 
vestigden j  daarop  hadden  tal  van  inhechtenisnemingen  plaats, 
rechtsgedmgen,  vonnissen,  terechtstellingen,  die,  hoe  wreed  ook, 
ten  volle  waren  verdiend. 

Het  Parlement,  de  geheele  Engelsche  natie,  betuigden  op  de 


Digitized  by 


Google 


SAMENZWERING  IN   ENGELAND,  355 

krachtigste  wijze  hunne  gehechtheid  en  trouw  aan  koning  Wil- 
lem; de  Engelsche  en  Hollandsche  vloot  kwam  in  het  Kanaal, 
om  eene  landing  te  beletten;  20  bataljons,  uit  de  Nederlanden 
afgezonden,  ontscheepten  den  1960  Maart  te  Duins  en  op  den 
Theems;  koning  Jakobus  haastte  zich  om  naar  Parijs  terug  te 
keeren,  en  de  Fransche  landingstroepen  gingen  uiteen.  In  één 
woord,  het  gevaar  was  geweken  voor  Willem  III 5  en  zijn  gezag 
werd  sterker,  —  zooals  meestal  bij  eene  samenzwering  die  mislukt. 

Sir  John  Fenwick,  een  man  van  zeer  goeden  huize  en  een 
dapper  officier,  die  bij  het  beleg  van  Maastricht  van  1676  aan 
het  hoofd  had  gestaan  van  de  Engelsche  regimenten  van  Wil- 
lem III,  was  in  die  samenzwering  betrokken,  misschien  een  van 
hare  hoofden;  hij  onderging  daarvoor  de  doodstraf  in  1697;  bij 
zijn  rechtsgeding  beschuldigde  hij  verschillende  leden  van  den 
hoogsten  adel  in  Engeland  van  medeplichtigheid;  onder  de  door 
hem  genoemde  namen  komt  ook  die  van  Marlborough  voor. 
Was  die  beschuldiging  gegrond,  of  ongegrond?  —  De  waar- 
schijnlijkheid was  voor  het  eerste;  Willem  III  was  voor  het 
laatste,  —  denkelijk  uit  staatkunde.  Evenzoo  werd  er,  officieel, 
geen  gewag  gemaakt  van  de  medeplichtigheid  van  Jakobus  II 
«n  van  het  Fransche  hof  aan  den  voorgenomen  moord;  zoodat, 
met  stellige  zekerheid,  dienaangaande  niets  kan  worden  gezegd. 
Wij  zullen  kortelijk  de  gronden  opgeven  die  voor  en  tegen  die 
medeplichtigheid  zijn  aan  te  voeren. 

Charnok,  een  geleerde  van  de  Oxfordsche  Universiteit  en  een 
der  voornaamste  aanleggers  van  de  samenzwering,  verklaarde  bij 
zijne  terdoodbrenging,  dat  hij  wel  wist  dat  koning  Jakobus  voor- 
nemens was  om  in  Engeland  te  landen,  en  daar  een  opstand 
beraamde,  maar  dat  nooit  eenig  bevel  of  last  des  Konings  om 
den  Prins  van  Oranje  te  vermoorden,  door  Charnok  was  gezien, 
of  te  zijner  kennis  gekomen;  dat  hij  zelfs  zeker  meende  te  zijn, 
dat  een  voorstel  van  dien  aard  door  koning  Jakobus  was  van 
de  hand  gewezen.  Eene  soortgelijke  verklaring  werd  afgelegd 
door  een  ander  der  saarogezworenen,  die  tegelijk  met  Charnok 
ter  dood  gebracht  werd. 

De  Quincy  trekt  op  de  sterkste  wijze  partij  voor  de  onschuld 
van  Jakobus  II;  van  Lodewijk  XIV  gewaagt  hij  hier  niet  eens, 
zeker  van  meening  dat  de  Fransche  koning  geen  verdediging 
noodig  had,  daar  het  ondenkbaar  moest  zijn  dat  hij  aan  zulk 
een  gru weiijken  aanslag  zou  hebben  deelgenomen.  Ziehier  wat 
De  Quincy  zegt,  in  zijn  y^Hhtoire  militaire  du  règne  de  Louis  Ie 
Grand'*\  3'  deel,  blz.  204  en  205: 

>Ik  zal  maar  een  enkel  woord  zeggen,  over  de  samenzwering 
van  eenige  bijzondere  personen,  om  het  op  het  leven  toe  te  leggen 
van  den  Prins  van  Oranje.   Het  is  ongehoord  dat  die  Prins  aan 


Digitized  by 


Google 


356  KRIJCS-   EN  GESCHIEDKUHDIGE  BESCHOUWINGEN. 

het  algemeen  heeft  willen  diets  maken,  dat  de  koning  van  Enge- 
land zulk  een  afgrijselijke  daad  had  bevolen ;  want  de  Prins  van 
Oranje  en  geheel  Engeland  waren  overtuigd,  door  de  nagelaten 
verklaringen  van  de  ter  dood  gebrachte  medeplichtigen,  dat  zij 
van  koning  Jakobus  niet  alleen  geen  last  hadden  tot  dien  aan- 
slag, maar  zelfs,  dat  hij  er  niet  in  het  minst  van  wist.  Maar  de 
Prins  van  Oranje,  die  er  belang  bij  had  om  koning  Jakobus  in 
een  hatelijk  daglicht  te  stellen,  poogde  diens  schuld  te  bewijzen 
door  rechterlijke  vervolgingen,  's  Konings  godsvrucht  en  meer 
dan  gewone  deugd  zijn  te  schitterend  aan  de  wereld  gebleken, 
dan  dat  het  noodig  zij,  hem  in  dat  opzicht  te  verdedigen.  Alleen 
is  het  zeker,  dat  toen  de  koning  van  Engeland  den  koning  van 
Frankrijk  overhaalde  tot  die  onderneming,  hij  op  het  groot  aan- 
tal trouwe  onderdanen  rekende  die  hij  in  zijn  koninkrijk  had, 
en  die,  zuchtende  onder  de  slavernij  waarin  zij  verkwijnden, 
slechts  wachtten  op  den  bijstand  die  men  hun  toedacht,  om  zicb 
openlijk  voor  hem  te  verklaren.  Geheel  Engeland  weet,  dat  de 
saamgezworenen  nooit  iets  anders  hebben  verklaard,  dan  dat  zij 
hunne  samenzwering  zelf  hadden  tot  stand  gebracht,  ten  gunste 
van  de  aanhangers  des  konings  van  Engeland  in  zijn  rijk;  maar 
dat  die  vorst  geen  deel  daaraan  had . . ." 

Macaulay  staat  de  meening  voor,  dat  er  in  1696,  in  Engeland, 
een  tweeledige  samenzwering  tegen  Willem  III  heeft  bestaan.  De 
eene  samenzwering  had  ten  doel,  een  opstand  in  Engeland,  eene 
omwenteling,  het  omverwerpen  van  de  heerschappij  van  den 
Prins  van  Oranje,  het  weer  verheffen  van  Jakobus  op  den  troon 
van  Groot-Britlanje ;  aan  die  samenzwering  konden  mannen  als 
de  heriog  van  Berwick,  als  Sir  John  Fenwick,  deelnemen ;  want, 
waagde  men  er  zijn  leven  bij,  er  was  toch  niets  schandelijks, 
niets  onteerends  in  dien  aanslag.'  Maar  naast,  of  ter  zijde,  van 
die  eene  samenzwering,  ontstond  een  tweede,  die  ten  doel  had 
het  vermoorden  van  Willem  III;  die  tweede  samenzwering  ver- 
dient te  worden  gebrandmerkt  als  eene  schandelijke  misdaad. 

Ziedaar  hoofdzakelijk  wat  aangevoerd  wordt  om  Jakobus  II 
en  den  Franschen  koning  vrij  te  pleiten  van  medeplichtigheid 
aan  den  beraamden  sluipmoord  tegen  Willem  III.  —  Een  enkel 
woord  daarover. 

Met  zekerheid  kan  men  Macaulay*s  meening  niet  verwerpen; 
maar  toch  kan  men  hare  waarheid  betwijfelen.  Die  scherpe  en 
geheele  afscheiding  tusschen  de  twee  samenzweringen  heeft  de 
waarschijnlijkheid  niet  voor  zich.  Een  aantal  menschen  verbinden 
zich  om  in  1696  in  Engeland  eene  omwenteling  te  bewerken; 
een  aantal  andere  menschen  willen,  om  die  omwenteling  te  be- 
gunstigen, Willem  III  vermoorden;  is  het  nu  denkbaar,  dat  het 
eerste  komplot  niets  geweten  heeft  van  het  tweede,  dat  er  geen 
verband  hoegenaamd  tusschen  die   beide   komplotten  heeft  be- 


Digitized  by 


Google 


SAMENZWERING   IN   ENGELAND.  357 

Staan?  —  Toen  Filips  II  met  zijn  legers  en  vloten  naar  den  val 
van  Elisabeth  streefde,  hadden  er  tegelijkertijd  moordaanslagen 
plaats  tegen  de  Engelsche  koningin;  en  er  was  wel  degelijk 
verband  tusschen  die  moordaanslagen,  en  de  toerusting  van 
Parma's  legers,  of  van  de  Armada.  De  waarschijnlijkheid  is  er 
voor,  dat  het  in  1696  evenzoo  is  gegaan.  Het  is  mogelijk  dat 
Jakobus  ü  die  samenzwering  niet  zelf  heeft  tot  stand  gebracht 
om  Willem  III  te  vermoorden;  het  is  mogelijk  dat  hij  er  niet 
rechtstreeks  deel  aan  heeft  genomen,  er  zich  buiten  heeft  ge- 
houden; maar  denkelijk  is  hij  er  niet  onkundig  van  gebleven, 
denkelijk  heeft  hij  gedacht,  dat  het  raadzaam  was  om  die  saam- 
gezworenen maar  ie  laten  handelen,  zonder  deel  te  nemen  aan 
die  handeling;  gelukte  de  moordaanslag,  dan  zou  Jakobus  er  de 
vruchten  van  hebben  geplukt;  mislukte  zij,  dan  kon  hij  de 
schande  der  onderneming,  van  zijn  naam  afschuiven. 

Heeft  zich  de  zaak  zóó  toegedragen,  dan  konden  de  gevon- 
niste samenzweerders  in  Engeland  ook  naar  waarheid  verklaren, 
dat  zij  uit  eigen  aandrift  den  moord  hadden  voorgenomen,  en 
geen  last  of  bevel  daartoe  hadden  ontvangen  van  Jakobus.  Hun 
gehechtheid  en  trouw  aan  den  verdreven  Koning  moet  hen 
bovendien  hebben  aangespoord  om  zijn  naam  vrij  te  houden 
van  alle  smet. 

De  Quincy  beroept  zich  op  de  t  godsvrucht  en  meer  dan  ge- 
wone deugd"  van  Jakobus.  Dat  De  Quincy  zoo  schreef  behoeft 
niemand  te  verwonderen,  neemt  men  in  aanmerking  dat  hij  een 
iiooge  betrekking  bekleedde  bij  de  legermacht  van  Lodewijk  XIV, 
den  vorst,  dien  hij  in  zijn  geschiedkundig  werk  noemt  >  Louis 
Ie  Grand";  de  getuigenis  van  zulk  een  man  kan  niet  onpar- 
tijdig zijn:  hij  behoorde  tot  de  aanbidders  en  vleiers  van  den 
Franschen  koning,  en  moest  dus  ook  kwistig  zijn  in  den  lof  van 
Jakobus,  wiens  zaak  Lodewijk  XIV  tot  de  zijne  had  gemaakt. 
Maar  zelfs  al  is  De  Quincy  geheel  oprecht  geweest  in  zijn  oor- 
deel over  Jakobus,  dan  kunnen  wij  toch  dat  oordeel  niet  in  het 
«ninst  beamen :  noch  bij  Jakobus  II,  noch  bij  Lodewijk  XIV  kan 
men  thans  een  beroep  doen  op  hunne  » godsvrucht  en  deugd'*;  — 
en  wanneer  wij  die  twee  koningen  hier  in  éénen  adem  noemen, 
dan  is  het  omdat  hier,  bij  deze  gelegenheid,  hunne  zaak  dezelfde 
is  geweest;  al  het  kwaad  dat  bij  dien  aanslag  van  1696  van 
Jakobus  II  wordt  aangenomen,  komt  ook  neer  op  Lodewijk  XIV; 
want  de  verdreven  Engelsche  vorst  deed  toen  niets,  dan  met 
machtiging  of  voorkennis  van  den  Franschen  koning.  Gij  zegt, 
dat  die  vorsten  geen  deel  kunnen  gehad  heb^^en  aan  den 
■aanslag  van  1696,  omdat  zij  te  veel  godsvrucht  en  deugd  had- 
den; —  maar  hoe  zat  het  dan  met  die  godsvrucht  en  deugd, 
toen  zij  in  1692  Grandval  afzonden  om  Willem  III  te  vermoor- 
den? £n   dat   zij   aan  dien   aanslag  handdadig  zijn  geweest,  is 


Digitized  by 


Google 


358  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

bewezen  door  het  openbaar  gemaakte  vonnis  van  den  moorde- 
naar^ dat  nooit  is  weersproken  door  de  Fransche  regeering. 

Wiskundige  zekerheid  bestaat  hier  niet,  alleen  waarschijnlijk- 
heid; en  deze  pleit  er  voor,  aan  te  nemen,  dat  Jakobus  n  en 
Lodewijk  XIV  kennis  droegen  van  den  toeleg  om  Willem  III  te 
vermoorden,  dat  zij  dus  medeplichtig  zijn  geweest  aan  die  mis- 
daad. Dit  was  toen  ook  de  meening  in  bijna  geheel  Europa;  en 
zeer  sterk  komt  dit  onder  andere  uit  in  een  brief  van  Heeckeren, 
den  gezant  der  Republiek  bij  het  Zweedsche  hof,  aan  den  raad- 
pensionaris Heinsius  {Stokholm  ce  0.%  Man  1696).  Na. het  gerucht 
—  een  ongegrond  gerucht  —  vermeld  te  hebben,  dat  de  Engelsche 
admiraal  Russel  zestien  Fransche  oorlogsschepen  zou  hebben 
genomen  of  verbrand,  laat  Heeckeren  daarop  volgen : 

•  Is  dit  zoo,  dan  is  het  eene  gerechte  straffe  Gods,  om  de» 
Aller  Christelijksten  Koning  te  kastijden  voor  het  deelnemen  aan 
een  zoo  verfoeielijke  samenzwering;  en  ik  ben  zeker  dat  de  eene 
ramp  de  andere  zal  volgen,  totdat  hij  bezwijkt  onder  de  recht- 
vaardige tuchtiging  van  al  het  kwaad  dat  hij  het  gansche  mensch- 
dom  heeft  aangedaan.  Waarlijk,  het  is  niet  onmogelijk  om  mis*- 
schien  nog  staatslieden  te  vinden,  die  het  in  koning  Jakobus 
zouden  kunnen  verontschuldigen,  indien  hij  zich  niet  ontzag 
dolk  of  gif  te  bezigen,  om  weer  op  een  troon  te  komen,  die 
hem  toebehoort  —  meent  hij  —  omdat  hij  vroeger  daarop  heeft 
gezeteld,  maar  dien  hij  op  zoo  lafhartige  wijze  heeft  verlaten^ 
zooals  de  geheele  wereld  weet;  voor  zulk  een  daad.  Mijnheer, 
zal  men  nog  menschen  kunnen  vinden  die  haar  eenigszins  ver- 
ontschuldigen ;  —  maar  dat  een  Koning  van  Frankrijk  deelneemt 
aan  een  aanslag  om  een  ander  Koning,  zijn  evenknie,  te  doe- 
den en  te  vermoorden,  zooals  hij  nu,  dat  de  wereld  weet^  reeds 
twee  maal  heeft  gedaan  —  met  Grandval  en  nu  —  en  wie  zegt 
hoeveel  meer  malen,  dat  men  niet  weet  —  dat  is  zoo  afschuwe- 
lijk, dat  die  dwingeland  en  alle  deelgenooten  aan  het  feit,  zeer 
zeker  eenmaal  de  straf  zullen  erlangen  voor  hunne  misdadige 
aanslagen  . . .  Ieder  eerlijk  man  spreekt  niet  dan  met  afgrijzen  vao 
dien  afschuwelijken  aanslag;  vooral  doet  dit  de  Koning  vai> 
Zweden..."  (Archief  van  Heinsius,  3'  deel,  blz.  184 — 185). 

Bidloo,  de  kundige  Leidsche  hoogleeraar  en  die  tevens  lijfarts 
was  van  Willem  III,  moet  toen  eene  redevoering  hebben  ge- 
houden —  of  willen  houden  —  over  den  moordaanslag;  en 
daarin  onbewimpeld  opgetreden  zijn  als  beschuldiger  van  Lode- 
wijk XIV.  Het  is  niet  zeker,  dat  die  redevoering  werkelijk  ge- 
houden is ;  want  in  een  brief  van  Boreel,  een  der  Amsterdamsche 
burgemeesters,  aan  den  raadpensionaris  Heinsius  (Haege  27  Juni 
1696)  wordt  te  kennen  gegeven,  dat  die  handeling  van  den 
hoogleeraar  dan  toch  wel  wat  ongeraden  zou  zijn,  nu  men  met 
Frankrijk  zoo  druk  aan  het  onderhandelen  was  over  den  vrede. 


Digitized  by 


Google 


GIVET.  359 

Ziehier  dien  brief  van  Boreel,  zooals  die  voorkomt  in  het  Archief 
van  Heinsius,  $•  deel,  blz.  196: 

...iBij  dese  gelegenthe)rt  sal  met  permissie  UWEG.  dienstelijck 
voordraegen,  dat  de  Hr.  Eleman,  gisteren  in  't  CoUegie"  (welk 
Collegie?)  iverhaelt  heeft,  dat  de  Prof.  Bidloo  morgen  een  oratie 
soude  doen  op  't  subject  van  't  assassinat  en  't  plot,  in  Enge- 
landt  voorgevallen;  dat  dese  Professor  in  die  te  doene  Oratie 
soude  aenwijsen,  niet  alleen  dat  de  Con.  v.  Vr.  d'autheur  van 
dat  detestabele  voornemen  is  geweest,  maar  dat  op  een  tafel 
vóór  den  harangueur  allerhande  moortinstrumenten  ten  toon  sul- 
len leggen,  verciert  met  gouden  leliën;  om,  niet  alleen  door 
't  aanhooren  van  d'  oratie,  maar  door  't  gesicht  van  dese  moort- 
instrumenten, soodanigh  opgeschickt,  dien  Con.  te  verbeelden  als 
soodanigh.  UWEG.  sal  beter  als  ick  connen  oordeelen,  off  dier- 
gelijcke  te  doen,  in  desen  tijt  van  't  saisoen  is..." 

ivan  't  saisoen"  is:  étre  de  saison.  —  Maar  op  een  enkel 
gallicisme  mag  men  niet  zien,  in  een  stijl  die  zoo  krioelt  van 
barbaarsche  stadhuiswoorden. 

Uit  alles  kan  men  opmaken,  dat  de  openbare  meening,  de 
volksstem,  toen  wel  degelijk  Jakobus  II  en  Lodewijk  XIV  als 
medeplichtigen  beschouwde  aan  dien  aanslag  om  Willem  III  te 
vermoorden.  Wij  gelooven,  dat  de  volksstem  hierin  geen  ongelijk 
heeft  gehad;  de  waarschijnlijkheid  is  voor  hare  meening;  maar 
—  wij  herhalen  het  —  stellig  bewijs  is  er  niet. 


Bij  een  veldtocht  van  dien  tijd  bestond,  nog  veel  meer  dan 
in  onze  dagen,  de  groote  moeielijkheid  daarin,  de  troepen  te 
voeden.  Daartoe  moesten  vooral  dienen,  de  magazijnen  die  men, 
nog  vóór  het  te  velde  trekken,  in  de  grensvestingen  bijeenbracht ; 
het  nemen,  of  vernielen,  van  die  magazijnen  was  dus  voor  de 
tegenpartij  geen  onbelangrijk  voordeel,  omdat  daardoor  het  vijan- 
delijke leger  verhinderd  werd  om  te  velde  te  komen;  of,  ten 
minste,  dan  minder  lang  te  velde  kon  blijven.  Het  was,  met  het 
oog  hierop,  dat  de  legerhoofden  der  bondgenooten  in  de  Spaansche 
Nederlanden  tot  eene  onderneming  besloten  tegen  de  Fransche 
magazijnen  te  Givet,  eene  vesting  aan  de  Maas,  een  kleinen 
dagmarsch  hooger  op  dan  Dinant. 

Het  voornemen  tot  die  handeling  schijnt  uitgegaan  te  zijn  van 
Athlone,  die  zich  toen  te  Brussel  ophield.  Den  6en  Maart  schrijft 
die  aanvoerder  aan  den  hertog  van  Holstein  Plön,  —  toen  nog 
opperbevelhebber  van  het  leger  der  Republiek  — ,  en  vraagt 
machtiging  om  15  bataljons  en  30  eskadrons  samen  te  trekken; 
onder  die  laatste  moeten  10  eskadrons  dragonders  zijn;  die 
troepen  moeten  »Zaturdag"  tusschen  Sombreffe  en  Sint  Truyen 
zijn,  om  van   daar   's  Zondags  bij   Namen,  of  bij   Thienen,   te 


Digitized  by 


Google 


360  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

komen,  >al  naar  mate  men  ze  noodig  kan  hebben;  en  —  voegt 
Athlone  er  bij  —  »daar  ik  de  eene  of  andere  onderneming  heb 
doen  onderzoeken,  hoop  ik  tevens  aan  Uwe  Hoogheid  iets  voor 
te  stellen  dat  uitvoerbaar  en  voordeelig  is;  maar  het  komt  vooral 
aan,  op  geheimhouding;  en  ik  verzoek  Uwe  Hoogheid  dat  de 
ruiterij  voorzien  worde  voor  vier  dagen  aan  gesponnen  hooi,  dat 
zij  onderweg  niet  moet  gebruiken,  maar  bewaren  voor  het  geval 
van  nood;  brood  en  haver  zullen  wij  weten  te  vinden;  ook 
wensch  ik,  dat  Graaf  Tilly  haar  aanvoerder  moge  zijn." 

Die  troepen  komen  te  Namen;  een  gedeelte  van  de  bezetting 
dier  vesting  voegt  zich  bij  haar ;  en  Athlone  met  Coehoorn  gaan 
den  13611  Maart  met  die  macht  op  marsch,  in  zuidelijke  rich- 
ting, op  den  rechteroever  van  de  Maas.  Die  marsch  gaat  gepaard 
met  bezwaren,  door  den  slechten  toestand  van  de  wegen,  en 
door  de  moeielijkheid  die  men  ondervindt  bij  het  overtrekken 
van  de  Lesse,  een  riviertje  dat  zich  nabij  Dinant  in  de  Maas 
werpt.  Athlone  had  zwaar  geschut  meegenomen  van  Namen, 
maar  zag  geen  kans  om  dit  voor  Givet  te  brengen,  zoo  door 
den  slechten  toestand  van  de  wegen,  als  door  den  slechten  toe- 
stand van  de  trekpaarden.  De  zware  kanonnen  en  mortieren 
werden  daarom  achtergelaten;  en  de  marsch  naar  Givet  voort- 
gezet door  Coehoorn  met  niet  meer  dan  500  man  voetvolk, 
500  ruiters,  6  houwitsers  en  6  kanonnen  van  6  ^.  Athlone 
wendde  zich  met  de  hoofdmacht,  —  g  k  10  000  man  —  tegen 
de  vesting  Dinant,  waar  Guiscard  eene  Fransche  troepenmacht 
had  vereenigd. 

Terwijl  Guiscard  beziggehouden  werd  door  Athlone  en  daar- 
door beducht  was  dat  het  Dinant  zou  gelden,  verscheen  Coe- 
hoorn den  i5en  Maart  voor  Givet;  den  volgenden  dag,  's  och- 
tends om  zeven  uur,  opende  zijne  artillerie  haar  vuur,  op  óéX 
deel  van  de  vesting  dat  op  den  rechter  Maasoever  ligt;  drie 
uren  later  stond  alles  daar  in  volle  vlam^  en  waren  de  maga- 
zijnen vernield.  Omdat  men  geen  zwaar  geschut  bij  zich  had, 
was  het  onmogelijk  om  ook  het  deel  van  Givet  in  brand  te 
schieten,  dat  op  den  linkeroever  van  de  Maas  ligt,  evenmin  als 
het  onmiddellijk  daaraan  sluitende  Charlemont;  —  zoodat  de 
daar  aanwezige  Fransche  magazijnen  gespaard  bleven.  Volgens 
opgaven  van  Fransche  zijde,  moet  men,  bij  het  bericht  van  de 
nadering  der  Hollandsche  troepen,  nog  tijdig  een  deel  van  den 
voorraad  hebben  overgebracht,  van  den  rechteroever  der  Maas 
naar  den  linker.  Toch  moet  de  vernieling,  door  het  kanonvuur 
van  Coehoorn  aangericht,  nog  al  aanmerkelijk  zijn  geweest;  in 
een  brief  van  23  Maart  zegt  de  raadpensionaris  Heinsius,  >dat 
meer  dan  drie  millioen  rations  hooi  en  evenveel  stroo  verbrand 
zijn,  benevens  eene  groote  hoeveelheid  haver,  koorn  en  meel"; 
en  de  Europische  Mercurius  zegt,  dat  de  verbrande  fourage  groot 


Digitized  by 


Google 


GIVET.  361 

genoeg  was  voor  het  onderhoud  van  30  k  40000  paarden,  ge- 
durende drie  maanden  tijds. 

Om  vier  uur  's  namiddags  staakte  Coehoorn  het  bombardement 
•en  trok,  ongehinderd,  terug  op  de  hoofdmacht  voor  Dinant ;  deze 
had  intusschen  een  weinig  afdoend  geschut-  en  geweervuur  onder- 
houden met  de  troepen  van  Guiscard;  het  voorname  doel  hierbij 
Tvas,  den  Franschen  te  verhinderen  Givet  te  hulp  te  komen,  of 
•de  gemeenschap  van  Athlone  met  Namen  te  bedreigen.  Onge- 
hinderd had  daarna  de  terugtocht  plaats  van  den  HoUandschen 
bevelhebber  op  Namen.  Tegen  die  vesting  werd  kort  daarna  eene 
soort  van  bedreiging  gemaakt  door  de  Fransche  bevelhebbers, 
als  het  ware  een  weerwraak  voor  het  gebeurde  te  Givet;  die 
bedreiging  leidde  echter  tot  niets,  dank  zij  de  waakzaamheid  van 
<ie  bezetting  van  Namen,  en  dank  zij  het  beleid  van  Coehoorn, 
haar  bevelhebber. 

Die  onderneming  op  Givet  was  dus  volkomen  gelukt;  —  maar 
•de  wijze  waarop  zij  was  beraamd  en  uitgevoerd,  wekte  het 
ongenoegen  op  van  den  hertog  van  Holstein-Plön,  die  toen  nog 
de  opperbevelhebber  was  van  het  leger  der  Republiek;  in  een 
brief,  gedagteekend  Namen  14  Maart  1696,  klaagt  dat  leger- 
hoofd aan  den  raadpensionaris  Heinsius,  over  miskenning  van 
zijn  gezag: 

>Als  wanneer  ick  gisteren  naemiddagh  al  hier  arriveerde,  so 
was  de  Heer  Graaf  van  Athlone  en  d' andere  Generaels  reeds 
met  de  trouppes  nae  de  kant  van  Givet  geavanceert,  sonder  mij 
daervan  de  minste  kennisse  te  geven,  en  hebbe  alleen  bij  mijn 
arrivement  binnen  dese  stadt  vernomen,  als  dat  het  desseyn  legt 
om  een  considerabel  magasin,  binnen  Givet  in  brandt  te  steecken. 
<jodt  geve  dat  hun  oogmerck  gelukkig  mach  uytvallen;  edoch 
soo  niet,  soo  wil  ick  00 ck  in  't  minste  niet  verantwoording  van 
de  ongemacken,  die  uyt  dese  marsch  mochten  spruyten,  hebben. 
En  sie  ick  vele  desordres  te  gemoct,  als  de  Heeren  Generaels 
«onder  mijne  communicatie  entreprises  willen  formeren  ende 
executeren,  daer  nochtans  volgens  de  oude  oorloghswetten  niets 
en  mach  geschieden  sonder  kennisse  van  die  geene  dewelcke  de 
legers  commandeert.  Ende  daerom  bidde  ick  dat  UWEG.  soda- 
nige  heeren  wat  beter  gelieve  te  onderrichten,  opdat  sij  in 
't  toekomende  sonder  mijn  weten  niets  moge  tenteren.  Ick  sal 
ondertusschen  hier  blijven  afwachten,  hoedanigh  de  saecke  magh 
afloopen"  enz.  (Archief  van  Heinsius,  2*  deel,  blz.  119 — 120). 

Toen  Holstein-Plön  kort  daarop  verneemt,  >  dat  de  zaak  goed 
Is  afgeloopen",  schrijft  hij  dit  toe,  aan  de  kordaatheid  van  Coe- 
hoorn; —  op  Athlone  schijnt  hij  het  niet  te  hebben  begrepen. 

Het  is  wel  eenigszins  naïef,  dat  Holstein-Plön  een  beroep  noo- 
dig  acht  op  >de  oude  oorloghswetten"  om  te  bewijzen,  dat  er  bij 


Digitized  by 


Google 


362  KRIJG3-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

de  legers  «niets  en  mach  geschieden  sonder  kennisse  van  die 
geene  dewelcke  de  legers  commandeert";  —  zulk  een  beroep 
schijnt  vrij  overtollig;  want  het  zal  wel  tot  het  ABC  van  elke 
geregelde  oorlogvoering  behooren,  dat  een  opperbevelhebber  daar 
is  om  gezag  te  oefenen,  en  geenszins  om  ivoor  spek  en  boonen 
meê  te  loopen".  Maar  de  waarheid  schijnt  te  zijn  geweest,  dat 
men  Holstein-Plön,  als  opperbevelhebber,  gaarne  wilde  loozen; 
en  daarom  zijn  krijgsgezag  niet  genoegzaam  steunde. 

Waardoor  ontstond  die  minder  gunstige  gezindheid  te  zijnen 
opzichte?  Was  zij  een  gevolg  van  het  krachtig  protest,  dat,  reeds 
dadelijk  bij  zijne  benoeming  tot  veldmaarschalk,  door  de  Staten 
van  Friesland  was  ingebracht?  Of  was  later  gebleken,  dat  hi> 
minder  geschikt  was  voor  de  taak  van  opperbevelhebber;  en 
verwachtte  men  betere  uitkomsten  als  men  Nassau-Sarbruck  aan 
het  hoofd  stelde  van  het  leger  der  Republiek?  —  Hoe  dit  zij^ 
zeker  is  het  dat  Willem  III  niet  hoog  wegliep  met  Uolstein  Plön, 
als  opperbevelhebber;  en  dat  hij  er  maar  naar  streefde  om,  op 
de  minst  kwetsende  wijze,  den  Holsteinschen  vorst  te  doen  ver- 
vangen door  een  ander  opperbevelhebber. 

Geheel  in  het  begin  van  1696  —  (Kensington  14/24  Januari 
1696)  —  schrijft  Willem  III  aan  Heinsius,  over  Holstein-Plön,  en 
geeft  daarin  het  duidelijke  blijk,  dat  hij  met  dezen  juist  niet 
bijzonder  is  ingenomen.  Als  —  zegt  Willem  III  in  dien  brief  — 
deze  winter  het  leger  van  de  Republiek  wordt  samengetrokken^ 
>kan  het  niet  worden  geëviteert  ofte  den  Hartog  van  Holstijn- 
Pleun  soude  hetselve  moeten  commandeeren  onder  den  Ceur vorst 
van  Beyeren;  maer  ick  hoop  niet  dat  sulcken  geval  gebeuren 
sal ;  en  voor  d'  aenstaende  campagne  sal  men  dit  anders  moeten 
reguleeren.  De  goede  Godt  wil  geeven,  dat  ick  in  't  landt  magh 
sijn  voor  dien  tijt,  en  dan  sal  sigh  alles  gemackelijck  inschicken 
kunnen."  (Archief  van  Heinsius,  2'  deel,  blz.  116). 

Een  paar  maanden  later,  toen  Willem  III  besloten  is,  op 
welke  wijze  de  zaken  te  i  reguleeren"  en  Holstein-Plön  door 
Nassau-Sarbruck  te  vervangen,  schrijft  hij  dit  aan  Heinsius  (Ken- 
sington 10/20  Maart  1696): 

>Ick  sende  UEd.  hiernevens  een  Commissie  voor  den  Prins 
van  Sarbruck,  om  dit  jaar  het  leger  van  den  Staet  te  comman- 
deren; en  een  autorisatie  om  de  patenten"  (marschorders)  iii> 
mijne  absentie  te  geeven;  als  mede  een  brief  van  notificatie 
't  welck  ick  versoeck  dat  UEd.  hem  wilt  toesenden.  Ick  hebbe 
deselve  aan  UEd.  geadresseert,  ten  eynde  UEd.  voor  af  op  de 
beste  manier  moghte  overleggen,  hoe  het  aan  den  Hertogh  van 
Holstein-Pleun  met  de  minste  oflfentie  te  doen  insinueren,  't  welck 
UEd.  oock  met  den  Heer  Dyckvelt  soude  connen  overleggen. 
Ick  heb  niet  langer  kunnen  waghten  om  mij  hier  over  te  dccla- 


Digitized  by 


Google 


VELDTOCHT  IN  DE  NEDERLANDEN.  365 

reren,  anders  had  ick  het  liever  uytgestelt  tot  mijn  overkomste; 
maer  het  leger  seeckerlijck  sullende  bij  den  ander  moeten  komen 
eer  ick  aldaer  kan  sijn,  soo  ist  een  absolute  nootsakelijkheyt  dat 
de  Generaal  wert  gedeclareert  om  seer  vele  inconvenientes  voor 
te  komen..."  (Archief  van  Heinsius,  2*  deel,  blz.  128 — 129), 

Als  men  een  lastigen  gast  gaarne  wil  beduiden  dat  hij  heen 
moet  gaan,  dan  is  men  wel  eens  verlegen  om  hem  dit  op  eene 
kiesche  manier  te  doen  gevoelen ;  in  zulk  eene  verlegenheid  schijnt 
men  toen  verkeerd  te  hebben  ten  aanzien  van  HolsteinPlön. 


Daar  wordt  verhaald,  dat,  tijdens  het  beleg  van  Gibraltar  door 
de  Spanjaarden  en  Franschen  in  de  tweede  helft  van  de  acht- 
tiende eeuw,  de  Engelsche  bezetting  eens,  bij  het  doen  van  een 
uitval,  doordrong  tot  een  der  wachthuizen  des  vijands,  en  dddr 
het  dagelijksche  rapport  van  de  veldwacht  vond,  ingevuld  met 
de  gewone  formule:  geen  nieuws.  Dien  dag  was  er  wél 
nieuws,  —  zoodat  het  rapport  niet  deugde;  wat  alweer  bewijst, 
hoe  gewaagd  het  is  om  zaken  te  beschrijven  die  nog  moetea 
gebeuren. 

Maar  de  veldtocht  van  1696  in  de  Nederlanden  is  reeds  lang 
geleden  gebeurd,  zoodat  men  dien  zonder  het  minste  gevaar  kan 
bespreken  en  beschrijven;  en  er  is  niets  gewaagds  in^  om  op 
dien  veldtocht  toe  te  passen  de  woorden  van  het  rapport  der 
veldwacht:  geen  nieuws.  Want  waarlijk,  er  is  in  1696  in  de 
Nederlanden  niets  voorgevallen,  niets  ten  minste  wat  vermelding 
verdient  uit  een  krijgskundig  oogpunt.  Twee  legers  hebben  toen 
tegenover  elkander  gestaan ;  — maar  zij  zijn  niet  slaags  geraakt; 
zij  hebben  geen  beleg  beproefd;  zij  hebben  de  landstreek  kaal 
gegeten,  zijn  een  enkelen  keer  van  stelling  veranderd,  en  toen 
weer  uiteengegaan.  Wat  er  in  1696  in  de  Nederlanden  is  voor- 
gevallen, verdient  den  naam  van  veldtocht  haast  niet;  het  was 
als  het  ware  een  overgang  van  den  staat  van  oorlog  tot  den 
staat  van  vrede. 

Uit  een  brief,  geheel  in  het  begin  van  1696  door  Willem  III 
aan  Heinsius  geschreven^  (Kensington  7/17  Januarij  1696),  is 
duidelijk  op  te  maken  dat  de  Stadhouder  niet  voornemens  is^ 
in  1696  iets  bijzonders  te  ondernemen;  na  daarin  eerst  Frank- 
rijk's  voornemens  te  hebben  vermeld  om  de  vloot  van  Toulon 
naar  Brest  te  doen  komen;  na  daaraan  te  hebben  vastgeknoopt 
eene  aanmaning  om  spoed  te  maken  met  de  uitrusting  van  de 
vloot  der  Republiek,  wordt  er,  wat  het  leger  aangaat,  het  vol- 
gende gezegd: 

iHet  sal  op  twee  saecken  voornamentlijk  op  aankoomen,  dat 
wij  de  augmentatie  van  de  trouppes  kunnen  vinden^  en  dat  de 
vyant  ons  niet  prevenieert  en  voor  ons  in  campagne"  (komt). 


Digitized  by 


Google 


364  KRIJGS-    EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Het  eerste,  meent  Willem  III,  zal  nog  wel  gaan;  thet  tweede 
bekommert  mij  meest,  vreesende  seeckerlijck,  dat  de  vyant  ons 
sal  preveniëren  en  dat  wij  dan  genecessiteert  sullen  stjn  om  ons 
te  reguleeren  naer  haere  mouvementen."  —  Vaudemont  heeft 
aan  den  Stadhouder  voorgesteld,  de  belegering  van  Mont-Royal 
—  eene  vesting  op  den  linkeroever  van  den  Moezel,  een  paar 
dagmarschen  beneden  Trier  — 5  Willem  III  oordeelt  dit  te 
moeielijk :  het  zal  al  wél  zijn,  als  men  het  tegenover  Mont-Royal 
gelegen  Traarbach  en  de  forten  kan  nemen.  (Archief  van  Hein-  • 
sius,  2*  deel,  blz.  115). 

Men  ziet  het,  de  Stadhouder  koesterde  geen  groote  plannen 
voor  den  veldtocht  van  1696;  en  die  plannen  zullen  er  niet 
grooter  op  zijn  geworden,  toen  later  de  tegen  hem  gesmede 
samenzwering  werd  ontdekt,  en  ten  gevolge  daarvan  een  deel 
van  de  strijdkrachten  der  bondgenooten  uit  de  Nederlanden  naar 
Engeland  werd  overgebracht. 

Wat  de  legersterkle  van  de  beide  partijen  aangaat,  in  de 
Europische  Mercurius  vindt  men  de  volgende  opgave  aangaande 
de  strijdkrachten  die  Lodewijk  XIV  in  1696  wilde  te  velde  brengen: 

In  Vlaanderen  zou  Villeroy  weer  het  bevel  voeren;  aan  de 
Maas,  Boufflers.  De  gezamenlijke  macht  van  die  twee  leger- 
hoofden zou  bedragen  173  bataljons  en  223  eskadrons  (11 2  000 
man  infanterie  en  35000  cavalerie;  te  zamen  140  k  150000  man). 

In  Piémont  zou  Catinat  34  bataljons  en  83  eskadrons  aan- 
voeren (22000  man  voetvolk  en  13000  man  ruiterij;  te  zamen 
35000  man).  Later  wordt  echter  Catinat's  leger  begroot  op  88 
bataljons,  62  eskadrons  ruiters  en  23  eskadrons  dragonders,  wat 
inderdaad  een  vrij  aanmerkelijk  verschil  maakt  met  de  vroegere 
opgave,  in  zoover  de  infanterie  betreft.  Die  laatste  opgave  is  de 
meest  waarschijnlijke,  daar  zij  tamelijk  wel  overeenstemt  met  wat 
De  Quincy  dienaangaande  opgeeft. 

Aan  den  Rijn  zou  Choiseul  aan  het  hoofd  staan  van  40  batal- 
jons en  III  eskadrons  (26000  man  infanterie  en  17  ^  18000 
cavalerie;  te  zamen  43  k  44000  man). 

In  Catalonië  had  Vendème  het  bevel  over  26  bataljons  en 
37  eskadrons  (bijna  17000  man  infanterie  en  bijna  6000  cava- 
lerie; te  zamen  22  è.  23000  man). 

Montal  had  in  Normandië  5  bataljons  (ruim  3000  man),  en 
6  eskadrons  (bijna  1000);  te  zamen  een  4000  man. 

Dan  waren  er  nog  kleine  afdeelingen,  onder  d'Harcourt  in  het 
Luxeraburgsche,  en  onder  Guiscard  bij  Dinant.  —  De  macht  van 
die  beide  bevelhebbers  niet  mederekenende,  vindt  men  als  men 
al  het  andere  optelt,  dat  Frankrijk  in  1696,  in  het  geheel,  een 
250000  man  te  velde  bracht. 


Digitized  by 


Google 


VELDTOCHT  IN  DE  NEDERLANDEN.  365 

Wij  willen  in  geenen  deele  borg  blijven  voor  de  juistheid  van 
die  cijfers  in  de  Europische  Mercurius;  integendeel,  wij  mis- 
trouwen ze;  vooral  ook,  omdat  in  dit  werk,  later,  aangaande  de 
sterkte  van  de  legers  van  Villeroy  en  Boufflers  in  de  maand 
Juli,  eene  opgave  voorkomt,  die  klaarblijkelijk  kant  noch  wal 
raakt.  Vreemd  ook  is  het,  dat,  terwijl  men  zoo  uitvoerige  op- 
gaven vindt  aangaande  de  sterkte  en  samenstelling  van  de  Fransche 
legers,  dit  veel  minder  het  geval  is  ten  aanzien  van  de  eigen 
legers;  die  kon  men  toch  beter  kennen;  misschien  was  het  niet 
geoorloofd,  daaromtrent  mededeelingen  te  doen :  de  vrijheid  van 
drukpers  liet  toen  nog  al  wat  te  wenschen  over,  zelfs  in  de 
Republiek,  al  was  zij  daar  grooter  dan  in  de  andere  Europeesche 
staten. 

Wij  zouden  verschillende  gronden  kunnen  aanvoeren  om  aan 
te  toonen,  dat  het  cijfer  van  250000  man,  dat  wij  aangenomen 
hebben  voor  de  geheele  sterkte  van  de  legers,  door  Frankrijk 
in  1696  te  velde  gebracht,  niet  te  hoog  is,  eer  te  laag;  maar 
wij  maken  er  een  gewetenszaak  van,  onze  lezers  langer  te  ver- 
moeien met  die  cijfers.  Wat  doet  het  er  toe,  of  een  leger 
20000  man  sterk  was,  of  30000,  als  het  toch  niets  heeft  uitge- 
voerd? —  En  in  1696  is  dat  het  geval  geweest,  op  de  meeste 
oorlogstooneelen ;  —  wie  krijgshan delingen  wil  bestudeeren,  lei- 
ding van  den  oorlog,  kan  dat  jaar  voorbijgaan. 

In  Mei  beginnen,  in  de  Nederlanden,  de  wederzijdsche  legers 
te  velde  te  komen.  Het  leger  van  Villeroy  trok  bijeen  tusschen 
de  Schelde  en  Kortrijk,  en  daarna  meer  naar  de  Lijs;  het  leger 
van  Boufflers  te  Fleurus,  en  later  meer  naar  de  zijde  van  Mons. 
De  bondgenooten  waren  verdeeld  in  twee  groote  massa's:  de 
eene,  onder  Vaudemont,  te  Destelberg,  nabij  Gent;  de  andere, 
onder  den  keurvorst  van  Beieren  en  onder  Nassau-Sarbruck, 
nabij  Leuven  en  Thienen.  De  Quincy  begroot  het  leger  van 
Vaudemont  op  80  bataljons  en  100  eskadrons  (48000  man  voet- 
volk en  12000  ruiterij;  te  zamen  60000);  en  dat  van  den  keur- 
vorst van  Beieren  op  72  bataljons  en  148  eskadrons  (43200  man 
voetvolk  en  17760  ruiters;  te  zamen  60960  man);  dus  de  beide 
legers  te  zamen,  ruim  120000  man.  De  Fransche  schrijver  neemt 
hierbij  aan,  dat  het  bataljon  bij  de  bondgenooten  600  man  sterk 
was,  het  eskadron  120;  —  wij  gelooven  dat  het  eskadron  sterker 
is  geweest,  het  bataljon  minder  sterk,  niet  meer  dan  een  500  man. 

Aanvankelijk  gebeurde  er  niets;  —  van  een  legerhoofd  als 
Villeroy  was  zoo  iets  niet  te  verwonderen;  van  Boufflers  kon 
men  meer  verwachten,  maar  het  schijnt  dat  hij  ondergeschikt 
was  aan  zijn  ambtgenoot  Bij  de  bondgenooten  wachtte  men  op 
de  komst  van   Willem  III;   en  die  haastte  zich  niet,  omdat  hij 


Digitized  by 


Google 


366  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

toch  niet  voornemens  was  iets  bijzonders  uit  te  voeren.  Den 
17C0  Mei  in  Zeeland  geland,  in  den  Oranje-polder,  kwam  de 
Stadhouder  den  volgenden  dag  in  Den  Haag,  en  vertrok  den 
23sten  Mei  van  daar,  —  intusschen  niet  naar  het  leger,  maar 
naar  het  Loo;  hier  bleef  hij  jagen  tot  den  2en  Juni,  toen  hij 
naar  Braband  ging,  en  den  5en  te  Merxem  kwam,  nabij  Antwerpen. 

Na  zich  eerst  bij  het  leger  van  Vaudemont  te  hebben  begeven, 
voegde  de  Stadhouder  zich  later  bij  het  leger  van  den  Keurvorst, 
waarvan  hij  het  bevel  op  zich  nam  en  dat  hij  versterkte  met 
•een  deel  van  de  macht  van  Vaudemont.  De  dreigende  houding 
van  Willem  III,  die  oprukte  naar  de  zijde  van  Genappe,  deed 
Boufïiers  —  einde  Juni  —  besluiten  om  terug  te  gaan  achter  de 
Sambre,  na  eerst  de  bezetting  van  Charleroi  te  hebben  versterkt. 
Er  gebeurde  echter  niets;  Willem  III,  later  naar  de  zijde  van 
Ath  trekkende,  bracht,  evenals  zijn  tegenpartij,  in  Juli  en  Augus- 
tus den  tijd  werkeloos  door;  totdat  » Zijne  Brittannische  Majesteit 
zag"  —  zooals  de  Europische  Mercurius  zich  uitdrukt  —  »dat 
men  de  vyanden  in  geenige  decisive  actie  kon  wikkelen,  dat  zij 
hunne  plaatsen  met  oneindige  werken,  en  door  de  posteering 
hunner  troepen  ongenaakelijk  hadden  gemaekt;  en  eindelijk,  dat 
het  saizoen  vrij  ver  heen  geloopen,  alle  dagen  ongemakkelijker 
wierd,"  (Nota  bene,  in  Augustus!),  hij,  den  26sten  dier  maand 
het  leger  verliet  en  naar  het  Loo  terugkeerde. 

Een  leger  van  een  20  000  Duitschers,  onder  den  landgraaf  van 
Hessen,  kwam  toen  ook  eens  kijken  in  de  Nederlanden;  in  het 
laatst  van  Juni  verscheen  het  te  Visé,  tusschen  Luik  en  Maas- 
tricht, en  liet  daar  eenige  dagen  verloopen,  alvorens  over  te 
gaan  op  den  linkeroever  van  de  Maas;  het  bleef  daar  de  maand 
Juli,  meest  in  de  nabijheid  van  Luik,  en  keerde  toen  terug  naar 
Duitschland.  Waarom  was  het  gekomen?  Waarom  vertrok  het?  — 
het  is  moeielijk  die  vragen  te  beantwoorden. 

De  Duitsche  legers  van  dien  tijd,  eenmaal  vechtende,  vochten 
goed;  maar  zij  vochten  liever  niet:  sneuvelden  de  soldaten  niet, 
dan  behoefden  zij  ook  niet  te  worden  vervangen;  en  dan  be- 
spaarden de  Duitsche  vorsten  het  geld,  dat  zij  anders  zouden 
moeten  betalen  voor  aanwerving  en  uitrusting  van  nieuwe  sol- 
daten; dan  hielden  die  vorsten  meer  over,  van  de  subsidiën  van 
Engeland  en  van  de  Republiek.  Het  is  een  vaste  tactiek  van  de 
Duitsche  legers  van  dien  tijd  om  zoo  laat  mogelijk  te  velde  te 
komen,  en  zoo  spoedig  mogelijk  huiswaarts  te  keeren,  om  zich 
zoo  weinig  mogelijk  bloot  te  stellen  aan  verliezen,  en  steeds  er 
naar  te  streven  om  in  eene  landstreek  op  te  treden  die  in  de 
voeding  en  verzorging  van  den  soldaat  kan  voorzien,  en  dus  de 
Duitsche  vorsten  van  dien  last  ontheft. 


Digitized  by 


Google 


VELDTOCHT  IN  DE  NEDERLANDEN.  367 

Vaudemont  en  Villeroy  voeren  al  even  weinig  uit;  geheel  in 
het  begin  van  Juli  is  de  eerste  te  Mariakerke,  nabij  Gent,  de 
ander  naar  de  zijde  van  Deynse.  Villeroy  rendt  eene  afdeeling, 
onder  d'Artagnan,  naar  de  zijde  van  Doornik  en  Ath ;  maar  die 
afdeeling  keert  terug,  toen  Vaudemont  een  4500  man  ruiterij, 
onder  Ouwerkerk,  afzendt  om  haar  aan  te  vallen.  Fagel  doet 
een  strooptocht  tot  onder  de  muren  van  Duinkerken,  en  ver- 
overt —  eenige  koeien.  Maar  het  verveelt,  langer  stil  te  staan 
bij  die  onbeduidendheden ;  en  daarom  bepalen  wij  er  ons  toe, 
te  zeggen  dat  de  wederzijdsche  legers  in  het  laatst  van  October 
uiteengingen  en  de  winterkwartieren  betrokken. 

Bij  beide  legers  heeft  toen,  onmiskenbaar,  de  gedachte  bestaan 
—  een  niet  onredelijke  gedachte!  — :  t waartoe  zouden  wij  nog 
langer  vechten  en  ons  bloed  vergieten;  het  is  toch  dadelijk 
vrede!"  Elke  partij  is  er  maar  op  uit  om  te  beletten  dat  de 
andere  haar  afbreuk  doet,  zonder  er  naar  te  streven  om  zelve 
die  andere  partij  afbreuk  te  doen.  Natuurlijk,  dat  er  dus  weinig 
of  niets  gebeurt. 

Die  meening  dat  de  vrede  zeer  nabij  was,  was  zoo  algemeen 
doorgedrongen  bij  het  leger  der  Republiek,  dat  Heinsius  het 
fioodig  achtte  om  de  legerhoofden  aan  te  sporen,  die  meeniog 
met  kracht  tegen  te  gaan,  en  op  het  gevaar  wees  dat  zij  kon 
aanbrengen.  Den  28sten  October  1696  schrijft  de  Raadpensionaris 
uit  Den  Haag  aan  Nassau-Sarbruck  in  dien  geest,  toont  aan  dat 
die  meening  kwaad  sticht,  en  zegt  ten  slotte: 

»Uwe  Hoogheid  wordt  dus  aanbevolen  om  te  zorgen,  dat  die 
verderfelijke  geest  van  vredesgezindheid  niet  doordringe  tot  de 
Generaals,  de  officieren  en  de  troepen;  maar  integendeel,  dat 
men  allerhande  toebereidselen  make  voor  den  aanstaanden  veld- 
tocht; dat  men  aan  alles  denke,  en  vooral  aan  de  rekruteering, 
de  magazijnen,  de  artillerie,  de  oorlogsmunitie,  opdat  aan  dat 
alles  niets  ontbreke;  en  dat  men  er  tegen  wake,  dat,  onder 
voorwendsel  van  den  vrede,  uitrustingen  of  paarden  verkocht 
worden,  of  iets  dergelijks  plaats  hebbe,  dat  in  strijd  is  met  wat 
men  verplicht  is  te  doen  voor  het  voortzetten  van  den  oorlog . . ." 

In  een  brief,  denzelfden  dag  door  den  Raadpensionaris  aan 
Vaudemont  geschreven,  komt,  aan  het  slot,  dezelfde  aanbeveling 
voor  als  aan  Nassau  Sarbruck :  ...»Het  komt  mij  voor  dat,  om 
den  krijgsgeest  weer  in  de  troepen  te  brengen,  het  noodig  is 
om  bij  de  Generaals  en  officieren  dat  bovenmatig  denken  aan 
vrede  {cette  grande  pensee  de  paix)  weg  te  nemen,  en  hen  aan  te 
sporen  om  hunne  troepen  goed  aan  te  vullen,  en  zich  voor  te 
bereiden  tot  een  krachtvollen  veldtocht . . ."  (Archief  van  Heinsius, 
2*  deel,  blz.  142). 


Digitized  by 


Google 


368  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Wanneer  wij  in  1696  van  het  oorlogstooneel  in  de  Spaansche- 
Nederlanden  overgaan  naar  het  oorlogstooneel  in  Duitschlandy 
aan  den  Rijn^  dan  denken  wij  aan  de  woorden,  door  Vondel 
aan  Maria  Stuart  in  den  mond  gelegd: 

»wij  wisselden  van  grond,  —  maar  geenszins  van  ellende." 

Aan  den  Rijn  is  in  1696  al  even  weinig  gebeurd  als  in  de- 
Zuidelijke  Nederlanden;  het  aldaar  gebeurde  is  al  even  weinig 
waard  om  vermeld  te  worden.  De  veldtocht  begint  in  Juni  en 
eindigt  in  October;  in  Juni  is  het  oorlogstooneel  op  den  rech- 
teroever  van  den  Rijn,  later  op  den  linker;  de  Franschen  roe- 
men er  op,  dat  zij  hunne  tegenpartij  verhinderd  hebben  om 
Philipsburg  te  belegeren,  op  den  rechteroever;  de  Duitschers,  dat 
zij  op  den  linkeroever  het  kasteel  Hart  hebben  vermeesterd,  een 
dagmarsch  afstands  westelijk  van  Spiers;  —  een  onbeduidend 
voordeel,  nog  niet  te  vergelijken  met  het  verbranden  van  de 
Fransche  magazijnen  te  Givet. 

De  sterkte  van  de  beide  partijen  aan  den  Rijn  schijnt  nage- 
noeg gelijk  te  zijn  geweest.  Zooals  reeds  vroeger  is  gezegd,  telde 
het  Fransche  leger  een  43  k  44  000  man ;  De  Quincy  deelt  eene 
opgave  mede,  die  het  Duitsche  leger  op  een  70000  man  be- 
groot; maar  hij  voegt  er  bij,  dat  er  denkelijk  overdrijving  is  in 
die  opgave,  en  dat  er  bovendien  van  die  70000  man  een  20000 
onder  den  landgraaf  van  Hessen,  eenigen  tijd  niet  aan  den  Rijn 
maar  in  de  Nederlanden  zijn  werkzaam  geweest;  —  aanwezig 
geweest,  is  een  juistere  uitdrukking.  Denkelijk  waren  beide  par- 
tijen dus  even  sterk.  Het  Fransche  legerhoofd,  de  maarschalk 
Choiseul,  kon  evenmin  toen  als  later  eenige  aanspraak  op  uit- 
stekendheid  maken;  bij  de  Duitschers  was,  behalve  de  landgraaf 
van  Hessen,  aanvoerder  Prins  Lodewijk  van  Baden,  een  aan- 
voerder die  toen  zekeren  naam  had,  welke  echter  later,  in  den 
Spaanschen  Successie-oorlog  te  niet  is  gegaan,  vooral  toen  hij 
optrad  als  ambtgenoot  van  Prins  Eugenius  en  van  Marlborough. 

Een  Engelsch  agent  —  zijn  naam  wordt  niet  genoemd  —  die 
toen  bij  het  Duitsche  leger  was,  schrijft  den  8sten  September 
1696  uit  Laubesheim  een  brief  aan  Blathwayt,  den  Engelschen 
secretaris  van  Willem  III;  die  brief  werpt  licht  op  het  beuzel- 
achtige  en  nietige  van  de  inzichten  der  legeraanvoerders  van 
die  dagen. 

De  Duitsche  legers  zijn  te  Mainz  op  den  linkeroever  van  den 
Rijn,  maar  voeren  daar  weer  niets  uit;  er  is  oneenigheid  tus- 
schen  Prins  Lodewijk  van  Baden  en  den  landgraaf  van  Hessen ; 
de  laatste  wil  z  ij  n  leger  afgescheiden  houden  van  het  Keizerlijke 


Digitized  by 


Google 


KRUGSVERRICHTINGEN   IN  DUITSCHLAND.  369 

leger  van  den  Prins  van  Baden;  de  agent  tracht  hem  aan  te 
toonen,  dat  dit  verkeerd  is: 

tHij"  (de  Landgraaf)  > wilde  niet  besluiten  tot  de  vereeniging; 
zeggende,  dat  men  zeer  goed  kon  marcheeren  ieder  op  zich  zelf 
tot  in  's  vijands  nabijheid^  en  zich  alleen  vereenigen  als  de  ge- 
legenheid het  voorschreef.  Ik  verwees  hem  op  het  gevaar  dat  er 
in  was  gelegen  om,  ieder  afzonderlijk,  den  vijand  te  gemoet  te 
gaan,  al  was  de  onderlinge  afstand  niet  groot ;  dat  dikwijls  eene 
beek,  een  ravijn,  de  minste  terreinafscheiding,  groot  nadeel  teweeg- 
bracht, en  zooveel  te  meer  een  onderlinge  afstand  van  een  kwar- 
tieruurs,  of  van  een  half  uur ;  dat  bovendien,  die  afscheiding  een 
indruk  zou  maken  zeer  in  het  voordeel  van  den  vijand,  die 
daardoor  met  grond  zou  gelooven  aan  oneenigheid  tusschen  de 
twee  legerhoofden  der  bondgenooten ;  daardoor  zou  de  vijand 
onze  legers  minder  tellen,  en  vaardiger  overgaan  tot  krachtige 
handelingen." 

De  Landgraaf  schijnt  dit  toe  te  geven;  —  maar  oppert  nu 
zwarigheden  over  het  geven  van  het  parool;  en  over  de  vraag, 
wie  in  de  slagorde  den  rechtervleugel  zou  uitmaken,  wie  den 
linkervleugel;  —  die  nietigheden  waren  toen  zaken  van  het 
hoogste  gewicht,  zaken  waarop  men  dood  zou  blijven. 

Wat  het  parool  aangaat,  de  Landgraaf  stelde  voor,  dat 
Prins  Lodewijk  van  Baden,  en  hij,  dit  zouden  geven  in  onder- 
linge overeenstemming;  of  dat  een  derde  persoon  het  zou  geven, 
en  het  schriftelijk  toezenden  aan.  beide  vorsten.  —  De  geschie- 
denis heeft  verzuimd  om  op  te  teekenen,  welke  van  die  twee 
oplossingen  van  dit  gewichtig  vraagstuk  is  aangenomen. 

Wat  het  andere  vraagstuk  betreft,  de  Engelsche  agent  bracht 
den  Landgraaf  van  Hessen  onder  het  oog,  dat  het  leger  van 
Prins  Lodewijk  van  Baden  op  den  rechtervleugel  moest  komen, 
niet  omdat  de  Prins  hooger  geplaatst  was  dan  de  Landgraaf, 
maar  omdat  de  Prins  van  Baden  Keizerlijk  generaal  was,  Kei- 
zerlijke troepen  aanvoerde,  en  deze  niet  op  den  linkervleugel 
mochten  staan;  —  (hun  eer  en  fatsoen  liet  dat  niet  toe). 

De  Landgraaf  klaagt  er  over,  dat  hij  reeds  veel  moeite  heeft 
bij  zijn  eigen  leger,  om  de  oneenigheid  weg  te  nemen  tusschen 
de  Munstersche,  de  Lunenburgsche  en  de  Mecklenburgsche  troepen, 
die  alle  op  den  rechtervleugel  van  de  slaglinie  willen  staan;  — 
de  Engelsche  agent  zegt,  dat,  voor  zoo  ver  die  troepen  in  soldij 
staan  van  Engeland  of  van  de  Republiek,  er  geen  zwarigheid  is, 
daar  Willem  III  er  niet  om  geeft,  of  die  troepen  al  dan  niet  de 
hoogerhand  hebben  in  de  slaglinie:  tik  heb  gezegd,  dat  Zijne 
Majesteit  er  zeer  weinig  belang  in  stelde,  waar  men  die  troepen 
plaatste;  mits  men  ze  maar  zóó  plaatste,  dat  zij  nuttig  konden 
zijn  voor  de  algemeene  zaak." 

Met  zulke  beuzelingen  bracht  men  in  die  Duitsche  legers  toen 

WILLEM  m.  —  III.  24 

Digitized  by  VjOOQIC 


370  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

den  tijd  door;  geen  wonder  dus,  dat  er  niets  degelijks  werd 
uitgevoerd;  zoodat  SaintSimon  dan  ook  met  grond  zegt:  »Het 
leger  der  bondgenooten  trok  met  grooten  spoed  op  Mainz . . . 
en  betrok  dadelijk  daarop  de  winterkwartieren;  niet  zonder 
hevige  tmsten  tusschen  de  aanvoerders,  die  woedend  waren  van, 
na  zoo  luide  bedreigingen  en  grootsche  plannen  te  hebben  geuit, 
toch  niets  te  hebben  uitgevoerd."  (Saint  Simon.  Mémoires,  ler  vol., 
blz.  234). 


Heeft  men  in  1696  op  het  oorlogstooneel  in  de  Spaansche 
Nederlanden  en  op  dat  in  Duitschland  werkeloosheid  kunnen 
opmerken,  onwil  tot  handelen,  op  het  oorlogstooneel  in  Italië 
waren  trouweloosheid  en  verraad  in  werking,  waardoor  aldaar 
een  gevoelig  nadeel  aan  de  zaak  der  bondgenooten  werd  toe- 
gebracht. 

De  hertog  van  Savoye,  Victor  Amadeüs  II,  is  een  van  die 
menschen  geweest,  die  altijd  twee  of  drie  verschillende  cocardes 
in  hun  zak  dragen,  om  die  leus  op  te  zetten  die  hen,  voor  het 
oogenblik,  het  meeste  voordeel  belooft.  Hij  had,  vroeger,  de 
zijde  van  Frankrijk  verlaten,  om  zich  aan  te  sluiten  bij  de  bond- 
genooten; nu  —  reeds  lang  bewerkt  door  de  zendelingen  van 
Lodewijk  XIV  —  oordeelde  hij  het  gunstige  oogenblik  daar  om 
van  de  bondgenooten  weer  tot  Frankrijk  over  te  gaan.  Maar  die 
ommezwaai,  dat  door  den  wind  gaan,  ging  gepaard  met  zwarig- 
heden, met  gevaren  zelfs;  dat  moest  worden  gedaan  met  omzich- 
tigheid, met  overleg;  dat  vorderde  geslepen  staatkunde,  staats- 
listen,  —  om  niet  de  harde  woorden  te  gebruiken  van  leugen 
en  valschheid.  Maar  Victor  Amadeüs  was  tegen  die  moeilijkheden 
opgewassen;  de  geheele  Savooische  staatkunde  was  toen  bedrog 
en  schurkerij;  de  omgeving  van  den  Hertog  was  schorremorrie, 
en  hij  zelf  niet  veel  beter. 

Zóó  stellen  de  opgaven  van  ónze  zijde  het  Savooische  hof 
van  dien  tijd  voor.  Wij  gelooven,  dat  hierbij  eenige  overdrijving 
is,  dat  hierbij  de  indruk  heeft  gewerkt  der  rechtmatige  veront- 
waardiging, in  Engeland  en  in  de  Republiek  opgewekt  door 
Savoye's  verraad;  wij  nemen  dus  niet  alles  als  waar  aan  wat 
hierover  voorkomt  in  de  Europische  Mercurius;  —  met  name 
niet,  als  aan  den  Hertog  het  voornemen  wordt  toegedicht,  toen 
hij  weer  tot  Frankrijk  overging,  om  de  troepen  van  de  bond- 
genooten die  bij  hem  waren  te  laten  vermoorden,  voor  zoover 
zij  den  hervormden  godsdienst  beleden;  —  dus,  een  soort  van 
Sint-Bartels  nacht;  —  die  beschuldiging  is  te  onwaarschijnlijk 
om  haar  zelfs  maar  te  behandelen.  Maar  met  dat  al  zijn  wij 
toch  van  meening,  dat  Victor  Amadeüs  en  zijne  raadslieden 
menschen    zijn    geweest,    die    zich    bij    hunne    staatshandelingen 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN  IN   ITALIË.  37  I 

zeer  weinig  hebben  bekreund  om  de  wetten  van  recht  en  zede- 
lijkheid. 

Allereerst  moest  de  Hertog  tot  eene  vaste  overeenkomst  ge- 
raken met  Frankrijk;  en  om  dit  ongehinderd  te  kunnen  doen, 
verliet  hij,  in  het  laatst  van  Februari,  zijne  hoofdstad  Turijn, 
onder  voorwendsel  van  eene  bedevaart  te  verrichten  naar  Loretto. 
Dit  wekte  argwaan  op,  onder  anderen  bij  den  raadpensionaris 
Heinsius;  den  23stcn  Maart  1696  schrijft  deze,  uit  Den  Haag, 
aan  graaf  Frise,  aan  het  Keizerlijke  hof  te  Weenen:  »de  zaken 
in  Piémont  bevallen  mij  niet  erg...  Ik  begrijp  die  reis  van 
Z.  K.  H."  (de  hertog  van  Savoye)  inaar  Loretto  niet;  want  ik 
geloof  niet,  dat  het  uit  devotie  is.  Naar  Rome  heeft  hij  Graaf 
Vernon  afgezonden,  zijn  Ceremoniemeester,  dien  men  nooit  heeft 
beschouwd  als  een  groot  voorstander  van  de  bondgenooten." 

Lord  Galway  —  de  vroegere  Ruvigny,  de  Fransche  uitge- 
wekene —  voerde  toen  in  noordelijk  Italië  de  hulptroepen  van 
Savoye  aan,  die  in  soldij  stonden  van  Engeland  of  van  de 
Republiek;  in  een  brief  aan  Heinsius  van  den  yen  April  1696, 
uit  Turijn,  schijnt  Galway  nog  te  gelooven  aan  de  goede  trouw 
van  den  Hertog;  na  gezegd  te  hebben  dat  deze  een  reis  naar 
Loretto  heeft  gemaakt,  laat  Galway  volgen:  ...t Sedert  zijn 
terugkomst  is  die  vorst  altijd  ziek  geweest;  nog  gisteren  heeft 
hij  een  purgatie  genomen,  en  is  nu.  God  dank,  veel  beter;  ik 
ben  overtuigd  dat  hij  te  verstandig  is  om  de  bondgenooten  te 
verlaten,  en  zich  weer  afhankelijk  te  maken  van  Frankrijk.  Zijn 
slechte  gezondheid  maakt  het  zeer  lastig  om  met  hem  om  te 
gaan;  de  zwarigheden  waarop  men  stuit,  doen  altijd  de  eene  of 
andere  omwisseling  duchten ;  en  bovendien  is  hij  er  niet  afkeerig 
van,  om  eenig  wantrouwen  op  te  wekken,  ten  einde  daardoor 
van  de  bondgenooten  te  gereeder  te  verkrijgen  wat  hij  verlangt . . ." 
(Archief  van  Heinsius,  2'  deel,  blz.  129  en  130). 

Terwijl  de  hertog  van  Savoye  het  reeds  eens  is  met  Frankrijk, 
tracht  hij  de  bondgenooten  nog  eenigen  tijd  in  slaap  te  wiegen, 
door  hun  allerlei  voorstellen  te  doen  betreffende  aanvallende 
handelingen  tegen  Frankrijk ;  een  daarvan  was  het  belegeren 
van  de  vesting  Pignerol.  Natuurlijk  komt  er  niets  van  de  ver- 
wezenlijking van  die  voorstellen;  het  is  Victor  Amadeüs  maar 
te  doen  om  tijd  te  winnen,  en  eene  valsche  gerustheid  in  te 
boezemen  aan  hen  die  hij  verraadt.  De  Savooische  troepen  die 
te  velde  zijn,  komen,  voor  tn  na,  binnen  Turijn  en  de  andere 
vestingen;  de  regimenten  van  de  bondgenooten,  die  in  die  ves- 
tingen waren,  worden,  onder  geschikte  voorwendsels,  daaruit 
verwijderd.  Zoo  waarborgt  de  Hertog  zich  tegen  het  gevaar,  dat 
de  bondgenooten  vestingen  van  hem  in  hun  bezit  zullen  houden, 
wanneer  het  hun  gebleken  is  dat  hij  tot  hun  vijand  overgaat. 


Digitized  by 


Google 


372  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Catinat  was  aan  het  hoofd  van  het  Fransche  leger;  —  Catinat, 
ten  onrechte  soms  afgeschilderd  als  een  menschlievend  wijsgeer; 
maar  die,  zeer  zeker,  een  bekwaam  legerhoofd  is  geweest,  en 
een  bekwaam  staatkundige.  Het  Fransche  leger  dat  in  Italië 
optrad^  was  buitengewoon  sterk  gemaakt ;  eensdeels  om  daardoor 
den  afval  van  den  hertog  van  Savoye  meer  den  schijn  te  geven 
van  een  onvermijdelijk  zwichten  voor  de  overmacht,  anderdeels 
om  den  Hertog  beter  te  beschermen  tegen  de  vijandschap  van 
zijn  vroegere  bondgenooten ;  de  sterkte  van  dat  leger  is  stellig 
veel  grooter  geweest  dan  het  vroeger  genoemde  cijfer  van  35  000 
man,  mogelijk  wel  het  dubbele  daarvan. 

In  de  laatste  helft  van  Mei  ging  Catinat's  leger  de  passen  der 
Alpen  over,  bij  Fenestrelles  en  Pignerol;  dat  overgaan  van  het 
gebergte  was  toen  minder  bezwaarlijk,  omdat  men  dd^r  een 
zachten  winter  had  gehad.  Catinat  liet  een  sterk  gedeelte  van 
zijne  macht  achter,  om,  door  het  goed  bezetten  van  de  berg- 
passen  en  van  de  nabijzijnde  vestingen,  zijne  gemeenschap  met 
Frankrijk  te  verzekeren.  Piémont  binnengerukt  zijnde,  hield  de 
Fransche  veldheer  den  2 7 sten  Mei  eene  wapenschouwing  over 
25000  man  voetvolk  en  10 000  ruiters;  later  trok  hij,  van  de 
achtergelaten  troepen,  nog  een  twintigtal  bataljons  tot  zich;  zijn 
leger  zal  toen  dus  een  45  b,  50000  man  sterk  zijn  geweest. 

Het  Fransche  leger  trok  in  de  richting  van  Turijn,  en  kwam, 
den  2 en  Juni,  te  Rivalta,  op  een  paar  uur  afstands  van  de  hoofd- 
stad. Voor  Turijn,  buiten  de  vesting,  lag  het  Spaansche  leger, 
sterk  12000  man  voetvolk  en  4000  ruiters.  De  Hertog  zelf,  in 
de  stad,  nam  den  schijn  aan,  alsof  hij  een  beleg  of  bombarde- 
ment vreesde:  hij  had  de  zekerheid,  dat  hiervan  geen  sprake 
kon  zijn;  maar  toch  werd  alles  gedaan,  alsof  zoo  iets  ophanden 
was:  Turijn  werd  met  ijver  in  staat  van  verdediging  gebracht; 
het  geschut  kwam  op  de  wallen;  in  den  omtrek  werden  de 
boomen  omgehouwen,  de  huizen  geslecht,  en  een  nieuwe  ver- 
schanste linie  opgeworpen;  de  stad  werd  voor  twee  maanden 
van  leeftocht  voorzien;  het  hof  maakte  zich  gereed  om  haar 
te  verlaten;  —  in  één  woord,  de  coraedie  werd  meesterlijk  ge- 
speeld. 

Maar  in  de  hoogste  mate  stuitend  is  het,  dat  bij  het  spelen 
dier  comedie,  zonder  eenig  gemoedsbezwaar,  tal  van  menschen- 
levens  worden  opgeofferd.  De  hertog  van  Savoye,  die  zijn  vrede 
met  Frankrijk  zoo  goed  als  geteekend  heeft,  geefc  desniettemin 
bevel  aan  de  bewoners  van  het  platteland,  om  de  wapens  op 
te  vatten  en  het  Fransche  leger  te  bestoken ;  Catinat  laat  daarop 
de  boeren,  die  hem  in  handen  vallen,  ophangen;  deze,  van 
hunne    zijde,    vermoorden    de    Fransche    soldaten,    waar    zij    ze 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN   IN    ITALIË.  373 

kunnen  machiig  worden,  of  zenden  ze,  met  afgehouwen  rechter- 
hand, naar  het  Fransche  leger  terug.  In  één  woord,  er  hebben 
wreedheden  plaats,  die  een  oorlog  altijd  tot  oneer  strekken; 
maar  tot  dubbele  oneer,  daar,  waar  die  oorlog  slechts  een 
schijnvertooning  is.  Maar  in  die  dagen  waren  dé  mindere  stan- 
den zóó  weinig  in  tel,  dat  men  het  een  beuzeling  achtte  om 
het  leven  van  eenige  boeren  of  van  eenige  soldaten  op  te  offe- 
ren, zelfs  dan  als  dit  onnoodig  was. 

Calinat  blijft  eenigen  tijd  nabij  Turijn,  maar  werkeloos;  daarna 
maakt  zijn  leger  een  achterwaartsche  beweging  naar  de  zijde 
van  Pignerol.  Spoedig  wordt  het  raadselachtige  van  die  hande- 
ling opgelost;  er  hebben  besprekingen  plaats  tusschen  de  beide 
partijen;  er  wordt,  den  i2en  Juli,  een  wapenstilstand  van  ééne 
maand  gesloten  voor  de  legers  in  Italië;  eenige  dagen  vroeger, 
geeft  Victor  Amadeüs  schriftelijk  kennis  aan  de  regeeringen  der 
bondgen ooten,  dat  hij  hen  vaarwel  zegt  en  zich  bij  Frankrijk 
aansluit.  Natuurlijk  dat  die  kennisgeving  niet  veel  genoegen  deed, 
en  dat  de  openbare  meening  zich  hier  en  daar  zeer  duidelijk 
uitte  over  het  verraad  van  den  Savooischen  hertog. 

Maar  staatkunde  en  eerlijkheid  wandelen  niet  altijd  op  den- 
zelfden weg;  en  Victor  Amadeüs  was  niet  de  eerste  vorst,  en 
ook  niet  de  laatste,  die  de  algemeene  verachting  getrotseerd 
heeft,  ter  wille  van  stoffelijke  voordeden.  Die  voordeelen  be- 
stonden voor  den  Savooischen  hertog  daarin,  dat  hij  vier  mil- 
lioen  livres  van  Frankrijk  ontving;  dat  Frankrijk  hem  teruggaf 
alwat  het  van  de  Savooische  of  Piéraonteesche  staten  had  ver- 
meesterd,  ook  de  vesting  Pignerol,  die  echter  moest  worden  ge- 
slecht; en  dat  de  dochter  des  Hertogs  de  vrouw  werd  van  den 
hertog  van  Bourgondië,  den  kleinzoon  van  Lodewijk  XIV,  — 
zonder  huwelijksgift;  —  en  dit  sam  dot^  zooals  Harpagon  zou 
zeggen,  beduidde  nog  al  wat.  Voorts  werd  de  Hertog,  op  een 
inkomen  van  50000  rijksdaalders  's  maands,  opperbevelhebber 
van  het  Fransche  leger  in  Italië;  —  evenwel,  slechts  in  naam: 
de  ware  opperbevelhebber  bleef  Catinat. 

Aan  zoo  groote  geldelijke  voordeelen  mocht  Victor  Amadeüs 
immers  eer  en  goeden  naam  wel  opofferen,  en  heden  als  vijand 
bestrijden  wien  hij  gisteren  als  vriend  de  hand  had  gedrukt  f  — 
Daa^:  zijn  er,  die  een  ontkennend  antwoord  geven  op  die  vraag. 

Toen  de  bondgenooten  niet  in  Frankrijk's  voorstel  wilden 
treden  om  voor  Italië  een  traktaat  van  onzijdigheid  te  sluiten, 
rukten  Calinat  en  de  Hertog  met  het  vereenigde  Fransche  en 
Savooische  leger  naar  de  zijde  van  het  Milaneesche  en  sloegen 
den   24sten  September  het  beleg  voor  Valenza,  eene  vesting  aan 


Digitized  by 


Google 


374  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

den  rechteroever  van  de  Po,  een  kleinen  dagmarsch  beneden 
Casal.  Dat  beleg  wordt  voortgezet  tot  den  7en  October  en  is 
door  beide  partijen  op  krachtdadige  wijze  gevoerd.  Maar  den 
yen  October  houden  de  vijandelijkheden  op,  toen  de  tijding 
komt,  dat  de  bondgenooten  de  onzijdigheid  van  Italië  aannemen. 
Die  onzijdigheid  was  een  belangrijk  voordeel  voor  Frankrijk^  dat 
daardoor  ontheven  werd  van  de  zorg  voor  de  verdediging  zijner 
zuidoostelijke  grenzen,  en  dat  toen  de  strijdkrachten  van  Catinat 
op  andere  oorlogstooneelen  kon  doen  optreden.  Van  de  bond- 
genooten bleven  de  Spaansche  troepen  in  Italië,  in  die  gewesten 
die  toen  onder  Spaansche  heerschappij  stonden;  de  Keizerlijke 
troepen  keerden  naar  Oostenrijk  terug,  de  door  de  Republiek 
en  door  Engeland  bezoldigde  hulptroepen  —  meest  Duitschers  — 
naar  Duitschland. 

Onder  die  hulptroepen  bevonden  zich  vier  Brandenburgsche 
bataljons.  De  keurvorst  van  Brandenburg  trad  toen  in  onder- 
handeling met  de  Venetiaansche  Republiek  om  die  bataljons  te 
verkoopen  aan  de  Republiek,  die  ze  dan  tegen  de  Turken  kon 
laten  vechten,  in  Morea.  Of  die  koop  tot  stand  is  gekomen,  is 
ons  niet  duidelijk  gebleken,  maar  wel,  dat  die  handeling  van 
den  Keurvorst,  in  hooge  mate  de  verontwaardiging  heeft  opge- 
wekt van  Willem  III.  Uit  Kensington,  den  6/16  November  1696, 
schrijft  de  Stadhouder  aan  Heinsius:  ...»Ick  heb  verstaen,  dat 
de  Ceurv.  van  Brandenburg  tracteert  om  sijn  vier  bataillons  die 
in  Piedmont  hebben  gedient,  aan  de  Venetianen  te  verkoopen,  — 
't  welck  onverdraegelijck  is.  UEd.  dient  daerover  den  Hr.  Smettau 
te  spreecken  en  den  Hr.  Danckelmann  te  schrijven,  om  sulcke 
scandaleuse  saeck  in  dese  conjuncture  van  tijden  te  beletten.  — 
Men  moet  wel  weynigh  liefde  voor  sijn  onderdanen  hebben,  om 
deselve  voor  een  stuc  gelds  te  verkoopen,  daer  men  seecker  is, 
dat  geen  tiende  van  deselve  weeder  sullen  koomen,"  (Archief 
van  Heinsius,  3*  deel,  blz.  219). 

Dat  zijn  goede,  edele  woorden,  die  Willem  III  eer  aandoen. 

In  Kahale  und  Liebe^  het  drama  van  Schiller,  wordt  gewag 
gemaakt  van  den  befaamden  Hessischen  keurvorst,  die,  bij  den 
opstand  van  Noord- Amerika,  zijne  soldaten  aan  Engeland  ver- 
kocht. Die  schandelijke  handeling  is  geen  op  zichzelf  staand  feit 
geweest ;  en  de  Hessische  keurvorst  heeft,  in  de  vroegere  eeuwen, 
in  Duitschland  een  aantal  voorgangers  gehad,  die,  om  het  geld 
te  vinden  voor  hunne  paleizen  of  lusthoven,  en  voor  hunne  spil- 
zieke bijzitten,  hunne  soldaten  aan  den  vreemdeling  verkochten. 
Van  de  Duitschers  kon  men  toen  even  goed  zeggen,  als  wat 
Voltaire  in  de  Henriade  zegt  van  de  Zwitsers: 

»barbares  dont  la  guerre  est  Tuoique  métier, 
et  qui  veodent  leur  sang  a  qui  veul  Ie  payer." 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN   IN   SPANJE   EN  TER  ZEF.  375 

Het  voorname  verschil  tusschen  Zwitsers  en  Duitschers  was 
toen,  dat  de  Zwitsers  zich  zelf  verkochten,  en  de  Duitschers 
verkocht  werden  door  hunne  vorsten.  Men  kan,  misschien  met 
recht,  het  krijgswezen  van  onze  dagen  in  Duitschland  afkeuren, 
als  te  drukkend  en  te  uitputtend  voor  het  land ;  maar  zeer  zeker 
is  het  toch,  dat  dit  krijgswezen  thans  geheel  vrij  is  van  de 
schande  van  het  vroegere  Duitsche  krijgswezen:  de  Duitsche 
legers  zijn  thans  uitsluitend  in  dienst  van  Duitschland;  zij  wor- 
den niet  meer  verhuurd  of  verkocht  voor  den  dienst  van  vreemde 
landen. 


De  veldtocht  van  1696  in  Catalonië,  was  al  even  weinig  be- 
duidend als  de  andere  veldtochten  van  dat  jaar. 

Vendóme,  die  hier  een  Fransch  leger  aanvoerde  van  een  22  k 
23000  man,  had  denkelijk  de  overmacht  op  den  vijand,  die, 
onder  een  landgraaf  van  Hessen-Darmstadt,  zelfs  volgens  de 
opgave  van  De  Quincy,  maar  een  18000  man  telde;  de  Span- 
jaarden hadden  echter  den  steun  van  de  bevolking. 

Het  Fransche  leger  trok  bijeen  te  Girona,  het  Spaansche  in 
een  verschanst  kamp  nabij  Hostalrich,  een  6^8  uur  ten  zuid- 
westen van  eerstgenoemde  vesting.  Vendóme  vernomen  hebbende 
dat  de  Spaansche  ruiterij  het  verschanste  kamp  had  verlaten  en, 
in  de  richting  van  Girona,  voorwaarts  was  gerukt  tot  Rio  d*Arenas, 
besloot  haar  daar  aan  te  vallen;  dit  gaf  aanleiding  tot  een  rui- 
tergevecht op  den  isten  Juni.  Bij  dit  gevecht  sneuvelden,  aan 
weerszijden,  eenige  honderd  man,  en  schreven  beide  partijen  zich 
de  overwinning  toe;  het  schijnt  echter  dat  de  Franschen  hierop 
het  meeste  recht  hadden,  daar  zij  den  vijand  binnen  zijne  ver- 
schansingen terugdreven.  Dit  ruitergevecht  is  eigenlijk  het  eenige 
dat  vermelding  verdient;  al  het  andere  bepaalt  zich  tot  niets 
afdoende  pogingen  om  den  vijand  den  toevoer  van  levensmid- 
delen te  bemoeilijken.  —  In  October  houden  de  krijgsverrich- 
tingen  op,  volgens  De  Quincy  reeds  in  September. 


Ten  slotte  blijft  nog  over  om  te  spreken  over  wat  in  1696 
ter  zee  is  gebeurd ;  ook  dit  levert  geen  stof  op  voor  een  helden- 
dicht, —  ten  minste  niet,  wat  de  verrichtingen  aangaat  van  de 
geregelde  oorlogsvloten. 

Op  het  eerste  bericht  van  de  voorgenomen  landing  van  Jako- 
bus II  met  een  Franseh  leger  in  Engeland,  zond  Willem  III 
bevel  aan  de  te  Portsmouth  aanwezige  Engelsche  en  Hollandsche 
zeemacht,  om  naar  Duinkerken  en  de  Fransche  kusten  te  zeilen, 
en  de  daar  verzamelde  schepen  te  vernielen.  In  een  brief  aan 
Heinsius  (Kensington  4  Maart/24  Februarij  1696)  schrijft  de  Stad- 


Digitized  by 


Google 


376  KRÏJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

houder:  »de  goede  Godt  wil  geven,  dat  het  een  tweede  werck 
van  La  Hogue  magh  sijn  en  uytvallen."  —  Het  is  anders 
uitgevallen. 

De  Hollandsche  admiraal  Van  der  Goes  schrijft  (»in  't  lant- 
schip  de  Ridderschap,  ten  ancker  tusschen  Calais  en  Greve- 
lingen,  den  i8en  Maart  lógó'*)  aan  den  raadpensionaris  Heinsius, 
en  meldt  daarin  dat  hij  den  5 en  Maart  met  alle  de  oorlogs- 
schepen der  Republiek  van  Portsmouth  naar  Duins  is  vertrokken ; 
daar  vond  hij,  den  óen,  den  Engelschen  admiraal  Russel  met  10 
oorlogsschepen,  het  minste  van  50  stukken;  den  Ssten  kwam 
daar  ook,  van  den  Theeras,  het  eskader  van  den  vice-admiraal 
Shovel;  de  vereeniging  had  plaats  bij  het  kasteel  van  Dover. 
Ook  kwamen  daar  nog  een  goed  aantal  Engelsche  oorlogsschepen, 
van  Portsmouth. 

Den  gen  Maart  bereikten  de  vereenigde  Engelsche  en  Hol- 
landsche vloten  de  Fransche  kust,  tusschen  Calais  en  Grevelin- 
gen,  —  ofGravelines;  want  bij  de  tweeslachtige  nationaliteit 
van  die  zeehaven  is  het  onzeker  of  men  den  Franschen  naam 
moet  gebruiken  of  de  Vlaamsche.  —  tDe  haven  van  Calais"  — 
schrijft  Van  der  Goes  —  t  vertoont  sig  als  een  mastbos  door  de 
menigte  fluyten  en  kleynder  voertuyg,  sijnde  na  gissing  tusschen 
de  3  en  400,  gedestineerd  om  de  vijandelijcke  troupes  over  Ie 
scheepen.  Het  is  jammer,  dat  er  geen  bombardeerscheepen  bij 
de  hant  sijn  om  die  vrienden  te  regaleren."  —  De  admiraal 
treedt  verder  nog  in  eenige  bijzonderheden,  over  wat  de  vloot 
voornemens  is  te  doen;  wij  kunnen  dat  overslaan,  want  hel  is 
van  geen  belang;  ook  daarom,  omdat  er  van  het  volbrengen 
van  die  voornemens  niets  is  gekomen.  —  Reeds  den  20sten  Maart 
is  het  grootste  deel  van  de  vloot  weer  te  Duins;  alleen  Shovel 
blijft  met  een  sterk  eskader  op  de  Vlaamsche  kust  achter. 

Opvallend  in  dien  brief  van  Van  der  Goes  is  een  trek  van 
naijver  op  de  Engelschen:  tde  Nederlantsche  scheepen  sijn  twee 
etmael  eerder  in  Duyns  geweest  als  de  Engelse,  die  bij  ons  voor 
Portsmouth  lagen."  —  Maar  wat  ook  opvallend  is  daarin,  dat  is 
de  jammerlijke  wijze  waarop,  reeds  toen,  onze  zeemacht  werd 
bestuurd:  »ick  moet  UWEG.  tot  mijn  leedwesen  seggen,"  — 
schrijft  Van  der  Goes  aan  Heinsius  —  t  dat  niettegenstaande  alle 
de  goede  beloften  door  de  Heeren  van  de  Admiraliteit  op  de 
Maze  aen  mij  gedaen  eer  in  zee  ging,  dat  tot  nog  toe  niet  een 
stuyver  op  den  dienst  van  den  jaere  1695  en  1696  hebbe  gesien; 
en  ihij  selve  soo  verre  in  schulden  hebbe  gestooken  dat  mij  niet 
wete  te  redden,  ten  sij  UWEG.  de  goe^eyt  hebbe  van  mij  een 
goede  som  me  gelts  van  mijn  agterstallen  te  doen  betalen." 

Een  admiraal  moest  dus  toen  bidden  en  smeeken,  om  het  geld 
te  bekomen,  dat  hem  wettig  en  deugdelijk  toekwam  voor  het 
onderhoud  van  zijn  vloot!  Een  ellendige  toestand! 


Digitized  by  VjOOQIC 


KRIJGSVERRICHTINGEN   TER   ZEE.  377 

In  het  voorbijgaan  hier  eene  enkele  aanmerking  op  De  Jonge's 
.geschiedenis  van  ons  zeewezen;  —  terwijl  wij  beginnen  met  te 
zeggen,  dat  wij,  in  weerwil  van  die  aanmerking,  hoog  wegloopen 
mei  dit  klassieke,  uitmuntende  werk.  De  Jonge  verdedigt  Wil- 
lem III  tegen  het  vaak  geuite  verwijt,  dat  hij  de  vloot  van  de 
Republiek  heeft  laten  vervallen;  de  geschiedschrijver  toont  aan, 
dat  de  Stadhouder  de  beste  inzichten  heeft  gehad  in  het  beheer 
van  onze  zeemacht,  maar  die  inzichten  niet  heeft  kunnen  ver- 
wezenlijken, door  de  flauwheid  of  door  den  tegenwil  van  ande- 
ren. —  Geheel  juist  is  dit  niet. 

Wij  nemen  aan,  dat  de  admiraliteiten  de  meeste  schuld  heb- 
ben aan  het  verval  van  onze  zeemacht,  aan  het  einde  der  zeven- 
tiende eeuw;  wij  nemen  aan,  dat  Willem  III  die  zeemacht  in 
een  goeden  staat  heeft  willen  houden;  —  maar  wij  vragen: 
waarom  heeft  hij  het  dan  niet  gedaan?  Waarom  heeft  hij  zijn 
wil  niet  doorgedreven  ?  Waarom  heeft  hij  die  flauwe  of  weerbar- 
stige collegies  niet  tot  hun  plicht  gebracht?  —  Zijne  macht,  zijn 
invloed  waren  groot  genoeg  om  eiken  tegenstand  te  breken;  zijn 
bestuur  was  zóó  krachtig  dat  men  het  soms,  niet  ten  onrechte, 
-den  naam  van  dwingelandij  heeft  gegeven;  waarom  die  kracht 
dan  hier  niet  gebruikt? 

Men  zal  misschien  het  best  op  die  vraag  antwoorden,  door 
te  zeggen  dat  Willem  III  meer  lette  op  de  belangen  van  Europa 
in  het  algemeen  dan  op  die  van  de  Republiek  in  het  bijzonder; 
en  dat  hij  begreep  dat,  na  1688,  eene  sterke  oorlogsvloot  voor 
Nederland  geen  gebiedende  noodzakelijkheid  meer  was.  Men  had 
nu  immers  alleen  tegen  de  Fransche  zeemacht  te  kampen;  en 
men  had  Engeland  tot  bondgenoot. 

De  Engelsche  admiraal  Shovel,  die  met  een  sterk  eskader  op 
de  Vlaamsche  kust  was  gebleven,  ging  in  April  over  tot  het 
bombardeeren  van  Calais.  De  verwoesting,  door  dat  bombarde- 
ment aangelicht,  wordt  in  de  Fransche  opgaven  geheel  onbe- 
duidend genoemd,  in  de  Engelsche  zeer  aanzienlijk;  zooveel  is 
echter  zeker,  dat  dit  wapenfeit  niets  beslissends  heeft  gehad  en 
weinig  glorievol  was. 

Meer  beslissende  handelingen  schenen  te  verwachten  te  zijn, 
toen  den  i6en  Mei  de  admiraal  Chdteau-Renaud,  met  de  Fransche 
vloot  van  Toulon,  te  Brest  aankwam;  die  bekwame  en  stout- 
moedige vlootvoogd  bracht  een  vijftigtal  oorlogsschepen  aan; 
en,  vereenigd  met  de  te  Brest  aanwezige  macht,  kon  dus  de 
Fransche  vloot  weer  in  het  Kanaal  verschijnen,  een  grooten 
zeeslag  wagen,  en  de  nederlaag  van  La  Hogue  wreken.  Dit  ge- 
beurde echter  niet:  Lodewijk  XIV  achtte  het  geraden  om  ter 
zee   niets   te   wagen;    de    vloot   van    Chdteau-Renaud    was   ter- 


Digitized  by 


Google 


378  KRIJGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

nauwernood  te  Brest  of  zij  werd  onttakeld,  en  hare  bemanning 
gebezigd  voor  de  verdediging  van  die  oorlogshaven. 

De  zee  was  nu  weer  geheel  in  de  macht  van  de  vloten  der 
bondgenooten ;  het  gebruik  dat  zij  hiervan  maakten  bleef  echter 
geheel  ondeduidend.  In  Juni  kwam  eene  stprke  Engelsche  en 
Hollandsche  zeemacht  op  de  Fransche  kusten,  bij  Brest;  zi> 
richtte  daar  echter  niets  uit.  In  Juli  werd  de  stad  Saint-Martin 
door  de  bondgenooten  gebombardeerd;  die  stad,  op  het  eiland 
Ré,  westelijk  van  La  Roebelle,  nabij  de  kust  van  Poitou,  werd 
weer  min  of  meer  verwoest,  maar  daarbij  bleef  het  ook;  en  de 
vloten  der  bondgenooten  keerden,  na  een  zoo  roemloozen  zee- 
tocht, spoedig  naar  hare  havens  terug.  Wiskundig  uitgedrukt  zou 
men  van  dien  zee-oorlog  van  1696,  wat  den  bondgenooten  aan- 
gaat, kunnen  zeggen:  een  maximum  van  inspanningen,  voor 
een  minimum  van  uitkomsten. 

Het  meeste  werd  nog  verricht  door  den  onverschrokken  kaper 
Jean  Bart.  Met  een  achttal  oorlogsschepen  de  haven  van  Duinkerken 
uitgezeild  zijnde,  in  weerwil  van  het  vijandelijk  eskader  dat  die 
haven  ingesloten  moest  houden,  viel  Jean  Bart,  den  1760  Jpni, 
bij  het  Vlie,  onze  tOostersche  en  Noordsche"  koopvaardij  vloot 
aan,  nam  het  klein  aantal  oorlogsschepen  dat  tot  konvooi  diende, 
en  verbrandde  een  dertigtal  Noordsche  koopvaarders.  De  bevel- 
hebbers van  de  zwakke  Hollandsche  oorlogsschepen  deden  hun 
plicht;  de  meesten  vonden,  strijdende,  den  dood. 

Groote  zeegevechten  tusschen  de  geregelde  vloten  hebben  er 
dus  in  1 696  niet  plaats  gehad ;  maar  een  dapper  Fransch  kaper, 
een  zeeroover,  heeft  zich  nieuwe  lauweren  verworven.  Wanneer 
men  Jean  Bart  een  kaper  of  zeeroover  noemt,  dan  moet  men  er 
bijvoegen,  dat,  volgens  de  denkwijze  van  dien  tijd,  in  die  bena- 
ming niets  verkleinends  of  krenkends  was  gelegen :  de  Engelsch- 
man  Drake,  uit  de  dagen  van  koningin  Ëlisabeth,  is^  evenals 
Jean  Bart,  een  zeeroover  geweest;  om  nu  niet  te  gewagen  van 
ónze  watergeuzen,  de  eerste  kampvechters  voor  onze  vrijheid. 
Schande  was  er  niet  in  gelegen,  zoo  op  eigen  hand  den  oorlog 
te  voeren;  —  het  eenige  bezwaar  bestond  daarin,  dat  men  niet 
als  oorlogvoerende  werd  erkend,  en  dat  men  groot  gevaar  liep 
te  worden  doodgeschoten  of  opgehangen,  als  men  in  's  vijands 
handen  viel. 

Nog  in  Februari  1696  hadden  de  Staten-Generaal  een  plak- 
kaat uitgevaardigd,  waarbij  bevolen  werd  dat  alle  vijandelijke 
schepelingen  die  op  onze  wateren  werden  gevangen  genomen  en 
niet  tot  eene  geregelde  vloot  behoorden,  of  door  noodweer  ge- 
dwongen  werden    daar    te    komen,    >  zonder    eenige    de    minste 


Digitized  by 


Google 


DE   VREDE   VAN   RIJSW^K.  379« 

conniventie  ofte  dissimulalie  met  de  dood  zullen  werden  gestraft.*' 
En  dat  dit  plakkaat  geen  ijdele  bedreiging  is  gebleven,  bewijst 
de  vermelding,  dat  zes  Fransche  schepelingen,  op  onze  binnen- 
wateren gevangen  genomen,  den  i6en  Maart  te  Delfzijl  ter  dood 
werden  gebracht:  igeharquebuzeerd  en  in  't  water  wierden  ge- 
smeeten",  —  zegt  de  Europische  Mercurius.  De  kaapvaart  was 
toen  dus  geen  schande,  maar  wel  een  gevaar. 


HOOFDSTUK  XXXI. 

1697:  de  vrede  van  rijswyk;  veldtocht  in  de  nederlanden,, 

ath;  krijgsverrichtingen  aan  den  rijn;  in  catalonië, 

beleg  van  barcelona ;  ter  zee.  du  guav-trouin, 

CARTHAGENA. 

Den  gen  Mei  1697  komen  de  gezanten  der  oorlogvoerende 
mogendheden  bijeen,  in  het  huis  te  Rijswijk;  den  2osteii  Sep- 
tember wordt  de  vrede  gesloten,  voor  zoover  Spanje,  Engeland, 
en  de  Republiek  betreft;  met  den  Keizer  kwam  de  vrede  met 
Frankrijk  eerst  in  het  laatst  van  October  tot  stand. 

Moesten  er  dan  nog  vier,  of  vijf,  maanden  verloopen  met 
onderhandelen,  terwijl  alle  partijen  behoefte  hadden  aan  vrede, 
en  reeds  sinds  jaren  de  voorwaarden  van  dien  vrede,  in  het 
geheim,  waren  besproken? 

Alles  ging  toen  langzaam  en  omslachtig  te  werk,  en  was  ge- 
bonden aan  vormen  en  gebruiken,  die  tijd  deden  verliezen. 
Daarbij  kwam,  dat  Spanje  en  de  Keizer  het  sluiten  van  den 
vrede  vertraagden  door  een  ergerlijken,  haast  onzinnigen  tegen- 
stand; die  twee  mogendheden  maakten  de  overige  bondgenooten 
soms  radeloos,  door  de  dwaasheid  waarmede  zij  den  vrede  be- 
streden, terwijl  zij  toch  den  oorlog  op  eene  zoo  jammerlijke  wijze 
hadden  gevoerd,  en  daarbij  minder  hadden  gesteund  op  eigen 
krachten  dan  op  de  rijke  hulpmiddelen  van  de  zeemogendheden. 
Spanje  gaf  ten  laatste  toe  aan  de  verstandige  vertoogen  van  de 
Republiek  en  van  Engeland,  en  sloot,  mét  die  beide  staten,  den 
vrede  met  Frankrijk;  de  Keizer  werd  daardoor  gedwongen  dat 
voorbeeld  te  volgen.  —  Het  was  eene  herhaling  van  wat  in  1678 
gebeurd  was  bij  het  sluiten  van  den  vrede  te  Nijmegen. 

Willem  III  was  voor  den  vrede;  —  een  vreemd  verschijnsel, 
bij  hem,  —  zou  men  oppervlakkig  zeggen ;  maar  minder  vreemd,. 
als   men   de   redenen  nagaat,  die  den  vrede  toen  voor  hem  be- 


Digitized  by  VjOOQIC 


380  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

geerlijk  maakten.  Willem  III  was,  toen,  niet  ver  meer  van  het 
einde  van  zijn  loopbaan,  zijn  lichaamskrachten  begonnen  te  ver- 
minderen; hij  kon  den  vrede  verkrijgen  op  goede  voorwaarden, 
^n  had  de  zekerheid  van  daarbij  door  Frankrijk  erkend  te  wor- 
den als  Koning  van  Groot-Brittanje ;  eiken  dag  was  de  dood  te 
voorzien  van  Karel  II,  den  Spaanschen  koning,  en  de  regeling 
van  de  erfopvolging  van  het  Spaansche  Rijk  maakte  het  noodig 
om  in  overleg  te  treden  met  Lodewijk  XIV,  in  goede  verstand- 
houding te  komen  met  dien  vorst;  en  eindelijk  —  niet  de  minste 
drangreden  —  de  krachtige  stroom  der  openbare  meening  was 
voor  den  vrede  —  niet  alleen  in  de  Republiek,  in  Amsterdam, 
maar  ook  in  Engeland.  Dit  blijkt  onder  andere  uit  een  brief  van 
Willem  III  aan  Heinsius  (Kensington,  2/12  April  1697): 

...fick  moet  UEd.  in  confidentie  seggen,  dat  de  raenschen 
alhier,  geen  uytgesondert,  soo  seer  verlangen  naer  de  vreede, 
ten  minste  als  de  HH.  van  Amsterdam.  lek  hadt  noyt  kunnen 
gelooven,  dat  het  soo  universeel  soude  sijn  geworden,  't  geen 
evenwel  niet  goet  en  is;  maar  UEd.  kan  light  oordeelen,  hoe 
het  mij  moet  obligeren  om  daer  een  te  sluyten,  als  men  deselve 
maer  eenighsins  op  dragelijcke  condilien  kan  erlangen,  ende  dat 
soo  spoedigh  als  doenelijck  sal  sijn."  (Archief  van  Heinsius, 
3*^  deel,  blz.  236). 

Eene  enkele  uitdrukking  in  het  hierboven  aangehaalde  kan 
aanleiding  geven  tot  de  meening,  dat  alleen  de  dwang  der 
noodzakelijkheid  Willem  III  vredesgezind  maakte;  die  meening 
zou  echter  onjuist  zijn.  Reeds  in  een  vroeger  schrijven  aan 
Heinsius  (Kensington,  16/26  Februarij  1697),  "'^  ^^  Stadhouder 
zijn  verlangen  naar  den  vrede,  klaagt,  dat  de  ^Médiateur'*  (Zweden) 
de  onderhandelingen  zoo  traag  voortzet,  de  Keizer  zoo  onwillig 
is,  en  de  strijdkrachten  van  Spanje  zoo  onbeteekenend  zijn: 

>De  saecken  hebben  mij  noyt  bekommerlijker  voorgekomen 
als  tegenwoordigh,  weetende  niet  wat  t'  adviseeren  noghte  resol- 
veeren,  en  dit  bennen  wij  meest  behouden  aen  de  langsaeme 
deliberatien  en  onsekerheyt  van  't  hof  tot  Weenen. 

Voor  soo  veel  de  Spaensen  aangaet,  siet  UEd.  uit  den  brief 
van  den  Pr.  v.  Vaudemont,  in  wat  voor  een  miserabelen  staet 
sij  in  de  Nederlanden  sijn,  en  in  Spagne  selfs  is  het  nogh 
klimmer. 

Hoe  Catalonien  te  sal  veeren  desen  soomer,  komt  mij  voor 
onmogelijck  te  sijn;  en  niettegenstaende  schijnen  sij  weynigh 
empressement  te  hebben  tot  de  vrede. 

Het  soude  seer  hart  sijn,  dat  wij  om  dit  ongeluckigh  huys  van 
Oostenrijck  ons  in  een  seeckere  ruïne  souden  brengen  en  invol- 
veeren.'*  (Archief  van  Heinsius,  3*  deel,  blz.  229 — 230). 

Toen  de  Stadhouder,  in  de  Nederlanden,  reeds  op  weg  is  naar 
het  leger,  om  daarmede  het  door  de  Franschen  aangevallen  Ath 


Digitized  by 


Google 


DE   VREDE   VAN   RIJSWIJK.  38 1 

te  ontzetten,  uit  hij  nog  den  wensch  dat  de  vrede  spoedig  ge- 
noeg moge  worden  gesloten,  om  elke  verdere  oorlogshandeling 
te  voorkomen;  hij  schrijft  aan  Heinsius  (Breda  den  21  May  1697): 

>  lek  vrees  dat  de  operatien  van  den  oorlogh  het  geheele  vverck 
van  de  negotiatie  van  vreede  sal  doen  veranderen,  want  ick  niet 
en  sie  hoe  het  mogelijck  is,  in  twee  daghen  een  plan  van  het  ge- 
heele werck  te  formeeren ;  koste  dat  geschieden,  soude  ick  nogh 
hoop  hebben  dat  men  soude  kunnen  prevenieeren  een  zeer  san- 
glant  gevegt,  ofte  het  verlies  van  Ath,  sijnde  geresolveert  te  traghte» 
't  selve  te  secoureeren . . ."  (Archief  van  Heinsius,  3'  deel,  blz,  237). 

Twee  dagen  later  (Breda  den  23  May  1697  's  morgens  om  9 
uuren)  schrijft  de  Stadhouder  nog  aan  Heinsius,  zegt,  dat  de 
Franschen  gelijk  hebben,  van  geen  wapenstilstand  te  sluiten 
voordat  het  algemeene  plan  van  de  vrede  is  vastgesteld;  met 
dat  plan  moet  spoed  worden  gemaakt: 

...>ende  ick  weet  niet  ofte  het  nogh  niet  soude  kunnen  ge- 
schieden in  twee  daghen,  te  weeten  Vrijdagh  en  Saturdagh,  en 
dan  soude  ick  daervan  tijding  kunnen  hebben  Sondagh  ofte 
Maendagh  morgen,  voor  welcken  tijd  ick  den  vyant  niet  wel  sal 
kunnen  attacqueren,  soo  dat  het  nogh  niet  onmogelijck  is  om 
sooveel  bloetstortens  voor  te  komen,  als  de  Franschen  maer 
eenigsins  willen.  Ick  vertreck  soo  aenstons . . ."  (Archief  van 
Heinsius,  2*  deel,  blz.  146). 

Haast  u  om  vrede  te  sluiten,  dan  behoef  ik  met  mijn  leger 
den  vijand  niet  aan  te  vallen;  verlies  geen  dag,  geen  uur;  dan 
is  er  nog  mogelijkheid  >om  soo  veel  bloetstortens  voor  te 
komen."  —  Wie  is  de  veldheer,  zoo  vol  menschelijkheid,  die 
deze  edele  woorden  spreekt?  —  Willem  III;  dezelfde  Willem  III 
die  in  1678  den  slag  van  Saint-Denis  leverde  en  stroomen  bloeds 
deed  vergieten,  terwijl  hij  met  voldoende  zekerheid  wist  dat  de 
vrede  reeds  was  geteekend !  Zoo  kan  een  mensch  veranderen  — 
en  verbeteren. 

Over  het  geheel  is  het  een  opmerkelijk  zielkundig  verschijnsel 
om  te  zien,  hoe,  bij  dit  zijn  laatste  oorlogsjaar,  de  Stadhouder 
bezield  werd  door  gevoelens  van  menschelijkheid,  die  hem  anders 
niet  zoo  bijzonder  eigen  waren.  Rousset  en  andere  Fransche 
schrijvers  stellen  Willem  III  voor  als  een  man  van  een  onver- 
biddelijk karakter:  y^cet  autre  iTnpitoyabIé*\  zegt  Rousset  van  hem, 
na  eerst  de  wreedheden  van  Luxembourg  te  hebben  vermeld ;  — 
die  voorstelling  is  niet  ongegrond  bij  vele  der  handelingen  van 
Willem  III,  maar  in  1697  kan  men  haar  niet  als  waar  aannemen. 
Terwijl  Lodewijk  XIV,  op  de  meest  meêdoogenlooze  wijze,  ver- 
woestingen en  rooverijen  laat  woeden  op  het  tooneel  van  den 
oorlog,  heeft  Willem  III  woorden  van  medelijden  voor  den  armen 
geteisterden  landzaat;  hij  schrijft  aan  Heinsius  (in  't  leger  tot 
Hall  den  25  May  1697): 


Digitized  by 


Google 


382  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

...»Ick  hoop,  dat  dogh  sorgh  sal  gedragen  werden  vooral 
voor  d'  arme  menschen  alhier  weegens  de  contributien  daer  ick 
raeer  medelijden  mede  heb  als  voor  yets,  haer  miserie  siende 
ende  kennende..."  (Archief  van  Heinsius,  3'  deel,  blz.  238). 

>sorgh  sal  gedragen  werden";  —  namelijk,  om  den 
vrede  te  bespoedigen,  en  dus  die  contributien  zoo  spoedig  moge- 
lijk te  doen  ophouden;  —  het  wil  niet  zeggen:  dat  er  in  het 
vredesverdrag  eene  bepaling  moet  voorkomen,  om  die  contribu- 
tien terug  te  geven:  zoo  iets  behoorde  niet  tot  de  gebruiken 
van  dien  tijd. 

In  afwachting  van  den  vrede  dringt  Willem  III  aan  op  het 
sluiten  van  een  wapenstilstand;  hij  schrijft  aan  Heinsius  (in 
't  leger  bij  Brussel,  den  25  Julij  1697): 

...>Ick  weet  niet,  ofte  als  men  op  de  conditien  eens  was" 
(van  den  vrede)  >men  niet  behoorde  te  traghten  tot  een  stilstand 
van  wapenen  te  komen;  het  soude  nogh  eenighsins  dit  arme 
landt  van  verdere  ruïne  salveeren."  (Archief  van  Heinsius,  3'  deel, 
.blz.  245). 

En  toen  de  Franschen  afiien  van  het  innen  der  nog  achter- 
stallige oorlogscontribuiiën  in  Braband,  betuigt  de  Stadhouder 
zijne  blijdschap  hierover  aan  den  Raadpensionaris  (Loo  den  17 
Augustus  1697): 

...>Ick  ben  uytermate  verheugt,  dat  de  fransen  het  point  van 
de  aghterstallige  contributien  in  de  Spaensche  Nederlanden  heb- 
ben gecedeert,  hebbende  sulcke  medogentheyt  met  die  arme 
menschen,  die  door  den  oorlogh  soo  veel  hebben  geleden..." 

Die  aanhalingen  uit  de  brieven  van  Willem  III  doen  duidelijk 
zien,  dat  hij  in  1697  den  vrede  als  zeker  en  zeer  nabij  achtte; 
dat  hij  daarom  zooveel  mogelijk  afzag  van  onnoodige  oorlogs- 
handelingen, die  het  bloed  zijner  soldaten  zouden  doen  stroo- 
men, en  tal  van  jammeren  uitstorten  over  den  ongelukkigen 
landzaat;  en  dat  hij  zich  deswege  uitsluitend  tot  de  verdediging 
bepaalde,  en  afzag  van  elke  aanvallende  handeling.  In  1697  is 
Willem  III  niet  de  veldheer  die  naar  de  overwinning  streeft,  hij 
is  de  kampvechter,  die  van  zijn  zwaard  geen  ander  gebruik 
maakt  dan  om  de  stooten  van  de  tegenpartij  af  te  weren,  en 
niet  om  daarmee  op  die  tegenpartij  uitvallen  te  doen. 

Frankrijk  is  in  1697  volgens  andere  inzichten  tewerk  gegaan: 
het  heeft  getracht,  nog  bij  het  einde  van  den  oorlog,  krachtig 
aan  te  vallen  op  zijne  vijanden,  om  daardoor  gunstiger  voor- 
waarden te  verkrijgen  in  het  vredesverdrag.  Spanje,  vooral,  zou 
door  de  Fransche  wapenmacht  worden  aangerand,  èn  in  de 
Nederlanden,  èn  in  Catalonië;  die  wapenmacht  was  aanzienlijker 
dan  vroeger,  daar  zij  versterkt  werd  door  Caünat's  leger  dat  in 
Italië  was   werkzaam'^èweest,   en   dat  door  De  Quincy  op  een 


Digitized  by 


Google 


VELDTOCHT  IN  DE  NEDERLANDEN.  383 

30000  man  wordt  geschat;  —  wij  gelooven  dat  het  sterker  is 
geweest;  evenwel,  het  kan  zijn,  dat  er  ook  nog  in  1697  eenige 
troepen  van  Catinat  zijn  achtergebleven  aan  de  grenzen  van 
Savoye,  of  van  Piémont. 


In  de  Nederlanden  zouden  drie  Fransche  legers  optreden, 
onder  de  maarschalken  De  Villeroy,  Boufflers  en  Caiinat. 

Het  leger  van  Villeroy  was  samengesteld  uit  82  bataljons  voet-, 
volk   en    107   eskadrons  ruiters  of  dragonders;  een  50000  man 
voetvolk  en  een  17  000  man  ruiterij,  te  zamen  dus  een  67  000  man. 

Het  leger  van  Boufflers  bestond  uit  78  bataljons  en  93  eska- 
drons; een  46  k  47000  man  voetvolk,  en  bijna  15000  ruiters 
of  dragonders,  te  zamen  61  k  62000  man. 

Het  leger  van  Catinat,  dat  bestemd  was  om  een  beleg  te  ver- 
richten, bestond  uit  50  bataljons  —  een  groote  30000  man  — , 
en  50  eskadrons  —  iJooo  man;  —  mét  3  bataljons  artillerie,  of 
bombardiers,  schat  De  Quincy  dit  leger  op  een  40000  man. 

De  opgaven  van  dien  Franschen  schrijver  zijn  echter  niet 
bijzonder  betrouwbaar;  bij  hem  komen  de  cijfers  van  de  batal- 
jons en  eskadrons  niet  overeen  met  de  slagorde  der  legers;  en 
op  ééne  plaats  stelt  hij  de  gezamenlijke  sterkte  van  de  drie 
Fransche  legers  op  een  120000  man;  —  terwijl  dit  cijfer  vol- 
gens ónze  schatting  reeds  bereikt  wordt  door  de  twee  legers  van 
Villeroy  en  van  Boufflers  alleen;  zoodat,  telt  men  hierbij  nog 
het  leger  van  Catinat,  160000  man  het  geheele  bedrag  moet 
geweest  zijn  van  de  strijdkrachten,  in  1697  door  Frankrijk  in 
de  Nederlanden  in  werking  gebracht. 

Drie  legers,  dus  drie  opperbevelhebbers;  waren  deze  onaf- 
hankelijk van  elkander? 

Op  die  zeer  natuurlijke  vraag  is  geen  stellig  antwoord  te 
geven.  De  waarschijnlijkheid  is  er  voor,  dat  bevelen  of  voor- 
schriften uit  Versailles  de  handelingen  van  die  drie  legerhoofden 
regelden;  en  daar  Villeroy  het  meest  de  gunst  en  het  vertrouwen 
van  Frankrijk *s  koning  genoot,  is  het  oolc  waarschijnlijk  dat  die 
Maarschalk  grooter  gezag  had  dan  zijne  beide  ambtgenooten ; 
toch  is  het  wel  aan  te  nemen  dat  ook  Boufflers,  en  nog  meer 
Catinat,  hun  invloed  hebben  doen  gelden  op  de  krijgsverrich- 
tingen  van  1697,  en  daaraan  meer  nadruk  en  stoutheid  hebben 
bijgezet,  dan  zij  zouden  hebben  gehad,  had  Villeroy  alleen  de 
leiding  der  zaken  bestuurd. 

De  strijdkrachten  die  de  bondgenooten  in  1697  in  de  Neder- 
landen hadden,  zijn  met  veel  minder  juistheid  vermeld.  Bij  De 
Quincy  vindt  men,  aangaande  de  samenstelling  van  het  leger 
van  Willem  lïl,  opgaven  die  alle  kenmerken  dragen  van  ondeug- 


Digitized  by 


Google 


384  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

(lelijkheid,  die  elkander  onderling  tegenspreken,  die  soms  kant 
noch  wal  raken;  het  eenige  wat  die  Fransche  schrijver  duidelijk 
en  stellig  daarover  zegt,  is,  dat  dit  leger  eene  sterkte  van  hon- 
derd duizend  man  had;  —  wij  kunnen  dus  als  zeker  aannemen^ 
dat  de  bondgenooten  in  1697,  in  de  Nederlanden,  wat  de  getal- 
sterkte aangaat,  in  de  minderheid  waren. 

Ook  door  ónze  schrijvers  wordt  men,  ten  opzichte  van  de 
legersterkte,  niet  veel  wijzer.  In  de  Europische  Mercurius  wordt^ 
over  den  staat  van  oorlog  in  Engeland  voor  1697,  gezegd:  dat 
het  leger  >in  Engeland  en  over  zee"  87440  man  sterk  zou  zijn^ 
en  aan  onderhoud  zou  kosten  2507881  pond,  19  schellingen  en 
II  pence  (hoe  nauwkeurig!).  De  vloot  zou  dat  jaar  2372197 
pond  kosten;  en  daarvoor  zou  men,  onder  andere,  hebben: 
40000  matrozen  en  2  regimenten  mariniers. 

Die  opgave  van  de  Europische  Mercurius  brengt  ons  niet  veel 
verder  in  de  kennis  van  het  bedrag  der  strijdkrachten  van  de 
bondgenooten  in  de  Nederlanden.  Ook  de  brieven  van  Willem  III 
geven  daarover  geen  licht;  in  zijn  brief  van  23  Mei  1697,  uit 
Breda,  aan  Heinsius,  eindigt  de  Stadhouder  met  deze  woorden  i 
>Ick  heb  om  de  trouppes  van  Hanover  gescreven,  als  mede  de 
landtgr.  van  Hessen  om  op  de  Maas  te  koomen;  maar  de  Mun- 
sterschen  heb  ick  op  den  Rhijn  gelaten,  ter  dispositie  van  den 
Pr.  Louis."  —  Veel  wijzer,  maakt  ons  dit  niet.  —  >Pr.  Louis"^ 
is  Prins  Lodewijk  van  Baden,  die  weer  aanvoerder  was  van  het 
Keizerlijke  leger  aan  den  Rijn. 

Half  April  begint  de  veldtocht  in  de  Nederlanden,  met  een 
wedstrijd  van  de  beide  partijen,  wie  het  eerst  een  legerkamp  bij 
Deynse  zou  opslaan;  het  voordeel,  daarmee  te  behalen,  schijnt 
voornamelijk  hierin  te  hebben  bestaan,  dat  men  dan  beter  partij 
kon  trekken  van  de  hulpmiddelen  der  landstreek  voor  de  voe- 
ding van  het  leger;  maar  men  achtte  dat  voordeel  niet  groot 
genoeg  om  een  vijand,  eenmaal  bij  Deynse  geplaatst,  met  geweld 
uit  die  stelling  te  verdrijven.  Hier,  waren  de  bondgenooten  de 
vlugsten.  De  keurvorst  van  Beieren,  toen  nog  opperbevelhebber, 
zond  eene  troepenafdeeling  af,  die  den  isen  April,  's  avonds, 
Deynse  bereikte;  eene  Fransche  afdeeling  van  een  400  man,  die 
reeds  nabij  die  plaats  was,  ging  daarop  terug.  De  voorste  troe- 
pen der  bondgenooten  werden  oogenblikkelijk  gevolgd  door  den 
hertog  van  Wurtemberg,  met  4  regimenten  ruiterij;  de  ruiters 
hadden,  voor  eenige  dagen,  gesponnen  hooi  bij  zich.  Al  meer 
en  meer  troepen  van  den  Keurvorst  kwamen  te  Deynse,  en 
namen  daar  eene  stelling,  die  eenigszins  versterkt  werd;  den 
2osieii  April  waren  daar  een  30000  man  vereenigd.  Van  de 
Fransche  zijde  werd  toen  van  die  stelling  afgezien.  —  Meer 
oostelijk  op  het  oorlogstooneel,  in  Zuid-Braband,  te  Bois-Seigneur- 


Digitized  by 


Google 


ATH.  385 

Isaac,  begon  toen   het  leger  samen   te  trekken,  waarover  Wil- 
lem III  het  bevel  zou  voeren. 

Vroeger  bijeen  zijnde  dan  de  legers  der  bondgenooten,  gaan 
de  Fransche  legers  in  Mei  tot  aanvallende  handelingen  over. 


Den  i5en  Mei  wordt  de  vesting  Ath  berend  door  eenige  dui- 
zend man  ruiterij,  behoorende  deels  tot  het  leger  van  Villeroy, 
deels  tot  dat  van  Catinat;  den  volgenden  dag  kwam  het  geheele 
leger  van  Catinat  voor  die  vesting  en  voltooide  de  insluiting, 
die  zoó  onverwacht  en  zoo  volkomen  was,  dat  de  bondgenooten 
tevergeefs  nog  versterking  binnen  Ath  poogden  te  brengen.  Ver- 
scheiden officieren  van  de  bezetting,  die  afwezig  waren,  deden 
pogingen  om  nog  binnen  Ath  te  komen;  aan  enkelen  gelukte 
dit,  anderen  vielen  in  's  vijands  handen.  Terwijl  Catinat  het  beleg 
zou  verrichten,  moesten  de  legers  van  Villeroy  en  van  Boufflers 
dat  beleg  dekken ;  het  eene  was  den  2osteii  Mei  te  Lessines,  het 
andere  in  de  nabijheid  van  Mons. 

Al  dadelijk  schijnt  er  bij  de  bondgenooten  niet  veel  hoop  op 
het  behoud  van  Ath  te  hebben  bestaan,  misschien  ook  niet  veel 
lust  om  voor  dat  behoud  een  veldslag  te  leveren,  —  waarop 
echter  de  hertog  van  Wurtemberg  eenigszins  zinspeelt,  in  een 
schrijven  aan  Heinsius  (6raine*la-leud  20  Mei  1697): 

>Uwe  Excellentie  weet  zeker,  dat  Ath  belegerd  wordt;  men 
had  de  bezetting  nog  willen  versterken  met  het  bataljon  van 
Araelsweert ;  maar  dit  was  genoodzaakt  terug  te  keeren,  daar  de 
vesting  reeds  was  ingesloten.  De  maarschalk  Catinat  verricht  het 
beleg,  de  maarschalk  Villeroy  legert  bij  Leuze,  en  de  maarschalk 
BoufHers  nabij  Mons.  Daar  de  bezetting  zeer  zwak  is,  is  het  te 
vreezen  dat  het  beleg  niet  lang  zal  duren.  Zijne  Majesteit  komt 
morgen  te  Breda,  en,  als  de  gezondheid  het  toelaat,  spoedig  bij 
het  leger.  Wil  men  het  ontzet  beproeven,  dan  valt  er  geen  tijd 
te  verliezen,  want  de  vijand  zal  zich  plaatsen  binnen  verschanste 
liniën.  De  Franschen  stoffen  er  op,  dat  hun  drie  legers  een  hon- 
derd duizend  man  uitmaken,  's  Konings  leger  en  dat  van  den 
Keurvorst  zullen  te  zamen  minstens  even  zoo  sterk  zijn,  zoodat 
een  gewonnen  veldslag  de  zaken  van  Europa  weer  op  een  goe- 
den voet  kan  brengen..." 

Andere  brieven,  weinig  dagen  later  aan  den  Raadpensionaris 
geschreven  door  den  generaal  Wassenaer-Obdam,  en  den  gede- 
puteerde te  velde  Geldermalsem,  stellen  daarentegen  het  Fransche 
leger  voor  als  sterker  dan  dat  der  bondgenooten;  iwel  20  batal- 
jons sterker",  luidt  het  daar.  Wassenaer  Obdam  en  Geldermalsem 
oordeelen  het  dan  ook  ongeraden  en  gevaarlijk  om  Ath  ter  hulp 
te  komen. 

WILLEM   III.   —   III,  25 

Digitized  by  VjOOQIC 


386  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOIAVINGEN. 

Als  een  gewone  vesting,  met  maar  even  voldoende  bezetting^ 
wordt  aangevallen  volgens  de  regelen,  met  genoegzame  hulp- 
middelen, en  er  wordt  niets  gedaan  om  die  vesting  te  ontzetten, 
dan  is  de  uitkomst  niet  twijfelachtig.  Dit  waren  de  omstandig- 
heden bij  het  beleg  van  Ath  in  1697;  —  en  er  zou  dus  geen 
reden  zijn  om  zich  lang  bij  dat  beleg  op  te  houden,  ware  het 
niet,  dat  dit  beleg  door  Vauban  zelf  bestuurd  is,  en  zijne  begin- 
selen der  belegeringskunst  hier  meer  zuiver  zijn  toegepast  dan 
elders.  Vandaar  dat  die  belegering  van  Ath  van  1697,  vooral 
bij  de  Fransche  schrijvers,  als  het  ware  époque  maakt;  en  van- 
daar, dat  wij  ook  iets  meer  uitvoerig  zullen  zijn  in  het  vermelden 
der  bijzonderheden  van  dat  beleg. 

Ath  was  eenigen  tijd  in  het  bezit  geweest  van  Frankrijk,  en 
op  last  van  Lodewijk  XIV  regelmatig  versterkt;  —  regelmatig, 
op  de  Vaubansche  wij^e,  die,  hoewel  toentertijd  zeer  hoog  ge- 
prezen, evenwel  gebrekkig  was;  want  wij  hebben  reeds  vroeger 
aangemerkt,  dat  de  grootheid  van  Vauban  niet  gebleken  i$  uit 
de  wijze  waarop  hij  de  vestingen  bouwde,  maar  wel  uit  de 
wijze  waarop  hij  de  vestingen  belegerde.  Ath  was  een  ge- 
regelde gebastionneerde  achthoek;  met  » royale"  bastions,  die 
gereveleerd  waren;  op  de  bekende  Vaubansche  wijze  waren, 
vóór  den  hoofdwal,  tenailles,  ravelijnen  met  reduit,  bedekte  weg 
met  in-  en  uitspringende  wapen  plaatsen,  —  in  één  woord:  het 
eerste  systeem  van  Vauban.  De  grachten  waren  nat  en  werden 
gevuld  door  het  water  van  de  Dender;  door  middel  van  die 
rivier  had  men,  aan  de  zuidzijde  van  Ath,  eene  kleine  inundatie 
gemaakt. 

De  bezetting  bestond  uit  3610  man  infanterie,  200  mineurs  en 
30  kanonniers;  volgens  De  Quincy  was  die  bezetting  niet  sterk 
genoeg,  en  Obdam  beweert  dat  die  bezetting,  behalve  uit  drie 
bataljons  van  de  Republiek,  bestond  uit  Spanjaarden  en  Italianen, 
waarop  niet  veel  viel  te  rekenen.  Bevelhebber  was  een  graaf  De 
Roeux,  uit  het  huis  van  Croy.  Over  de  bewapening  ontbreekt 
het  aan  opgaven;  de  omstandigheid  dat  er  maar  30  kanonniers 
waren,  geeft  echter  geen  hoog  denkbeeld  van  de  artillerie  binnen 
Ath.  Obdam  beweert  ook,  dat  de  uitrusting  te  wenschen  over- 
liet, en  dat  eene  som  van  30000  francs,  bestemd  om  die  uit- 
rusting aan  te  vullen,  tot  andere  doeleinden  was  gebruikt;  — 
van  dat  gebrekkige  der  uitrusting  van  Alh  blijkt  echter  niets  uit 
hetgeen  wij  van  het  beleg  weten;  men  kan  dus  die  bewering 
rangschikken  onder  de  vele  praatjes,  waaraan  zich  de  Hollandsche 
generaal  in  zijne  brieven  schuldig  maakt. 

De  middelen  van  den  aanval  lieten  niets  te  wenschen  over. 
Vooreerst  was  een  leger  van  40000  man  zeker  ruimschoots  vol- 


Digitized  by 


Google 


ATH.  387 

doende  om  eene  bezetting  van  nog  geen  4000  man  in  bedwang 
te  houden,  en  haar  te  beletten  het  belegeringswerk  ernstig  te 
verontrusten.  De  groote  getalsterkte  van  den  belegeraar  doet 
echter  weinig  ter  zake;  de  val  der  belegerde  vesting  hangt 
hoofdzakelijk  af  van  de  werking  der  artillerie;  en  dat  het  be- 
legeringspark voor  Aih  —  toch  altijd  maar  een  kleine  ves- 
ting —  niet  onaanzienlijk  was,  kan  blijken  uit  wat  De  Quincy 
daarover  zegt  in  zijn  y^Histoire  militaire  de  Louis  Ie  graniP\  (3'  deel, 
blz.  292): 

»Ook  het  belegeringsgeschut  verliet,  den  i6en^  Douay.  Het 
bestond  uit  32  kanonnen,  20  van  24  %  en  de  andere  van  33  u', 
40  andere  kanonnen  van  verschillend  kaliber,  een  aantal  mor- 
tieren, waaronder  er  3  waren  die  ieder  5000  pond  wogen,  2  van 
1300  pond,  en  15  van  kleiner  kaliber"  (het  oude  Fransche  pond 
stond  bijna  gelijk  met  een  half  kilo).  >Daar  was  een  groote  voor- 
raad van  bommen,  sommige  100  pond,  andere  500  pond,  zwaar. 
Behalve  dit  aantal  kanonnen  en  mortieren  maakte  men  te  Douay 
nog  andere  gereed,  om  ze,  zoo  noodig,  bij  het  beleg  te  kunnen 
gebruiken.  Die  artillerie  had  een  groot  aantal  voertuigen  bij 
zich,  met  buskruit  en  andere  munitie;  een  deel  van  die  voer- 
tuigen trok  over  Doornik,  een  deel  over  Mons,  en  2000  over 
Condé..." 

Te  Doornik  waren  16000  schansgravers,  1800  karren  bij  zich 
hebbende,  vereenigd,  om  de  liniën  rondom  Ath  op  te  werpen; 
in  Doornik  waren  400000  rations  brood  beschikbaar,  voor  de 
voeding  van  het  Fransche  leger. 

0/ervloedige  aanvalsmiddelen  tegen  Ath;  —  het  krachtigste 
aanvalsmiddel  was  echter  Vauban  zelf.  De  groote  ingenieur  be- 
sloot in  1697,  met  de  inneming  van  Ath,  op  glansrijke  wijze 
zijne  lange  loopbaan  als  belegeraar,  die  in  1673  ™^^  ^^  inneming 
van  Maastricht  aangevangen  was.  Wij  noemen  Maastricht,  in 
1673,  als  den  aanvang  van  Vauban's  loopbaan  als  belegeraar; 
want  hoezeer  hij  reeds  vóór  1673  belegeringen  heeft  bestuurd, 
zoo  is  toch  de  stelselmatige  aanwending  van  de  parallellen 
het  eerst  voor  Maastricht  duidelijk  in  het  oog  vallend;  voor 
Ath  werd,  in  1697,  die  geregelde  aanvalswijze  op  de  zuiverste 
manier  toegepast,  en  deed  Vauban  haar  vergezeld  gaan  van  het 
ricochet-schot;  eene  zeer  goede  aanwending  van  het  kanon- 
vuur tegen  eene  vesting,  maar  waarvan  de  uitwerking  wel  eens 
wat  overdreven  is  voorgesteld,  vooral  door  Fransche  schrijvers. 

De  eerste  dagen  van  het  beleg  van  Ath,  van  16  tot  22  Mei, 
werden  gebruikt  tot  het  opwerpen  van  de  liniën;  den  2  2 sten 
waren  die  voltooid,  en  werden  de  schansgravers  grootendeels 
teruggezonden;  op  den  avond  van  den  22stcn  werden  de  loop- 
graven geopend.  Het  front  van  aanval  was  aan  de  zuidoostzijde 


Digitized  by 


Google 


388  KRIJGS-   ES  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

van  de  vesting,  aan  de  zijde  van  de  Brusselsche  poort;  het 
omvatte  de  beide  bastions  aan  weerszijden  van  die  poort,  en 
het  daarvoor  liggende  ravelijn.  De  eerste  parallel  was  een  400  el 
van  de  vesting  verwijderd,  en,  's  avonds  om  acht  uur  begonnen^ 
den  23sten  vóór  den  middag  voltooid ;  4000  schansgravers  waren 
hier  werkzaam.  Hoezeer  de  arbeid  op  geen  grooten  afstand  van 
de  vesting  plaats  had,  sneuvelde  er  toch  niemand  bij  het  openen 
van  de  loopgraven;  —  hetgeen  er  niet  op  wijst,  dat  de  ver- 
dediger, zeer  waakzaam  is  geweest,  of  zeer  krachtig  heeft  ge- 
handeld. 

Uit  de  eerste  parallel  ging  men  toen,  zigzagswijze,  vooruit  in 
de  richting  van  de  kapitalen  van  de  beide  bastions  en  van  het 
ravelijn;  —  wij  herinneren  er  aan,  dat  de  kapitaal  van  een 
bastion,  of  van  een  ravelijn,  de  rechte  lijn  is  die  den  uitsprin- 
genden  hoek  van  die  werken  in  twee  gelijke  deelen  verdeelt. 
Den  24sten  Mei,  toen  men  halfweg  de  vesting  was  gekomen,  dus 
nog  een  200  el  daarvan  verwijderd,  begon  men  aan  de  tweede 
parallel,  welke  dienzelfden  dag  werd  voltooid.  De  verliezen  van 
den  belegeraar  bleven  nog  onbeduidend.  De  loopgraven  wacht 
bestond  uit  6  bataljons  voetvolk,  en  bovendien  nog  uit  25a 
fuseliers  en  i  compagnie  grenadiers. 

Het  valt  niet  te  loochenen,  dat  de  verdediging  van  Ath  niet 
bijzonder  krachtig  is  geweest;  en  dit  'u  te  meer  bevreemdend, 
omdat  de  vesting  in  de  eerste  dagen  niets  te  lijden  heeft  gehad 
van  's  vijands  geschutvuur :  Vauban  deed  bijna  alle  batterijen 
eerst  in  de  tweede  parallel  opwerpen,  en  eerst  den  2 7 sten  Mei 
openden  die  haar  vuur.  Dat  laat  beginnen  van  het  geschutvuur 
door  den  belegeraar  was  toen  wat  nieuws,  en  werd  niet  algemeen 
goedgekeurd;  De  Quincy  zegt  daarover  het  volgende: 

...»Het  wekte  verwondering  dat  tot  op  dien  dag"  (den  26stcft 
Mei;  —  eerst  den  2 7 sten  begon  het  vuur  van  de  Fransche  batte- 
rijen), ihet  kanon  van  den  belegeraar  nog  niet  had  geschoten, 
iets  ongehoords  bij  alle  belegeringen  tot  dien  tijd;  gewoonlijk 
begint  het  kanonvuur  drie  of  vier  dagen  na  het  openen  van  de 
loopgraven,  soms  zelfs  iets  vroeger.  Maar  Mijnheer  De  Vauban, 
die  bij  dit  beleg  eene  nieuwe  methode  volgde,  die  hem  voor 
den  aanval  beter  dacht  dan  de  tot  nu  toe  door  hem  gevolgde, 
achtte  het  verkieslijk,  om  de  batterijen  zóó  dicht  bij  de  vesting 
aan  te  leggen,  dat  hij  later  niet  verplicht  zou  zijn  om  ze  te 
verplaatsen,  wat  altijd  veel  tijd  doet  verliezen.  Die  handelwijze 
kan  haar  nut  hebban;  —  maar  de  ondervinding  leert  toch  dat 
de  loopgraven  veel  beter  vorderen  als  zij  beschermd  worden 
door  een  krachtig  kanonvuur,  dat  gewoonlijk  het  vuur  van  den 
vijand  doet  verflauwen,  en  dit  dus  veel  minder  nadeelig  maakt. 
Bovendien   zijn   de  schansgravers  alles  behalve  op  hun  gemak^ 


Digitized  by 


Google 


ATH.  389 

wanneer  zij  blootgesteld  zijn  aan  een  hevig  vuur,  en  dit  niet 
wordt  beantwoord.  Men  weet  hoe  het  den  soldaat  opwekt  als 
hij  het  eigen  geschut  hoort,  en  hoe  het  hem  onrustig  maakt  als 
dit  eenigen  tijd  zwijgt.  Men  weet  ook  dat  als  de  bevelhebber 
van  de  artillerie  zijne  zaak  kent,  hij  de  eerste  batterijen  opwerpt 
twee  of  drie  dagen  na  het  openen  van  de  loopgraven,  in  dier 
voege  dat  zij  aan  het  doel  beantwoorden  van  de  borstweringen 
van  den  belegerde  te  beschieten  en  zijne  batterijen  te  demon- 
teeren,  zonder  dat  hij  verplicht  is  om  die  batterijen  voor  andere 
te  verwisselen,  vóór  dat  hij  meester  is  van  den  bedekten  weg..." 
(De  Quincy,  3'  deel,  blz.  298). 

Zes  batterijen,  ieder  van  6  kanonnen,  in  of  nabij  de  tweede 
parallel,  openden  den  27sten  haar  vuur  —  ricochet- schoten  — 
op  de  beide  bastions,  op  de  beide  facen  van  het  tusschenliggende 
ravelijn,  en  op  den  bedekten  weg;  in  minder  dan  zes  uren  tijds 
—  wordt  gezegd  —  brachten  die  batterijen  het  vuur  van  de 
vesting  tot  zwijgen;  de  belegerde  deed  soms  wel  pogingen  om 
weer  stukken  in  batterij  te  brengen,  maar  die  stukken  werden 
spoedig  weer  gedemonteerd,  zoodat  slechts  een  paar  vuurmonden 
van  de  vesting  op  het  aangevallen  front  in  werking  bleven.  Die 
opgave,  bij  de  Fransche  schrijvers  voorkomende,  heeft  niets 
onwaarschijnlijks :  de  Fransche  artillerie  vuurde  op  zoo  korten 
afstand,  dat  die  afstand  ons  heden  ten  dage  zelfs  voor  geweer- 
vuur klein  zou  voorkomen. 

Twee  batterijen,  ieder  van  22  mortieren,  ook  in  de  tweede 
parallel  opgeworpen,  begonnen,  in  den  ochtend  van  den  28sten 
Mei,  bommen  te  werpen  van  12  duim  middellijn  —  12  Fransche 
duimen,  zoo  wat  3  palm  —  en  250  pond  zwaar.  Wij  ontleenen 
die  opgave  aan  De  Quincy,  die  nog  van  een  derde  mortierbat- 
terij spreekt,  bommen  werpende  van  18  duim  middellijn  en  500 
pond  zwaarte;  wij  voegen  er  echter  bij,  dat  die  opgave  niet 
overeenkomt  met  wat  De  Quincy  vroeger  van  het  belegerings- 
park zegt,  waarbij  van  slechts  20  mortieren  wordt  gewaagd;  — 
't  is  waar,  er  wordt  bijgevoegd  dat  er  te  Douay  nog  andere 
vuurmonden  beschikbaar  waren,  om.  zoo  noodig,  het  belegerings- 
park voor  Ath  aan  te  vullen. 

Niet  vreemd  is  het,  dat  het  rechtstreeksche  vuur  en  het  worp- 
geschut  van  zooveel  batterijen,  op  zoo  korten  afstand,  in  het 
aangevallen  front  groote  verwoestingen  aanrichtten,  het  muurwerk 
€n  de  borstweringen  van  de  aangevallen  werken  vernielden,  en 
de  verdediging  zeer  deden  verflauwen.  In  den  nacht  van  den 
29sten  op  den  3ostcn  Mei  had  de  bekroning  van  den  bedekten 
weg  plaats,  zonder  dat  men  daarbij  eigenlijk  tegenstand  onder- 
vond; het  was  niet  noodig  de  schansgravers  te  doen  voorafgaan 
door  gewapende  troepen;  en  de  verdediger  verliet  zonder  strijd 
den   bedekten    weg,   naar   gelang   de  bekroning  vorderde.  Den 


Digitized  by 


Google 


390  KRIJGS-    EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWlNGtN. 

3osteii  Mei  begon  men  aan  eene  afdaling  in  de  gracht,  bij  de 
rechterface  van  het  ravelijn;  den  isten  Juni,  toen  men  een  brug 
van  fascinen  gereed  had  over  die  gracht,  maakte  men  daarvan 
gebruik  om  een  logement  te  graven  in  de  saillant;  de  verdediger, 
aanvankelijk  in  het  reduit  teruggetrokken,  poogde  later  den  be- 
legeraar weer  uit  het  ravelijn  te  verdrijven,  maar  moest  daarvan 
afzien  na  een  vrij  scherp  gevecht.  Toen  de  brug,  die  de  ge- 
meenschap uitmaakte  van  het  reduit  met  den  hoofdwal,  vernield 
was  door  het  Fransche  geschutvuur,  gaf  de  bezetting  van  het 
reduit  —  een  60  man.  Brandenburgers  —  zich  den  3en  Juni  over. 
Het  einde  van  het  beleg  was  daar.  Het  Fransche  geschut  ver- 
nielde de  sluizen,  die  het  water  van  de  inundatie  en  in  de 
grachten  van  de  vesting  ophielden ;  en  dat  water,  nu  met  onstui- 
migheid in  de  Dender  afstroomende,  stelde  voor  een  oogenblik 
de  stad  Ath  onder  water,  zoodat  —  zegt  een  der  berichtgevers  — 
lop  de  markt  de  paarden  konden  zwemmen".  Geldermalsem 
voegt  er  bij,  in  een  brief  aan  Heinsius,  dat  de  sterke  stroom  de 
bruggen  vernielde,  die  beneden  Ath  over  de  Dender  waren  ge- 
slagen om  de  gemeenschap  van  de  legers  van  Villeroy  en  van 
Boufliers  te  verzekeren.  Daar  het  water  uit  de  grachten  van  de  ves- 
ting bijna  was  afgeloopen,  terwijl  20  stukken  geschut,  in  batterij  op 
het  vermeesterde  ravelijn,  de  bastions  bij  de  Brusselsche  poort 
in  puin  schoten,  en  er  eiken  dag  door  het  ricochet-vuur  des 
belegeraars  een  honderd  man  van  den  belegerde  buiten  gevecht 
werden  gesteld,  ontzonk  aan  dezen  de  moed  om  eene  bestorming 
af  te  wachten;  en  toen  op  den  middag  van  den  scn  Juni  alle 
toebereidselen  tot  de  bestorming  waren  gemaakt,  werd  die  voor- 
komen door  de  overgave  van  de  vesting.  De  bezetting  verkreeg 
vrijen  uittocht,  en  trok  den  760  Juni  naar  Dendermonde. 

Ziedaar,  in  *t  kort,  dat  beleg  van  Ath  van  1697,  een  beleg 
dat  door  Vauban  op  meesterlijke  wijze  werd  bestuurd,  waarbij 
de  regelen  van  de  kunst  uitmuntend  werden  in  acht  genomen, 
waarbij  de  uitkomst  geen  oogenblik  onzeker  is  geweest ;  —  maar 
ook  een  belegd  waarbij  de  wederstand  onbeduidend  is  geweest, 
en  van  de  zijde  van  den  aanvaller  niet  de  aanwending  had 
noodig  gemaakt,  van  zooveel  krijgsmiddelen  en  van  zooveel 
krijgskunst. 

Een  ernstig  voornemen  om  Ath  te  ontzetten,  heeft  er  bij  de 
bondgenooten  niet  bestaan.  Willem  III,  bij  het  leger  te  Bois- 
Seigneur  Isaac  gekomen,  trok  van  daar  op  Halle,  en  vereenigde 
zich  den  26sten  Mei  met  het  leger  van  den  keurvorst  van  Beieren, 
dat  uit  Vlaanderen  was  opgerukt.  Toch  zag  de  Stadhouder  er 
van  af,  den  vijand  te  gemoet  te  trekken  en  slag  te  leveren; 
minder  nog  om  's  vijands  overmacht,  dan  omdat  men  te  recht 
begreep:  i waarvoor  zou  het  dienen.?  het  is  toch  vrede/' 


Digitized  by 


Google 


VELDTOCHT  IN  DE  NEDERLANDEN.  39 1 

De  beide  legers  gingen  dus  weer  uiteen:  de  keurvorst  van 
Beieren  trok  op  Deynse,  Willem  III  den  3istcD  Mei  op  Halle, 
den  isten  Juni  op  Genappe,  en  den  2en  op  Gemblours.  Het 
heeft  al  den  schijn,  alsof  de  bondgenooten  geen  ernstige  krijg- 
voering  meer  beoogen;  —  toch  worden  zij  gedwongen  daartoe 
een  oogenblik  hunne  toevlucht  te  nemen,  toen  men  aan  de 
Fransche  zijde,  zonder  op  den  zoo  nabij  zijnden  vrede  te  letten, 
weer  tot  eene  krachtdadige  handeling  wil  overgaan. 

Het  gold  Brussel,  dat  Villeroy  door  een  coup-de-main  wilde 
vermeesteren,  om  daardoor  de  gemeenschap  te  verbreken  van 
het  leger  van  Willem  III  met  Holland  en  met  Vlaanderen.  Het 
was  eene  stoute  en  goed  beraamde  handeling;  —  en  daarom 
kan  men  het  ook  wel  in  twijfel  trekken,  of  zij  van  Villeroy 
afkomstig  is,  of  zij  niet  veeleer  ondernomen  werd  op  aansporing 
van  Boufflers  of  van  Catinat,  of  uitdrukkelijk  door  het  Fransche 
hof  was  bevolen.  Viel  Brussel  in  de  macht  van  het  Fransche 
leger,  dan  zou  Willem  III  nog  wel  de  gemeenschap  openhouden 
met  Maastricht,  en  zijn  leger  zou  dus  nog  geen  gevaar  loopen; 
maar  Noord-Braband  en  Vlaanderen  zouden  dan  blootliggen  voor 
den  vijand,  die  daar  fourageeringen  en  brandschaltingen  zou 
kunnen  verrichten,  en  een  of  meer  vestingen  belegeren.  Dus, 
volgens  de  krijgskunst  van  die  tijden,  getuigt  dat  plan  van  aan- 
val op  Brussel,  van  strategische  bekwaamheid.  —  De  voorname 
aanmerking  die  men  er  op  kan  maken,  is,  dat  het  op  een  onge- 
legen tijd  kwam :  wat  had  men  er  aan,  of  men  nu  militaire  voor- 
deden behaalde,  nu  de  vrede  zoo  goed  als  zeker  was,  en  de 
vredes voorwaarden  zoo  goed  als  vastgesteld?  Die  behaalde  voor- 
deelen  zouden  geen  gunstiger  voorwaarden  doen  verwerven,  daar 
het  wereldkundig  was  dat  Frankrijk  behoefte  had  aan  vrede. 

Maar  Willem  III  liet  het  er  niet  op  aankomen  om  de  proef 
te  nemen,  of  de  val  van  Brussel  den  vrede  zou  vertragen,  of 
ongunstiger  maken:  door  een  snellen  marsch  kwam  hij  die 
hoofdstad  te  hulp.  Het  leger  van  den  Stadhouder  stond  nabij 
Genappe,  toen  den  2osten  Juni  het  bericht  inkwam,  dat  de  legers 
van  Villeroy  en  van  Boufflers  zich  te  Lessines  hadden  vereenigd, 
en  daarna  Brussel  waren  genaderd.  Zonder  een  oogenblik  tijds 
te  verliezen,  deed  de  Stadhouder  daarop  twee  brigaden  voetvolk 
—  drie,  zegt  De  Quincy  —  op  Brussel  trekken;  die  marsch 
ving  aan  om  vier  of  om  vijf  uur  's  namiddags;  de  artillerie 
volgde  om  zes  uur,  om  tien  uur  de  bagage,  om  elf  uur  's  nachts 
het  gros  der  infanterie,  en  den  volgenden  ochtend  de  ruiterij, 
uitgenomen  4  regimenten  dragonders  waarmede  Willem  III  reeds 
te  middernacht  was  opgebroken.  De  afstand  van  Genappe  tot 
Brussel  is  een   6  4  8   uur  gaans,  —  geen  kleine  marsch;  men 


Digitized  by 


Google 


392  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

moest  één  en  denzelfden  weg  volgen  door  het  bosch  van  Soi- 
gnies,  dat  een  schilderachtig  beeld  moet  hebben  opgeleverd  toen 
het  verlicht  werd  door  de  tooitsdragers,  die  den  Stadhouder 
omgaven;  Rembrandt  had  daar  moeten  zijn. 

Coehoorn  voerde  de  infanterie  aan,  die  geheel  aan  het  hoofd 
van  de  colonne  was;  en  ziehier,  hoe  zijn  zoon,  —  in  de  levens- 
schels van  den  vader  —  vermeldt  wat  die  vader  toen  verrichtte, 
en  hoe  aan  hem  toen  het  behoud  van  Brussel  is  te  danken  ge- 
weest; —  de  onpartijdige  lezer  dingt,  natuurlijk,  wat  af  op  die 
bewering: 

>De  Koning"  (Willem  III),  »na  weinige  dagen  bij  eerstge- 
noemde plaats"  (Halle)  »te  zijn  gebleven,  sloeg  zijn  kamp  te 
Genappe  op.  Toen  de  Franschen  Ath  hadden  genomen,  vernam 
de  Koning  dat  zij  op  Brussel  trokken,  met  het  voornemen  om 
die  stad  ten  tweeden  male  te  bombardeeren,  of  zich  van  haar 
meester  te  maken :  zij  zouden  daardoor  de  bondgenooten  beroofd 
hebben  van  de  gemeenschap  met  Holland,  van  waar  deze  den 
toevoer  ontvingen  voor  de  voeding  van  hun  leger.  Hij"  (hij,  is 
hier  Coehoorn)  »werd  daarom  afgezonden  met  de  twee  brigaden 
voetvolk  van  Oxenstern  en  Ferguson,  ieder  3  bataljons  sterk,  om 
onverwijld  naar  die  stad  te  trekken,  en  te  doen  wat  hem  raad- 
zaam dacht  om  den  vijand  te  voorkomen ;  hij  begon  den  marsch 
omstreeks  vijf  uur  's  avonds  en  vervolgde  dien  den  geheelen 
nacht  door  het  bosch  van  Soignies,  met  zoo  veel  voortvarendheid 
dat  hij.  met  het  aanbreken  van  den  dag,  voor  de  poorten  van 
Brussel  stond.  Hier  vond  hij  den  Prins  Tserclaes,  met  eene 
afdeeling  Luiksche  troepen;  hij  nam  daar  van  een  300  dragon- 
ders met  zich  mede  naar  de  andere  zijde  van  Brussel;  terwijl 
zijne  bataljons^  om  niet  opgehouden  te  worden  met  het  mar- 
cheeren  door  de  stad,  langs  de  wallen  heentrokken,  en  last  had- 
den zoo  spoedig  mogelijk  zich  bij  hem  te  voegen,  op  eene 
hoogte  rechts  van  Anderlecht,  nabij  een  windmolen  achter  het 
kasteel  van  Koekelberg.  Op  dat  punt  nam  hij  dadelijk  stelling 
met  zijne  dragonders,  bij  eene  engte  of  hollen  weg;  aan  de 
andere  zijde  van  de  voorliggende  vallei  zag  men  den  vijand 
reeds  in  slagorde  staan,  ter  sterkte  van  40  k  50  eskadrons  en 
25  bataljons,  —  eene  voorhoede  die,  daar,  op  de  hoofdmacht 
wachtte. 

Dadelijk  deed  hij  250  dragonders  afstijgen,  en  plaatste  die  aan 
weerszijden  van  den  hollen  weg,  waarvan  gewaagd  is,  en  dien 
de  vijand  moest  doortrekken  om  tot  hem  te  komen;  toen  de 
infanterie  aankwam,  werden  die  dragonders  versterkt  door  al  de 
grenadiers  van  die  6  bataljons;  ook  deed  hij,  zooveel  de  tijd 
toeliet,  een  verschansing  opwerpen,  waarachter  de  overige  infan- 
terie werd  geplaatst.  Zoo  wachtte  men  het  groote  leger  af,  dat 
nog   gedurende    den   nacht   op   marsch   was   gegaan,  en  nu  ook 


Digitized  by 


Google 


VELDTOCHT  IN  DE  NEDERLVNDEN.  393 

■aankwam.  De  vijand,  dit  ziende,  ging  terug  en  sloeg  zijn  kamp 
op  nabij  Saint-Guislain ;  ons  leger  deed  hetzelfde  nabij  Brussel, 
op  de  hoogten  van  Anderlecht,  waar  het  gebleven  is  tot  aan  het 
sluiten  van  den  vrede.  Zoo  werd  die  schoone  en  groote  stad" 
{Brussel)  >  bewaard  voor  een  tweede  bombardement."  (Sijpestein. 
Het  leven  van  Menno  Baron  van  Coehoorn,  blz.  21 — 22). 

Dit  verhaal  van  Cochoorn's  zoon  komt  vrij  wel  overeen  met 
andere  opgaven,  die  inhouden,  dat  Villeroy  en  Boufflers  ieder 
met  3000  ruiters  nabij  Brussel  waren  gekomen,  toen  zij  daar 
werden  tegengehouden  door  de  voorste  Hollandsche  troepen: 
6000  man  ruiterij,  dit  zal  wel  zoo  wat  overeenkomen  met  40  k 
50  eskadrons ;  van  P'ransche  infanterie  wordt  niet  gewaagd,  maar 
denkelijk  zal  deze  toch  wel  bij  de  ruiterij  zijn  geweest  of  haar 
op  den  voet  hebben  gevolgd.  Die  andere  opgaven  zeggen  ook, 
dat  de  Fransche  maarschalken,  toen  zij  hun  toeleg  mislukt  zagen, 
met  hun  leger  teruggingen;  zij  noemen  intusschen  niet  Saint- 
Ouislain,  maar  Halle  als  de  plaats  waar  zij  hun  kamp  opsloe- 
gen ;  —  dit  is  eene  bijzonderheid  van  geheel  ondergeschikt  belang. 

Willem  III  nam  hier  weer  zijne  toevlucht  tot  de  veldverschan- 
«ing,  het  gewone  middel  om  eene  stelling  bijna  onaanvalbaar  te 
maken.  Al  dadelijk  begon  men  daaraan  te  arbeiden,  en  zoowel 
ruiterij  als  voetvolk  nam,  dag  en  nacht,  daaraan  deel.  De  stel- 
ling was  op  ongeveer  een  uur  gaans  ten  westen  en  ten  noorden 
van  Brussel:  van  de  zijde  van  Anderlecht,  ging  die  stelling  over 
Berchem  op  Laeken;  op  den  linkervleugel  nabij  Anderlecht,  en 
op  den  rechtervleugel  nabij  Laeken,  werden  sterke  schansen  ge- 
bouwd, en  verder,  op  de  genaakbaarste  punten,  traversen  en 
batterijen  aangelegd;  de  linkervleugel  leunde  aan  moerassigen 
grond,  holle  wegen,  en  weinig  genaakbaar  terrein;  de  rechter- 
vleugel breidde  zich  uit  tot  nabij  de  vaart  van  Brussel  op  Vil- 
voorden; het  hoofdkwartier  van  den  Stadhouder  was  op  het 
kasteel  van  Koekelberg,  nagenoeg  achter  het  midden  van  de 
stelling.  Het  voetvolk  van  de  bondgenooten  bezette  de  stelling, 
maar  hunne  ruiterij  bevond  zich,  grootendeels,  achter  de  Brus- 
selsche  vaart,  nabij  Dieghem;  èn  over  die  vaart,  èn  over  de 
rivier  de  Senne,  waren  bruggen  geslagen  om  die  ruiterij  spoedig 
in  de  stelling  te  brengen,  als  dit  noodig  mocht  zijn. 

De  arbeid  aan  die  verschanste  stelling  schijnt  met  bijzondere 
voortvarendheid  te  zijn  verricht,  i  Nooit,"  —  zegt  De  Quincy 
(3'  deel,  blz.  309)  —  >werd  een  leger  beziggehouden  met  zoo- 
veel verschillende  werken:  het  verlegde  den  loop  der  beken,  het 
wierp  schansen  op,  het  maakte  borstweringen  en  andere  verster- 
kingen, die  zoo  goed  als  ongenaakbaar  waren,  en  die  den  ge- 
heelen  omtrek  van  het  kamp  omgaven."  —  Willem  III  werd 
toen   ook   versterkt   door  de   komst  van   Hannoversche  en  Hes- 


Digitized  by 


Google 


394  KRIJGS-  EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

sische  troepen,  ook  door  aanvulHngstroepen  uit  Engeland.  Toen 
de  verschanste  stelling  voltooid  was,  kon  de  Stadhouder  die  door 
een  klein  deel  van  zijn  leger  bezet  laten,  om  Brussel  te  dekken*», 
en  met  de  hoofdmacht  naar  elders  trekken  als  het  zou  blijkea 
dat  de  vijand  andere  ondernemingen  beoogde. 

Maar  de  vijand  ondernam  niets  meer;  en  reeds  in  de  eerste 
dagen  van  Juli  had  er  eene  samenkomst  plaats,  van  Bentinck  — 
of  Portland  —  met  Boufders,  om  in  een  vertrouwelijk  gesprek 
de  voorwaarden  van  den  vrede  te  behandelen;  die  samenkomst^ 
nog  vier  of  vijf  keer  herhaald,  leidde  spoediger  tot  den  vrede 
dan  de  omslachtige,  ofBcieele  handeling  te  Rijswijk ;  de  gezanten 
aldaar  ontvingen  hunne  voorschriften  om  tot  eene  eindelijke  be- 
slissing te  komen;  en  den  20sien  September  werd  dan  ook  de 
vrede  gesloten  tusschen  Frankrijk  en  het  verbondene  Groot- 
Brittanje,  Nederland  en  Spanje.  Feitelijk  hadden  de  vijandelijk- 
heden reeds  bijna  twee  maanden  opgehouden;  en  reeds  de» 
3en  Augustus  had  Willem  III  het  leger  verlaten  om  naar  het 
Loo  terug  te  keeren. 

Eenige  brieven,  door  Wassenaer-Obdam,  in  1697  uit  het  leger 
aan  Heinsius  geschreven,  zijn  niet  onbelangrijk,  èn  om  het  karak- 
ter van  den  schrijver  meer  te  doen  kennen,  èn  om  eene  voor- 
stelling te  geven  hoe  men,  tijdens  een  veldtocht,  bij  een  hoofd- 
kwartier denkt  en  spreekt.  Want  wat  in  die  brieven  voorkomt 
is  de  hhtoire  intime  van  ieder  hoofdkwartier  bij  een  veldtocht; 
iels  meer,  iets  minder;  bij  ieder  hoofdkwartier  vindt  men  dan 
praters,  bedillers,  plannenmakers,  onvergenoegden,  menschen  die 
meenen  te  moeten  klagen  over  achteruitzetting  en  onrecht,  en 
die  in  hun  eigen  oogen  miskende  genieën  zijn.  Zóó  is  het  altijd 
geweest,  en  zal  het  altijd  zijn;  zóó  was  het  ook  bij  het  leger 
van  Willem  III  in  1697,  blijkens  wat  ons  wordt  medegedeeld  in 
het  tweede  deel  van  het  «Archief  van  Heinsius". 

De  naam  van  Obdam  heeft  een  treurige  vermaardheid  ver- 
kregen door  het  gebeurde  bij  Eeckeren;  toen  het  leger  van  de 
Republiek,  dapper  strijdende,  den  vijand  sloeg,  en  het  legerhoofd, 
als  vluchteling,  te  Breda  aankwam.  Maar  dit  ongelukkige  feit 
moet  men  aan  Obdam  niet  te  sterk  toerekenen j  de  lafheid, 
waaraan  hij  zich  toen  heefc  schuldig  gemaakt,  is  iets  toevalligs 
geweest,  een  oogenblikkelijke  zwakheid  die  men  niet  te  hard 
mag  veroordeelen,  omdat  zij  bij  het  oorlogvoeren  zoo  zeldzaam 
niet  is;  hoe  velen,  waarop  toepasselijk  is  het  yjil  fut  brave  tel  jour'';. 
ook  Frederik  II  is  te  Molwitz  op  de  vlucht  gegaan.  Obdam  heeft 
zich  in  zijn  lange  militaire  loopbaan  bijna  altijd  als  een  trouw 
en  dapper  soldaat  gedragen;  maar  voor  veldheer  deugde  hij  in 
het  geheel  niet:  hij  was  een  van  die  menschen,  die  niet  moeten 


Digitized  by 


Google 


VELDTOCHT  IN  DE  NEDERLANDEN.  395. 

aanvoeren,  maar  aangevoerd  worden.  De  brieven  van  dien  man 
doen  zeer  duidelijk  zijne  ongeschiktheid  als  legerhoofd  kennen; 
zij  voorspellen  Eeckeren. 

Uit  Brussel,  den  26sten  Mei  1697,  toen  het  beleg  van  Ath  is- 
begonnen,  schrijft  Wassenaer-Obdam  aan  Heinsius: 

«Gisteren  avond  hier  gekomen,  kan  ik  niet  nalaten.  Mijnheer, 
u  in  vertrouwen  meê  te  deelen,  wat  men  hier  vertelt  {ce  qu'on  y 
débite).  Allereerst  wil  ik  u  dan  zeggen,  dat  men  in  hooge  mate 
ontmoedigd  is  door  den  tegenswoordigen  stand  van  onze  zaken, 
uit  hoofde  van  's  vijands  groote  overmacht,  die  men  op  een  derde 
meer  schat  dan  onze  sterkte.  Ook  zegt  men,  dat  de  vijand  nog 
niet  werkelijk  heeft  aangevallen,  maar  alles  gereed  heeft  om  dit 
eerstdaags  te  doen,  en  maar  wacht  op  een  koerier  uit  Den 
Haag,  om  te  weten  of  er,  al  dan  niet,  een  wapenstilstand  wordt 
gesloten;  want  te  dien  aanzien,  verdenkt  men  ons  van  onwil; 
gij  weet  daarvan  meer,  dan  ik  u  kan  melden.  Uit  de  gesprekken 
die  ik  hier  hoor,  kan  ik  niet  opmaken  wat  men  besluiten  wil; 
maar  dit  weet  ik,  dat  wij  gevaar  loopen  de  zaken  van  ons  land, 
en  waarschijnlijk  van  geheel  Europa,  te  benadeelen,  als  wij  over- 
gaan tot  een  te  stouten  stap;  en  toch  hangt  dit  zeer  dikwijls  af 
van  het  advies  van  een  of  twee  menschen,  die  er  weinig  belang 
bij  hebben;  naar  mijn  oordeel  is  het  voor  ons  zeer  te  bejam- 
meren, dat  er  zoo  weinig  menschen  zijn  die  hun  ware  meening 
durven  zeggen,  uit  vrees  van  daardoor  te  mishagen  en  achteruit 
te  gaan  in  gunst  en  invloed.  Wij  loopen  noodwendig  gevaar  van 
alles  te  verliezen ;  want  lijden  wij  eene  nederlaag,  dan  zullen  zij" 
(de  Franschen)  >met  zoo  groote  overmacht  niet  werkeloos  blijven, 
als  in  vorige  jaren;  en  behalen  wij  eenig  voordeel  dan  zullen  wij 
daarvan  geen  andere  vrucht  plukken  dan  Ath  te  hulp  te  komen, 
dat  zeer  gebrekkige  verdedigingsmiddelen  heeft,  daar  er  maar 
drie  van  onze  bataljons  in  zijn;  de  andere  zijn  Spanjaarden  en 
Italianen,  op  wier  sterkte  men  weinig  kan  bouwen.  Daarom  be- 
zweer ik  U,  Mijnheer,  om  dit  te  overwegen,  zoo  ter  liefde  van 
het  algemeen  welzijn  als  voor  den  persoon  en  den  roem  van 
Zijne  Majesteit;  ziet  of  gij  iets  kunt  doen  om  beide  te  behouden,, 
en  de  rampen  te  voorkomen  die  waarschijnlijk  uit  te  groote  ver- 
metelheid moeten  ontstaan;  dixi.  Gij  ziet,  Mijnheer,  wat  ik  u 
toevertrouw;  ik  ben  overtuigd  van  uwe  rechtschapenheid,  en  dat 
zulk  een  vertrouwen  mij,  later,  geen  kwaad  zal  doen.  Gij  zegt 
misschien,  dat  ik  altijd  te  veel  zwaarhoofd  ben ;  maar  het  is  niet 
de  eerste  keer  dat  ik  de  zaken  heb  voorspeld;  en  ziende  dat 
hier  alles  op  het  spel  staat,  moet  het  u  niet  verwonderen  als  ik 
daarover  ongerust  ben.'*  (Archief,  2*  deel,  blz.  146 — 147). 

Een  > zwaarhoofd",  —  zeer  zeker  is  Obdam  dat  hier;  en  dat 
is  een  noodlottige  eigenschap  in  een  aanvoerder.  Soms  komt  men 
hiertegen  op,  met  die  afgezaagde  tegenwerping:  >is  het  dan  niet 


Digitized  by 


Google 


39^         '      KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

beter  de  zaken  wat  zwaar  in  te  zien,  dan  ze  zoo  luchtig  te  be- 
handelen ?  Maakt  dat  optimisme  niet  blind  voor  den  waren  toe- 
stand; en  werkt  het  daardoor  niet  verderfelijk?' 

Zóó  stelt  men  de  vraag  verkeerd;  zóó  moet  men  niet  rede- 
neeren. 

Men  moet  noch  optimist,  noch  pessimist  zijn;  men  moet  den 
wezenlijken  toestand  weten  in  te  zien,  zich  daarnaar  regelen, 
daarnaar  maatregelen  nemen,  alle  beschikkingen  treffen  die  lot 
-eene  goede  uitkomst  kunnen  leiden ;  en  als  men  gedaan  heefi  al 
wat  menschelijk  verstand  en  menschelijke  krachten  kunnen  doen, 
dan  moet  men  met  zelfvertrouwen  handelen,  hoopvol  de  toe- 
komst te  gemoet  gaan,  —  al  is  men  ten  volle  overtuigd  dat  er 
leemten  zijn  in  ons  oorlogsplan,  dat  er  nadeelige  kansen  kunnen 
voorkomen,  waartegen  wij  niet  zijn  gewapend:  —  die  leemten, 
die  nadeelige  kansen  zijn  nooit  geheel  te  vermijden;  maar  een 
legerhoofd  moet  zich  daardoor  niet  laten  ontmoedigen  — ,  en 
vooral  hij  moet  anderen  niet  ontmoedigen,  door  zijn  bekomme- 
ring wereldkundig  te  maken:  zijt,  inwendig,  een  weinig  pessimist ; 
■maar,  uitwendig,  altijd  optimist. 

Toen  Willem  I,  van  1572  tot  1576,  het  zwakke  Holland  en 
Zeeland  tegen  de  machtige  Spaansche  Monarchie  verdedigde; 
toen  Willem  III,  in  1672,  aan  Frankrijk  en  Engeland  het  hoofd 
bood,  —  waren  de  kansen  van  den  oorlog  zóó  wanhopig  slecht, 
dat  het  bijna  dwaasheid  scheen  om  den  kamp  vol  te  houden;  — 
zagen  die  groole  mannen  het  slechte  van  die  kansen  dan  niet 
ïn?  —  Zeer  zeker  zagen  zij  dat  in;  maar  zij  wachtten  zich  wel, 
het  volk  daarop  te  wijzen;  integendeel,  zij  wezen  het  op  het 
rechtvaardige  van  de  zaak  waarvoor  men  streed,  en  op  de 
kracht  die  men  vindt  in  geestdrift,  in  vaderlandsliefde,  in  het 
onwankelbaar  vertrouwen  op  hoogere  leiding.  Met  het  enkel  in 
rekening  brengen  van  stoffelijke  krachten  komt  men  niet  ver. 

Vier  dagen  later,  den  3osten  Mei  1697,  uit  de  legerplaats  bij 
Iseringe  (of  Eysingen,  een  half  uur  ten  noordoosten  van  Halle). 
schrijft  Obdam  weer  een  langen  en  even  zwaarhoofdigen  brief 
aan  Heinsius.  Altijd  zijn  die  brieven  in  het  Fransch;  evenzoo 
de  brieven  van  Geldermalsem ;  —  waarom  moeten  een  Hol- 
landsch  generaal  en  een  Hollandsch  gedeputeerde  te  velde,  aan 
den  raadpensionaris  van  Holland  in  de  Fransche  taal  schrijven, 
terwijl  toch  Willem  III  en  Heinsius  in  het  Hollandsch  corres- 
pondeerenf  —  Zou  men  daaruit  niet  mogen  besluiten,  dat  de 
hoogere  standen  in  onze  Republiek  toen  minder  nationaal  waren 
■dan  de  Stadhouder? 

In  dien  brief  van  30  Mei  vangt  Obdam  dus  aan: 
»In  mijn  laatste  schrijven  heb  ik  U,  Mijnheer,  mijne  bezorgd- 
•heid   meegedeeld   over   den   toestand   waarin   onze   zaken   thans 


Digitized  by 


Google 


VELDTOCHT  IN  DE  NEDERLANDEN.  397 

verkeeren;  die  bezorgdheid  is  niet  verminderd  sinds  ik  bij  het 
leger  ben,  hoe  zeer  ik  wel  merk  dat  de  drift  wat  verflauwd  is, 
om  iets  al  te  gewaagds  te  ondernemen;  hiertoe  heeft  de  hemel 
veel  bijgedragen,  die  ons  begiftigd  heeft  met  aanhoudende  regen- 
buien, waardoor  de  wegen  bijna  onbegaanbaar  zijn,  vooral  voor 
artillerie.  Ook  kan  ik  u  zeggen,  dat  alle  generaals,  die  ik  heb 
gesproken,  niet  minder  bezorgd  waren  dan  ik,  over  eene  poging 
die  men  zou  kunnen  beproeven  om  Ath  te  ontzetten;  zij  be- 
schouwden dit  als  de  gevaarlijkste  handeling  die  men  in  dezen 
stand  van  zaken  zou  kunnen  doen,  door  's  vijands  groote  over- 
macht, die  bijna  20  bataljons  sterker  is  dan  wij.  Het  schijnt  dat 
men  hier  niet  weet,  wat  er  bij  het  beleg  van  Ath  voorvalt;  ten 
minste  gedurende  eenige  dagen  was  men  in  de  onzekerheid  of 
de  stad  al  dan  niet  werd  aangevallen^  en  daarover  werd  hier 
bijna  evenzoo  gesproken,  als  ik  u  uit  Brussel  heb  meegedeeld; 
maar  sedert  twee  of  drie  dagen  maakt  het  kanonvuur  het  ons 
duidelijk,  dat  de  aanval  begonnen  is;  en  de  Heer  Van  Ouwer- 
kerk  zeide  mij  gisteren,  dat  hij  bericht  had  gekregen,  dat  de 
vijand  zich  reeds  had  ingegraven  op  het  glacis;  maar  hij  waar- 
borgde dat  bericht  niet. 

't  Is  spijüg  dat  men  geen  sterker  bezetting  in  die  vesting  heeft 
gelegd,  die  ook  —  naar  men  zegt  —  niet  voorzien  is  van  al  het 
noodige,  hoewel  wij  tot  dat  einde  30  000  francs  hebben  betaald ; 
te  Brussel  verzekerde  men  mij,  dat  die  som  niet  geheel  gebruikt 
is,  tot  ddt  einde;  dezelfde  fout  heeft  ons  verscheidene  vestingen 
doen  verliezen ;  en  toch  verbetert  ons  dit  niet,  en  die  gedurige 
nadeelen  maken  ons  niet  voorzichtiger.'* 

Dat  Willem  III  iemand  als  Obdam  juist  niet  als  raadsman 
uitkoos  om  daarmede  de  gewichtigste  vraagstukken  van 'oorlog 
en  van  staatkunde  vertrouwelijk  te  bespreken,  is  nog  al  zoo 
vreemd  niet;  —  toch  schijnt  Obdam  zich  ingebeeld  te  hebben, 
dat  dit  zoo  behoorde  te  zijn ;  hij  schijnt  zich  gekrenkt  te  achten, 
dat  hij  geen  deel  heeft  aan  de  leiding  van  de  krijgs verrichtingen ; 
hij  beschouwt  zich  als  iemand  die  miskend  wordt,  die  in  on /er- 
diende  ongendde  is  gevallen.  Dit  blijkt  uit  het  volgende: 

>De  Koning  houdt  thans  alle  dagen  langdurige  conferentiën 
met  den  Keurvorst  van  Beyeren  en  met  den  Prins  De  Vaude- 
mont,  soms  ook  met  den  Prins  van  Nassau-Sarbrück ;  maar  de 
tweede"  —  dus,  dat  is  Vaudemont  —  t  heeft  wel  het  meeste  in 
te  brengen;  al  de  andere  Generaals  weten  niet  meer  dan  ik; 
daarom  kunnen  wij,  alleen  op  gissingen,  redeneeren;  maar  wat 
wij  er  van  begrijpen  is,  dat  men  geheel  onzeker  is,  wat  te 
doen . . ." 

en  verder: 

» Gisteren  fluisterde  een  der  eerste  personaadjes  van  het  Beyer- 
sche  hof  mij  in  't  oor:  tdus  behoort  ook  gij,  tot  de  schare  der 


Digitized  by 


Google 


^9^  KRIJG3-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

in  ongenade  gevallenen?"  Dat  gaf  mij  een  onbehagelijk  denk- 
beeld van  de  zaken;  want  nooit  hadden  wij  meer  behoefte  aan 
eensgezindheid." 

Obdam  beoordeelt  scherp^  maar  niet  onjuist^  het  gedrag  van 
de  Keizerlijke  regeering  die  het  sluiten  van  den  vrede  tegenwerkt : 

...»Hoe  ver  zijn  nu  de  Heeren  Keizerlijken,  met  al  hun 
zwarigheden:  en  zullen  zij  betere  voorwaarden  verkrijgen  voor 
Lotharingen,  als  er  nog  eenige  vestingen  worden  verloren?  Die 
Heeren  willen  noch  vrede,  noch  oorlog;  waren  zij  nog  maar  in 
staat  om  in  Duitschland  iets  belangrijks  te  ondernemen,  om  eene 
krachtige  diversie  te  maken,  dan  zou  het  nog  iets  zijn;  maar 
daarvan  blijkt  niets;  die  heeren  willen  overal  het  hoogste  woord 
voeren,  terwijl  zij  niets  wezenlijks  doen;  en  terwijl  men  zich 
met  beuzelingen  bezig  houdt,  verliezen  wij  onze  vestingen;  wat 
mij  het  oude  gezegde  te  binnen  brengt:  dum  deliberatur  Romae^ 
perit  Saguntum . . .''^  (Archief,  2*  deel,  blz.  148—149). 

Toen  Ath  zich  heeft  overgegeven  schrijft  Obdam,  den  gen  Juni 
1697,  weer  een  brief  aan  Heinsius,  met  allerlei  praatjes,  over 
wat  de  vijand  nu  zal  doen,  en  over  waartegen  wij  ons  te  wape- 
nen hebben;  aan  zwarigheden  geen  gebrek: 

...>Zoo  dat  men  aan  alle  kanten  in  den  angst  is,  en  zeer 
zeker  verkeeren  wij  in  alle  opzichten  in  een  zeer  slechten  toe- 
stand. De  Heer  van  Geldermalsem  zal  u  geschreven  hebben  wat 
er  gebeurd  is  met  de  fourage,  die  spoedig  op  zal  zijn;  en  ik 
hoor  met  verdriet,  dat  de  vredes-onderhandelingen  niet  vorderen; 
want  ik  schroom  niet  om  u  te  zeggen,  dat,  zetten  wij  den  oor- 
log voort  op  dezelfde  wijze  als  thans,  wij  reddeloos  verloren  zijn. 
Ik  heb  nu  te  weinig  tijd  en  kan  u  dus  niet  al  de  wanorde  en 
al  de  verwarring  melden,  die  ik  dag  aan  dag  zie  in  dit  leger, 
samengesteld  uit  zoo  veel  verschillende  natiën;  men  weet  geen 
overeenstemming  te  brengen  tusschen  al  die  menschen ;  ik  wenschte 
eene  betere  eendracht,  dan  ik  thans  zie.  In  het  kort  y^unt  scopae 
disso/titaé*^ ;  en  als  de  goede  God  ons  niet  uit  de  verlegenheid 
redt,  dan  weet  ik  niet  hoe  wij  er  uitkomen. 

Gij  zult  zeggen,  dat  ik  altijd  rampen  voorspel;  mair  God 
geve  dat  ons  die  niet  mogen  treffen  wanneer  het  geen  tijd  meer 
zal  zijn  om  die  te  verhelpen."  (Archief,  2'  deel,  blz.  150 — 151). 

Een  volgende  brief  van  Obdam  aan  Heinsius,  van  den  2osieii 
Juni  1697,  bevat  enkele  militaire  opgaven,  —  van  weinig  be- 
lang — ,  en  ia,  voor  het  overige,  aan  de  staatkunde  gewijd. 

Is  dat  af  te  keuren;  moet  een  hoog  geplaatst  bevelhebber, 
iooals  Obdam,  vreemd  blijven  aan  de  staatkunde?  —  Neen, 
volstrekt  niet;  hij  moet  wel  degelijk  een  heider  en  juist  inzicht 
hebben  in  de  staatkundige  handelingen,  die  in  zoo  nauw  verband 
5taan  met  de  leiding  van  den  oorlog;  hij  moet  niet  vreemd  zijn 


Digitized  by 


Google 


VELDTOCHT  IN  DE  NEDERLANDEN.  399 

aan  de  staatkunde:  —  maar  wél  vreemd  blijven  aan  de  poli- 
tieke tinnegieterij:  praatjes  in  't  honderd  te  houden,  die 
niets  ter  zake  dienen,  niets  ter  wereld  uitwerken,  —  dit  is  het, 
wat  een  legerhoofd  of  hooggeplaatst  bevelhebber  moet  vermijden  \ 
^n  d^t  is  het,  waaraan  Obdam  zich  schuldig  maakt. 

Voltaire  heeft  gezegd,  dat  de  staatkunde  geen  geheime  weten- 
schap is,  alleen  voor  ingewijden  te  begrijpen;  maar  dat,  integen- 
■deel,  de  ambtelooze  burger  van  Amsterdam  of  van  Bern  haar 
■even  goed  kan  vatten  als  de  hoogst  geplaatste  Minister.  Dat  is 
ook  zoo ;  mits  die  Amsterdamsche  of  Bernsche  burger  een  man 
zij  van  gezond  verstand,  van  helder  oordeel,  van  kunde;  een 
man,  die  menschenkennis  bezit  en  die  den  gang  der  wereldsche 
^aken  doorgrondt;  —  mét  die  mits,  kan  men  over.de  staat- 
kunde oordeeleo;  si  non,  non.  Het  ongeluk  is  maar,  dat  als  een 
man  van  een  bekrompen  geest  zich  met  de  staatkunde  afgeeft, 
hij  er  wonder  wat  in  zoekt,  en  in  de  onbeduidendste  zaak' de 
"diepzinnigste  berekeningen  onderstelt,  de  ingewikkeldste  verbin- 
dingen; daardoor  misleid,  wil  hij  dan  ook  door  slimheden  uit- 
munten, en  doet  vaak  domme  streken  uit  zucht  om  geniaal  te 
iijn.  Het  is  zoo'n  zeldzaamheid  niet,  dat  een  legerhoofd,  aan 
zijne  overfijne  staatkundige  inzichten  zijne  militaire  plichten  ten 
offer  brengt;  niet  bedenkende,  dat  men  de  beste  staatkunde  volgt 
als  men  met  zijn  leger  overwinningen  behaalt,  en  in  den  oorlog- 
het  overwicht  behoudt.  Bazaine's  dwaze  of  misdadige  handelingen 
te  Mctz  in  1870  zijn  voor  een  deel  te  wijten  aan  zijn  toegeven 
aan  staatkundige  dwaalbegrippen. 

In  Obdam's  brief  wordt  eerst  gewaagd  van  het  beleg  van  Bar- 
celona  door  de  Franschen: 

>Met  deze  post  meende  ik  u  niet  te  schrijven;  maar  dezen 
namiddag  met  den  Heer  Van  Geldermalsem  bij  den  Keurvorst 
van  Beyeren  zijnde,  zeide  deze  ons  dat  een  Brandenburgsch  lui- 
tenant, verleden  Maandag  krijgsgevangen  gemaakt,  teruggekomen 
van  het  korps  van  den  Heer  De  Mourevers  die  het  bevel  voert 
in  de  liniën,  verhaalde  dat  de  Heer  De  Mourevers  hem  aan 
tafel  had  gevraagd,  of  het  in  ons  leger  al  bekend  was.  dat  Bar- 
celona  belegerd  werd  van  de  land-  en  van  de  zeezijde.  Dit  heeft 
niets  verwonderlijks,  want  het  jammerlijk  beleid  van  het  Spaansche 
hof  doet  ons  zoo  iets  verwachten;  —  maar  hij  deed  hem  eene 
andere  vraag  die  ons  meer  bekommert,  namelijk,  of  wij  wel 
wisten  dat  de  Koning  van  Spanje  op  het  uiterste  lag.  De  Keur- 
vorst scheen  daarover  zeer  ter  neer  geslagen;  en  voegde  er 
bij,  dat  de  Franschgezinde  partij  op  dit  oogenblik  in  Spanje 
de  sterkste  was,  en  dat,  bijgevolg,  die  monarchie  zich  wel  eens 
in  de  armen  van  Frankrijk  zou  kunnen  werpen. 

Oordeel,  hoe  wij  er  aan  toe  zouden  zijn,  vereenigden  die  twee 
Rijken  zich  onder  één  gebieder! 


Digitized  by  VjOOQIC 


400  KRUGS-   EN   GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

Ziedaar  wat  de  Heeren  Keizerlijken  voor  fraais  hebben  uitge- 
richt, met  hun  talmen  en  dwarsdrijven  ten  aanzien  van  den 
vrede:  voorloopig  hebben  wij  Ath  verloren,  en  Barcelona  zal 
waarschijnlijk  hetzelfde  lot  ondergaan;  dan  ontbreekt  er  nog 
maar  aan,  dat  wij  hier  eene  nederlaag  lijden,  of  nog  eenige  ves- 
tingen verliezen;  en  dan  zullen  wij  betere  voorwaarden  bedin- 
gen!!" (dat  dubbele  verwonderingsteeken  is  niet  van  ónze 
vinding:  het  komt  voor  in  Obdam's  brief). 

>Ik  vrees  zeer  dat  de  inneming  van  Barcelona  ons  Luxemburg 
zal  kosten,  of  iets  dat  daarmee  gelijk  staat;  maar,  wat  duivel"^ 
{pourquoy,  diablé)^  >  daar  men  het  beleg  van  Barcelona  heeft  voor- 
zien, waarom  heeft  men  niet  een  sterk  smaldeel  daar  heen  ge- 
zonden ?  Oaze  vloten  liggen  toch  maar  te  rotten  in  de  Engelsche 
havens:  het  is  om  wanhopig  te  worden,  als  men  ziet  dat  wij, 
noch  vrede  kunnen  sluiten,  noch  oorlog  voeren.  Ik  wilde  dat  die 
Graaf  Kinsky,  wien  men  al  die  vertragingen  wijt  —  of  welke 
Daemon  het  dan  ook  moge  zijn  —  in  het  peperland  zat"  {fut 
aux  antipodes\  >en  dat  men  zich  niet  stoorde  adn  de  luimen  van 
dien  grilligen  stijfkop." 

Verder  spreekt  Obdam  nog  over  de  krijgsbe wegingen  in  Vlaan- 
deren, die  natuurlijk,  hoewel  zonder  beteekenis,  door  hem  wor- 
den afgeschilderd  als  geheel  onheilspellend  voor  ons;  en  hij  laat 
daarop  volgen: 

>Is  dat  nu  geen  mooye  veldtocht  voor  ons;  en  moet  gij  niet 
erkennen,  dat  ik  u  dit  alles,  grooten deels,  lieb  voorspeld  ?  Ik 
eet  mij  zelven  op  van  kwaadheid,  als  ik  dit  alles  zie.  Ik  wenschte 
er  niet  aan  te  denken,  om  zoodoende  de  bittere  kommer  te 
ontgaan,  die  al  die  wederwaardigheden  mij  geven  zonder  dat 
het  in  mijne  macht  is  om  iets  daarin  te  verhelpen;  en  bij  zulk 
eene  gelegenheid  zou  ik  uwe  Stoïcijnsche  kalmte  noodig  hebben^ 
die  mij  zoo  vaak  half  razend  maakt.  In  één  woord,  het  is  mij 
te  machtig;  en  gemakkelijk  zult  gij  zien,  dat  ik,  dit  schrijvende, 
alles  behalve  bedaard  ben..."  (Archief,  2*  deel,  blz.  151  — 152). 

Toen  Willem  III,  door  zijn  snellen  marsch  van  Genappe  op 
Brussel,  's  vijands  aanslag  op  die  hoofdstad  verijdelde,  zou  men 
denken  dat  dit  ten  minste  Obdam's  goedkeuring  zou  verwerven; 
maar  jawel:  het  dient  hem  alweer  als  aanleiding  om  den  stand 
van  zaken  zoo  somber  mogelijk  te  kleuren;  den  24sten  Juni  1697 
schrijft  hij  aan  Heinsius: 

...»Het  heeft  den  Koning  veel  moeite  gekost  om  het  kamp 
van  Anderlecht  te  bereiken;  hij  heeft  dag  en  nacht  gemarcheerd; 
Zijne  Majesteit  verschanst  zich  nu  daar,  en  de  twee  vereenigde 
legers  van  Villeroy  en  van  BoufBers  zijn  nabij  ons.  De  goede 
God  beware  ons  voor  eene  nederlaag,  want  dan  bleef  ons  niets 
over.  Evenzoo  zijn  wij  bekommerd  voor  Catinat,  die  gisteren 
de  Schelde  is  overgetrokken  en  nu  gelegerd  is  te  Saint-Eloy,  aan 


Digitized  by 


Google 


VELDTOCHT  IN  DE  NEDERLANDEN.  40I 

de  Lijs,  op  twee  uur  afstands  vaa  Deynse.  De  een  zegt,  dat  hij 
die  rivier  zal  overgaan;  de  ander,  dat  hij  stelling  zal  nemen  te 
Machelen,  op  een  half  uur  afstands  van  Deynse,  dat  wij  niet 
zullen  kunnen  behouden;  zoodat  wij  aan  alle  zijden  in  den 
drang  zijn.  Toch  schijnen  den  Keurvorst  de  handen  te  jeuken, 
want  zooeven  sloeg  hij  eene  voorwaartsche  beweging  voor,  die 
aan  al  onze  Generaals  zeer  gevaarlijk  voorkwam;  en  het  ergste 
bij  dit  alles  is,  dat  er  altijd  menschen  van  weinig  beteekenis  zijn, 
die,  om  vooruit  te  komen,  de  vaak  denkbeeldige  glorie  der  vor- 
sten vleyen;  zij  zelve  hebben,  daarbij,  niets  te  verliezen.  In 
't  kort,  Mijnheer,  het  is  mij  volstrekt  onmogelijk,  om  u,  geheel 
naar  waarheid  en  volledig  de  vreeselijke  crisis  af  te  schilderen 
waarin  wij  verkeeren,  en  waaruit,  menschelijkerwijze  gesproken, 
alleen  een  spoedige  vrede  ons  kan  redden.  Dit  zeg  ik  u,  en  dit 
herhaal  ik;  en  dit  is  ook  alles  wat  ik  daaraan  kan  doen.'' 
(Archief,  2'  deel,  blz.  152). 

Zulke  menschen,  als  Obdam,  stichten  kwaad  in  een  leger, 
omdat  zij,  door  hunne  onverbeterlijke  zwaarhoofdigheid  en  hun 
dwaas  gejammer,  ontmoediging  doen  ontstaan.  Het  is  wel  niet 
opzettelijk,  dat  zij  kwaad  stichten;  zij  zullen,  misschien,  wel  niet 
zoo  vér  gaan,  dat  zij  de  zaken  in  de  war  sturen,  alleen  maar 
om  hunne  zwaarhoofdigheid  te  rechtvaardigen;  —  maar,  loopen 
de  zaken  in  de  war,  dan  zeggen  zij  op  triomfeerenden  loon: 
>heb  ik  het  niet  gezegd?"  —  De  rol  van  Cassandra  heeft  voor 
veel  menschen  iets  aanlokkelijks ;  en  toch  deugt  die  niet;  want 
men  doet  soms  het  kwaad  ontslaan  door  de  vrees  voor  het 
kwaad  te  onvoorzichtig  te  uiten. 

Een  paar  dagen  later  —  26  Juni  1697  — ,  in  een  brief  aan 
Heinsius,  is  het  weer  hetzelfde.  Obdam  bespreekt  daarin  de  be- 
wegingen van  Catinat's  leger,  dat  men  niet  weet  wat  bedreigd 
wordt :  Brugge,  Oudenaarden  of  Deynse,  wat  het  leger  van  den 
keurvorst  van  Beieren  —  waarbij  Obdam  is  —  daartegen  zal 
doen,  welke  verschillende  adviezen  daarover  worden  uitgebracht 
in  den  krijgsraad;  —  natuurlijk  zijn  al  die  adviezen  dwaas,  be- 
halve het  advies  van  Obdam  zelf.  Hij  eindigt  met  deze  woor- 
den: >Gij  kunt  niet  gelooven,  Mijnheer,  hoe  of  men  hier  vergaat 
van  zorg  en  verdriet;  een  Engelengeduld  is  daar  niet  tegen  be- 
stand; voor  ons  welzijn  worden  steeds  vele  goede  handelingen 
voorgeslagen;  die  worden  goed  en  krachtig  voorgestaan;  ook 
bewilligd;  —  maar,  uitgevoerd?  Neen:  daartoe  ontbreekt  alles, 
en  vooral  het  geld.  Wie  duivel  heeft  ooit  zóó  zien  oorlog  voe- 
ren? Het  is  om  wanhopig  te  worden.  Ik  wenschte  een  volslagen 
Stoïcijn  te  wezen,  en  minder  gevoelig  voor  het  verlies  van  dit 
land,  en  voor  het  welzijn  van  ons  vaderland,  dat  daarvan  afhangt." 
(Archief,  2®  deel,  blz.   153). 

Is  dat  eigenlijk  wel  een  loyale  handeling,  dat  een  onderbevel- 

wiLLEM  III.  —  III.  26 


Digitized  by 


Google 


402  KRIJGS-   EN   GESCHIBDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

hebber  —  buiten  het  legerhoofd  om  —  aan  zijne  regeering  eene 
critiek  inzendt  van  de  krijgsverrichtingen ?  —  Het  waren  ver- 
trouwelijke brieven  —  zal  men  zeggen  —  van  Wassenaer- 
Obdam  aan  Heinsius;  —  ja  maar,  Wassenaer-Obdam  was  gene- 
raal, en  Heinsius  raadpensionaris;  in  zulk  een  verhouding  schrijft 
men  geen  vertrouwelijke  brieven ;  ten  minste  niet  gedurende  den 
veldtocht,  later  misschien  wel. 

Den  28sten  Juli  1697  schrijft  Wassenaer-Obdam  weer  aan  Hein- 
sius. £en  zeer  lange  brief,  un  dèluge  de  paroles^  sur  un  désert  dUdées^ 
praatjes  over  de  krijgsbewegingen,  praatjes  die,  op  het  einde  van 
den  brief,  weer  worden  tegengesproken ;  er  zijn  geen  touwen  aan 
vast  te  maken.  Aan  het  slot  schijnt  Obdam  toch  in  te  zien,  dat 
de  oorlog  zoo  goed  als  gedaan  is: 

...iMen  bericht  ons  uit  het  andere  leger"  (het  leger  van  Wil- 
lem III),  >dat  bij  de  laatste  samenkomst  van  de  Heeren  De 
Bouffiers  en  Portland  te  Halle,  zij  hunne  bepalingen  op  schrift 
hebben  gesteld;  dat  de  Gardes  du  Corps  vertrokken  zijn,  of  ver- 
trekken zullen,  om  den  weg  te  bezetten  door  Zijne  Majesteit  te 
volgen,  die  eerstdaags  naar  Het  Loo  gaat;  dit  zou  eene  geheime 
wapenschorsing  aanduiden,  misschien  wel  een  openlijke;  en  op 
die  wijze  zou  bewaarheid  worden  wat  de  Franschen  hebben  ge- 
zegd, namelijk  dat  de  samenkomsten  van  Boufïlers  en  Portland 
den  vrede  meer  zouden  bespoedigen,  dan  alle  samenkomsten  in 
Den  Haag"  (Rijswijk).  —  (Archief,  2'  deel,  blz.  156—157). 

Den  Qcn  September  1697  nogmaals  een  brief  aan  Heinsius,  van 
Obdam,  die  toen  te  Brugge  is:  gebabbel  over  militaire  en  staat- 
kundige aangelegenheden,  dat  niet  de  minste  waarde  heeft;  wij 
gaan  dat  voorbij. 

Alleen  willen  wij,  ten  slotte,  ons  nog  kort  ophouden  bij  den 
laatsten  brief  van  Obdam  aan  Heinsius,  die  in  dit  tweede  deel 
van  het  «Archief"  voorkomt.  Die  brief  is  van  den  i6en  Septem- 
ber 1697,  uit  Brugge.  Indien  wij,  bij  enkele  der  brieven  van 
Obdam,  verzuimd  hebben  te  zeggen,  van  welke  plaats  zij  zijn 
geschreven,  dan  doet  dit  niets  ter  zake:  het  noemen  van  die 
plaats  zou  ons  leeren,  waar  Obdam  dien  dag  was,  evenals  het 
leger  waartoe  hij  behoorde;  het  zou  dus  belangrijk  kunnen  zijn, 
gold  het  de  behandeling  van  een  belangrijken  veldtocht;  maar 
het  heeft  niet  de  minste  waarde  bij  een  veldtocht  waarbij  toch 
niets  meer  werd  verricht. 

Die  laatste  brief  is  als  de  andere,  en  bevat  ook  profetiën, 
die  niet  zijn  uitgekomen;  aan  het  slot  vaart  Obdam  nog  al 
hevig  uit  tegen  de  Keizerlijken,  die  het  sluiten  van  den  vrede 
tegenhouden : 

...»Gij  ziet.  Mijnheer,  hoe  wij  moeten  boeten  voor  de  luimen 
en  dwarsdrijverijen  der  Keizerlijken,  die  belet  hebben  dat  den 
laatsten  Augustus  de  vrede  werd  gesloten ;  laat  nu  ook  den  termijn 


Digitized  by 


Google 


VELDTOCHT  IN  DE  NEDERLANDEN.  403 

van  20  September  verstrijken,  dan  zullen  de  zaken  van  kwaad 
tot  erger  gaan;  want,  in  't  eind,  ik  tart  de  schranderste  om  de 
redenen  te  doorgronden  die  den  vijand  kunnen  hebben  genood- 
zaakt om  aan  de  bondgenooten  zooveel  te  willen  teruggeven,  als 
hij  aangeboden  heeft  bij  de  tegenwoordige  onderhandelingen. 

Bovendien,  die  vijand  kent  onze  zwakheid,  en  zal  niet  in  ge- 
breke blijven  om  daar  voordeel  uit  te  trekken,  zonder  dat  wij 
hem  dit  kunnen  beletten.  Het  zou  nog  iets  zijn,  gaf  de  oorlog 
ons  eenige  hoop  voor  de  toekomst;  maar  waar  zijn  onze  hulp- 
middelen; en  als  wij  den  oorlog  nog  met  eenig  voordeel  tien 
jaar  voortzetten,  kunnen  wij  dan  toch  de  vestingen  heroveren, 
die  men  ons  nu  aanbiedt?  Wat  mij  aangaat^  mijn  verstand  staat 
daarvoor  stil;  en  het  komt  mij  voor,  dat  dit  evenzoo  gaat  met 
allen  die  zich  met  die  zaak  moeyen. 

De  Heeren  Keizerlijken  nemen  eene  ijdele  en  trotsche  houding 
aan,  en  willen  de  geheele  wereld  overbluffen,  terwijl  zij  werkelijk 
geen  nagels  hebben  om  zich  te  krabben  waar  het  jeukt;  wat 
hebben  zij  eigenlijk  uitgevoerd  in  het  algemeen  belang,  gedu- 
rende den  ganschen  loop  van  dezen  oorlog?  Toch  schreeuwen 
zij  hard,  voeren  het  hoogste  woord,  en  willen,  meer  dan  iemand 
anders,  voordeel  trekken  uit  dien  oorlog,  niet  slechts  ten  koste 
van  hunne  vijanden,  maar  ook  van  hunne  vrienden.  Het  zal  wat 
moois  geven  in  Hongarije"  (Obdam  bedoelt  hier  den  oorlog 
tegen  de  Turken;  —  hij  was  toen  nog  onbekend  met  de  groote 
overwinning,  door  Prins  Eugenius  den  iien  September  bij  Zenta 
behaald);  igij  weet  reeds  welke  slechte  berichten  er  van  daar 
zijn;  en  hard  twijfel  ik  er  aan,  al  roepen  zij  al  hun  Santen  en 
Santinnen  ter  hulp,  of  het  mirakel  zal  gebeuren  waarop  zij  altijd 
rekenen  voor  het  huis  van  Oostenrijk.  Gij  kunt  denken  dat  de 
voordeelen  door  de  Turken  behaald,  hunne  goede  vrienden  de 
Franschen  een  geheel  andere  taal  zal  doen  voeren. 

De  Keurvorst  heeft  mij  gezegd,  dat  de  Saksische  troepen  die 
een  groot  deel  uitmaken  van  het  Keizerlijke  leger,  van  honger 
sterven,  of  deserteeren,  omdat  zij  geen  soldij  krijgen    .... 

In  *t  kort:  alles  gaat  slecht,  aan  alle  kanten;  en  nog  willen 
wij  ons  groot  houden,  en  niet  gapen  als  de  pap  ons  wordt  aan- 
geboden; sed  vana  sine  viribus  tra;  en  Engeland *s  gesteldheid 
kent  gij,  evenals  de  onze;  en  dat  is  de  spil  waarop  de  oorlog 
draait.  Ik  zou  even  krachtig  en  even  fier  als  ieder  ander  dien 
oorlog  voorstaan,  was  er  maar  de  flauwste  hoop  om  dien  te 
kunnen  voeren  met  eenige  goede  kans;  maar  wanneer  ik  duide- 
lijk zie,  dat  wij  alles  hebben  te  vreezen  en  niets  te  hopen,  dan 
moet  ik  erkennen  dat  ik  evenzeer  verwonderd  ben,  over  de  aan- 
biedingen van  Frankrijk,  als  over  de  traagheid  van  de  bondge- 
4iooten  om  die  aan  te  nemen. 


Digitized  by  VjOOQIC 


404  KRIJGS-   ÏN   GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Ik   hoop  dat  de  Hemel  den  laatsten  eene  goede  ingeving  zal 
verschaffen,  die  onzen  ondergang  verhoedt." 

Vier  dagen   na  het  schrijven   van  dien  brief,  is  de  vrede  ge- 
teekend. 


De  krijgsverrichtingen  van  1697  in  Duitschland  zijn  ook  onbe- 
teekenend  geweest,  en  verdienen  niet  dat  men  lang  daarbij  stilstaat. 

Wat  de  sterkte  aangaat  van  de  legers  die  dit  jaar  aan  den 
Rijn  tegenover  elkander  stonden,  die  schijnt  aan  weerszijden 
nagenoeg  dezelfde  te  zijn  geweest.  De  Fransche  opgaven  spreken 
wel  van  de  overmacht  van  het  Keizerlijke  leger,  dat  zij  op 
56000  man  begrooten;  maar  raadpleegt  men  de  slagorde  van 
het  Fransche  leger,  zooals  die  bij  De  Quincy  is  te  vinden,  dan 
komt  men  ook  tot  een  kleine  20000  ruiters  of  dragonders  en 
ruim  30000  man  voetvolk,  dus,  tot  een  geheel  cijfer  van  een 
50000  man,  niet  veel  verschillend  van  het  cijfer  56000.  —  In 
die  slagorde  komt  voor,  dat  de  artillerie  van  het  Fransche  leger 
bestond  uit  6  compagnieën  artilleristen,  bij  zich  hebbende  62 
kanonnen  en  2  kleine  mortieren.  —  Het  Fransche  legerhoofd 
was  de  maarschalk  Choiseui,  het  Keizerlijke  Prins  Lodewijk  van 
Baden;  beiden  zijn  reeds  vroeger  genoemd  en  beoordeeld;  en 
de  veldtocht  van  1697  geeft  geen  aanleiding  om  dat  oordeel  te 
veranderen,  of  te  wijzigen. 

Aanvankelijk  waren  de  wederzijdsche  legers  op  den  rechter- 
oever van  den  Rijn,  naar  de  zijde  van  het  Schwarzwald;  er 
hadden  verschillende  kleine  ontmoetingen  plaats,  die  door  De 
Quincy  nog  al  hoog  worden  opgehemeld,  maar  die  toch  niet 
meer  zijn  geweest  dan  onbeduidende  schermutselingen.  In  het 
begin  van  Juli  gaat  het  Fransche  leger  weer  achter  den  Rijn 
terug;  en  den  24sten  Augustus  komt  Lodewijk  van  Baden  te 
Mainz,  op  den  linker  Rijnoever,  met  het  Keizerlijke  leger.  De 
oorlog  liep  nu  op  zijn  einde;  —  toch  kiest  de  Keizerlijke  regee- 
ring juist  dien  tijd  uit  om  nog  iets  te  ondernemen,  misschien  in 
de  hoop  van  daardoor  de  verregaande  werkeloosheid  van  vroeger 
eenigszins  te  vergoeden  en  te  doen  vergelen. 

Wat  Lodewijk  van  Baden  toen  ondernam,  beteekcnde  echter 
bitter  weinig:  het  was  niet  anders  dan  het  belegeren  en  innemen 
van  Ebernburg,  een  kasteel  op  den  rechteroever  van  de  Nahe 
gelegen,  daar  waar  zich  het  riviertje  de  Alzens  met  de  Nahe 
vereenigt.  Ebernburg,  twee  kleine  dagmarschen  ten  westen  van 
Mainz,  had  eene  sterke  ligging,  op  een  weinig  toegankelijke  rots ; 
maar  die  sterke  ligging  was  ook  alles;  het  was  overigens  eene 
kleine   sterkte,   meer  fort  dan  vesting;  bewijs  daarvan  is,  dat  de. 


Digitized  by 


Google 


KRIJGSVERRICHTINGEN   AAN   DEN   RIJN.  405 

bezetting,  toen  zij  bij  de  overgave  met  krijgseer  aftrok^  352  man 
sterk  was.  Het  beleg  had  bijna  de  geheele  maand  September 
geduurd;  van  de  Fransche  zijde  werden  geen  pogingen  tot  ont- 
zet gedaan ;  denkelijk  achtte  men  dit  niet  de  moeite  waard,  daar 
de  oorlog  toch  zoo  goed  als  geëindigd  was. 

Van  der  Meer  —  een  zaakgelastigde  van  de  Republiek,  die 
zich  toen  in  het  Keizerlijke  leger  ophield,  wij  weten  niet  in  welke 
ofhcieele  hoedanigheid,  maar  zeer  zeker  om  als  d warskijker 
te  ageeren  —  deelt,  in  zijn  schrijven  aan  Heinsius,  enkele  bijzon- 
derheden mede,  die  de  weinige  werkdadigheid  van  Lodewijk  van 
Baden  eenigszins  verklaren. 

Eene  eerste  verklaring  moet  gezocht  worden  in  de  onverant- 
woordelijke verwaarloozing  van  het  leger  door  de  Keizerlijke 
regeering,  die  niets  deed  om  in  de  voeding  van  dat  leger  te 
voorzien;  het  was  weer  de  oude  historie,  waarop  Schiller  doelt, 
als  hij  twee  soldaten  van  Wallenstein  doet  zeggen :  >  wie  ons  be- 
taalt, is  de  Keizer.  —  Neen:  wie  ons  niet  betaalt,  is  de  Keizer." 

Den  2 5 sten  Augustus  1697  schrijft  Van  der  Meer  aan  den 
Raadpensionaris : 

...»In  de  marsch  die  men  van  Ladenborgh  naar  Ments  heeft 
gedaan,  sijn  niet  alleeti  veel  soldaten  der  Kijserlijcke  troepen 
gedeserteert  ter  oorsaack  sij  sedert  een  geruymen  lijt  sonder  be- 
talinge  sijn  geweest,  maar  dewijl  sij  niet  als  van  haar  munitie- 
brood  en  water  moeten  leeven  en  ter  dier  oorsaeck  niet  in  staat 
sijn  de  fatigues  uyt  te  staan,  soo  sijn  veel  van  die  onderweegh 
doodt  gevallen  en  sieck  geworden."  (Archief,  2*  deel,  blz.  158 — 159). 

Nog  een  andere  verklaring  voor  de  jammerlijke  wijze  waarop 
de  Duitschers  toentertijd  oorlog  voerden,  vindt  Van  der  Meer 
in  hunne  oneensgezindheid :  de  Duitsche  vorsten,  vooral  de 
Protestantsche,  koesterden  groot  wantrouwen  tegen  de  Keizerlijke 
regeering,  en  werkten  dus  niet  met  haar  mede.  —  Den  g^n  Augus- 
tus 1697  schrijft  Van  der  Meer: 

«Voorleden  Maandagh  de  eer  hebbende  van  met  den  Hr.  Prins 
Louis  van  Baden  te  eeten,  sijde  hij  mij  dat  hem  uyt  den  Haagh 
was  geschreven,  dat  men  aldaar  seer  blameerde,  dat  hier  met 
de  Armee  der  geallieerden  niets  wierde  ondernoomen;  dat  zelfs 
de  Hr.  Van  Dyckveldt  gelijcke  discoursen  hadde  gevoert;  en  al 
hoewel  men  hem  persoonelijck  de  faute  niet  toeschreef,  eghter 
de  blame  daar  van  niet  anders  als  op  hem  conde  coomen;  dat 
wel  waar  was  dat  daar  naar  de  heer  Van  Dyckvelt  veel  goeds 
van  hem  hadde  geseght,  maer  dat  echter  dat  niet  conde  wegh- 
nemen  de  blame  van  de  inactie,  die  men  aan  de  geallieerde 
armee,  die  hij  commandeerde,  imputeerde;  en  toonde  sigh  seer 
sensibel  over   't  selve,  versoght  mijn  UWEG.  te  schrijven ;  daar 


Digitized  by 


Google 


4o6  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

bijvoegende,  dat  hij  altijt  capitaal  hadde  gemaackt  op  H.H.  Mo. 
protectie  en  voornamentlijck  in  deese  vreedens  negotiatie,  en  niet 
wist  waarin  hij  hadde  gemeriteert  't  geen  men  teegens  hem  seyde ; 
dat  hadde  hij  iets  op  de  vyanden  connen  ondernemen,  hij  geen 
occasie  soude  hebben  laeten  voorbij  gaan  om  't  selve  ter  exe- 
cutie te  leggen;  dat  de  troepes  die  men  naar  de  Nederlanden 
hadde  ontbooden,  hem  hadden  gestelt  buyten  staat  om  iets  te 
connen  ondernemen,  dewijl  de  vyandtlijcke  armee  bijkans  soo 
sterck  was  als  de  sijne." 

Van  der  Meer  doet  zijn  best  om  den  Badenschen  vorst  zach- 
ter te  stemmen,  en  hem  te  doen  gelooven  dat  de  regeering  van 
de  Republiek  hem  wel  degelijk  in  hooge  achting  houdt;  maar 
—  voegt  Van  der  Meer  er  bij  — ,  waarom  niet  een  brug  ge- 
slagen te  Mannheim,  en  dddr  den  Rijn  overgetrokken  ?  Dat  is 
veel  beter,  dan  dien  overtocht  te  Mainz  te  doen,  want  daardoor 
verwijdert  men  zich  te  veel,  en  laat  Zwaben  en  Frankenland 
blootgesteld  aan  'svijands  inval.  Waarom  geen  gebruik  gemaakt 
van  Mannheim,  waarvoor  reeds  lang  het  plan  had  bestaan?  — 
De  Badensche  vorst  antwoordde,  dat  dit  niet  kon: 

...»Hij  antwoordde  dat  men  het  selve  niet  hadde  connen 
werckstelligh  maecken  om  verscheyde  reedenen,  dat  S.  Maj.  v. 
Gr.  B.  van  't  selve  volkomen  was  geïnformeert. 

Des  naarmiddagh  discoureerde  ick  over  't  selve  subject  met 
den  Hr.  Staffert,  eersten  minister  en  Groot-Marechal  van  den 
Hertogh  v.  Wurtembergh,  uyt  wie  ick  verstont  dat  dat  werck 
was  tegengehouden  door  den  Landgraaf  van  Hessen  en  door  de 
jalousie  van  de  Protestante  Prinsen,  die  niet  geerne  soo  een 
importante  post  souden  sien  in  handen  van  een  Roomsen  Prins..." 
(Archief  van  Heinsius,  2'  deel,  blz.  157 — 158). 

Een  van  de  vruchten  van  de  studie  der  geschiedenis  is,  dat 
men  daardoor  leert  inzien,  dat  zeer  dikwijls  de  kleingeestigste 
inzichten,  de  bekrompenste  denkbeelden  een  beslissenden  invloed 
hebben  geoefend  op  de  gewichtigste  handelingen  van  staat  en 
van  oorlog.  Hier  kan  het  Keizerlijke  leger  niet  te  Mannheim 
den  Rijn  overtrekken,  omdat  »de  jalousie  van  de  Protestante 
Prinsen*'  niet  toelaat  om  >soo  een  importante  post  in  handen 
van  een  Roomsen  Prins  te  zien."  En  zulk  een  beweegreden  be- 
paalt, hoe  de  oorlog  tegen  Frankrijk  wordt  gevoegd! 


De  krijgs verrichtingen  van  1697  in  Catalonië  zijn,  verreweg, 
belangrijker  geweest  dan  die  in  de  Nederlanden  en  aan  den 
Rijn ;  zij  doen  eer  aan  het  Fransche  legerhoofd,  den  hertog  van 
Vendóme,  die  hier  zeer  veel  geestkracht  en  bekwaamheid  heeft 
betoond. 

Het  leger  dat  Vendóme  aanvoerde,  telde  42  bataljons  voetvolk 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN    BARCELONA.  407 

en  55  eskadrons  ruiters  of  dragonders;  ruim  26000  man  voet- 
volk en  een  kleine  9000  ruiters,  te  zamen  een  35000  man.  Die 
sterkte  was  grooter  dan  wat  Frankrijk  in  de  vorige  jaren  in  Catalonië 
had  doen  optreden;  die  sterkte  was  ook  veel  grooter  dan  de 
sterkte  van  het  daartegenover  staande  Spaansche  leger:  een 
20000  man;  —  maar  die  sterkte  was  evenwel  niet  groot,  neemt 
men  in  aanmerking,  dat  de  taak  van  dit  leger  niet  meer  of  niet 
minder  was  dan  de  belegering  en  inneming  van  Barcelona. 

Die  aloude  en  vermaarde  hoofdstad  van  Catalonië  ligt  aan  de 
Middellandsche  zee,  een  kleine  twee  uur  oostelijk  van  de  plaats 
waar  de  rivier  de  Llobregat  zich  in  die  zee  werpt.  Barcelona 
was  toen  verdeeld  in  een  oude  en  in  een  nieuwe  stad,  de  eerste 
oostelijk,  de  tweede  westelijk,  beide  omgeven  door  een  stevigen 
gebastionneerden  wal,  met  droge  gracht,  bedekten  weg,  glacis, 
en  sommige  buitenwerken;  de  omtrek  van  dien  hoofdwal  was 
een  paar  uur  gaans;  oude  en  nieuwe  stad  waren  van  elkander 
gescheiden  door  een  muur  met  torens.  Op  een  12  k  1500  el 
westelijk  van  de  nieuwe  stad  had  men  het  fort  Mont  Jouy  —  of 
Mont  Juich  — ,  zeer  sterk  daor  zijn  ligging  op  een  hooge  en 
steile  rots.  Aan  de  zeezijde  van  Barcelona  waren  enkele  schan- 
sen en  batterijen,  om  den  ingang  van  de  haven,  en  de  zeehoof- 
den,  te  verdedigen.  De  stad  was  goed  voorzien  van  krijgsvoor- 
raad  en  leeftocht ;  en  verkreeg  eene  bezetting  van  1 1 000  man 
voetvolk  en  1500  ruiters,  waarbij  zich  4000  gewapende  burgers 
aansloten.  Bevelhebber  was  een  prins  van  Hessen- Darrostadt,  een 
man  van  geestkracht  en  bekwaamheid,  maar  die  —  naar  het 
schijnt  —  hier  in  zijne  handelingen  werd  belemmerd^  doordat  hij 
onder  de  bevelen  bleef  van  Velasco,  den  Onderkoning  van  Cata- 
lonië, wiens  beleid  minder  wordt  geprezen. 


Noemde  Willem  III  het  beleg  van  Namen  in  1695  >een  harde 
noot  om  te  kraken",  hetzelfde  zou  men  kunnen  zeggen  van  de 
belegering  van  Barcelona  door  de  Franschen  in  1697,  want  bij 
de  sterkte  van  Vendóme's  leger  viel  er  niet  aan  te  denken  om 
een  stad  van  zoo  grooten  omvang  geheel  in  te  sluiten ;  en  slecht 
staat  de  kans  op  het  vermeesteren  van  een  belegerde  vesting, 
die  men  niet  ingesloten  heeft.  £ene  zeer  gunstige  omstandigheid 
was  het  echter  voor  den  aanvaller,  dat  eene  Fransche  vloot,  die 
onder  den  admiraal  d'Estrées  van  Toulon  kwam,  gemakkelijk 
alles  kon  aanvoeren  wat  de  belegeraar  noodig  had,  en  de  aan- 
vallen aan  de  landzijde  kon  ondersteunen  door  aanvallen  aan  de 
zeezijde. 

Te  Gerona,  zoo  wat  een  20  uur  ten  noordoosten  van  Barce- 
lona, trok  het  Fransche  leger  in  de  maand  Mei  bijeen;  op  het 
laatst  der  maand  stelde  het  zich  in  beweging  naar  de  hoofdstad 


Digitized  by 


Google         ^ 


408  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE  BESCHOUWINGEN. 

van  Catalonië.  Het  Spaansche  leger,  dat  aanvankelijk  nabij  Hos- 
talrich  had  gestaan,  tusschen  Gerona  en  Barcelona,  ging  terug 
voor  's  vijands  overmacht,  en  ontruimde  Hostalrich;  een  3000 
man  Fransche  ruiterij,  door  Vendóme  vooruitgezonden  om  den 
terugtocht  der  Spanjaarden  te  verontrusten,  slaagden  daarin  niet; 
en  zonder  verliezen  te  lijden  bereikte  Hessen- Dar mstadt  de  hoofd- 
stad, waar  hij  bleef  met  de  vroeger  vermelde  bezetting;  met  het 
overige  van  het  Spaansche  leger  plaatste  zich  de  onderkoning 
Velasco  te  San  Feliu  de  Llobregat,  niet  ver  van  de  rivier,  en 
een  groote  twee  uur  ten  noordwesten  van  Barcelona. 

Vendóme,  zijn  marsch  voortzettende,  was  den  3en  Juni  te  La 
Roca,  nog  een  kleinen  dagmarsch  van  de  hoofdstad,  den  óen  te 
Badalona,  nog  slechts  een  anderhalf  uur  daarvan  verwijderd,  den 
i2en  onmiddellijk  voor  Barcelona.  Den  6en  Juni  kwam  ook  de 
vloot  van  d'Estrées,  die  eenige  dagen  later  een  groote  3000  man 
ontscheepte,  die  ook  hebben  deelgenomen  aan  het  beleg;  de 
vloot  bracht  tevens  aan,  60  zware  kanonnen,  24  mortieren,  de 
noodige  munitie,  meel  om  brood  te  bakken  voor  vier  maanden, 
en  een  voorraad  aan  haver,  voor  een  week  of  zes.  In  één  woord, 
de  middelen  voor  de  voeding  van  het  Fransche  leger  waren  ver- 
zekerd, en  men  had  al  wat  noodig  was  voor  het  beleg. 

Dat  beleg  begint  in  den  nacht  van  den  i5en  op  den  i6en  Juni; 
toen  worden,  op  een  kleine  500  el  afstands  van  de  vesting,  de 
loopgraven  geopend  tegen  het  noordoostelijk  gedeelte  van  de 
oude  stad;  die  handeling  werd  begunstigd,  èn  door  het  terrein, 
èn  door  de  bommen  die  de  vloot  in  de  stad  wierp,  en  die  hier 
en  daar  brand  deden  ontstaan. 

Het  is  niet  ons  voornemen  het  beleg  van  Barcelona  dag  voor 
dag  te  beschrijven;  integendeel,  wij  willen  maar  zeer  kort  daar- 
van gewagen.  Aan  weerszijden  kenmerkte  zich  dat  beleg  door 
bekwaamheid,  door  krachtdadige  handelingen,  door  dapperheid; 
onophoudelijk  hadden  er  uitvallen  plaats,  soms  twee,  drie  op  één 
dag,  en  zij  gaven  aanleiding  tot  hardnekkige  en  bloedige  ge- 
vechten; toen  de  belegeraar  in  den  nacht  van  den  400  op  den 
5en  Juli  den  bedekten  weg  bestormde,  gelukte  het  hem  slechts 
een  gedeelte  daarvan  te  vermeesteren,  en  dat  'nog  wel  ten  koste 
van  zware  verliezen ;  eerst  in  den  nacht  van  den  6en  op  den 
7 en  Juli  werd  de  belegeraar  meester  van  den  geheelen  bedekten 
weg  van  het  front  van  aanval. 

De  onderkoning  Velasco  was  intusschen  voortdurend  te  San 
Feliu  de  Llobregat;  hij  had  daar  een  6000  man  geregelde  troe- 
pen, en  nagenoeg  evenveel  Miquelets  en  andere  volkswapening. 
De  Franschen  hadden  Barcelona  niet  kunnen  insluiten;  en  van- 
daar, dat  Velasco  voortdurend  in  gemeenschap  bleef  met  de 
stad,  en  dat  konvooien  met  krijgsbehoeften,  of  andere  benoo- 
digdheden,  herhaaldelijk  van  San  Feliu  te  Mont  Juich  aankwamen. 


Digitized  by 


Google 


BELEG   VAN   BARCELONA.  409 

Dit  was  eene  omstandigheid,  die  weinig  hoop  gaf  op  het  goed 
ten  einde  brengen  van  het  beleg ;  en,  was  het  Fransche  leger  al 
niet  sterk  genoeg  om  Barcelona  geheel  in  te  sluiten,  zoo  is  het 
toch  eenigszins  bevreemdend,  dat  Vendóme  het  lijdelijk  aanzag 
dat,  op  zoo  korten  afstand,  zoolang  eene  Spaansche  troepenmacht 
bleef  standhouden,  die  de  stad  gedurig  nieuwe  verdedigingsmid- 
delen kon  bijzetten,  en  het  kamp  van  den  belegeraar  verontrusten. 

Eindelijk  verneemt  het  Fransche  legerhoofd,  dat  de  vijand 
voornemens  is,  zelf  hem  aan  te  vallen,  door  de  gelijktijdige 
werking  van  de  troepen  van  Velasco  en  van  de  bezetting  van 
Barcelona.  Vendóme  besluit  nu,  zijn  vijand  te  voorkomen,  en 
Velasco  aan  te  vallen.  Den  1460  Juli,  een  paar  uur  vóór  het 
aanbreken  van  den  dag,  gaat  de  Fransche  veldheer,  met  3000 
man  voetvolk  en  2500  ruiters,  in  stilte  op  raarsch,  van  zijn  kamp 
naar  San  Feliu.  Het  schijnt  dat  de  Spanjaarden  zeer  slecht  ge- 
zorgd hadden  voor  den  veiligheidsdienst  van  hun  leger;  ten 
minste,  hunne  veldwachten  en  andere  posten  worden  zoo  goed 
als  overrompeld;  de  Fransche  ruiterij  dringt  San  Feliu  binnen; 
Velasco  ontkomt  ternauwernood ;  de  verliezen  van  zijn  leger  zijn 
misschien  niet  groot  geweest,  maar  dat  leger  stuift  geheel  uiteen, 
en  vlucht  in  verwarring  achter  de  Llobregat.  Van  toen  af  staat 
Barcelona  zoo  goed  als  op  zichzelf;  nog  altijd  is  het  mogelijk 
om  versterkingen  binnen  de  stad  te  brengen,  maar  er  is  geen 
Spaansche  krijgsmacht  voorhanden  om  gebruik  te  maken  van 
die  mogelijkheid. 

Het  beleg  wordt  nu  geregeld  voortgezet;  de  aanvaller  wordt 
niet  meer  gehinderd  van  buiten,  maar  heeft  voortdurend  te  kam- 
pen met  den  dapperen  tegenstand  der  bezetting  van  Barcelona. 
In  den  nacht  van  den  22sieii  op  den  23sten  Juli  wordt  de  hoofd- 
wal  van  Barcelona  bestormd;  en  na  een  hardnekkigen  strijd,  met 
afwisselende  kansen  gevoerd,  blijven  twee  der  bastions  in  het 
bezit  van  den  bestormen  Eene  oude  stadsmuur  dfent  den  Span- 
jaarden nog  eenigen  tijd  tot  binnenverschansing ;  maar  reeds  den 
gen  Augustus  beginnen  zij  onderhandelingen  te  openen;  en  den 
loen  geeft  Barcelona  zich  over.  De  bezetting  verkrijgt  vrijen  uit- 
tocht met  krijgseer. 

Het  beleg  heeft  een  kleine  twee  maanden  geduurd,  van  het 
openen  der  loopgraven  tot  aan  de  overgave;  en  de  verdediging 
is  zeer  dapper  geweest.  Toch  zou  men  haast  zeggen,  dat  de 
overgave  te  spoedig  heef^  plaats  gehad,  en  de  verdediging  langer 
had  kunnen  worden  voortgezet:  men  had,  de  oude  stad  opge- 
vende, tot  de  verdediging  van  de  nieuwe  stad  kunnen  overgaan, 
en  eindelijk  tot  de  verdediging  van  het  zoo  sterke  Mont-Juich. 
De  middelen  ter  verdediging  waren  nog  niet  uitgeput;  waarom 
er  geen  verder  gebruik  van  gemaakt? 


Digitized  by 


Google 


41  o  KRIJGS-   EN  GESCHIEDKUNDIGE   BESCHOUWINGEN. 

Denkelijk  omdat  de  bezetting  van  Barcelona  reeds  te  veel  had 
geleden;  die  bezetting  toch  telde  bij  het  uittrekken  niet  meer 
dan  6000  man  voetvolk  en  1200  ruiters;  en  sedert  Velasco  zich 
te  San  Feliu  had  laten  overvallen,  was  er  op  geen  aanvulling 
meer  te  hopen.  Maar  ook  het  Fransche  leger  had  den  val  van 
Barcelona  duur  gekocht,  en  was,  door  de  verliezen  bij  het  beleg, 
en  door  ziekten  en  desertiën,  met  een  8  k  9000  man  verminderd. 
Zooveel  is  zeker,  dat  die  belegering  van  Barcelona  een  roemrijk 
wapenfeit  is  geweest  voor  beide  partijen. 

Daarna  had  er  verder  niets  plaats  in  Catalonië ;  spoedig  kwam 
het  bericht  van  den  vrede. 


Het  jaar  1697  heeft  zich  niet  gekenmerkt  door  groote  zeege- 
vechten, door  den  strijd  tusschen  oorlogsvloten ;  ter  zee  heeft  zich 
toen  alles  bepaald  tot  handelingen  van  kleine  smaldeelen,  tot 
ondernemingen  die  meer  gelijken  op  kaapvaart  dan  op  zee>oorlog. 

Het  grootste  voordeel  was  daarbij  aan  de  zijde  van  Frankrijk ; 
dat  aan  den  handel  en  de  zeevaart  van  zijne  vijanden  gevoelige 
nadeelen  toebracht.  Ook  de  Republiek  leed  daaronder:  hare 
koopvaardijvloot,  van  Bilbao  terugkeerende,  werd  in  de  Bis- 
kaaische  zee  aangevallen  —  25  Maart  — ,  en  de  drie  oorlogs- 
schepen die,  onder  Wassen aer-Starrenburg,  als  konvooi  dienden, 
na  een  dapperen  tegenstand  genomen,  met  de  helft  van  de 
koopvaarders.  De  overmacht  was  hier  wel  aan  de  zijde  van  de 
Franschen ;  maar  toch  was  die  overmacht  niet  zóó  groot  —  v  ij  f 
schepen  tegen  drie  —  of  men  moet  dit  gevecht  als  een  luister- 
rijk wapenfeit  toerekenen  aan  den  Franschen  vlootvoogd,  den 
dapperen  Du  Guay-Trouin, 

Engeland's  zeehandel  leed  nog  grootere  verliezen  dan  de  zee- 
handel van  de  Republiek;  maar  de  zwaarste  slag  werd  toege- 
bracht aan  het  toch  niet  rijke  Spanje. 

De  Pointis,  in  Januari  i6(/7  met  een  sterk  Fransch  smaldeel 
uit  Brest  gestevend  naar  Zuid-Araerika,  kwam  omstreeks  half 
April  voor  Carthagena,  de  goed  versterkte  zeehaven  van  het 
toenmalige  Nieuw- Grenada,  en  de  stapelplaats  van  waar  het  goud 
en  zilver  van  Peru  naar  Spanje  werd  venzonden.  Met  groote 
stoutmoedigheid  ontscheepte  De  Pointis  de  kleine  troepenmacht 
die  hij  aan  boord  had,  vermeesterde  verschillende  forten  die  den 
toegang  tol  Carthagena  afsloten,  en  dwong  daarna  die  stad  — 
5  Mei  —  om  zich  over  te  geven ;  het  Fransche  smaldeel  verloor 
de  helft  van  zijne  matrozen  en  soldaten,  zoo  door  ziekten  als 
door  's  vijands  geweer ;  maar  het  keerde  terug  met  een  buit  die 
op  10  millioen  francs  wordt  begroot,  en  het  had  Spanje  een 
geducht   verlies  toegebracht.   Het  was  eene  handeling  die    aan 


Digitized  by 


Google 


EINDE  YAN   DEN   OORLOG   VAN    1697.  411 

Drake  herinnert,  tijdens  de  regeering  van  de  Engelsche  koningin 
Elisabeth:  zeeroof,  als  men  wil,  maar  zeeroof  op  groote  schaal, 
en  door  oorlogsroem  opgeluisterd. 


De  tienjarige  oorlog  (1688— 1697)  was  geëindigd,  deels  door 
de  uitputting  van  de  strijdende  partijen,  deels  door  den  wensch 
om  te  kunnen  onderhandelen  over  eene  vreedzame  oplossing  van 
het  groote  vraagstuk  der  Spaansche  erfopvolging,  een  vraagstuk 
dat  spoed  vorderde,  nu  eiken  dag  de  dood  was  te  wachten  van 
den  kinderloozen  Spaanschen  koning.  Aan  wien  zou  de  heer- 
schappij komen  over  die  uitgestrekte  landenreeks,  die  toen  de 
Spaansche  Monarchie  uitmaakte,  aan  het  huis  van  Habsburg  of 
aan  het  huis  van  Bourbon?  —  Met  beide  liep  het  Europeesche 
evenwicht  evenveel  gevaar;  en  daarom  was  de  wijze  staatkunde 
van  Willem  III  bedacht  op  een  middenweg;  en  daarom  was 
voor  hem  de  vrede  eene  noodzakelijkheid,  om  zich  mef  Lode- 
wijk  XIV  en  met  den  Duitschen  keizer  te  kunnen  verstaan  over 
het  vinden  van  dien  middenweg. 

De  tienjarige  oorlog  had  Frankrijk's  macht  verkleind,  die 
zijner  vijanden  vergroot :  verminderd  was  de  vrees  voor  Europa's 
onafhankelijkheid;  geschokt  het  geloof  aan  het  overwicht  der 
Fransche  wapenen;  gesterkt  de  macht  en  de  invloed  van  Wil- 
lem III.  De  groote  Stadhouder  had  het  doel  zijns  levens  bereikt : 
het  bestrijden  van  Frankrijk's  streven  naar  de  wereldheerschappij, 
't  Is  waar,  nog  was  Frankrijk's  grondgebied  onaangevochten  ge- 
bleven; nog  was  het  onverwonnen;  en  de  levensdagen  van  zijn 
vijand  liepen  ten  einde;  —  maar  Willem  III  had  de  overwinning 
voorbereid,  bij  eene  volgende  worsteling  tegen  den  Franschen 
koning ;  en  toen  de  heldhaftige  Oranjevorst  op  zoo  roemrijke 
wijze  aan  de  Boyne  streed,  of  bij  Steenkerke,  of  bij  Neerwinden, 
of  voor  Namen,  —  vormde  hij  dat  uitmuntende  leger  dat  Marl- 
borough  en  Eugenius  hunne  zegepralen  heeft  verschaft. 


EINDE   VAN   HET   DERDE   EN   LAATSTE  DEEL. 


Digitized  by 


Google 


NASCHRIFT. 


Het  handschrift  van  dit  werk  draagt  aan  het  eiod  van  het  Derde  deel  de 
onderteekeniDg  van  den  toen  bijna  ze  ven  tig- jarigen  Generaal:  «'sGravenhage, 
25  April  1881.  —  W.  J.  Knoop." 

De  generaal  Knoop  overleed  den  24sten  Januari  1894;  deze  belangrijke 
studie  over  zijn  held,  den  groolen  Oranjevorst,  den  Stadhouder- Koning 
Willem  III,  bleef  al  die  jaren  in  portefeuille,  zonder  dat  door  den  schiijvcr 
pogingen  tot  de  uitgave  werden  gedaan.  Een  enkel  woord  om  dat  feit  te 
verklaren,  mag  hier  ter  plaatse  niet  ontbreken. 

Die  verklaring  is  te  vinden  in  een  brief  van  den  generaal  Knoop  van  15  Juli 
1888,  waarin  inlichtingen  omtrent  zijn  nalatenschap  gegeven  worden  aan 
mij,  die  had  aangenomen  c.  q.  executeur-testamentair  te  zijn;  eene  verkla- 
ring, later  nog  mondeling  toegelicht. 

In  dien  brief  schrijft  de  Generaal  o.  a.  dat  van  zijne  papieren  het  grootste 
gedeelte  verbrand  kan  worden;  hiervan  wordf  echter  met  name  uitgezon- 
derd: »eene  militaire  geschiedenis  van  Willem  den  Derde,  in  drie  deelen, 
» reeds  eenige  jaren  gereed  om  te  worden  uitgegeven.  Doe  er  mee  wat  Gij 
»wilt.'*  De  uitgave  was  niet  geschied  omdat  de  Generaal  in  zijn  gewone, 
groote  bescheidenheid  meende,  niet  licht  een  uitgever  vooi  een  zoo  omvang- 
rijk werk  te  zullen  vinden.  De  Generaal  keurde  het  echter  goed,  indien 
na  zijn  overlijden  een  uitgever  het  » aandurfde". 

Deze  heb  ik  gevonden,  in  den  Uitgever  van  des  schrijvers  VOLLEDIGE 
WERKEN  (Acht  Deelen),  den  heer  H.  A.  M.  Roelants,  te  Schiedam,  die, 
volgens  mijn  voorstel,  de  eventuëele  winst  zal  doen  strekken,  ten  voordeele 
van  het  Fonds  tot  ondersteuning  der  Weduwen  en  Weezen  z>an  vripviliig 
dienende  militairen,  beneden  den  rang  van  officier^ 

De  hoogleeraar  Dr.  P.  L  Muller,  schrijver  van  het  Levensbericht  yan 
W.  J,  Knoop,  in  het  Jaarboek  der  Koninklijke  Akademie  van  Weten- 
schappen 1895,  zegt  daarin- ten  slotte:  »Knoop  heeft  niet  alleen  de  kennis 
»van  onze  krijgsgeschiedenis  uitgebreid  en  in  vele  opzichten  tot  werkelijke 
>kennis  gemaakt,  maar  hij  heeft  voor  de  krijgshistorici  een  publiek  in 
»*t  leven  geroepen  en  voor  het  Nederlandsche  volk  krijgsgeschiedkundige 
*  schrijvers  verwekt.  Daardoor  heeft  hij  aan  onze  geschiedenis,  aan  onze 
» wetenschap  een  grooten,  ja  een  onschatbaren  dienst  bewezen,  't  Is  niet 
>het  eenige  wat  hij  voor  het  vaderland  heeft  gedaan,  maar  wanneer  latere 
«geslachten  zullen  nagaan  wie  zich  in  de  negentiende  eeuw  jegens  land  en 
9Volk  en  vorstenhuis  verdienstelijk  heeft  gemaakt,  dan  zal  't  daarom  zijn, 
*dat  zij  den  naam  van  Willem  Jan  Knoop  niet  vergeten." 

Het  is  mijne  vaste  overtuiging  dat  dit  nagelaten  werk,  van  den  degelijken, 
populairen  geschiedschrijver,  evenals  zoo  vele  zijner  vroegere  geschriften, 
uitmuntende  door  levendige,  heldere  voorstelling,  bovenstaand  oordeel  van 
Dr.  Muller  ten  Volle  zal  bevestigen. 

December  1895.  A.  L.  W.  SEYFFARDT. 


Digitized  by 


Google 


NAAMLIJST  VAN  INTEEKENAREN. 


H.  M.  WILHELMINA,  Koningin  der  Nederlanden, 

II.  M.  EMMA,  Koningin- Regentes  der  Nederlanden, 

H.  K.  H.  DE  GROOT-HERTOGIN  VAN  SAKSEN,  Prinses  Sophie  der  Nederlanden. 


Akademie  van  Wetenschappen,  Koninklijke,  Arasterdam. 
Altorffer,  J.  C.  &  VV.,  Boekhandelaren^  Middelburg. 
Ammers,  Firma  F.  L.  van,  Boekhandel^  's  Herlogenbosch.  2  Ex. 
Arend,  W.  van  den,  's  Gravenhage. 

Balen,  J.  N.  Plemper  van,  Boekhandelaar^  Alkmaar. 

Bazfendijk,  P.  M.,  Boekhandelaar^  Rotterdam. 

Benthem  &  Jutting,  van,  Boekhandelaren^  Middelburg. 

Bentum  &  Zoon,  J.  van,  Boekhandelaren^  Gouda. 

Beresteyn,  Jhr.  Mr.  C.  J.  van,  Gep,  Fice- President  van  beide  Gerechts- 
hoven in  N.  Indtê^  's  Gravenhage. 

Beschoor,  W.  A  ,  Boekhandelaar^  's  Gravenhage.  2  Ex. 

Bibliotheek  van  het  Departement  van  Oorlog,  's  Gravenhage. 

Bibliotheek  van  de  Kon.  Militaire  Academie,  Breda. 

Bibliotheek  van  het  Gymnasium,  Amsterdam. 

Bibliotheek  van  den  Hoofdcursus,  Kampen. 

Bibliotheek  van  het  Instructie  Bataljon,  Kampen. 

Bibliotheek  van  de  instructie-Compagnie,  Schoonhoven. 

Bibliotheek  van  het  ie  Regiment  Infanterie,  Leeuwarden. 

Bibliotheek  van  het  4e  Regiment  Infanterie,  Leiden. 

Bibliotheek  van  het  6e  Regiment  Infanterie,  Breda. 

Bibliotheek  van  het  8e  Regiment  Infanterie,  Arnhem. 

Bibliotheek  van  het  ie  Regiment  Vesting-Artilleiie,  Utrecht. 

Bibliotheek  van  het  Korps  Genietroepen,  Utrecht. 

Bibliotheek  der  Universiteit,  Amsterdam. 

Binkes,  S.  H.,  Burgemeester,  Meerkerk. 

Blok,  P.  J.,  Hoogleeraar^  Leiden. 

Blom,  G.  J.,  ie  Luitenant  der  Infanterie,  Arnhem. 

Booms,  P.  G,  Gep,  Luitenant-Generaal^  's  Gravenhage. 

Borren,  A.  M.,  Directeur  der  Departementale  School,  Breda. 

Brochuren-Vereeniging  van  het  ie  Bataljon  7e  Regiment  Infanterie, 
Hoorn 

Broese  &  Co.,  Boekhandelaren,  Breda.  3  Ex. 

Broese,  J.  G.,  Boekhandelaar,  Utrecht.  5  Ex. 


Digitized  by 


Google        — 


Buisonjé  &  Zn.,  J.  C.  de,  Boekhandelaren^  Helder.  3  Ex. 
Burck,  H.  G.,  Boekhandelaar^  Baarn. 
Burgerschool,  (Rijks  Hoogere),    \ssen. 
Burgerschool  voor  Jongens,  Hoogere,  Leiden. 
Bijlandt,  Mr.  C.  J.  E.  Graaf  van,  's  Gravenhage. 

Cadettenschool,  Alkmaar. 

Calkoen,  H.  J.,  Schoolopziener^  Edam. 

Cantine  Commissie  ie  Bataljon  4e  Regiment  Infanterie,  Delft. 

Cikot,  J.,  Boekhandelaar^  's  Gravenhage.  2  Ex. 

Cleef,  Gebr.  van.  Boekhandelaren^  's  Gravenhage.  7  Ex. 

Cornegoor,  K.  G.,  Leeraar^  Winschoten. 

Couvée,  M.  J.,  Boekhandelaar^  Delft.  2  Ex. 

Couvée,  M.  M.,  Boekhandelaar^  's  Gravenhage.  3  Ex. 

Crena  Uiterlijk,  J.  H.,  ie  Luitenant  Infanterie^  Kampen. 

Dam  van  Isselt,  J.  van,  Luitenant-Kolonel  Reservekader^  Utrecht, 
Dickhof,    M.    A.,    Luitenant- Kolonel  der   Koninklijke  Marechaussee  ^ 

Leeuwarden. 
Dieu  Fontein  Verschuur  van  Heilo,  Jhr.  G.  de,  Borculo. 
Doesburg,  Dr.  J.  J.,  Directeur  der  H,  B.  School^  Hoorn. 
Doesburgh,  S.  C.  van,  Boekhandelaar^  Leiden.  4  Ex. 
Doorn  &  Zn.,  C.  van,  Boekhandelaren^  's  Gravenhage.  3  Ex, 
Doorninck,  D.  C.  J.  van,  Commies  ter  Secretarie,  Harderwijk. 
Ducroissi  Goetzee's  Boekhandel,  Rotterdam. 
Dumonceau,  Graaf  H.,  Gep,  Luitenant- Generaal,  Adjudant  Generaal 

en  Chef  van  het  Militaire  Huis  van  IL  M.  de  Koningin,  's  Gravenhage. 
Dijkshoorn,  L.  C,  Kapitein  Artillerie,  Muiden. 

Ebert,  Gebr.,  Boekhandelaren,  Amsterdam. 

Eekhoff  &  Zn.,  W..  Boekhandelaren,  Leeuwarden.  3  Ex. 

Engels  &  Zn.,  P.,  Boekhandelaren,  loeiden. 

Francke,  F.  P.,  Kapitein  Infanterie,  werkzaam  aan  het  Departement 

van  Oorlog,  's  Gravenhage. 
Fransen  van  de  Putte,  I.  D.,  Lid  Eerste  Kamer  der  St aten-Generaal, 

's  Gravenhage. 

Genootschap  »Doctrina  et  Amicitia",  Amsterdam. 
Glasius,  L.  J.  M.,  Gep.  Majoor.  Breda. 
Goens,  J.  H.  P.  van,  Gep.  Majoor,  's  Gravenhage. 
Gorcum  &  Co.,  van,  Boekhandelaren,  Assen. 
Graaff,  J.  J.  de,  Gep,  Kapt.  v.  h.  O.  L  Leger,  Tiel. 

Haaff,  J.  M.  van  't.  Boekhandelaar,  's  Gravenhage.  4  Ex. 
Haagsche  Boekhandel-  &  Uitgeversmaatschappij,  's  Gravenhage. 
Habbema,  L.  J.  H.,  ie  Luit.- Adjudant,  Arnhem. 
Hansma,  L.,  Boekhandelaar,  Assen, 


Digitized  by 


Google 


Hardenbroek   van   's  Heeraartsbers;  en  Bergambacht,  Baron/  an, 

Opperkamerheer  van  H,  M.  de  Koningin^  's  Gravenhage. 
Harte,  P.,  Boekhandelaar^  Bergen- op-Zoom. 

Hasselbach,  W.  J.  J.,  ie  Luit.  ie  Regiment  Infanterie^  Leeuwarden. 
Heeringa,  Dr.  K.,  Leeraar  aan  het  Gymnasium^  Schiedam. 
Heide,  A.  E.  van  der,  Luitenant- Kolonel  PI,  Commandant^  Breda. 
Hengel,  W.  J.  van.  Boekhandelaar^  Rotterdam. 
Hesta,  A.  L.,  ic  Luitenant  Artillerie^  's  Gravenhage. 
Heteren,  J.  H.  &  G.  van,  Boekhandelaren^  Amsterdam. 
Hoefer,  F.  A ,  Gep.  Officier  der  Artillerie^  Hattem. 
Hoogstraten  &  Zn.,  A.  van.  Boekhandelaren^  's  Gravenhage.  4  Ex. 
Hoogstraten,  Firma  W.  J.  van,  Boekhatidelaar^  's  Gravenhage. 
Hora  Siccama,  Jhr.  Mr.  J.  H.,  's  Gravenhage. 
Höveker's  Boekhandel,  Amsterdam.  2  Ex. 
Httber,  Mr.  W.  H.,  Lid  van  den  Raad  van  State^  's  Gravenhage. 

Iterson,  G.  A.  van,  Gep,  Officier^  's  Gravenhage. 

Jager,  D.  W.  de,  Luitenant^  Arnhem. 

Jonge  van  Ellemeet,  M.  W.  de,  Burgemeester^  Oostkapelle. 

Jurling,  G.,  Boekhandelaar^  Kampen.  5  Ex. 

Kampen  &  Zn.,  P.  N.  van,  Boekhandelaren^  Amsterdam.  2  Ex. 
-Kessler,  L.  W.  A.,  Gep.  Majoor  O.  /.  Leger^  Breda. 
Kleynhens,  A.  A.,  Kapitein- Intendant^  Utrecht. 
Knierum,  J.  H.,  Boekhandelaar^  Gorinchem. 
Kooijker,  Firma  C.,  Boekhandelaar^  Leiden. 
Kolff  &  Co.,  G.,  Boekhandelaren^  Batavia.  50  Ex. 
Kraijenhoff  van  de  Leur,  A.  R.,  Majoor^  Arnhem. 
Kramer,   Mr.   J.   A.,   Secretaris- Generaal  Departement  van   Oorloge 

's  Gravenhage. 
Kramer,  Dr.  F.  J.  L.,  Hoogleeraar^  Utrecht. 
Kramers  &  Zn.,  H.  A.,  Boekhandelaren,,  Rotterdam.  3  Ex. 
Krijgsschool,  Hoogere,  's  Gravenhage. 

Lange,  G.  A.  de,  's  Gravenhage. 

Lange,  P.  de,  Boekhandelaar^  Deventer. 

Leesgezelschap  (Garnizoens),  Arnhem. 

Leesgezelschap:  > Harderwijk  en  Omstreken",  Harderwijk. 

Leesgezelschap,  (Militair),  Dordrecht. 

Leeuwen,  Dr.  J.  van.  Leeraar  //.  Burgerschool^  Schiedam. 

Limburg  Stirum,  E.  L.  Graaf  van,  Kamerheer  en  Jagermeester  der 

Koningin^  's  Gravenhage. 
Limburgh,  W.  J.  van.  Koopman,^  Rotterdam. 
Loosjes,  Erven,  Boekhandelaren^  Haarlem. 

Maatschappij  van  Nederlandsche  Letterkunde,  Leiden.' 
Meer,  Jac.  van  der,  Boekhandelaar^  Deventer.  4  Ex. 


Digitized  by  VjOOQIC 


Meijer  &  Schaafsroa^  Bf"^        .  .taren^  i^eeu warden. 

Mensing  &  Visser,  Boekhandelaren^  's  Gravenhage.  2  £x. 

Merlen,  Jhr.  J.  B,  van,  Heemstede. 

Middelaar,  J.,  2e  Luitenant  ic  Regiment  Infanterie^  Leeuwarden. 

Mierlo,  Mr.  J.  H.  van,  Oud-Pre$ident  der  Arrondissements- Rechtbank, 

Breda. 
Molenaar,  P.,  Boekhandelaar^  Zwolle.  2  Ex. 
Mulder,  Dr.  P.  L.,  Hoogleeraar^  Leiden. 
Muller,  IC  Luitenant  Infanterie^  's  Hertogenbosch. 
Muller,  Johannes,  Boekhandelaar^  Amsterdam.  2  Ëx. 
Mijs,  D.  Boekhandelaar^  Tiel.  2  Ex. 

Naamen   van   Eemnes,   Mr.   A.  van,  f^oorzitter  Eerste  Kamer  der 

Staten-  Generaal^  Z  wo  llerk  erspe) . 
Neve,  W.  J.  de.  Boekhandelaar^  Roterdam. 
Nieuwenhuis,  P.  B.,  Boekhandelaar^  Breda.  3  Ex. 
Nooten,  S.  &  W.  N.  van.  Boekhandelaren^  Schoonhoven. 
Nijhoff,  Martinus,  Boekhandelaar^  's  Gravenhage.  13  Ex. 

Offerhaus  Lz.,  Dr.  J.,  Kerkelijk  Hoogleeranr^  Leiden. 
Ophorst,  A.  R.,  Kapitein  van  den  Generalen  Staf  Helder. 
Ophorst,  W.  D.  A.,  ie  Luitenant- Adjudant  4e  Regiment  Infanterie^ 
Leiden. 

Pape,  Mr.  C.  W.  D.,  's  Gravenhage. 

Pesters,  Jhr.  V,  A.  de,  Kolonel  en  Adjudant  in  buitengewonen  dienst 

van  H,  M,  de  Koningin^  's  Gravenhage. 
Petit,   Louis  D.,  Bibliothecaris  van  de  Maatschappij  van  Nederland- 

sche  Letterkunde^  Leiden. 
Posthumus,   S.,   Leeraar  aan  het  Gymnasium  op  Geref  Grondslag, 

Amsterdam. 
Pull,  Firma  T.  D.  H.,  Boekhandelaar,  Apeldoorn. 

Quack,  J.   C.   H.    A.,    ie  Luitenant  Infanterie^  Leer  aar  aan  den 
Hoofdcursus,  Kampen. 

Raman,  P.,  Boekhandelaar,  Winschoten. 

Reehorst,  G.  S.,  Leeraar  aan  het  Gymnasium,  's  Hertogenbosch. 

Reiger,  B.,  Burgemeester,  Utrechr. 

Reijers,  P.  H.,  Boekhandelaar,  Utrecht. 

Revers,  J.  P.  Boekhandelaar,  Dordrecht, 

Rutgers  van  Rozenburg,  Jhr.  D.,  's  Gravenhage. 

Sander,  J.  C,  Hoofd  der  Openbare  Eerste  Tussckenschool,  Schiedam. 
Schalekamp,  van  de  Grampel  &  Bakker,  Boekhandelaren,  Amsterdam. 
Scharp  de  Visser,  P.  F.  C,  Middelburg. 
Schillemans  &  van  Belkum,  Boekhandelaren,  Zutphen. 
Schröder,  Gebr.,  Boekhandelaren,  Amsterdam. 


Digitized  by 


Google 


Schwarz,  V.  J.  A.,  Kapitein  Infanterie^  Delft. 

Scrinerius,  G.  J.  C,  Boekhandelaar^  Utrecht. 

Seijn,  Dr.  G.  P.,  Oud-Leeraar^  's  Gravenhage. 

Slothouwer,  G.  J.,  Boekhandelaar^  Amersfoort. 

Smit,  H..  Boekhandelaar^  Edam. 

Smits,  R.  M.,  Boekhandelaar^  Middelburg. 

Snijders,  Herman,  Leeraar  Rijks  Hoogere  Burgerschool^  Middelburg. 

Snijders,  W.  G.  F.,  Kolonel  van  den  Generalen  Staf  's  Gravenhage. 

Sociëteit,  (De  nieuwe  of  Littéraire) .  's  Gravenhage. 

Spaan,  J.,  ie  Luitenant  Infanterie^  Gouda. 

Spengler,  Jhr.  A.  F.  van,  ie  Luitenant- Adjudant  hij  het  Instructie- 

Bataljon^  Kampen. 
Spruijt  Jr.,  P.,  Boekhandelaar^  Helder. 
Starink,  Firma  W.  J.  G.,  Boekhandelaar^  Zutphen. 
Star  Numan,  Mr.  V.  M.,  Griffier  Eerste  Kamer  der  Staten-GeneraaL 

's  Gravenhage. 
Stenfert  Kroese  &  v.  d.  Zande,  Boekhandelaren^  Arnhem.  5  Ex.    . 
Stockum  &  Zn.,  W.  P.  van.  Boekhandelaren^  's  Gravenhage.  13  Ex. 
Stoop,  Jhr.  A.  W.  P.,  ie  Luitenant  der  Genie^  Davos-Platz. 
Storm  Lotz,  D.  J.  P.,  Boekhandelaar^  Rotterdam. 
Swartsenburg,  J.  T.,  Boekhandelaar^  Gouda. 

Tets,  A.  van,  Ritmeester- Adjudant  van  H,M. de  Koningin^  's  Gravenhage. 
Thielen,  W.  F.  van,  Gep.  Kapitein^  's  Gravenhage. 

Verkouteren,  H.  J.  W.,  Kapitein  der  Infanterie^  Helder. 
Vermande  Zonen,  Boekhandelaren^  Hoorn.  2  Ex. 
Verschuer,  Mr.  W.  A.  Baron  van,  's  Gravenhage. 
Voogt,  Firma  G.  G.  de,  Boekhandelaar^  Breda,  2  Ex. 
Vosmaer,  W.,  Kapitein  der  Artillerie^  Helder. 

Waltman  Jr.  J.,  Boekhandelaar^  Delft. 

Werkhoven,  W.  G.  van.  Boekhandelaar^  Harderwijk. 

Wessem,  H.  J.  van,  Tiel. 

Wierda,  J.  W.,  Boekhandelaar^  Leiden.  3  Ex. 

Winckel,  E.  G.,  M^oor- Intendant^  Utrecht. 

Wolters,  J.  B.,  Boekhandelaar^  Groningen. 

Wormser  Jr.,  J.  A.,  Amsterdam. 

Wuestman,  A.  J.,  Boekhandelaar^  Harderwijk. 

Zijnen,  Doctor  van  der  Hegge,  's  Gravenhage. 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google 


Met  deze  Aflevering  is  het  werk  compleet. 


tlllllllllilililtlllllllllllMlilMMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIItlllllllllilllllilllllllillllllllliillllllliBaMgWtWIIIIIWIMIIIIIIiÉIIUtlllMyi^  ^  ^. 


J  -^7  Krijgs-  en  Geschiedkundige 
Beschouwingen 


-♦  •*       J*"4^^*V 


OVEB 


I  WILLEM  DEN  DERDE 


► 


=  ► 


1672  — 1697. 


<  = 


DOOR 


W.  J.   KNOOP, 

in  leven  Luitenant- Generaal  v.  h.  Nederl.  Leger. 


Zeventiende  Aflevering. 


i  ► 

► 


SCHIEDAM, 

H.   A.  M.  ROELANTS, 

1895. 


lAAAAAAAéAiAAAA  A.A  AAAAAAAAAAAAAAA 


D 


IIIHIIIIIIIIIIIIIIlllllllllllltlllllllllllllllllllllllllllllllllllimillllllllllllllllllllllllllllllHlllllllllllllllllllllllllllllllllH 

Hierbij  worden  verzonden  omslag^en  voor  de  Deelen  I — III. 


J..     1 ' . 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google        ^ 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google 


Digitized  by 


Google